“… te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de HEERE der heirscharen.”—Maleachi 3:1
Lees verder: Hebreeën 8:1-13.
Het volk van de Heere verheugt zich in het verbond. Het is voor hen een onuitputtelijke bron van troost, telkens als de Heilige Geest hen naar de grazige weiden ervan leidt en hen doet nederliggen aan stille wateren. Ze kunnen er zoet van zingen in hun jeugd en tot in hun grijsheid, van de kindertijd tot het graf, want dit onderwerp is onuitputtelijk. Ze vinden vreugde in het nadenken over de ouderdom van dat verbond. Ze denken eraan dat de belangen van de heiligen al veilig waren in Christus voordat de sterren hun plaats kenden en de planeten hun baan trokken. Vooral vinden ze het heerlijk om te bedenken hoe zeker dat verbond is. Ze denken graag aan “de gewisse weldadigheden van David.” Ze verheerlijken het verbond graag in hun lofliederen. Het was ondertekend, verzegeld, bekrachtigd en in alles goed geregeld. Het maakt hun hart ruim van vreugde als ze denken aan de onveranderlijkheid van een verbond waaraan noch tijd noch eeuwigheid, noch leven noch dood, noch het tegenwoordige noch het toekomende, noch engelen, noch overheden, noch machten ooit geweld kunnen aandoen: een verbond dat zo oud is als de eeuwigheid en zo eeuwigdurend als de Rots der eeuwen. Gods volk verheugt zich ook graag in de volheid van het verbond, want ze zien in alles wat ze ontvangen dat God hun deel is, Christus hun vriend, de Geest hun Trooster, de aarde hun herberg en de hemel hun thuis. Ze zien er niet iets in, maar alles: niet alleen hulp om gewenste bezittingen te krijgen, maar een erfenis die weggelegd is en geschonken wordt aan elke ziel die deelt in dit aloude en eeuwige geschenk.
Ter overdenking
Gods verbond met Zijn volk in Christus wordt omschreven als nieuw (1 Korinthe 11:25; Hebreeën 8:8; 9:15; 12:24), beter (Hebreeën 7:22; 8:6) en eeuwig (Hebreeën 13:20). Geeft deze overeenkomst u vreugde? Is uw toekomst daardoor gedekt?
Preek 470, 7 september 1862

