Een preek uitgesproken op zondagmorgen 24 maart 1861, door C.H. Spurgeon, in Exeter Hall, Strand.
Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol. Jesaja 1:18
De grootste zondaars zijn het voorwerp van de meest bijzondere genade. Christus is een grote Verlosser, die de zware overtredingen van grote rebellen tegemoet treedt. Het machtige werk van de verlossing is nooit in werking gesteld voor een klein of onbeduidend doel. Achter zo’n groots plan moet een groots doel schuilgaan — een plan dat met immense inspanning wordt uitgevoerd, met rijke beloften wordt bekrachtigd en bedoeld is om God de hoogste eer te brengen. Het verlossingsplan openbaart de volle wijsheid van God; de verwerving van de verlossing toont de volheid van Zijn genade; en de toepassing ervan laat de buitengewone kracht van God zien. Al deze drie grootheden — wijsheid, genade en macht — konden niet samenwerken voor iets minder dan een groots en wonderbaarlijk doel.
Aan het begin van onze overdenking vanmorgen mogen we daarom veilig vaststellen dat Christus gekomen is om grote zondaars te redden door een grote verlossing. Want om het hele werk werkelijk groot te maken, moet er ook een grote zondaar zijn — iemand die, als het ware, het ruwe materiaal vormt waarop Gods grote wijsheid, grote genade en grote kracht kunnen worden uitgeoefend, totdat hij gevormd wordt tot een grote heilige.
Ik vrees dat zowel heiligen als zondaars vaak maar een beperkte voorstelling hebben van Gods goedheid. Wij meten Hem naar onze eigen maatstaven. Och, dat wij toch de volle betekenis zouden verstaan van die woorden waarin God zegt: ‘Ik zal Mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen, Ik zal niet terugkeren om Efraïm te gronde te richten. Want Ik ben God, en geen mens.’ (Hos. 11:9)
God handelt in alles niet zoals een koning jegens een koning, of een vorst jegens een behoeftige, maar zoals alleen God handelen kan. Niemand is Hem gelijk. Zoals Hij onovertroffen is in heerlijkheid — die geen sterfelijk oog kan aanschouwen — zo is Hij ook onovertroffen in liefde en genade. Geen menselijk verstand kan de oneindigheid van Zijn barmhartigheid bevatten of doorgronden. Hij bewijst barmhartigheid aan duizenden, Hij ontfermt Zich over velen. Wie is een God als U, die overtreding en ongerechtigheid vergeeft, en de zonden voorbijgaat? Mijn tekst spreekt voor zichzelf — het is werkelijk een machtige tekst, bijzonder bedoeld voor zondaars van de ergste soort. Moge de Heilige Geest nu krachtig werken, en de deur van ieder hart openen, zodat de barmhartigheid van God binnen mag komen.
Vanmorgen willen we vier dingen overdenken. Ten eerste: de tekst is gericht tot grootse der zondaren. Ten tweede: hij bevat een uitnodiging tot ernstig overleg. Ten derde: hij belooft vergeving met de grootste nadruk. En ten vierde: hij stelt ons een tijd van buitengewone ernst voor ogen.
I. Ten eerste is onze tekst gericht aan DE GROOTSTE DER ZONDAREN.
Sommige broeders storen zich hevig aan de algemene uitnodigingen die ik gewoonlijk tot zondaars richt — eenvoudigweg omdat zij zondaars zijn. Enkelen gaan zelfs zo ver dat ze beweren dat het Woord van God nergens zulke universele uitnodigingen bevat. Maar hun bewering weegt niet op tegen de feiten. Hier vinden we een duidelijke uitnodiging, gericht tot mensen die nauwelijks nog gevoel of besef hadden. Zij voelden geen enkele behoefte aan een Verlosser. Ze waren gekastijd en geslagen totdat hun hele lichaam één grote wond was — en toch keerden zij zich niet tot de hand die hen sloeg, maar volhardden in hun zonden. Nergens vindt men een indringender beschrijving van volkomen onverschillige, goddeloze, verloren zielen. De context schetst de menselijke natuur in haar diepst verdorven staat — zonder één straaltje licht te midden van dichte duisternis. De mens is slecht, volkomen slecht, van begin tot eind — ja, geheel en al verdorven. Er is in hem geen sprankje hoop, geen glimp van iets goeds, in het beeld van hen tot wie deze woorden gericht zijn.
Richt uw aandacht nog eens op het hoofdstuk dat ik voorlas. In het eerste vers zien wij dat de woorden gericht zijn tot redeloze zondaars — zo redeloos, dat God Zich niet eens rechtstreeks tot hen richtte om hen te vermanen, maar hemel en aarde opriep om Zijn klacht aan te horen. Hij sprak tot het uitspansel, tot zon, maan en sterren, en beval hén te luisteren; want de mensen hadden hun oren zo gesloten voor Gods waarschuwingen, dat Hij hen niet langer rechtstreeks aansprak. “Luister, hemel, neem ter ore, aarde!” Wat een treffend beeld: God wendt Zich af van de mens en spreekt tot levenloze schepselen, omdat de mens nog hardnekkiger geworden is dan de stenen op het veld. En toch komt tot zúlke mensen de uitnodiging: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren” zegt de HEERE.
