Geen tranen in de hemel

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 6 augustus 1865 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

En God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Openbaring 7:17

Het is niet goed om altijd te treuren, te zuchten en te klagen over het heden. Hoe donker het ook is, we kunnen ons toch zeker wel iets dierbaars uit het verleden herinneren. Er waren dagen van licht, er waren tijden van verkoeling van het aangezicht des Heeren. Gelovige ziel, wees niet traag om te belijden dat de Heere uw hulp is geweest! En al is uw last nu heel zwaar, u zult nieuwe kracht vinden in de gedachte aan lang vervlogen tijden, toen de Heere uw last verlichtte en uw hart van vreugde deed opspringen. Nog heerlijker is het om naar de toekomst uit te zien. De nacht is donker, maar de morgen komt. Boven de bergen van duisternis breekt de dag aan. Misschien is de weg ruw, maar het einde is bijna in zicht. U bent de steile hoogten van Pisga opgeklommen, en vanaf de top kunt u uw heerlijke erfdeel aanschouwen. Het is waar, het graf ligt nog voor u, maar uw Heere heeft de dood zijn prikkel en het graf zijn overwinning ontrukt. Belaste ziel, beperk u niet tot de benauwende ellende van dit uur, maar laat uw ogen met liefde rusten op de vreugden van het verleden. Zie met evenveel vuur naar de oneindige zegeningen van de eeuwigheid van weleer, toen u er nog niet was, maar toen God u voor Zichzelf afzonderde en uw naam schreef in Zijn boek des levens! Laat uw blik ook vooruitschieten naar de eeuwigheid die komt: naar de barmhartigheden die hier op aarde al uw deel zullen zijn, en naar de heerlijkheid die voor u boven de wolken is weggelegd. Ik zal vanmorgen rijk beloond zijn als ik één bedrukte ziel mag troosten door haar te laten denken aan de heerlijkheid die nog geopenbaard zal worden.

Als we nu naar onze tekst kijken, merken we in de eerste plaats op dat we, omdat God de tranen van het aangezicht van de verheerlijkten zal afwissen, wel mogen afleiden dat hun ogen tot die tijd vol tranen zullen zijn. In de tweede plaats is het de overdenking waard dat God nooit verandert, zodat Hij ook nu al bezig is de tranen uit de ogen van Zijn kinderen te drogen. Daarna komen we bij het hart van de tekst en staan we stil bij de grote waarheid dat de goddelijke liefde in de hemel alle tranen van de verheerlijkten wegneemt. Ten slotte sluiten we af met de vraag of wij wel of niet bij dat gelukkige gezelschap horen.

  1. In ons eerste onderwerp overdenken we de gevolgtrekking dat de ogen van de gelovigen vol tranen zullen zijn totdat zij de beloofde rust ingaan. Het zou niet nodig zijn ze af te wissen als er geen tranen waren. Zij komen wenend tot aan de poorten van de hemel, vergezeld van hun twee metgezellen, droefenis en zuchting. Dan worden de tranen gedroogd, en droefenis en zuchting vlieden weg. Bij de rivier van het water des levens groeit geen treurwilg, maar hier beneden staat hij volop. We zullen hem ook niet kwijtraken voordat we hem inruilen voor de palmtak van de overwinning. De dauwdruppel van de droefheid zal niet ophouden te vallen totdat hij veranderd is in de parel van eeuwige gelukzaligheid:

‘Het pad van smart, en dat pad alleen,
voert naar de plaats waar men geen smart meer kent.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Het geloof brengt verlossing van de vloek, maar geen vrijstelling van beproeving. Vroeger gebruikte men flesjes om de tranen van rouwenden in op te vangen. Ik meen drie flessen te zien, gevuld met de tranen van gelovigen. De eerste is een gewone fles, het alledaagse tranenflesje, met het verdriet dat alle mensen treft, want gelovigen lijden net als de rest van het menselijk geslacht. Lichamelijke pijn spaart de dienstknechten van God allerminst.

Hun zenuwen, bloedvaten, ledematen en inwendige organen zijn even vatbaar voor ziekte als die van onwedergeboren mensen. Sommigen van de uitnemendste heiligen hebben het langst op het ziekbed gelegen, en wie het dierbaarst zijn aan het hart van God, hebben de zwaarste slagen van de kastijdende roede gevoeld. Er zijn pijnen die, ondanks alle inspanning van het geduld, de tranen over de wangen doen lopen. Het menselijk lichaam kan vreselijk veel lijden doorstaan, en er zijn er maar weinig die niet ooit hun bed met tranen hebben bevochtigd vanwege de hevigheid van hun pijn. Daarbij komen nog de verliezen en tegenslagen van het dagelijks leven.

Welke christen onder u drijft handel zonder af en toe moeilijkheden en ernstige verliezen te lijden? Heeft iemand van u het zo gemakkelijk dat hij niets te betreuren heeft? Is er thuis geen kruis? Zijn er buitenshuis geen zorgen? Kunt u van de eerste januari tot de laatste december reizen zonder de vermoeidheid van de weg te voelen? Hebt u geen verdorde akker, geen oninbare schuld, geen belasterde naam, geen hard woord, geen ziek kind, geen lijdende vrouw om al wenend in het gebed aan de Heere voor te leggen? U moet wel een bewoner van een andere planeet zijn als u geen verdriet hebt gekend, want ‘de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen’ (Job 5:7). Geen schip kan de Atlantische Oceaan van de aarde bevaren zonder stormen te ontmoeten; alleen op de Stille Oceaan van de hemel is het voor altijd kalm.

Gelovigen moeten door vele verdrukkingen het Koninkrijk van de hemel beërven. ‘Beproevingen moeten en zullen komen.’ Ook de dood draagt bij aan onze smarten. De erfgenamen van de onsterfelijkheid worden vaak geroepen om zich rond het graf te verzamelen. Wie heeft er geen vriend verloren? Als Jezus weende, verwacht dan niet dat wij zonder de tranen van rouw zullen blijven. De welbeminde Lazarus stierf, en zo zullen ook onze dierbaarste vrienden sterven. Ouders zullen ons voorgaan, kinderen zullen van ons worden weggerukt, broers en zussen zullen vallen voor de zeis van de dood. O onpartijdige vijand van allen, u spaart deugd noch ondeugd, heiligheid noch zonde; met gelijke voet vertrapt u ieders dierbaarste liefde!

Ook de christen kent teleurstellingen die even bitter en scherp zijn als die van andere mensen. Judas verraadt Christus, Achitofel verraadt David. Ook wij hebben onze Achitofels gehad, en misschien moeten we onze Judas nog tegenkomen. We hebben op vrienden vertrouwd en gemerkt dat hun vriendschap tekortschoot. We hebben geleund op iets wat een staf leek, en het heeft ons doorboord als een speer. Geliefde vrienden, u kunt de woestijn van deze wereld niet doorkruisen zonder te ontdekken dat er overvloedig doornen en distels in groeien, en hoe voorzichtig u ook loopt, uw voeten zullen soms voelen hoe die kunnen verwonden. De zee van het leven is voor alle mensen zout. Boven elk landschap hangen wolken. We kunnen vergeten hoe we moeten lachen, maar we zullen altijd weten hoe we moeten wenen. Zoals een doorweekte vacht moet druipen, zo moet het menselijk geslacht, door de val vervloekt, zijn veelvuldige smarten uitwenen.

Ik zie voor mij een tweede fles. Die is zwart en vuil, want zij bevat tranen die door de kracht van het vuur van de zonde zijn gestookt. Deze fles bevat meer dan de eerste en wordt veel geregelder gevuld. De zonde is vaker de moeder van de droefheid dan alle andere kwalen van het leven bij elkaar. Broeders en zusters, ik ben ervan overtuigd dat we meer verdriet lijden door onze zonden dan door Gods duisterste voorzienigheden. Let op ons opstandig gebrek aan overgave! Als er moeite komt, is het niet zozeer de beproeving die ons zo doet zuchten, maar onze opstand ertegen. Het is waar dat de ossenprikkel in ons wordt gestoken, maar wij slaan ertegen, en dan doet hij ons veel meer pijn. Als mensen met blote voeten slaan wij de verzenen tegen de prikkels. We sturen ons schip tegen de stroom van Gods wil in en morren dan omdat de golven met geweld tegen ons aan slaan! Een onbedwongen wil is als de hand van een krankzinnige die zichzelf verscheurt. De kastijdingen die rechtstreeks van onze hemelse Vader komen, zijn nooit zo zwaar om te dragen als het mokken en razen van onze eigen wil, die nooit vernederd is. Zoals een vogel zich tegen de tralies van zijn kooi werpt en zijn eigen vleugel breekt, zo doen wij! Als we het kruis zouden aannemen zoals onze genadige Vader het geeft, zou het onze schouders niet schaven; maar omdat we ertegen in opstand komen en de last verafschuwen, worden onze schouders rauw en pijnlijk en wordt de last ondraaglijk. Meer overgave, en we zouden minder tranen hebben.

Er zijn ook de tranen van gekwetste, gekrenkte trots, en wat zijn die heet en brandend! Als iemand eerzuchtig is geweest en heeft gefaald, hoe kan hij dan wenen, in plaats van zich te laten terechtwijzen of moed te verzamelen voor een verstandiger poging! Als een vriend geringschattend over ons sprak of een vijand ons beschuldigde, hebben we vaak onze vingers tegen onze gloeiende oogleden moeten drukken om de tranen tegen te houden, en voelden we ons ondertussen zo ellendig als we maar konden zijn. Ach, dit zijn wrede en boze tranen! Moge God ze nu van onze ogen afwissen! Zeker moet Hij dat doen voordat we de hemel kunnen binnengaan! Hoe talrijk zijn ook de tranen van het ongeloof! We maken zelf moeiten door rampen te verwachten die misschien nooit komen, of die, als ze wel komen, zullen zijn als de wolken: ‘zwaar van barmhartigheid’, ‘in zegeningen openbrekend boven ons hoofd’. We gaan ons voorstellen wat we zouden moeten doen als dit of dat gebeurde, terwijl God bepaald heeft dat het nooit zal gebeuren. We denken ons in situaties waarin de voorzienigheid ons nooit wil plaatsen, en zo lijden we duizend beproevingen door er één te vrezen.

Die fles, zeg ik, zou nooit een traan uit het oog van een gelovige mogen bevatten, en toch zijn er hele stromen in uitgegoten! O, de goddeloosheid van het wantrouwen jegens God, en de bitterheid waarmee dat wantrouwen zichzelf moet vervloeken! Ongeloof maakt een roede voor zijn eigen rug. Wantrouwen jegens God is zijn eigen straf. Het brengt zoveel onrust, zoveel zorg en zoveel benauwdheid van geest in het gemoed, dat wie zichzelf liefheeft en van vreugde houdt, beter kan proberen te wandelen door geloof en niet door aanschouwen. Ik mag ook de brandende druppels niet vergeten van toorn tegen onze medemensen, en van gemelijkheid en ergernis omdat we bij hen onze zin niet kunnen krijgen. Dit zijn zwarte en afschuwelijke tranen, even walgelijk als de gewelven van Tofeth. Mogen we van zulke onheilige tranen verlost worden. Soms zijn er ook stromen die voortkomen uit een neerslachtige geest, een geest die moedeloos is omdat we de middelen van de genade en de God van de genade hebben verwaarloosd.

De vertroostingen van God zijn bij ons gering omdat we zelden in het verborgen gebed zijn geweest; we hebben op afstand van de Allerhoogste geleefd en zijn in een zwaarmoedige gemoedsstemming geraakt. Ik dank God dat er nooit meer een traan uit onze ogen in die fles zal vallen wanneer de eeuwige liefde ons zal opnemen om bij Jezus in Zijn Koninkrijk te wonen!

Ook de derde fles mogen we nooit over het hoofd zien. Dat is het echte kristallen tranenflesje, waarin heilige tranen mogen vallen, tranen zoals de ‘lacrimae Christi’, de tranen van Jezus, die zo kostbaar zijn in de ogen van God. Zelfs deze zullen in de hemel ophouden te vloeien! In deze fles worden tranen van berouw bewaard, als glinsterende dauwdruppels vers uit de hemel. Ze zijn niet van de aarde, ze komen uit de hemel, en toch kunnen we ze niet met ons meenemen naar de hemel. De goede Rowland Hill zei altijd dat het berouw zo’n aangename metgezel was, dat het enige wat hij zou betreuren als hij naar de hemel ging, was dat hij het berouw moest achterlaten. Daar kon hij de tranen van berouw niet meer storten. O, te wenen over de zonde! Het is zo’n zoete droefheid, dat ik wel altijd zou willen wenen! Als een druppelende bron zou mijn ziel steeds druppelen van smart omdat ik mijn liefhebbende, tedere, genadige God beledigd heb! In het kristal van onze derde fles glinsteren de tranen over de gekrenkte eer van Christus en de geringschatting die Hem wordt aangedaan. Als we horen dat de Naam van Jezus onder de mensen wordt gelasterd, of zien dat Zijn zaak op de dag van de strijd wordt teruggedreven, wie zal dan niet wenen? Wie kan zijn weeklacht bedwingen? Zulke tranen zijn diamanten in de schatting van Christus! Gezegend zijn de ogen die mijnen zijn van zulke koninklijke schatten! Als ik geen kronen kan winnen, wil ik ten minste tranen geven. Als ik de mensen er niet toe kan brengen mijn Meester lief te hebben, wil ik toch in het verborgen wenen om de oneer die zij Hem aandoen. Dit zijn heilige tranen, maar in de hemel zijn ze volkomen onbekend. Tranen van medegevoel worden door onze Heere zeer gewaardeerd; als we ‘wenen met de wenenden’, doen we goed. Deze tranen mogen aan deze zijde van de Jordaan nooit worden ingehouden. Laat ze stromen! Hoe meer, hoe beter voor onze geestelijke gezondheid. Waarlijk, als ik denk aan het verdriet van de mensen, en vooral als ik gemeenschap heb met mijn Heiland in Zijn lijden, wil ik met George Herbert uitroepen:

‘Kom, alle vloeden, wolken en regens,
woon in mijn ogen! Mijn smart heeft nodig
al het water dat de natuur kan voortbrengen!
Laat elke ader een rivier opzuigen om mijn ogen te voeden,
mijn moede, wenende ogen, voor mij te droog,
tenzij ze nieuwe kanalen krijgen, verse toevoer,
die met mijn staat overeenstemmen.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Het zou goed zijn tot het uiterste te gaan in wenen, als het altijd van zo’n edele soort was als de gemeenschap met Jezus voortbrengt. Laten we nooit ophouden te wenen over zondaars, zoals Jezus deed over Jeruzalem. Laten we proberen de vuurbrand uit het vuur te rukken, en wenen als we ons doel niet kunnen bereiken. Deze drie tranenflessen zullen door ons altijd min of meer gevuld worden zolang we hier zijn.

Maar in de hemel zal de eerste fles niet nodig zijn, want de bronnen van aards verdriet zullen allemaal opgedroogd zijn, en we zullen drinken uit levende waterfonteinen die door geen traan zout zijn gemaakt. Wat de tweede betreft: er zal geen verdorvenheid meer in ons hart zijn, zodat de zwarte bron haar walgelijke stroom niet langer zal opleveren. En wat de derde betreft: onder de hemelse bezigheden zal er geen plaats zijn voor wenen, zelfs niet van de heiligste soort. Tot die tijd moeten we verwachten dat we delen in het menselijk verdriet. Laten we, in plaats van ertegen te bidden, vragen of het ons geheiligd mag worden. Ik bedoel natuurlijk het verdriet van de eerste soort. Laten we bidden dat de verdrukking lijdzaamheid mag werken, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding de hoop die niet beschaamt. Laten we bidden dat de scherpe kant van de graveerstift, als die op ons wordt gebruikt, alleen ons vuil mag wegnemen en ons mag vormen naar het beeld van onze Heere en Meester. Laten we bidden dat het vuur niets anders mag verteren dan het schuim, en dat de vloed niets anders mag wegspoelen dan de bezoedeling. Mogen we God kunnen danken dat we, hoewel we dwaalden eer we verdrukt werden, nu door Zijn genade Zijn woord hebben onderhouden. Zo zullen we zien dat het een gezegende zaak is, een goddelijk wijze weg, dat we het pad van de smart betreden en de poorten van de hemel bereiken met de tranen glinsterend in onze ogen.

  1. Ten tweede: als we ook hier onze tranen willen laten afwissen, kunnen we niets beters doen dan terugkeren tot onze God. Hij is de grote Tranenafwisser. Merk op, broeders, dat God elk spoor van verdriet uit het hart van Zijn volk kan wegnemen door hun volkomen overgave aan Zijn wil te schenken. Onze eigenliefde is de wortel van ons verdriet. Als het eigen ik volkomen overwonnen was, zou het voor ons van geen belang zijn of de liefde ons pijn of gemak toebedeelde, rijkdom of armoede. Als onze wil volkomen Gods wil was, dan zou de pijn zelf met vreugde gepaard gaan en zou het verdriet ons om Christus’ wil blijdschap opleveren. Zoals het ene vuur het andere dooft, zo dooft de alles beheersende hartstocht van de liefde tot God, en het volkomen opgaan in Zijn heilige wil, het vuur van menselijk leed en verdriet. Hartelijke overgave doet zoveel honing in de beker van gal dat de alsem vergeten wordt. Zoals de dood verslonden is tot overwinning, zo wordt de verdrukking verslonden in welbehagen en vreugde in God.

Hij kan onze tranen ook wegnemen door onze gedachten met blijdschap te laten rusten op het doel waartoe al onze beproevingen meewerken. Hij kan ons laten zien dat ze medewerken ten goede, en als verstandige mensen zullen we er tevreden mee zijn wanneer we zien dat we door onze verliezen wezenlijk verrijkt worden! Als we zien dat het medicijn ons geneest van een dodelijke ziekte, en dat onze scherpste pijnen ons alleen maar behoeden voor veel vreselijker pijnen, dan zullen we de roede kussen en midden in de verdrukking zingen: ‘Zoete verdrukking! Zoete verdrukking!’ En terecht, want zij geeft zo’n vreedzame vrucht der gerechtigheid.

Bovendien kan Hij in de tijd van beproeving elke traan van onze ogen wegnemen door de liefde van Jezus Christus overvloediger in ons hart uit te storten. Hij kan ons duidelijk maken dat Christus in al onze benauwdheid benauwd is. Hij kan ons een heerlijk besef schenken van de goddelijke kracht die in Zijn medelijden woont, en ons doen juichen dat we mogen lijden samen met de Engel des verbonds. De Heiland kan ons hart van vreugde doen opspringen door ons opnieuw te verzekeren dat we in Zijn handpalmen gegraveerd zijn en dat we bij Hem zullen zijn waar Hij is. Ziekbedden worden tronen en krotten rijpen tot paleizen wanneer Jezus voor onze ziel zeker is geworden. Mijn broeders, de liefde van Christus rolt als een grote vloed over de ruwste rotsen van verdrukking, zo hoog daarboven dat we in volmaakte vrede kunnen drijven waar anderen volkomen schipbreuk lijden! Het woeden van de storm wordt geheel gestild wanneer Christus in het schip is. De wateren zagen U, o Christus! De wateren zagen U en zwegen voor de tegenwoordigheid van hun Koning!

De Heere kan ook al het tegenwoordige verdriet en leed van ons wegnemen door in Zijn voorzienigheid de oorzaak ervan weg te nemen. De voorzienigheid zit vol zoete verrassingen en onverwachte wendingen. Wanneer de zee zich zo ver mogelijk heeft teruggetrokken, keert zij weer en bedekt al het zand. Wanneer we denken dat de kerker vastzit en de grendel erin is vastgeroest, kan Hij de deur in een ogenblik doen openvliegen! Wanneer de rivier diep en zwart voor ons voortrolt, kan Hij haar met één woord splijten of met Zijn handen overbruggen. Hoe vaak hebt u dat in het verleden zo ervaren? Als pelgrim naar Kanaän bent u door de Rode Zee gegaan, waarin u eens vreesde te zullen verdrinken. De bittere wateren van Mara werden zoet gemaakt door Gods tegenwoordigheid! U hebt tegen Amalek gestreden. U bent door de vreselijke woestijn getrokken. U bent voorbijgegaan aan de plaats van de vurige slangen, en toch bent u in leven gehouden, en zo zal het blijven! Zoals de glans na de regen komt, zo zal de vrede op uw beproevingen volgen. Zoals de zwarte wolken wegvluchten voor de dwingende kracht van de wind, zo zal de eeuwige God uw smarten doen wegvluchten voor de kracht van Zijn genade. Op de rokende oven van de moeite zal de heldere fakkel van de vertroosting volgen. Toch is de zekerste manier om van de tranen van nu verlost te worden de omgang en gemeenschap met God. Wanneer ik onder de vleugel van mijn dierbare God kan wegkruipen en mij dicht aan Zijn boezem kan nestelen, laat de wereld dan zeggen wat zij wil, laat de duivel brullen zoals hij wil, en laat mijn zonden mij aanklagen en dreigen zoveel zij kunnen: ik ben veilig, tevreden, gelukkig, vredig en verheugd.

‘Laat de aarde tegen mijn ziel ten strijde trekken
en laat de pijlen van de hel geworpen worden;
nu kan ik glimlachen om de woede van de satan
en een dreigende wereld onder ogen zien.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Te zeggen: ‘Mijn Vader, mijn God’; mij helemaal in Zijn handen te leggen en te voelen dat ik daar veilig ben; naar Hem op te zien, al is het met tranen in mijn ogen, en te voelen dat Hij mij liefheeft; en dan mijn hoofd helemaal aan Zijn boezem te leggen, zoals de verloren zoon deed, en daar mijn verdriet uit te snikken aan het hart van mijn Vader: o, dat is de dood van het verdriet en het leven van alle vertroosting! Wordt Jehova niet de God aller vertroosting genoemd? Zo zult u Hem ook leren kennen, geliefden. Hij is ‘onze hulp in vroeger eeuwen’ geweest, Hij is ‘onze hoop voor de komende jaren’. Als Hij mijn hulp niet was geweest, dan zou mijn ziel volkomen zijn omgekomen in de dag van haar vermoeidheid en haar zwaarmoedigheid. O, ik getuig vandaag van Hem dat u niet tot Hem kunt gaan en uw hart voor Hem kunt uitstorten zonder heerlijke troost te vinden! Wanneer uw vrienden de tranen niet kunnen afwissen, wanneer u zelf met uw sterkste redeneringen en uw moedigste pogingen uzelf niet tot overgave kunt brengen, wanneer uw hart hevig klopt en het lijkt alsof het van verdriet zal barsten, stort dan uw hart uit voor Zijn aangezicht! God is ons een Toevlucht! Hij is onze Burg en ons Hoog Vertrek, onze toevlucht en verdediging. Ga slechts tot Hem, en u zult ervaren dat God zelfs hier op aarde alle tranen van uw ogen zal afwissen!

  1. Nu moeten we onze gedachten richten op wat de eigenlijke leer van de tekst is, namelijk het wegnemen van alle tranen bij de gezaligden daarboven. Er zijn veel redenen waarom verheerlijkte geesten niet kunnen wenen. Ze zijn u welbekend, maar laten we ze kort aanstippen. Alle uitwendige oorzaken van verdriet zijn verdwenen. Zij zullen in de hemel nooit de doodsklok horen luiden. Spade en lijkwade zijn daar onbekend. De afschuwelijke gedachte aan de dood flitst nooit door een onsterfelijke geest. Zij worden nooit van elkaar gescheiden. De grote ontmoeting heeft plaatsgevonden, om nooit meer te scheiden. Daarboven hebben zij geen verliezen en tegenslagen in hun zaken. Zij ‘dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel’. Zij kennen daar geen verbroken vriendschappen. Zij hebben geen gebroken harten en geen verwoeste vooruitzichten. Zij kennen, zoals zij gekend zijn, en zij hebben lief, zoals zij liefgehad worden. Geen pijn kan hen ooit treffen; zij hebben immers nog geen lichaam! Maar wanneer hun lichamen uit het graf worden opgewekt, zullen ze zo vergeestelijkt zijn dat ze niet meer tot verdriet in staat zijn. De traanklieren zullen worden weggenomen. Al mag daar veel menselijks zijn, de traanklieren zullen in elk geval verdwenen zijn; dat orgaan zullen ze niet meer nodig hebben. Hun lichamen zullen ongevoelig zijn voor verdriet. Zij zullen zich eeuwig verblijden! Armoede, honger, benauwdheid, naaktheid, gevaar, vervolging, laster: dat alles zal opgehouden hebben. ‘De zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte.’ ‘Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten’, en daarom mogen hun tranen wel ophouden te vloeien.

Verder zal al het inwendige kwaad zijn weggenomen door de volmaakte heiliging die de Heilige Geest in hen heeft gewerkt. Geen boos hart en geen ongeloof dat afwijkt van de levende God zal hen in het paradijs kwellen! Geen ingevingen van de aartsvijand zullen daar worden ontvangen en geholpen door het opkomen van de ongerechtigheid vanbinnen. Zij zullen er nooit toe gebracht worden hard over God te denken, want hun hart zal één en al liefde zijn. De zonde zal voor hen geen zoetheid meer hebben, want zij zullen volkomen gereinigd zijn van alle verdorven begeerten. Er zal geen begeerlijkheid der ogen zijn, geen begeerlijkheid des vleses en geen grootsheid des levens die hun voeten tot een strik zou worden. De zonde is buitengesloten en zij zijn binnengesloten. Zij zijn voor eeuwig gezegend, omdat zij onberispelijk zijn voor de troon van God! Wat een hemel moet het zijn om zonder vlek of rimpel of iets dergelijks te zijn! Wie heeft opgehouden te zondigen, mag wel ophouden te treuren!

Ook alle vrees voor verandering is voor altijd buitengesloten. Zij weten dat zij eeuwig veilig zijn. Heiligen op aarde zijn bang om te vallen. Sommige gelovigen dromen er zelfs van dat ze zullen afvallen. Ze denken dat God hen zal verlaten en dat mensen hen zullen vervolgen en grijpen. Zulke vrezen kunnen de gezaligden die het aangezicht van hun Vader aanschouwen niet meer kwellen. Talloze tijdperken mogen voorbijgaan, maar de eeuwigheid zal niet uitgeput raken, en zolang de eeuwigheid duurt, zullen hun onsterfelijkheid en gelukzaligheid met haar meeduren. Zij wonen in een stad die nooit zal worden bestormd! Zij koesteren zich in een zon die nooit ondergaat! Zij zwemmen in een vloed die nooit zal ebben! Zij drinken uit een rivier die nooit zal opdrogen! Zij plukken vruchten van een boom die nooit zal verwelken! Hun gelukzaligheid kent de gedachte niet, die als een kanker aan haar hart zou knagen, dat zij misschien zou kunnen voorbijgaan en ophouden te bestaan! Daarom kunnen zij niet wenen, want zij zijn onfeilbaar veilig en zeker verzekerd van hun eeuwige gelukzaligheid.

Waarom zouden zij wenen, als elk verlangen vervuld is? Zij kunnen niets wensen wat zij niet zullen krijgen. Ogen en oren, hart en handen, oordeel, verbeelding, hoop, verlangen, wil: elk vermogen zal verzadigd worden! Alles wat hun grote vermogens maar kunnen wensen, zullen zij voortdurend genieten! Hoewel het gaat om ‘hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben’, weten we door de openbaring van de Geest genoeg om te begrijpen dat zij in de hoogste mate gezegend zijn! De vreugde van Christus, die een oneindige volheid van verrukking is, is in hen. Zij baden zich in de bodemloze, oeverloze zee van oneindige zaligheid!

Toch verklaart dit nog niet helemaal, geliefde vrienden, dat alle tranen van hun ogen zijn afgewist. Ik houd meer van de tekst omdat die ons zegt dat God het zal doen, en ik wil dat u met mij nadenkt over bronnen van tranen die zelfs in de hemel bestaan, zodat de hemelingen onvermijdelijk zouden moeten wenen als God niet door een voortdurend wonder hun tranen wegnam. Het treft mij dat de verheerlijkten zeer diepe reden zouden hebben om te wenen, als God Zelf niet ingreep door een voortdurende uitstorting van overvloedige vertroostingen.

U zult zeggen: ‘Hoe kan dat?’ Wel, in de eerste plaats: als dat niet zo was, wat zouden zij dan een spijt moeten hebben over hun vroegere zonden! Hoe heiliger iemand is, hoe meer hij de zonde haat. Het is een teken van groei in de heiliging, niet dat het berouw minder scherp wordt, maar dat het steeds dieper gaat. Zeker, geliefde vrienden, wanneer we volmaakt heilig gemaakt zijn, zullen we de zonde nog meer haten! Als we op aarde volmaakt heilig konden zijn, dan denk ik dat we weinig anders zouden doen dan treuren bij de gedachte dat zoiets vuils, zwarts en giftigs als de zonde ons ooit heeft bevlekt! We zouden bitter wenen omdat we ooit zo’n goede, genadige, tedere en overvloedig liefhebbende God hebben beledigd.

Ja, de aanblik van Christus, ‘het Lam, Dat in het midden des troons is’, zou ons doen denken aan de zonden waarvan Hij ons heeft gereinigd. De aanblik van de volmaaktheid van onze hemelse Vader zou ons verblinden, als God niet door een heilig middel, dat wij niet kennen, al deze tranen van onze ogen afwiste. En hoewel we het niet anders dan kunnen betreuren dat we gezondigd hebben, zullen we misschien weten dat de zonde door de overwinnende kracht van de almachtige genade tot verheerlijking van God is gemaakt; dat de zonde tot een zwarte achtergrond is gemaakt, een soort zetting voor het fonkelende juweel van de eeuwige, soevereine genade! En misschien storten we daarom geen tranen over ons vroegere leven.

Zij zingen: ‘Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.’ Maar zij zingen dat hemelse lied zonder een traan in hun ogen. Ik kan niet begrijpen hoe dat kan, want ik weet dat ik het zoals ik nu ben niet zou kunnen. Laat dit de beste verklaring zijn: God heeft de tranen van hun ogen afgewist. Verder, geliefden, denkt u niet dat de gedachte aan de onmetelijke prijs aan schande en smart die de Heiland voor onze verlossing heeft besteed, naar de natuurlijke orde van zaken een voortdurende bron van verdriet zou moeten zijn? Soms zingen we die lofzang die ons herinnert aan het lied van de engelen voor de troon, en in een van de verzen zegt de dichter:

‘Maar wanneer zij zich naar Golgotha keren,
dan zwijgen hun harpen;
een ogenblik treuren de stilgevallen liederen
om de God Die liefhad en stierf.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Nu, dat is natuurlijk en dichterlijk, maar het is niet waar! U weet heel goed dat er in de hemel geen stilgevallen liederen zijn en dat er zelfs geen rouw is over Christus, ‘Die liefhad en stierf’. Het lijkt mij dat ik, als ik volkomen vergeestelijkt was en in zo’n heilige staat verkeerde als zij in de hemel, het Lam niet zou kunnen aanzien zonder tranen in mijn ogen. Hoe zou ik kunnen denken aan die vijf wonden, aan dat bloedige zweet in Gethsémané? Aan die wrede kroning met doornen in Gabbatha, aan die spot en schande op Golgotha? Hoe zou ik daaraan kunnen denken zonder tranen? Hoe zou ik kunnen beseffen dat Hij mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven, zonder uit te barsten in een hartstocht van heilige genegenheid en droefheid? Tranen lijken de natuurlijke uiting van zulke geheiligde vreugde en smart:

‘Liefde en smart verdelen mijn hart;
met mijn tranen zal ik Zijn voeten wassen.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Ik moet wel denken dat het in de hemel zo zou zijn, als God niet op een heerlijke wijze, ik weet niet hoe, zelfs die tranen van onze ogen afwiste! Is er niet het ingrijpen van God nodig om dit wonder tot stand te brengen?

Is er niet nog een andere oorzaak van verdriet, namelijk verspilde kansen? Geliefden, als we eenmaal naar de hemel zijn opgevaren, zal er geen voeden meer zijn van Christus’ hongerige volk. Er zal geen drinken meer worden gegeven aan de dorstigen. Er zal geen bezoeken meer zijn van Zijn zieken of Zijn gevangenen, en geen kleden van de naakten. Er zal geen onderwijzen meer zijn van de onwetenden, en geen voorhouden van het Woord van God ‘in het midden van een krom en verdraaid geslacht’. Er is vaak en terecht gezegd dat, als er in de hemel spijt zou kunnen zijn, het de spijt zou zijn dat we zoveel kansen hebben verspild om Christus op aarde te eren, kansen die dan voor altijd voorbij zullen zijn. Nu zijn hun harten in de hemel niet zo verstaald en verhard dat zij zonder verdriet kunnen terugzien op hun zonden van nalatigheid. Ik geloof dat het geweten daar zijn tederste vorm zal hebben, want volmaakte reinheid zou niet samengaan met enige mate van hardheid van hart.

Als zij gevoelig en teder van hart zijn, is het onvermijdelijk dat zij met spijt terugzien op de tekortkomingen van het leven hier beneden, tenzij een machtiger gevoel dat van het berouw overweldigt. Ik kan zeggen, geliefden, dat als God mij vanmorgen naar de hemel zou nemen en niet tussenbeide zou komen om door een bijzondere daad van Zijn almacht die bron van tranen op te drogen, ik midden in mijn eigen schaamte de heerlijkheden van het paradijs bijna zou vergeten! Schaamte dat ik niet ernstiger heb gepreekt, niet vuriger heb gebeden en niet overvloediger voor Christus heb gearbeid. Die tekst, waarnaar we deze week een dierbare broeder hoorden verwijzen, waar Paulus zegt: ‘Gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen’, is een tekst die niemand van ons kan lezen zonder te blozen en te wenen. En als ik in de hemel de apostel Paulus zag, zou ik volgens mij in tranen moeten uitbarsten, als deze tekst er niet was, die zegt dat ‘God zal alle tranen van hun ogen afwissen‘, en deze tranen daaronder. Wie anders dan de almachtige God zou dit kunnen doen!

Misschien komt er bij u ook nog een andere bron van tranen op, namelijk spijt in de hemel over onze vergissingen, onze verkeerde voorstellingen en onze onvriendelijkheid tegenover andere christelijke broeders. Wat zullen we verbaasd zijn als we in de hemel sommigen ontmoeten die we op aarde niet liefhadden! We wilden met hen geen gemeenschap hebben aan de tafel des Heeren. We wilden niet eens erkennen dat zij christenen waren! We keken hen wantrouwig aan als we hen op straat zagen. We waren jaloers op al hun werkzaamheden. We verdachten hun ijver ervan niets beters te zijn dan dweperij, en we meenden dat er achter hun beste inspanningen slinkse bedoelingen schuilgingen. We hebben veel harde woorden gezegd, en nog veel meer gevoeld dan we zeiden. Wanneer we deze onbekende en niet erkende broeders in de hemel zien, zal hun aanwezigheid ons dan niet vanzelf herinneren aan onze overtredingen tegen de christelijke liefde en de geestelijke eenheid?

Ik kan me niet voorstellen dat een volmaakt mens naar een ander volmaakt mens kijkt zonder te betreuren dat hij hem ooit slecht heeft behandeld. Het lijkt mij een kenmerk van een fatsoenlijk man, van een christen, en bovenal van een volmaakt geheiligd mens, dat hij het betreurt iemand die Christus even dierbaar was als hijzelf, verkeerd te hebben begrepen, verkeerd te hebben uitgelegd en verkeerd te hebben voorgesteld. Ik weet zeker dat ik, als ik in de hemel onder de heiligen rondga, naar de natuurlijke orde van zaken wel moet voelen: ‘Ik heb u niet geholpen zoals ik had moeten doen. Ik heb niet met u meegeleefd zoals ik had moeten doen. Ik heb een hard woord tegen u gesproken. Ik stond vervreemd van u.’ En ik denk dat u allemaal hetzelfde zou moeten voelen. Onvermijdelijk zou dat zo zijn, als niet op een hemelse wijze, ik weet niet hoe, de eeuwige God de gelovigen zo zou overschaduwen met de overvloedige zaligheid van Zichzelf, dat zelfs die oorzaak van tranen wordt weggenomen! Is het nooit bij u opgekomen, geliefde vrienden, dat het vanzelf een oorzaak van verdriet zou zijn als u naar de hemel gaat en uw dierbare kinderen onbekeerd achterlaat? Toen mijn moeder mij vertelde dat zij, als ik verloren ging, ‘Amen’ zou moeten zeggen op mijn veroordeling, wist ik dat het waar was. Het klonk heel vreselijk en had een goede uitwerking op mijn gemoed. Maar tegelijk kon ik niet nalaten te denken: ‘Nou, dan zult u wel heel anders zijn dan u nu bent’, en ik dacht niet dat zij er beter op zou worden. Ik dacht: ‘Ik denk veel liever aan u terwijl u om mij weent, dan aan u als een volmaakt wezen dat met droge ogen toekijkt hoe uw eigen kind verdoemd wordt.’

Het is werkelijk een vreselijk schouwspel, de gedachte aan een volmaakt wezen dat bijvoorbeeld op de hel neerkijkt, zoals Abraham deed, en toch geen droefheid voelt. U herinnert zich immers dat er in de toon waarop Abraham de rijke man aansprak, niets van medelijden te horen is. Er is geen enkele lettergreep die enig medegevoel met hem in zijn vreselijke ellende verraadt. En men begrijpt niet goed dat volmaakte wezens, wezens die op God gelijken, wezens vol liefde en vol van alles wat de heerlijkheid van Gods volmaakte natuur uitmaakt, toch niet zouden kunnen wenen, zelfs niet over de hel! Zij kunnen niet wenen over hun eigen verloren en verwoeste kinderen! Hoe kan dat nu? Als u het mij kunt vertellen, zal ik blij zijn, want ik kan het u niet zeggen. Ik geloof niet dat er één greintje minder tederheid zal zijn, één fractie minder beminnelijkheid, liefde en medegevoel; ik geloof dat er meer van zal zijn. Maar ik geloof dat zij op de een of andere manier zo veredeld en gelouterd zullen zijn, dat er naast het medelijden met het lijden ook afschuw van de zonde zal zijn die het in evenwicht houdt, zodat een staat van volkomen evenwicht bereikt wordt. Volmaakte instemming met de goddelijke wil is waarschijnlijk het geheim ervan. Maar het is niet mijn zaak om te gissen; ik weet niet welke zakdoek de Heere zal gebruiken. Wel weet ik dat Hij alle tranen van hun aangezicht zal afwissen, en deze tranen daaronder.

Nog één keer: het lijkt mij dat de geesten voor de troon, die, zoals zij wel moeten, diep betrokken zijn bij alles wat de eer van de Heere Jezus Christus aangaat, diep bedroefd moeten zijn wanneer zij zien dat de zaak van de waarheid in gevaar komt en het Koninkrijk van Christus voor een tijd wordt teruggezet. Denk aan Luther, aan Wycliffe of aan John Knox, nu zij de opmars van het pausdom op dit moment zien. Neem eerst John Knox, als u wilt. Stel u voor dat hij neerkijkt en in Schotland kathedralen ziet verrijzen die gewijd zijn aan de dienst van de paus en van de satan. O, hoe zou de strenge oude man zich, denk ik, zelfs in de heerlijkheid beginnen op te schudden! De oude leeuw zou nog eens met zijn staart langs zijn flanken zwiepen en half wensen dat hij kon afdalen om de nesten aan stukken te trekken, zodat de kraaien wegvlogen. Denk aan Wycliffe, die neerkijkt op dit land waar het evangelie al zoveel jaren wordt gepredikt, en die monniken ziet in de Kerk van Engeland. Hij ziet overal in onze staatskerk niet langer een verkapt pausdom opkomen, zoals tien jaar geleden, maar een onverhuld, regelrecht pausdom, dat zonder blikken of blozen spreekt over de ‘katholieke kerk’ en niet eens meer anglicaans is!

Wat zou Wycliffe zeggen? Wel, tenzij Wycliffe geweldig veranderd is, en dat kan ik niet aannemen (behalve ten goede, en dat zou hem nog teerhartiger en nog ijveriger voor God maken), denk ik dat hij, terwijl hij over de tinnen van de hemel leunt, wel moet wenen bij de gedachte dat Engeland zo ver is teruggegaan en dat de zon op de zonnewijzer van Achaz is teruggeweken. Ik weet niet hoe het komt dat zij in de hemel niet wenen, maar zij doen het niet. De zielen onder het altaar roepen: ‘Hoelang? Hoelang? Hoelang?’ Er stijgt een machtige voorbede op van hen die in vroeger dagen om Christus’ wil zijn geslacht; hun gebed rijst op: ‘Hoelang? Hoelang? Hoelang?’ En God wreekt Zijn uitverkorenen nog niet, al roepen zij dag en nacht tot Hem. Toch kost dat uitstel hun geen enkele traan. Zij zijn er zo zeker van dat de overwinning zal komen! Zij verwachten een des te heerlijker zege juist vanwege het uitstel, en daarom hopen zij geduldig en wachten zij stil op het heil van God! Zij weten dat zij zonder ons niet volmaakt kunnen worden, en daarom wachten zij totdat wij worden opgenomen, zodat het hele gezelschap voltallig is, de ziel dan met haar lichaam kan worden bekleed en zij volmaakt kunnen worden in hun zaligheid. Zij wachten, maar zij wenen niet. Zij wachten en zij roepen, maar in hun roepen heeft geen droefheid een plaats. Nu begrijp ik dit niet. Het lijkt mij dat hoe meer ik verlang naar de komst van Christus en hoe meer ik ernaar verlang Zijn Koninkrijk uitgebreid te zien, des te meer ik zal wenen wanneer het verkeerd gaat: wanneer ik zie dat Christus gelasterd wordt, dat Zijn kruis in het slijk wordt vertrapt en dat het koninkrijk van de duivel wordt gevestigd! Maar de reden ligt geheel hierin: ‘God zal alle tranen van hun ogen afwissen.’

Ik wilde u alleen even aanwijzen waarom er staat dat God het doet. Het treft mij dat deze oorzaken van tranen niet door een engel konden worden weggenomen, en ook niet door enige vorm van geestelijk genot, zonder het rechtstreekse ingrijpen van de almachtige God. Denk aan al deze zaken en verwonder u erover, en u zult zich nog veel meer bronnen van verdriet herinneren die vrij hadden moeten vloeien als de Almacht ze niet volledig had drooggelegd. Vraag dan hoe het komt dat de heiligen niet wenen en niet klagen, en u kunt geen ander antwoord krijgen dan dit: God heeft het gedaan op een wijze die ons onbekend is, door hun voor altijd het vermogen om te wenen te ontnemen.

  1. En nu, geliefden, zullen wij bij dit gelukkige gezelschap zijn?

Dat is de vraag, en het verband stelt ons in staat haar te beantwoorden. ‘Zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.’ Dat is hun kenmerk. ‘Daarom zijn zij voor den troon van God.’ Het bloed, het kostbare bloed, is een heilige grond voor hun aanwezigheid daar. Let op: ‘zij hebben hun lange klederen gewassen.’ Het waren niet alleen hun voeten, hun slechtste delen, maar zij wasten hun klederen, hun beste delen. De klederen van een man zijn zijn meest geëerde dracht. Hij trekt ze aan en vindt het niet erg als wij ze zien. Daaronder mag vuil zijn, maar de klederen zijn over het algemeen het schoonst van alles. Toch ziet u dat zij zelfs die gewassen hebben.

Nu is het een kenmerk van een christen dat hij niet alleen tot Christus gaat om zijn zwarte zonden af te wassen, maar ook om zijn plichten te wassen. Ik zou geen gebed willen bidden dat niet in het bloed van Jezus gewassen is. Ik zou niet willen dat een lied dat ik gezongen heb naar de hemel opstijgt, tenzij het eerst in het bloed is gebaad. Als ik ernaar verlang met ijver bekleed te zijn als met een mantel, moet ik toch die mantel in het bloed wassen. Al zou ik door de Heilige Geest geheiligd zijn en de geschonken gerechtigheid dragen als een gestikt kleed, toch moet ik zelfs dat in het bloed wassen. Wat zegt u, geliefde vrienden? Bent u gewassen in het bloed? De betekenis daarvan is: hebt u vertrouwd op het verzoenend offer? ‘Zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.’ Hebt u Christus aangenomen als uw Alles in allen? Steunt u nu op Hem? Zo ja, dan zult u uit diepe nood toch opklimmen, leunend op uw Liefste, naar de troon van God en naar de zaligheid die Zijn uitverkorenen wacht. Maar zo niet: ‘er is geen andere Naam’, er is geen andere weg. Uw verdoemenis zal even rechtvaardig als zeker zijn. Christus is ‘de Weg’, maar als u die niet wilt bewandelen, zult u het einde niet bereiken. Christus is ‘de Waarheid’, maar als u Hem niet wilt geloven, zult u zich niet verblijden. Christus is ‘het Leven’, maar als u Hem niet wilt aannemen, zult u onder de doden blijven en uitgeworpen worden onder de verdorvenen. Moge de Heere ons van zo’n lot verlossen en ons een eenvoudig vertrouwen geven in het goddelijke werk van de Verlosser, en Hem zal de lof zijn in eeuwigheid.

Amen.

Preek nr. 643 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 6 augustus 1865, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 11. Oorspronkelijke titel: “No Tears in Heaven”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content