Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 92 — Treasury of David

63 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

“Een psalm, een lied, op den sabbatdag.” Dit prachtige gedicht is een psalm en een lied tegelijk. Het is even plechtig als blij en het was bedoeld om op de rustdag te worden gezongen. Het gaat over de lof van God. Loven is sabbatwerk: het vrolijke bezig zijn van harten die rusten. Een echte sabbat vind je alleen in God. Het is dus verstandig om op de sabbatdag over Hem na te denken. De stijl is het onderwerp en de dag waardig. De inspiratie komt uit de “bron van alle zegen”. David sprak, zoals de Geest hem gaf te spreken. In de gemeente van Christus is er op dit moment geen psalm die op de dag van de Heere vaker wordt gezongen dan deze. Wij kennen allemaal de mooie berijming van dr. Watts: “Zoet is het werk, mijn God, mijn Koning, Uw Naam te loven, U dank te zingen; Uw liefde te verkondigen in het morgenlicht, en ’s nachts te spreken van Uw waarheid.”

De sabbat was bedoeld om de Heere te aanbidden voor Zijn voltooide werk van de schepping. Daarom past deze psalm zo goed bij die dag. Christenen mogen nog hoger vliegen, want zij vieren dat de verlossing volkomen is. Wie Davids stijl kent, zal niet twijfelen: dit goddelijke lied komt van hem. De wartaal van de rabbijnen, die beweren dat Adam het schreef, hoeft maar even genoemd te worden om meteen te verdwijnen. In het paradijs had Adam geen harpen om op te spelen, en ook geen goddeloze mensen om tegen te strijden.

Uitleg

Vers 2

“Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge.” Het is goed om de Heere, of Jehova, te danken. Het is goed voor ons geweten, want het komt de Heere toe. Het is goed voor ons gevoel, want het doet het hart goed. Het is ook goed in de praktijk, want het zet anderen aan om Hem dezelfde eer te geven. Als plicht en plezier samenkomen, wie blijft er dan nog achter? God danken is maar een klein antwoord op de vele weldaden waarmee Hij ons elke dag overlaadt. Toch mogen we het niet geringschatten of vergeten. Door Zijn Geest noemt Hij het immers Zelf een goede zaak. Mensen bedanken we als ze ons een plezier doen. Hoeveel te meer moeten we de Heere loven als Hij ons goeddoet! Oprechte lofprijzing is altijd goed. Ze komt nooit ongelegen en is nooit te veel, maar ze past bijzonder goed bij de sabbat. Een sabbat zonder dankzegging is een ontheiligde sabbat.

“En Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!” Het is goed om onze dank te zingen. De natuur zelf leert ons dat. Zingen de vogels niet? En klateren de beekjes niet vrolijk terwijl ze stromen? Het is verstandig van een mens om zijn dankbaarheid een stem te geven. Stil aanbidden is zoet, maar hardop aanbidden is nog zoeter. Wie zijn tong het voorrecht ontzegt om Gods lof uit te spreken, werkt tegen een van de mooiste drijfveren van ons vernieuwde mens-zijn in. Het is ons een raadsel hoe de leden van het Genootschap van Vrienden zichzelf kunnen afsnijden van zo’n edel, natuurlijk en bezielend onderdeel van de heilige eredienst. Hoe goed ze ook zijn, één goede zaak missen ze: ze weigeren de naam van de Heere te bezingen. Onze eigen ervaring heeft ons in die overtuiging gesterkt. Het is goed om voor de Heere te zingen. Vaak voelden we wat Luther bedoelde met zijn woorden: “Kom, laten wij een psalm zingen en de duivel verjagen.”

Vers 3

“Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige.” De dag hoort met lofprijzing te beginnen. Geen uur is te vroeg voor een heilig lied. Goedertierenheid is een heel passend onderwerp voor die uren vol dauw, als de morgen de hele aarde bezaait met parels uit het oosten. Vol vuur en zonder te treuzelen moeten we de Heere groot maken.

Vervelende klusjes schuiven we zo lang mogelijk voor ons uit. Maar ons hart is zo vol van aanbidding dat we er vroeg voor opstaan. Vroege morgenlof heeft een eigen frisheid en bekoring. De dag is op zijn mooist als hij net zijn oogleden opent. Dan lijkt God Zelf het manna van die dag uit te delen, en dat smaakt het zoetst als je het verzamelt voordat de zon heet wordt. Het is heel passend dat we, als ons hart en onze harp de hele nacht stil zijn geweest, weer snel onze plek willen innemen in het uitgekozen koor dat zonder ophouden de Eeuwige bezingt.

“En Uw getrouwheid in de nachten.” Geen uur is te laat voor lofprijzing. Het einde van de dag is niet het einde van onze dankbaarheid. Als de natuur in stille overpeinzing haar Maker lijkt te aanbidden, past het Gods kinderen niet om hun dank achter te houden. De avond is de tijd om terug te kijken. Onze herinnering is druk met alles wat de dag ons bracht. Daarom is Gods trouw het onderwerp dat bij ons lied hoort: weer een dag heeft er nieuwe bewijzen van gegeven. Als de duisternis over alles is neergedaald, “een onmetelijke schaduw”, komt er bij wijze mensen een stille, peinzende stemming.

Dan is het goed om de waarheid en goedheid van Jehova breder te overzien:

“Wat is die heilige schaduw, die stille eenzaamheid?
Het is God Zelf, Wiens nabijheid men voelt.”

“Elke nacht”, bewolkt of helder, met maanlicht of in het donker, rustig of stormachtig, is even geschikt voor een lied over Gods trouw. Want in alle jaargetijden en onder alle omstandigheden blijft die trouw dezelfde. Ze is de steunpilaar van wat een gelovige troost. Wat een schande dat we zo aarzelen om de Heere groot te maken! Overdag strooit Hij Zijn rijke liefde uit, en ’s nachts loopt Hij Zijn rondes van waakzame zorg.

Vers 4

“Op het tiensnarig instrument.” Dus met de volle breedte van de muziek, zodat hij de rijkste gevoelens van zijn ziel met het hele bereik van de melodie voor God kan uitzingen. “En op de luit.” Zo komt er afwisseling in de lofzang. De psalmist voelde dat elk goed klinkend instrument aan God gewijd moest worden. George Herbert en Maarten Luther lieten hun persoonlijke gebed door muziek op instrumenten ondersteunen. De christelijke kerk denkt verschillend over instrumentale muziek in de openbare eredienst. Maar tegen gebruik ervan thuis en voor jezelf hebben we nog nooit bezwaar gehoord. “Met een voorbedacht lied op de harp”, of “op de overdenking met een harp”. Het lijkt wel of hij zegt: mijn peinzende ziel is uiteindelijk het beste instrument, en de zachte klanken van de harp komen mijn gedachten te hulp. Het is gezegend werk als hand en tong samen aan de slag zijn in dat hemelse werk van lofprijzing.

“Snaren en stemmen, handen en harten, neem elk uw plaats in het koor;
alles wat adem heeft, aanbid uw God en prijs Hem altijd door.”

Toch vrezen we sterk dat veel mensen te veel op de techniek van de muziek letten: op toonsoorten en snaren, maten en noten. Zo raken ze weg van de geestelijke harmonie, en dát is de ziel en de kern van lofprijzing. Prachtige muziek zonder toewijding is niet meer dan een schitterend gewaad om een lijk.

Vers 5

“Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden.” Het lag voor de hand dat de psalmist zong, want hij was blij. En het lag voor de hand dat hij voor de Heere zong, want zijn blijdschap kwam voort uit het nadenken over Gods werk. Kijken we naar de schepping of naar Gods bestuur van de wereld, dan vinden we rijkelijk redenen tot vreugde. Maar overzien we het werk van de verlossing, dan kent de blijdschap geen grenzen meer. Ze voelt dat ze de Heere uit alle macht moet prijzen. Soms voelen we, als we nadenken over de liefde die ons verlost, dat we zouden sterven als we niet konden zingen. Zwijgen zou net zo vreselijk zijn als wanneer inquisiteurs ons een prop in de mond duwden, of moordenaars ons de adem benamen.

“Ik zal juichen over de werken Uwer handen.” Ik kan er niets aan doen. Ik moet en ik zal juichen in de Heere, als iemand die de overwinning heeft behaald en een grote buit heeft verdeeld. In het eerste deel van dit vers spreekt hij over de eenheid van Gods werk, en in het tweede over de rijkdom van Zijn werken. In allebei ligt reden voor blijdschap en triomf. Als God Zijn werk aan een mens laat zien en een werk doet in zijn ziel, maakt Hij zijn hart op de beste manier blij. Het gevolg is dan vanzelf: voortdurende lofprijzing.

Vers 6

“O HEERE, hoe groot zijn Uw werken!” Hij is overweldigd door verwondering en roept het uit van verbazing. Wat een omvang en wat een kracht in wat Jehova doet! Groot in aantal, in uitgestrektheid, in heerlijkheid en in doel zijn alle scheppingen van de Oneindige. “Zeer diep zijn Uw gedachten.” De plannen van de Heere zijn net zo wonderlijk als Zijn daden. Zijn bedoelingen zijn net zo diep als Zijn werken groot zijn.

De schepping is onmetelijk, en de wijsheid die erin te zien is, valt niet te doorgronden. Sommige mensen kunnen denken maar niets doen, en anderen zwoegen zonder nadenken. Bij de Eeuwige gaan het idee en de uitvoering hand in hand. Zijn bestuur van de wereld is onuitputtelijk, en de besluiten van God waaruit het voortkomt zijn niet te peilen. De verlossing is groter dan wat wij kunnen bedenken, en de liefdevolle gedachten waarmee ze werd ontworpen kennen geen einde. De mens is oppervlakkig, God is onpeilbaar. De mens is ondiep, God is diep. Hoe diep we ook duiken: dit geheimvolle plan zullen we nooit helemaal doorgronden, en de grenzeloze wijsheid van de Heere, Die alles omvat, putten we nooit uit. We staan aan de bodemloze zee van Gods wijsheid en roepen met heilig ontzag uit: “O diepte!”

Vers 7

“Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet.” In dit vers en in de verzen die volgen wordt het effect van de psalm sterker door het contrast. De schaduwen worden erbij gezet, zodat het licht beter opvalt. Wat een val na het vorige vers: van de heilige naar het redeloze dier, van de aanbidder naar de lomperik, van de psalmist naar de dwaas! Toch komt dit soort mens helaas veel voor. De botte of zwijnachtige mens (zo klinkt het Hebreeuwse woord bijna) ziet niets in de natuur. En als iemand het hem aanwijst, snapt zijn dwaze verstand het nog niet.

Hij kan een filosoof zijn en toch zo’n redeloos wezen dat hij geen Maker erkent voor de tienduizenden weergaloze schepselen om hem heen, die zelfs aan hun buitenkant de sporen van een diepzinnig ontwerp dragen. Het ongelovige hart mag opscheppen wat het wil, het weet het niet. Het doet druk met zijn verstand en begrijpt het toch niet.