Daarna zien we dat de tekst gericht is tot ondankbare zondaars. “Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien, maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.” Hoe velen van ons moeten hierin zichzelf herkennen! God was goed voor ons vanaf onze jongste dagen. Wij werden gewiegd op de knieën van vroomheid, in slaap gelegd in de schaduw van heilige zorg. God heeft steeds in onze noden voorzien. Wij zijn niet in slavernij geboren, noch in ellende, maar hebben van meet af aan Zijn goedheid ondervonden. En toch — hoe hebben wij gezondigd in onze jeugd! Hoe hebben wij, sinds wij volwassen werden, de roepstemmen van Zijn liefde genegeerd, het bloed van Christus veracht, en Gods Geest bedroefd. Wij vergaten Zijn goedheid, verzetten ons tegen Zijn tucht, en maakten zelfs de zegeningen van Zijn voorzienigheid tot middelen van onze zonde, en de gaven van Zijn genade tot verontschuldigingen voor onze ongerechtigheid. Velen van ons moeten erkennen dat wij ondankbaar zijn geweest jegens een goedertieren, geduldige en vrijgevige God. En toch spreekt Hij ook tot ons: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren.”
Leest u vervolgens het derde vers, dan blijkt dat deze woorden zelfs gericht zijn tot mensen die zich beestachtiger gedragen dan de dieren zelf. Wij gebruiken dat woord zo gemakkelijk — “beestachtig” — om lage zonden te beschrijven. Maar is dat wel terecht? Dieren doen geen kwaad uit opzet; zij onderwerpen zich gewillig aan de mens, die God hun tot heerser heeft aangesteld. Zij verzetten zich niet tegen het gebod van hun Schepper. Ach, als wij mensen maar half zo gehoorzaam waren aan God als de beesten aan de mens, hoeveel minder zonde zou er dan op aarde zijn!
Maar hoe beschamend: velen van ons hebben God niet gediend zoals een os zijn meester dient, noch Hem gekend zoals een ezel zijn voederbak kent. Wie van ons zou twintig jaar lang een paard onderhouden dat ons nooit iets goeds deed, dat slechts kwaad probeerde te doen? En toch onderhoudt God mensen veertig, vijftig jaar lang — Hij geeft hun adem, brood, kleding — en in ruil daarvoor lasteren zij Zijn Naam, verwerpen Zijn Woord en verachten Zijn wet. Hoe groot is Zijn lankmoedigheid, dat Hij tot zulke mensen zegt: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE.”
Het is verbazingwekkend dat zulke woorden überhaupt in de Bijbel staan; nog groter is de verbazing wanneer wij beseffen dat zij gericht zijn tot mensen die zelfs onder het niveau van de dierlijke schepping zijn gezonken. O geliefde vrienden, u die God vreest — denk nooit dat iemand te slecht is om gered te worden. Ga tot de verworpenen, tot de zondaren, de dronkaards en de verloren kinderen van deze wereld. Als God Zelf mensen uitnodigt die nog slechter zijn dan het rund of de ezel, dan mogen wij niet aarzelen om hetzelfde te doen. Wie weet of de uitnodiging niet wordt aangenomen en zij verlost worden? Want velen zijn van de mesthoop van de zonde opgeheven tot de troon van genade, terwijl er maar weinigen zijn die ooit uit de zetel van de farizeeër zijn opgestaan om de hemel te bereiken.
Kijkt u nog eens naar het hoofdstuk dat vóór ons ligt, en u zult merken dat de beschrijving van hen tot wie deze woorden gericht zijn, steeds vollediger en duidelijker wordt. Uit vers veertien blijkt dat het ging om een volk dat gebukt ging onder ongerechtigheid. Wanneer een mens gebukt gaat en onderdrukt wordt, kan hij niet vrijuit bewegen — zo ook zij: zij waren zo zwaar beladen met zonde dat zij zich niet konden losmaken. Hun zonde was een deel van hun natuur geworden; als ingebrande kleuren kon zij niet meer worden uitgewassen. Telkens wanneer zij tot Christus wilden naderen, voelde het alsof hun zonde een ketting om hun voeten sloeg. Wanneer er een goed voornemen in hen opkwam, werd het al in de kiem gesmoord door hun oude, slechte gewoonten. Zij waren werkelijk beladen met ongerechtigheid. Zij konden wel klagen: “Hoe kan ik beter worden? Hoe zou ik anders kunnen leven? Mijn zonde is als een gewicht dat mij neerdrukt; ik ben verstrikt, ik kan mij niet verroeren en ik zie geen uitweg.” En toch zegt God ook tot zulke mensen: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren.”
Hoe verschrikkelijk is het wanneer zonde niet alleen een tweede natuur wordt, maar een verstikkende gewoonte; wanneer telkens terugkerende overtreding de mens gevangenhoudt in een netwerk van ijzer, waaruit hij niet kan ontsnappen. Maar zelfs tot zo iemand — tot de slaaf van vele begeerten, geketend aan handen en voeten, afgesloten van iedere kracht of hoop — zelfs tot hem reikt het Woord van het Evangelie: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE.”
Zij waren echter niet alleen zelf zondig; zij waren ook leraren in overtreding; “kinderen die verderf aanrichten!” Zoals Stephen Charnock zegt: “Zij bedierven elkaar door hun omgang en voorbeeld, zoals rotte appels de gezonde aantasten die naast hen liggen.” Er zijn mensen die overal waar zij komen onheil verspreiden — in hun dorp, hun wijk, hun stad: levende bronnen van verderf. In bijna elke gemeenschap is er wel iemand die, bij wijze van spreken, de duivel in eigen persoon lijkt te vertegenwoordigen: een man die jongeren leert drinken, vloeken en losbandig leven. Hij is als een herder die Satan zelf heeft aangesteld om de zwarte kudde te hoeden — een gids die jongelui naar giftige weiden en verleidelijke beken leidt.Maar zelfs tot zó iemand — en misschien is er vandaag wel zo iemand hier — richt God dit woord. Zelfs tot die oude, doortrapte zondaar, die zijn graad behaalde aan Satans universiteit, een meester in de kunst van het kwaad, een Goliath onder de Filistijnen — ja, tot hém komt deze uitnodiging.
U hebt, misschien al jaren, uw handen bevlekt met het bloed van zielen. U hebt gelegenheden in stand gehouden waar zonde werd gekoesterd; u hebt amusementsvormen aangeboden die jongeren verdorven en verleid hebben. In uw zak draagt u het geld dat u verdiend hebt met het ongeluk van anderen — het loon van dronkaards, het brood van dwazen, het verdriet van arme vrouwen. U hebt het gehuil van hongerige kinderen gehoord, terwijl u hun vaders aan de drank verleidde en hun gezinnen verwoestte. U hebt de slapende vlammen van hartstocht aangewakkerd, en daarom daalt u af naar de hel met het bloed van anderen op uw hoofd — niet met één molensteen om uw hals, maar met vele. “Meegesleept,” zoals Bunyan het zegt, “niet door één duivel, maar door zeven duivels,” te midden van de vloeken van hen die u verleid hebt.
En ook tot u, ongelovige spotter, die zich in het openbaar verzet tegen God, al weet u in uw hart hoezeer u Hem vreest als u alleen bent — zelfs tot u, de ergste van de ergsten, de verachtelijkste van de verachtelijken, tweemaal gestorven, als dor hout uitgerukt en verdorven — zelfs tot u spreekt God vandaag: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.”
Kunnen we nog verder gaan dan dit? Ik denk van niet — en toch, laten we het hoofdstuk volledig doornemen. De gezegende tekst die voor ons ligt, is gericht tot mensen die alle denkbare waarschuwingen en kastijdingen verspild en veracht hebben. Want het is een ernstige verzwaring van iemands schuld wanneer men blijft zondigen onder de roede van Gods tucht. Als een kind juist tijdens zijn straf zijn ouders blijft trotseren, is dat ongehoorzaamheid van de hardste soort. En toch, hoe velen onder u zijn door Gods hand geslagen, en hebben er niets van geleerd? Herinnert u zich de tijd van de cholera, toen de dood aan uw deur klopte en u ternauwernood ontkwam? Weet u nog die koorts, die ziekte die u zwak en breekbaar maakte — en hoe u toen beloofde: “Als God mij spaart, zal ik een ander mens worden”? U wérd inderdaad een ander mens, maar helaas, een slechter mens: verhard in plaats van bekeerd. Sommigen onder u zijn ternauwernood aan een schipbreuk of brand ontkomen, gered uit de klauwen van de dood, of hersteld van ongeval na ongeval. Misschien draagt u nog het litteken van Gods waarschuwing in uw eigen lichaam — een pijn die u had moeten herinneren aan Zijn genade — maar het is vergeefs geweest.
O mens, wees op uw hoede! Gods gerechtigheid is als de bijl van de Romeinen: zij rust in een bundel roeden. Wanneer de roede haar werk niet doet, komt de bijl aan de beurt. Als het tuchtigende oordeel u niet tot bekering brengt, zal het wrekende oordeel u treffen. Als u halsstarrig over elke hindernis heen wilt springen om verloren te gaan, zult u eerder dan u denkt het eind van uw dodelijke sprong bereiken — en het zal verschrikkelijk zijn om te vallen in de handen van de levende God. Toch — ja, toch! — juist tot u, aan wie jaren van verdriet en waarschuwing voorbijgingen zonder gevolg, tot u wordt vandaag de boodschap van het Evangelie gezonden: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.”
Bedenk bovendien dat deze uitnodiging is gericht tot mensen die volledig verdorven leken, van de voetzool tot het hoofd. Er was niets gezonds aan hen: geen plek zonder wonden, kneuzingen of etterende zweren. Wat een beeld van de mens in zijn verloren staat! Bent u dat, vandaag, in uw eigen ogen? Voelt u zich zo door de zonde aangetast dat u zich schaamt om in het huis van God te zijn? Denkt u: “Hoe kan een gelovige naast mij zitten? Hoe kan mijn moeder nog voor mij bidden?” Bent u zo diep gezonken dat u niet verder kán zinken — zo verdoemd als een sterfelijk mens op aarde maar kan zijn? Toch, zelfs dan, klinkt het Woord van genade tot u, de meest verachtelijke, de meest verloren, de meest verdorven onder de mensen: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren.”
