Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 80 — Treasury of David

34 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

“Voor den opperzangmeester, op Schoschannim.” Voor de vierde keer komen we een lied tegen op Schoschannim, “de lelies”. De eerdere waren Psalm 45, 60 en 69. Waarom dit opschrift er staat, is niet met zekerheid te zeggen. Maar de bijzonder dichterlijke vorm van deze psalm rechtvaardigt de bekoorlijke titel zeker. Een lied als dit mag best “lelies” heten. Eduth betekent getuigenis. Deze psalm is een getuigenis van de kerk als “een lelie onder de doornen”.

Sommige uitleggers denken bij deze titel aan een instrument met zes snaren, en Schleusner vertaalt de twee woorden met “de hexachord van het getuigenis”. Misschien opent verder onderzoek ons ooit deze “verborgene rede op de harp”. Vooralsnog zijn we al tevreden met wat ze ons laten zien: in de oude tijd werd heilige zang niet licht geacht.

Dan het opschrift “Een psalm van Asaf”. Daarbij denken we aan een latere Asaf, die het ongeluk had om, als “de laatste minstreel”, in kwade tijden te leven. Is de psalm geschreven door de Asaf uit Davids tijd, dan is hij in profetische geest geschreven. Hij bezingt dan namelijk tijden die David nog niet kende.

Indeling

Het refrein “O God! breng ons weder” komt drie keer voor. Daar vallen vanzelf de grenzen van de psalm. Psalm 80:2-4 is een openingswoord tot de HEERE, de God van Israël. In Psalm 80:5-8 volgt een klaagzang over de ramp die het volk getroffen heeft. In Psalm 80:9-20 klinkt dezelfde klacht opnieuw, nu met een prachtig beeld: het volk als wijnstok. Het is een droevige psalm. Zijn lelies zijn lelies van de dalen.

Uitleg

Vers 2

“O Herder Israels! neem ter ore.” Hoor het blaten van Uw lijdende kudde! Luister naar hun kreten. De naam Herder is vol tederheid. Daarom kiest de bedrukte dichter die naam juist hier: gebroken harten genieten van namen vol genade. De goede oude Jakob dacht graag aan God als de Herder van Israël. Dit vers kan verwijzen naar zijn woorden op zijn sterfbed: “Daarvan is hij een herder, een steen Israels.” We mogen er zeker van zijn: Wie zich verwaardigt de Herder van Zijn volk te zijn, sluit Zijn oren niet voor hun klachten.

“Die Jozef als schapen leiddet.” Het volk draagt hier de naam van die beroemde zoon, die een tweede vader werd voor de stammen en hen in Egypte in leven hield. Misschien kenden de Egyptenaren hen als “het huisgezin van Jozef”. Als dat zo is, ligt het voor de hand dat ze hier zo genoemd worden. Maar de naam kan ook slaan op de tien stammen, met Manasse als erkend hoofd. Vroeger had de Heere in de woestijn alle stammen geleid, begeleid en geweid als een herder. Daarom doet de dichter nu een beroep op Hem. Wat de Heere in het verleden deed, is een sterke grond voor ons pleiten en onze verwachting, voor nu en voor later.

“Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkende.” Op het verzoendeksel, tussen de cherubs, werd de bijzondere aanwezigheid van de Heere zichtbaar. In al ons pleiten moeten we langs die weg tot Hem komen: alleen op het verzoendeksel laat God Zijn genade zien, en alleen daar kunnen we hopen Hem te ontmoeten. Laten we daarom steeds de naam van Jezus bij God inbrengen. Hij is ons ware verzoendeksel, Die ons toegang geeft. Met vrijmoedigheid mogen we tot Hem komen, en door Hem mogen we verwachten dat de heerlijkheid van de Heere zich ten goede aan ons toont.

Dat Hij Zijn aanwezigheid terugtrekt, vrezen we het meest van alles. Dat Hij terugkeert, is onze helderste hoop. In Israëls donkerste tijden heeft het volk maar één ding nodig: het licht op het gezicht van zijn Herder.

Vers 3

“Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraim, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.” Het is verstandig om in het gebed de namen van Gods volk te noemen, want ze zijn Hem dierbaar. Jezus draagt de namen van Zijn volk op Zijn borstschild. De namen van zijn kinderen hebben macht bij een vader. Zo is het ook bij de Heere: wie bij Hem de namen van Zijn kinderen noemt, raakt Zijn hart.

De drie namen zijn nauw met elkaar verwant. Efraïm en Manasse vertegenwoordigen Jozef, en het was passend om Benjamin, de andere zoon van de geliefde Rachel, in dezelfde adem te noemen. In de woestijn trokken deze drie stammen samen op, direct achter de ark aan. Het gebed vraagt dat de God van Israël krachtig optreedt voor Zijn volk: Hij moet hun vijanden wegjagen en Zijn volk redden.

O, dat de Heere het in onze dagen zou behagen aan elk deel van Zijn kerk te denken, en al haar stammen Zijn heil te laten zien! We willen niet alleen onze eigen kerkelijke richting noemen, maar bidden voor alle onderdelen van de ene kerk.

Vers 4

“O God! breng ons weder.” Er staat niet zozeer: “wend onze gevangenis”, maar: “breng ons weder”. Het komt allemaal goed als wij zelf goed zijn. De beste ommekeer is niet die van de omstandigheden, maar die van ons karakter. Als de Heere Zijn volk terugbrengt, zal Hij hun situatie snel ten goede keren. Daar is de Heere Zelf voor nodig, niemand anders kan dit doen. Bekering is immers een even goddelijk werk als schepping. En wie ooit tot God bekeerd is en later afvalt, heeft de Heere even hard nodig om weer teruggebracht te worden als om voor het eerst bekeerd te worden. Het woord kan ook vertaald worden als: “herstel ons”. En wat een uitgelezen barmhartigheid is het: “Hij verkwikt mijn ziel” (Engels: Hij herstelt mijn ziel)!

