Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 69 — Treasury of David

93 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

“Voor den opperzangmeester, op Schoschannim.” Dit is al de tweede keer dat een psalm het opschrift “op de lelies” draagt. In Psalm 45 ging het om gouden lelies. Ze druppelen van geurende mirre en bloeien in prachtige tuinen langs de ivoren paleizen. Hier zien we iets anders: de lelie tussen de doornen, de lelie der dalen, mooi en lieflijk, bloeiend in de hof van Gethsemane. “Een psalm van David.” Stel dat iemand vraagt: “Over wie schrijft de psalmist dit? Over zichzelf of over een ander?” Dan zeggen we: over zichzelf én over een ander.

Wie die ander is, hoeven we niet lang te zoeken. Alleen de Gekruisigde kan zeggen: “In mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.” De Heilige Geest wijst in het Nieuwe Testament Zijn voetsporen aan, door heel dit droeve lied heen. Daarom geloven we, en we zijn er zeker van, dat hier de Zoon des mensen aan het woord is.

Toch lijkt de Geest nog iets anders te willen. Hij laat ons persoonlijke voorbeelden zien en toont zo de gelijkenis met de Eerstgeborene die er is bij de erfgenamen van de zaligheid. Maar tegelijk zet Hij de verschillen neer tussen de beste van alle mensenkinderen en de Zoon van God. Er staan hier namelijk verzen die we niet op onze Heere durven toepassen. We huiveren bijna als we onze broeders dat zien proberen, bijvoorbeeld bij Psalm 69:6. Vooral het verschil tussen David en de Zoon van David valt op. David spreekt vervloekingen uit over zijn vijanden, terwijl de Zoon van David voor Zijn vijanden bidt. We beginnen onze uitleg van deze psalm met veel ontzag en beven. We voelen dat we samen met onze Grote Hogepriester het heilige der heiligen binnengaan.

Indeling

Deze psalm heeft twee delen van elk 18 verzen, en elk deel valt weer uiteen in drie stukken. In het eerste stuk (Ps. 69:2-5) legt de lijder Zijn klacht aan God voor. Daarna zegt Hij dat Zijn ijver voor God de oorzaak van Zijn lijden is (Ps. 69:6-13). Dat geeft Hem moed om te bidden om hulp en redding (Ps. 69:14-19). In de tweede helft beschrijft Hij eerst hoe slecht Zijn tegenstanders met Hem omgaan (Ps. 69:20-22). Dan roept Hij om hun straf (Ps. 69:23-29). Ten slotte keert Hij terug naar het gebed. Hij kijkt blij uit naar Gods ingrijpen en naar wat dat teweegbrengt (Ps. 69:30-37).

Uitleg

Vers 2

Verlos mij, o God. “Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen.” Met sterk geroep en tranen bracht Hij gebeden en smekingen voor Hem Die Hem uit de dood kon redden, en Hij werd verhoord vanwege Zijn ontzag (Hebr. 5:7). Zo had David gebeden, en hier slaakt zijn Zoon en Heere dezelfde kreet. Dit is de tweede psalm die begint met “Verlos mij, o God”. De vorige keer (Psalm 54) was het maar een korte samenvatting van deze uitgebreidere klacht. Het is opvallend dat zo’n tafereel vol leed ons meteen na de jubelende hemelvaartshymne van de vorige psalm wordt voorgehouden.

Het laat zien hoe nauw de heerlijkheid en het lijden van onze eeuwig gezegende Verlosser met elkaar verweven zijn. Het hoofd dat nu met eer gekroond is, is hetzelfde hoofd dat de doornen droeg. Hij tot Wie wij bidden: “Verlos ons, o God”, is dezelfde Persoon Die riep: “Verlos mij, o God.”

Want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Diepe, overstelpende, dodelijke smart was Zijn binnenste binnengedrongen. Lichamelijke pijn is Zijn eerste klacht niet. Hij begint niet met de gal die Zijn lippen bitter maakte, het ergste dat Hij aan de buitenkant onderging, maar met het machtige leed dat in Zijn hart losbrak. De zee buiten een schip is minder te vrezen dan het water dat in het ruim komt. Een gewonde geest, wie kan die dragen? Dat is een last die geen mens op zijn eentje tilt. Hier zien we onze Heere als een Jona die roept: “De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe.” Op bevel van Zijn Vader ging Hij voor ons de grote wateren op.

De storm joeg de golven omhoog en Hij zonk weg in de diepte, totdat Zijn ziel vergaan wilde van benauwdheid. In dit alles leeft Hij met ons mee, en Hij is in staat ons te helpen. Dat geldt ook voor ons wanneer wij, net als Petrus, beginnen te zinken en tot Hem roepen: “Heere, behoed ons, wij vergaan!”

Vers 3

Ik ben gezonken in grondeloze modder. In water kun je nog zwemmen, maar in modder en slijk is alle worstelen hopeloos. Het slijk zuigt zijn slachtoffer naar beneden. Waar men niet kan staan. Alles gaf mee onder de Lijder. Hij kon geen grond onder Zijn voeten vinden om Zich aan vast te houden, en dat is nog erger dan verdrinken. Zo schildert onze Heere hoe vast en benauwend het leed van Zijn hart om Hem heen zat. Hij begon “droevig en zeer beangst te worden.” De zonde is als slijk, omdat ze zo vuil is.

De heilige ziel van de Zaligmaker moet er een afschuw van gehad hebben dat Hij ermee verbonden werd, hoe nodig dat ook was voor onze verzoening. Zijn zuivere, gevoelige natuur leek erin weg te zinken. Dit was Zijn element niet. Hij was niet, zoals wij, geboren in dit grote, troosteloze moeras en eraan gewend.

Hier werd onze Verlosser een tweede Jeremia. Van hem staat in Jer. 38:6 dat zijn vijanden hem in een kuil wierpen waarin “geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk.” Laten onze harten bewogen worden, met berouw én met dankbaarheid, nu we in dit beeld zien hoe diep onze Heere Zich vernederde. Zo diep ging Hij voor ons.

Ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij. Het leed wordt nog zwaarder. Hij is als iemand die in zee geworpen is en wiens hoofd onder water verdwijnt. Eerst zaten Zijn smarten binnen in Hem, toen om Hem heen, en nu boven Hem. Onze Heere was geen overgevoelige zwakkeling. Zijn leed was echt. Hij droeg het als een held, met een moed die ons verbaast, maar het was zelfs voor Hem afschuwelijk. Geen lijden is met het Zijne te vergelijken. De wateren drongen tot in Zijn ziel door. Het slijk was het slijk van de afgrond zelf, en de vloeden waren diep en overweldigend. Ons is beloofd: “de rivieren, zij zullen u niet overstromen.” Zo’n troostwoord kreeg Hij niet.

Mijn ziel, je Geliefde heeft dit alles voor je doorstaan. Vele wateren konden Zijn liefde niet blussen en rivieren konden haar niet verdrinken. Daarom heb je nu de rijke zekerheid van het verbond: “Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.” Hij hield de stroom van Gods almachtige toorn tegen, zodat wij voor altijd mogen rusten in Jehova’s liefde.

Vers 4

Ik ben vermoeid van mijn roepen. Niet vermoeid van het bidden zelf, maar door het bidden, en samen met het bidden. Hij had gebeden tot Hij zweette als grote druppels bloed. Dan hoeft het niemand te verbazen dat er ook lichamelijke uitputting bijkwam. Mijn keel is ontstoken, uitgedroogd, verschroeid en brandend. Lang pleiten met een ontzagwekkende gloed had Zijn keel verschroeid, als door vlammen. Maar weinig van Zijn heiligen volgen hun Heere zo ver in het gebed. Wij zijn, zo moeten we vrezen, eerder hees van het praten over onbenulligheden dan van het pleiten bij God.

Toch heeft onze zondige natuur meer gebed nodig dan Zijn volmaakte mensheid ooit nodig leek te hebben. Zijn gebeden moeten ons beschamen, zodat we vurig worden in ons eigen bidden. De smekingen van onze Heere waren met vuur gezouten en gloeiden van angst. Daarom putten ze Zijn lichaam uit. Ze maakten Hem tot “een vermoeid man en vol van smarten”.

Mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God. In Zijn felste nood wilde Hij niets meer dan Zijn God. Die zou Hem alles in allen zijn. Velen van ons weten wat waken en wachten is. We kennen iets van de ogen die moe worden wanneer de hoop lang uitblijft. Maar hierin draagt Jezus de prijs. Geen ogen zijn ooit zo bezweken als de Zijne, en om zo’n diepe reden. Geen schilder kan die ogen ooit uitbeelden. Hun penselen schieten tekort bij elk trekje van Zijn gezicht, dat bijna mooi was en toch helemaal misvormd.

Ze schieten het meest tekort wanneer ze die ogen proberen te schilderen, die bronnen van tranen waren. Hij wist hoe je moet bidden én hoe je moet waken, en Hij wil dat wij hetzelfde leren. Soms moeten we bidden tot onze keel droog is en waken tot onze ogen dof worden. Alleen zo kunnen we echt delen in Zijn lijden en met Hem verbonden zijn. Wat! Kunnen we dan niet één uur met Hem waken? Deinst het vlees terug? O wreed vlees, zo zacht voor jezelf en zo harteloos tegenover je Heere!

Vers 5

Die mij … haten. Het is een verbijsterende zonde dat mensen Hem haatten Die geheel liefelijk is. Terecht staat erbij: zonder oorzaak. Voor deze zinloze vijandschap was geen enkele reden. Hij had God niet gelasterd en niemand kwaad gedaan. Zoals Samuël zei: “Wiens os ik genomen heb, en wiens ezel ik genomen heb, en wien ik verongelijkt heb, wien ik onderdrukt heb?” Dat kon Jezus ook vragen, en op precies dezelfde manier. Hij had ons niet alleen geen kwaad gedaan, maar ontelbare en onschatbare weldaden bewezen. Hij mocht met recht vragen: “Om welk werk van die stenigt gij Mij?” En toch had Hij van Zijn wieg tot Zijn kruis vijanden zonder tal, beginnend bij Herodes en niet eindigend bij Judas. En Hij zei terecht: ze zijn meer dan de haren van Mijn hoofd.

Burgers en soldaten, leken en geestelijken, geleerden en dronkaards, vorsten en volk: ze keerden zich allemaal tegen de Gezalfde des Heren. “Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden”, zo luidde het eensgezinde besluit van alle bewakers van de Joodse wijngaard. De heidenen buiten de tuinmuur leverden de wapens voor Zijn moord en voerden de daad ook echt uit. De legers van aarde en hel sloegen de handen ineen en vormden een enorme macht van tegenstanders. Niemand van hen had een eerlijke reden om Hem te haten, niet één van al die tegenstanders.

Die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden. Het was al erg dat er zoveel waren, maar nog erger dat ze zoveel macht hadden. Alle kerkelijke en militaire machten in Zijn land stonden tegen Hem op. Het Sanhedrin, de volksmenigte en de Romeinse legioenen waren verenigd om Hem volledig te vernietigen. “Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leve”, riepen Zijn woeste vijanden. Davids tegenstanders zaten op de troon terwijl hij zich in holen verborg. De vijanden van onze Heere waren de groten der aarde, terwijl Hij, van Wie de wereld niet waardig was, door de mensen werd verguisd en door het volk veracht.

Wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven. Hoewel Hij onschuldig was, werd Hij behandeld als een schuldige. David had niets te maken met de samenzweringen tegen Saul en werd er toch voor verantwoordelijk gehouden. Over onze Heere mag met waarheid gezegd worden dat Hij teruggeeft wat Hij niet geroofd heeft. Hij geeft Gods gekrenkte eer een vergoeding en de mens zijn verloren geluk. Toch waren de smaad van de een en de val van de ander op geen enkele manier Zijn werk. Meestal lijdt het volk wanneer de heerser zondigt. Hier is het spreekwoord omgekeerd: de schapen dwalen, en hun dwaling wordt de Herder aangerekend.

Vers 6

“O God, Gij weet van mijn dwaasheid.” David mocht dit wel zeggen, maar de Heere van David niet. Tenzij we het opvatten als een beroep op God: U weet dat Ik vrij ben van de dwaasheid die de mensen Mij toeschreven toen ze zeiden dat Hij buiten zinnen was. Wat voor mensen dwaasheid was, was voor God de hoogste wijsheid. Wij kunnen deze woorden vaak in hun gewone betekenis gebruiken. Als we niet zulke dwazen waren dat we blind zijn voor onze eigen dwaasheid, zou deze belijdenis dikwijls op onze lippen liggen. Als we merken dat we dwaas zijn geweest, moeten we daarom niet ophouden met bidden. We moeten juist des te gretiger en vuriger bidden. Dwazen doen er goed aan de oneindig Wijze te raadplegen.

En mijn schulden zijn voor U niet verborgen. Met mijn eigen vijgenbladeren kan ik ze niet verbergen. Alleen de bedekking die U mij zult brengen, kan hun naaktheid en de mijne toedekken. Belijden wordt gemakkelijker als we zeker weten dat alles al bekend is. Een gebed zonder belijdenis kan de trots van een Farizeeër strelen, maar het zal nooit rechtvaardiging brengen. Wie zijn zonden nooit in het licht van Gods alwetendheid heeft gezien, kan zich ook niet op die alwetendheid beroepen als bewijs van zijn vroomheid. Alleen wie kan zeggen: “Gij weet van mijn dwaasheid”, kan ook toevoegen: “Gij weet, dat ik U liefheb.”

Vers 7

Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen. Als Hij zou worden verlaten, zouden anderen die op hetzelfde pad van geloof lopen de moed verliezen en teleurgesteld raken. Ongelovigen grijpen maar al te graag alles aan om nederig geloof belachelijk te maken. Daarom, o God van alle legers van Israël: laat mijn geval de vijand niet aan het lasteren brengen. Dat is de geest van dit vers. Onze gezegende Heere maakte Zich altijd zorgen om Zijn volk. Hij wilde niet dat Zijn eigen benauwdheid hen zou ontmoedigen.

Laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels. Hij roept eerst de Heere der heirscharen aan, om Hem met Zijn macht te helpen. Daarna roept Hij de God van Israël aan, om Hem in Zijn trouw aan het verbond te redden. Als de aanvoerder van het leger bezwijkt, hoe moet het dan met de gewone manschappen? Als David vlucht, wat moeten zijn volgelingen dan doen? Als de koning van de gelovigen zijn geloof onbeloond ziet, hoe moeten de zwakken dan hun weg vervolgen?

Hoe onze Heere Zich gedroeg in Zijn zwaarste doodsstrijd, hoeft ons niet te beschamen. Hij weende, want Hij was mens. Maar Hij morde niet, want Hij was een zondeloos mens. Hij riep: “Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan.” Dat deed Hij omdat Hij waarlijk menselijk was. Maar Hij voegde eraan toe: “Doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.” Want in Zijn mensheid zat geen smet van opstand. Midden in de diepste verdrukking ontsnapte Hem geen klagend woord, want er was geen klagen in Zijn hart. De Heere der martelaren legde een goede belijdenis af. Hij werd gesterkt in het uur van gevaar en kwam eruit als meer dan overwinnaar. Dat zullen ook wij doen, als we onze vrijmoedigheid vasthouden tot het einde.

Vers 8

Want om Uwentwil draag ik versmaadheid. Omdat Hij op Zich nam de wil van de Vader te doen en Zijn waarheid te leren, werden de mensen woedend. Omdat Hij Zichzelf de Zoon van God noemde, raasde het priesterdom. Ze konden geen echte fout in Hem vinden. Daarom moesten ze eerst een leugenachtige beschuldiging verzinnen voordat ze hun schijnproces konden beginnen. De kern van de ruzie was dat God met Hem was en Hij met God, terwijl de schriftgeleerden en Farizeeën alleen hun eigen eer zochten. Smaad snijdt altijd diep bij een mens met een eerlijk hart.

Hij moet extra scherp zijn aangekomen bij Iemand met een zo smetteloos karakter als onze Heere. Toch zien we hoe Hij Zich tot Zijn God wendt. Zijn troost is dat Hij alles verdraagt omwille van Zijn Vader. Dezelfde troost hoort bij alle heiligen die verkeerd worden voorgesteld en vervolgd.

Schande heeft mijn aangezicht bedekt. Wie ter dood veroordeeld was, kreeg vaak het gezicht bedekt wanneer hij van de rechterstoel werd weggesleurd. Zo gebeurde het met de goddeloze Haman in Esth. 7:8. Zo bedekten ze ook onze Heere het gezicht: eerst met de sluier van een smadelijke beschuldiging, en toen haastten ze Hem weg om gekruisigd te worden. Bovendien lieten ze Hem de wreedste bespotting ondergaan. Ze besmeurden Zijn gezicht met speeksel en bedekten het met builen. Zo vestigde Pilatus’ “Ecce Homo” de aandacht van de wereld op een schouwspel van wee en schande waar niets mee te vergelijken is. Het ontkleden aan het kruis moet ook een bescheiden blos op het gezicht van de Verlosser hebben gebracht, terwijl Hij daar hing onder de wrede blikken van een schaamteloze menigte.

Ach, gezegende Heere, het was onze schande die U moest dragen! Niets verdient meer verguizing en minachting dan de zonde. En zie: toen U voor ons zonde werd gemaakt, moest U smaad en hoon verdragen. Gezegend zij Uw naam, o Heere. Het is nu voorbij, en het lijden ligt achter U. Maar we zijn U meer verschuldigd dan ons hart kan bevatten, voor Uw verbazingwekkende neerbuigende liefde.

Vers 9

Ik ben mijn broederen vreemd geworden. De Joden, Zijn broeders naar het ras, wezen Hem af. Zijn eigen familie, Zijn broeders naar het bloed, namen aanstoot aan Hem. Zijn discipelen, Zijn broeders naar de geest, lieten Hem in de steek en vluchtten. Eén van hen verkocht Hem en een ander verloochende Hem met eden en vloeken. Helaas, mijn Heere, welke pijn moet Uw liefhebbende hart hebben doorboord, toen juist zij U zo in de steek lieten! Zij hadden U moeten liefhebben, U moeten verdedigen en zo nodig voor U moeten sterven.

En onbekend aan mijner moeders kinderen. Dit waren de allernaaste bloedverwanten. Kinderen van één vader met meer vrouwen voelden de familieband maar los. Maar kinderen van dezelfde moeder erkenden de band van liefde. Toch zag onze Heere dat Zijn naasten en dierbaarsten zich schaamden om Hem te erkennen. Davids broers waren jaloers op hem en spraken kwaad over hem. Zo waren ook de bloedverwanten van onze Heere afgunstig op Hem. En Zijn meest geliefde volgelingen waren in het uur van Zijn doodsstrijd bang om bekend te staan als iemand die met Hem te maken had. Dit waren scherpe pijlen van een sterke hand, die de ziel van Jezus troffen, de tederste van alle vrienden.

Laat niemand van ons ooit handelen alsof wij vreemden voor Hem zijn. Laat ons Hem nooit behandelen alsof Hij een vreemde voor ons is. Laten we liever besluiten met Hem gekruisigd te worden, en moge genade dat besluit tot daad maken.

Vers 10

“Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd.” Zijn vurige gloed vrat aan Zijn krachten, zoals de vlam van een kaars de kaars zelf opbrandt. Zijn hart sneed door Zijn lichaam heen, zoals een scherp zwaard door zijn schede snijdt. Sommige mensen gaan kapot aan wellust, anderen aan hebzucht, weer anderen aan hoogmoed. Maar de drijfveer die onze grote Leider boven alles beheerste was de eer van God, de zorg voor Zijn naam en de liefde voor Zijn gezin op aarde.

Mensen van de wereld begrijpen zo weinig van ijver voor God, dat wie ervan vervuld is altijd tegenstand oproept. Zo iemand wordt al snel verdacht van slinkse bedoelingen, van schijnheiligheid of van gekte. Als de ijver ons verteert, proberen goddeloze mensen óns ook te verteren. Bij onze Heere was dat het sterkst van al, want Zijn heilige ijver was ook het grootst. Hij gloeide met meer dan het vuur van een serafijn en verteerde Zichzelf in Zijn gloed.

“En de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.” Wie gewoonlijk God lastert, richt zijn vloeken nu op Hem. Hij is de schietschijf geworden van pijlen die eigenlijk voor de Heere Zelf bedoeld waren. Zo nam de grote Middelaar in dit opzicht de plaats in van God én van de mens: Hij droeg de smaad die tegen de één was gericht, en ook de zonden die door de ander waren begaan.

Vers 11

“En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.” Ze hadden besloten Hem te haten. Daarom werd alles wat Hij deed een nieuwe aanleiding om Hem uit te schelden. Als Hij at en dronk zoals anderen, noemden ze Hem “een vraat en wijnzuiper”. Als Hij Zich uitputte met huilen en vasten, zeiden ze dat Hij een duivel had en niet goed bij Zijn hoofd was. Niets is wreder dan vooroordeel. Het kleurt alles wat het ziet met zijn eigen bril, en zijn tong scheldt zonder onderscheid op alles.

Onze Zaligmaker huilde veel in het verborgen over onze zonden. Ongetwijfeld waren Zijn stille zielsworstelingen voor ons heel talrijk. Eenzame bergen en verlaten plaatsen zagen Hem steeds opnieuw in doodsangst. Als ze het konden vertellen, zouden we er werkelijk van opkijken. Door dit alles zag Hij er met nog maar iets meer dan dertig jaar uit alsof Hij bijna vijftig was. Wat Hem tot eer strekte, werd als smaad tegen Hem gebruikt.

Vers 12

“En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan.” David deed dat echt, maar we hebben geen reden om te denken dat Jezus dat deed. In geestelijke zin droeg Hij wel altijd een rouwkleed: Hij was een Man vol verdriet. “Maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.” Ze bespotten Hem als “een Man van smarten”, als iemand die “verzocht in krankheid” is. Hij had kunnen zeggen: ‘Hier zit ik, samen met het verdriet.’ Wat Hem medelijden had moeten opleveren, bracht Hem alleen nieuwe en nog bredere spot. Iemands naam te verwerken in een spottend gezegde is het toppunt van boosaardigheid. En iemands vrome daden bespotten is wreedheid die ook nog goddeloos is.

Vers 13

“Die in de poort zitten, klappen van mij.” De gewone kletskousen die bij de stadspoorten samenkomen om wat te praten, maken mij tot hun gespreksonderwerp. De zakenlui die er zaken doen, vergeten hun koopwaar om mij zwart te maken. Zelfs de bedelaars die bij de huizen om een aalmoes wachten, dragen hun deel aan de hoon bij. Zo groeit de hoop schande steeds verder aan.

“En ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.” Voor goddelozen is er geen leukere grap dan een grap waarin de naam van de Heilige wordt bezoedeld. Laster smaakt pikant en geeft de wijn van de feestvierders extra smaak. De Man van Nazareth stond zo ver boven het begrip van mannen die vooral sterk zijn in het mengen van drank. Hij lag zo ver buiten hun wereld en hun gedachten, dat het geen wonder is dat Hij hun belachelijk voorkwam. Zo was Hij geschikt om de lachers aan hun bekers te vermaken.

De heiligen zijn altijd gewilde doelwitten voor spot. Butlers Hudibras dankte zijn populariteit meer aan het goddeloze gespot dan aan enige echte vernuftigheid. Tot op de dag van vandaag maakt de kroeg zich vrolijk over de tabernakel, en de bierbank is de zetel van de spotters. Wat een wonder van nederigheid dat Hij, Die door de engelen wordt aanbeden, Zich zover buigt dat Hij het drinklied van dronkaards wordt! Wat een onbegrijpelijke zonde dat Hij, voor Wie serafs met bedekt gezicht neerknielen, een bespottelijk spreekwoord zou zijn onder de laagste mensen!

“Een spotwoord voor wie voorbijgaan,
Door vorsten gehoond, door dronkaards bezongen.”

Vers 14

“Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE.” Hij wendde zich in gebed tot Jehova, want dat is het meest vanzelfsprekende wat de godvruchtigen in hun nood kunnen doen. Tot wie zou een kind zich anders wenden dan tot zijn vader? Aan hen gaf Hij geen antwoord. Als een schaap voor zijn scheerders was Hij stil tegenover hen. Maar Hij opende Zijn mond tot de Heere, Zijn God, want Die zou luisteren en redden.

“Er is een tijd des welbehagens.” Bij de mensen was het een tijd van afwijzing, maar bij God een tijd van aanneming. Dat verschil is groot. De zonde regeerde op aarde, maar in de hemel regeerde de genade. Voor ieder van ons is er zo’n aangename tijd. Wee ons als we hem ongebruikt voorbij laten gaan! Gods tijd moet onze tijd worden. Anders zoeken we, als de tijd om is, tevergeefs naar ruimte om ons te bekeren. De gebeden van onze Heere kwamen altijd op het juiste moment en werden altijd aangenomen.

“O God! door de grootheid Uwer goedertierenheid.” Zelfs de Volmaakte beroept zich op Gods rijke barmhartigheid. Hoeveel te meer moeten wij dat dan doen! Voor wie in ellende zit, is geen eigenschap van God zo zoet als Zijn barmhartigheid. Als het verdriet zich opstapelt, wordt de overvloed van Gods barmhartigheid zeer kostbaar. Als onze vijanden talrijker zijn dan de haren van ons hoofd, kunnen ze toch geteld worden. Maar Gods barmhartigheden zijn volkomen ontelbaar. Vergeet nooit dat elk van die barmhartigheden een krachtig argument is dat het geloof kan inbrengen.

“Door de getrouwheid Uws heils.” “Jehova’s trouw is nog een tweede machtig pleidooi.” Zijn heil is geen verzinsel, geen bedrog en niets wat met de wind meewaait. Daarom wordt Hem gevraagd het te laten zien, zodat alle mensen zien hoe trouw Hij is aan Zijn belofte. Hier leert onze Heere ons de heilige kunst van het worstelen in gebed en van het ordenen van onze zaak met argumenten. Hij wijst ons er ook op dat Gods wezen de grote schatkamer is van sterke redenen. Juist die redenen zijn in ons smeken het krachtigst.

Vers 15

“Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken.” Hij maakt de woorden van Zijn klacht zelf tot gebed. Het is goed als we, ook wanneer we klagen en ons hart uitstorten, niets voelen of zeggen wat we niet als gebed voor de Heere durven uitspreken. We mogen bidden om verlossing uit de nood, net zo goed als om steun in de nood. Beide verzoeken komen hier samen. Hoe vreemd is het om zulke woorden te horen uit de mond van de Heere van de heerlijkheid!

“Laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.” Hij vraagt om redding van Zijn vijanden én van het leed dat zij Hem aandeden. God kan ons op alle manieren helpen. Daarom mogen we allerlei verzoeken tot Hem richten, zonder bang te zijn dat we te veel vragen of dat Hij niet zou kunnen antwoorden.

Vers 16

“Laat de watervloed mij niet overstromen.” Hij blijft de woorden van Zijn klacht samenvatten. Hij is bereid het lijden te dragen. Maar Hij smeekt om genade, zodat het niet de overhand over Hem krijgt. Hij werd verhoord “uit de vreze”. “En laat de diepte mij niet verslinden.” Zoals Jona weer boven kwam, zo moge ook Hij opstaan uit de afgrond van het leed. Ook hier werd onze Heere verhoord, en wij zullen dat ook worden. Zelfs de dood moet ons weer uitspuwen.

“En laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.” Als er een grote steen over de put of kuil werd gerold die als kerker diende, zat de gevangene helemaal opgesloten. Hij werd vergeten, zoals iemand in de geheime kerkers van de Bastille. Zo ziet een mens eruit die levend begraven is in verdriet en zonder hulp is achtergelaten. Daartegen pleitte de grote Lijder, en Hij werd verhoord. Hij werd ondergedompeld in doodsangst, maar verdronk er niet in. Het graf sloot Hem in, maar voordat het zijn muil kon dichtdoen, had Hij Zijn kerker al verbroken.

Er wordt gezegd dat de waarheid in een put ligt. Maar dat is beslist een open put, want de waarheid trekt rond in kracht! Zo was onze grote Plaatsvervanger, midden in de put van leed en dood, toch de Overwinnaar van dood en hel. Wat een passend gebed is dit voor velen van ons! We verdienen het om als door een vloed te worden weggespoeld, in onze zonden te verdrinken en in de hel te worden opgesloten. Laten we daarom de verdiensten van onze Zaligmaker inroepen, zodat dit ons niet overkomt.

Vers 17

“Verhoor mij, o HEERE.” Wijs Uw smekende Zoon niet af. Hij roept met luide stem tot de God van het verbond, de eeuwig levende Jehova. “Want Uw goedertierenheid is goed.” Door de grootte van Uw liefde: heb medelijden met Uw bedrukten. Het geeft de ziel altijd steun om stil te staan bij hoe uitnemend en voortreffelijk de barmhartigheid van de Heere is.

Het heeft bedroefde mensen veel moed gegeven om dat prachtige oude Saksische woord, dat in onze vertaling hier wordt gebruikt, uit elkaar te halen: “lovingkindness”, ofwel goedertierenheid. Het is samengesteld uit twee heel zoete en geurige dingen. Ze zijn gemaakt om kracht te geven aan wie bezwijkt, en om verlaten harten van vreugde te laten zingen.

“Zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.” Als de Heere Zijn oog vol medelijden op ons richt en Zijn machtige hand uitsteekt, leeft de geest van wie rouwt weer op. Zonder de troostende glimlach van God te moeten leven is het bitterste dat er bestaat, als gal. Bij onze Heere bereikte Zijn smart het hoogtepunt in “Lama Sabachthani”. Zijn bitterste kreet was die waarin Hij een afwezige God beweende. Let erop hoe Hij opnieuw stilstaat bij Gods tederheid, en opnieuw die toon van overvloed aanslaat: “De grootheid Uwer barmhartigheden.”

Vers 18

“En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht.” Een goede knecht verlangt naar het licht op het gezicht van zijn meester. Hij Die de Dienaar van alle dienaren was en tegelijk de Koning der koningen, kon het niet verdragen de aanwezigheid van Zijn God te missen. Hoe meer Hij Zijn Vader liefhad, des te zwaarder voelde Hij het verbergen van Zijn aangezicht.

“Want mij is bange.” Houd Uw ruwe wind tegen op de dag van Uw oostenwind; voeg geen verdriet toe aan verdriet. Als een mens ooit de troostende nabijheid van God nodig heeft, dan is het wel in nood. En juist die nood is een reden om bij een barmhartig God te pleiten dat Hij ons niet moet verlaten. We mogen bidden dat onze vlucht niet in de winter plaatsvindt, en dat God geen geestelijke verlating toevoegt aan al onze andere ellende.

“Haast U, verhoor mij.” De zaak was dringend. Uitstel was gevaarlijk, ja dodelijk. Onze Heere was de volmaaktheid van geduld, en toch riep Hij dringend om snelle barmhartigheid. Daarmee geeft Hij ons de vrijheid hetzelfde te doen, zolang we eraan toevoegen: “doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.”

Vers 19

“Nader tot mijn ziel.” Als God dichtbij komt, is dat alles wat de lijdende nodig heeft. Eén glimlach uit de hemel brengt de woede van de hel tot zwijgen. “Bevrijd ze.” Het zal een bevrijding voor mij zijn als U verschijnt om mij te troosten. Dit is een diep geestelijk gebed, heel geschikt voor een verlaten ziel. Juist in hernieuwde gemeenschap met God ontdekken we wat verlossing werkelijk is.

“Verlos mij om mijner vijanden wil.” Anders zouden zij in hun grootspraak Uw naam kunnen lasteren en opscheppen dat U hen die op U vertrouwen niet kunt redden. Door zich zo te verlagen dat Hij zulke smeekbeden gebruikt, vervult Jezus het verzoek van Zijn discipelen: “Heere, leer ons bidden.” Hier lezen we een droevig overzicht van Zijn leed, met bijzondere aandacht voor de mensen die het Hem hebben aangedaan.

Vers 20

“Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande.” Dit is geen nieuw of geheim leed. Het duurt al lang. U, o God, hebt het gezien. En dat U de onschuldige ziet lijden, is een garantie dat er hulp komt. Hier staan drie woorden opgestapeld om uit te drukken hoe scherp de Verlosser de verachting voelde die over Hem werd uitgestort. Ook drukt het Zijn zekerheid uit dat de Heere elke vorm van kwaadaardige hoon opmerkte.

“Al mijn benauwers zijn voor U.” Het hele losbandige, luidruchtige gezelschap staat nu voor Uw ogen, en niemand ontsnapt aan Uw blik. Judas met zijn verraad, Herodes met zijn sluwheid, Kajafas met zijn raadsbesluit, Pilatus met zijn weifeling. Joden, priesters, volk en leiders: U ziet hen allen en U zult hen oordelen.

Vers 21

“De versmaadheid heeft mijn hart gebroken.” Geen hamer slaat zo hard als smaad. Onze Heere stierf met een gebroken hart, en de smaad had dat gedaan. Laster veroorzaakt diepe geestelijke pijn. Bij de gevoelige natuur van de vlekkeloze Zoon des mensen was het genoeg om Zijn hart te verscheuren tot het brak. “Toen brak Zijn machtig hart.”

“En ik ben zeer zwak.” Laster en hoon drukten Hem in het stof. Hij was ziek van hart. De zwaarmoedigheid van onze Heere in de hof wordt in de vier evangeliën met vele krachtige woorden beschreven. Elk van die woorden laat zien dat Zijn doodsstrijd onmetelijk groot was. Hij werd helemaal gevuld met ellende, als een vat dat tot de rand toe gevuld is.

“En ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen.” “In Zijn hoogste nood verlaten door wie Zijn milde hand eens voedde.” Niemand zei een vriendelijk woord tegen Hem of liet een medelevende traan vallen. Onder tienduizend vijanden was er niet één die door Zijn ellende werd geraakt. Niet één had een hart dat menselijk gevoel voor Hem kon opbrengen.

“En naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.” Zijn dierbaarsten hadden hun eigen veiligheid gezocht en hun Heere helemaal alleen gelaten. Een zieke heeft mensen nodig die troosten, en een vervolgde heeft medeleven nodig. Maar onze gezegende Borg vond geen van beide in die donkere, droevige nacht waarin de machten van de duisternis hun uur hadden. Een geest als die van onze Heere voelt het diep als geliefde en vertrouwde vrienden Hem in de steek laten, en verlangt naar oprecht medeleven. Dat zien we in het verhaal van Gethsemane:

“Driemaal ging Hij heen en weer,
Alsof Hij hulp bij mensen zocht,
Of hoopte dat zij Zijn gekwelde ziel
Hun medeleven schonken — meer konden zij niet.”

“Wat Hij ook zocht, er was er geen;
Onze Aanvoerder streed de strijd alleen.
Zodra de Veldheer voorging in de slag,
Vluchtte elke soldaat, op datzelfde ogenblik.”

Vers 22

“Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven.” Dit was het enige wat de wreedheid voor Hem had klaargezet om Hem te verkwikken. Anderen genieten van hun voedsel, maar Zijn eten werd voor Hem een extra pad van pijn. “En in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.” Een misdadigersdrank kreeg onze onschuldige Heere aangeboden, een bitter deel voor onze stervende Meester. Een droevig onthaal had de aarde klaar voor haar Koning en Zaligmaker! Zo ontving zij Hem.

Hoe vaak hebben onze zonden de galbeker voor onze Verlosser gevuld? Terwijl we de Joden beschuldigen, moeten we onszelf niet vrijpleiten. Vanaf dit punt gaan David en onze Heere een tijdlang uiteen, als we de weergave van onze vertaling volgen. De strenge geest van de wet ademt vervloekingen uit, terwijl het tedere hart van Jezus gebeden opdraagt voor Zijn moordenaars.

Toch kunnen al deze verzen ook als voorzeggingen worden gelezen. Dan wijzen ze ongetwijfeld op onze Heere. Delen ervan worden namelijk zo aangehaald door de apostel in Romeinen 11:9-10, en door Christus Zelf in Mattheüs 23:38.

Vers 23

“Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik.” Daar legden zij strikken, en daar zullen zij ze zelf vinden. Hun feesten leverden voor hun onschuldige slachtoffer niets dan alsem op, en nu worden hun banketten hun ondergang. Het is heel gemakkelijk dat de dagelijkse gaven van Gods barmhartigheid een verleiding tot zonde worden. Zoals vogels en dieren in een val worden gevangen met aas voor hun eetlust, zo raken mensen vaak verstrikt door hun eten en drinken.

Wie de hogere bronnen van de genade verachten, zullen merken dat de lagere bronnen van wereldse troost hun vergif worden. De tafel dient trouwens niet alleen om te eten, maar ook voor gesprekken, zaken, overleg, vermaak en godsdienstoefening. Voor wie vijanden zijn van de Heere Jezus kan die tafel in al die opzichten een strik worden. Deze eerste plaag is vreselijk, en de tweede lijkt erop.

“En tot volle vergelding tot een valstrik.” Als we de oorspronkelijke tekst en de weergave van Paulus in Romeinen nauwgezet volgen, herhaalt dit de vorige zin. Maar we dwalen niet als we zeggen dat voor wie Christus verwerpt zelfs dingen die bedoeld zijn om hun geestelijk en eeuwig goed te dienen, aanleiding worden tot nog meer zonde. Ze wijzen Christus af en worden veroordeeld omdat ze niet in Hem geloven. Ze struikelen over deze steen en worden erdoor verbrijzeld. Wat zijn ze erbarmelijk eraan toe, de mensen op wie niet alleen in hun gewone zegeningen een vloek rust, maar ook in de geestelijke kansen die hun worden geboden om gered te worden.

“Als olie en balsem iemand doden, welke zalf kan hem dan nog genezen?”

Deze tweede plaag is zelfs nog erger dan de eerste.

Vers 24

“Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien.” Ze zullen ronddwalen in een duisternis die je kunt voelen. Ze hebben de duisternis liever gehad dan het licht, en in het donker zullen ze blijven. Een oordeel van blindheid trof Israël na de dood van onze Heere en na de vervolging van Zijn apostelen. Het licht dat ze niet wilden aannemen, maakte hen blind. Ogen die geen schoonheid zien in de Heere Jezus en alleen woede op Hem afvuren, worden vanzelf nog doffer, tot de geestelijke dood overgaat in de eeuwige dood.

“En doe hun lenden gedurig waggelen.” Hun geweten raakt zo onrustig dat ze voortdurend beven van angst. Sommigen lezen het zo: hun ruggen buigen naar de aarde, krom van kruipende hebzucht. Hun kracht is dan helemaal verlamd, zodat ze niet stevig kunnen staan en bij elke stap wankelen. Kijk eens hoe angstaanjagend, vernederend en verzwakkend ongeloof werkt! Zie ook hoe rechtvaardig de vergelding is: wie niet wil zien, zal niet zien. Wie niet oprecht wilde leven, kan dat straks ook niet meer.

Vers 25

“Stort over hen Uw gramschap uit.” Welke straf is te zwaar voor mensen die de vleesgeworden God afwijzen en weigeren te luisteren naar de oproepen van Zijn barmhartigheid? Ze verdienen het om onder de toorn bedolven te worden, en dat zal ook gebeuren. Want van iedereen die zich verzet tegen de Zaligmaker, Christus de Heere, geldt: “De toorn is over hen gekomen tot het einde.” 1 Thess. 2:16.

Gods gramschap is geen kleinigheid. De toorn van een heilig, rechtvaardig, almachtig en oneindig Wezen is het meest te vrezen van alles. Al één druppel ervan verteert. Maar de hele toorn over ons uitgestort krijgen is niet te bevatten, zo vreselijk is het. O God, wie kent de kracht van Uw toorn?

“En de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.” Die toorn grijpt hen vast, houdt hen vast en blijft op hen rusten. Als ze vluchten, laat de toorn hen dan inhalen en pakken. Laat hem hen bij de hielen grijpen in de dodencel, zodat ze de terechtstelling niet kunnen ontlopen. Zo zal het inderdaad gaan met iedereen die uiteindelijk niet tot inkeer komt, en zo hoort het ook.

Met God valt niet straffeloos te spotten. En Zijn Zoon, onze altijd genadige Zaligmaker en de beste gave van oneindige liefde, mag je niet zomaar minachten en bespotten. Wie de wet van Mozes verwierp, stierf “zonder barmhartigheid”. Hoe zwaar moet dan wel de “te zwaarder straf” zijn die bewaard wordt voor wie de Zoon van God hebben vertreden?

Vers 26

“Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.” Dit kan betekenen dat hun nageslacht wordt uitgeroeid en dat hun huis een ruïne blijft. Of het slaat, zoals onze Heere het aanhaalde, op de tempel. Die werd verlaten door de goddelijke Bewoner, God Zelf, en veranderde in een woestenij.

Wat bij gezinnen en volken op grote schaal gebeurt, komt vaak ook bij een enkel mens uit. Dat zagen we heel duidelijk bij Judas. Petrus paste deze profetie op hem toe in Hand. 1:20: “Want er staat geschreven in het boek der Psalmen; Zijn woonstede worde woest, en er zij niemand die in dezelve wone.”

Het woeste bevel van Nebukadnezar was: “dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen den God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde.” Dat is maar een voorproefje van dat ontzagwekkende uur waarop de vijanden van de Heere in stukken gebroken worden en uit het land verdwijnen.

Vers 27

“Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt.” Waar ze medelijden hadden moeten tonen, zijn ze wreed. Als God iemand in Zijn voorzienigheid een slag geeft, komen zijn vrienden meestal om hem heen staan om mee te leven. Maar deze ellendelingen jagen achter de gewonde aan en kwellen de zieke. Hun harteloze harten bedenken nieuwe klappen voor iemand die “van God geslagen en verdrukt” is.

“En maken een praat van de smart Uwer verwonden.” Met hun ruwe tongen leggen ze zijn wonden bloot. Ze maken de treurende belachelijk, spotten met zijn pijn en lachen om zijn leed. Zo wezen ze ook naar de wonden van de Zaligmaker. Ze keken en staarden naar Hem en slingerden Hem toen schandelijke beschuldigingen naar het hoofd.

Zo behandelt de wereld de leden van Christus nog steeds. “Geef ons te kennen,” zeggen ze, “en wij zullen het te kennen geven.” Gaat het met een godvrezend mens wat slechter, dan staan ze te popelen om hem helemaal omver te duwen en intussen overal kwaad over hem te praten.

God ziet dit en Hij zal het straffen bij de vijanden van Zijn kinderen. Soms laat Hij hen optreden als een roede voor Zijn heiligen, maar Zijn eigen uitverkorenen zal Hij toch wreken. “Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een groten ijver. En Ik ben met een zeer groten toorn vertoornd tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig toornig, maar zij hebben ten kwade geholpen.”

Vers 28

“Doe misdaad tot hun misdaad.” Wie niet gelooft, voegt zonde bij zonde en daarmee ook straf bij straf. Dit is de zwaarste vervloeking van allemaal, of liever: de zwaarste profetie. Dat mensen aan zichzelf worden overgelaten om de maat van hun ongerechtigheid vol te maken, is volkomen rechtvaardig, maar ook uiterst ontzagwekkend. “En laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.” Als ze die afwijzen en zich verzetten tegen Uw evangelie, laat hen er dan zelf buiten blijven.

“Wie niet wil als hij kan,
Die kan niet als hij wil.”

Wie het kwaad kiest, krijgt wat hij kiest. Mensen die de goddelijke barmhartigheid haten, krijgen haar niet opgedrongen. Tenzij soevereine genade ingrijpt, worden ze aan zichzelf overgelaten, zodat ze hun schuld nog zwaarder maken en hun ondergang bezegelen.

Vers 29

“Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens.” In hun verbeelding hebben ze zich misschien onder Gods volk ingeschreven en anderen laten geloven dat ze erbij hoorden. Maar ze worden ontmaskerd en hun namen worden van de lijst geschrapt. Eerst met eer ingeschreven, nu met schande doorgehaald. De dood wist elke herinnering aan hen uit. Ze tellen niet meer mee, zelfs niet voor de mensen die hen vroeger hulde brachten.

Judas eerst, en Pilatus, Herodes en Kajafas: allemaal werden ze op hun tijd snel uit het bestaan weggevaagd. Hun namen leven alleen nog voort als spreekwoord. Onder de geëerde mannen die na hun heengaan blijven voortleven, wordt hun naam niet genoemd.

“En met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.” Deze zin loopt parallel met de vorige. Hij laat zien wat het in de kern betekent om uit het boek des levens te worden uitgedelgd: dan komt aan het licht dat die naam er nooit in heeft gestaan. De mens moet in zijn onvolmaakte afschrift van Gods boek des levens veel verbeteren, zowel door bij te schrijven als door door te halen. Maar voor de Heere ligt het register voor eeuwig vast en kan het niet veranderen.

Pas op, mens, dat je Christus en Zijn volk niet veracht! Anders krijgt je ziel nooit deel aan de gerechtigheid van God, en zonder die gerechtigheid zijn mensen nu al veroordeeld.

De vervloekingen, profetieën en klachten zijn voorbij. Nu begint een mildere soort gebed, afgewisseld met uitbarstingen van dankbaar gezang en een bemoedigende blik op het goede dat komt.

Vers 30

“Doch ik ben ellendig en in smart.” De psalmist werd zwaar onderdrukt, maar zijn geloof rustte in God. Onder het evangelie zijn zowel de armen van geest als de treurenden gezegend. De Heere heeft dus dubbel reden om Zijn smekeling toe te lachen. Niemand was ooit armer of treuriger dan Jezus van Nazareth. Toch werd Zijn kreet uit de diepte gehoord en werd Hij verheven tot de hoogste heerlijkheid.

“Uw heil, o God, zette mij in een hoog vertrek.” Wat is dit volkomen beantwoord bij onze grote Meester! Hij ontkwam niet alleen persoonlijk aan Zijn vijanden, maar is ook de Oorzaak van eeuwige zaligheid geworden voor iedereen die Hem gehoorzaamt. En dat blijft Hem steeds meer verheerlijken.

Arme, treurende mensen, kop op! Zoals het met jullie Heere is gegaan, zo gaat het ook met jullie. Nu word je vertrapt als het slijk van de straat, maar straks rijd je over de hoogten van de aarde. Ja, nu al ben je met Hem opgewekt en met Hem gezet in de hemelse gewesten in Christus Jezus.

Vers 31

“Ik zal Gods Naam prijzen met gezang.” Hij Die na het pascha zong, zingt nog blijer na Zijn opstanding en hemelvaart. Hij is werkelijk “liefelijk in psalmen van Israel.” Hij zet de eeuwige melodieën in en al Zijn heiligen vallen in met het koor. “En Hem met dankzegging grootmaken.”

Wat was onze Verlosser zeker van de uiteindelijke overwinning! Hij belooft al een lied terwijl Hij nog in de smeltoven staat. Ook bij ons ziet het geloof de goede afloop van elke verdrukking vooraf al. Het laat ons nu al de muziek van de dankbaarheid inzetten, die steeds krachtiger blijft aanzwellen, tot in alle eeuwigheid.

Wat een helder schijnen na de regen vinden we in dit vers en in de verzen hierna! De duisternis is voorbij en het licht van de heerlijkheid schijnt als de zon. Alle eer gaat naar Hem tot Wie al het gebed werd gericht. Alleen Hij kon verlossen en Hij heeft verlost. Daarom komt alleen Hem de lof toe.

Vers 32

“En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.” Geen offer is zo welgevallig voor God, Die een Geest is, als een geestelijk offer. In een donkere, symbolische tijd nam Hij ossen aan, maar in zulke offers op zichzelf had Hij geen vreugde. “Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?” Hier maakt Hij uiterlijke offers bijna belachelijk door te wijzen op de hoorns en klauwen, het afval van het slachtdier.

Het opus operatum, de gedachte dat de handeling zelf al werkt, waar onze ritualisten zoveel van maken, blaast de Heere weg. Hoorns en klauwen zeggen Hem niets. Voor Joodse ritualisten waren het grote punten, zaken voor nauwkeurig onderzoek. Onze rabbijnen van nu zijn net zo precies met het mengen van water door hun wijn, het bakken van hun hosties, de snit van hun gewaden en het maken van kniebuigingen in de juiste windrichting.

O, dwazen, traag van hart om alles te geloven wat de Heere heeft gezegd! “Offert Gode dank” is de eeuwige regel in het ware voorschrift voor aanbidding.

De diepten van smart waarin de smekeling was ondergedompeld, gaven hem een des te rijkere ervaring van Gods macht en genade in zijn redding. Zo kon hij “het lied der liefde” nog liefelijker zingen. Zulke muziek is altijd het meest welkom bij de oneindige Jehova.

Vers 33

“De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden.” Dankbare harten zoeken altijd nieuwe medestanders. De juichende psalmist ziet met blijdschap dat andere verdrukte, nederige mensen zien hoe de Heere met Zijn dienaren omgaat. Daardoor krijgen ze moed om voor hun eigen verdrukking dezelfde afloop te verwachten.

Wat gelovigen blijvend troost, is wat hun Heere heeft meegemaakt. Zoals Hij is, zo zijn ook wij in deze wereld. Meer nog: Zijn zegepraal heeft de onze veiliggesteld. Daarom mogen we ons op de allerstevigste grond in Hem verblijden. Dit gaf onze grote Leider voldoening toen Hij vooruitzag welke troost uit Zijn strijd en overwinning naar ons toe zou stromen.

“En gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.” Dezelfde belofte vinden we in Psalm 22, die nauw met deze psalm verwant is. Het zou zinloos zijn geweest om te zoeken als de overwinningen van Jezus de weg niet hadden vrijgemaakt en een deur van hoop hadden geopend. Maar nu de Doorbreker ons is voorgegaan, met de Koning aan ons hoofd, is onze hoop levend, ons geloof levend en onze liefde levend. Onze vernieuwde natuur zit vol levenskracht, die de koude hand van de dood uitdaagt haar te doven.

Vers 34

“Want de HEERE hoort de nooddruftigen.” David, Davids Heere en tienduizenden heiligen zijn daar het bewijs van. Koningen van de volken zijn doof voor de armen, maar de Heerser van het heelal heeft een scherp oor voor wie niets heeft. Niemand kan dieper vallen dan de Nazarener, en kijk eens hoe hoog Hij nu is verheven! In welke diepte we ook belanden: de God Die gebeden hoort, kan ons weer omhoog halen.

“En Hij veracht Zijn gevangenen niet.” Armen zijn tenminste vrij, maar deze mensen zijn gebonden. Toch zijn het Gods gevangenen, en daarom gevangenen van de hoop. De gevangene in de kerker is de laagste en minst geachte van alle mensen. Maar de Heere kijkt niet zoals mensen kijken. Hij bezocht wie met ketenen gebonden zijn en roept voor Zijn bedrukten een gevangenisbevrijding uit.

God veracht geen mens en geen gebed dat eerlijk en oprecht is. Rangen en standen betekenen niets bij Hem. Aan de armen wordt het evangelie gepredikt en gevangenen worden door Zijn genade losgemaakt. Laten alle armen en behoeftigen zich haasten om Zijn aangezicht te zoeken en Hem hun liefde te geven.

Vers 35

“Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.” Zo klinkt de lofzegging van een gloeiend hart. De schrijver had de diepten gepeild en was naar de hoogten opgestegen. Daarom roept hij heel de schepping op om de Heere te zegenen. Onze Welbeminde wekt ons hier allemaal op tot dankbare aanbidding. Wie van ons houdt zich dan nog in?

Gods liefde voor Christus is goed nieuws voor alle vormen van leven. Wordt het Hoofd verhoogd, dan komt dat de leden ten goede, en iedereen die ook maar enigszins met Hem verbonden is. En nu ook de schepping zelf door het werk van Christus van haar slavernij zal worden verlost, laat alles wat leeft en beweegt de Heere groot maken.

U komt de heerlijkheid toe, o Heere, voor het zekere pand van de zegepraal van onze Borg, dat alles omvat. Daarin zien we de verhoging van al Uw armen en treurenden, en ons hart is blij.

Vers 36

“Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen.” Het arme, gevallen Israël krijgt deel aan de barmhartigheid van de Heere. Maar vooral de gemeente, zo dierbaar voor het hart van haar heerlijke Bruidegom, zal weer opleven en sterker worden. Oude heiligen hadden Sion zo lief dat ze haar zelfs midden in hun eigen nood niet vergaten. Bij de eerste lichtstraal die hen bezocht, gingen ze meteen pleiten voor de trouwen. Opvallende voorbeelden hiervan hebben we al eerder gezien: Ps. 5:12; 14:7; 22:24; 51:20.

Voor ons, in deze tijd, is het een bemoedigende hoop dat er betere dagen komen voor Gods uitverkoren volk. Daar willen we altijd voor blijven bidden. O Sion, welke andere herinneringen ook vervagen: wij kunnen jou niet vergeten.

“En aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten.” Welke gevangenschap er ook komt en welke verwoesting er ook wordt aangericht: het land Kanaän behoort aan Israël door een zoutverbond, en ze zullen het zeker weer in bezit nemen. Dat is voor ons een teken dat door de verzoening van de Christus van God alle armen van geest de barmhartigheid zullen genieten die in het genadeverbond is beloofd. De zekere weldaden van David zijn het erfdeel van het hele zaad.

Vers 37

“En het zaad Zijner knechten zal haar beerven.” In dit beeld, dat we niet durven te zien als een loutere vergelijking maar als iets met een eigen letterlijke betekenis, wordt ons de verrijking van de heiligen voorgehouden, als gevolg van het lijden van hun Heere. Het slot van deze psalm doet ons sterk denken aan dat van Psalm 22.

Het zaad ligt de Zaligmaker na aan het hart. Dat zij genieten van al het beloofde goede, is de grote zorg van Zijn onbaatzuchtige ziel. Omdat zij de dienaren van Zijn Vader zijn, verheugt Hij Zich in hun welzijn.

“En de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen.” Hij heeft oog voor de heerlijkheid van de Vader. Want het is tot Zijn lof dat wie Hem liefhebben het hoogste geluk bereiken en dat voor eeuwig mogen genieten. Zo eindigt een psalm die in de diepe wateren begon, in de stad die fundamenten heeft. Wat een genadige verandering! Halleluja.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Titel

“Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.” Met ‘op de lelies’ wordt gewezen op de schoonheid van het onderwerp waar dit lied over gaat. — E. W. Hengstenberg.

Gehele psalm

In deze psalm gaat het om een ideaal persoon: één figuur die alle gelovigen vertegenwoordigt die moeten lijden. Er is maar Eén in Wie al die trekken samenkomen, en dat is Christus. Toch is Hij niet het enige, en zelfs niet het eerste onderwerp van de psalm. Dat zie je meteen aan de schuldbelijdenis in Ps. 69:6, die je niet zomaar op Christus kunt betrekken. Behalve Psalm 22 wordt geen enkele psalm in het Nieuwe Testament zo nadrukkelijk op Hem betrokken. — Joseph Addison Alexander.

Gehele psalm

Meestal ziet men dit als een messiaanse psalm, een psalm die over de Messias gaat. Op Psalm 22 na wordt geen enkel stuk uit het Oude Testament vaker in het Nieuwe aangehaald. Als Jezus de kopers en verkopers uit de tempel jaagt (Joh. 2:17), denken Zijn discipelen aan het eerste deel van Ps. 69:10. In Joh. 15:25 staat dat de vijanden Jezus zonder reden haatten, en dat daarmee de Schrift vervuld werd. Daar gaat het waarschijnlijk om vers 5, al kan ook Ps. 35:19 bedoeld zijn. Paulus past het tweede deel van Ps. 69:10 op Hem toe, op de smaad die Hij om Gods wil droeg: “De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen.”

In Ps. 69:13 zien we alvast hoe de soldaten in het praetorium onze Heere bespotten (Matth. 27:27-30). Ps. 69:22 vindt zijn tegenhanger op Golgota, bij de kruisiging: de edik en de gal (Matth. 27:34). Joh. 19:28 zinspeelt waarschijnlijk op vers 22 van deze psalm en op Ps. 22:16. De vervloeking in Ps. 69:26 is volgens Hand. 1:20 uitgekomen bij Judas Iskariot. Omdat de psalm daar in het meervoud spreekt, is die aanhaling wel met enige vrijheid gedaan. En volgens Rom. 11:9-10 kun je de verwerping van Israël het best beschrijven met de woorden van Ps. 69:23-24. — J. J. Stewart Perowne.

Gehele psalm

Deze psalm sluit opvallend mooi aan op de vorige, al vormt hij ook een scherp contrast met de heerlijkheid van Zijn koninkrijk. Beide psalmen zijn vergeleken met de verheerlijking op de berg. Daar verschenen, kort nadat Christus in heerlijkheid was verschenen, ook Mozes en Elia. Zij spraken over Zijn heengaan, dat Hij in Jeruzalem zou volbrengen. Hoe helder we ook mogen uitzien naar de heerlijkheid die komt, die verwachting mag ons nooit doen vergeten dat we alleen door veel verdrukking heen het koninkrijk binnengaan. — W. Wilson.

Gehele psalm

Houd dit goed voor ogen: dit is de vierde psalm die uitvoerig vertelt over het lijden en de opstanding van onze Heere. Door de hele psalm heen spreekt Christus Zelf. Hij bidt de Vader om verlossing, omdat de Joden Hem zonder reden zoveel leed en vervolging bezorgd hebben. Namens Zijn leden smeekt Hij dat de hoop van de gelovigen, die op Zijn opstanding rust, niet beschaamd wordt. En omdat Hij alles vooraf weet, kondigt Hij aan wat Zijn vijanden later zal overkomen. — Magnus Aurelius Cassiodorus, circa 468-560.

Gehele psalm

In deze psalm spreekt de hele Christus. Soms spreekt Hij in Zijn eigen Persoon, dan weer roept Hij met de stem van Zijn leden tot God, Zijn Vader. — Gerhohus.

Vers 2

Verlos mij, o God. Hoe ver weg hij ook is, hij is vastbesloten tot de Heere te roepen. En als hij zijn hoofd maar even boven water krijgt, hoort de Heere van hem. Je zou denken dat hij te ontmoedigd is om nog te kunnen roepen. De wateren zijn tot in zijn ziel gekomen, diepe wateren, de stromen gaan over hem heen. Hij zit vast in het slijk waar geen staan is (hij is helemaal op de bodem, muurvast in de modder). Hij is doodmoe van het roepen. En toch, Ps. 69:7,14: Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE. Zodra hij weer op adem komt, ademt hij nieuwe smeekbeden uit tot de Heere.

Mensen of duivels kunnen proberen het bidden te verbieden, zoals de menigte de arme blinde wilde tegenhouden toen hij naar Jezus riep. Maar een smekeling die niet loslaat, doet net als hij: hij zal “zoveel temeer” roepen: “Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner.” Mark. 10:47-48. — Thomas Cobbet.

Vers 2

De wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Wat bedoelt hij met: tot in zijn ziel gekomen? Niets anders dan dit: ze benauwden zijn geest en drongen als het ware door in zijn geweten. Ze wekten daar angst en verwarring wegens zijn zonden, en dat bracht zijn geloof en hoop even in de war. Een tijdlang zag hij daardoor het goede einde van zijn ellende niet. Hij was als iemand die onder water zit, bedolven onder zijn angst. Dat blijkt uit wat volgt (Ps. 69:3): “Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan.” Hij vergelijkt zichzelf met iemand in een moeras, die onder zijn voeten geen vaste grond voelt die hem kan dragen.

Let ook op waar zijn nood vandaan kwam, en waar de wateren binnendrongen (Ps. 69:6): “O God, Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.” Deze heilige man leed onder een verse schuld. Daarom was hij zo troosteloos in zijn verdrukking: hij keek zijn zonde recht in het gezicht, en proefde in zijn uiterlijke nood iets van Gods mishagen. Dat maakte zijn lijden zo bitter dat het moeilijk door te slikken was. Maar toen hij zich eenmaal had vernederd door zijn zonde te belijden, kon hij weer helder zien dat er niets meer tussen de hemel en hem stond.

Hij kon geloven dat zijn zonde vergeven was en weer hopen op goed nieuws van God. Dan keert hij terug tot zijn zachte gemoed, en zingt hij midden in dezelfde ellende waarin hij eerst wegzonk. — William Gurnall.

Vers 4

Ik ben vermoeid van mijn roepen. Het woord jaga betekent eigenlijk: gapen, naar adem snakken, en daarna: moe worden… Maar naar adem snakken in zijn roepen betekent niet zozeer dat hij moe wordt door de felheid ervan. Het betekent dat hij, zolang het roepen duurt en hij ermee bezig is, bezwijkt onder de last van zijn gevaarlijke en beschamende ellende. — Hermann Venema.

Vers 4

Ik ben vermoeid van mijn roepen. Hij had tot God geroepen over de wegen van de mensen. Hij had tot de mensen geroepen over de wegen van God. Van Zijn eerste onderwijs af was Hij niet opgehouden, tot Hij aan het kruis zei: “Mij dorst.” Zijn ogen waren dof geworden. Zijn lichaam was zwak en moe van het lijden, van de lange lijdensweg van Zijn leven op aarde. Hij had gewacht te midden van armoede, hoon, verraad, geseling en pijn, totdat Hij uitriep: “Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!” — Uit “A Plain Commentary.”

Vers 4

Ik ben vermoeid van mijn roepen, enz. David lijkt op de postiljon die drie paarden als buiten adem terzijde zet: zijn hart, zijn keel, zijn ogen… Tegenwerping: Maar ik heb geen tranen, noch gewone, noch gebroken. Antwoord: In Gods boeken geldt ook het opzien naar de hemel, het opheffen van de ogen, als gebed. “Des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden” (Engels: “ik zal mijn gebed tot U richten, en opzien”) (Ps. 5:4). “Mijn ogen verhieven zich omhoog” (Jes. 38:14).

Want ten eerste is gebed een uitstorting van de ziel tot God, en het geloof kan door het oog naar buiten komen als er geen andere deur is. Vaak breken de gevoelens door het venster naar buiten wanneer de deur dicht is, zoals rook door het venster naar buiten gaat als de schoorsteen haar de doorgang weigert. Stefanus keek op naar de hemel (Hand. 7:55). Zo stuurde hij een bode vooruit: een gretige, bewogen, hongerige blik omhoog naar Christus, uit het venster, langs de kortste weg, om te melden dat er een arme vriend naar Hem op weg was.

Ten tweede: zelfs in de hel zou ik niets liever willen dan één blik naar de hemel kunnen sturen. Er liggen veel liefdesblikken van heiligen voor de troon, in de schoot van Christus. Het knipperen van je ogen in het gebed gaat niet verloren voor Christus. Anders zou de blik van Stefanus, de blik van David, niet al honderden jaren in Christus’ geschreven Testament zijn opgetekend. — Samuel Rutherford, in “The Trial and Triumph of Faith.”

Vers 4

Roepen. Hier zien we dat de heiligen, midden in de wisselvalligheden van het leven, zelfs als ze onschuldig zijn, niet ongevoelig en hard als steen zijn. Dreigende gevaren nemen ze niet zomaar op de lichte schouder. Ze worden angstig, ze roepen en zuchten in hun beproevingen. — Musculus.

Vers 4

Mijn ogen zijn bezweken. O, wat een treurig gezicht! Dat bezweek, ja: het oog waarmee Jezus de scharen zag, en daarom de berg opging om de voorschriften van het Nieuwe Testament te geven. Het oog waarmee Hij Petrus en Andreas zag en hen riep. Waarmee Hij de man zag zitten aan de tolplaats, hem riep en tot evangelist maakte. Waarmee Hij de stad zag en over haar weende… Met deze ogen keek U Simon aan, toen U zei: “Gij zijt Simon, de zoon van Jonas; gij zult genaamd worden Cefas.” Met deze ogen keek U naar de vrouw die een zondares was, en U zei tot haar: “Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.” Richt deze ogen op ons, en wend ze nooit af van ons voortdurende bidden. — Gerhohus.

Vers 4

Daar ik ben hopende op mijn God. Er komt een uur waarop onze ogen bezwijken en dichtgaan. Maar zelfs dan: “Laat ons wachten op onzen God.” Laten we in dat opzicht de dood sterven van de rechtvaardige, Die voor ons gestorven is: “en mijn uiterste zij gelijk het zijne.” — George Horne.

