“De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.”—Psalm 37:31
Leg de wet in het hart en de hele mens is in orde. Daar hoort de wet te zijn, want dan ligt ze, zoals de stenen tafelen in de ark, op de plaats die ervoor bestemd is. In het hoofd brengt ze verwarring, op de rug is ze een last, in het hart houdt ze overeind.
Wat een uitgelezen woord wordt hier gebruikt: “de wet zijns Gods”! Als we de Heere kennen als onze eigen God, wordt Zijn wet voor ons vrijheid. Als God in het verbond met ons is, maakt dat ons gretig om Zijn wil te doen en in Zijn geboden te wandelen. Is het gebod het gebod van mijn Vader? Dan verheug ik me erin.
Hier wordt ons verzekerd dat een mens met een gehoorzaam hart ondersteund wordt in elke stap die hij zet. Zo iemand zal doen wat recht is, en daarom zal hij ook doen wat wijs is. Heilig handelen is altijd het verstandigst, ook al lijkt dat op dat moment niet zo. We bewegen ons over de grote hoofdweg van Gods voorzienigheid en genade als we ons aan de weg van Zijn wet houden. Gods Woord heeft nog nooit één ziel op een dwaalspoor gebracht. De duidelijke aanwijzingen ervan om nederig, rechtvaardig, liefdevol en in ontzag voor de Heere te wandelen zijn woorden van wijsheid die onze weg voorspoedig maken, en evenzeer regels van heiligheid die onze kleren schoon houden. Wie rechtvaardig wandelt, wandelt veilig.