En om het nog duidelijker te maken: deze boodschap werd oorspronkelijk gericht tot mensen die God Zelf “Sodom en Gomorra” noemt. Hoe schandelijk waren de zonden van Sodom — onuitspreeklijk en weerzinwekkend! Hun verdorvenheid was een stank die tot de hemel reikte. En tóch zegt God tegen hen: “Hoort, gij heersers van Sodom, en gij inwoners van Gomorra. Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren.” Degenen tot wie Hij sprak, waren mensen wier godsdienst Hij verachtte — mannen wier psalmen en offers Hij als zonde beschouwde. Hun heilige dingen waren bezoedeld; hun goud was tot slakken geworden, hun wijn vermengd met water, hun vroomheid was huichelarij. En hoe velen zoals zij wandelen vandaag door onze straten! Mensen die zingen in de kerk, maar weten dat hun lied een leugen is; die opstaan om te bidden, maar vrezen dat zij ter plekke zouden neervallen als God hen naar waarheid beoordeelde.
Er zijn er die trouw hun kerkbezoek bewaren op feestdagen als Goede Vrijdag, maar nooit de sabbat heiligen. De menselijke traditie eerbiedigen zij, de goddelijke wet verachten zij. Anderen houden zich angstvallig aan het gebedenboek of aan de vastendagen van hun kerk, maar kennen niets van berouw of geloof. Zij eten geen vlees op vrijdag, maar liegen en stelen op donderdag. Zij gehoorzamen menselijke voorschriften, terwijl ze Gods geboden aan hun laars lappen. En tóch — zelfs aan zulke mensen wordt het Evangelie gepredikt. Aan hen wier godsdienst een schijn is, wier geloof een masker is, wier vroomheid slechts dient om winst te najagen, zegt God: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren.”
Vanmorgen heb ik een groot net uitgegooid — och, dat wij allen daarin gevangen mochten worden! Er is vandaag niemand onder ons die van deze uitnodiging wordt uitgesloten. Zelfs die arme ziel niet, die daar staat te beven, bang dat hij de onvergeeflijke zonde heeft begaan. Nee, voor niemand geldt uitzondering, want:
“Niemand wordt hiervan uitgesloten,
behalve zij die zichzelf uitsluiten;
Welkom zijn de geleerden en beschaafden,
de onwetenden en onbeschaafden.”
Petrus zei: “Bekeer u en laat u dopen, ieder van u.” Zoals John Bunyan het treffend voorstelde: er had iemand in die menigte kunnen opstaan en zeggen: “Maar ik hielp Hem naar het kruis te drijven!” En Petrus zou hebben geantwoord: “Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden.” Een ander had kunnen zeggen: “Maar ik sloeg de spijkers door Zijn handen!” Opnieuw klinkt het: “Ieder van u.” Een derde riep: “Ik doorstak Zijn zijde!” Maar Petrus zei weer: “Ieder van u.” En nog één stemde in: “Ik stak mijn tong uit, ik spotte met Zijn naaktheid, ik zei: ‘Als Hij de Zoon van God is, laat Hem dan van het kruis afkomen!’” En ook tot hém zei Petrus: “Bekeer u en laat u dopen, ieder van u.”
Ik ben vaak bedroefd over sommige van onze calvinistische broeders — en dat zeg ik met eerbied — omdat zij helaas het echte calvinisme niet kennen. Geen man is ooit zo verkeerd voorgesteld door zijn eigen aanhangers als Johannes Calvijn. Velen van hen durven niet te preken over deze woorden van Petrus: “Bekeer u en laat u dopen, ieder van u.” En wanneer ík dat wel doe, zeggen zij: “Dat is onjuist!” Maar als ik daarin onjuist ben, dan heb ik de puriteinen aan mijn zijde — bijna zonder uitzondering. John Bunyan riep allereerst tot de zondaars van Jeruzalem, en Charnock schreef zijn klassiek werk “De grootste zondaars, voorwerpen van de meest uitverkoren genade”.
Het kan mij niet deren. Ik weet dat de Heere mijn oproep tot zondaren van allerlei soort heeft gezegend, en niemand zal mij ooit beletten om de vrijmoedige uitnodiging van het evangelie te verkondigen, zolang ik haar in dit Boek vind. Daarom roep ik ook vanmorgen met Petrus tot deze hele vergadering: “Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.” Zo heb ik de brief geadresseerd — en ik heb getracht zorgvuldig vast te stellen tot wie de uitnodiging gericht is.
II. Ten tweede biedt de tekst ons EEN REDENERING MET DE GROOTSTE OVERTUIGINGSKRACHT.
O, dat God u vanmorgen zou aanspreken — en dat u, die nog niet bekeerd bent, bereid zou zijn om met Hem in gesprek te gaan! Mijn woorden zijn slechts zwak en tijdelijk; zij kunnen niet tot u spreken zoals God het kan. Ik kan niet meer doen dan, voor een ogenblik, in alle nederigheid de stem van de Heere Jezus vertegenwoordigen tegenover arme, bevende zielen. “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren.” U zegt misschien: “Ik ben veel te grote zondaar om gered te worden.” Maar zeg mij: welke passage in Gods Woord verbiedt u om genade te zoeken? Hier ligt het Boek. Sla het open, lees het van begin tot einde, en zie of u ergens een enkel vers kunt vinden dat zegt: “Die of die mag niet aankloppen aan de poort der genade; deze mag geen Verlosser zoeken.” U weet beter — er zijn talloze verzen die in geest en waarheid zeggen: “Wie wil, die kome!” Dit is een Boek vol uitnodigingen. Het spreekt u toe, het roept u, het smeekt u om te komen. Ja, meer nog — ik hoop dat het, door Gods genade, u zal dwingen te komen.
Ik vind in de Schrift geen enkel woord dat u buitensluit, maar honderden die u welkom heten. En toch zegt u: “Ik ben te verachtelijk, te zondig om genade te ontvangen.” Heeft de Heere ooit iemand geweigerd? Bent u ooit tot Hem gekomen in berouw en geloof, en hoorde u Hem zeggen: “Ga weg, Ik wil u niet”? Waarom zou u dan durven denken dat Hij ú zou afwijzen? Waarom zou u de Heilige van Israël beperken, nog voordat u Hem hebt gezocht? Misschien zegt u: “Maar ik heb gebeden, en God heeft niet geantwoord.” Hij heeft nooit beloofd dat u altijd onmiddellijk zult weten dat Hij u hoort. God hoort het gebed van de zondaar, maar Hij laat niet altijd meteen merken dat Hij het heeft gehoord. Genade komt spoedig; het besef van genade laat soms even op zich wachten. Maar, o ziel, ik verzeker u: er is nog nooit een mens geweest die Christus zocht en die door Hem werd afgewezen.
Zeg mij dit: denkt u dat er verdoemden in de hel zijn omdat het bloed van Christus hen niet kon redden? Vraag het hen! Als één van hen kon zeggen: “Het is Gods schuld dat ik hier ben,” dan zou dat hun pijn verzachten. Maar niemand daar zegt dat. Geen enkele ziel in de hel heeft ooit in waarheid berouw gehad. Geen enkele ziel daar heeft ooit oprecht genade gezocht door Christus. En als ú verloren zou kunnen gaan terwijl u werkelijk een Verlosser zoekt, dan zou u de eerste zijn in de geschiedenis van de wereld — en dat kan nooit gebeuren. Welnu, ziel — aangezien er geen enkele tekst is die u buitensluit: kom! Aangezien de Heere u nog nooit heeft afgewezen: kom! Aangezien niemand ooit verloren is gegaan door gebrek aan kracht in Hem om te redden: kom, ik smeek u!
Maar — als al deze redeneringen nog niet genoeg zijn, omdat u volhardt te zeggen: “Ik ben niet waardig, ik ben niet waardig,” laat mij u dan nog iets voorhouden. Waarom, denkt u, koos onze Heere en Meester ervoor om geboren te worden uit vrouwen met zo’n besmet verleden? Kijkt u naar Zijn geslachtsregister. Op één uitzondering na hebben alle vrouwen in die lijn een zondige naam. Daar is Tamar, die overspel pleegde met haar schoonvader; daar is Rachab, de hoer; daar is Bathséba, de overspelige vrouw. Toch komt Christus uit hún nageslacht voort. Waarom? Opdat niemand ooit zou kunnen zeggen dat Hij niet kwam voor de zondaren. Als Hij niet van plan was geweest om de laagsten van de laagsten te redden, dan zou Hij Zijn koninklijke lijn nooit zo diep hebben laten dalen.
En kijk hoe Hij leefde. Waar werd Hij als kind heen gebracht? Naar Egypte — het land van afgoderij en onreinheid — zodat vervuld werd: “Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.” Waar begon Hij te prediken? In Galilea, aan de kusten waar de mensen die in duisternis zaten een groot licht zagen. En met wie verkeerde Hij? Hij at één keer in het huis van een Farizeeër, maar hoe vaak was Hij de vriend van tollenaars en zondaars! Wie waren Zijn volgelingen? Geen geleerd gezelschap, geen voorname mensen. Kijk naar hen: ruwe vissers van het meer van Galilea; Petrus, die Hem driewerf verloochende; Maria Magdalena, uit wie zeven duivels waren uitgedreven; en die andere vrouw die in zonde had geleefd. En wie was de man die Hij bekeerde nádat Hij ten hemel was gevaren? Slechts één kennen we bij naam: Saulus van Tarsus, de vervolger van de kerk, die met haat in het hart naar Damascus ging om discipelen gevangen te nemen. Tot hém klonk het: “Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?” — en de grootste vijand werd de grootste apostel.
En bij Zijn dood? Zelfs aan het kruis wendde Hij Zich tot een misdadiger — een veroordeelde dief, veracht door de wereld — en zei: “Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.” Ziet u niet, ziel? Mijn Meester ging altijd dáárheen waar Hij het meest nodig was — naar de grootste zondaars, de diepst gevallen mensen. En wat was Zijn boodschap? “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt.” Kijk naar Zijn gelijkenissen: het grote feestmaal — “Ga eropuit naar de landwegen en heggen en dwing hen binnen te komen.” Niet de zonen van prinsen, niet de vromen en aanzienlijken, maar de blinden, de kreupelen, de armen, de onreinen — allen mochten komen. Want Hij kwam met één doel: om licht te brengen in de duisternis, om leven te schenken aan de doden, om zaligheid te brengen aan de verlorenen. Wat kunt u dan nog zeggen? Zal deze redenering uw hart niet overtuigen, en u tot deze heerlijke conclusie brengen:
“Ik zal tot de genadige Koning naderen,
Wiens scepter genade schenkt;
Misschien zal Hij mij aanraken,
zodat deze smekeling zal leven.”
Als ik ga, kan ik slechts sterven,
toch heb ik mij voorgenomen het te proberen;
want blijf ik weg, dan weet ik zeker
dat ik voor altijd zal verkeren in de dood.
Maar als ik sterf terwijl ik om genade smeek,
nadat ik tot de Koning ben gegaan,
dan is dat sterven
zoals geen zondaar ooit gestorven is.
Maar laat mij nog niet afsluiten, want er kan nog steeds een ontmoedigde ziel zijn die zegt: “Ja, God kan grote wonderen doen — maar ik zou het grootste wonder van allemaal moeten zijn.” Luister, zondaar: één van Gods bedoelingen met de verlossing is Zijn eigen eer te verheerlijken — “een eeuwige naam zal Ik ieder van hen geven, een naam die niet uitgewist zal worden.” Hoe krijgt een arts een grote naam? Niet door kleine sneetjes te verzorgen of speldenprikken te genezen — dat kan iedereen. Zijn roem groeit wanneer hij geneest wat ongeneeslijk lijkt, wanneer hij hoop brengt waar anderen hebben opgegeven. Zodra de arts een patiënt geneest die door alle ziekenhuizen was afgewezen, kan hij met recht zeggen: “Deze man had geen hoop meer, en tóch is hij genezen!”
Wel, mijn vriend, als u geestelijk gezien zo iemand bent, dan bent ú juist het middel waardoor God Zijn genade het meest kan verheerlijken. Denk aan grote ingenieurs: wanneer iemand een spoorweg aanlegt over vlakke, stevige grond, zegt men: “Dat kan iedereen.” Maar toen Stephenson de spoorweg aanlegde over het moeras van Chat Moss — waar alles wat men neerlegde wegzonk — en het tóch lukte, zei de wereld: “Wat een wonder!” Of neem Brunei, die er behagen in schepte om onmogelijkheden aan te pakken en ze tot stand te brengen. Wij kunnen kritiek hebben op de menselijke kosten, maar in dit geval hebben wij te maken met een God wiens schatten onuitputtelijk zijn — een God die er vreugde in vindt de zwartste onmogelijkheden te grijpen, ze te overwinnen en mensen en engelen te tonen wat Zijn genade vermag.
Ach, arme zondaar! Hoe dieper u gevallen bent, des te helderder kan Gods genade in u schitteren. John Bunyan zei het treffend in Jerusalem Sinner Saved: “Sommigen onder Gods kinderen zijn lauw geworden, hun liefde is bekoeld, hun ijver verflauwd. Maar als de Heere juist onder de grootste zondaren zou werken — als Hij hoereerders, overspeligen, dieven en dronkaards tot bekering zou brengen — welk nieuw vuur zou dat niet ontsteken in de kerk! Zulke mensen hebben altijd het meest lief, omdat hun het meest is vergeven.” Daarom bidt Bunyan — en ik met hem — dat enkele van deze grote zondaren gered mogen worden, opdat de kerk nieuw leven zal ontvangen, vervuld van liefde en heilige blijdschap.
Maar als mijn woorden u niet kunnen overtuigen, als mijn stem te zwak is om Gods stem te vertolken, hoor dan Zijn eigen eed — want Hij zweert, op Zichzelf, de hoogste verzekering: “Zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Ik vind geen vreugde in de dood van de goddeloze, maar daarin dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft!”
Hij wil uw ondergang niet. Zijn gerechtigheid eist straf voor de zonde, maar Zijn liefde vindt er geen vreugde in wanneer u verloren gaat. Zoals een vader liever zijn kind kust dan dat hij het met de roede slaat, zo zal de Heere u liever aan Zijn voeten zien smeken om genade dan onder Zijn voeten zien liggen in oordeel.
Hij is een liefdevolle God, niet hard in de omgang. Sinds Christus onze Plaatsvervanger werd, heeft God Zich geopenbaard als vol barmhartigheid. Daarom: keer terug, verloren zoon! Kom terug, mijn Vader zendt mij om u te roepen. Kom — want Hij zal u beslist niet uitwerpen. O, Geest van de levende God, smelt het hart dat zich blijft verzetten! Want zeker — de liefde van God, de rijkdom van Zijn genade, kan het hardste hart doen breken en het koudste steen doen smelten.“Bekeer u, bekeer u van uw slechte wegen, want waarom zou u sterven, huis van Israël? Laat de goddeloze zijn weg verlaten, de man van ongerechtigheid zijn gedachten; Laat hij zich bekeren tot de HEERE, dan zal Hij Zich over hem ontfermen, tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.”
En zo laat ik elk ander argument rusten en sluit ik af met deze ernstige woorden van een oude godgeleerde — woorden die, naar men zegt, eens een mens tot bekering hebben gebracht: “Wie gelooft in de Zoon van God, heeft het getuigenis in zichzelf; wie God niet gelooft, heeft Hem tot leugenaar gemaakt.” Daarom vraag ik u, zondaar: wat zult u doen? Zult u geloven, en zo uw getuigenis geven dat God waarachtig is — of zult u niet geloven, en door uw ongeloof God tot een leugenaar maken? O, doe dit kwaad niet, maar geloof in Jezus, en u zult behouden worden.
III. Ik wil nu kort ingaan op mijn derde punt. De woorden van deze gezegende tekst bevatten een BELOFTE VAN VERGEVING IN DE MEEST RUIMSTE ZIN VAN HET WOORD.
“Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.” Deze kleuren zijn niet willekeurig gekozen, maar juist vanwege hun opvallende helderheid. Scharlaken en karmozijn trekken onmiddellijk de aandacht: het zijn geen tinten die je kunt negeren. Sommige zonden zijn net zo: luidruchtig, zichtbaar, onmiskenbaar. De mens die ze begaat, kan ze niet verbergen, zelfs niet voor zichzelf. Het Hebreeuwse woord dat hier wordt gebruikt, duidt op een dubbel geverfde kleur — wat wij een “diepe” tint zouden noemen. Het beeld is dat van een stof die zó lang in de verf heeft gelegen, dat de kleur tot in elke vezel is doorgedrongen. Geen wassen of bleken helpt meer; om de kleur te verwijderen, zou men de stof moeten vernietigen.
Zo ook met onze zonden. Sommige zijn niet slechts daden, maar gewoonten; niet slechts vlekken, maar natuur. Onze verdorvenheid zit diep — “Kan ook een Cusjiet zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken?” Even onmogelijk is het voor hen die geleerd hebben kwaad te doen, om uit zichzelf goed te worden. En toch — juist hier klinkt de belofte: volledige vergeving, zelfs voor de meest opvallende en diepgewortelde zonden. Let op hoe die wordt uitgedrukt: “zij zullen wit worden als sneeuw” — wit, ongerept, zonder smet. Maar omdat sneeuw haar witheid snel verliest, voegt God eraan toe: “ze zullen worden als witte wol” — de heldere, zuivere wol die de huisvrouw zorgvuldig heeft gewassen en gebleekt tot volmaakte reinheid. Zo wordt de zondaar gereinigd: zó volkomen dat geen enkel spoor van zijn vroegere overtreding overblijft. Wanneer iemand in Christus gelooft, ziet God hem op datzelfde moment alsof hij nooit heeft gezondigd. Nee, meer nog — hij staat in een betere positie dan wanneer hij nooit had gezondigd. Had hij zonder zonde geleefd, dan zou hij slechts de gerechtigheid van een mens bezeten hebben; maar door geloof ontvangt hij de gerechtigheid van God in Christus.
Wij hadden eens een mantel — die van onze onschuld — maar die zijn we verloren. Wanneer we geloven, ontvangen we een nieuwe mantel — en wát voor een: niet slechts gewoon linnen, maar het koninklijke kleed van gerechtigheid. Denk aan de misdadiger aan het kruis. Hij was zwart als de nacht zelf — veroordeeld, verloren, verstokt. Maar op het moment dat hij gelooft, wordt hij witter dan de hemel zelf. Want geloof wast de zonde weg door het dierbaar bloed van Jezus. Wie zichzelf onderdompelt in dat heilige bad, gevuld met het bloed van het Lam, komt eruit zonder “zonder smet of rimpel of iets dergelijks.” In hem bestaat de zonde niet meer. Zijn ongerechtigheid is bedekt, zijn overtredingen zijn weggedragen — zo ver als het oosten is van het westen. Dat is het wonder van het evangelie! Het neemt de zonde niet gedeeltelijk weg, maar volledig. Niet voor een tijdje, maar voor eeuwig.“Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld.” En zelfs al had u vandaag alle ongerechtigheden van de wereld op uw geweten, toch — zodra u uw vertrouwen stelt op Jezus — bent u gered. De Geest van God woont in u om u van de macht der zonde te bewaren, en het bloed van Christus spreekt voortdurend voor u, zodat uw zonden nooit meer tegen u ingebracht worden.
Er was eens een man, een moordenaar — een verschrikkelijk mens. Maar door de prediking kwam hij tot oprecht geloof in Christus. Zijn enige wens was dat hij, vóór zijn straf voltrokken werd, nog gedoopt mocht worden. Volgens de wet van het land waar hij toen woonde, kon dat alleen gebeuren als hij in ketenen werd gedoopt — en hij werd in ketenen gedoopt. Maar wat maakte dat uit? Hij werd in vreugde gedoopt, want hij wist dat Hij die tot het uiterste kan redden, zelfs hém kon redden. In ketenen was hij vrij: schuldig in de ogen van mensen, maar vergeven in de ogen van God; gestraft door de menselijke wet, maar gered van de vloek door het kostbare bloed van Jezus. Het is onmogelijk te weten hoe ver Gods arm reikt, en onmogelijk te bevatten hoe kostbaar het bloed van Christus is, totdat u zelf de kracht ervan hebt ervaren. Dan zult u zich uw hele leven lang — ja, tot in de eeuwigheid — blijven verwonderen en verbaasd zijn dat het bloed van Christus zo’n ellendeling als u kon redden en u tot een monument van Zijn barmhartigheid kon maken.
IV. Tot slot wil ik nog wijzen op de TIJD die in de tekst wordt genoemd, die van het GROOTSTE BELANG is.
Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE.
Kom nu; u hebt lang genoeg gezondigd — waarom zou u uw hart verharden door nog langer te wachten?
Kom nu; er is geen beter moment. Als u wacht tot u zich beter voelt, zult u nooit komen.
Kom nu; misschien krijgt u nooit meer een waarschuwing. Uw hart zal misschien nooit meer zo ontvankelijk zijn als vandaag.
Kom nu; geen andere ogen zullen ooit om u wenen, geen ander hart zal ooit lijden om uw redding.
Kom nu — nú, nú, nú — want morgen bent u wellicht niet meer in deze wereld. De dood kan uw lot hebben bezegeld, en wat eenmaal onrein was, kan nog steeds onrein blijven. Kom nu; want morgen kan uw hart harder zijn dan steen, en God kan u overgeven.
Kom nu; het is Gods tijd — morgen is de tijd van de duivel.
“Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet, zoals bij de verbittering, op de dag van de verzoeking in de woestijn. Daar hebben uw vaderen Mij verzocht; zij hebben Mij op de proef gesteld en Mijn werken gezien.”
Kom nu! Waarom zou u wachten om gelukkig te zijn? Zou u uw trouwdag uitstellen? Wilt u het uur uitstellen waarop u vergeven en bevrijd wordt?
Kom nu; het hart van Jehova verlangt naar u. Het oog van uw Vader ziet u van verre, en Hij rent u tegemoet.
Kom nu; de Kerk bidt voor u. Dit zijn tijden van opwekking; de predikanten zijn ernstiger, Gods volk bezorgder.
Kom nu, omdat, eenmaal veronachtzaamd, het seizoen dat verloren is, nooit meer terugkeert.”
Kom nu, sterfelijke mens — zo dicht bij uw einde. Zo zegt de Heere: “Zo zegt de HEERE: Regel de zaken van uw huis, want u zult sterven en niet leven. En omdat Ik dit zal doen, overweeg uw wegen.”
Kom nu. O, had ik maar de macht om deze uitnodiging rechtstreeks in uw hart te leggen! Maar het moet in de handen van de Meester worden gelaten.
Toch, als een bezorgd hart dat zou kunnen doen — hoe vurig zou ik u smeken! Zondaar, is de hel zo aangenaam dat u haar wilt verdragen? Is de hemel zo onbeduidend dat u hem wilt verliezen? Wat! Is de toorn van God, die op u rust, geen reden om te vluchten? Wat! Is volkomen vergeving niet de moeite waard? Is het kostbare bloed van Christus waardeloos? Betekent het niets voor u dat de Verlosser gestorven is? Mens, bent u een dwaas? Bent u krankzinnig? Als u dwaasheid wilt bedrijven, speel dan met uw goud en zilver — maar niet met uw ziel. Kleed u als een gek, draag een masker, schilder uw wangen, wandel beschamend door de straat en spot met uzelf, als u dwaas wilt doen. Maar waarom zou u uw ziel voor een grap in de hel werpen? Waarom zou u uw eeuwige belangen prijsgeven voor een beetje gemak? Wees wijs, mens. O, Geest van God, maak deze zondaar wijs! Wij mogen prediken, maar het is aan U om het toe te passen. Heere, pas het toe. Kom voort, grote Geest, kom uit de vier windstreken, o adem, en blaas op deze verslagenen, opdat zij mogen leven. In de Naam van Jezus van Nazareth — o Geest van God, kom! Door de stem die eens de wind deed zwijgen en de golven tot rust bracht, kom, Geest van de levende God!
In de naam van Jezus, die gekruisigd werd — zondaars, geloof en leef! Ik spreek niet in mijn eigen naam of kracht, maar in de Naam van Hem die Zichzelf voor zondaars aan het kruis gaf. “Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden.” “Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden.”
“Maar als uw oren weigeren
de taal van Zijn genade te horen
en uw harten hard worden als die van de koppige Joden,
dat ongelovige volk,
dan zal de Heere in wraak
Zijn hand opheffen en zweren:
‘Gij die Mijn beloofde rust veracht,
zult daar geen deel aan hebben.’”
Ik neem afscheid van u met woorden van zegen: moge de genade van onze Heere Jezus, de liefde van de Vader, en de gemeenschap van de Heilige Geest zijn met allen die nu en altijd in Christus geloven. Amen en amen.


