“En de HEERE sloot achter hem toe.”—Genesis 7:16
Noach werd door de hand van goddelijke liefde afgesloten van heel de wereld. De deur van het verkiezende voornemen staat tussen ons en de wereld, die in de macht van de boze ligt. Wij zijn niet van de wereld, zoals onze Heere Jezus niet van de wereld was. We kunnen niet meedoen aan de zonde, het vermaak en de bezigheden van de menigte; we kunnen niet spelen in de straten van de Kermis der IJdelheid met de kinderen van de duisternis, want onze hemelse Vader heeft ons opgesloten. Noach werd opgesloten met zijn God. “Ga gij … in de ark” was de uitnodiging van de Heere, waarmee Hij duidelijk liet zien dat Hij Zelf met Zijn dienaar en diens gezin in de ark wilde wonen. Zo wonen alle uitverkorenen in God en God in hen. Gelukkig volk, ingesloten in dezelfde kring die God omvat in de Drie-eenheid van Zijn personen: Vader, Zoon en Geest. Laten we nooit onoplettend zijn voor die genadige roep: “Ga henen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de gramschap overga.” Noach was zo afgesloten dat geen kwaad hem kon bereiken. De vloed tilde hem alleen maar omhoog naar de hemel, en de winden voerden hem alleen maar verder op zijn weg. Buiten de ark was alles ondergang, maar binnen was alles rust en vrede. Zonder Christus komen we om, maar in Christus Jezus is volkomen veiligheid. Noach was zo afgesloten dat hij zelfs niet kon verlangen eruit te komen, en wie in Christus Jezus is, is voor altijd in Hem. Ze zullen er nooit meer uitgaan, want eeuwige trouw heeft hen opgesloten, en helse boosheid kan hen er niet uit sleuren. De Vorst uit het huis van David sluit, en niemand opent; en wanneer Hij in de laatste dagen als Heere van het huis opstaat en de deur sluit, zal het voor louter belijders tevergeefs zijn om te kloppen en te roepen: “Heer, heer, doe ons open!” want dezelfde deur die de wijze maagden insluit, zal de dwaze maagden voor altijd buitensluiten. Heere, sluit mij in door Uw genade.