Een mens is een heilige of een redeloos dier. Een andere keus heeft hij niet. Zijn voorbeeld is de aanbiddende serafijn, of het ondankbare zwijn. Grote denkers die Gods heerlijkheid of bestaan niet erkennen, verdienen van ons helemaal geen eerbied. We moeten hen zien als vergelijkbaar met de beesten die vergaan, alleen veel lager dan gewone dieren, omdat ze door eigen keus zo diep zijn gezonken. O God, wat is het bedroevend dat mensen die U zo rijk hebt begiftigd en naar Uw eigen beeld hebt gemaakt, zichzelf zo tot dier maken dat ze niet willen zien of begrijpen wat U zo duidelijk hebt gemaakt. Een origineel schrijver zei terecht: “God maakte de mens in het begin een weinig minder dan de engelen, en sindsdien doet hij zijn best om nog lager te komen.”

Vers 8

“Dat de goddelozen groeien als het kruid.” Ze schieten in grote aantallen omhoog en lijken sterk. Als groene planten die in één dag volgroeid zijn, jagen ze hun groei voort. “En al de werkers der ongerechtigheid bloeien.” Ze bloeien op hun hoogtepunt, vol trots, praal en voorspoed. “Opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.” Ze groeien om te sterven en bloeien om verschroeid te worden. Korte tijd staan ze in bloei, om daarna eindeloos te verwelken. Grootheid en glans zijn voor hen niets anders dan de aanloop naar hun ondergang. Hun verzet maakt weinig uit. De Heere blijft regeren, alsof ze Hem nooit hebben gelasterd. Een berg blijft dezelfde, of de weiden aan zijn voet nu bloeien of verdorren. Zo wordt ook de Allerhoogste niet geraakt door vluchtige stervelingen die het wagen tegen Hem in opstand te komen. Binnenkort zijn ze voorgoed verdwenen uit het land van de levenden.

Maar de goddelozen zelf! Hoe kan ons verstand het verdragen om na te denken over hun lot “tot in der eeuwigheid”? Verderf “tot in der eeuwigheid” is een deel dat te vreselijk is om te vatten. Geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord hoe vreselijk de toorn is die komt!

Vers 9

“Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid.” Dit is het middelste vers van de psalm. Het is ook het grote feit dat dit sabbatslied wil laten zien. God is tegelijk de Hoogste en de Duurzaamste van alle wezens. Anderen stijgen om te vallen, maar Hij blijft de Allerhoogste tot in eeuwigheid. Eer aan Zijn Naam! Wat een grote God aanbidden wij! Wie zou U niet vrezen, o Hoge, Eeuwige! De goddelozen gaan voor altijd ten onder, en God blijft voor altijd de Allerhoogste. Het kwaad wordt neergeworpen, en de Heilige regeert, eeuwig en oppermachtig.

Vers 10

“Want zie, Uw vijanden, o HEERE.” Dit is een wonder vol lessen en waarschuwingen. Let daar goed op, mensenkinderen: “want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.” Het wordt twee keer gezegd. Dat betekent dat de Heere het bevestigt. Het zal zeker gebeuren, en het gebeurt snel. Alle werkers van de ongerechtigheid worden verstrooid. Hun legers worden uiteengejaagd en hun hoop wordt gebroken. Zijzelf worden heen en weer gedreven als kaf voor de storm. Ze stuiven uiteen als bange schapen met de leeuw achter zich aan. Ze durven niet te blijven staan met de wapens in de hand. Ze zijn ook niet eensgezind genoeg om als bondgenoten bij elkaar te blijven.

Gras kan niet tegen de zeis op, maar valt neer in rijen die verdorren. Zo worden ook de goddelozen na verloop van tijd neergemaaid en weggevaagd. De Heere, Die zij verachtten, blijft intussen onbewogen zitten op de troon van Zijn oneindige heerschappij. Hoe schrikwekkend dit ook is: geen oprecht hart zou het anders willen. Verraad tegen de grote Koning van het heelal mag niet ongestraft blijven. Zo’n roekeloze goddeloosheid heeft de zwaarste straf dubbel en dwars verdiend.

Vers 11

“Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns.” De gelovige jubelt dat hij niet zal omkomen. Door Gods hulp wordt hij juist sterker en zal hij zijn vijanden overwinnen. Misschien was de eenhoorn een gigantische os of buffel die we nu niet meer kennen, en die wellicht is uitgestorven. In de oudheid was hij het geliefde teken van onoverwinnelijke kracht. De psalmist kiest hem als zijn eigen teken. Het geloof geniet ervan om vooruit te zien naar de barmhartigheid van de Heere. Het zingt over wat Hij zal doen, en ook over wat Hij al gedaan heeft.

“Ik ben met verse olie overgoten.” Sterker worden gaat samen met nieuwe frisheid en eer. Gasten werden bij feesten gezalfd met geurige zalf. Zo worden ook Gods heiligen opgevrolijkt en blij gemaakt door steeds nieuwe stromen van Gods genade. En daarom vergaan zij niet zoals de goddelozen. Zie het verschil tussen het geluk van de onvernuftige mensen en de vreugde van de rechtvaardigen. De onvernuftige mensen groeien met een eigen plantaardige kracht. Maar met de rechtvaardigen is de Heere Zelf bezig. Al het goede dat zij krijgen, komt rechtstreeks uit Zijn eigen rechterhand. Daarom is het in hun ogen dubbel kostbaar. De psalmist spreekt over zichzelf, met “ik”. De lezer moet erom bidden dat hij dat ook kan doen.

Vers 12

“En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen.” De woorden “mijn lust” hebben de vertalers zelf toegevoegd. Het was veel beter geweest als ze hier waren weggebleven. Hij zegt niet wat hij bij zijn vijanden zal zien. Dat laat hij open. Wij hebben niet het recht om die lege plek te vullen met woorden die wraakzuchtig klinken. Hij zou zien wat tot eer van God zou zijn, en wat volkomen recht en rechtvaardig zou zijn. “Mijn oren zullen mijn lust horen van de kwaadwilligen die tegen mij opstaan.” Ook hier zijn de woorden “mijn lust” niet door God ingegeven. Het is een overbodige en misschien zelfs onjuiste toevoeging.

De goede man zegt helemaal niets over wat hij hoopte te horen. Hij wist dat wat hij zou horen zijn geloof in zijn God zou rechtvaardigen. Hij liet zijn wrede vijanden tevreden aan God over, zonder iets te zeggen over wat hijzelf wenste, in welke richting dan ook. Het is altijd het beste om de Schrift te laten zoals we haar aantreffen. Waar de door God ingegeven tekst afgebroken lijkt, kun je hem beter zo laten. Zet er geen toevoegingen bij die een vertaler zelf heeft bedacht. Dat is alsof je zuiver goud herstelt met klatergoud, of een mozaïek van edelstenen met beschilderd hout.

De heilige psalmist had het begin van de goddelozen gezien en verwachtte hun einde te zien. Hij wist zeker dat God alle onrecht recht zou zetten. Hij wist ook dat God Zijn bestuur van de wereld zou zuiveren van de aanklacht dat het de onrechtvaardigen voortrekt. Dat vertrouwen spreekt hij hier uit. Daarna gaat hij rustig zitten wachten tot de toekomst de uitkomst laat zien.

Vers 13

Het lied zet nu het leven van de rechtvaardigen tegenover dat van mensen zonder genade. De goddelozen “groeien als het kruid”, maar “de rechtvaardige zal groeien als een palmboom.” Zijn groei gaat misschien niet zo snel. Maar hij blijft eeuwenlang staan, en dat vormt een mooi contrast met het kortstondige groen van de weide. Zie je een edele palm rechtop staan? Hij stuurt al zijn kracht in één stoere zuil omhoog en groeit midden in de schaarste en de droogte van de woestijn. Dat is een prachtig beeld van de godvrezende mens. Hij leeft rechtop en heeft maar één doel: Gods eer. Hij laat zich niet bepalen door wat hij buiten zich ziet gebeuren. Door Gods genade leeft en bloeit hij waar al het andere vergaat.

De tekst zegt ons niet alleen wat de rechtvaardige is, maar ook wat hij zal zijn. Wat er ook gebeurt, de goede mens zal bloeien, en wel op de mooiste manier. “Hij zal wassen als een cederboom op Libanon.” Ook dit is een edele boom die lang leeft. “De dagen Mijns volks zullen zijn als de dagen eens booms”, zegt de Heere. Boven op de berg, zonder beschutting tegen de wind, wuift de ceder met zijn machtige takken in een groen dat nooit verdwijnt. Zo houdt ook de echte godvrezende mens in alle tegenspoed de vreugde in zijn ziel, en blijft hij vorderen in het leven met God. Gras, waarvan hooi voor de ossen wordt gemaakt, is een goed genoeg beeld voor mensen die niet wedergeboren zijn. Maar ceders, waarvan de tempel van de Heere gebouwd wordt, zijn nog niet schitterend genoeg om de erfgenamen van de hemel uit te beelden.

Vers 14

“Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.” In de binnenplaatsen van oosterse huizen werden bomen geplant. Daar stonden ze volledig beschut, en daarom brachten ze in zware seizoenen hun vruchten waarschijnlijk toch volledig tot rijpheid. Zo is het ook met hen die door genade gemeenschap hebben gekregen met de Heere. Ze worden vergeleken met bomen die in het huis van de Heere zijn geplant, en ze zullen ontdekken dat dit goed is voor hun ziel.

Geen hart heeft zoveel vreugde als het hart dat in de Heere Jezus blijft. Wie met de stam verbonden is, krijgt vruchtbare takken. Als iemand in Christus blijft, draagt hij veel vrucht. Belijders die in de wereld wortelen, bloeien niet. Wie zijn wortels laat zakken in het moeras van lege pleziertjes, kan niet krachtig zijn. Maar wie dagelijks omgaat met God, wordt een volwassen mens: rijk in genade, gelukkig in zijn ervaring, machtig in zijn invloed, geëerd en eerbaar.

Voor een boom hangt veel af van de grond waarin hij staat. Voor ons hangt álles af van onze plaats in de Heere Jezus. Van Hem moeten wij alles ontvangen wat wij nodig hebben. Willen wij ooit echt groeien in de voorhoven van het huis van de Heere, dan moeten wij daar geplant zijn. In Gods tuin groeit namelijk geen boom die zichzelf heeft gezaaid. Zijn wij eenmaal door de Heere geplant, dan worden we nooit meer uitgerukt. In Zijn voorhoven schieten we wortel naar beneden en dragen we vrucht naar boven, tot Zijn eer, voor eeuwig.

Vers 15

“In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen.” De natuur raakt op, maar de genade bloeit. Wat de natuur betreft, hoort vrucht bij de jaren van volle kracht. Maar in de tuin van de genade worden planten die zelf zwak zijn juist sterk in de Heere, en ze dragen overvloedig vrucht die God behaagt. Gelukkig zijn zij die deze sabbatpsalm kunnen zingen en de rust proeven die uit elk vers ademt. Angst voor de toekomst kan hen niet bang maken. Over hun slechte dagen, als de sterke man het begeeft, ligt immers een genadige belofte. Daarom wachten ze die dagen rustig en vol verwachting af.