“En laat Uw aanschijn lichten.” Wees ons gunstig, lach ons toe. Dit was de zegen die de hogepriester over Israël uitsprak. Wat de Heere ons al heeft gegeven door onze Hogepriester en Middelaar, mogen we met alle vrijmoedigheid van Hem vragen. “Zo zullen wij verlost worden.” Voor onze redding is alleen de gunst van de Heere nodig. Eén blik van Zijn genadige oog zou Tofet in het Paradijs veranderen. Hoe woest de vijand ook is, of hoe vreselijk de gevangenschap: het stralende gezicht van God verzekert ons van overwinning én vrijheid.

Dit vers is een bijzonder nuttig gebed voor elke dag. We dwalen maar al te vaak af. Laten we daarom vaak, met onze lippen én met ons hart, roepen: “Breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.”

Vers 5

“O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?” Hoe lang nog zal de rook van Uw toorn de rokende wierook van onze gebeden verstikken? Ons gebed wil Uw heilige plaats binnengaan, maar Uw toorn strijdt ertegen en houdt het tegen bij de ingang. Dat God boos op ons is als we zondigen, lijkt vanzelfsprekend. Maar dat Hij zelfs boos is op onze gebeden, is een bittere pijn. Met veel smart mag de smekeling vragen: “Hoe lang?” U bent de Bevelhebber over alle legers van Uw schepselen! U kunt Uw heiligen redden, ook in hun uiterste nood. Moeten zij dan eeuwig tevergeefs tot U roepen?

Vers 6

“Gij spijst hen met tranenbrood.” Hun eten is gekruid met zout water, uit wenende ogen gedruppeld. Vroeger waren hun maaltijden gezellig en vrolijk. Nu lijken ze op rouwmaaltijden, waarbij ieder zijn bittere brokje meebrengt. Uw volk at eerst tarwebrood. Maar nu krijgt het uit Uw eigen hand niets beters dan tranenbrood.

“En drenkt hen met tranen uit een drieling.” Tranen zijn hun eten én hun drinken, en ze krijgen er onbeperkt van. Ze slikken tonnen vol tranen weg en zwemmen in zeeën van verdriet. En dat alles gebeurt door Gods eigen beschikking. Hun vijanden hebben hen niet met wapengeweld in hun macht, maar hun God weigert tussenbeide te komen.

Tranenbrood is nog meer een vrucht van de vloek dan brood eten in het zweet van je aangezicht. Maar door Gods liefde wordt het een nog grotere zegen, omdat het dient tot onze geestelijke gezondheid.

Vers 7

“Gij hebt ons onzen naburen tot een twist gesteld.” Edom en Moab, altijd jaloers en kwaadwillend, juichten over Israëls nood. Daarna kregen ze ruzie over hun deel van de buit. De spot van buren snijdt altijd het scherpst, vooral als je hoger stond dan zij en meer genade beweerde te hebben. Niemand is zo onvriendelijk als jaloerse buren.

“En onze vijanden spotten onder zich.” Onze ellende is hun vermaak. Ons treurspel is hun blijspel. In de pekel van onze tranen vinden ze het zout voor hun grappen, en onze ontsteltenis amuseert hen. Het is duivels om te spelen met andermans verdriet. Toch doet de wereld, die in de macht van de boze ligt, dat voortdurend: ze maakt zich vrolijk over de verdrukkingen van de heiligen. Het nageslacht van de slang volgt zijn stamvader na en verblijdt zich in het kwaad.

Vers 8

“O God der heirscharen! breng ons weder.” Het gebed stijgt hoger, dat zie je aan de manier waarop God wordt aangesproken. Hij is hier “de God der heirscharen”. Hoe dichter we de Heere in gebed en overdenking naderen, hoe groter onze gedachten over Hem worden.

Vers 9

“Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht.” Daar stond hij in onvriendelijke grond, ver van wat hij nodig had. Het water van de Nijl gaf hem geen leven, maar was voor zijn scheuten als de dood. De bewoners van het land verachtten hem en trapten hem plat. Maar wat was de rechterhand van de Heere glorieus, toen Hij met kracht en grote wonderen Zijn lieflijke plant verplantte, ondanks al wie hem wilde vernietigen!

“Hebt de heidenen verdreven, en hebt denzelven geplant.” Zeven volken werden uitgegraven om ruimte te maken voor de wijnstok van de Heere. De oude bomen, die de grond al zo lang bezet hielden, werden met wortel en tak uitgerukt. Eiken van Basan en palmbomen van Jericho moesten wijken voor de uitverkoren wijnstok. Met goddelijke voorzichtigheid en wijsheid kreeg hij veilig zijn vaste plek.

De wijnstok van Israël leek klein, was zeer afhankelijk, uiterst zwak en kroop graag over de grond. Toch had de Heere hem uitgekozen. Hij wist dat Hij er met onophoudelijke zorg en rijke vakkennis een prachtige vruchtdragende plant van kon maken.

Vers 10

“Gij hebt de plaats voor hem bereid.” Het onkruid, de doornstruiken en de enorme stenen werden weggehaald. De Amorieten en hun broers in ongerechtigheid moesten het toneel verlaten. Hun legers werden verslagen, hun koningen gedood, hun steden ingenomen. Kanaän werd een stuk land dat klaargemaakt is voor een wijngaard. “En zijn wortelen doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft.” Israël werd stevig gevestigd, als een goed gewortelde wijnstok. Toen begon het te bloeien en te groeien en zich naar alle kanten uit te breiden.

Dit beeld kunnen we toepassen op de ervaring van elke gelovige in Jezus. De Heere heeft ons geplant. We groeien naar beneden, “wortel schietend”, en door Zijn genade groeien we ook zichtbaar vooruit. Voor de kerk geldt het nog sterker. Nu, op dit moment, spreiden haar takken zich wijd en zijd uit, door de goede wil van de wijngaardenier.

Vers 11

“De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest.” Israël woonde op de bergtoppen en bewerkte elke voet grond. Het volk werd talrijk en zo groot dat andere landen de invloed ervan voelden, of in zijn schaduw kwamen te liggen. “En zijn ranken waren als cederbomen Gods.” Het volk zelf was zo groot dat zelfs de afzonderlijke stammen machtig waren, en het waard om onder de machtigen te worden gerekend.

Een betere vertaling zegt dat de cederen met de wijnstok bedekt zijn. We weten dat wijnstokken in veel landen in bomen klimmen en ze overdekken. Wat moet dat een wijnstok zijn, die de cederen van God beklimt en ze zelfs overtopt! Het is een edel beeld van de bloei van het volk Israël in zijn beste dagen. In Salomo’s tijd had het kleine land Israël een hoge plaats onder de volken. Ook de kerk van God heeft zulke tijden gekend: ze viel uitzonderlijk op en haar kracht was ver en wijd te voelen.

Vers 12

“Hij schoot zijn ranken uit tot aan de zee.” Langs de Middellandse Zee, en misschien zelfs over het water, was Israëls macht voelbaar. “En zijn scheuten tot aan de rivier.” Aan de oostkant drong het met zijn handel door tot de Eufraat. Dat waren moedige, grootse dagen voor Israël. Ze zouden zijn blijven duren, als de zonde ze niet had ingekort en afgebroken.

Wanneer de kerk de Heere behaagt, wordt haar invloed onmetelijk, veel groter dan haar aantal of kracht zou doen verwachten. Maar helaas! Als de Heere haar verlaat, wordt ze even waardeloos, nutteloos en veracht als een verwaarloosde wijnstok, de minst waardevolle van alle planten.

Vers 13

“Waarom hebt Gij zijn muren doorgebroken?” U hebt Uw bescherming van haar teruggetrokken, nadat U haar met zoveel zorg had omringd. Waarom, o Heere? Een onbeschermde wijnstok staat aan allerlei schade bloot. Niemand let erop. Iedereen heeft het op haar gemunt, want ze ligt open en onbeschut. Zo ging het Israël toen het aan zijn vijanden was overgegeven. En zo is het de kerk vaak vergaan.

“Zodat allen, die den weg voorbijgaan, hem plukken?” Wrede buren plukken van haar, en plunderende benden pikken eraan als rondzwervende dieren. Met God kan geen vijand ons schaden. Zonder Hem is niemand zo zwak dat hij ons geen schade kan doen.

Vers 14

“Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet.” Zulke dieren staan bekend om het verscheuren en opeten van wijnstokken. Babel kwam op als een beest uit de moerassen van de Eufraat en verwoestte Juda en Israël. Woeste volken, te vergelijken met wilde zwijnen uit het woud, voerden oorlog tegen het Joodse volk. Ze doorstaken en verscheurden het, als een wijnstok die door gulzige zwijnen is vernield.

“En het wild des velds heeft hem afgeweid.” De ene vijand na de andere nam wraak op het volk, en God greep niet in om hen te verjagen. De ene ondergang volgde op de andere. De vos verslond de jonge scheuten die aan de schade van het zwijn waren ontkomen. Helaas, arm land! Wat ben je diep gevallen! Een eik of ceder had door zulke verwoestingen verbrijzeld kunnen worden. Maar hoe kun jij dit verdragen, zwakke, tedere wijnstok?

Zie welke rampen de zonde in haar kielzog meebrengt. En hoe vreselijk is het voor een volk om door zijn God verlaten te zijn!

Vers 15

“O God der heirscharen! keer toch weder.” Keer U tot ons, net zoals wij ons tot U moeten keren. U bent van ons weggegaan om onze zonden. Kom naar ons terug, want we zuchten en roepen naar U. Of is het te veel gevraagd dat U komt? Dan vragen we minder. Schenk ons dan tenminste enige aandacht en werp een blik op onze smart.

“Aanschouw uit den hemel, en zie, en bezoek dezen wijnstok.” Sluit Uw ogen niet! Het is Uw wijnstok. Wend U niet helemaal van hem af en laat hem niet vergeten zijn, alsof hij volledig uit Uw gedachten is. Grote Landman, let in elk geval op het onheil dat de dieren hebben aangericht. Wie weet raakt dat Uw hart met medelijden, en strekt Uw hand zich uit om te redden.

Vers 16

“En den stam, dien Uw rechterhand geplant heeft.” Moet al Uw zorg verloren gaan? U hebt zoveel gedaan; laat U Uw werk nu teloorgaan? Met Uw kracht en wijsheid deed U grote dingen voor Uw volk. Wilt U hen nu helemaal opgeven? Moeten Uw vijanden juichen over het kwaad waar ze zo’n plezier in hebben? “En dat om den zoon, dien Gij U gesterkt hebt!” Dit is een gebed voor de leider die de Heere had opgewekt, of voor de Messias naar Wie ze uitzagen. De wijnstok mocht dan verlaten zijn, maar één tak had de Heere toch in het oog gehouden, alsof die een loot moest leveren voor een nieuwe wijnstok.

Daarom wordt het gebed in deze vorm gebracht. Laten we de Heere vragen dat Hij, als Hij niet allereerst naar Zijn kerk wil kijken, naar de Heere Jezus kijkt en haar daarna om Zijnentwil in barmhartigheid aanziet. Dat is de ware kunst van het bidden: Christus vooropzetten en uitroepen:

“Zie eerst Hem, en dan de zondaar,
zie mij aan door Jezus’ wonden.”

Vers 17

“Hij is met vuur verbrand.” De treurende zanger stamelt zijn nood. De wijngaard lijkt wel een bos waarin brand is uitgebroken; de mooiste wijnstokken zijn verkoold en dood. “Hij is afgehouwen.” De wrede bijl heeft moordzuchtig huisgehouden: de takken zijn afgehakt, de stam is gewond, overal heerst verwoesting. “Zij komen om van het schelden Uws aangezichts.” Gods bestraffing was voor Israël wat vuur en bijl voor een wijnstok zijn. Zijn gunst is leven; Zijn toorn is als een bode van de dood. Eén toornige blik uit Jehova’s oog is genoeg om alle wijngaarden van Efraïm in een woestenij te veranderen. O Heere, kijk onze kerken niet zo aan! Bestraf ons, maar niet in toorn.

Vers 18

“Uw hand zij over den man Uwer rechterhand.” Laat Uw macht rusten op Uw ware Benjamin, de zoon van Uw rechterhand. Geef een opdracht aan de uitverkoren man door Wie U wilt redden. Eer Hem, red ons en verheerlijk Uzelf. Hier is zonder twijfel een blik op de Messias, naar Wie gelovige Joden leerden uit te zien als de Redder in tijden van nood. “Over des mensen zoon, dien Gij U gesterkt hebt.” Zend Uw kracht met Hem mee, Die U zult sterken om Uw plannen van genade uit te voeren. God vindt het goed om voor mensenkinderen te werken door mensenkinderen.

“Dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens.” Volken staan op of gaan ten onder, vooral door het werk van enkelen: door een Napoleon worden koninkrijken gegeseld, en door een Wellington worden volken van de tiran gered. Door de Mens Christus Jezus zal het gevallen Israël nog opstaan. Ja, door Hem, Die Zich verwaardigt Zichzelf de Mensenzoon te noemen, zal de wereld bevrijd worden van de heerschappij van de satan en van de vloek van de zonde. O Heere, maak Uw belofte waar aan de Man van Uw rechterhand, Die deelt in Uw heerlijkheid, en laat Hem zien dat het welbehagen van de Heere voorspoedig is in Zijn hand.

Vers 19

“Zo zullen wij van U niet terugkeren.” Met een leider die God Zelf had uitgekozen, zou het volk trouw blijven. Genade wekt dankbaarheid, en die houdt hen vast aan hun trouw. In Christus blijven we trouw: omdat Hij leeft, leven ook wij. Buiten Hem is er geen enkele hoop dat we volhouden. “Behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen.” Als de Heere leven geeft uit de dood, komt Zijn lof er zeker. De Heere Jezus is zo’n leider: in Hem is leven, en dat leven is het licht van de mensen. Hij is ons leven. Als Hij onze zielen opnieuw bezoekt, leven we weer op en stijgt onze lof op tot de Naam van de drie-enige God.

Vers 20

“O HEERE, God der heirscharen! breng ons weder.” Hier zetten we weer een stap vooruit in de titel waarmee God wordt aangesproken. De naam die Hij met niemand deelt, Jehova, de Ik ben, komt er nu bij. De dag van het geloof wordt helderder naarmate de uren verstrijken, en de gebeden van het geloof worden voller en krachtiger. “Laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.” Zelfs wij, die zo verwoest waren! Voor de macht van God is niets te groot. Hij kan redden op het allerlaatste moment, alleen al door Zijn lachende gezicht naar Zijn bedrukten te keren. Mensen kunnen met hun arm weinig doen, maar God doet alles met één blik. O, voor eeuwig te mogen leven in het licht van Jehova’s aangezicht!

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Titel

Weer een gebed van Asaf, vol pleitgronden voor Israël. Het is alsof ze Jesaja 63:11 voor zich hadden: “Nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds.” Ze herinneren Hem aan de dagen van Jozef, toen de Heere hen in Egypte op wonderlijke wijze voedde (Genesis 49:24). Dan aan de dagen van de tabernakel, toen voor het eerst sinds Eden bekend werd dat de Heere tussen de cherubim woonde, op het verzoendeksel. Ze herinneren Hem aan de tijd in de woestijn (vers 3), toen Zijn tegenwoordigheid hun tocht verblijdde. “Efraim, en Benjamin, en Manasse” zagen de Wolkkolom van de Heerlijkheid voor zich uit opstijgen, de gids en metgezel op hun weg (zie Numeri 10:32-34): “O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten”, en alles zal weer goed zijn! — Andrew A. Bonar.

Vers 2

De profeet begint zijn gebed niet zomaar. Hij vlecht er bepaalde titels doorheen, waarmee hij God het passendst aanspreekt en zijn zaak bepleit. Hij zegt niet: O U, Die alle dingen in hemel en op aarde onderhoudt en bestuurt, U Die Uw woonplaats boven de hemel der hemelen hebt gesteld. Nee: U Die de Herder van Israël bent, U Die Jozef leidt als schapen, U Die tussen de cherubim woont. Wat Gods gunst en zorg voor Israël groot maakt, brengt hij in herinnering om het vertrouwen in het gebed te voeden en te versterken… Laten we van dit voorbeeld leren om ons vertrouwen bij het bidden tot God te voeden en te sterken met de kenmerken van die goddelijke, vaderlijke goedheid die ons in Christus, onze Herder en Verzoener, is getoond. — Musculus.

Vers 2

“O Herder Israels! neem ter ore.” Het hoort bij de taak van een herder om het blaten en roepen van zijn schapen te horen en hen in gedachten te houden, zodat hij klaarstaat om hun te hulp te snellen. — Venema.

Vers 2

“O Herder Israels! neem ter ore, Die Jozef als schapen leiddet.” Kijk, daar gaat een herder zijn kudde over de rivier brengen. Net zoals onze Heere over de goede herder zegt, zie je dat hij voorop loopt en dat de schapen volgen. Maar niet allemaal op dezelfde manier. Sommige stappen vol vertrouwen het water in en komen recht aan de overkant. Dat zijn de lievelingen van de kudde, die dicht bij de voetstappen van de herder blijven, of ze nu door groene weiden slenteren, langs stille wateren, op de bergen grazen of ’s middags rusten in de schaduw van grote rotsen.

Anderen gaan ook het water in, maar twijfelend en bang. Ver van hun gids missen ze de doorwaadbare plaats en worden ze door de stroom meegevoerd, de een verder, de ander minder ver. Toch worstelen ze zich één voor één naar de overkant en komen aan land. Kijk eens naar die kleine lammeren. Ze weigeren het water in te gaan en moeten door de hond van de herder, die Job in zijn “gelijkenis” noemt, de stroom in worden gedreven. Arme dieren! Wat springen en spartelen ze, en wat blaten ze van angst! Dat zwakke lammetje daar wordt vast helemaal meegesleurd en zal in de zee omkomen.

Maar nee: de herder zelf springt in de stroom, tilt het op in zijn armen en draagt het sidderend naar de oever. Allemaal veilig aan de overkant, wat zien ze er gelukkig uit! De lammeren huppelen en springen vrolijk rond, terwijl de oudere dieren zich rond hun trouwe gids scharen en met ingehouden maar veelzeggende dankbaarheid naar hem opkijken.

Kun je zo’n tafereel zien en niet denken aan die Herder Die Jozef als schapen leidt, en aan een andere rivier die al Zijn schapen moeten oversteken? Ook Hij gaat voorop. En net als bij deze kudde vrezen wie dicht bij Hem blijven geen kwaad. Ze horen Zijn lieflijke stem zeggen: “Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen.” Met hun ogen op Hem gericht zien ze de stroom nauwelijks en voelen ze de koude, dreigende golven niet. De grote meerderheid echter “blijft huiverend aan de oever staan en durft niet af te steken.” Zij blijven achter, staren neer op de donkere rivier en beginnen te zinken, zoals Petrus op het stormachtige meer van Gennesaret toen zijn geloof het liet afweten.

Dan roepen ze om hulp, en niet tevergeefs. De Goede Herder snelt hun te hulp, en niet één schaap uit heel Zijn kudde kan ooit omkomen. Zelfs de zwakste lammeren worden veilig overgedragen.

Ik zag eens kudden de Jordaan oversteken “naar Kanaäns schone, zalige land”, en dat tafereel was nog treffender en indrukwekkender. De rivier was breder, de stroom sterker, de kudden groter, en de herders waren schilderachtiger en meer zoals in de Bijbel. Ook het gevaar waarmee veel meer schapen bedreigd werden, was ernstiger en veelzeggender: meegesleurd te worden naar die geheimzinnige zee des doods, die de Jordaan zelf verslindt. — W. M. Thomson, in “The Land and the Book.”

Vers 2

“Die Jozef als schapen leiddet.” De ongelovigen denken dat U, Die Jozef als een kudde leidt, Zich niets van onze zaken aantrekt. Steek daarom Uw hand uit om ons te helpen, zodat de mond van hen die onrecht spreken gesloten wordt. We zoeken geen goud en rijkdom of de eer van deze wereld, maar we verlangen naar Uw licht. We willen U vuriger leren kennen. Verschijn daarom in Uw glans! — Savonarola.

Vers 2

“Die tussen de cherubim zit.” Uit deze woorden kunnen we de volgende gedachten afleiden:

  1. God is een Koning. Hij zit op Zijn troon, omringd door Zijn “dienaren.” Zijn troon is de hemel, en het heilige der heiligen is daar het zinnebeeld van. Zijn “dienaren” zijn “engelen” en worden elders met die naam aangeduid, zoals in Genesis 3:24 en Psalm 18:11.
  2. God is de “Koning” van Israël en woont onder hen door het zichtbare teken van Zijn tegenwoordigheid. Zijn roemrijkste dienaren worden afgebeeld door de “cherubim”, die Zijn hemelse en Zijn aardse dienaren samen omvatten.
  3. God is de “Koning” van Zijn volk in het verbond. Hij heeft Zijn woonplaats gevestigd boven de “ark des verbonds”. Dat is een pleitgrond dat Hij het verbond zal houden en Zijn beloften zal vervullen, dat Hij Zijn volk zal bewaken en hun alle geluk zal geven.
  4. Ten slotte: God is bereid Zijn genade en barmhartigheid aan het volk te tonen door het deksel van de ark, het “verzoendeksel” genoemd, waarop God zat. — Venema.

Vers 3

“Voor het aangezicht van Efraim, en Benjamin, en Manasse.” De drie stammen Efraïm, Manasse en Benjamin, de drie zonen van Rachel, liepen vlak achter de ark. Elke keer als de ark tegen de vijand optrok, riep Mozes: “Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!” De psalmdichter herhaalt die uitroep. “Laat Uw aanschijn lichten” was de zegen van Aäron; de psalmist bidt dat die zegen vernieuwd wordt. — Augustus F. Tholuck.

Vers 4

“Breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten.” Breng ons naar U toe, weg van het aardse naar het hemelse. Buig onze weerspannige wil naar U toe. En als we bekeerd zijn, toon dan Uw gezicht, zodat we U kennen; toon Uw macht, zodat we U vrezen; toon Uw wijsheid, zodat we U eerbiedigen; toon Uw goedheid, zodat we van U houden. Toon ze één keer, toon ze een tweede keer, toon ze altijd, zodat we met een blij gezicht door de verdrukking mogen gaan en verlost worden. Als U verlost, zullen wij verlost worden. Als U Uw hand terugtrekt, kunnen wij niet verlost worden. — Savonarola.

Vers 5

“HEERE, God der heirscharen.” Alle schepselen worden op Zijn bevel gemonsterd, getraind, in garnizoen gelegd of te velde gebracht. Waar kunnen we kijken zonder Zijn legers te zien? Kijken we omhoog naar de hemel, dan staat daar een troep soldaten, ja een menigte van het hemelse leger, die God prijzen (Lukas 2:13). Kijken we naar de lagere hemelen, dan staat daar ook een troep soldaten (Genesis 2:1). Het was de universa militia caeli, het hele leger van de hemel, waarvoor die afgodendienaars wierook brandden. Op aarde worden niet alleen mensen voor de dienst opgesteld; zo werd Israël de “slagorden van den levenden God” genoemd.

Zelfs de redeloze dieren staan in slagorde. God liet een zwerm vliegen op de Egyptenaren los en een leger kikvorsen dat tot in hun slaapkamers optrok. Hij heeft troepen sprinkhanen (Spreuken 30:27) en legers rupsen. Hij heeft niet alleen de wagens en ruiters van de hemel om Zijn profeet te beschermen, maar ook de geringste, onhandelbaarste en meest verachte schepselen om Zijn vijanden in verwarring te brengen.

Als Goliath voortstapt om de God van Israël uit te dagen, wordt hij weerlegd met een keisteentje. Als Herodes zich opblaast tot een god, zet God Zijn gedierte op hem, en alle lijfwachten van de koning kunnen hem er niet tegen beschermen. Je hebt vast wel eens gehoord van de ratten die pas weggingen toen ze die hebzuchtige prelaat hadden gedood, en van de vlieg die paus Adrianus doodde. God heeft meer middelen om te straffen dan Hij schepselen heeft.

“De HEERE, God der heirscharen” is eigenlijk geen titel van de schepping, maar van de Voorzienigheid. Alle schepselen danken hun bestaan aan God als hun Maker. Maar zo danken ze ook hun orde aan Hem als hun Bestuurder. De titel zegt niet zozeer iets over hun bestaan als wel over hun opstelling; niet over hun natuurlijke staat, maar over hun strijdende staat. Ze zijn Hem niet alleen als schepselen hun maaksel verschuldigd, maar als soldaten hun leiding. Hun orde is krijgshaftig en ze dienen onder de vaandels van de Almachtige. God wil hier dus niet worden gezien als Schepper, maar als veldheer.

Zijn toorn lijkt daarom des te vreselijker, omdat die ons onder zo’n grote titel wordt voorgesteld: “de HEERE, God der heirscharen” is toornig. Men vertelt van Tamerlan dat hij zijn vijanden kon ontmoedigen met niets meer dan één blik van zijn gezicht. O, welke schrik woont dan in het gezicht van een vertoornde God! De verworpenen zullen de rotsen toeroepen om hen te verbergen voor de toorn van het Lam (Openbaring 6:16). Als ira agni, de toorn van het Lam, hen al zo verschrikt, hoe vreselijk is dan ira leonis, de toorn van de leeuw?

Het mag ons allemaal terecht verontrusten te horen dat de Heere, “de HEERE, God der heirscharen”, toornig is. In dat besef breekt de profeet hier uit in deze klacht: “O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?” — Thomas Adams.

Vers 5

“Hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?” Onze gebeden zelf kunnen zoveel gebreken hebben dat God ze niet kan waarderen. Bijvoorbeeld wanneer ze Exanimes zijn: zonder leven en zonder ziel, omdat het hart niet weet wat de tong uitspreekt. Of Perfunctoriae: God wil niets weten van gebeden die van geveinsde lippen komen. Of Tentativae: wie bidt om petere tentando, dus om God op de proef te stellen, gaat met lege handen weg. Of Fluctuantes: wilde, dwalende gebeden die maar op en neer zwerven. De apostel noemt dat “als de lucht slaande”, zoals jagers de struiken afkloppen en zoals Saul de ezelinnen van zijn vader zocht.

Zulke gebeden stuiten nooit op het koninkrijk der hemelen. Of ze zijn Preproperae: in haast afgedraaid, zoals sommigen hun gebeden afraffelen en intussen al denken aan het moment dat ze klaar zijn. Maar wie zo gehaast bidt, krijgt pas op Gods gemak antwoord. Of sine fiducia, zonder vertrouwen. Een ongelovige kan beter zwijgen dan bidden. Hij kan wel brabbelen, maar hij bidt niet. Zijn gebed heeft geen uitwerking en hij ontvangt niets. Hij heft zijn handen op, maar niet zijn hart. Alleen het gebed van de rechtvaardige vermag veel, en alleen de gelovige is rechtvaardig.

De vormelijke vroomheid van een ongelovige is de korst brood niet waard waar hij om vraagt. Of sine humilitate, zonder nederigheid. Zo was het gebed van de Farizeeër geen supplicatio, een smeekbede, maar superlatio, een zelfverheffing. Een aanmatigend gebed ontheiligt de naam van God in plaats van Hem te aanbidden. Elk van deze gebreken, of alle samen, kan ons gebed laten mislukken. — Thomas Adams.

Vers 6

“Uit een drieling.” Het Hebreeuwse woord shalish is de naam van een maat. Die heeft haar naam van het getal drie, omdat ze een derde deel van de grootste maat bevat. Ze is vier keer zo groot als de gewone drinkbeker. — Henry Ainsworth.

Vers 8

“O God der heirscharen! breng ons weder.” Kijk even naar Psalm 80:4. Daar staat alleen: “O God! breng ons weder.” Hier staat: “O God der heirscharen”, en in vers 20: “O HEERE, God der heirscharen.” Een vogel vangt door veel te klapwieken wind onder zijn vleugels en stijgt daardoor hoger. Zo werkt ook het geloof in het gebed: viresque acquirit eundo, het wint kracht naarmate het vooruitgaat. — John Trapp.

Vers 8

Verlossing mogen we met zekerheid verwachten, wanneer we Gods volgorde aanhouden. Doen we ons best om zeker te weten dat we tot God bekeerd zijn? En leven we in het besef dat we gemeenschap met Hem hebben? Dan hoeven we niet aan onze verlossing te twijfelen, want die volgt onfeilbaar op die twee. “O God der heirscharen! breng ons weder, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden.” Dat laatste wordt hier niet als gebed uitgesproken. Ze beloven het zichzelf, en ze stellen buiten kijf dat het komen zal. “Breng ons weder, … zo zullen wij verlost worden”, zeggen ze. — David Dickson.

Vers 9

“Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht”, enz. Hier worden ons de zegeningen voorgehouden in beeldtaal, ontleend aan de wijnstok en aan de zorg die daaraan gewoonlijk wordt besteed. Het gaat om drie dingen.

  1. De wijnstok wordt verplant: van een onvruchtbare bodem naar een zeer rijke en vruchtbare grond.
  2. Hij wordt geplant en verzorgd.
  3. Daardoor draagt hij ongelooflijk veel vrucht. — Venema.

Verzen 9-20

De weergave van deze passage door Mant is zo voortreffelijk dat we haar helemaal aanhalen:

9. Uw handen brachten uit Egypte een edele wijnstok
en plantten hem in Palestina’s vruchtbare grond;
10. Zij maakten het lege land vrij voor zijn grijpende wortels,
zodat hij hoog kon opgaan en vast kon staan.

11. Ver over de eeuwige heuvels viel zijn schaduw,
zijn ranken omkransten de hoge kruin van de ceder;
12. Als middelpunt van het land stond hij daar,
zijn takken reikten tot de zee, zijn loten tot de rivier in het oosten.

13. Waarom hebt U nu zijn heggen weggerukt
en hem onbeschut gelaten, een prooi voor ieder die voorbijtrekt?

14. Het wild van het veld verslindt elke tere loot,
het zwijn uit het woud valt woest zijn wortels aan.

15. Keer toch weer, o God; zie neer uit de hemel,
sla het oog op deze verwaarloosde wijnstok en bezoek hem:

16. Zie naar de plant die U eens zo liefhad,
en bovenal naar Uw lieflijke tak, de hoop van Israël.

17. Al is hij verbrand en verscheurd, zijn trotse vijand
zal Uw toorn in al zijn dodelijke schrik ervaren.

18. Maar op de Man Die U met kracht hebt bekleed,
de Mensenzoon, door U bestemd om te overwinnen,
19. zal Uw hand rusten, tot wij Uw zegepraal zien,
Uw lof bezingen en U blijven gedenken.

20. Breng ons weder, God van de hemelse machten,
laat Uw aangezicht stralen, en vrede wordt ons deel.

Vers 15

“Aanschouw uit den hemel, en zie.” Dit gebed past alleen bij wie echt berouw heeft en van harte terugkeert. Met welk geweten zouden we God anders durven vragen om uit de hemel neer te zien op onze zaken? We zouden Zijn toorn alleen maar méér ontsteken als we, terwijl we in zonde leven, ook nog de volkomen heilige ogen van God durfden uit te dagen om vanuit de hemel onze goddeloosheid te zien. — Musculus.

Vers 15

“Aanschouw uit den hemel.” U bent ver van ons weggegaan, U bent ten hemel opgevaren. U hebt ons verlaten. Zie dan tenminste vanuit de hemel op ons neer, als U niet naar de aarde wilt afdalen omdat onze zonden dat niet verdienen. — Savonarola.

Vers 15

“Bezoek dezen wijnstok.” Hij heeft nog wortels, en er leven nog takken. Hij begon in het begin van de wereld, nooit is hij mislukt en nooit zal hij mislukken. Want U hebt gezegd: “Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.” Hij kan kleiner worden, maar nooit helemaal vallen. Deze wijnstok is de wijnstok die U geplant hebt. Er is één Geest, één geloof, één doop, één God en Heere van allen, Die alles in allen is. Bezoek dan deze wijnstok, want Uw bezoek behoudt haar geest. Bezoek haar met Uw genade, met Uw tegenwoordigheid, met Uw Heilige Geest.

Bezoek haar met Uw roede en met Uw staf, want Uw roede en Uw staf vertroosten haar. Bezoek haar met Uw gesel, zodat ze getuchtigd en gezuiverd wordt, want de tijd van het snoeien komt. Gooi de stenen weg, verzamel de dorre takken en bind ze in bundels om te verbranden. Richt haar weer op, snijd de overtollige loten af, maak haar steunen stevig, maak de grond rijker, bouw de omheining weer op en bezoek deze wijnstok, zoals U nu ook de aarde bezoekt en bewatert. — Savonarola.

Vers 18

“Uw hand zij over den man Uwer rechterhand”, enz. De kerk en haar leden hebben niets méér nodig dan Christus om zeker te zijn dat ze blijft bestaan en standhoudt. Nu de wijngaard verbrand is en de zichtbare kerk beschadigd, laten de overblijvenden het hierbij en rusten ze daarin. Dat aanvaarden en onderschrijven ze ook werkelijk: “Uw hand zij over den man Uwer rechterhand, over des mensen zoon, dien Gij U gesterkt hebt.” Christus is een bloedverwant van de gelovige en heeft Zich vernederd in Zijn menselijke natuur. Dat zijn sterke steunen voor het geloof en een troost voor Zijn volk, dat redding bij Hem zoekt.

Daarom houden de gelovigen zich hieraan vast: zoals Hij Gods Zoon is, is Hij ook een tak van hun wijngaard. Zoals Hij als God aan de rechterhand van de Vader zit, is Hij ook de man van Zijn rechterhand. Hij is de Zoon des Mensen, of van Adam: deelgenoot van vlees en bloed met ons, van dezelfde stam als wij, in alle dingen aan ons gelijk, behalve in de zonde. Want “de Zoon des Mensen” is de naam waarmee Christus Zichzelf noemde in Zijn vernedering. Dat de kerk blijft bestaan en dat de heiligen volharden, rust erop dat Christus genoeg is voor alles.

Zo mag de oprechte gelovige, net als van het voortbestaan van de kerk, ook van zijn eigen volharding en blijvende gemeenschap met God door Hem verzekerd zijn. “Uw hand zij over den man Uwer rechterhand”, enz.; “zo zullen wij van U niet terugkeren.” — David Dickson.

Vers 18

“Den man Uwer rechterhand, … des mensen zoon.” Deze sprekende uitdrukkingen passen in de diepste en volste zin op Christus. De Man van Gods rechterhand is de Man Die daar is neergezet. Op wie kan die titel dan van toepassing zijn, behalve op Hem? Tot welke van de engelen heeft God ooit gezegd: “Zit aan Mijn rechter hand”? (Hebr. 1:13). Van een Joodse koning heeft Hij dat al helemaal nooit gezegd. Dan de andere titel, de Zoon des Mensen. Dat is een van de duidelijkste titels van Christus, want in de Schrift krijgt Hij die niet minder dan eenenzeventig keer: zevenenzestig keer van Hemzelf, één keer van Daniël, één keer van de martelaar Stefanus en twee keer van de apostel Johannes in Openbaring.

Hij is het ook die de Vader sterk heeft gemaakt tot behoud van Zijn kerk. Hij zal de gevangenschap van het uitverkoren volk nog keren en hun een plaats in de kerk teruggeven, zodat ze voortaan niet meer van God terugkeren. — Redactionele aantekening bij Calvijn op deze plaats.

Vers 18

“Den man Uwer rechterhand.” De man van de rechterhand is, 1. Zeer dierbaar: iemand die je net zo kostbaar vindt als je eigen rechterhand (Matth. 5:29-30). Jakob noemde de zoon van zijn meest beminde vrouw Benjamin, zoon van de rechterhand (Gen. 35:18). Hij was hem zo dierbaar dat zijn leven aan het leven van de jongen vastzat (Gen. 44:30).

  1. Het meest geëerd. Iemand aan wie je de hoogste eer wilt bewijzen, zet je aan je rechterhand. Zo plaatste Salomo zijn moeder (1 Kon. 2:19), en zo staat de bruid aan de rechterhand (Ps. 45:10). Aan de rechterhand zitten is in de Schrift het bewijs van de grootste eer.
  2. Verbonden. Verbonden en onderlinge afspraken worden bekrachtigd door elkaar de rechterhand te geven (2 Kon. 10:15). Jehu zei tegen Jonadab: Is uw hart recht? En Jonadab antwoordde: Het is. Als dat zo is, geef mij uw hand. En hij gaf hem zijn hand. Zo gaf men gewoonlijk de rechterhand, zoals in Gal. 2:9. De man van Gods rechterhand is dus iemand die Hem zeer dierbaar is, hoog geëerd en met Hem verbonden in een verbond. — James Alting, 1618-1679.

Vers 18

De uitdrukking “man Uwer rechterhand” kan direct slaan op de koning die in Juda regeerde toen deze psalm werd geschreven. Maar uiteindelijk, en in de eigenlijke zin, bedoelt ze Jezus Christus, het grote voorbeeld van alle koningen uit Davids lijn. Het Nieuwe Testament is de beste uitlegger van het Oude, en het verzekert ons dat deze hooggeëerde man de Zoon van God is (Hebr. 1:1, 3, 13). Wie de eigenlijke betekenis van de uitdrukking wil begrijpen, moet echter letten op een gebruik in Judea en andere oosterse landen. Bij maaltijden zette de gastheer degene van wie hij het meest hield aan zijn rechterhand, als teken van liefde en achting.

Omdat men op rustbanken zat, leunde de gastheer tussen de gangen op zijn linkerelleboog. De man aan zijn rechterhand leunde dan ook op zijn elleboog en legde als vanzelf zijn hoofd op de borst van de gastheer. Tegelijk legde de gastheer zijn rechterhand op de schouder of zijde van zijn gunsteling, ten teken van zijn welwillendheid. Op dit gebruik wordt duidelijk gezinspeeld in Joh. 21:20, waar Johannes de discipel heet die Jezus liefhad en die ook aan Zijn borst had gelegen bij het avondmaal. Omdat Christus de man van Gods rechterhand heet, zegt dat dus dat Hij het voorwerp is van Gods warmste en meest eervolle achting.

De Vader heeft een welbehagen in Hem en heeft Hem als teken daarvan op de meest eervolle plaats gezet. Hij is de Zoon des Mensen, Die de Vader sterk heeft gemaakt voor Zichzelf. Dat wil zeggen: om de eer en waardigheid van Gods karakter te handhaven te midden van een verkeerd en verdraaid geslacht. De gedachte dat de rechterhand van de Vader op Hem rust, en dat de Vader in Hem als onze Borg voldaan is, moet ons bezielen en bemoedigen om tot Zijn troon te naderen. Het is ook de scherpste prikkel om dat voornemen waar te maken: “Zo zullen wij van U niet terugkeren.” — Alexander Pirie.

Vers 19

“Zo zullen wij van U niet terugkeren”, enz. Hoe moeten we het verband zien tussen deze woorden en wat eraan voorafgaat? Dat kan op twee manieren.

  1. Het zou hen verplichten tot standvastige gehoorzaamheid. Het zou hen op een bijzondere manier binden om nooit meer af te vallen, zoals ze eerder wel deden. Als God dit verzoek zou inwilligen, zou dat voor hen een uitstekende band en verplichting zijn om Hem het meest standvastig en trouw te dienen.
  2. Het zou hen in staat stellen zulke gehoorzaamheid te bewijzen. Dat is volgens mij vooral bedoeld. Als God zulke hulp voor hen op Christus zou leggen, zouden ze daardoor kracht krijgen om hun plicht tegenover Hem beter te vervullen dan ooit tevoren. Uit zichzelf zijn ze zwak en wankel, vals en trouweloos, maar hier is toch een doeltreffend geneesmiddel. — Timothy Cruso.

Vers 20

In de nood komt God, en als Hij komt, is het geen nood meer. — Gaelisch spreekwoord.

Vers 20

“Breng ons weder.” Wat een zegen dat we naar God kunnen opzien wanneer ons gezicht de verkeerde kant op wijst, zodat Hij ons kan omkeren! Dan laat Hij Zijn aangezicht over ons lichten en brengt Hij Zijn volk zegen en verlossing, nu meteen. — J. N. Darby.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 2

Op welke manieren de Heere voor Israël handelde als een Herder, als toelichting bij Zijn omgang met Zijn kerk.

Vers 3

De verlossing die we verwachten, in verband met Gods volk, hun gebeden, hun werk en hun dagelijkse dienst.

Vers 4

Het dubbele werk in de verlossing: (1) Breng ons weder; (2) Keer U tot ons.

Vers 5

Welke gebeden God toornig maken.

Vers 6

Onsmakelijk voedsel.

  1. Bekijk eens goed wat er aan voedsel is.
  2. Let op de hand die het aanreikt.
  3. Bedenk hoe gezond dit voedsel is.
  4. Houd rekening met de verzachtende omstandigheden.

Vers 8

Bekering, gemeenschap met God en de zekerheid van verlossing.

Verzen 9-16

Waarin de kerk op een wijnstok lijkt.

Vers 13

  1. De heggen om de kerk.
  2. Hoe ze worden weggehaald.
  3. De droevige gevolgen.

Vers 14

Wie zijn de grootste vijanden van de kerk? Waar komen ze vandaan? Hoe kunnen we ze overwinnen?

Verzen 18-19

Gods macht zichtbaar in Jezus, de oorzaak waarom de heiligen volharden.

Vers 19 (laatste zinsnede)

Waarom nieuw leven nodig is voor aanbidding die God welgevallig is.

Werk over de tachtigste psalm

Hieronymi Savonarolae Ferrariensis Meditationes in Psalmos — Miserere — In Te Domine Speravi, et Qui Regis Israel (12mo. Leiden: 1633).

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas