De Hemelvaart van Christus

Een preek uitgesproken op zondagochtend 26 maart 1871, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Maar elkeen van ons is de genade gegeven naar de mate der gave van Christus. Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangengenomen, en heeft den mensen gaven gegeven. Nu, dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde? Die nedergedaald is, is Dezelfde ook Die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. Die nedergedaald is, is Dezelfde ook Die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus. Efeze 4:7-12

Onze gezegende Heere en Meester heeft ons verlaten. Vanaf de Olijfberg – de plaats waar Zijn gewaden tijdens die verschrikkelijke strijd met bloed doordrenkt raakten – is Hij triomfantelijk opgevaren naar Zijn troon. Nadat Hij veertig dagen lang aan Zijn geliefde discipelen was verschenen, hun overvloedig het bewijs had gegeven dat Hij werkelijk uit de dood was opgestaan, en hen had verrijkt met Zijn Goddelijke raad, werd Hij opgenomen. Terwijl Hij langzaam voor hun ogen opsteeg, zegende Hij hen totdat Hij aan hun ogen onttrokken werd. Net zoals de bejaarde Jakob, wiens laatste daad het was zijn twaalf zonen en hun nakomelingen te zegenen, zo stortte ook onze Heere, voordat de wolk Hem aan ons oog onttrok, Zijn zegen uit over de apostelen die omhoog keken en die de vertegenwoordigers van Zijn Kerk waren.

Hij is heengegaan! Zijn stem van wijsheid zwijgt voor ons, Zijn plaats aan tafel is leeg en de gemeente op de berg hoort Hem niet meer. Het zou gemakkelijk zijn geweest om talloze redenen aan te voeren waarom Hij niet had mogen vertrekken. Als het aan ons had gelegen, zouden we Hem gesmeekt hebben om bij ons te blijven tot het einde der tijden. Tenzij de genade ons in staat had gesteld te zeggen: “Doch niet, gelijk wij willen, maar gelijk Gij wilt”, zouden we Hem hebben tegengehouden met het verzoek: “Blijf bij ons.”

Wat een troost was het voor de discipelen om hun geliefde Meester zichtbaar bij zich te hebben! Wat een steun voor een vervolgde kudde om hun Leider aan het hoofd te zien staan! Moeilijkheden zouden verdwijnen, problemen zouden worden opgelost, verwarring zou wijken, beproevingen zouden draaglijker worden en verleidingen zouden worden afgewend. Laat hun geliefde Herder, Jezus zelf, nabij zijn, en de schapen zullen veilig neerliggen. Als Hij hier nog was geweest, hadden wij bij elke beproeving naar Hem kunnen gaan, zoals over hen geschreven staat: “en zij boodschapten het Jezus.”

Het lijkt ook verstandig dat Hij zou blijven om de bekering van de wereld te volbrengen. Zou Zijn aanwezigheid niet krachtig hebben gewerkt door de welsprekendheid van Zijn genadige woorden en de overtuigingskracht van Zijn liefdevolle wonderen? Als Hij Zijn macht had ontketend, zou de strijd spoedig ten einde zijn gekomen en zou Zijn heerschappij voor altijd over alle harten zijn gevestigd. “Uw pijlen zijn scherp, volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.“ Wijk niet af van de strijd, machtige Boogschutter, maar blijf Uw allesoverwinnende pijlen afschieten.

Toen onze Heere in menselijke gedaante op aarde was, vóór Zijn opstanding uit de dood, hoefde Hij slechts te spreken, en degenen die Hem kwamen arresteren, vielen ter aarde. Hadden wij Hem maar nog bij ons, dan zou geen enkele vervolgende hand ons kunnen overweldigen; op Zijn bevel zou de felste vijand zich terugtrekken. Zijn stem riep de doden uit hun graven; als wij Hem nog zichtbaar in de Kerk hadden, zou Zijn stem ook de geestelijk doden doen ontwaken. Zijn persoonlijke aanwezigheid zou voor ons meer betekenen dan tienduizend apostelen – althans, zo geloven wij – en wij stellen ons voor dat de vooruitgang van de Kerk, met Hem zichtbaar in ons midden, zou zijn als de opmars van een zegevierend leger.

Maar zo redeneert vlees en bloed. Al deze overwegingen worden tot zwijgen gebracht door de woorden van onze Heere: “Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen.” Hij had kunnen zeggen dat de heiligen in de hemel Zijn verheven tegenwoordigheid verwachtten om hun gelukzaligheid te volmaken. Hij had kunnen zeggen dat het, na zo’n lange ballingschap en na zulke ontzagwekkende daden te hebben verricht, gepast was dat Hij zou opvaren om Zijn beloning in ontvangst te nemen. Hij had eraan kunnen toevoegen dat het Zijn Vader toekwam Hem opnieuw te ontvangen in de schoot van Zijn liefde. Maar alsof Hij wist dat hun angst bij Zijn vertrek vooral voortkwam uit zorg om hun eigen welzijn, spreekt Hij deze troostvolle woorden: “Het is u nut, dat Ik wegga.” Hij is dan ook heengegaan. En of ons zwakke verstand dit nu kan bevatten of niet, het is beter voor ons dat Jezus aan de rechterhand van God zit dan dat Hij lichamelijk aanwezig zou zijn in onze gemeenten hier beneden.

Graag zouden honderd Betaniëns Hem ontvangen; duizend synagogen zouden zich verheugen Hem de Schriften te horen openen. Er zijn vrouwen onder ons die Zijn voeten zouden kussen, en mannen die het als een eer zouden beschouwen de riemen van Zijn sandalen los te maken. Maar Hij is gegaan naar de bergen van mirre en de heuvelen van wierook. Hij zit niet langer aan onze tafels en wandelt niet meer met ons op onze wegen. Hij leidt nu een andere kudde naar levende waterbronnen. Toch moeten Zijn schapen hier beneden niet denken dat Hij hun door Zijn vertrek onrecht heeft gedaan; de onfeilbare wijsheid heeft verklaard dat het voor ons het beste is dat Hij is heengegaan.

Laten wij daarom vanochtend niet blijven staan en naar de hemel staren, zoals de mannen van Galilea die treurden omdat zij hun Heere verloren hadden. Laten wij liever in stille overdenking neerzitten en zien welke heilzame lessen wij kunnen trekken uit deze grote gebeurtenis. Laat onze overpeinzing opstijgen langs het nog nagloeiende spoor van de hemelvaart van onze Heere — “Voorbij deze lagere hemel, omhoog, waar de eeuwigheid zich uitstrekt.”

Met de hulp van de Heilige Geest zullen we eerst stilstaan bij het feit van Zijn hemelvaart en de praktische betekenis daarvan; vervolgens bij de triomf van die hemelvaart; daarna bij de gaven die daaruit voortvloeien; en ten slotte zullen we afsluiten met een overweging over de betekenis van die hemelvaart voor de onbekeerden.

I. Laten wij allereerst onze oprechte gedachten omhoog richten en ons bezinnen op HET FEIT VAN DE HEMELVAART. Wij laten alle discussies en pogingen tot louter leerstellige beschouwingen rusten en willen de hemelvaart overdenken met het oog op troost, stichting en geestelijk welzijn.

Het moet ons met grote vreugde vervullen te bedenken dat Hij, die is afgedaald naar de diepste delen van de aarde, nu “opgevaren is ver boven al de hemelen”. Zijn afdaling was voor engelen en mensen een bron van vreugde, maar bracht voor Hemzelf diepe vernedering en groot verdriet met zich mee — vooral toen Hij, nadat Hij een lichaam had aangenomen dat volgens de psalmist “in het verborgene is gemaakt, en als een borduursel gewrocht is in de nederste delen der aarde”, nog verder afdaalde tot in de schoot van de aarde en als een gevangene in het graf rustte. Zijn komst op aarde was voor ons een bron van overvloedige blijdschap, maar voor Hem betekende zij pijn, smaad en vernedering. Daarom behoort onze vreugde nu des te groter te zijn, nu de smaad is verslonden door heerlijkheid, het lijden door gelukzaligheid, en de dood door onsterfelijkheid.

Zoals de herders zongen bij Zijn komst naar de aarde, zo zal nu heel de schepping zingen om Zijn verhoging. De Grote Strijder verdient het ten volle met heerlijkheid gekroond te worden, want Hij heeft die tegen een hoge prijs verworven. Onze liefde tot de gerechtigheid en onze liefde tot Hem dringen ons ertoe ons te verheugen in Zijn vreugde. Wat de Heere Jezus verblijdt, verblijdt ook Zijn volk. Onze verbondenheid met Hem is innig en diep: wij achten Zijn smaad groter rijkdom dan alle schatten van deze wereld, en hechten evenveel waarde aan Zijn eer. Zoals wij met Hem gestorven zijn, met Hem begraven in de doop, en met Hem zijn opgewekt door het geloof in de kracht van God, die Hem uit de doden heeft opgewekt, zo zijn wij ook met Hem gezet in de hemelse gewesten en hebben wij in Hem een erfdeel ontvangen.

Als de engelen hun schoonste lofzang aanhieven toen de Christus van God terugkeerde naar Zijn koninklijke troon, hoeveel te meer behoort dan ons loflied te klinken! Die hemelse geesten hadden immers slechts een gering aandeel in de overwinning van die dag vergeleken met ons; want het was een Mens die de gevangenis gevangen voerde, het was Eén, geboren uit een vrouw, die zegevierend terugkeerde uit Bozra. Daarom mogen wij het met de psalmist zeggen, in de achtenzestigste psalm, waarnaar onze tekst verwijst: “Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden, zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn. Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam, hoogt de wegen voor Dien Die in de vlakke velden rijdt, omdat Zijn Naam is HEERE; en springt op van vreugde voor Zijn aangezicht.” Het was niemand minder dan Christus — been van ons gebeente en vlees van ons vlees. Het was de tweede Adam die opsteeg tot Zijn heerlijkheid. Verheugt u dan, gelovigen, als mensen die juichen om de overwinning; deelt in de buit met de machtigen.

De kop van de slang is vermorzeld, de hel is overwonnen, de dood is verslagen, en Christus, die is opgevaren ten hemel, heeft de gevangenschap gevangen genomen. Al Zijn arbeid en strijd zijn volbracht; Hij is opgevaren naar de hemel om aan de rechterhand van Zijn Vader voor de Zijnen te pleiten. Zing, o hemelen! Verheug u, o aarde! Laat engelenharpen en mensenstemmen rondom Hem, Die met heerlijkheid omringd is, de lof verheffen tot hun opgevaren Verlosser.” (Een Nederlandse vertaling van de hymne “Sing, O heavens! O earth, rejoice!” van John S. B. Monsell (1863), over Christus’ hemelvaart en hogepriesterschap.)

Bedenk dat deze wereld, vanaf het moment dat onze Heere haar verliet, haar aantrekkingskracht voor ons heeft verloren. Als Hij nog hier zou zijn, zou er in het hele universum geen plek zijn die ons sterker naar zich toe zou trekken; maar nu Hij is opgevaren, trekt Hij onze harten omhoog, weg van deze aarde. De bloem is uit de tuin verdwenen; de eerste vruchten van de oogst zijn geplukt. De kroon van de aarde heeft haar schitterendste juweel verloren; de ster is uit de nacht verdwenen, de ochtenddauw is verdampt en de zon lijkt op het middaguur verduisterd.

We hebben gehoord van mensen die, na het verlies van een vriend of een geliefd kind, nooit meer echt hebben kunnen glimlachen, omdat niets de pijnlijke leegte kon opvullen. Voor ons is het nauwelijks voorstelbaar dat enig aards verdriet ons zo zwaar zou kunnen drukken, want wij hebben geleerd ons te onderwerpen aan de wil van onze Vader. Toch heeft het feit dat Jezus, ons alles, naar de hemel is gegaan iets van datzelfde gevoel in onze ziel opgewekt: deze wereld kan nooit meer onze rustplaats zijn; haar vermogen om ons werkelijk te bevredigen is verdwenen. Jozef is niet langer in Egypte, en daarom is het tijd voor Israël om verder te gaan. Nee, aarde, mijn schat is niet bij u, en mijn hart zal niet door u gevangen worden gehouden. U, o Christus, bent de rijke schat van Uw volk, en sinds U bent heengegaan, zijn de harten van Uw volk met U opgevaren naar de hemel.

Hieruit vloeit die grote waarheid voort: “Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” Broeders, nu Christus is heengegaan, is ons leven met Hem verborgen in God. Ons Hoofd is het land der heerlijkheid binnengegaan, en daar ligt ook het leven van Zijn leden. Als het Hoofd bezig is met hemelse zaken, laat de leden van Zijn lichaam dan niet als slaven voor het aardse kruipen. “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.”

Onze Bruidegom is de ivoren paleizen binnengegaan; Hij woont te midden van Zijn heiligen. Horen wij Hem ons niet roepen tot gemeenschap met Hem? Klinkt Zijn stem niet in onze oren: “Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom”? Hoewel onze lichamen hier beneden nog een korte tijd verblijven, mogen onze geesten reeds over de gouden straten wandelen en de Koning in Zijn schoonheid aanschouwen. Daarom, o gelovige zielen, begin hier op aarde met het werk van de gezegenden: prijs God terwijl u nog hier beneden bent, en aanbid Hem – ook al is het nog niet op de volmaakte wijze van hen die boven zijn, toch met dezelfde gewillige toewijding.

Ons burgerschap is in de hemel. Mogen u en ik ten volle begrijpen wat dat betekent. Mogen wij ons hemelse burgerschap kennen, onze voorrechten en plichten als burgers van de hemel uitoefenen, en leven als mensen die met Christus zijn opgewekt en een aandeel hebben gekregen in Zijn opstandingsleven. Nu het Hoofd van het huisgezin reeds in de heerlijkheid is, laten wij ons door het geloof realiseren hoe dicht wij bij die heerlijkheid zijn en reeds leven uit de vreugde en kracht daarvan. Zo zal de hemelvaart van onze Heere ons voortdurend aan de hemel herinneren en ons de heiligheid leren die de voorbereiding daarop is.

Onze Heere Jezus Christus is van ons heengegaan. Opnieuw keren wij terug naar die gedachte. Wij kunnen niet langer in Zijn oor spreken en Zijn stem horen antwoorden met die dierbare klanken waarmee Hij eens tot Thomas en Filippus sprak. Hij zit niet langer aan de liefdesmaaltijden met geliefde vrienden zoals Maria, Martha en Lazarus. Hij is uit deze wereld vertrokken naar de Vader – en wat betekent dat? Welnu, hierdoor heeft Hij ons des te duidelijker geleerd dat wij voortaan door geloof moeten wandelen en niet door aanschouwen. De fysieke aanwezigheid van Jezus Christus op aarde zou in veel opzichten een voortdurende belemmering voor het geloofsleven zijn geweest.

We zouden allemaal de Verlosser hebben willen zien; maar omdat Hij, als mens, niet alomtegenwoordig kon zijn en slechts op één plaats tegelijk kon zijn, zouden we er ons levenswerk van hebben gemaakt om naar de plaats te reizen waar Hij te zien was. Of, als Hij Zelf elk land had bezocht, zouden we ons een weg door de menigte hebben gebaand om maar een glimp van Hem op te vangen, en zouden we elkaar hebben benijd wanneer iemand de gelegenheid had om onder vier ogen met Hem te spreken.

Maar God zij geloofd: we hoeven niet te worstelen om Jezus in het vlees te aanschouwen. Hoewel Hij ooit fysiek door Zijn discipelen werd gezien, kennen we Hem niet langer naar het vlees. Jezus wordt niet langer door menselijke ogen aanschouwd – en dat is goed. Want het oog van het geloof redt, onderwijst en vernieuwt, terwijl louter natuurlijk zicht dat niet doet.

Als Jezus nog steeds fysiek op aarde was, zouden we waarschijnlijk veel meer gericht zijn op zichtbare dingen: op wat we kunnen zien, aanraken en ervaren. Maar nu is onze aandacht niet meer op het zichtbare gericht, maar op het onzichtbare en eeuwige. Vandaag hebben we geen priester meer die we met de ogen kunnen zien, geen fysiek altaar, geen tempel die met handen is gemaakt, en geen indrukwekkende rituelen die vooral onze zintuigen prikkelen. Het uiterlijke hebben we achter ons gelaten; we verheugen ons in het innerlijke, in wat diep in het hart gebeurt. We aanbidden de Vader niet langer op een specifieke berg, en ook niet alleen in Jeruzalem. We aanbidden God – Die Geest is – in geest en in waarheid: met ons hele innerlijke leven, eerlijk en oprecht, in verbinding met Hem.

Wij volharden in het geloof, alsof wij Hem zien Die in werkelijkheid onzichtbaar is. Wij hebben Hem lief Die wij nooit met eigen ogen hebben aanschouwd, en hoewel wij Hem nu niet zien, geloven wij in Hem en verheugen wij ons met een onbeschrijfelijke en heerlijke, diepe vreugde.  Net zoals wij ons tot onze Heere wenden, zo wenden wij ons ook tot alles wat Hij openbaart: wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.

Terwijl Israël door de woestijn trok, werd het onderwezen door middel van voorbeelden en schaduwen, maar toch neigde het voortdurend naar afgoderij. Hoe meer het zichtbare in de godsdienst op de voorgrond treedt, des te moeilijker wordt het om ware geestelijkheid te bereiken. Zelfs de doop en het Heilig Avondmaal zouden wellicht zijn afgeschaft, ware het niet dat zij door de Heere Zelf waren ingesteld, want het vlees maakt er gemakkelijk een valstrik van, en bijgeloof schrijft er wedergeboorte en sacramentele kracht aan toe. Zo zou ook de fysieke aanwezigheid van onze Heere een belemmering voor het geloof hebben kunnen worden, ook al zou het een genot voor de zintuigen zijn geweest. Zijn heengaan daarentegen effent de weg voor het geloof. Hij dwingt ons tot een geestelijk leven, omdat Hij—het Hoofd, de Ziel en het Centrum van ons geloof, onze hoop en onze liefde—niet langer binnen het bereik van onze fysieke zintuigen is.

Het is een armzalig geloof dat zijn vingers in de wonden moet steken om te geloven. Maar gezegend is die niet ziet en toch gelooft. Wij vertrouwen op een onzichtbare Verlosser; uit een onzichtbare Verlosser putten wij onze vreugde. Ons geloof is nu: “een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet.”

Laten wij deze les dan ter harte nemen, en laat nooit over ons gezegd worden: “Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?” Laten wij nooit proberen te leven op basis van gevoelens of zichtbare bewijzen. Verban alle dromen van volmaaktheid in het vlees uit uw ziel, en werp ook elk verlangen naar tekenen en wonderen van u af. Laten wij niet zijn zoals de kinderen van Israël, die slechts geloofden zolang zij de werken van de Heere zagen. Als onze Geliefde Zich voor onze ogen heeft verborgen, laat Hem dan, indien het Hem behaagt, ook al het andere verbergen. Als Hij Zich alleen aan het geloof openbaart, dan is het oog van het geloof goed genoeg om Hem te zien – en daarmee alles wat nodig is. Laten wij tevreden zijn met het aanschouwen van Zijn verbondszegeningen met dat ene oog van het geloof, en met geen ander, totdat de dag aanbreekt waarop Hij ons geloof zal veranderen in zien.

Geliefden, laten wij verder overwegen hoe zeker onze eeuwige erfenis is, nu Jezus de hemelse gewesten is binnengegaan. Onze hemel is ons gegarandeerd, omdat deze reeds in het bezit is van onze goddelijke Vertegenwoordiger, Die er nooit uit kan worden verdreven. Onder menselijke wetten wordt gezegd: “Bezit is negen tiende van de wet”; maar onder het evangelie verzekert bezit door Christus ons volledig en onwankelbaar van onze erfenis. Hij die een verbondszegen bezit, zal deze nooit verliezen, want het verbond kan niet worden gewijzigd, en Zijn gaven zijn onherroepelijk.

Wij zijn erfgenamen van het hemelse Kanaän, zowel op grond van eigendomsrecht als door daadwerkelijk bezit, want onze wettige Vertegenwoordiger – aangesteld door het hoogste gerechtshof van de hemel – is reeds de vele woningen van het huis van de grote Vader binnengegaan en heeft daar bezit van genomen. Hij heeft niet alleen bezit genomen, maar Hij bereidt ook alles voor op onze ontvangst en eeuwige verblijfplaats. Iemand die een huis binnengaat terwijl hij nog twijfelt aan zijn recht daarop, zal niet beginnen met het voor te bereiden voor toekomstige bewoners; hij zal elke uitgave uitstellen totdat alle onzekerheid is verdwenen. Maar onze gezegende Heere heeft zo volledig bezit genomen van het Nieuwe Jeruzalem voor ons dat Hij het dagelijks voor ons voorbereidt, zodat wij kunnen zijn waar Hij is.

Als ik een gewoon mens naar de hemel zou kunnen sturen om daar mijn plaats te bezetten totdat ik zelf aankom, zou ik vrezen dat hij die plaats zou verliezen. Maar aangezien mijn Heere – de Koning van de hemel en de Heer van de engelen – daarheen is gegaan om al Zijn heiligen te vertegenwoordigen en hun plaats op te eisen, weet ik dat mijn erfenis veilig is. Wees daarom tevreden, geliefden, en zing van vreugde zoals de apostel deed toen hij schreef: “In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn.”

Bovendien: als Jezus de heerlijkheid is binnengegaan, hoe krachtig en doeltreffend moeten onze gebeden dan wel niet zijn! Wanneer u een verzoekschrift naar een aardse koning stuurt, hoopt u op succes omdat het goed is opgesteld en wordt gesteund door een invloedrijk persoon. Maar hoeveel groter is uw vertrouwen wanneer degene die uw zaak ondersteunt, zelf aan het hof aanwezig is om het verzoek persoonlijk te overhandigen. Zo worden onze gebeden vandaag de dag niet alleen door onze Verlosser onderschreven, maar door Zijn eigen hand aan de Vader aangeboden als Zijn eigen voorbede. “Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God,” “laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd.“ Geen enkel gebed waarvoor Jezus bemiddelt, kan ooit worden afgewezen. De zaak van hen voor wie Hij als Voorspraak optreedt, is volkomen veilig.

Sla uw ogen op, mijn ziel, met een vreugdevolle blik, en aanschouw de plaats waar de grote Verlosser staat, onze roemrijke Voorspraak in de hemel, Die kostbare wierook in Zijn handen houdt. Hij verandert elke nederige zucht in een welriekend gebed; Hij draagt elk onvolmaakt gebed voor aan de Vader; stel daarom uw hoop uitsluitend op Hem, Wiens macht en liefde alle wanhoop uitsluiten.” (Nederlandse vertaling van de hymne “Look up, my soul, with cheerful eye” (titel: Adoption) van Anne Steele (1717–1778), oorspronkelijk gepubliceerd in Poems on Subjects Chiefly Devotional (1760).

Hoewel dit onderwerp ons nog lang zou kunnen bezighouden, moeten we het nu terzijde laten en vaststellen dat, wanneer we nadenken over de hemelvaart van Christus, ons hart brandt bij de gedachte dat Hij het Voorbeeld en de Voorloper is van al Zijn volk. Zoals Hij was, zo zijn ook wij in deze wereld; en zoals Hij nu is, zo zullen ook wij op een dag zijn.

Ook ons wacht een opstanding en een hemelvaart. Tenzij de Heere zeer spoedig terugkeert, zullen ook wij sterven zoals Hij stierf, en zal het graf ons lichaam een tijdlang vasthouden. Ook voor ons is er een graf in de tuin, een rustplaats in de Grot van Machpela van onze vaderen. Ook voor ons zijn er lijkwaden en grafdoeken; maar ook wij zullen, net als onze Heere, de banden van de dood verbreken, want de dood zal ons niet kunnen vasthouden. Er wacht ons ook een opstandingsmorgen, omdat Hij ook is opgestaan. De dood kon het Hoofd niet vasthouden; evenmin zal hij de leden vasthouden. Zodra de gevangenisdeuren, met slot en al, zijn verwijderd, moeten de gevangenen worden vrijgelaten.

Wanneer wij, bij het geluid van de bazuin van de aartsengel, uit de dood opstaan, zullen ook wij worden opgenomen; want staat er niet geschreven dat wij samen in de wolken zullen worden opgenomen om de Heere in de lucht tegemoet te gaan, en zo altijd bij de Heere zullen zijn?

Wees daarom moedig, broeder. Dat glorieuze pad naar de hoogste hemelen, dat Christus heeft bewandeld, zult ook u op een dag bewandelen. De overwinning die Hij behaalde, zal ook de uwe zijn, naar uw eigen maat. Ook u zult uw gevangenschap tot gevangenschap maken, en temidden van de vreugde van de engelen zult u de woorden “goed gedaan” van de eeuwig gezegende Vader horen. U zult met Jezus op Zijn troon zitten, net zoals Hij heeft overwonnen en met Zijn Vader op Zijn troon zit. Ik heb u meer stof tot nadenken gegeven dan ik in deze overwegingen zelf volledig heb uitgewerkt. Moge de Heilige Geest deze gedachten voor u zegenen. En moge de hemel, terwijl u zich voorstelt dat u op de Olijfberg zit en omhoog kijkt naar de helderblauwe hemel, zich voor u openen, en moge u, net als Stefanus, de Mensenzoon zien staan aan de rechterhand van God.

II. Laten we nu overgaan naar het tweede punt en daar heel kort bij stilstaan: DE TRIOMF VAN DE HEMELVAART.

Psalmisten en apostelen hebben met grote vreugde gesproken over de triomfantelijke hemelvaart van onze Heere naar de berg van God. Ik zal niet meer doen dan verwijzen naar wat zij daarover hebben gezegd. Herinnert u zich hoe de psalmist in een heilig visioen de hemelvaart van de Verlosser aanschouwde en in Psalm 24 de engelen liet uitroepen: “Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga. Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig; de HEERE, geweldig in den strijd.”

De scène wordt beschreven in rijke en verheven poëzie en maakt ons duidelijk dat, toen onze Verlosser uit het gezicht van de stervelingen verdween, Hij werd begeleid door scharen van hemelse geesten die Hem jubelend verwelkomden en Hem in plechtige majesteit begeleidden toen Hij de hoofdstad van het heelal binnenging. De gebruikelijke vergelijking is naar mijn oordeel zeer treffend. Wanneer in het oude Rome generaals en koningen van de oorlog terugkeerden, hield men een triomftocht. De overwinnaar reed in plechtige optocht door de straten van de hoofdstad; de trofeeën van de strijd werden meegedragen; de bevolking verdrong zich aan de vensters, vulde de straten en beklom de daken, terwijl men bloemenkransen wierp en luid juichte voor de zegevierende held. Zonder deze vergelijking al te letterlijk te nemen, mogen wij ons iets dergelijks voorstellen bij de terugkeer van onze Heere naar Zijn hemelse troon.

Psalm 68 spreekt in dezelfde geest: “Gods wagens zijn tweemaal tienduizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinaï in heiligheid. Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd, Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen, om bij U te wonen, o HEERE God!” En eveneens Psalm 47: “God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.” Engelen en verheerlijkt geesten begroetten onze terugkerende Kampioen; en terwijl Hij de gevangenschap gevangen voerde, nam Hij Zijn middelaarskroon en troon in onder universeel gejubel. “De overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.”

De hemelvaart van onze Heere was een overwinning op de wereld. Hij was er ongeschonden doorheen gekomen, zonder door haar verleidingen te zijn aangetast. Hij werd van alle kanten tot zonde verleid, maar Zijn gewaden bleven onbevlekt en onberispelijk. Geen enkele verleiding werd Hem bespaard; de wereld had haar gehele pijlenkoker op Hem leeggeschoten, maar alle pijlen ketsten af op Zijn ondoordringbare wapenrusting, machteloos om Hem kwaad te doen. Hij was meedogenloos vervolgd; Hij had elke denkbare vorm van kwaadaardige spot doorstaan, maar toch kwam Hij uit de vurige oven tevoorschijn zonder zelfs maar de geur van vuur op Zich te dragen. Hij had de dood zelf onder ogen gezien met onveranderlijke liefde en onoverwinnelijke moed. Hij zegevierde door het alles te doorstaan.

Toen Hij uit de dood was opgestaan, was Hij al oneindig ver buiten het bereik van Zijn vijanden. Hoewel zij Hem net zozeer haatten als voorheen, leefde Hij veertig dagen lang onder hen zonder dat iemand het waagde Hem opnieuw te grijpen. Hij verscheen openlijk op verschillende plaatsen, maar niemand durfde ook maar een woord tegen Hem te zeggen. Daar, hoog in de heldere lucht boven de heuvels van Salem, keek Hij – die eens in de woestijn was verzocht – neer op de koninkrijken van de aarde, die satan Hem eens had aangeboden als beloning voor de zonde. Nu bezat Hij ze rechtmatig als de vrucht van Zijn overwinning. Hij verhief Zich boven alles, omdat Hij boven alles was verheven. Net zoals de wereld niet in staat was geweest Zijn karakter door haar verleidingen te bezoedelen, zo kon zij Zijn Persoon ook niet langer door haar haat beïnvloeden. Hij had deze huidige boze wereld volledig overwonnen.

Ook heeft Hij de zonde in Zijn triomf gevangen genomen. Het kwaad had Hem hevig bestreden, maar het kon Hem niet bezoedelen. De zonde van Zijn volk was op Hem gelegd; de last van de menselijke schuld drukte op Zijn schouders en verpletterde Hem. Maar Hij stond op uit de dood en steeg op naar de hemel – waarmee Hij bewees dat Hij de schuld had weggenomen en deze voor altijd in Zijn graf had begraven. Hij heeft de zonden van Zijn volk tenietgedaan. Zijn verzoening is zo volkomen effectief geweest dat er geen zonde meer op Hem, de Borg, rust, en zeker niet op degenen voor wie Hij als Plaatsvervanger optrad. Hoewel de Verlosser eens in de plaats van de schuldigen stond, droeg Hij de straf zo volkomen dat Hij nu rechtvaardig verklaard is en Zijn verlossingswerk voor eeuwig volbracht is.

Ja, broeders, de zonde werd als een overwonnen vijand meegevoerd achter de wagen van onze Immanuel toen Hij ten hemel voer. Ook de dood werd in triomf weggevoerd. De dood had Hem gebonden, maar Hij verbrak zijn ketenen en bond op zijn beurt de dood met diens eigen boeien.

De steen, het zegel en de wacht – al die moeite was tevergeefs: Christus heeft de poorten der hel verbrijzeld. De dood probeerde vergeefs Zijn opstanding te voorkomen, maar Christus heeft de poorten van het paradijs geopend. Onze glorieuze Koning leeft weer! “O dood, waar is uw prikkel?” Eens stierf Hij om onze zielen te redden. Graf, waar is nu uw overwinning?(Nederlandse vertaling van de hymne “Love’s Redeeming Work Is Done” van Charles Wesley (1707–1788), oorspronkelijk gepubliceerd in Hymns and Sacred Poems (1739).

De hemelvaart van onze Verlosser, in precies hetzelfde lichaam waarmee Hij was afgedaald naar de diepste delen van de aarde, is zo’n volkomen overwinning op de dood dat elke stervende gelovige verzekerd mag zijn van onsterfelijkheid en zijn lichaam zonder vrees mag afleggen, in de wetenschap dat het niet voor eeuwig in het graf zal blijven.

Ook satan werd volledig verslagen. Hij dacht dat hij het Zaad van de vrouw had verslagen toen hij Zijn hiel verwondde; maar zie, terwijl de Overwinnaar ten hemel opstijgt, verplettert Hij de kop van de draak onder Zijn voeten. Ziet u niet voor uw geestesoog de hemelse strijdwagens, die de strijdwagen van de Prins uit het huis van David langs de eeuwige heuvels omhoog dragen? Daar komt Hij, Hij die tegen de vorst der duisternis heeft gestreden! Zie hoe Hij hem met ijzeren kettingen heeft gebonden. Zie hoe satan achter de wielen van Zijn triomfwagen wordt gesleept, tot spot van al die reine geesten die trouw zijn gebleven aan de almachtige Koning. O satan, toen was u werkelijk verslagen! U viel als een bliksem uit de hemel toen Christus Zijn troon besteeg.

Broeders in Christus, alles wat onze gevangenschap vormde, heeft Christus als gevangene weggevoerd. Hij heeft het morele kwaad overwonnen; Hij heeft in principe de ontberingen en beproevingen van dit sterfelijke leven reeds verslagen. Er is niets meer over in de hemel, noch op aarde, noch in de hel, dat beslissend tegen ons kan worden ingezet; Hij heeft alles weggenomen. Hij heeft de wet vervuld, Hij heeft de vloek ervan gedragen en weggenomen, en Hij heeft het handschrift dat tegen ons getuigde aan Zijn kruis genageld. Hij heeft al onze vijanden openlijk te schande gemaakt. Welke vreugde ligt er voor ons in deze overwinning! Welke gelukzaligheid om daarin te delen door geloof in Hem!

III. Vervolgens kijken we naar DE GENADEGAVEN DIE DE HEMELVAART MET ZICH MEEBRENGT.

Onze Heere is opgevaren naar de hoogste hemel en heeft de mensen gaven geschonken. Wat waren deze gaven, die Hij zowel van God ontving als aan de mensen uitdeelde? Onze tekst zegt dat Hij is opgevaren opdat Hij alle dingen vervullen zou. Ik denk niet dat hiermee Zijn alomtegenwoordigheid bedoeld wordt — hoewel Hij inderdaad alle dingen vervult — maar laat mij de betekenis van deze woorden verduidelijken met een eenvoudig beeld.

Christus daalde af naar de diepste delen der aarde en legde daarmee het fundament van de grote tempel ter ere van God. Tijdens Zijn aardse leven zette Hij dit werk voort en bouwde Hij als het ware de muren van die tempel. Toen Hij opsteeg naar Zijn troon, plaatste Hij onder luid gejuich de sluitsteen. Wat bleef er toen nog over? De tempel moest nog worden bewoond, en de bewoners moesten worden voorzien van alles wat nodig was voor hun welzijn en volmaaktheid. Daarom is Christus ten hemel opgevaren: om dit alles te volbrengen. In die zin voltooit de gave van de Heilige Geest alle dingen, aangezien de uitverkorenen worden binnengeleid en toegerust met alles wat nodig is voor hun volkomen verlossing.

De zegeningen die ons door de hemelvaart toevallen zijn gegeven “Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus; Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zone Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus.”

Merk vervolgens op dat deze vervullende zegeningen van de hemelvaart aan alle heiligen worden gegeven. Zegt het eerste vers van onze tekst niet: “Maar elkeen van ons is de genade gegeven naar de mate der gave van Christus”? De Heilige Geest is de bijzondere gave van de hemelvaart, en de Heilige Geest wordt in zekere mate geschonken aan allen die waarlijk wedergeboren zijn. U hebt allen, mijn broeders, een mate van de Heilige Geest ontvangen — sommigen meer, anderen minder — maar alles wat u van de Geest bezit, hebt u ontvangen omdat Christus, toen Hij opvoer naar omhoog, gaven voor de mensen ontving, “opdat de HEERE God bij hen zou wonen.”

Elke christen die een gave van Christus heeft ontvangen, is verplicht deze in te zetten ten behoeve van het geheel. Want in een lichaam bestaat geen enkel lid voor zichzelf alleen, maar ten behoeve van het gehele lichaam. U, broeder – of u nu veel of weinig genade hebt ontvangen – moet, naar de kracht die in u werkt, bijdragen aan de groei van het lichaam van Christus, ter opbouw ervan in liefde. Beschouw uw gaven daarom in dit licht: herleid ze tot Christus en gebruik ze vervolgens voor het doel waarvoor Hij ze heeft gegeven.

Aan sommigen is de Heilige Geest echter in grotere mate geschonken. Als gevolg van de hemelvaart van Christus ontving de Kerk apostelen: mannen die als getuigen waren uitgekozen omdat zij de Heiland persoonlijk hadden gezien – een ambt dat gedoemd was te verdwijnen, net zoals de bijzondere wonderbaarlijke gaven die daarmee gepaard gingen. Zij waren tijdelijk nodig en werden door de opgevaren Heere aan de Kerk geschonken als een kostbaar erfdeel. In de vroege Kerk waren er ook profeten. Zij vormden de schakel tussen de heerlijkheid van het oude en het nieuwe verbond, en elke profetische gave kwam van de Geest door de hemelvaart van de Verlosser.

Maar ook nu zijn er nog rijke gaven onder ons, die wij wellicht niet voldoende waarderen. Onder de mensen zijn Gods kostbaarste gaven mannen met een heilige roeping, zij die afgezonderd zijn tot de bediening van het evangelie. Van onze opgevaren Heere komen alle ware evangelisten — mannen die het evangelie op verschillende plaatsen prediken en ervaren dat het “een kracht Gods tot zaligheid” is. Zij zijn stichters van gemeenten, pioniers, mannen met een zendingsgeest, die niet bouwen op andermans fundament, maar zelf graven en bouwen.

Hoezeer hebben wij zulke verkondigers van het goede nieuws nodig, vooral waar het evangelie nog niet gehoord is! Ik ken nauwelijks een grotere zegen voor de Kerk dan ernstige, onvermoeibare, door God gezalfde mannen, door de Heere Zelf onderwezen om zielen te winnen. Wie onder ons kan de waarde schatten van George Whitefield voor zijn tijd? Wie kan ooit de betekenis berekenen van John Williams of William Knibb? Whitefield was, onder God, de redding van ons land toen het op de rand van geestelijk verval stond; Williams bevrijdde de eilanden van de zee van het kannibalisme, en Knibb hielp de ketenen van de slavernij verbreken. Zulke evangelisten zijn gaven van onschatbare waarde.

Daarnaast zijn er de herders en leraars, die hetzelfde werk in verschillende vormen verrichten. Zij zijn geroepen om de kudde te weiden; zij blijven op één plaats om de verzamelde bekeerlingen te onderwijzen. Ook zij zijn kostbare gaven van de hemelvaart van Jezus Christus. Niet iedereen is geroepen om herder te zijn, en dat is ook niet nodig; want als allen herders waren, waar zou de kudde dan zijn? Degenen aan wie deze bijzondere genade is geschonken, zijn bekwaam gemaakt om Gods volk te leiden en te onderwijzen — en die leiding is onmisbaar. Waar u ook herders of evangelisten hebt, zij zijn gegeven ten dienste van de Kerk van God. Zij mogen hun bediening nooit gebruiken voor persoonlijk voordeel, maar uitsluitend voor het doel waarvoor Christus hen gegeven heeft. Hun kracht is een gave van hun Heere en moet daarom gebruikt worden op Zijn wijze.

Maar het punt waarop ik vooral wil aandringen is dit: geliefde vrienden, aangezien wij allen als gelovigen een mate van de Geest bezitten, laten wij die dan ook gebruiken. Ontwikkel de gave die in u is. Wees niet als die man in de gelijkenis die zijn ene talent in een doek verborg. Broeder, zuster, al bent u misschien het minst opvallende lid van het lichaam, beroof het lichaam dan niet door luiheid of zelfzucht, maar gebruik de gave die u hebt ontvangen, opdat het lichaam van Christus mag groeien tot volheid. En als u zelf geen grote gaven bezit, dien de Kerk dan door te bidden tot de opgevaren Heere dat Hij meer evangelisten, herders en leraars wil geven. Hij alleen kan hen geven; allen die zonder Hem komen, zijn bedriegers.

Er zijn gebeden die u niet hoeft te bidden, andere die u wel kunt bidden, maar er zijn ook gebeden die u móet bidden. Christus zelf heeft ons één gebed opgedragen, en toch hoor ik het zelden: “bidt den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.”

Wij hebben een groot tekort aan ware evangelisten en predikers. Ik bedoel niet dat wij gebrek hebben aan oppervlakkige sprekers die preekstoelen vullen en kerkbanken leegmaken — daarvan heeft de wereld al meer dan genoeg gehad. Maar wij missen mannen die harten kunnen raken, gewetens kunnen wakker schudden en de Kerk kunnen opbouwen. Degenen die de kudde verstrooien zijn overal te vinden; maar waar zijn degenen die haar verzamelen? Zo’n man is heden ten dage kostbaarder dan het goud van Ofir.

Een aardse vorst kan iemand tot bisschop benoemen, maar alleen de opgevaren Heere kan een ware herder aan Zijn Kerk schenken. Van menselijke titels en kerkelijke waardigheden lees ik niets in Gods Woord; maar de eenvoudigste herder die door Christus gezonden wordt, is een gave van Zijn verheven heerlijkheid.

Op het zendingsveld zien wij met droefheid hoe vele trouwe arbeiders oud worden en verdwijnen. Waar zijn hun opvolgers? Wij hebben evangelisten nodig voor India, voor China, ja, voor alle volken der aarde. En hoewel wij nog godvrezende vaders in het geloof hebben, zijn er toch maar weinigen die kunnen wedijveren met de grote puriteinse godgeleerden van vroeger.

Mocht de bediening onder ons zwak worden, dan zou de kerk dat grotendeels aan zichzelf te wijten hebben, want juist dit belangrijkste onderdeel van haar leven wordt vaak het meest verwaarloosd. Ik dank God dat deze gemeente niet alleen voor arbeiders heeft gebeden, maar ook haar oprechtheid heeft bewezen door hen te ondersteunen die God geroepen heeft, hun tijd en hulp te geven om de weg van God beter te leren verstaan. Wij hebben de gaven van Christus kostbaar genoeg geacht om ze te verzorgen en te ontwikkelen.

Kijk om u heen en zie hoe weinig kerken werkelijk verlangen naar de hemelvaartsgaven van Christus, en hoe weinig predikanten jonge mannen aanmoedigen om het evangelie te verkondigen. Onlangs las ik met diepe droefheid de klacht dat er “te veel predikanten” zouden zijn — een bijna godslasterlijke gedachte, alsof men de waarde van Christus’ hemelvaartsgaven in twijfel trekt. O, mocht God ons tienmaal zoveel mannen naar Zijn hart schenken! Want zolang er nog honderden steden en dorpen zijn zonder trouwe evangelieverkondiging, zolang hele streken van de aarde zonder het evangelie zijn, is het absurd te denken dat wij te veel evangelisten of leraren zouden hebben.

Bidt daarom dat de Heere ware predikers en ware evangelisten zendt. Christus heeft hen verworven door Zijn hemelvaart. Laten wij dat nooit vergeten. Moeten de zegeningen van het kruis en van de opstanding hooggeacht worden, maar de zegeningen van de hemelvaart met onverschilligheid worden bekeken? Nee! Laat ons de gaven die God door Zijn Zoon schenkt hoogachten, en wanneer Hij ons evangelisten en herders geeft, laten wij hen ontvangen met liefde en eerbied. Zie in iedere trouwe dienaar niet zozeer de mens, maar zijn Meester. Schrijf alle zegen en vrucht van het evangelie toe aan de opgevaren Verlosser. Zie op tot Christus voor meer arbeiders, ontvang hen uit Zijn hand, behandel hen met liefde, en bid dagelijks dat de Heere machtige verdedigers van het geloof naar Sion zal zenden.

IV. Ten slotte willen wij nog enkele woorden spreken over DE BETEKENIS VAN DE HEMELVAART VAN ONZE HEERE VOOR ZONDAARS.

In Psalm 68 lezen wij: “Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen.” Toen de Heere terugkeerde naar Zijn troon, droeg Hij nog steeds gedachten van liefde jegens opstandige zondaren. De geestelijke gaven van de Kerk zijn niet alleen gegeven tot opbouw van de gelovigen, maar ook ten bate van hen die nog vervreemd zijn van God. Zondaar, iedere ware dienaar van Christus bestaat ook voor uw welzijn, en alle werkers in Gods Kerk hebben het heil van uw ziel op het oog.

Er zijn verschillende beloften die in verband staan met de hemelvaart van onze Heere en die Zijn goedheid jegens u tonen. Hij heeft gezegd: “En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.” Een opgevaren Verlosser trekt u tot Zich — vlucht Hem dan achterna. En hoor ook dit woord: Hij is verhoogd “om bekering en vergeving van zonden te schenken.” Zie op naar de heerlijkheid waarin Hij is binnengegaan en vraag Hem om bekering en vergeving.

Twijfelt u eraan of Hij machtig is om u te redden? Hoor dan deze belofte: “Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” Zeker, Hij is niet alleen voor de heiligen naar de hemel gegaan, maar ook voor zondaren. Vat daarom moed en stel op ditzelfde uur uw vertrouwen op Hem. Maar hoe verschrikkelijk zal het zijn Hem te verwerpen! Zij die Hem in Zijn vernedering versmaadden, zijn omgekomen. Jerusalem werd een plaats van oordeel omdat het de verachte Nazarener verwierp. Wat zal het dan betekenen de Koning te verwerpen nu Hij Zijn macht en heerlijkheid heeft ontvangen?

Bedenk dat deze zelfde Jezus, Die naar de hemel is opgevaren, ook op dezelfde wijze zal terugkomen. Zijn wederkomst is zeker — en even zeker is het dat u voor Zijn rechterstoel zult verschijnen. Wat zult u antwoorden als u Hem verwerpt? O, kom vandaag nog tot Hem. Laat u met God verzoenen, opdat Hij niet toorne en u onderweg omkomt, wanneer Zijn toorn slechts een weinig ontbrandt. De Heere zegene u en geve u deel aan de heerlijkheid van Zijn hemelvaart. Amen en amen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content