Oude gelovigen hebben een rijpe ervaring. Met hun zachte karakter en hun vriendelijke getuigenissen geven ze velen te eten. Zelfs als ze aan bed gekluisterd zijn, dragen ze de vrucht van geduld. Zijn ze arm en onopvallend, dan wekt hun nederige, tevreden houding bewondering bij wie bescheiden waarde weten te waarderen. De genade verlaat een heilige niet als de wachters van het huis beginnen te beven. De belofte staat nog steeds vast, ook al kunnen de ogen haar niet meer lezen. Van het brood uit de hemel leeft hij nog als de maalsters hun werk laten liggen. En de stem van de Geest in zijn ziel klinkt nog altijd zoet, als de dochters van het gezang zijn neergebogen.

Geprezen zij de Heere hiervoor! Want ook tot de grijze haren toe is Hij de IK BEN, Die Zijn volk gemaakt heeft. Daarom draagt Hij hen en tilt Hij hen op. “Zij zullen vet en groen zijn.” Ze slepen zich niet voort in een ellendig, uitgehongerd bestaan. Het zijn bomen vol sap, met dik en weelderig blad. God houdt Zijn arme dienaren niet kort en Hij maakt hun troost niet kleiner als hun gebreken toenemen. Hij zorgt er veeleer voor dat ze nieuwe kracht krijgen, want hun mond wordt verzadigd met Zijn eigen goede gaven.

Iemand als Paulus, de oude, vraagt niet om ons medelijden. Hij vraagt dat we meeleven en dankbaar zijn. Zijn uiterlijke mens mag dan zwak zijn, zijn innerlijke mens wordt elke dag zo vernieuwd dat we zijn blijvende vrede best mogen benijden.

Vers 16

Deze goedheid voor de ouderen bewijst dat hun God trouw is. Ze brengt hen ertoe te laten zien dat de Heere recht is, door vrolijk te getuigen van Zijn onophoudelijke goedheid. Wij dienen geen Meester Die Zijn belofte intrekt. Een ander kan ons bedriegen, maar Hij nooit. Elke oude christen is een aanbevelingsbrief voor de onveranderlijke trouw van Jehova. “Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.” Hier zet de psalmist zijn eigen zegel en handtekening. Hij bleef nog altijd bouwen op zijn God, en de Heere bleef een vaste grond om op te vertrouwen. Voor onderdak en verdediging, om in te wonen en op te bouwen: God is onze Rots. Tot nu toe is Hij voor ons alles geweest wat Hij zei te zullen zijn. We mogen dubbel zeker zijn dat Hij dezelfde blijft tot het einde.

Hij heeft ons op de proef gesteld, maar Hij liet ons nooit verzocht worden boven ons vermogen. Hij heeft onze beloning uitgesteld, maar Hij is nooit zo onrechtvaardig geweest ons werk van geloof en onze arbeid van liefde te vergeten. Hij is een vriend zonder gebreken en een helper die nooit tekortschiet. Wat Hij ook met ons doet: Hij heeft altijd gelijk. In wat Hij beschikt zit geen fout, zelfs geen kleine. Hij is volkomen waar en rechtvaardig. Zo weven we het slot van de psalm vast aan het begin, en we maken er een kroon van voor het hoofd van onze Geliefde.

Het is goed om de Heere lof te zingen, want “Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.”

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Titel

Dit lied draagt als opschrift: “Een psalm, te zingen op den dag van den sabbat.” De Joden wezen bepaalde psalmen aan bepaalde dagen toe, dat weten we. Volgens rabbi Selomo gaat het hier over de toekomst van de zaligen, want hun leven is één lange sabbat. Weer anderen zeggen dat Adam het lied maakte, op de zevende dag van de schepping. Aannemelijker is dat de dichter het Adam bij wijze van dichterlijk spel in de mond heeft gelegd. Dan zien we hem staan, verwonderd en dankbaar, voor de schepping die nog vers is. Maar Ps. 92:3 verwijst blijkbaar naar het ochtend- en het avondoffer. Volgens de psalmist zijn juist die momenten het meest geschikt voor gebed en lofprijs. — D. Cresswell.

Titel

“Voor den sabbatdag.” Lud. de Dieu merkt hierbij op dat elke weekdag misschien zijn eigen psalmen had. De Talmoed (lib. Myvdq) wijst in die richting. Dit zongen de Levieten vroeger in het heiligdom. Op de eerste dag Ps. 24:1-10. Op de tweede Ps. 48:1-15. Op de derde Ps. 82:1-8. Op de vierde Ps. 104:1-35. Op de vijfde Ps. 81:1-17. Op de zesde Ps. 93:1-5. En op de zevende Ps. 92:1-16, die opent met de woorden: een psalm of lofzang voor de sabbatdag. Daarmee wordt de komende eeuw bedoeld, die één en al sabbat zal zijn. — Martin Geier.

Titel

“Voor den sabbat.” Het is opvallend dat de naam Jehova in deze psalm zeven keer voorkomt, het getal van de sabbat (2, 5, 6, 9, 10, 14, 16). — C. Wordsworth.

Vers 2

“Het is goed.” Het is bonum, honestum, jucundum, utile: een goed dat eerlijk, aangenaam en nuttig is. Het reukofferaltaar moest overtrokken worden met zuiver goud, met een gouden kroon eromheen. Passen we dat zinnebeeldig toe, dan zegt het ons dat het geestelijke reukwerk van gebed en lofprijzing rijk en kostbaar is, iets van goud en iets van een koning. — Henry Jeanes, in “The Works of Heaven upon Earth”, 1649.

Vers 2

“Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge” enzovoort. Danken is veel edeler en zuiverder dan vragen. Als we iets vragen, hebben we vaak ons eigen voordeel voor ogen. Als we danken, denken we alleen aan Gods eer. De Heere Jezus zei: “Het is zaliger te geven dan te ontvangen.” Wie iets vraagt, wil in de tweede plaats iets goeds van God krijgen. Wie dankt, wil alleen God eer geven. — William Ames (1576-1633), in “Medulla Theologica.”

Vers 2

“Loven”, “psalmen zingen.” Voor Zijn weldaden danken we God. Om Zijn volmaaktheden prijzen we Hem. — Filliucius, naar Thomas van Aquino.

Vers 2

Psalmen zingen.

  1. Zingen is de muziek van de schepping. De Schrift vertelt dat bergen zingen (Jes. 44:23), dat dalen zingen (Ps. 65:14) en dat de bomen van het bos zingen (1 Kron. 16:33). Ja, voor de vogels is de lucht een concertzaal, waar ze hun liederen laten horen.
  2. Zingen is de muziek van Gods ordeningen in de eredienst. Augustinus vertelt over zichzelf dat hij in Milaan kwam en de mensen hoorde zingen. In de kerk moest hij huilen van vreugde om die mooie melodie. En Beza bekent dat hij zich buitengewoon getroost voelde toen hij de eerste keer de gemeente binnenkwam en hen Ps. 91:1-16 hoorde zingen. Het geluid ervan bleef daarna in zijn hart. De rabbijnen vertellen dat de Joden na het vieren van het Pascha Ps. 113:1-9 zongen, en de vijf psalmen die daarna volgen. En onze Zaligmaker en Zijn apostelen “zongen een lofzang” meteen na het gezegende avondmaal (Matth. 26:30).
  3. Zingen is de muziek van de heiligen. (1) Ze deden dit het liefst met velen tegelijk (Ps. 149:1). (2) Ze deden het in hun grootste nood (Jes. 26:19). (3) Ze deden het op hun hardste vlucht (Jes. 42:10-11). (4) Ze deden het bij hun grootste bevrijdingen (Jes. 65:14). (5) Ze deden het in tijden van de grootste overvloed.

In al die wisselende tijden was zingen hun vaste plicht en hun vreugde. En het past ook echt dat de heiligen en dienaren van God hun blijdschap en lof uitzingen voor de Heere, de Almachtige. Elke eigenschap van Hem kan hun lied en hun melodie geven.

  1. Zingen is de muziek van de engelen. Job zegt: “De morgensterren te zamen vrolijk zongen” (Job 38:7). Volgens Pineda zijn die morgensterren de engelen. De Chaldeeuwse parafrase is het daarmee eens en spreekt van aciem angelorum, “een leger van engelen.” Toen dit heir uit de hemel kwam om de geboorte van onze dierbare Jezus bekend te maken, zongen ze die boodschap ook zo (Luk. 2:13). Ze waren ainountwn: ze verkondigden hun boodschap in “lofzang”, de hele schare engelen samen als één koor. Ook in de hemel klinkt de blije muziek van de engelen. Daar zingen ze halleluja voor de Allerhoogste en voor het Lam op de troon (Openb. 5:11-12).
  2. Zingen is de muziek van de hemel. De heerlijke heiligen en engelen geven op deze manier klem aan hun lof en vormen samen één harmonie in hun staat van zaligheid. Dit is de muziek van de bruidskamer (Openb. 15:3). De heiligen die hier hun psalmen instemden, zingen nu halleluja op een luidere toon. Ze brengen hun vreugde onder woorden, wat ze hier nooit helemaal naar wens konden. Hier werkten ze met slaperige harten en stamelende tongen. In heerlijkheid zijn die hindernissen verdwenen, en niets stoort nog hun vrolijke feest.

— John Wells (overleden 1676), in “The Morning Exercises.”

Vers 3

“In den morgenstond.” Dan is de geest na de rust van de nacht inderdaad actiever, toegewijder en standvastiger. Op andere uren, bijvoorbeeld midden op de dag of in de namiddag, word je gestoord door allerlei geluiden van bedrijvigheid en drukt vermoeidheid zwaarder. Vergelijk Ps. 5:4, 59:17, 58:2, 88:14 en Ps. 119:147-148, waar ditzelfde deel van de dag wordt geprezen als het meest geschikt om heilig na te denken. Toch moeten we dit niet te streng opvatten, alsof alleen de morgen geschikt is om Gods genade te vieren en de middag of avond niet. — Martin Geier.

Vers 3

“In den morgenstond.” De Brahmanen staan drie uur voor zonsopgang op om te bidden. De Indianen vinden het een grote zonde om ’s morgens te eten voordat ze tot hun goden hebben gebeden. De oude Romeinen vonden het goddeloos als ze in huis geen kamertje hadden dat voor gebed was gereserveerd. Laten we van deze Turken en heidenen een les leren. Hun gloeiende ijver moet ons beschamen. Wij hebben het ware licht. Mag hun ijver dan groter zijn dan de onze? — Frederic Arndt, in “Lights of the Morning”, 1861.

Vers 3

“In den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige.” Onze lofzang moet bij het moment passen. Gaat het ons goed, dus in de morgen, dan moeten we Uw goedertierenheid bekendmaken. Al het goede dat we hebben, komt immers van Gods barmhartigheid en genade. Gaat het ons slecht, in de nacht, dan moeten we Uw gerechtigheid of trouw bekendmaken. Alle tegenspoed is immers toegelaten door Gods rechtvaardig oordeel. — J. Turrecremata.

Vers 3

Gods barmhartigheid is zelf de straal van de morgen die het donker verjaagt (Ps. 3:6, 59:17). Zijn trouw is de wachter die ons zekerheid geeft tegen het gevaar van de nacht. — F. Delitzsch.