Vers 5

Zonder oorzaak. Wie lijdt, moet zich niet laten overstuur maken. Het onrecht dat een onschuldige in zijn lijden overkomt, komt niet voor rekening van de lijder, maar van degene die het lijden veroorzaakt… Bekend is wat Tertullianus over Sokrates vertelt. Na zijn veroordeling kwam zijn vrouw hem tegen en sprak hem met tranen aan: “Je bent onrechtvaardig veroordeeld, Sokrates.” Zijn antwoord was kort: “Had je dan liever gezien dat ik terecht veroordeeld was?” — Lorinus.

Vers 5

“Wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.” Het grote, gezegende werk van onze Heere Jezus hier op aarde was: teruggeven wat Hij niet had weggenomen. Dit onderwerp kunnen we zo uitwerken: (1) Wat is er weggenomen, en van wie? (2) Waaruit blijkt dat Christus het niet heeft weggenomen? (3) Hoe heeft Hij het teruggegeven? (4) Waarom heeft Hij dat gedaan? (5) Toepassing. 1. Wat is er weggenomen, en van wie?

(a) Aan God is heerlijkheid ontnomen. Niet Zijn wezenlijke heerlijkheid, en ook geen enkele volmaaktheid van Zijn wezen, want die kan niemand wegnemen. Wel de heerlijkheid die schittert in Zijn rechtvaardig bestuur over Zijn schepselen, en de heerlijkheid die wij Hem verplicht zijn te geven.

(b) Ook aan de mens is gerechtigheid, heiligheid en gelukzaligheid ontnomen. (1.) De schuldige zondaar verloor zijn gerechtigheid; (2.) de bezoedelde zondaar zijn heiligheid; (3.) de ellendige zondaar zijn gelukzaligheid.

  1. Waaruit blijkt dat Christus die dingen van geen van beiden heeft weggenomen?

(a) Wat God betreft is het duidelijk dat Christus nooit enige heerlijkheid van Hem heeft weggenomen. Want Hij deed nooit iets wat oneervol was of God kon ergeren. Joh. 8:29; Jes. 50:5; Luk. 1:35.

(b) Ook wat de mens betreft is het duidelijk dat Hij geen gerechtigheid, heiligheid of gelukzaligheid van hem heeft weggenomen. Hij was geen bron van schuld, bezoedeling en ellende, zoals de eerste Adam dat was geweest. Hij was juist het tegendeel.

(c) Daarom zegt de Schrift wel dat Christus werd afgesneden, maar niet voor Zichzelf. Dan. 9:26; 1 Petr. 3:18; Jes. 53:4-5.

(d) Christus’ onschuld bleek zelfs in Zijn lijden. Ze vonden geen reden voor de doodstraf in Hem, en toch eisten ze van Pilatus dat Hij gedood zou worden. Hand. 13:28.

  1. Hoe heeft Christus teruggegeven wat Hij niet had weggenomen? In het algemeen door Zijn gehoorzaamheid in daden en in lijden.

(a) Christus deed Gods wil op de manier waarop Hij die deed, en dat bracht God meer eer dan ooit gegeven is of gegeven kon worden.

(b) Doordat Christus Gods wil ook onderging in Zijn lijden, voegde Hij aanzienlijk toe aan Gods heerlijkheid, die door de zonde van de mens was aangetast. Hebr. 5:8; Joh. 17:4; 13:31.

(c) Door de gehoorzaamheid die Hij volbracht heeft Christus gezorgd voor de rechtvaardiging van de zondaar. Rom. 5:8.

(d) Christus deelt ook de genade mee die we nodig hebben om geheiligd te worden.

(e) Christus heeft voor ons een gelukzaligheid verdiend die we nu al in deze wereld hebben.

(f) En Jezus Christus heeft voor ons een nog rijkere en volkomener gelukzaligheid verworven in de wereld die komt.

  1. Waarom maakte Jezus Christus er Zijn werk van om terug te geven wat Hij niet had weggenomen?

(a) Het was noodzakelijk werk, werk dat gedaan móést worden om een Zaligmaker te kunnen zijn.

(b) Geen enkel gewoon schepsel kon dit werk doen. Als Christus het dus niet deed, kon niemand anders het doen. — Timothy Cruso, uit een preek.

Vers 5

“Wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.” Rosenmüller merkt op dat dit een spreekwoord lijkt te zijn voor een onschuldige die onrechtvaardig wordt behandeld. Volgens de wet moest wie een os stal en doodde of verkocht, vijf ossen teruggeven. Bij een schaap waren dat er vier. En als de os of het schaap nog levend werd gevonden, twee. Iemand dwingen iets terug te geven terwijl hij niets had genomen, was dus het grootste onrecht. Ex. 22:1-5.

Ainsworth merkt op dat het wel voor alle onterechte beschuldigingen kan gelden, waarvan David en Christus onschuldig waren. Maar het kwam vooral uit in Christus, Die “in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn”, Filipp. 2:6. Toch brachten de Joden Hem ter dood, omdat Hij getuigde Gods Zoon te zijn. Joh. 19:7. — Benjamin Boothroyd.

Vers 5

“Wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.” De duivel nam weg wat niet van hem was, toen hij zich in de hemel aanmatigde wat hem niet toekwam. Hij roemde dat hij gelijk was aan de Allerhoogste, en daarvoor krijgt hij een rechtvaardige straf… Ook Adam nam weg wat niet van hem was. Door de verleiding van de duivel streefde hij naar gelijkheid met God: “gij zult als God wezen”. Hij zwichtte, doordat de vrouw zich had laten misleiden. Maar de Heere Jezus achtte het geen roof Gode even gelijk te zijn… En toch zeiden Zijn vijanden: “Laat Hem gekruisigd worden”, want “Hij heeft Zichzelven Gods Zoon gemaakt.” — Gerhohus.

Vers 5

“Wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.” Wat een gezegend vers! Midden in al het verzet en alle tegenspraak van zondaren tegen Zichzelf liet Jezus het karakter zien waarmee Jehova Hem door de profeet aan de gemeente had aangewezen: “de fondamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten; en gij zult genaamd worden: Die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt, om te bewonen.” Jes. 58:12.

Maar wat herstelde Christus? Alles wat verloren was! Door de zonde had Adam alles gedaan om Gods heerlijkheid weg te nemen, en daarmee zijn eigen heerlijkheid en geluk. Hij had God van Zijn heerlijkheid beroofd, Gods wet van haar recht, en zichzelf van Gods beeld en Gods gunst. De zonde had de dood binnengebracht, geestelijk en eeuwig. Hij en al zijn nakomelingen stonden bevend bloot aan eeuwige ellende. Dit alles, en nog veel meer, heeft Jezus hersteld. Als Borg en Vertegenwoordiger van de mens, en daartoe geroepen door het gezag van Jehova, gaf de Heere Christus aan God Zijn heerlijkheid terug, en aan de mens het beeld van Gods gunst.

Hij vernietigde zonde, dood, hel en graf, en gaf Zijn verlosten een beter paradijs dan onze natuur verloren had! Wees gegroet, gezegende Hersteller van al onze lang verloren voorrechten! — Robert Hawker.

Vers 6

“Gij weet.” Dat God alles weet, is op twee manieren nuttig voor vrome mensen. Ten eerste troost het de onschuldigen, zoals we hier zien. Ten tweede maakt het hen voorzichtig, omdat al hun gedachten, woorden en daden onder Gods oog liggen. — Musculus.

Vers 6

“Gij weet van mijn dwaasheid”, enz., dat wil zeggen: ik ben geen overtreder. Dit vers is geen schuldbelijdenis maar een verklaring van onschuld. De schrijver houdt vol dat hij niet lijdt om zijn zonden, maar om zijn godsvrucht. Zie Ps. 69:8, enz. — George R. Noyes, in “A New Translation of the Book of Psalms, with Notes”, enz. 1846.

Vers 6

“Mijn schulden zijn voor U niet verborgen.” De zonden van hen voor wie Christus gestorven is, werden Hem toegerekend. Daardoor waren ze in de ogen van de wet ongetwijfeld Zijn zonden geworden, zodat Hij er aansprakelijk voor was. Maar let op: de Schriften spreken wel van Hem als “om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld”, en als “Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout”. Toch lijken ze schroomvallig elke uitdrukking te mijden die ook maar schijnbaar afbreuk zou doen aan Zijn smetteloze reinheid. Nooit spreken ze over de zonden van hen voor wie Hij stierf als Zijn eigen zonden. — James Anderson, noot bij Calvijn op deze plaats.

Vers 6

“Mijn schulden zijn voor U niet verborgen.” Ik, de tweede Adam, verberg Mijzelf en Mijn zonden niet, zoals de eerste Adam deed, en zeker niet voor Uw aangezicht, o God. Nee, aan het kruis opgeheven leed Ik buiten de poort voor zonden, en Ik wil dat die zonden zichtbaar zijn voor elk schepsel in de hemel, op aarde en in de hel. Wat Mijzelf betreft, kleeft er geen enkele smet aan die zonden. En voor mijn volk, dat in Mij gelooft, zijn ze helemaal uitgewist door Mijn bloed. — Gerhohus.

Vers 7

“Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen”, enz. Dat wil zeggen: als het gedrag van een godvrezend mens de andere gelovigen niet bemoedigt, dan brengt het hen op de een of andere manier in diskrediet. Dat gebeurt wanneer ze van de goede weg afraken of zich onbetamelijk gedragen. Ze lopen er allemaal gevaar voor. Het moet hen daarom diep raken, ja zelfs innerlijk kwellen, dat ze dit zouden laten gebeuren. Daarom moeten ze alles doen om het te voorkomen.

Medegelovigen schamen zich voor iemand die niet recht leeft. Ze schamen zich dat ze ooit met hem optrokken. Ze schamen zich dat zo iemand ooit voor deze zaak koos, en dat zoiets een belijder van deze zaak kon overkomen. Bovendien verliezen ze door hem de hoop dat ze zelf zullen volhouden. Ze dreigen ook een schande te worden voor alle godvruchtigen. Want, zeggen ze, het lijkt erop dat de Heere geen vaste belofte heeft gedaan over de manier waarop zij uiteindelijk volharden. En er blijft nog genoeg verdorvenheid in hen over om al hun voorraad aan genade omver te werpen, als ze niet meteen nieuwe kracht ontvangen. — William Guthrie, 1620-1655.

Vers 7

“Laat hen door mij niet beschaamd worden.” Ik bid dat zij niet beschaamd gemaakt worden door vijanden van buiten, met hun eindeloze beledigingen en hun smaad. Die vijanden zien hen immers als aanbidders van een gekruisigde en gestorven God. Ze denken dat zij zelf als doden zijn en wegrotten voor Zijn graf, alsof hun goede naam verloren is. Laat in plaats daarvan liever Mijn vijanden, die niet willen dat Ik leef, door Mijn engelachtige gelaat met schrik geslagen worden en als doden neervallen. — Gerhohus.

Vers 7

“Door mij.” Nauwkeuriger vertaald: in mij. In deze woorden horen we duidelijk de stem van Hem, Die als Borg instaat voor de vrede van Zijn volk (een borg staat voor een ander in). Het gebed van de Lijder krijgt zijn antwoord in de verklaring die nu de grondslag van het evangelie vormt: “Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.” 1 Petrus 2:6. — Arthur Pridham.

Vers 7

Ik draag op Uw bevel de schande die zij anders zelf hadden moeten dragen. Heere, neem die dan van hen weg, want U hebt haar op Mij gelegd. Zo volgt het ook meteen in Psalm 69:8: “Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.” — Thomas Goodwin.

Vers 8

“Schande heeft mijn aangezicht bedekt.” Wat is erger: schande of de dood? Het is een grote vraag, waarover je lang kunt nadenken. Er zijn mensen geweest die liever de dood kozen en hun eer met hun eigen bloed schoonwasten. Zo doodde Saul zichzelf liever dan dat hij in de handen van de Filistijnen viel, want die zouden hem uitlachen en bespotten, zoals ze met Simson deden. En zo verkoos die koning (Jeremia 38:19) liever zijn land, zijn leven en alles te verliezen, dan dat hij werd uitgeleverd aan de Joden, zijn eigen onderdanen, om door hen bespot te worden… Een beschaamd aangezicht hoort bij de ergste ellenden waarmee zelfs de hel ons beschreven wordt.

Een edele natuur verafschuwt niets zo erg als schande. Eer is immers een vonk van Gods beeld. Hoe meer van Gods beeld iemand draagt, des te heviger verafschuwt hij schande, want schande is de ontsiering van dat beeld. Daarom geldt: hoe groter en edeler iemands geest is, hoe meer hij schande uit de weg gaat. Een lage, gewone geest trekt zich van schande niets aan. Maar voor een grote geest (zoals David) is er niets pijnlijker dan dat zijn “eer tot schande” wordt, zoals in Psalm 4:3. En hoe meer eer iemand verliest, hoe groter zijn schande.

Wat moet het dan voor Christus zijn geweest! Hij moest herstellen wat de zonde van de mens aan Gods eer had aangetast, en zo God genoegdoen. Daarom onderging Hij van alle straffen juist de schande het zwaarst, en die hoort (zoals gezegd) ook bij de zwaarste straffen in de hel. Christus nam ook andere zwakheden van onze natuur aan, waardoor Hij kon lijden: honger, slaapgebrek, lichamelijke folteringen, onvriendelijkheid en verachting. Zo nam Hij ook oneer en schande aan, net als angst. En hoewel Hij de kracht had om ze te dragen en te verachten (zoals de schrijver aan de Hebreeën zegt), was toch niemand ooit gevoeliger ervoor.

Zijn lichaam was zo teer gebouwd dat Hij pijn dieper voelde dan wie ook. Zo zorgde ook de grootheid van Zijn geest, de ruimte en edelheid van Zijn hart, ervoor dat Hij het kwaad van de schande scherper aanvoelde dan wie ook. En omdat Zijn liefde en openhartigheid voor de mensheid oneindig waren, nam Hij de onvriendelijkheid en de krenkingen die ze op Hem stapelden met even groot verdriet op. — Thomas Goodwin.

Vers 9

“Ik ben mijn broederen vreemd geworden.” Als de afkeer van Zijn broeders Hem geen pijn had gedaan, had Hij er niet over geklaagd. En het had Hem geen pijn gedaan als Hij niet een bijzondere genegenheid voor hen had gevoeld. Hij hield dus echt van Zijn broeders. — Musculus.

Vers 9

In het Oosten is veelwijverij gewoon. Daar is de man een harde, gevoelloze heerser en zijn harem een groep bevende slavinnen. De kinderen kijken met onverschilligheid of angst naar hun gezamenlijke vader, maar hangen met de innigste liefde aan hun eigen moeder. Zij is voor hen het enige echte deel van het gezin, de enige ouder voor wie ze iets voelen. Daarom maakte het Davids verdriet zoveel zwaarder dat hij een vreemdeling was geworden voor de kinderen van zijn moeder. De vijandschap van de andere kinderen van zijn vader, geboren uit de andere vrouwen van zijn vader, baarde hem minder zorgen. — W. Greenfield, in “Comprehensive Bible.”

Vers 10

“Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd.” De Schrift spreekt over een “vrede Gods, die alle verstand te boven gaat” en over een “onuitsprekelijke en heerlijke vreugde”. Wie dat bedenkt, zal eerder treuren over het lage peil van zijn eigen gevoel, dan dat hij gaat twijfelen aan gevoelens die volkomen redelijk en bijbels zijn, alleen omdat ze hoger reiken dan hij ooit bereikt heeft. De Heilige Schrift geeft geen enkele steun aan het idee dat gevoelens in het geloof als dweperig en fanatiek moeten worden afgewezen, alleen omdat ze zo hevig zijn en zo hoog gaan. Als ze van de juiste soort zijn en uit rechtmatige bronnen opwellen, leren ze ons nooit te vermoeden dat ze te ver kunnen gaan.

David danste met al zijn kracht voor de Heere. Toen men hem verweet dat hij zich in de ogen van zijn volk vernederde door zich aan zulke vervoering over te geven, antwoordde hij: “Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzo.” Dat de dingen die ons hart in het geloof raken veel blijvender en belangrijker zijn dan alle andere dingen, zal niemand tegenspreken. Waarom zou het dan onredelijk zijn om er in een mate door geraakt te worden die enigszins bij hun waarde past? — Robert Hall, 1764-1831.

Vers 10

“De ijver van Uw huis heeft mij verteerd.” Denk aan de voorbeelden van de heiligen van vroeger, die de hemel met geweld hebben genomen. David onderbrak zijn slaap om te mediteren (Psalm 119:148). Zijn vurigheid voor de hemel liep op tot ijver: “Mijn ijver heeft mij doen vergaan” (Psalm 119:139). En Paulus zegt: “strekkende mij (epekteinomenos) tot hetgeen voor is”. Het Griekse woord betekent: je hals uitstrekken. Het beeld komt van renners die elke spier inspannen en zich naar voren buigen om de prijs te grijpen. We lezen van Anna, een profetes (Lukas 2:37): “dewelke niet week uit den tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag.”

Wat werkte Calvijn hard in de wijngaard van de Heere! Zijn vrienden haalden hem over om voor zijn gezondheid wat minder te werken. Hij antwoordde: “Wilt u dat de Heere mij werkeloos vindt wanneer Hij komt?” Luther bracht elke dag drie uur door in gebed. Van de heilige Bradford wordt gezegd dat preken, lezen en bidden zijn hele leven vulden. “Ik ben blij”, zei bisschop Jewel, “dat mijn lichaam wordt uitgeput in het werk van mijn heilige roeping.”

Wat een vuur hadden de gezegende martelaren! Ze droegen hun ketenen als sieraden, grepen folteringen aan als kronen en omhelsden de vlammen even blij als Elia de vurige wagen die hem naar de hemel kwam halen. “Laat pijnbanken, vuren, katrollen en allerlei folteringen maar komen, als ik Christus maar mag winnen”, zei Ignatius. Deze vrome zielen hebben “tot den bloede toe … tegengestaan.” Wat zou dit onze ijver moeten aanwakkeren! Neem deze mooie voorbeelden als schrijfvoorbeeld en schrijf ze na met je eigen leven. — Thomas Watson.

Vers 10

“De ijver van Uw huis heeft mij verteerd.” IJver voor de ware godsdienst is iets lofwaardigs. Was David ijverig? Dan past dat bij een koninklijke geest. Was Christus, onze Zaligmaker, ijverig? Dan past dat bij een heldenhart. De meeste mensen, die liever stilzitten en hun rust willen, moeten van ijver niets hebben. Maar voor een edelmoedige geest die opnieuw geboren is, is het geen schande dat de ijver voor Gods huis hem verteert. Het is laster om dat dwaasheid te noemen. Was de ijverige David niet wijzer dan zijn leraars, zijn vijanden en de oudsten? Lauwe mensen noemen het razernij. Gods Geest noemt het “vurige kolen, vlammen des HEEREN”.

Waarom staat ijver bloot aan de beschuldiging van onbezonnenheid, overhaasting, puritanisme of koppigheid? Was het Davids onbezonnenheid? Nee, het was vuur in zijn geloof. Was Christus onbezonnen? Nee, Hij was de wijsheid van Zijn Vader. Festus noemde Paulus met luide stem een razende (Handelingen 26:24), terwijl Paulus alleen woorden van waarheid en nuchter verstand sprak (Handelingen 26:25). Christus’ familieleden dachten dat Hij buiten Zijn zinnen was (Markus 3:21). Deed het oordeel van zulke botte mensen afbreuk aan de ijver van onze Zaligmaker? Nee, het is juist een aanbeveling. Het kwaad uit het huis van God verwijderen en het goede daarin vestigen is een goede zaak (Galaten 4:18). — Thomas Wilson, in “A Sermon preached before sundry of the Honourable House of Commons”, getiteld “David’s Zeal for Zion”, 1641.

Vers 10

“IJver”, “smaadheden”. Genade reikt nooit zo hoog als in tijden van vervolging. Tijden van lijden zijn oogsttijden voor een christen. Ik laat dat zien aan één genade: die van de ijver. Ik herinner me dat Moulin over de Franse protestanten zegt: “Zolang de papisten ons kwaad deden omdat we de Schrift lazen, brandden we van ijver om haar te lezen. Maar nu de vervolging voorbij is, zijn onze Bijbels als oude almanakken”, enzovoort. Alle smaad, boze blikken, bedreigingen, tegenstand en vervolging die een christen op een weg van heiligheid tegenkomt, maken zijn ijver en moed alleen maar groter.

Michals bespotting van David deed zijn ijver alleen maar oplaaien en groeien: “Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzo” (2 Samuël 6:20-22). Kijk maar: een vuur brandt in de winter heter, door antiperistasis (de tegenwerking van de koude lucht eromheen). Zo brandt in de winter van verdrukking en vervolging dat goddelijke vuur, de ijver van een christen, des te heter en laait het des te heviger en krachtiger op.

In tijden van de zwaarste verdrukking en vervolging om de heiligheid heeft een christen vier dingen. Ten eerste een goede Aanvoerder, Die hem leidt en bemoedigt. Ten tweede een rechtvaardige zaak, die hem aandrijft en moed geeft. Ten derde een genadige God, Die hem helpt en ondersteunt. Ten vierde een heerlijke hemel, die hem ontvangt en beloont. Zulke dingen kunnen hem niet anders dan machtig optillen en doen ontvlammen onder de grootste tegenstand. Ze behoeden hem voor angst, vleierij, bezwijken, wegzinken en op de vlucht slaan op een stormachtige dag. Ja, ze maken zijn gezicht als het gezicht van een diamant, zoals God beloofd heeft dat van Ezechiël te maken (Ezechiël 3:7-9 en Job 41:15).

Een diamant is de hardste van alle stenen, harder dan vuursteen, ja zelfs harder dan de onderste molensteen. Natuurkundigen (Plinius) merken op dat de hardheid van deze steen niet te beschrijven is. Het vuur kan hem niet verbranden of zelfs maar verhitten, de hamer kan hem niet breken en het water kan hem niet oplossen. Daarom noemen de Grieken hem een adamas: de ontembare. In alle stormen krimpt de diamant niet. Hij vreest niet, hij verandert niet van kleur. Laat de tijden zijn zoals ze willen, de diamant blijft dezelfde. In tijden van vervolging maken een goede zaak, een goede God en een goed geweten een christen als een diamant: onoverwinnelijk en onveranderlijk.

Toen iemand wilde weten wat voor man Basilius was, kreeg hij, zo vertelt de geschiedenis, in een droom een vuurkolom te zien met het opschrift: Talis est Basilius, Basilius is zo iemand: hij staat helemaal in lichterlaaie voor God. Vervolgingen zetten een christen alleen maar helemaal in lichterlaaie voor God. — Thomas Brooks.

Vers 10

“Verteerd.” Het werkwoord betekent niet alleen “opeten” of “verslinden”, maar ook “wegvreten” of “verteren”, doordat de delen van elkaar worden losgemaakt, zoals vuur dat doet. De grondbetekenis van het Hebreeuwse woord voor ijver lijkt “inbijten, wegvreten” te zijn, net als vuur. Volgens Parkhurst gebruikt de Hebreeuwse Bijbel dit woord meestal voor de vurige of gloeiende gevoelens van de mens. Van die gevoelens is bekend dat ze altijd werken als vuur: ze vreten weg en verteren. Dichters, oude en nieuwe, wemelen daarom van beschrijvingen van zulke gloeiende, verterende gevoelens, ontleend aan het vuur en zijn werking. — Richard Mant.

Vers 10

“Verteerd.” Wie ijverig is in zijn geloof of vurig in zijn verbondenheid, van hem zegt men dat hij verteerd is. “Oude Muttoo heeft besloten zijn huis voorgoed te verlaten. Hij moet op blote voeten naar de Ganges lopen voor het heil van zijn ziel. Zijn ijver heeft hem verteerd.” — J. Roberts’ “Oriental Illustrations.”

Vers 10

“De smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.” Als het enigszins mogelijk is, moeten we ons erop toeleggen alle smaad van Christus weg te nemen en op onszelf te laden, zodat wij liever bespuwd en veracht worden dan Christus. Ambrosius zei het mooi: hij wenste dat God het zou behagen alle tegenstanders van de gemeente op hemzelf af te leiden en hen hun dorst te laten lessen met zijn bloed. Dat is een echt christelijk hart. Als het dus om onzentwil gebeurt, en wij iets te maken hebben met de zaak waardoor Christus wordt gesmaad, moeten we bereid zijn liever onszelf op te offeren dan dat Christus wordt gesmaad.

Zo zei Jona, toen hij begreep dat de storm om zijnentwil opstak: “Werpt mij in de zee.” En zo zei Nazianzen, toen er twist om hem ontstond: “Werp mij in de zee, laat mij mijn plaats verliezen, liever dan dat de naam van Christus om mijnentwil lijdt.” — Jeremiah Burroughs.

Vers 11

“En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.” Kijk eens wat er gebeurt: deugd wordt voor ondeugd aangezien, waarheid voor godslastering, wijsheid voor dwaasheid. De vredestichter van de wereld wordt beschouwd als een oproerkraaier. Hij Die de wet vervulde, geldt als wetsovertreder, onze Zaligmaker als zondaar, onze God als een duivel. O arm, verontrust hart! Waarom klaag je zo zwakjes over het onrecht of de mishandeling die je overkomt?

God behandelt je in deze wereld niet anders dan Hij Zijn enige Zoon behandelde. Die heeft je deze bittere drank toegedronken, en niet alleen om ervan te proeven: Hij dronk je een volle teug toe. Het is niet alleen een troost, het is zelfs een eer om deelgenoot en medelijder van Christus te zijn. Hij ziet ook graag iets van Zichzelf in ons terug. Honden blaffen niet tegen wie ze kennen en met wie ze vertrouwd zijn. Tegen vreemden blaffen ze meestal, niet altijd om enig kwaad dat ze voelen of vrezen, maar meestal uit aard of uit slechte gewoonte. Hoe kun je dan een vreemdeling voor de wereld zijn, als ze je niet lastigvalt en niets van je afbreekt? — Sir John Hayward (1560-1627), in “The Sanctuary of a Troubled Soul.”

Vers 11

Niets is zo goed bedoeld of het kan verkeerd worden uitgelegd. — Simon Patrick.

Verzen 11-12

Dat Christus werd bespot en uitgelachen, blijkt duidelijk uit wat we lezen in Markus 5. Toen Hij zei: “Het kind is niet gestorven, maar het slaapt”, lachten ze Hem uit. En toen Hij sprak over de noodzaak om aalmoezen te geven, staat er: “En al deze dingen hoorden ook de Farizeen, die geldgierig waren, en zij beschimpten Hem.” Ook tijdens Zijn lijden werd Hij bespot: door de soldaten, door Herodes, door de hogepriesters en door vele anderen. — Robert Bellarmine.

Vers 12

“En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan”, enz. Nergens lezen we dat Jezus ooit een rouwkleed van zakkenstof droeg. Toch is het best mogelijk dat Hij dat deed. Bovendien wil de uitdrukking misschien alleen zeggen dat Hij op bepaalde momenten treurde en verdriet had, zoals mensen dat doen die zich in zak kleden. Zijn voorloper droeg gewoonlijk een kleed van kameelhaar met een lederen riem om het middel. Het is dus heel waarschijnlijk dat ook Zijn kleding zeer eenvoudig was, passend bij Zijn positie. Hij was immers rijk en werd om ónzentwil arm. “Maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden”: een spotnaam. Als zij iemand zagen in een zak of in armoedige kleren, zeiden ze: kijk, die ziet eruit als Jezus van Nazareth. — John Gill.

Vers 12

“Ik ben hun tot een spreekwoord geworden.” Als iemand een spotnaam heeft gekregen, bedoelen we meestal twee dingen. Ten eerste: hij zit diep in de put. Sommige mensen staan zo hoog dat het gewone volk niet over hen durft te praten, maar waar de heg laag is, stapt iedereen eroverheen. Ten tweede: hij is verachtelijk geworden. Een spotnaam werpt altijd een schaduw van schande. Wie veel besproken wordt, wordt in dit geval slecht besproken. En wie zo in ieders mond rondgaat, is in de mening van de mensen helemaal verloren…

Daaruit leren we dat wie in deze wereld veel lijdt, vaak het gespreksonderwerp van iedereen wordt, en dikwijls ook een voorwerp van smaad. Over kwalen die maar weinig mensen ooit hebben gezien of gevoeld, praat iedereen. Groot verdriet, zeker als het om het verdriet van groten gaat, wordt in liederen gegoten. Zelfs de treurigste rampen krijgen een rol in de dichtkunst, en er wordt over gezongen…

De heilige David kreeg precies dit te verduren op de dag van zijn smarten: “Ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad. En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord (of spotnaam) geworden.” In het volgende vers vertelt hij precies wie dat deden: “Die in de poort zitten (dat wil zeggen: de groten), klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken”, dat wil zeggen: van het gewone slag. — Joseph Caryl.

Vers 13

“Die in de poort zitten.” Meestal legt men dit uit als: de rechters of de belangrijkste mannen van het land, want de stadspoorten waren de plaatsen waar recht werd gesproken. Hilarius ziet het anders. Hij denkt aan de mensen die bij de stadspoort zaten te bedelen. Dat lijkt een waarschijnlijker uitleg. Die past beter bij wat de psalmdichter wil zeggen, en bij de dronkaards die in de volgende zinsnede worden genoemd. — Samuel Burder.

Vers 13

“Die in de poort zitten.” De rechters bij de poort. Letterlijk: “bijzitters aan de poort”, dat zijn “rechters die zitten om zaken te beslissen”. — John Mason Good.

Vers 13

“Ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.” Een heilige levenswandel is het lied van de dronkaard, zoals het bij David was. Zo gaat het meestal met een nauwgezette, strenge levenswandel: wie het precies neemt, wordt bespot. De wereld kan het brandende, stralende leven van sommige heiligen niet verdragen. Zij voelen zich door hen zo scherp terechtgewezen dat zij, net als die heidenen, de zon vervloeken, omdat haar schijnsel hen verschroeit.

Het is niets nieuws, het is zo oud als de wereld. Het zaad van de slang heeft altijd het zaad van de vrouw vervolgd, en wie naar het vlees geboren was, vervolgt wie naar de Geest geboren was. “alzo ook nu”, zegt de apostel, en ook wij mogen zeggen: zo is het nog steeds. Ismaël bespotte Izak, en is dat vandaag anders? Misschien gaat het minder brutaal dan vroeger, maar dan zijn het de tijden die veranderd zijn, niet de harten van de zondaars. Ze haten hen nog steeds en loeren op hun misstap: “Geef ons te kennen,” zeggen zij, “en wij zullen het te kennen geven.” — John Murcot.

Vers 13

“Ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.” Als de overheid de ware godsdienst onwelwillend bejegent, wordt die een bespotting voor schurken, voor elke gemene booswicht die zich nergens aan bindt, en een gespreksstof voor elke drinkebroer. De schande van het kruis doet meer pijn dan de rest van het lijden dat ermee gepaard gaat. In deze laatste vier verzen wordt de schande van het kruis al voor de vierde keer aan God voorgelegd: “Ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken”, nadat hij eerst klaagde dat hij gesmaad werd en tot een spreekwoord was gemaakt. — David Dickson.

Vers 13

Zo zie je het in elke herberg, waar ontheiligde vrolijkheid heerst met drinken, razen en brassen. In plaats van een andere speelman moet David het lied van de dronkaards zijn. Ook de Filistijnen konden eenvoudig niet vrolijk zijn zolang Simson niet als de dwaas in hun spel werd rondgeleid (Richt. 16:25). “Als zij niet spotten met de wegen en de dienaren van God”, zegt de heer Greenham, “weten de dwazen niet hoe ze vrolijk moeten zijn.” En dan hoort de duivel bij het gezelschap en is hij vrolijk met hen mee.

Maar wat nu? Kunnen ze niet vrolijk zijn zonder hun gastheer te mishandelen? Wat een schandelijk gedrag! Sommigen zullen dat duur moeten betalen wanneer de rekening komt, of liever: wanneer ze worden geroepen om die rekening te voldoen. Dan is het feest voorbij, en dan zullen ze van hun vrolijke stoel afkomen. En ze zullen merken dat dit heel ver afstond van “de vertroosting des Heiligen Geestes”, waarbij die goede Geest en onze Trooster bedroefd werd en heiligheid bespot en uitgelachen werd. — Anthony Tuckney (1599-1670), in “A Good Day Well Improved.”

Vers 14

“Maar mij aangaande, mijn gebed”, enz. Deze zinsnede is vol nadruk. “En ik, mijn gebed tot U”, dat wil zeggen: zo ben ik door en door, dit is mijn belangrijkste bezigheid. Zo staat het ook in Ps. 109:4: “En ik, een gebed.” Bidden was zijn werk. Het was altijd zijn enige toevlucht, zijn hulp op dit moment en zijn redmiddel. — Venema.

Vers 14

“Een tijd des welbehagens.” Niet alle tijden zijn gelijk. We vinden niet altijd even gemakkelijk toegang. Hij zal niet altijd twisten, maar Hij is ook niet altijd even welwillend. We kunnen kloppen en nog eens kloppen en toch een tijdlang buiten blijven staan. Soms duurt dat zo lang dat onze knieën bijna bezwijken, onze ogen bijna uitvallen en druipen van verwachting, en ons hart bijna breekt, terwijl niemand luistert en niemand er acht op slaat, hoe lang we ook wachten. We hadden eerder moeten komen, of we hadden onze komst op een beter moment moeten kiezen…

De profeet David spreekt uitdrukkelijk over een gunstige tijd om te bidden. En de woorden uit de psalm: “Heden, zo gij Zijn stem hoort”, door de apostel in eigen woorden herhaald als: “zolang als het heden genaamd wordt”, laten zien dat God bepaalde dagen heeft waarop Hij ons wil ontvangen. Dan staat Hij als het ware helemaal klaar om ons te horen en te helpen. Zo’n tijd noemt de Schrift een aangename tijd, een tijd van welbehagen.

En wil je weten wat zo’n tijd maakt? Daar zijn maar twee dingen voor nodig. Of God is vriendelijk en welwillend tegenover ons, of wij zijn vriendelijk en welwillend tegenover Hem. Komen we in een van die twee stemmingen tot Hem, dan hebben we het goede moment getroffen. Dan zijn we er zeker van dat we welkom zijn en dat ons gebed wordt aanvaard. — Mark Frank. 1613-1664.

Vers 14

Hoe zwaarder het kruis, hoe inniger het gebed;
Het kruid geurt het sterkst wanneer men het kneust en verplet.
Als hemel en wind steeds gunstig waren,
Zou geen zeeman naar de sterren staren;
En nooit waren Davids psalmen gezongen,
Was smart niet eerst in zijn hart gedrongen.

— Uit het Duits.

Vers 16

Geloof in God geeft hoop om geholpen te worden. Het is al een halve verlossing, en wel voordat de hele verlossing er is. De psalmdichter heeft zijn hoofd nu boven water en is niet meer zo bang als toen hij aan deze psalm begon. — David Dickson.

Vers 16

“De put.” Volgens deken Stanley wordt het Hebreeuwse woord be’er hier altijd vertaald met “bron”, behalve in dit geval en in drie andere. Als zulke bronnen geen water meer gaven, gebruikte men ze als gevangenis. Niemand maakte de modder op de bodem schoon. In de bijlage van zijn “Sinai and Palestine” vertelt de deken ook dat “ze rondom de opening een brede rand van metselwerk hebben, en vaak een steen die de opening afsluit.” Als die steen over de mond van de put werd gerold, “sloot de put zijn mond”, en de arme gevangene lag in alle opzichten levend begraven. — C. H. S.

Vers 18

“Verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange.” Een oprechte knecht kan om de zaak van God in nood zitten en Gods troost missen. Toch ruilt hij zijn Meester nooit in voor een ander en wanhoopt hij niet aan Zijn gunst. — David Dickson.

Vers 18

“Verberg Uw aangezicht niet.” De eigenlijke betekenis van het Hebreeuwse woord sathar verklaart de zin: bedek Uw aangezicht niet voor Uw knecht. Het beeld is dat van een koning. Hij spant een sluier voor de ingang van zijn kamer, zodat niet iedereen zomaar binnen kan komen, en laat alleen zijn vertrouwde dienaar tot zich. Zo staat het ook in Ps. 31:21. Het aangezicht van God is Zijn majesteit en Zijn genadige, vriendelijke aanwezigheid. Gods knecht is Zijn dienaar die vrij bij Hem mag komen. Zijn aangezicht voor hem verbergen betekent: hem de toegang tot Gods tegenwoordigheid beletten. Daarom hoort Gods knecht op een heel andere manier behandeld te worden dan andere mensen. — Hermann Venema.

Vers 18

“Uw knecht.” Verberg niet, zegt hij, voor Uw knecht. Het is alsof hij zegt: hoe ik er ook aan toe ben, ik blijf Uw knecht. Het is aan de meester om voor zijn knecht te zorgen als die om zijnentwil in gevaar verkeert, en dat geldt ook hier. In ditzelfde vers zegt David dat hij in het nauw zit. In Ps. 69:19 verklaart hij dat zijn leven op het spel staat. — Musculus.

Vers 20

“Gij weet mijn versmaadheid”, enz. Het is een grote troost dat God let op onze smaad. Dat was ook de troost van de psalmdichter zelf. Stel dat iemand smaad, schande en moeite lijdt voor zijn vrienden terwijl hij bij hen weg is. Dan zegt hij: o, als mijn vrienden wisten wat ik lijd, en dat ik voor hen lijd, dan zou dat mij troosten. Is het al een troost om gekend te zijn, dan is het dat nog veel meer wanneer ze hem als de hunne zullen erkennen.

Christus kent al het lijden van elk lid van Zijn lichaam. Zeg dus niet: ik ben maar een arm schepsel, wie let er op mijn lijden? De hemel let op je lijden. Christus let er beter op dan jij zelf. — Jeremiah Burroughs.

Vers 21

“De versmaadheid heeft mijn hart gebroken.” Iedereen weet dat gemoedsbewegingen en hartstochten de werking van het hart beïnvloeden, bijvoorbeeld door hartkloppingen of flauwvallen. De meeste medische autoriteiten die over de aandoeningen van dit orgaan hebben geschreven, zeggen dat zulke gevoelens, als ze overweldigend zijn, soms (al is het zelden) de wand van het hart kunnen laten scheuren of breken. Onze dichters spelen zelfs op dit gevolg in alsof het een vaststaand feit is: “Het leed dat zwijgt, fluistert het overvolle hart in dat het moet breken.”

Maar áls ooit een mensenhart door de pure omvang van zielsangst is gespleten en gebroken, dan was het zeker het hart van onze Verlosser. Dat mogen we zelfs vooraf al beredeneren, nog vóór we naar de feiten kijken. Hij werd “een vloek … voor ons”. In die donkere, vreselijke uren aan het kruis “heeft Hij onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen”. Hij onderging voor de zonde de vervloeking van God en mensen, “in zwaren strijd zijnde”, en nu “geheel bedroefd tot den dood toe”.

Er zijn zowel godgeleerde als medische argumenten voor de opvatting dat Christus werkelijk stierf aan een gescheurd of gebroken hart. In Psalm 22 en 69 staan veel wonderlijke profetieën en nauwkeurige voorzeggingen over de omstandigheden rond de dood van Christus. We beschouwen die met recht als letterlijk waar, zoals: “Zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven” en “Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.” Waarom zouden we dan, vraag ik, de uitspraken in diezelfde psalmen, “De versmaadheid heeft mijn hart gebroken” en “Mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands”, alleen als beeldspraak zien en niet ook als letterlijk waar? — Sir James Young Simpson (1811-1870), in W. Stroud’s “Treatise on the Physical Cause of the Death of Christ.”

Vers 21

“En ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen.” Zelfs in gewone omstandigheden verlangen we naar medeleven. Zonder dat krimpt het hart ineen en hangt het slap. Het sluit zich als een bloem in een kille lucht. Maar te midden van openhartige woorden en liefdevolle taferelen gaat het weer open, zoals een bloem in de zon.

Wanneer we in nood zijn, wordt dat gemis naar verhouding nog dringender. Voor een bedroefd hart is het een smart die groter is dan de natuur kan dragen om zich alleen te voelen. Een blik van medeleven lijkt dan meer te helpen dan een gift van onmetelijke rijkdom. Een liefdevolle blik van zelfs een klein kind dat met ons meeleeft, of een eenvoudig woord van een gewone vriend, geeft de geest soms nieuwe moed om opnieuw te beginnen. Het lijkt dan bijna alsof er leven wordt gewekt in de greep van de dood. — Charles Stanford, in “Central Truths”, 1859.

Vers 22

“Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven”, enz. Zo ziet de troost eruit die de wereld vaak aan een bedrukte, verlaten ziel aanbiedt. — George Horne.

Vers 22

Gal en edik worden hier samen genoemd als het onsmakelijkste voedsel en de onsmakelijkste drank die er zijn. Het lijden van onze Heere is door de Voorzienigheid zo geleid dat het opmerkelijk samenviel met dit vers. De Romeinen gaven gekruisigde misdadigers gewoonlijk zure wijn met een aftreksel van mirre om de pijn te verdoven. Dat gebeurde ook bij onze Zaligmaker (Mark. 15:23). Op zichzelf was dat niet wreed, integendeel. Maar het hoorde wel bij het grote proces van moordzuchtige vervolging.

Bij de Romeinse soldaten kan het een vriendelijk gebaar geweest zijn. Maar vanuit de ongelovige Joden gezien kwam het erop neer dat een man die al overweldigd was door angst, gal en edik kreeg. Zo beschrijft Mattheüs het ook, geheel naar zijn gewone werkwijze, als een vervulling van deze tekst (Matth. 27:34). Hij spreekt het verhaal van Markus, waar ik hierboven naar verwees, niet tegen. Hij laat alleen zien dat de wijn met mirre die men Hem aanbood, hetzelfde is als de gal en de edik uit deze voorzegging. En om te voorkomen dat iemand dit samenvallen over het hoofd zou zien, klaagde onze Heere vlak voor Zijn sterven over dorst, en men gaf Hem edik. — Joseph Addison Alexander.

Vers 22

“Gal tot mijn spijs.” Het leven van de zonde begon met proeven, tegen de gehoorzaamheid in die we aan God verschuldigd zijn. Daarom wilde de Verlosser van zondaars gehoorzaam zijn tot de dood toe, aan het kruis. Om de profetie te vervullen eindigde Hij Zijn leven met de bittere smaak van gal en edik. Zo zien wij het begin van ons verderf en het einde van onze verlossing, en mogen we ons volkomen verlost en volmaakt genezen weten. — Thomé de Jesus (1582), in “The Sufferings of Jesus.”

Vers 22

“Edik.” Uitleggers hebben vaak opgemerkt hoe verfrissend Oosterse edik is. Ik zal hun opmerkingen niet herhalen. Ik wil liever vragen: als edik zo verfrissend is, waarom klaagt de psalmdichter dan profetisch dat hij edik te drinken kreeg in die doodsdorst, die hij in een andere psalm beschrijft met een tong die aan de kaken kleeft? Aan de verfrissende kracht ervan valt niet te twijfelen, dat staat vast. Maar kan men niet antwoorden dat naast de gal, die we niet mogen vergeten, ook edik zelf, hoe verfrissend ook, alleen door de armste mensen werd gedronken?

Als een vorstelijk persoon in zijn dorst edik krijgt, het drankje van een slaaf of van een ellendige gevangene in plaats van dat van een prins, dan wordt hij diep onteerd, en hij mag dan best klagen dat dit een bittere hoon is, of zulke beledigingen met dit beeld uitdrukken.

Zoete wijn werd vroeger het meest gewaardeerd, zo blijkt uit de oude Oosterse vertalers van de Septuaginta. Voor wat onze vertaling weergeeft als “veel koninklijke wijn, naar des konings vermogen” (Esth. 1:7), schrijven zij “veel en zoete wijn, zoals de koning zelf dronk.” Misschien boden de soldaten onze Heere daarom edik aan, wijn die erg zuur geworden was, als tegenstelling tot de zoete wijn die vorsten dronken. Lukas vertelt ons immers dat ze dit uit spot deden (Luk. 23:36): “En ook de krijgsknechten, tot Hem komende, bespotten Hem, en brachten Hem edik.”

Men zegt dat Joodse misdadigers vlak voor hun terechtstelling gemengde wijn kregen om hun pijn te verdoven. Maar onze Heere kreeg edik, en wel uit spot. Zij bespotten daarmee, zoals ze ook met andere dingen deden, Zijn aanspraak op het koningschap. Maar de scherpte van die spot zien we pas als we niet vergeten wat voor wijn vorsten vroeger dronken. Dat was, zo blijkt, wijn van de zoete soort. — Thomas Harmer.

Vers 23

De vloeken in dit vers en in het volgende zijn alleen weerzinwekkend als je ze leest als de uitbarsting van kwaadaardige zelfzucht. Spreekt God ze uit, dan hoeven ze niemands gevoel te kwetsen, en dat doen ze ook niet. Dat geldt ook als je ze leest als de woorden van een ideale persoon, die alle rechtvaardigen vertegenwoordigt die onrecht lijden. Hij vertegenwoordigt in het bijzonder Hem Die, hoewel Hij tijdens Zijn sterven bad voor Zijn moordenaars (Luk. 23:34), eerder precies de woorden van deze passage op de ongelovige Joden had toegepast (Matth. 23:38). Later deed Paulus dat ook (Rom. 11:9-10). De leer dat God het kwaad vergeldt, is niet beperkt tot het Oude Testament. Onze Zaligmaker leert haar duidelijk in veel van Zijn gelijkenissen. Zie Matth. 21:41; 22:7; 24:51. — Joseph Addison Alexander.

Vers 23

Hun tafel worde tot een strik. Hun tafel staat als beeld voor hun voorspoed: een overvloed aan alles. Ze staat ook voor vrede en veiligheid, zoals in Ps. 23:5 en Job 36:16. Verder wijst ze op vriendschap tussen mensen, op gedeelde gedachten en plannen. Maaltijden zijn daar immers het teken en het zinnebeeld van. Ps. 41:10; Dan. 11:27. — Hermann Venema.

Vers 23

Hun tafel, enz. Iemand zei terecht: Licitis perimus omnes, enz., “We gaan meestal ten onder door het gebruik van geoorloofde dingen.” Het gevaar is immers het grootst waar we het minst vermoeden. In al onze zegeningen zit een verboden vrucht. Ze ziet er mooi uit en smaakt zoet, maar we mogen haar niet aanraken. — Henry Wilkinson (1675), in “Morning Exercises.”

Vers 23

Hun tafel worde tot een strik. In de gelijkenis van het feestmaal hadden veel mensen een excuus om Christus niet te volgen. Sommigen hadden land gekocht, anderen waren getrouwd, weer anderen hadden span ossen gekocht, en ze konden daarom niet komen (Luk. 14:18-20). Met andere woorden: een overdreven liefde voor de wereld hield hen tegen. Wat ze mochten genieten, was van dienaar hun afgod geworden. Ze aanbaden het meer dan God en wilden het niet loslaten om naar God te komen. Maar dit staat er om hen te beschamen. We zien er ook in hoeveel macht het eigen ik over de wereldse mens heeft, en welk gevaar hem bedreigt als hij geoorloofde dingen misbruikt.

Wat, is je vrouw je dierbaarder dan je Zaligmaker? En gaan je land en je ossen vóór het heil van je ziel? O, pas op dat je zegeningen niet eerst een strik worden en daarna een vloek! Wie ze te hoog schat, daagt Hem Die ze gaf uit om ze weer weg te nemen. Kom, en volg Hem Die het eeuwige leven aan de ziel geeft. — William Penn (1644-1718), in “No Cross, No Crown.”

Vers 23

Hun tafel worde tot een strik. Dat wil zeggen: als vergelding voor hun onmenselijkheid en wreedheid tegenover mij. Michaelis laat zien hoe nauwkeurig deze bedreigingen uitkwamen bij de laatste belegering van Jeruzalem door de Romeinen. Vele duizenden Joden waren in de stad bijeengekomen om het paaslam te eten, toen Titus hen plotseling aanviel. Bij dit beleg kwam het grootste deel van de inwoners van Jeruzalem op ellendige wijze om het leven. — William Walford.

Verzen 23-24

Let op hoe God de Joden vergold. Zij gaven Christus gal en edik te eten en te drinken. Nu is hun eigen geestelijke spijs en drank een strik voor hen geworden. Zijn ogen werden geblinddoekt; hun ogen zijn verduisterd. Zijn rug werd gegeseld; hun lendenen laat God wankelen. — Christopher Wordsworth.

Verzen 24-29

Hier kondigt Hij tien plagen aan, tien gevolgen van Gods toorn, die hen om hun goddeloosheid zullen treffen. — David Dickson.

Vers 25

Uitstorten. Let op wat dit woord ons laat zien. Ten eerste: hoe gemakkelijk God Zijn vijanden kan vernietigen, zonder enige moeite. Het is net zo gemakkelijk als een fles omkeren en leeggieten. Ten tweede: hoe overvloedig Zijn toorn is. Ten derde: Zijn gramschap komt plotseling, overweldigend en onontkoombaar. Als ze druppelt, kun je je nog in acht nemen. Wordt ze uitgestort, dan verplettert ze wie niet op zijn hoede is. — Thomas Le Blanc.

Vers 29

Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens. Alle Israëlieten die uit Egypte trokken, werden in een lijst van de levenden opgeschreven. Die lijst heet “het schrift van het huis Israels” (Ezech. 13:9) en “het boek des levens.” Elk jaar werden de namen opnieuw uitgeschreven, en wie gestorven was, viel dan af. Zo raakten zij in de vergetelheid (Spr. 10:7). Daarom werd het boek des levens een beeld van Gods boek van de voorbeschikking tot eeuwig leven (Ps. 139:16; Ex. 32:32; Ps. 87:6; Dan. 12:1; Filipp. 4:3; Openb. 17:8; 13:8; 21:27; Luk. 10:20).

Vanuit menselijk oogpunt staan in dat boek de namen van mensen die de naam hebben te leven, maar dood zijn. Ze staan er alleen door een uiterlijke roeping, of omdat zijzelf en anderen dat denken. Maar vanuit Gods oogpunt staan er uiteindelijk alleen mensen in die uitverkoren zijn tot het leven. De eersten kunnen worden uitgedelgd, zoals Judas (Openb. 3:5; Matth. 13:12; 25:29; 7:23; Ex. 32:33). De laatsten nooit (Openb. 20:12,15; Joh. 10:28-29; Hand. 13:48). — A. R. Fausset.

Vers 29

Laat hen uitgedelgd worden, enz. Dit vers verwijst naar een oud Joods gebruik. De namen van de inwoners van elke afdeling of stam van het volk werden opgeschreven in een boekdeel, een beetje zoals het Dom-boc van de Saksen. Zie Luk. 2:1. De namen van wie stierven, werden doorgehaald of uitgewist en stonden niet langer op de lijst van de levenden. Zo’n boek wordt aan God toegeschreven in Ps. 139:16. Dat Mozes uit Gods boek werd uitgedelgd (Ex. 32:32), is een beeldspraak voor: hem het leven ontnemen. — Richard Warner.

Vers 29

Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, enz. Nu komen we bij de vraag: is het een onfeilbare zekerheid van behoud als je in de hemel bent ingeschreven? Of kan iemand die daar geregistreerd staat, toch worden uitgedelgd? De waarheid is dat niemand die in de hemel is opgeschreven ooit verloren kan gaan. Toch brengen sommigen dit vers daartegenin. Daaruit leiden ze af dat sommige namen eerst worden opgetekend en later worden uitgedelgd. Maar die opvatting werpt een dubbele smet op God Zelf.

Of ze maakt Hem onwetend van wat komen gaat. Dan zou Hij het einde van uitverkorenen en verworpenen niet voorzien hebben en Zich hebben vergist in Zijn besluit om mensen zalig te maken die toch niet zalig worden. Of ze maakt Zijn besluit veranderlijk: dan zou Hij om hun zonden mensen uitsluiten die Hij eerder had uitverkoren. Van beide zwakheden pleit Paulus Hem vrij (2 Tim. 2:19): “Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.”

Neem de eerste woorden: “De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.” Dat zou niet waar zijn als Gods voorkennis zich kon laten misleiden. Neem dan: “het vaste fondament Gods staat.” Het zou geen vast fondament zijn als mensen die Hij had bepaald de Zijnen te zijn, later toch niet de Zijnen bleken. De ware slotsom is deze: impossibilis est deletio. Wie “in de hemelen opgeschreven” is, kan nooit in de hel terechtkomen. Om deze waarheid vrij te maken van de tegenwerping, kies ik uit vele mogelijkheden drie passende onderscheidingen:

  1. Je kunt zeggen dat iemand in de hemel is geschreven simpliciter, op zichzelf en zonder meer, en secundum quid, op zekere wijze. Wie daar zonder meer is geschreven, in quantum praedestinatus ad vitam, omdat hij tot het leven is uitverkoren, kan nooit worden uitgedelgd. Wie er op zekere wijze is geschreven, kan het wel. Hij is namelijk geschreven non secundum Dei praescientiam, sed secundum praesentem justitiam, niet volgens Gods eerdere besluit, maar volgens zijn rechtvaardigheid op dit moment. Van zulke mensen zegt men dat ze worden uitgedelgd. Dat is niet met het oog op Gods kennis, want Hij weet dat ze daar nooit geschreven stonden. Het gaat om hun huidige toestand: ze vallen af van genade tot zonde. (Lyra.)
  2. Sommigen worden uitgedelgd non secundum rei veritatem, sed hominum opinionem, niet volgens de waarheid van de zaak, maar volgens wat mensen denken. In de Schrift wordt vaak gezegd dat iets gedaan is quando innotescat fieri, op het moment dat bekend wordt dat het gebeurt. Huichelaars hebben een schijn van uiterlijke heiligheid. Daarom oordelen mensen vol liefde dat zij in de hemel zijn opgeschreven. Maar als die glinsterende sterren slechts ignes fatui blijken, dwaallichtjes, en van het uitspansel van de gemeente vallen, dan zeggen we dat ze zijn uitgedelgd.

Wie ex existentia is opgeschreven, door een volmaakt Wezen, gaat nooit verloren. Wie ex apparentia is opgeschreven, op grond van de schijn, kan dat wel. Sommigen schrijft God zo op, in se ut simpliciter habituri vitam: ze hebben het leven gewoon in zichzelf, al is het niet uit zichzelf. Anderen schrijft Hij zo op, ut habeant non in se, sed in sua causa: ze hebben het leven niet in zichzelf, maar in zijn oorzaak. Als zij daarvan afvallen, heet het dat ze zijn uitgewist. (Aquino.)

  1. Augustinus zegt dat we dit niet zo moeten opvatten dat God eerst schrijft en dan doorhaalt. Want een Pilatus kon zeggen: Quod scripsi, scripsi, “Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven”, en het blijft staan. Zou God dan zeggen: Quod scripsi expungam, “Wat Ik geschreven heb, zal Ik uitwissen”, zodat het niet blijft staan?

Nee, ze zijn geschreven secundum spem ipsorum, qui ibi se scriptos putabant, naar hun eigen hoop, want zij meenden dat hun namen daar stonden. En ze worden uitgedelgd quando ipsis constet illos non ibi fuisse, wanneer hun zelf duidelijk wordt dat hun namen nooit de eer van een inschrijving hebben gehad. Dit versterkt zelfs de psalm waaraan ze hun tegenwerping ontlenen: Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. Uitgedelgd worden uit dat boek is dus in feite: er nooit in geschreven zijn. Aan het eind uitgewist worden is niet meer dan een verklaring dat zulke mensen er vanaf het begin niet in stonden. — Thomas Adams.

Vers 33

“En gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.” Wie arm van geest is en echt vernederd, leeft van Gods aalmoezen. Zo iemand staat elke dag aan Zijn deur om Hem zijn nood te klagen en in gemeenschap te leven met Zijn genadige goedheid. Dat is een vak waarin zulke mensen goed gedijen. — David Dickson.

Vers 33

Uw hart zal leven. Er wordt van het hart of de ziel gezegd dat het leeft, bekeerd wordt of terugkeert, wanneer het is verkwikt en genezen van zijn pijn en verdriet. Zo kon van Jakob worden gezegd dat zijn geest herleefde toen hij het goede nieuws kreeg… Van Nabal wordt juist gezegd dat zijn hart in hem stierf toen hij het slechte nieuws hoorde. Hij werd als een steen. — Lorinus.

Vers 34

De HEERE hoort de nooddruftigen. Het is veel troostrijker wanneer er staat: “De HEERE hoort de nooddruftigen”, dan wanneer er had gestaan: Hij heeft de arme David gehoord. — Musculus.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 2

Onze beproevingen zijn als water.

  1. We moeten ze buiten ons hart houden.
  2. Toch zijn er lekken waardoor ze naar binnen kunnen.
  3. Let op wanneer het ruim volloopt.
  4. Gebruik de pompen en roep om hulp.

Verzen 3-4

De zondaar die zijn toestand beseft. Hij kan niet meer hopen, wordt overweldigd door angst, vindt geen troost in het gebed en krijgt geen bezoek van goddelijke vertroosting. Wijs hem terecht en troost hem.

Vers 4

  1. Hier is geloof midden in de nood: Mijn God.
  2. Hier is hoop midden in de teleurstelling: Mijn ogen zijn bezweken, enz.
  3. Hier is gebed midden in de moedeloosheid: Ik ben vermoeid, enz.; Mijn keel, enz. Of: (a) Er is een bidden dat verder gaat dan bidden: Ik ben vermoeid, enz.; (b) een hopen waar geen hoop meer is: Mijn ogen, enz. — G. R.

Vers 5

Jezus als de Hersteller. De christen die Hem in dezelfde taak navolgt. Het christendom als een kracht die dit op Gods tijd voor het hele mensdom zal doen.

Vers 6

Onze dwaasheid. Waaraan we haar in het algemeen herkennen, hoe ze zich bij mensen kan laten zien, wat ze veroorzaakt en welke middelen God heeft om haar te keren.

Vers 6

  1. Dat God onze zonde kent, is een aansporing om ons te bekeren.

(a) Want het is dwaas om te proberen enige zonde voor Hem te verbergen. (b) Want het is onmogelijk om al onze zonde aan Hem te belijden.

  1. Het is een bemoediging om te hopen op vergeving.

(a) Want Hij kent de zonde volledig, en toch heeft Hij Zich barmhartig getoond en bereid om te vergeven.

(b) Want Hij heeft in vergeving voorzien, niet naar onze kennis van de zonde, maar naar de Zijne.

Verzen 9-10

  1. Een pijnlijke beproeving.
  2. Een eervolle reden daarvoor: om Christus’ wil.
  3. Troostrijke steun daarin.

Vers 10

  1. Waar de ijver zich op richt: Uw huis; Uw Sion; Uw Gemeente.
  2. Hoe groot de ijver is: heeft mij verteerd. Onze Heere werd verteerd door Zijn eigen ijver. Zo ook Paulus: “Ja, indien ik ook tot een drankoffer geofferd worde over de offerande en bediening uws geloofs”, enz.
  3. Hoe de ijver zich uit: De smaadheden, enz.; van Uw gerechtigheid; van Uw wet; van Uw zedelijk bestuur; van Uw goedertierenheid. “Die Zelf onze zonden … gedragen heeft”, enz. — G. R.

Verzen 11-13

Een profetie.

  1. Over de tranen van de Heiland: Als ik weende.
  2. Over Zijn vasten.
  3. Over smaad.
  4. Over Zijn vernedering: Ik maakte een zak tot mijn kleed, enz.
  5. Over het verdraaien van Zijn woorden, zoals “Breekt dezen tempel”, enz.
  6. Over het verzet van de Farizeeën en de oversten: Die in de poort zitten, enz.
  7. Over de minachting van het gewone volk: Ik was hun spotlied, enz. — G. R.

Vers 12

Spreekwoorden die spot uitdrukken.

Vers 14

Een tijd des welbehagens. Meestal is dat zolang het leven duurt. Het is het meest van toepassing wanneer we berouw hebben, onze nood voelen, blijven aanhouden, alle eer aan God geven, Zijn belofte geloven en een genadig antwoord verwachten.

Vers 14

De veelheid Uwer barmhartigheden. Die zien we in alle geduld dat Hij met ons had vóór onze bekering, in ontelbare vergevingen, talloze gaven, vele beloften, regelmatige bezoeken en overvloedige verlossingen. Wie kan van dit alles ook maar het duizendste deel tellen?

Vers 14

De getrouwheid Uws heils. Een leerzaam onderwerp. Hoe echt, zeker, volledig en eeuwig dat heil is, enzovoort: dat alles laat op verschillende manieren zien dat het waar is.

Verzen 14-16

  1. De diepte waaruit een gebed kan opstijgen.
  2. De hoogte die het kan bereiken. Zo zegt Jona, toen hij op de bodem van de zee lag: “Mijn gebed kwam tot U”, enz. — G. R.

Vers 18

  1. Het gebed: Verberg Uw aangezicht niet.
  2. De persoon: Uw knecht.
  3. De reden: Want mij is bange.
  4. De aandrang: Haast U, verhoor mij.

Vers 20

  1. God weet wat Zijn volk lijdt: hoeveel, hoe lang, door wie en waarom.
  2. Zijn volk moet in deze wetenschap troost vinden.

(a) Dat Hij de beproeving toelaat.

(b) Dat Hij haar toemeet.

(c) Dat Hij er een doel mee heeft.

(d) Dat Hij haar wegneemt wanneer dat doel bereikt is. — G. R.

Vers 21

Het gebroken hart van de Heiland. Er zijn verschillende soorten gebroken harten: een sentimenteel hart, een hart gebroken door gekwetste trots, door berouw, door vervolging, door medelijden, enzovoort.

Vers 22

Hoe mensen met Jezus omgingen gedurende Zijn hele leven. Ze vergolden Hem kwaad voor al het goede dat Hij deed, terwijl goed de vanzelfsprekende vergelding had moeten zijn.

Vers 23

De tafel als strik. Overdaad bij het feestvieren; losbandigheid in het gesprek; gebrek aan beginselen in samenzweerderige raadsvergaderingen; bijgeloof in de godsdienst.

Vers 24

De vloek die als rechterlijke straf sommige verachters van Christus treft. Hun verstand ziet de waarheid niet in, en ze sidderen omdat ze geen versterkende troost kunnen ontvangen.

Vers 30

  1. De vernedering die aan de verhoging voorafgaat.

(a) Diep: Ik ben ellendig en in smart.

(b) Beleden: Ik ben ellendig, enz.

  1. De verhoging die op de vernedering volgt.

(a) Goddelijk: Uw heil, o God! Hoewel de Heere hoog is, enz.

(b) Volkomen: God doet niets half.

(c) Uitnemend: zette mij in een hoog vertrek. — G. R.

Verzen 31-32

  1. Wat de verlossing teweegbrengt bij Gods volk. Ze vervult hen met lof en dankzegging.
  2. Wat ze teweegbrengt bij God. Hij heeft er meer behagen in dan in enig ander offer: “Wie dankoffert, die zal Mij eren”, enz. — G. R.

Vers 33

  1. De vreugde van het hart van een goed mens zit in wat anderen ervaren.
  2. Het leven van zijn hart is in God.

Vers 34

  1. Wat Gods volk in eigen ogen is: “nooddruftigen” en “gevangenen”.
  2. Wat het in Gods ogen is: niet onopgemerkt, niet onverhoord, niet veracht.

Vers 35

De zee, enz. Hoe God door de zee wordt geprezen, hoe dat behoort te gebeuren en hoe dat zal gebeuren.

Vers 36

Verlossing, opbouw, behoud, vrede, volle zekerheid.

Verzen 36-37

Let op de volgorde: “Verlossen”, “bouwen”, “wonen, en … erfelijk bezitten”, “beerven”, “liefhebbers … wonen”.

Vers 37

  1. Het zekere kenmerk van genade: “de liefhebbers Zijns Naams”.
  2. De zegen die gegeven wordt.
  3. Hoe blijvend die zegen is: “zullen wonen”.

Vers 37

  1. De erfenis: “Beerven”. We heersen met Christus op aarde, en daarna in de hemel.
  2. Het recht daarop.

(a) Wettelijk: “Het zaad Zijner knechten” — Abraham, Jakob, David — de Heere én Zoon van David.

(b) Zedelijk: “De liefhebbers Zijns Naams”. — G. R.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas