“Alzo zegt de Heere HEERE: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israels verzocht worden, dat Ik het hun doe;”—Ezechiël 36:37
Gebed is de voorloper van de barmhartigheid. Kijk in de heilige geschiedenis en je ziet dat er bijna nooit een grote zegen op deze wereld kwam zonder dat er eerst gesmeekt werd. Dat heb je in je eigen leven ook ervaren. God heeft je veel gunsten gegeven waar je niet om gevraagd had. Toch ging bij jou ernstig gebed altijd vooraf aan grote barmhartigheid. Toen je voor het eerst vrede vond door het bloed van het kruis, had je veel gebeden en ernstig bij God aangehouden dat Hij je twijfels zou wegnemen en je uit je angsten zou verlossen. Je zekerheid was het resultaat van gebed. Als je ooit hoge, vervoerende vreugde hebt gehad, moest je die zien als antwoord op je gebeden. Als je grote redding hebt gekregen uit zware nood, en machtige hulp in grote gevaren, kon je zeggen: “Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered.” Gebed is altijd het voorwoord van de zegen. Het gaat de zegen vooraf als haar schaduw. Als het zonlicht van Gods barmhartigheid opkomt over onze nood, werpt het de schaduw van het gebed ver over de vlakte. Of, om een ander beeld te gebruiken: als God een berg van zegeningen opstapelt, schijnt Hij Zelf erachter. Dan werpt Hij de schaduw van het gebed op onze geest. Zo mogen we zeker zijn dat onze smeekbeden, als we veel bidden, de schaduwen van barmhartigheid zijn. Gebed is zo aan de zegen verbonden om ons de waarde ervan te laten zien. Als we de zegeningen kregen zonder erom te vragen, zouden we ze vanzelfsprekend vinden. Maar gebed maakt onze zegeningen kostbaarder dan diamanten. De dingen waar we om vragen zijn kostbaar, maar we beseffen hoe kostbaar ze zijn pas als we er ernstig naar gezocht hebben.
“Gebed doet de donkere wolk wijken;
gebed beklimt de ladder die Jakob zag;
oefent geloof en liefde;
brengt elke zegen van boven.”