Vers 3

“In den morgenstond … in de nachten.” God is de Alfa en de Omega. Het hoort zo dat wij de dag met lof voor Hem openen en afsluiten, want Hij opent en sluit die dag voor ons met barmhartigheid. Je ziet dus helder wat je te doen staat. Wil je dat God je werk overdag laat gelukken en je nachtrust zoet maakt? Sluit ze dan allebei af met gebed, in de morgen en in de avond. Wie ’s morgens geen zorg draagt voor Gods deel van de tijd, berooft God van wat Hem toekomt. Maar hij steelt ook van zichzelf, de hele dag lang, want hij mist de zegen die een gelovig gebed uit de hemel over zijn werk had kunnen brengen. En wie ’s avonds zijn ogen sluit zonder te bidden, gaat liggen voordat zijn bed is opgemaakt. — William Gurnall.

Vers 3

“Uw getrouwheid” (Vulg. “veritas”) “in de nachten.” We kunnen “waarheid” ook in de gewone zin van dat woord nemen. Zo leest de heilige Hieronymus haar in zijn uitleg van onze psalm. Hij zegt: “De waarheid van de Heere wordt in de nacht verkondigd, alsof ze in duistere woorden is gewikkeld. Ze wordt gesproken in een raadsel en in gelijkenissen, zodat ze die zien niet zouden zien en die horen niet zouden verstaan. Mozes beklom de berg Sinaï (Ex. 24:9). Hij ging in de storm, in de zwartheid en het donker, en daar sprak hij met de Heere.” Zo Hieronymus.

Volgens Lactantius is het Christus Die ons het licht teruggeeft. Moeten we blijven wachten, vraagt hij, tot Socrates iets weet? Of tot Anaxagoras licht vindt in het donker? Of tot Democritus de waarheid uit een put omhoog haalt? Of tot Empedocles de paden van zijn ziel verbreedt? Of tot Arcesilaüs en Carneades iets zien, voelen en merken? Kijk, een stem uit de hemel leert ons de waarheid. Hij maakt haar ons helderder dan de zon zelf… In de nacht moet de waarheid getoond worden, zodat de nacht dag wordt. — Le Blanc.

Vers 4

“Op het tiensnarig instrument.” Eusebius schrijft in zijn commentaar op deze psalm: “De psalter met tien snaren is de dienst aan de Heilige Geest. Die wordt gedaan met de vijf zintuigen van het lichaam en de vijf krachten van de ziel.” Als bewijs voor die uitleg haalt hij de apostel aan, 1 Kor. 14:15: “Ik zal wel met den geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden; ik zal wel met den geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen.” “Het verstand heeft een kracht waarmee het het lichaam in beweging zet. Zo heeft de geest een eigen kracht waarmee hij de ziel in beweging zet.” Wat je ook van deze uitleg vindt, één ding blijkt er duidelijk uit: in de kerk van Christus werd ten tijde van Eusebius, rond het midden van de vierde eeuw, nog geen muziek op instrumenten gebruikt. Was dat er toen wel geweest, dan had hij er vast iets over gezegd of er een geestelijke betekenis aan gegeven. Of hij had, net als met de woorden van de apostel hierboven, laten zien dat aardse gebruiken in de plaats waren gekomen van geestelijke oefeningen. — Adam Clarke.

Vers 4

In wat Augustinus aan Ambrosius schrijft, staat over ditzelfde onderwerp deze passage: “Soms zou ik, uit overdreven ijver, de melodieën van de zoete zangen die we in de Psalter gebruiken helemaal uit mijn leven en uit de kerk willen weren, zodat onze oren ons niet verleiden. De weg van Athanasius, bisschop van Alexandrië, lijkt me veilig. Hij liet de lezer, zoals ik vaak heb gehoord, met zo weinig verandering van stem voordragen dat het meer op spreken leek dan op zingen. En toch denk ik aan de tranen die ik huilde toen ik de zangen van Uw kerk hoorde, in de beginjaren van mijn teruggevonden geloof. Ik bedenk dat niet de muziek op zichzelf mij ontroerde, maar de inhoud, die door heldere stemmen en een passende melodie als het ware naar voren werd gebracht. Dan geef ik op mijn beurt toe hoe nuttig die gewoonte is.”

Vers 4

We moeten niet denken dat God plezier had in de harp zoals wij genieten van een mooi samenklinken van tonen. Maar de Joden waren nog minderjarig, en ze mochten alleen zulke kinderlijke hulpmiddelen gebruiken. Die moesten de aanbidders aanzetten om met hun hart actiever Gods lof te vieren. Denk eraan dat de dienst aan God nooit werd gezien als iets dat uit zulke uiterlijke handelingen bestond. Ze waren alleen nodig om een volk dat nog zwak en onbeslagen was in kennis, op weg te helpen naar de geestelijke dienst van God. Hier zit een verschil tussen Zijn volk onder het Oude en onder het Nieuwe Testament.

Want nu Christus is gekomen en de gemeente volwassen is, zouden we het licht van het evangelie begraven als we de schaduwen van een voorbije tijd weer binnenhaalden. Daaruit blijkt dat je van de papisten, die muziek met instrumenten gebruiken, niet kunt zeggen dat ze het voorbeeld van Gods volk van vroeger volgen. Ze apen het eerder na, op een zinloze en dwaze manier. Ze hebben een kinderlijk plezier in die dienst van het Oude Testament, die symbolisch was en met het evangelie ophield. — Johannes Calvijn.

Vers 4

Chrysostomus zegt: “Muziek op instrumenten werd alleen aan de Joden toegestaan, net als het offer, omdat hun ziel zo traag en grof was. God boog Zich neer naar hun zwakheid, omdat ze nog maar net waren losgemaakt van de afgoden. Maar nu hebben we geen orgels nodig. We kunnen ons eigen lichaam gebruiken om Hem te prijzen.” Theodoretus heeft veel van zulke uitspraken in zijn commentaar op de psalmen en elders.

Maar de schrijver die onder de naam Justinus Martyr bekendstaat, is nog duidelijker over hoe het in de praktijk ging. Hij zegt ronduit “dat zang met instrumentale muziek in de christelijke kerken niet werd aangenomen, zoals bij de Joden in hun beginperiode, maar alleen eenvoudige zang.” — Joseph Bingham.

Vers 4

Hoe langer ik over instrumentale muziek nadenk, des te duidelijker zie ik: ze past totaal niet bij de geest van de tijd van het evangelie. Er hing een schittering, zo mag ik het noemen, rond zelfs de goddelijke instellingen van het Jodendom. Een verheven tempel, versierd met goud, zilver en edelstenen, gouden kandelaars, gouden altaren, priesters in kostbare kleding, trompetten, cimbalen en harpen. Dit alles paste bij een tijd waarin de gemeente nog in haar kinderjaren was. Maar als het wezen eenmaal is gekomen, is het tijd dat de schaduwen vluchten. De beste uitleg van harpen bij het zingen geeft dr. Watts:

“Och, mocht mijn hart steeds zuiver zijn gestemd,
als Davids harp met haar plechtige klank.”

— Andrew Fuller.

Vers 4 (laatste zinsdeel)

“Op overdenking met een harp.” (Nieuwe vertaling.) Met een gedurfd maar begrijpelijk beeld wordt de overdenking genoemd als een instrument, net zoals lier en harp. Die laatste wordt er alleen als begeleiding bij gezet. — J.A. Alexander.

Vers 4

“Met een voorbedacht lied.” Christenen mogen zo veel zingen als ze willen in dat heilige, hemelse werk, in Gods huis en in hun eigen huis. Maar laat het gebeuren als een heilige daad, waarbij ze direct en zichtbaar met God te maken hebben. Als mensen samen een openlijke daad van toewijding doen of plechtig God dienen, moet God met eerbied als aanwezig worden gezien. We willen niet dat de ark van God van ons weggaat. We willen God er ook niet toe brengen een bres in ons te slaan. Laten we er dus voor zorgen dat we met eerbied met de ark omgaan. — Jonathan Edwards, in “Errors connected with singing praises to God.”

Vers 5

“Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden.” Bij een goed gebruik van de sabbat hoort ook dat je kijkt naar de werken van de schepping en erover nadenkt. Als de Heere onze overdenking zegent, geeft het nadenken over Zijn werken ons veel zoete verkwikking en blijdschap. En is dat zo, dan moeten we onze blijdschap met grote dankbaarheid erkennen en ons hart opheffen op Zijn wegen. — David Dickson.

Vers 5

“Uw daden.” Het “werk van God” is hier net zo wonderbaarlijk als de schepping, die de oorspronkelijke reden was om de sabbat te heiligen (zie het opschrift van deze psalm). Het is namelijk de uiteindelijke verlossing van Zijn volk. — A.R. Fausset.

Vers 5

“Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden” enzovoort. Er is in de wereld zeker niets dat zo veel macht heeft over wat er in een mensenhart omgaat als de milde zachtheid van de natuur. Alleen een volkomen wederzijdse verbondenheid kan daarbij in de buurt komen. Als je de stad uit gaat, zakt zelfs het meest gespannen humeur tot rust bij het zien van een wijd landschap in het halfdonker van een mooie avond. Dan daalt de geest van vrede neer in je hart. Hij maakt je gedachten los en tilt je ziel op naar de Schepper. Dan zien we de Vader van het heelal in Zijn werken. We zien Zijn grootheid in aarde, zee en lucht. We voelen Zijn liefde in de gevoelens die dat in ons wekt. Half sterfelijk en half bovenaards zijn we vergeten waar we zijn. We kijken uit naar wat die wereld moet zijn, waarvan deze mooie aarde maar de schaduw is. — Miss Porter.

Vers 5

“Ik zal juichen over de werken Uwer handen.” Hier is het passend de lezer te herinneren aan drie grote uitbarstingen van aanbiddend gezang. In verschillende eeuwen welden ze op uit zielen die verrukt waren door wat ze in de natuur zagen. Ze zijn alle drie een duidelijk voorbeeld van juichen over de werken van Gods handen. Wat klonk Milton majestueus toen hij over onze eerste ouders voor de val schreef:

“Heilige vervoering ontbrak hun niet om hun Schepper
met passende klanken te prijzen, gesproken of gezongen,
onvoorbereid; zo vlot stroomde de welsprekendheid
van hun lippen, in proza of in maatvol vers,
zo welluidend dat zij lier noch harp behoefden
om er nog meer zoetheid aan te geven.”

Daarna geeft hij ons die edele hymne, die te bekend is om hier aan te halen. De lezer vindt haar in het vijfde boek van Paradise Lost. Ze begint met: “Dit zijn Uw heerlijke werken, Vader van al het goede, Almachtige!”

Ook Thomson stijgt in zijn Seasons tot een verbazingwekkende hoogte, als hij zijn gedicht afsluit met een hymne:

“Dit alles, Almachtige Vader, in zijn wisseling,
is niets dan U Zelf, God in velerlei gedaante.”

Coleridge bereikt in zijn “Hymn before Sunrise, in the Vale of Chamouni” net zo goed de hoogten van zegevierende aanbidding, als hij uitroept:

“Word wakker, mijn ziel! Niet alleen een stille lof
ben je verschuldigd, niet alleen deze opwellende tranen,
zwijgende dank en verborgen verrukking! Word wakker,
stem van zoet gezang! Word wakker, mijn hart, word wakker!

Groene dalen en ijzige rotsen, stem allen in met mijn lied.”

Vers 6

“Uw gedachten.” Dit is het meervoud van tbvrm, van het werkwoord bvr: nadenken, tellen, weven. Dat laatste geeft een goed beeld van wat hier met bewondering en lof wordt bezongen. Het gaat om de verbazingwekkende ingewikkeldheid en het vernuft waarmee de goddelijke Geest Zijn plannen bedenkt en uitvoert. Uiteindelijk is het resultaat te zien als een prachtig geweven stof van vele fijne draden in zachte kleurmengelingen. — Christopher Wordsworth.

Vers 6

“Uw gedachten.” Waarlijk, mijn broeders: geen zee is zo diep als deze gedachten van God, Die de goddelozen laat bloeien en de goeden laat lijden. Niets is zo diepzinnig, niets zo diep. Daarin lopen alle ongelovige zielen vast, in die diepte, in die peilloosheid. Wil je deze diepte oversteken? Ga dan niet weg bij het hout van het kruis van Christus, dan zink je niet. Houd je stevig vast aan Christus. — Augustinus.

Vers 7

Veelzeggend schreef hij: “De redeloze mens weet het niet, en de dwaas verstaat dit niet.” Hij bedoelt dit: als de goddelozen snel en schijnbaar krachtig opschieten, zoals de zomerbloemen in Palestina, dan is dat omdat ze snel rijp worden voor een plotselinge ondergang. “De redeloze mens” is een precieze vertaling van de Hebreeuwse woorden. Het is iemand die God als mens heeft begiftigd, maar die zichzelf tot dier heeft vernederd. Een mens, omdat hij naar Gods beeld is geschapen. Een redeloos dier, omdat hij zichzelf (zullen we zeggen: zichzelf gemaakt heeft?) heeft omgevormd naar het beeld van de lagere dieren! — Henry Cowles.

Vers 7

“Een onvernuftig man weet er niet” enzovoort. Een stompzinnige zinnenmens, die zijn ziel alleen als zout heeft om zijn lichaam voor bederf te behoeden (zo zeggen we dat van varkens), let niet op Gods grote werken. Hij gromt en gaat zijn weg, tevreden met een natuurlijk gebruik van de schepselen, zoals de beesten. — John Trapp.

Vers 7

“Een onvernuftig man weet er niet” enzovoort. Dat wil zeggen: hij is een beest en heeft geen geheiligd beginsel van wijsheid in zich. Daarom kijkt hij, bij alle werken van God en alles wat gebeurt, niet verder dan een beest. Alle zegeningen ziet hij als dingen die God voor het plezier van de mens heeft gemaakt. Maar heilige, geestelijke en nuttige gedachten haalt hij er zelden uit. Die kunst verstaat hij niet. — Thomas Goodwin.

Vers 7

“Een onvernuftig man weet er niet.” Wat doen mensen toch massaal hun best om de fijngevoeligheid die God hun gaf te laten verkommeren, met het bedorven genot van zinnen en driften. Dit verstand had in de schepping een wereld vol glorie kunnen zien. Het had er als door een doorzichtige sluier doorheen kunnen kijken naar dingen die oneindig heerlijker zijn, aangeduid of verborgen onder die bedekking. Maar nu is het zo dof en zwaar als een stuk antracietkool. Wie heeft het zo gemaakt? Helaas: gewoonten van zinnelijkheid en zonde. Was de ziel van kindsbeen af voor God opgevoed, met gewoonten die bij haar geestelijke aard passen, dan was ze vol leven, liefde en gevoel geweest. Ze zou in harmonie zijn geweest met alles wat mooi is in de natuur. Door de zichtbare wereld heen had ze de geestelijke wereld gezien. Schoonheid van natuur en verstand had haar in vuur en vlam gezet, en ze was net zo graag aan haar plicht begonnen als een kind aan zijn spel.

Wat een afschuwelijke verwoesting richt een leven vol zinnelijkheid aan in het binnenste gevoel van de geest! Wat een aftakeling, verval en verlamming van haar vermogen om iets aan te voelen! Zo erg zelfs dat je kunt twijfelen aan het bestaan van geestelijk aanvoelen van een geestelijke wereld, of dat zelfs kunt ontkennen! Een mens kan angstaanjagend goed slagen in dit werk van vernietiging van zijn eigen aard, als hij het lang genoeg volhoudt.

“Wie kan zonder woede lezen over Kant”, zegt De Quincey. “Aan zijn eigen tafel, in vertrouwelijk gesprek en oprecht in de kring van vrienden, jubelde hij, wat hij in zijn boeken ook schreef, bij het vooruitzicht van totale, definitieve vernietiging. Hij zette zijn roem in het graf en had als ambitie voor eeuwig te rotten! De koning van Pruisen was een persoonlijke vriend van Kant, maar zag zich verplicht zijn staatsbliksems op enkele van diens leerstellingen te richten. Daarmee joeg hij hem schrik aan terwijl hij vooruitstormde. Anders weet ik zeker dat Kant het atheïsme openlijk vanaf de katheder zou hebben uitgedeeld. Hij zou het afschuwelijke, gruwelijke geloof dat hij in het geheim aanhing, op de troon hebben gezet aan de universiteit van Koningsbergen. Er was het kanon van een groot koning voor nodig om hem te laten stoppen. Zo is bekend dat de maag met haar natuurlijke afscheiding niet alleen elk vreemd voorwerp aanvalt dat erin terechtkomt. Soms (zoals John Hunter als eerste aantoonde) valt ze ook zichzelf aan, en haar eigen gebouw van organen. Net zo, en met dezelfde onnatuurlijke uitbreiding van het instinct, zette Kant zijn vernietigende werk voort. Uiteindelijk richtte hij het op zijn eigen hoop, en op de garanties dat hij beter was dan de hond, de aap en de worm.” — George B. Cheever, in “Voices of Nature”, 1852.

Vers 7

“Een dwaas.” De sufferd is een automaat. Hij is een machine, die door een veer in beweging wordt gezet. Louter de zwaartekracht stuurt hem vooruit, laat hem bewegen en draaien, onophoudelijk, steeds op dezelfde manier en in precies hetzelfde gelijkmatige tempo. Hij is altijd hetzelfde en spreekt zichzelf nooit tegen. Wie hem één keer heeft gezien, heeft hem op elk moment en in elke fase van zijn leven gezien. Hij lijkt op de os die loeit of de merel die fluit. Het minst zichtbaar aan hem is zijn ziel: die doet niets, oefent zich niet, rust. — Jean de la Bruyère (1639-1696), aangehaald door Ramage.

Vers 7

“En een dwaas verstaat ditzelve niet.”

Hij zwierf langs dalen en langs beken,
door het groene woud en de holle vallei;
daar woonde hij, bij nacht en bij dag,
maar nooit vond de natuur de weg
tot in het hart van Peter Bell.

Tevergeefs leidde de natuur hem, als altijd,
door ieder wisselend jaar;
een sleutelbloem aan de oever van de rivier
was voor hem een gele sleutelbloem,
en verder niets.

Tevergeefs klonk door water, aarde en lucht
de ziel van alle blije klanken,
als Peter op een aprilmorgen,
onder de brem of de botte meidoorn,
zich lui uitstrekte op de warme grond.

Lag hij ’s middags aan de rand van het bos
onder de hoge takken neer,
dan drong de zachte, blauwe hemel nooit
tot in zijn hart; nooit voelde hij
de betovering van die zachte, blauwe hemel!

Er lag een hardheid op zijn wang,
er lag een hardheid in zijn oog,
alsof de man op menige eenzame plek
zijn gelaat had verhard
tegen de wind en de open hemel.

— W. Wordsworth, 1770-1850.

Vers 8

“Dat de goddelozen groeien als het kruid” enzovoort. Hun grootste geluk blijkt hun ergste ongeluk. — Adam Clarke.

Vers 8

Ze denken er nauwelijks aan dat ze alleen mogen gedijen om, net als beesten, rijper te worden voor de slacht. Hoe vetter ze worden, hoe rijper ze zijn voor de slacht, en hoe eerder ze geslacht worden: “Dat Hij van hun vetsten doodde.” Ps. 78:31. — Zachary Bogan.

Vers 9

Hier ligt het scharnierpunt van de psalm. “Maar Gij, HEERE, zijt de Allerhoogste in der eeuwigheid”, letterlijk: “zijt hoogte” en zo verder. Het abstracte woord staat hier voor het concrete, om te zeggen dat de kern van alles wat hoog is, samenkomt in Jehova. Lijken God en de zaak van de heiligheid laag te staan, dan is God in werkelijkheid nooit hoger dan op dat moment. Want uit schijnbare zwakte laat Hij de grootste kracht tot volle wasdom komen. Lijken de goddelozen hoog te staan, dan staan ze op het punt om voor eeuwig te worden neergeworpen. Een gelovige die dit beseft, wanhoopt niet als hijzelf is vernederd en de goddelozen schijnbaar zijn verheven. Als we kunnen voelen: “Jehova is de Allerhoogste in der eeuwigheid”, dan kunnen we rustig blijven, hoe laag we ook liggen. — A.R. Fausset.

Vers 10

“Want zie, Uw vijanden”, “want ziet, Uw vijanden.” Zo zet hij hun ondergang neer als iets wat al gebeurt en zeker is. Dat laat de herhaling van de woorden zien. — Matthew Pool.

Vers 10

“Uw vijanden zullen vergaan.” Dit is de enige psalm in het psalmboek die een sabbatslied wordt genoemd. De oudere sabbat was een voorafschaduwing van onze rust van de zonde in Christus. Daarom is het eindelijk uitroeien van de zonde een van de hoofdthema’s van deze psalm. — Joseph Francis Thrupp.

Vers 10

“De werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.” De goddelozen kunnen zich verenigen en een bondgenootschap sluiten, maar de banden van hun gezelschap zijn zwak. Ze blijven zelden lang eensgezind, althans over het bijzondere doel dat ze nastreven. Over het algemene doel zijn ze het zeker wel eens: kwaad doen. Maar God zal hen binnenkort met Zijn macht en in Zijn toorn in verwarring brengen en verstrooien, tot hun ondergang. — Samuel Burder.

Vers 11

“Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns.” Dit wijst blijkbaar naar de manier waarop runderen hun hoorns gebruiken: eerst de kop omlaag, dan met een zwaai omhoog. — William Houghton, in Smith’s Bible Dictionary.

Vers 11

“Gelijk eens eenhoorns.” Winer gaat na wat oude en nieuwe schrijvers over dit dier vertellen. Daarna zegt hij zonder aarzelen: “Ik ben er zeker van dat het de Antilope Leucoryx is, een soort geit met lange en scherpe hoorns.” — William Walford.

Vers 11

“Ik ben met verse olie.” In plaats van “verse olie” geeft Montanus de woordelijke betekenis van het oorspronkelijke woord: virido oleo, “met groene olie.” Ainsworth vertaalt het net zo: “verse of groene olie.” Calmet schrijft: “De planten gaven een deel van hun kleur af, en ook van hun geur. Zo kwam men tot de uitdrukking ‘groene olie’.” Harmer: “Ik zal gezalfd worden met groene olie.” Een deel van deze schrijvers meent dat “groen”, zoals in de grondtekst, “kostbare, geurige olie” betekent. Anderen nemen het letterlijk, als de kleur groen. Weer anderen lezen het als “vers”, dus pas gemaakte olie.

Zelf houd ik het erop dat het “koud geperste olie” betekent. Dat is olie die uit de noot of vrucht is gedrukt, zonder dat er iets aan te pas komt dat gekookt wordt. In het Oosten zalft men zich liever hiermee dan met enige andere olie. Men houdt haar voor de kostbaarste, de zuiverste en de meest krachtige. Bijna al hun medicinale oliën maken ze op die manier. Men wint er minder olie mee dan door te koken; zulke oliën zijn daarom heel duur. Daarom heet het product zo bereid ook patche: “groene olie.” Maar in het Oosten gebruikt men dit woord ook voor andere dingen die niet gekookt, dus rauw zijn.

Water dat niet gekookt is, heet patchi-tameer, “groen water”. Patche-pal betekent eveneens “groene melk”: melk die niet is gekookt. De boter daarvan noemt men “groene boter”. En vlees of yams die niet zijn gekookt, hebben dezelfde naam. Ik denk dus dat de psalmist doelt op dat kostbare product dat “groene olie” heet, omdat men het zonder koken uit noot of vrucht perst. — Joseph Roberts, in “Oriental Illustrations.”

Vers 11

“Ben met verse olie.” Elke zegen en elke verkwikking die ik kreeg, krijg en nog zal krijgen, lijkt op wat een gast op een feestmaal ontvangt. Hij wordt als vriend binnengehaald en zijn hoofd wordt rijkelijk gezalfd met olie of geurige balsem. Zo komt de geest zachtjes op adem, ontstaat er blijdschap diep van binnen en komt de schoonheid van gezicht en lichaam, zoals het daar de gewoonte is, tot volle glans. Het kan ook zijn dat hij doelt op de gewoonte om mensen te zalven wanneer ze plechtig in een schitterend ambt worden gezet. Vergelijk Ps. 23:5: “Gij maakt mijn hoofd vet met olie”, en Ps. 45:8: “God, Uw God, heeft U gezalfd met olie der verblijding.” — Martin Geier.

Vers 11 (laatste zinsdeel)

Er staat niet “ik ben gezalfd”, hvm, maar ytlb, imbutus sum, perfusus sum: ik ben doordrenkt, overgoten. Blijkbaar gaat het om de grote hoeveelheid welriekende olie die op die dag werd gebruikt, toen hij tot koning over alle stammen werd uitgeroepen. Het wijst erop dat de daad populairder was, of dat Jehova Zijn volk rijker zegende. Het loont de moeite op dit punt te letten op het verschil tussen Davids eerste zalving en die van Saul, beide door Samuël verricht. Toen Samuël de opdracht kreeg om Saul te zalven, “nam hij een oliekruikje en goot het uit op zijn hoofd.” Dat gebeurde in stilte, 1 Sam. 16:13. Bij David zien we dat opnieuw de hoorn werd gebruikt, kennelijk tot aan de rand gevuld. David werd er doornat van. — John Mason Good.

Vers 12

“Mijn verspieders.” Het woord dat hier staat, rwv, shur, komt verder nergens voor. Het betekent in de kern: iemand die op de loer ligt, die let op wat een ander doet, die in een hinderlaag zit. Het slaat op mensen die op zijn gedrag letten en uit waren op zijn ondergang. — A. Barnes.

Vers 13

“Als een palmboom.” Kijk eens naar die statige palmen die hier en daar op de vlakte staan, als soldaten op wacht. Hun veervormige kruinen knikken sierlijk boven hun trotse kop. De stam is hoog, slank en kaarsrecht, als de rechtschapenheid zelf. De Arabische dichters halen er menig beeld uit voor hun geliefde. En lang vóór hen zong Salomo al: “Hoe schoon zijt gij, en hoe liefelijk zijt gij, o liefde, in wellusten! Deze uw lengte is te vergelijken bij een palmboom” (Hoogl. 7:6-7). En ook Salomo’s vader zegt: “De rechtvaardige zal bloeien als een palmboom” enzovoort.

De koninklijke dichter nam meer dan één beeld uit het leven van mensen en uit de eigenschappen van deze edele boom om zijn heilige lied mee op te sieren. De palm groeit langzaam maar gestaag, eeuw na eeuw. De wisselende jaargetijden, die andere bomen aantasten, doen hem niets. In de rijke regen van de winter juicht hij niet te hard, en onder de droogte en de gloeiende zon van de zomer laat hij zijn kop niet hangen. Zware lasten die mensen op zijn kruin leggen kunnen hem niet krommer maken. Een aanhoudende wind ook niet.

Hij blijft volkomen recht. Daar staat hij: rustig kijkt hij neer op de wereld beneden en geeft hij geduldig zijn grote trossen gouden vruchten, generatie na generatie. “Zij brengen vrucht voort in den ouderdom.” Dat beeld van geplant zijn in het huis van de Heere komt waarschijnlijk uit de gewoonte om mooie bomen met een lang leven te planten op de binnenplaatsen van tempels en paleizen, en op alle “hoogten” waar men God diende. Dat doet men nog steeds. Bijna elk paleis, elke moskee en elk klooster in het land heeft zulke bomen op de binnenplaats.

Ze staan er goed beschut en gedijen daarom bijzonder goed. Salomo liet alle wanden van het “Heilige der heiligen” helemaal met palmbomen beleggen. Ze stonden dus als het ware in het huis van de Heere Zelf. Ze waren er niet alleen als versiering. Ze pasten er ook, en ze zeiden er veel. Het allerbeste beeld is de palm: van volharding in het goede, maar ook van de beloning van de rechtvaardigen. Een vette, bloeiende ouderdom, een vredig einde, een glorierijke onsterfelijkheid. — W.M. Thomson.

Vers 13

“Als een palmboom.” Linnaeus noemde de palmen “de vorsten van het plantenrijk”. Von Martius schrijft vol vuur: “De gewone dampkring van onze wereld past niet bij deze koningen onder de planten. Maar in die zachte streken waar de natuur haar hof lijkt te houden en een sterrenstelsel van schoonheid om zich verzamelt van bloemen, vruchten, bomen en levende wezens: daar verheffen ze zich in de milde lucht, en daar steken ze hun majestueuze stammen het hoogst en het trotst omhoog. Van een afstand lijken velen van hen, met hun lange, loodrechte schachten, op zuilen die de goddelijke bouwmeester heeft neergezet om het brede gewelf van de hemel te dragen. Als kapiteel hebben ze een kroon van schitterend groen loof.” En Humboldt zegt over hen dat het “de hoogste en meest statige van alle plantenvormen” zijn.

Alle volken hebben hun altijd de prijs voor schoonheid gegeven, boven alle andere bomen. En vanuit het Aziatische rijk van de palmen, of de landen daaromheen, stuurde de menselijke beschaving haar eerste stralen van de vroege dageraad uit. Aan de noordrand van de Grote Woestijn, aan de voet van het Atlasgebergte, geven de bossen van dadelpalmen dat dorre gebied zijn eigen gezicht. Weinig andere bomen overleven daar. Het land is zo kurkdroog en er valt zo zelden regen dat tarwe er niet wil groeien. Zelfs gerst, maïs en kafferkoren (Holcus sorghum) geven de boer maar een magere, onzekere oogst.

De hete winden uit het zuiden zijn zelfs voor de bewoners amper te verdragen. En toch groeien hier bossen van dadelpalmen, die een scherm vormen waar geen zonnestraal doorheen komt. In hun schaduw worden citroenen, sinaasappelen en granaatappelen gekoesterd, en de wijnstok klimt omhoog met zijn kronkelende ranken. Al die vruchten groeien voortdurend in de schaduw, en toch smaken ze heerlijker dan in een klimaat dat gunstiger lijkt. Wat een mooie verklaring geven deze feiten bij de woorden van de Heilige Schrift: “De rechtvaardige zal bloeien als een palmboom!” De christen laat zich niet van zijn stuk brengen door de brandende, verschroeiende winden van verzoeking en vervolging.

Hij wordt gevoed door de verborgen bronnen van Gods genade en leeft en groeit in gelijkenis met zijn goddelijke Meester, terwijl alle anderen het onderspit delven en hun belijdenis verdort. Wat een opvallend contrast in de psalm! De goddelozen en wereldse mensen worden vergeleken met gras, dat in het gunstigste geval maar kort leeft en gemakkelijk verdort. Maar het beeld van de christen is de palm, die eeuwenlang blijft staan. Zoals de weldadige schaduw van een palmbos, zo straalt de christen om zich heen een milde, geheiligde en hemelse invloed uit. En de grote waarde van de dadelpalm zit in zijn overvloedige, gezonde en heerlijke vrucht.

Zo hebben ook de echte leerlingen van Christus veel “vruchten der gerechtigheid”. Onze Zaligmaker zei immers: “Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn.” — “The Palm Tribes and their Varieties.” R.T. Society’s Monthly Volume.

Vers 13

“De rechtvaardige zal bloeien.” David vertelt ons hier hoe hij zal bloeien. “Hij zal bloeien als een palmboom, hij zal wassen als een ceder op den Libanon.” Kort daarvoor zei hij over de goddelozen: “Als de goddelozen opschieten als het gras, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, dat zij tot in der eeuwigheid verdelgd zullen worden.” Ze bloeien als het gras, dat er vandaag is en morgen in de oven wordt gegooid.

Wat een contrast met de waardeloosheid, de zwakte, de vergankelijkheid en het einde van gras, en dan nog wel in een warm land: de palm en de ceder van de Libanon! Het zijn altijdgroene bomen. Wat groeien ze mooi, stevig en machtig! Wat is de ceder sterk en hoog! Wat is de palm recht, majestueus en lang! De palm draagt ook vrucht, dadels, die als druiventrossen hangen. Soms geeft hij wel vijftig kilo in één keer. Hij vertelt ons ook waar hij zal bloeien. “Die in het huis des HEEREN geplant zijn, zullen in de voorhoven onzes Gods bloeien.” Dat beeld is treffend.

Het huis van God wordt vergeleken met een tuin, of met goede, rijk bewaterde grond, die gunstig is voor leven, groen en vruchtbaarheid van de bomen die er staan. De reden is dat we in het heiligdom de gemeenschap van de heiligen hebben. Daar hebben we gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon, Jezus Christus. Daar worden de verordeningen van de godsdienst en het woord van de waarheid uitgedeeld. Daar beveelt God de zegen: leven tot in eeuwigheid. Hij vertelt ons ook wanneer hij zal bloeien. “Nog in den ouderdom zullen zij vruchten voortbrengen.” Dit laat zien dat hun beginselen blijvend zijn, en het maakt hen anders dan wat de natuur voortbrengt.

“De planten van genade zullen eeuwig leven;
de natuur verwelkt, maar de genade bloeit;
de tijd, die al het andere doet vergaan,
doet hen juist sterk en schoon in bloei staan.”

Een jonge christen is mooi, zoals een boom vol lentebloesem. Een oude christen is waardevol, zoals een boom in de herfst, doorgebogen onder rijpe vruchten. Van oude leerlingen verwachten we daarom meer. Ze zijn nog verder losgekomen van de wereld, want ze hebben vaker gezien hoe leeg die is. Ze zijn zachtmoediger en wijzer. Ze brengen sneller een offer om de vrede te bewaren. Ze oordelen rijper over goddelijke zaken, ze vertrouwen sterker op God en hun ervaring is rijker. Hij zegt ons ook waarom hij zal bloeien: “Zij zullen vet en groen zijn, om te verkondigen dat de HEERE recht is.” We hadden eerder verwacht dat er zou staan: om te laten zien dat zíj recht zijn.

Maar zij zijn wat ze zijn door Gods genade. Het is niet hun eigen verdienste, maar de genade van God in hen. Van Hem krijgen ze hun vrucht. Dat ze bewaard blijven en vruchtbaar zijn, komt dus God toe, tot Zijn lof en eer. Bovendien deed Hij wat Hij had beloofd te doen. Zo komt Zijn waarheid naar voren, en ook Zijn barmhartigheid. Het bewijst dat Hij recht is. — William Jay.

Vers 13

“De rechtvaardige zal groeien als een palmboom.”

  1. De palm groeit in de woestijn. Voor een christen is de aarde een woestijn. Echte gelovigen krijgen daar telkens weer nieuwe kracht, net als een palm in de Arabische woestijn. Zo leefde Lot te midden van het kwaad in Sodom, en Henoch, die met God ging, tussen de mensen van vóór de zondvloed.
  2. De palm schiet op uit zand, maar van zand leeft hij niet. Zijn penwortels halen water van diep onder de grond, ook al is de hemel erboven als koper. Sommige christenen groeien niet zoals de lelie (Hos. 14:6) bij groene weiden, of de wilg langs de waterkant (Jes. 44:4). Zij groeien zoals de woestijnpalm. Zo deed Jozef het tussen de kattenaanbidders van Egypte, en Daniël in het zinnelijke Babylon. Doordringend zoekt de wortel van het geloof zijn weg naar de bronnen van levend water.
  3. De palm is een prachtige boom. Hij heeft een hoge, groene kroon en zijn wuivende pluimen glinsteren als zilver. Zo zijn christelijke deugden niet als een klimop of een braamstruik die omlaag kruipt. Hun palmtakken groeien omhoog en zoeken wat boven is, waar Christus woont (Kol. 3:1). Sommige bomen groeien krom en knoestig. De christen is juist een hoge palm, als een kind van het licht (Matth. 3:12; Filipp. 2:15). De Joden kregen de naam “verkeerd geslacht” (Deut. 32:5) en Satan die van “kromme slang” (Jes. 27:1). De christen daarentegen staat recht, zoals de palm.

Zijn schone bladeren verwelken nooit. Daarom staan ze voor de overwinning. Op het Loofhuttenfeest vlochten mensen er groene hutten van. Toen de menigte Christus naar Jeruzalem begeleidde, om Hem te kronen, legden ze bladeren op de weg (Matth. 21:8). Zo worden overwinnaars in de hemel getekend, met palmtakken in de hand (Openb. 7:9). Op zo’n blad blijft geen stof liggen, anders dan bij de laurier. De christen leeft in de wereld, maar hoort er niet bij. Het stof van de woestijn die de aarde is, kleeft niet aan zijn palmblad. Een palmblad blijft altijd hetzelfde. In de winter valt het niet af, en in de zomer doet het geen feestkleren aan. Het blijft groen. Het ruisen van palmen is het gebed van de woestijn.

  1. De palm is erg nuttig. Volgens de Hindoes heeft hij 360 toepassingen. Zijn schaduw geeft beschutting. Zijn vrucht geeft de vermoeide reiziger nieuwe kracht. Hij laat ook zien waar water te vinden is. Zo iemand was Barnabas, een zoon van vertroosting (Hand. 4:36). Zo waren ook Lydia, Dorkas en anderen, die langs de koninklijke weg aangaven hoe je in de hemel komt, zoals Filippus de Ethiopische kamerling de weg wees (Hand. 9:34). Jericho kreeg de naam stad der palmbomen (Deut. 34:3).
  2. De palm draagt vrucht tot hij oud is. De beste dadels groeien aan bomen van dertig tot honderd jaar. Zo’n boom geeft elk jaar 300 pond dadels. Een christen wordt net zo gelukkiger en nuttiger, naarmate hij ouder wordt. Hij kent zijn eigen zwakheden beter, en dus is hij milder voor anderen. Hij is als de zon die ondergaat: mooi, zacht en groot. Hij lijkt op Elim, waar de uitgeputte Joden twaalf bronnen en zeventig palmen vonden. — J. Long, in “Scripture Truth in Oriental Dress”, 1871.

Vers 13

“Palmbomen.” Het open land biedt nu bovendien een trieste aanblik. De grond barst open en verstuift bij iedere zucht wind. Bijna al het groen van de weiden is verdwenen. Alleen de palm bewaart in de droogte en de hitte zijn groene wortelkrans van bladeren. — Gotthelf H. von Schubert, 1780-1860.

Vers 13

“Een cederboom op Libanon.” Over de palm zeg ik nu niets meer, en ook niet over het probleem in Ps. 92:13. Ik wil alleen deze beschrijving van de ceder op de Libanon naast de verhalen leggen van mensen die de cederbomen in onze tijd hebben bezocht. De Maronieten, de christelijke bewoners van het gebergte, geloven dat de zeven zeer oude ceders die nog staan bij het dorp Eden op de Libanon de overblijfselen zijn van precies het bos dat Salomo het hout voor de tempel leverde, ruim drieduizend jaar geleden. Dat hoef ik niet te geloven om toch te kunnen aantonen dat ze heel oud zijn.

Belonius bezocht deze ceders in 1550, bijna driehonderd jaar geleden, en vond er achtentwintig. Rawolf kwam in 1575 op vierentwintig. Dandini, in 1600, en Thevenot, een jaar of vijftig later, telden er drieëntwintig. In 1696 trof Maundrell er nog zestien aan. Pococke zag er in 1738 vijftien overeind staan en een zestiende die kort tevoren was omgewaaid. Of mogen we vermoeden: versplinterd door de stem van God? In 1810 telde Burckhardt er elf of twaalf. En dr. Richardson meldt in 1818 dat het er niet meer dan zeven zijn. Het lijdt dus geen twijfel: deze ceders gingen bijna driehonderd jaar geleden al voor oud door, en dus zijn ze heel oud.

Toch beschrijft de laatste van deze reizigers ze als “groot, hoog en mooi, het schilderachtigste dat het plantenrijk ons liet zien.” De oudste zijn groot en massief. Ze steken hun kruin enorm hoog omhoog en spreiden hun takken wijd uit. Pococke merkt ook op: “De jonge ceders zijn niet makkelijk van dennen te onderscheiden. Ik zag dat ze meer vrucht dragen dan de grote.” Dat laat zien dat de oude nog steeds vrucht dragen, ook al is het niet zo veel als bij de jonge ceders. Volgens Richardson zijn die zeer vruchtbaar en strooien ze elk jaar veel zaad uit.

Wat past het beeld van de psalmist hier goed, en wat zegt het veel: “De rechtvaardige zal bloeien als een palmboom, hij zal wassen als een ceder op den Libanon. Nog in den ouderdom zullen zij vruchten voortbrengen, zij zullen vet en groen zijn.” — R.M. Macheyne.

Verzen 13-16

Het leven en het groen van de takken doen de wortel eer aan, want zij leven door die wortel. Geestelijk groen en vruchtbaarheid zijn in een gelovige een eer voor Jezus Christus, Die zijn leven is. Aan de vruchtbaarheid van een christen zie je hoe vol Christus is. — Ralph Robinson.

Vers 14

“Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.” Deze woorden maken geen onderscheid tussen verschillende mensen, alsof maar een paar van de bloeiende rechtvaardigen zo geplant zijn. Ze beschrijven hen allemaal. Er wordt alleen bij verteld hoe en waardoor ze zo groeien en bloeien. Dat gebeurt doordat ze zijn ingeplant in het huis van de Heere. Dat is de gemeente, waar alle middelen voor geestelijk leven te vinden zijn, voor groei en voor bloei, die God de gelovigen wil geven. Geplant zijn in het huis van de Heere betekent: vastgezet en geworteld zijn in de genade die we krijgen door de ordeningen van de goddelijke eredienst.

Zijn we niet in het huis van de Heere geplant, dan kunnen we in Zijn voorhoven niet bloeien. Zie Ps. 1:3. Hebben we geen deel aan de genade die in de ordeningen wordt uitgedeeld, dan kunnen we niet bloeien in een belijdenis die vrucht draagt. — John Owen.

Vers 14

“Die in het huis des HEEREN geplant zijn” enzovoort. Heiligen zijn geplant in het huis van God. Ze hebben daar een soort wortel geschoten. De tabernakel is een goede plaats om wortel te schieten, maar echt stevig wortelen kunnen we daar alleen als we in Jezus Christus zijn geworteld.

Wie wortelt in tabernakelwerk of in het kale gebruik van ordeningen, alsof dat het zou dragen en ons bij God aanbevelen, terwijl er niets uit het hart komt en niemand zoekt naar de kracht van een leven met God en naar gemeenschap met Christus: wat doet die anders dan bouwen op zand? Velen komen vaak naar de tabernakel en zijn Christus toch meer vreemd dan ooit. Ze gebruiken zuivere ordeningen, maar zijn zelf onzuiver. Een tijd lang kunnen ze in de tabernakel een grote naam hebben. Maar God veegt hun namen uit en rukt hun hoop uit de tabernakel. Ja, Hij jaagt hen weg bij de hoornen van het altaar, of Hij slaat hen daar dood, zoals Salomo dat over Joab beval. — Abraham Wright.

Vers 14

“In het huis des HEEREN.” Het is alsof de psalmist ons een uitgelezen viridarium laat zien, een siertuin of een park vol bomen die aan God zijn toegewijd. In vers 13 had hij de Libanon al genoemd, waar de ceders het mooist en het hoogst groeien. Nu zet hij daar, zonder het uit te spreken, het huis van God tegenover, de gemeente. Daar bloeien we, groeien we en dragen we vrucht die God welgevallig is. — Martin Geier.

Vers 15

“In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen.” In dit gedeelte kijkt de psalmist naar de gelukzaligheid van Gods eigen kinderen. Waar hij op let, is de schoonheid en het geluk van hun oude dag. In het midden van een Oosters huis ligt een binnenplaats of open ruimte. Vooral bij grote, statige woningen stond daar vaak een boom, of soms meer dan één, voor de schoonheid, de schaduw en soms voor de vrucht. Soms stak daar de palm, naast de koele fontein geplant, zijn hoge stam in de lucht en liet hij zijn groene kruin ver boven het dak wuiven in zon en wind.

Soms groeide daar een olijfboom, van de rotsige berghelling overgeplaatst. Beschut en verzorgd door het huisgezin mocht die gedijen, en hij beloonde hun zorg met een rijke oogst van voedzame bessen. Met zulke beelden voor ogen komt de psalmist op de korte voorspoed van de goddelozen. Hij vergelijkt die met het opschieten en bloeien van gras, dat maar een klein stukje groeit om meteen weer te worden afgemaaid. Een mooi en voor de hand liggend beeld voor de rechtvaardige is dan niet het kortlevende gewas, maar de taaie boom die de droogte van de zomer en de stormen van de winter doorstaat en van seizoen op seizoen opnieuw groeit.

Deze bomen van gerechtigheid, zoals de dichter ze ziet, zijn “geplant in het huis van de Heere.” Ze staan mooi te “bloeien in de voorhoven van onze God.” Zelfs “in de ouderdom brengen zij vrucht voort.” Ze zijn “vol sap en bloeiend.” Ze zijn levende gedenktekens “om te verkondigen dat de HEERE getrouw is”, en dat wie op Hem vertrouwen nooit beschaamd uitkomen. — Leonard Bacon, 1845.

Vers 15

Drie dingen maken iemands geestelijke staat uit en horen bij het leven van God.

  1. Gelovigen zijn vet. Dat wil zeggen: ze zijn vol van het hemelse sap, van de vettigheid van de ware olijfboom, van Christus Zelf, zoals Rom. 11:17. Dit is het beginsel van het geestelijke leven en van de genade, die van Hem komt. Is dit in hen zo rijk aanwezig dat het hun kracht en frisheid geeft om genade te beoefenen en hen behoedt voor verval en verdorren, dan heet het in de taal van de Schrift dat ze vet zijn. Dat betekent: sterk en gezond.
  2. Ze bloeien in het groen (zo staat het woord er) en in de frisheid van hun belijdenis. Want krachtige genade brengt een bloeiende belijdenis voort.
  3. Ze dragen nog steeds vrucht in alle plichten van heilige gehoorzaamheid. Dit alles is hun beloofd, ook als ze oud zijn.

Zelfs bomen (de palm en de ceder) raken, als ze oud worden, makkelijk een deel van hun sap en groen kwijt. En mensen zijn op hoge leeftijd aan allerlei verval onderhevig, van buiten en van binnen. Het is zeldzaam om een oud mens te zien die van nature krachtig, gezond en sterk is. Was het maar niet nog zeldzamer iemand te zien die dat op die leeftijd geestelijk is! Maar hier wordt het gelovigen beloofd als een bijzondere genade en een bijzonder voorrecht, meer dan het groeien of vrucht dragen van planten en bomen kan uitbeelden.

Wat bedoeld wordt, is dit: ook als gelovigen onder allerlei lichamelijk en natuurlijk verval gebukt gaan, en misschien ook door geestelijk verval zijn ingehaald, dan voorziet het verbond erin dat ze vet, bloeiend en vruchtbaar worden. Krachtig door de kracht van innerlijke genade, en bloeiend doordat ze die in alle plichten van gehoorzaamheid laten zien. Dat is het wat we nu willen onderzoeken. Gezegend zij God voor dit goede woord van Zijn genade! Hij heeft ons zo bemoedigd tegen al het verval en alle verzoekingen van de oude dag waar we mee te worstelen hebben! De psalmist laat in de volgende woorden zien hoe groot dit voorrecht is: “Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.”

Denk eens aan alles wat het bloeien van gelovigen op hoge leeftijd tegenwerkt: de moeilijkheden. De verzoekingen die overwonnen moeten worden. De geest die meer moet doen dan hij nog kan, nu zijn vermogens zijn verslechterd. De vermoeidheid die ons overvalt in een lange geestelijke strijd. Het vlees dat schreeuwt om gespaard te worden. Dan zien we dat dit een bewijs is van Gods trouw, macht en gerechtigheid in het verbond. Niets anders kan zo’n machtig gevolg hebben. De profeet spreekt over dezelfde belofte, Hos. 14:5-9. Hij sluit zijn rede af met die gezegende opmerking, Hos. 14:10: “Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen.” Geestelijke wijsheid laat ons zien dat Gods trouw en macht aan het werk zijn als Hij gelovigen bewaart, bloeiend en vruchtbaar tot het einde. — John Owen.

Vers 15

Standvastigheid hoort bij de gehoorzaamheid die Christus vraagt. Zijn bomen dragen vrucht op hoge leeftijd. Door de jaren raken andere dingen in verval, maar een christen bloeit. Sommigen lijken op een vurig paard: dat stormt vooruit aan het begin van de tocht en is allang moe voordat het is aangekomen. Een goede leerling wil van God geen geluk dat tijdelijk is. Daarom wil hij God ook geen gehoorzaamheid geven die tijdelijk is. Hij wil dat zijn heerlijkheid duurt zolang God leeft. Zo wil hij ook dat zijn gehoorzaamheid duurt zolang hij zelf leeft. Judas begon mooi, maar maakte aan het eind alles kapot door zijn Meester te verraden. — Stephen Charnook.

Vers 15

“Bloeiend.” Er staat hier meer dan groeien alleen: er staat ook bloeien. Dat woord komt drie keer voor. Het is bovendien groeien en bloeien, niet zomaar als een boom, maar als een palm (die juist onder druk bloeit). Ook als een ceder, niet een ceder op een gewone plek maar “op den Libanon”, waar de allermooiste ceders groeiden. De Geest belooft ook niet alleen bloei van takken en bladeren, zoals sommige bomen dat doen en verder niets. Het gaat om vrucht. En niet vrucht voor één keer per jaar, of voor één enkel jaar: ze blijven vrucht dragen.

Dat geldt niet alleen voor hun jonge jaren of voor het eerste begin van hun leven met genade, maar ook voor hun oude dag. En niet alleen voor het begin van wat we ouderdom noemen, zestig jaar, maar voor wat de Schrift de volmaaktheid van de ouderdom noemt, zeventig jaar. Dat merken de geleerde Hebreeën op bij het woord dat de psalm hier gebruikt. Wat een goddelijke opgang laat de Geest van God hier zien in dit Schriftwoord! Hij laat zien dat de godvrezende man, wat zijn staat betreft, niet achteruitgaat. Hij klimt steeds verder omhoog. — Joseph Caryl.

Vers 16

“Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.” Dat wil zeggen: niets kan God ervan weerhouden of eraf brengen om rechtvaardig te doen, net zomin als een rots van zijn plek kan worden geschoven. — Joseph Caryl.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 2

  1. Het is goed als je een reden hebt om dankbaar te zijn. Die heeft iedereen.
  2. Het is goed als je dankbaar van aard bent. Dat is een geschenk van God.
  3. Het is goed als je je dankbaarheid ook laat horen. Daardoor kunnen anderen dankbaar worden.

— G.R.

Verzen 2-4

Wat een zegen is lofprijzing, Ps. 92:2. Waarover gaat de lofprijzing, Ps. 92:3. Wat is ze vindingrijk, Ps. 92:4. Ook de dode natuur wordt in dit heilige werk ingezet.

— C.A. Davis.

Vers 3

  1. Onze lof aan God moet doordacht zijn en Zijn eigenschappen in al hun verscheidenheid bekendmaken.
  2. Die lof moet op tijd komen: elke eigenschap op het juiste moment.
  3. Die lof moet nooit ophouden, elke nacht en elke dag.

Vers 4

  1. Alles in de ziel zal lofprijzing zijn. “Op een instrument van tien snaren”: alle snaren van het verstand, van de gevoelens, van de wil en zo meer.
  2. Alles wat de lippen zeggen, moet lofprijzing zijn.
  3. Alles wat we in ons leven doen, moet lofprijzing zijn.

Vers 4

Wat hoort er bij onze lofprijzing aan God?

  1. Voorbereiding, want instrumenten moeten gestemd worden.
  2. Ruimte in ons denken: “op een instrument van tien snaren.”
  3. Dat heel ons wezen erin opgaat: “tien snaren.”
  4. Afwisseling: psalter, harp en zo verder.
  5. Diep ontzag: “plechtigen klank.”

Vers 5 (eerste zin)

  1. Hoe ik eraan toe ben: “verblijd.”
  2. Hoe het zo gekomen is: “Gij hebt mij verblijd.”
  3. Waarop dat rust: “door Uw werk.”
  4. Wat doe ik nu? Alles aan God toeschrijven en Hem ervoor prijzen.

Vers 5

  1. De goddelijkste blijdschap: de blijdschap over Gods schepping, met Gods werk als reden.
  2. De goddelijkste triomf: die komt door Gods veelsoortige werken in schepping, bestuur van de wereld, verlossing en zo verder. De eerste is voor ons eigen hart, de tweede om degenen om ons heen te overtuigen.

Vers 6

De bergen die niemand kan beklimmen en de zee zonder bodem. Oftewel: Gods werken en Gods gedachten (God geopenbaard en God verborgen) gaan allebei even ver boven wat een mens kan begrijpen. — C.A. Davis.

Vers 8

Grote voorspoed gaat bij goddeloze mensen vaak vooraf aan hun ondergang. Hij brengt hen er namelijk toe om Gods toorn op te roepen.

  1. Doordat hun hart hard wordt, zoals bij Farao.
  2. Doordat ze trots worden, zoals Nebukadnezar.
  3. Doordat ze Gods heiligen hooghartig haten, zoals Haman.
  4. Doordat ze zich vleselijk veilig wanen, zoals de rijke dwaas.
  5. Doordat ze zichzelf verheffen, zoals Herodes.

Verzen 8-11

Tegenstellingen. Tussen de goddelozen en God, Ps. 92:8-9. Tussen Gods vijanden en Zijn vrienden, Ps. 92:10-11. — C.A. Davis.

Verzen 8, 13-15

De goddelozen en de rechtvaardigen, in beeld gebracht. — C.A. Davis.

Vers 11 (laatste zinsdeel)

Christelijk inzicht, toewijding, blijdschap en genade zijn alle vormen van de zalving door de Geest. — William Garrett Lewis, 1872.

Vers 11 (laatste zinsdeel)

Waar Davids vertrouwen op rustte:

  1. Het was heel breed. Het omvatte nieuwe kracht, nieuwe bewijzen van gunst, bevestiging in zijn ambt, de bekwaamheid ervoor en nieuwe vreugden.
  2. Het had een goede grond, want het rustte in God en in Zijn beloften.
  3. Het nam alle angst weg.
  4. Het wekte hoop.
  5. Het gaf medelijden met wie zo’n vertrouwen niet hebben.

Vers 13

  1. De rechtvaardigen bloeien overal. De palm in het dal, de ceder op de berg.
  2. In elk seizoen. Beide bomen blijven altijd groen.
  3. In alle omstandigheden. De palm in de droogte, de ceder in storm en vorst. — G.R.

Verzen 14-16

  1. Wedergeboorte: “geplant.”
  2. Groeien in genade: “bloeien.”
  3. Van nut zijn: “vrucht.”
  4. Volhouden: “ouderdom.”
  5. De reden van dit alles: “om te verkondigen dat de HEERE” en zo verder.

Vers 15-16

De reden voor het volhouden tot het einde, en de garantie ervoor. — C.A. Davis.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas