“…ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben”—Romeinen 8:23
Hier staat dat wij nu al iets bezitten. Op dit moment hebben we de eerstelingen van de Geest. We hebben bekering, dat kostbaarste juweel; geloof, die onbetaalbare parel; hoop, de hemelse smaragd; en liefde, de stralende robijn. Door de krachtdadige werking van God de Heilige Geest zijn we nu al nieuwe schepselen in Christus Jezus. Dit wordt eerstelingen genoemd omdat het als eerste komt. Zoals de eerste garf het begin van de oogst was, zo zijn het geestelijke leven en alle gaven die dat leven sieren, het eerste werk van Gods Geest in onze ziel. De eerstelingen waren het onderpand van de oogst, de zekere belofte dat er meer zou komen. Zodra de Israëliet de eerste handvol rijpe aren had geplukt, keek hij blij uit naar de tijd waarop de wagen zou kraken onder de schoven. Zo is het ook met ons, broeders. Als God ons als werk van de Heilige Geest dingen geeft die rein, lieflijk en goed zijn, dan zijn die voor ons voortekenen van de komende heerlijkheid. De eerstelingen waren altijd heilig voor de Heere, en onze nieuwe natuur is met al haar krachten aan Hem toegewijd. Het nieuwe leven is niet van onszelf, zodat we de pracht ervan aan eigen verdienste zouden mogen toeschrijven. Het is het beeld en de schepping van Christus en is bestemd voor Zijn eer. Maar de eerstelingen waren niet de oogst, en het werk van de Geest in ons is op dit moment nog niet de voleinding: de volmaaktheid moet nog komen. We mogen niet roemen dat we het hebben bereikt en die eerste garf aanzien voor de hele opbrengst van het jaar. We moeten “hongeren en dorsten naar de gerechtigheid” en smachten naar de dag van de volledige verlossing. Lieve lezer, doe vanavond je mond wijd open, en God zal hem vullen. Laat wat je nu al bezit in jou een heilige hebzucht naar meer genade wekken. Zucht diep in jezelf naar een nog hogere toewijding, en je Heere zal die je geven. Want Hij is machtig “meer dan overvloediglijk te doen, boven al wat wij bidden of denken”.

