Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 68 — Treasury of David

Titel
Voor de koorleider, een psalm of lied van David. Over dit opschrift hebben we bij Psalm 65 en 66 al genoeg gezegd. Dit lied is duidelijk bedoeld voor de overbrenging van de ark. Waarschijnlijk werd het gezongen toen David de ark met heilige vreugde uit het huis van Obed-Edom haalde en naar de plek bracht die voor haar klaarstond op de berg Sion. Wat een ontroerend lied! De eerste verzen waren vaak het strijdlied van de Covenanters en van Cromwells Ironsides. En de hele psalm laat prachtig zien welke weg de Heere Jezus onder Zijn heiligen gaat, en hoe Hij daarna naar de hemel opvaart.
Deze psalm is schitterend, maar ook moeilijk. Op sommige plaatsen is hij volkomen ondoordringbaar. Een Duitse kritikus noemde hem terecht een Titan die haast niet te temmen is. Onze eigen geleerdheid stelt niet veel voor en liet ons hier helemaal in de steek. Daarom hebben we een betrouwbaarder Gids gevolgd. We hopen dat onze gedachten toch iets opleveren.
Indeling
Met de woorden van vers 2 en 3 wordt de ark opgetild en zet de stoet zich in beweging. In Ps. 68:4-7 worden de gelovigen in de samenkomst opgeroepen hun blije liederen aan te heffen. Er worden ook redenen genoemd waarom ze zich mogen verheugen. Daarna bezingt de dichter de machtige tocht van Jehova door de woestijn (Ps. 68:8-11) en vieren de verzen 12 tot 15 Zijn overwinningen in de oorlog. De jubelkreten worden luider naarmate Sion in zicht komt en de ark de heuvel wordt opgedragen (Ps. 68:16-20). Boven op de berg zingen de priesters over de goedheid en rechtvaardigheid van de Heere, over de veiligheid van Zijn vrienden en over de ondergang van Zijn vijanden (Ps. 68:21-24).
Intussen lezen we hoe de stoet zich de heuvel op slingert (Ps. 68:25-28). De dichter verwacht een tijd van nog grotere overwinningen (Ps. 68:29-32) en sluit af met een prachtige uitbarsting van lofzang voor Jehova.
Uitleg
Vers 2
“God zal opstaan.” Zulke woorden sprak Mozes toen de wolk verder trok en de ark werd opgetild. De ark zou een zielige gids zijn geweest als de Heere niet bij dit teken aanwezig was. Voordat we ergens aan beginnen, moeten we altijd verlangen dat we de Heere voor ons uit zien gaan.
Deze woorden gaan ervan uit dat de Heere een tijdlang rustig toekeek. Hij liet Zijn vijanden woeden en hield Zijn macht in. Daarom smeekt Israël Hem “op te staan”, zoals het elders vraagt dat Hij “ontwaakt” of “Zijn zwaard aangordt”. Ook wij mogen de Heere zo dringend aanroepen, dat Hij Zijn arm ontbloot en Zijn eigen zaak verdedigt.
“Zijn vijanden zullen verstrooid worden.” Onze heerlijke Aanvoerder baant voorop de weg, hoeveel mensen die ook willen versperren. Hij hoeft alleen maar op te staan en ze slaan op de vlucht. In vroeger tijden wierp Hij Zijn vijanden met gemak omver, en dat zal Hij door alle komende eeuwen blijven doen. Zonde, dood en hel kennen de schrik van Zijn arm. Als Hij dichterbij komt, vallen hun gelederen uiteen. Onze vijanden zijn Zijn vijanden. Daarop bouwen we als we vertrouwen op de overwinning.
“En Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.” De oneindig goede God haten is schandelijk, en geen straf is daarvoor te zwaar. Toch is haat tegen God machteloos. Zelfs Zijn hoogmoedigste vijanden kunnen Hem geen kwaad doen. Buiten zichzelf van schrik rennen ze weg, nog voordat het tot een gevecht komt. Lang voordat het leger van Israël de strijd ingaat, vluchten de haters van God al voor Hem Die de kampioen van Zijn uitverkorenen is. Hij komt, Hij ziet, Hij overwint.
Wat is dit een passend gebed bij het begin van een opwekking, wanneer Gods volk weer in beweging komt! En wat laat het mooi zien hoe je zo’n opwekking moet leiden: de Heere gaat voorop, Zijn volk volgt Hem en de vijanden vluchten.
Nieuwe vertaling. Zodat onze lezers de psalm in één oogopslag in een goede vertaling kunnen overzien, voegen we de vertaling van Franz Delitzsch toe. We raden onze collega’s in het ambt aan de delen van zijn waardevolle Commentaar op de Psalmen aan te schaffen, uitgegeven door de heren Clark in Edinburgh.
Lofzang van oorlog en overwinning in de trant van Debora — 2 Moge Elohim opstaan, mogen Zijn vijanden verstrooid worden,
En mogen die Hem haten vlieden voor Zijn aangezicht.
3 Gelijk rook verdreven wordt, verdrijf U hen;
Gelijk was smelt voor het vuur,
Mogen de goddelozen vergaan voor Elohim.
4 En mogen de rechtvaardigen zich verblijden, mogen zij opspringen voor Elohim,
En mogen zij vrolijk zijn van vreugde.
5 Zingt Elohim, bespeelt de harp voor Zijn naam,
Effent een weg voor Hem Die voortrijdt door de vlakten;
Jah is Zijn naam, en springt op van vreugde voor Zijn aangezicht.
6 Een Vader der wezen en een Beschermer der weduwen
Is Elohim in Zijn heilige woning.
7 Elohim geeft de eenzame een huisgezin,
Hij leidt gevangenen uit naar voorspoed;
Maar de weerspannigen wonen in een dor land.
8 Elohim, toen U voor Uw volk uittrok,
Toen U voortschreedt in de woestijn — Sela.
9 De aarde beefde,
Ook de hemelen dropen voor Elohim,
Ja, daar de Sinai, voor Elohim, de God van Israël.
10 Overvloedige regen liet U neerdalen, Elohim, op Uw erfdeel,
En toen het uitgeput was, hebt U het weer versterkt.
11 Uw schepselen hebben daar hun woonplaats gevonden,
In Uw goedheid hebt U voor de arme gezorgd, Elohim.
12 De Heere zal het bevel doen klinken;
De vrouwen die de overwinning melden, zijn een groot leger.
13 De koningen der heerscharen zullen vluchten, zullen vluchten,
En zij die thuis bleef, zal de buit verdelen.
14 Als jullie neerliggen tussen de schaapskooien,
Zijn de vleugels van de duif met zilver bedekt
En haar veren met glanzend goud.
15 Wanneer de Almachtige koningen daarin verstrooit,
Dan sneeuwt het op de Zalmon.
16 Een berg van Elohim is de berg Basan,
Een berg vol toppen is de berg Basan.
17 Waarom kijken jullie afgunstig, jullie veeltoppige bergen,
Op de berg die Elohim heeft gekozen als Zijn woning?
Ja, Jahve zal er wonen voor altijd.
18 De krijgswagenen van Elohim zijn tienduizendtallen, duizendmaal duizenden,
De Heere is onder hen: een Sinai in heiligheid.
19 U bent opgevaren in de hoogte,
U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven ontvangen onder de mensen,
Zelfs van de weerspannigen, opdat Jah Elohim daar zou wonen.
20 Geloofd zij de Heere:
Dag aan dag draagt Hij onze last,
Hij, God, is onze zaligheid. (Sela.)
21 Hij, God, is voor ons een God van reddingsdaden,
En Jahve, de Heere, kent uitwegen uit de dood.
22 Ja, Elohim zal het hoofd van Zijn vijanden verpletteren,
De harige schedel van wie voortgaat in zijn overtredingen.
23 De Heere heeft gezegd: Uit Basan zal Ik terugbrengen,
Ik zal terugbrengen uit de diepten der zee,
24 Opdat je je voet in bloed zult baden
En de tong van je honden haar deel krijgt van de vijand.
25 Zij zien Uw plechtige optocht, Elohim,
De optocht van mijn God, mijn Koning, in heiligheid.
26 Vooraan gingen de zangers, achteraan de snarenspelers,
Te midden van meisjes die de tamboerijn sloegen.
27 Zegent Elohim in de koren van de gemeente,
Zegent de Heere, jullie die voortkomen uit de bron van Israël.
28 Daar is Benjamin de jongste, hun heerser;
De vorsten van Juda — hun bonte schare,
De vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali,
29 Uw God heeft uw kracht geboden —
Bevestig, Elohim, wat U voor ons hebt gedaan! —
30 Vanuit Uw tempel boven Jeruzalem
Laten koningen U geschenken brengen.
31 Bestraf het wild gedierte van het riet, de kudde stieren met de kalveren van de volken,
Tot zij zich neerwerpen met zilverstaven! —
Hij heeft de volken verstrooid die behagen scheppen in oorlog.
32 Aanzienlijken komen uit Egypte; Kus strekt haastig zijn handen uit naar Elohim.
33 Koninkrijken der aarde, zingt Elohim,
Speelt voor de Heere op de snaren — (Sela.)
34 Voor Hem Die rijdt door de hemel der hemelen van de oertijd —
Zie, Hij laat Zijn stem horen, een machtige stem.
35 Kent kracht toe aan Elohim!
Over Israël is Zijn majesteit,
En Zijn almacht in de hoogten der hemelen.
36 Vreselijk is Elohim uit uw heiligdommen;
“De God van Israël geeft macht en overvloedige kracht aan het volk!”
Gezegend zij Elohim!
Vers 3
“Gelijk rook verdreven wordt.” De wind jaagt rook moeiteloos weg. Hij blaast hem helemaal weg, en je ziet er niets meer van terug: er blijft geen spoor van over. Zo, Heere, moet U doen met de vijanden van Uw volk. Ze walmen van hoogmoed, ze verduisteren met hun boosheid de hemel, ze stijgen hoger en hoger in aanmatiging, en ze bevuilen alles waar ze de overhand hebben. Heere, laat Uw adem, Uw Geest, Uw Voorzienigheid hen voorgoed wegblazen van de weg van Uw volk. Wijsgerig scepticisme is net zo vluchtig en net zo smerig als rook. Moge de Heere Zijn Kerk van die walm bevrijden, zodat ze weer vrij kan ademen.
“Gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.” Was is hard zolang het alleen ligt, maar houd het bij het vuur en kijk hoe week het wordt! Zo zijn goddeloze mensen hooghartig, totdat ze met de Heere in aanraking komen. Dan bezwijmen ze van angst. Hun hart smelt als was wanneer ze de kracht van Zijn toorn voelen. Was brandt ook en verdwijnt: de kaars wordt door de vlam helemaal verteerd. Zo wordt alle grootspraak van wie het evangelie bestrijden tot niets. Rome zal wegsmelten, net als de kaarsen op haar altaren, en het ongeloof zal even zeker verdwijnen.
Israël zag in de ark God op de genadetroon: macht, verbonden met verzoening. Daarom verheugden de Israëlieten zich in de almacht die zich zo liet zien. Voor de gemeente van het Nieuwe Testament is dat vertrouwen nog duidelijker. Wij zien immers Jezus, de door God bestemde verzoening, bekleed met heerlijkheid en majesteit. Voor Zijn opmars smelt alle tegenstand als sneeuw voor de zon. Wat de Heere behaagt, zal in Zijn hand slagen. Komt Hij door Zijn Heilige Geest, dan volgt de overwinning. Maar staat Hij Zelf in persoon op, dan zullen Zijn vijanden helemaal vergaan.
Vers 4
“Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden.” Dat God aanwezig is op de genadetroon, is voor gelovigen een overvloedige bron van blijdschap. Laten ze dan vooral drinken van de stromen die gemaakt zijn om hen blij te maken. “Zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht.” Wie bij het hof van de gelukzalige God hoort, hoort feestkleren te dragen, want in Zijn nabijheid is volheid van vreugde. Die nabijheid is de schrik en de dood van de goddelozen, maar voor de heiligen is ze een verlangen en een verrukking.
Ja, laat hen zich uitbundig verheugen! Laat hen dansen uit alle macht, zoals David deed, louter van blijdschap. Blijdschap in de Heere mag geen grenzen hebben. “Wederom zeg ik: Verblijdt u,” zegt de apostel. Het lijkt alsof hij wil dat we vreugde op vreugde stapelen, zonder maat en zonder pauze. Als we God genadig zien schijnen boven de genadetroon, in de Persoon van onze Immanuel, moeten onze harten opspringen van vreugde. Dat geldt tenminste als we echt horen bij hen die gerechtvaardigd zijn door Zijn gerechtigheid en geheiligd door Zijn Geest. Trek op, leger van de levende God, met juichkreten vol overvloedige zegepraal, want Jezus leidt de voorhoede!
Vers 5
“Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam.” Zing in maat en toon, met orde en zorg, en vier wie God is en wat Hij doet, de God van Zijn volk. Doe het telkens en telkens weer, en richt je lof met een vastberaden hart helemaal op Hem. Zing niet om indruk te maken, maar uit aanbidding. Zing niet om door mensen gehoord te worden, maar door de Heere Zelf. Zing niet tot de gemeente, maar “tot God”.
“Hoogt de wegen voor Dien, Die in de vlakken velden rijdt, omdat Zijn Naam is HEERE” (Engels: “verheft Hem, Die rijdt op de hemelen, bij Zijn naam JAH”). Denk aan Zijn zeer grote, onbegrijpelijke en ontzagwekkende naam. Overdenk dat Hij uit Zichzelf bestaat en over alles heerst. Stijg op tot de hoogste trap van blij ontzag als je Hem aanbidt. De hemel ziet Hem op de wolken rijden in de storm, en de aarde heeft Hem met majesteit over haar vlakten zien trekken.
Het Hebreeuws lijkt te luiden: “Werpt een baan op voor Hem Die door de woestijn trekt.” Dat verwijst naar de zwerftocht van de stammen door de woestijn. Gods tochten gingen door de dorre, huilende wildernis. Daar werd Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zichtbaar, doordat Hij de enorme scharen die Hij uit Egypte had geleid voedde, bestuurde en beschermde. De ark bracht dit alles in herinnering en gaf het aan als onderwerp voor het lied.
De naam JAH is een verkorting van de naam Jehova. Het is geen verkleining van die naam, maar een versterkt woord, waarin de kern van de langere, verheven titel besloten ligt. In onze Bijbelvertaling komt deze naam alleen hier voor, behalve in verbindingen met andere woorden zoals Halleluja.
“En springt op van vreugde voor Zijn aangezicht.” Voor Hem Die zo majestueus voorop trok aan het hoofd van het uitverkoren volk past het uitstekend dat heel Zijn volk zich heilig verheugt. We moeten lusteloosheid in onze eredienst vermijden. Onze gezangen horen vol ernst te zijn, maar niet zwaar van droefheid. Engelen staan dichter bij de troon dan wij, maar hun diepste ontzag gaat samen met de zuiverste zaligheid. Ons besef van Gods grootheid moet onze ziel geen schrik aanjagen maar blij maken. We horen ons te verblijden voor Zijn aangezicht.
Het moet onze wens en ons gebed zijn dat er in deze woestijnwereld een baan wordt aangelegd voor de God van de genade. “Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God,” roepen de boodschappers van het evangelie. Wij moeten allemaal ons best doen die roep te gehoorzamen. Want waar de God van de genadetroon komt, worden ontelbare zegeningen aan mensenkinderen geschonken.
Vers 6
“Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid.” In de woestijn was het volk als een weeskind, maar God was meer dan een vader voor hen. Het geslacht dat uit Egypte was gekomen, stierf langzaam uit. Er waren veel weduwen en wezen in het leger, maar zij leden geen gebrek en geen onrecht. De rechtvaardige wetten en de rechtvaardige leiders die God had aangesteld, zorgden goed voor de belangen van wie niets hadden.
De tabernakel was het Paleis van Gerechtigheid en de ark was de zetel van de grote Koning. Voor Israël was dat een grote reden tot blijdschap: het werd geregeerd door de Ene Die niet toeliet dat armen en behoeftigen werden onderdrukt. Tot op de dag van vandaag en voor eeuwig is God, en zal Hij zijn, de bijzondere beschermer van wie zich niet kunnen verdedigen. Hij is de Voorzitter van de weeshuizen en de Beschermer van de weduwen. Hij is zo groots dat Hij over de hemelen rijdt, en toch zo vol medelijden dat Hij de armen op aarde niet vergeet.
Wat moet Zijn gemeente zich ijverig inzetten voor wie hier als Jehova’s bijzondere zorg worden genoemd! Zegt Hij hier niet in feite: “Weid Mijn lammeren”? Wat een gezegende plicht, en wat een mooie taak! Het zal ons een voorrecht zijn hiervan een van de dierbaarste doelen van ons leven te maken. Nog een waarschuwing voor de lezer: haal dit vers niet verkeerd aan. Meestal wordt er “de man der weduwe” van gemaakt, maar het is beter de Schrift te laten zoals God haar heeft gegeven.
Vers 7
“Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin.” Het volk was verbroken en verspreid over heel Egypte. Familiebanden waren verwaarloosd en gevoelens vertrapt. Maar toen het volk aan Farao ontkwam, kwam het weer samen, en alles wat het huiselijk leven zo hecht maakt, werd hersteld. Dat was een grote vreugde voor het hele volk. “… uitvoert, die in boeien gevangen zijn.” De zwaarst onderdrukten in Egypte waren geketend en in de gevangenis gezet, maar de goddelijke Bevrijder leidde hen allemaal naar volkomen vrijheid.
Wat Hij toen deed, blijft Hij uit genade doen. Het eenzame hart dat van zonde overtuigd is en alleen moet wegkwijnen, wordt opgenomen in het gezin van de Eerstgeborene. De geboeide geest wordt vrij en zijn gevangenis valt weg zodra de zonde wordt vergeven. Voor dit alles moet God hoog worden geprezen, want Hij heeft het gedaan en de heerlijkheid van Zijn genade groot gemaakt.
“Maar de afvalligen wonen in het dorre.” Als iemand het bestuur van Jehova drukkend vindt, komt dat doordat zijn opstandige geest tegen Zijn macht tekeergaat. Israël vond de woestijn niet dor, want de geslagen rots gaf stromen water. Maar zelfs in Kanaän werden mensen door honger verteerd, omdat ze hun trouw aan hun Verbondsgod hadden weggegooid. Ook waar God op de genadetroon is geopenbaard, blijven sommige mensen in opstand. Zij moeten zich niet verbazen als ze geen vrede, troost of vreugde vinden, zelfs niet op een plek waar die in overvloed zijn.
Gerechtigheid is de regel in het koninkrijk van de Heere. Daarom is er geen ruimte voor onrechtvaardigen om hun kwade lusten uit te leven. Een volmaakte aarde, ja zelfs de hemel zelf, zou een dor land zijn voor wie alleen uit de wateren van de zonde kan drinken. Over de heilige inzettingen die de ziel het meest verzadigen, roepen deze onverstandige opstandelingen: “Ziet, wat een vermoeidheid!” En onder de bediening die de ziel het meest ondersteunt, klagen ze over “de dwaasheid der prediking”. Wie een opstandig hart heeft, vindt onvermijdelijk alles om zich heen dor.
Vers 8
“O God! toen Gij voor het aangezicht Uws volks uittoogt.” Wat een mooie samenhang: “Gij” en “Uw volk”! U voorop, en Uw volk erachter. De Heere ging voorop. Daarom maakte het niet uit of er een Rode Zee of brandend zand op de weg lag. De wolk- en vuurkolom leidde hen altijd langs een rechte weg. “Toen Gij daarhenen tradt in de woestijn.” Hij was de Opperbevelhebber van Israël, van Wie het volk al zijn bevelen kreeg. De tocht was dus Zijn tocht. “Zijn statige tred zag het woeste land.” We mogen, als we dat willen, spreken van de “omzwervingen van de kinderen van Israël”, maar we moeten ze niet zien als doelloos ronddwalen. In werkelijkheid was het een goed geordende en weloverwogen tocht.
Sela. Dit lijkt een vreemde plek voor een muzikale rust of aanwijzing, maar het is beter een zin te onderbreken dan het loflied te bederven. De zin staat op het punt buitengewoon groots te worden. Daarom laat het sela de spelers en zangers weten dat ze hun partij met passende plechtigheid mogen uitvoeren. Het is nooit misplaatst een gemeente eraan te herinneren dat aanbidding doordacht en met het hart gebracht moet worden.
Vers 9
“Daverde de aarde.” Onder die verheven tred beefde de vaste grond. Ook de hemelen dropen voor Gods aangezicht, alsof ze zich voor hun God bogen. De wolken daalden neer en “enkele donkere regendruppels drongen naar buiten”. Zelfs Sinai zelf werd bewogen voor het aangezicht van God. Mozes vertelt ons in Exodus 19 dat “de ganse berg beefde zeer”. Die berg, zo eenzaam en hoog, boog zich voor de God Die Zich openbaarde.
“Des Gods van Israel.” De enige levende en ware God, Die Israël aanbad en Die dat volk uit alle volken op aarde tot het Zijne had uitverkoren. Deze passage is zo verheven dat je er nauwelijks iets vergelijkbaars bij kunt vinden. Moge het hart van de lezer Hem aanbidden, voor Wie zelfs de levenloze aarde en hemel zich gedragen alsof ze hun Maker erkenden en door een huivering van ontzag bewogen werden.
Vers 10
“Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God.” De tocht van God door de woestijn liet niet alleen schrikwekkend machtsvertoon zien. Ook Zijn goedheid en vrijgevigheid werden zichtbaar. Er viel een regen zoals nooit tevoren, op het dorre woestijnzand. Brood uit de hemel en vogels met vleugels daalden rondom het kamp neer. Goede gaven werden over het volk uitgestort, en rivieren sprongen uit de rotsen. De aarde beefde van angst, en als antwoord schudde de Heere zegeningen over haar uit, als uit een hoorn des overvloeds. Zo kunnen we de oorspronkelijke tekst ook weergeven. “En Gij hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.” Na elke dagmars, als het volk moe halt hield, wachtte hen zo’n overvloed aan goede dingen dat ze snel weer op krachten kwamen.
Veertig jaar lang zwollen hun voeten niet op. Als zij uitgeput waren, was God dat niet. Als zij moe waren, was Hij het niet. Zij waren Zijn uitverkoren erfdeel. Daarom liet Hij hen, tot hun eigen bestwil, soms moe worden, maar Hij waakte over hen en leefde teder met hun nood mee. Zo gaat het tot op de dag van vandaag. De uitverkorenen van God worden in deze woestijntijd maar al te gemakkelijk moe en mat. Maar hun altijd liefhebbende Jehova komt hen op tijd te hulp. Hij moedigt de moeden aan, geeft de zwakken kracht en verkwikt de hongerigen.
Zodra de zilveren bazuinen opnieuw klinken, gaat de strijdende gemeente dan ook met stoutmoedige, vaste tred verder, op weg naar “een rust … voor het volk Gods”. Door deze trouw wordt het geloof van Gods volk versterkt en hun hart gerustgesteld. Als vermoeidheid en gebrek hen aan het wankelen brengen, zet de genade die op tijd komt hen opnieuw op de eeuwige fundamenten.
Vers 11
“Uw hoop woonde daarin.” Midden in de woestijn, als door een muur van vuur omsloten, vond Uw uitverkoren gemeente een thuis. Of beter gezegd: Uw kudde rustte uit, omringd door de regen van vrije genade die rondom het kamp neerviel. De gemeente van de gelovigen vindt in de Heere haar “Toevlucht van geslacht tot geslacht”. Waar geen mensenhuizen stonden, was God Zelf de woning van Zijn volk.
“Gij bereiddet ze door Uw goedheid voor den ellendige, o God!” Binnen die beschermde kring was genoeg voor iedereen. Ze waren allemaal arm in zichzelf, en toch was er in het hele kamp geen bedelaar te vinden, want hemels voedsel lag klaar om te rapen.
Ook wij wonen nog binnen de beschermende kring van de Allerhoogste, en ook voor ons ligt goedheid klaar. Van nature zijn we arm en hebben we niets, maar door genade worden we rijk gemaakt. God heeft alles voorbereid: in Zijn besluit, in het verbond, in de verzoening, in Zijn zorg voor de wereld en in het werk van de Geest. Zo ligt er voor ons een overvloed van de zegen van de Heere klaar. Gelukkig volk, ook al leeft het in de woestijn! Alles is van ons, want wij bezitten de gunst en de nabijheid van onze God.
Vers 12
In het volgende vers zingen we niet over een tocht, maar over strijd en overwinning. “De HEERE gaf te spreken.” De vijand was dichtbij. De zilveren bazuin bij de ingang van de tabernakel was Gods mond om het kamp te waarschuwen. Toen brak er een druk heen-en-weergeloop los, en het nieuws ging van mond tot mond. Groot was het gezelschap van hen die het verkondigden. De vrouwen liepen van tent naar tent en wekten hun mannen voor de strijd. Ze waren altijd klaar om de overwinning te bezingen, en ze waren even vlug met het bericht dat het strijdsignaal had geklonken. De tienduizenden meisjes van Israël wekten, als goede dienaressen van de Heere, de slapers. Ze riepen de zwervers terug en stuurden de dappere mannen naar het slagveld.
O, was er maar zo’n ijver in de gemeente van vandaag! Dan zouden mannen én vrouwen, zodra het evangelie wordt verkondigd, gretig de blijde boodschap van grote blijdschap verspreiden.
Vers 13
“De koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg.” De heren van de legers sloegen op de vlucht voor de Heere der heirscharen. Nauwelijks zette de ark zich in beweging, of de vijand draaide zich om en rende weg. Zelfs de vorstelijke aanvoerders hielden geen stand. De nederlaag was totaal en de aftocht een overhaaste chaos. Ze “vloden weg, zij vloden weg”, halsoverkop, holderdebolder, zoals wij dat noemen. “Waar zijn de koningen van machtige heirscharen?
Gevlucht, gevlucht, ver weg en wijd verstrooid.
De zegebuit waarop zij pochten,
Verdelen nu de meisjes in hun huis.”
“En zij, die te huis bleef, deelde den roof uit.” De vrouwen die de krijgskreet hadden doorgegeven, verdeelden nu de buit. Zelfs de zwakste in Israël kreeg een deel van de prooi. Dappere krijgers gooiden hun buit de vrouwen voor de voeten en zeiden dat ze zich er prachtig mee moesten optuigen. Ieder nam “een buit van verscheidene verven, een buit van verscheidene verven, gestikt; van verscheiden verf aan beide zijden gestikt”. Wanneer de Heere Zijn evangelie laat slagen, worden zelfs de allerbeste van Zijn heiligen blij en voelen zij zich deelgenoten van de zegen.
Vers 14
“Al laagt gijlieden tussen twee rijen van stenen.” Bedoelt hij dat de vrouwen thuis, die armoedig gekleed gingen terwijl ze hun huishoudelijk werk deden, nu zo schitterend zouden zijn getooid met de buit dat ze op duiven met zilveren vleugels en gouden veren zouden lijken? Of wil hij zeggen dat Israël, dat zwart van het vuil was geworden in de steenbakkerijen van Egypte, stralend en gelukkig tevoorschijn zou komen, in overwinning en vrijheid? Of zong het lied dat de ark uit haar armoedige onderkomen bij Obed-Edom naar een mooiere woonplaats zou worden gebracht? Het is een moeilijke passage, een harde noot om te kraken voor de geleerden.
Als we alles wisten wat bekend was toen deze oude lofzang werd gedicht, zou de toespeling ons ongetwijfeld prachtig passend voorkomen. Maar dat weten we niet, dus laten we haar rusten onder de onopgeloste raadsels. Alexander leest: “Wanneer gij zult nederliggen tussen de grenzen, zult gij zijn als de vleugelen”, enzovoort. Volgens hem betekent dat: “wanneer het land in vrede gevestigd is, zal het voorspoed kennen”. Maar die vertaling lijkt ons niet duidelijker dan onze gewone. Er komt geen einde aan het gissen, hoe lang je ook zoekt. De zin lijkt echter te zijn dat de Heere Zijn volk uit de diepste vernedering optilt, naar vreugde, vrijheid, rijkdom en schoonheid.
Hun vijanden hebben hen misschien “neerzitters tussen de potten” genoemd, met een steek naar hun slavernij in Egypte. Ze hebben hen misschien bespot als de pottenschrobbers uit Farao’s keuken. Maar de Heere zou hen recht doen en hun schoonheid geven voor zwartheid, heerlijkheid voor vuil.
“Zo zult gij toch worden als vleugelen ener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud.” De vleugel van een duif flitst als zilver en glanst dan weer als “het bleke, zuivere goud”. De lieflijke, wisselende kleuren van de duif zijn een mooi beeld van de zachte, stralende schoonheid van het volk, wanneer het in wit feestgewaad verscheen, versierd met zijn edelstenen, juwelen en gouden sieraden. Gods heiligen hebben op slechtere plaatsen gezeten dan tussen de potten, maar nu zweven zij omhoog, in de hemelse gewesten in Christus Jezus.
Vers 15
“Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon.” De overwinning was aan de arm van de Almachtige alleen te danken. Hij verstrooide de hoogmoedigen die tegen Zijn volk optrokken, en Hij deed dat zo moeiteloos als de wind sneeuw van de kale hellingen van Zalmon wegblaast. Het woord “wit” lijkt aan de tekst te zijn toegevoegd. Als we het weglaten, wordt de zin eenvoudig en helder.
Een reiziger vertelde de schrijver dat hij op een gure, winderige dag de flank van de berg die hij voor Zalmon hield, plotseling door een windstoot kaal zag geveegd worden. De sneeuw stoof alle kanten op de lucht in, als distelpluis of zeeschuim. Zo verstrooide de Almachtige alle machthebbers die Israël tartten.
Als de gangbare vertaling moet blijven staan, lijken de gissingen ons wat al te vergezocht voor heilige poëzie: dat de witte beenderen van de vijanden, of de koningsmantels die op de vlucht werden weggegooid, het slagveld wit maakten. Een andere gedachte is dat Zalmon met donkere bossen bedekt was en zwart leek, maar er heel anders uitzag toen de sneeuw erop lag. Door die opvallende overgang van sombere schaduw naar glinsterend wit zou de dichter dan de overgang van oorlog naar vrede schetsen. Wat de juiste betekenis ook is, het moest de heerlijkheid en de volledigheid van de goddelijke zegepraal over de grootste vijanden laten zien. Daarin mogen alle gelovigen zich verheugen.
Vers 16
Hier beginnen de priesters op de top van de uitverkoren heuvel de Heere te prijzen, omdat Hij Sion als Zijn woonplaats heeft gekozen. “De berg Basan is een berg Gods” (Engels: “de heuvel Gods is als de heuvel Basans”), of nauwkeuriger: “een heuvel Gods is Basan”. Met andere woorden: Basan is een uitzonderlijk hoge berg, die Sion in hoogte ver overtreft. Zo noemen de Hebreeën alles wat groot of opmerkelijk is. Wij spreken van de Duivelsdijk, de Duivelsgracht, de Duivelspunchkom en zo meer. De Hebreeën hebben een mooiere gewoonte: zij spreken van de heuvel Gods, de bomen van de Heere, de rivier Gods, enzovoort.
“De berg Basan is een bultige berg” (Engels: “een hoge heuvel als de heuvel Basans”), of liever: “een berg van toppen is Basan”. Sion wordt hier niet met Basan vergeleken, maar ertegenover gezet. Sion was beslist geen hoge heuvel. Hier wordt toegegeven dat Basan de grotere berg is, maar niet de roemrijkere. Want de Heere had Sion boven de hogere heuvels uitgetild door haar te kiezen. Wat in de natuur hoog is, wordt voor de Heere tot niets. Hij kiest zoals het Hem behaagt. Naar de raad van Zijn eigen wil kiest Hij Sion uit en gaat Hij de trotse, verheven toppen van Basan voorbij. Zo maakt Hij de nietige en geringe dingen van deze wereld tot gedenktekens van Zijn genade en soevereiniteit.
Vers 17
“Waarom springt gij op, gij bultige bergen?” Wees maar zo afgunstig als jullie willen: de keuze van de Heere staat vast. Spring maar op van jullie plaats. Jullie halen de hoogheid niet die de aanwezigheid van Jehova aan de kleine heuvel Moria heeft geschonken. “Deze berg heeft God begeerd tot Zijn woning.” Elohim maakt Sion tot Zijn verblijf, ja, Jehova woont er. “Ook zal er de HEERE wonen in eeuwigheid.”
Geestelijk woont de Heere eeuwig in Sion, Zijn uitverkoren gemeente, en het was Sions eer daar een afbeelding van te zijn. Wat waren Karmel en Sirion met al hun hoogte, vergeleken bij Sion, de vreugde van de hele aarde! Gods verkiezing is een adelbrief. Het zijn bijzondere mensen die God heeft uitgekozen, en de plaats die Hij met Zijn aanwezigheid eert, is boven alle maat geëerd.
Vers 18
“Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend.” Andere landen, die in het vorige vers beeldend “bultige bergen” heetten, schepten op over hun oorlogswagens. Maar Sion was, hoewel veel lager, sterker dan zij, want de almacht van God was voor Sion als twee tienduizendtallen wagens. De Heere der heirscharen kon meer troepen in het veld brengen dan alle kleine heren bij elkaar die op hun legers pochten. Zijn vurige paarden en vurige wagens waren meer dan opgewassen tegen hun vurige rossen en flitsende karren. De grondtekst zegt het indrukwekkend: “de krijgswagenen van Elohim zijn tienduizendtallen, duizendmaal duizenden.”
De kanttekening in onze bijbels, “zelfs vele duizenden”, is veel nauwkeuriger dan “zelfs duizenden engelen”. Het is niet gemakkelijk te zien waar onze eerwaarde vertalers die “engelen” vonden, want in de tekst staan ze niet. Maar het is een zegen om engelen te herbergen zonder het te weten. Daarom zijn we blij hen in onze vertaling te ontmoeten, ook al kent het Hebreeuws ze hier niet. Zeker omdat niemand kan betwijfelen dat zij een zeer edel korps vormen binnen de tienduizendtallen legers van God. In Deut. 33:2 lezen we dat de Heere komt “met tien duizenden der heiligen”, of heilige wezens.
En in Hebr. 12:22 vinden we op de berg Sion “de vele duizenden der engelen”. Onze waardige vertalers hebben de teksten naast elkaar gelegd en daaruit de engelen afgeleid. Het zinsdeel verklaart de zaak zo getrouw dat we er geen fout in vinden.
“De Heere is onder hen” (Engels: “als in Sinai, in het heiligdom”), of: “een Sinai in heiligheid”. God is in Sion de opperbevelhebber van Zijn ontelbare heirscharen, en waar Hij is, daar is heiligheid. De genadetroon op Sion is net zo heilig als de troon van gerechtigheid op Sinai. Onder het nieuwe verbond is Zijn heerlijkheid misschien minder schrikwekkend dan onder het oude. Toch is ze nog wonderbaarlijker, voor wie haar met het geestelijk oog ziet. Sinai heeft geen heerlijkheid die Sion niet heeft. Het licht van zijn wet verbleekt zelfs bij de middagglans van Sions genade en waarheid.
Wat was het verheugend voor een vrome Hebreeër te weten dat God in de tabernakel en de tempel net zo echt bij Zijn volk was als te midden van de verschrikkingen op de berg Horeb! Maar voor ons is het nog hartverwarmender om zeker te weten dat de Heere in Zijn gemeente woont en haar voor eeuwig tot Zijn rustplaats heeft gekozen. Laten we ijveren voor heiligheid in het geestelijk huis waarin God zo genadig is te wonen. Laat het besef van Zijn aanwezigheid, als vlammen van vuur, elke valse weg verbranden.
De aanwezigheid van God is de kracht van de gemeente. Alle macht is van ons, wanneer God van ons is. Tweemaal tienduizend wagens zullen het evangelie naar de einden van de aarde brengen, en tienduizenden middelen zullen werken aan het welslagen ervan. De Voorzienigheid staat aan onze kant en “heeft overal dienaren”. Er is geen plaats voor een schaduw van twijfel of ontmoediging. Wel is er alle reden om te juichen en te vertrouwen.
Vers 19
“Gij zijt opgevaren in de hoogte.” De ark werd naar de top van Sion gebracht. God Zelf nam bezit van de hoge plaatsen van de aarde, verheven en zeer hoog. Het tegenbeeld van de ark, de Heere Jezus, is met onmiskenbare tekenen van zegepraal ten hemel gevaren. Om onze vijanden te bestrijden daalde de Heere neer en verliet Hij Zijn troon. Nu de strijd gestreden is, keert Hij terug naar Zijn heerlijkheid. Hoog boven alle dingen is Hij nu verheven.
“Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd.” Een menigte mensenkinderen is gewillig gevangen door de macht van de Messias. Zoals grote veroveraars vroeger hele volken als gevangenen wegvoerden, zo leidt Jezus uit het gebied van Zijn vijand een enorme schare mee, als zegetekens van Zijn machtige genade. Zijn heerschappij is zo vol genade dat het betekent: door Hem gevangen te worden genomen, is het einde van onze gevangenschap. Of liever: onze gevangenschap wordt zelf gevangen weggevoerd. Wat een heerlijke uitkomst, en wat een genade! De Heere Jezus verslaat Zijn vijanden met hun eigen wapens. Hij doodt de dood, begraaft het graf en voert de gevangenis gevankelijk.
“Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen”, of: gaven ontvangen in de mensen. Zij hebben U schatting betaald, o machtige Overwinnaar, en zullen dat in elk tijdperk gewillig blijven doen, met vreugde over Uw heerschappij. Paulus’ weergave is die van het evangelie: Jezus “heeft den mensen gaven gegeven”, en daar deelt Hij rijkelijk van uit. Hij verrijkt Zijn gemeente met de onschatbare vruchten van Zijn hemelvaart: apostelen, evangelisten, herders en leraars, met al hun uiteenlopende gaven. In Hem, de Mens Die gaven ontving voor de mens, zijn wij begiftigd met onschatbare schatten. Uit dankbaarheid geven wij gaven aan Hem terug. Ja, wij geven Hem onszelf, ons alles.
“Ja, ook de wederhorigen”: ook de opstandelingen mogen in deze gaven delen. Door liefde overwonnen, worden zij gelaafd met de weldaden die eigen zijn aan de uitverkorenen. De grondtekst luidt: “zelfs de wederhorigen”, of: “zelfs van de wederhorigen”. De zin daarvan is dat opstandelingen gevangenen worden van de macht van de Heere en schatplichtigen van Zijn troon.
“Grote Koning van genade, win mijn hart voor U;
Laat ook mij meegaan in Uw zegetocht,
Een gewillig gevangene van mijn Heere,
Die de overwinning van Zijn woord belijdt.”
“Ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!” In het veroverde gebied zou Jah Elohim wonen als Heere van alles, en met Zijn neerbuigende nabijheid zou Hij zegenen wie eens Zijn vijanden waren. Toen Kanaän veroverd was en de burcht van Sion bij storm was genomen, vond de ark van God een rustplaats. Zo gaat het ook nu: wanneer de wapens van de overwinnende genade de harten van mensen hebben veroverd, maakt de Heere God, in al de heerlijkheid van Zijn naam, hen tot Zijn levende tempels.
Bovendien is de hemelvaart van Jezus de reden dat de Heere God, de Heilige Geest, neerdaalt. Omdat Jezus bij God woont, woont God bij de mensen. Christus in de hoogte is de reden voor de Geest hier beneden. Het was goed dat de Verlosser opstond, zodat de Trooster kon neerdalen.
Vers 20
“Geloofd zij de HEERE.” Zodra de zangers horen dat God midden onder de mensen woont, barst er een ernstig, oprecht gejuich los. Het komt voort uit eerbiedige liefde. Ze geven de zegen terug aan Hem Die Zijn volk zo rijk zegent: “Dag bij dag overlaadt Hij ons” (Engels: “Die ons dagelijks met weldaden overlaadt”). In onze vertaling staat een grote en kostbare waarheid, al bedoelt de psalmist hier waarschijnlijk iets anders.
Gods weldaden zijn niet schaars en ook niet licht: het zijn volle ladingen. Ze komen niet met tussenpozen, maar “dag bij dag”. En ze zijn niet voor een paar lievelingen bestemd, want heel Israël mag zeggen: Hij overlaadt ons met weldaden. Delitzsch vertaalt: “Hij draagt dagelijks onze last.” Alexander schrijft: “Wie ons ook een last oplegt, de machtige God is onze redding.” Belast Hij ons Zelf met verdriet, dan geeft Hij ook genoeg kracht om het te dragen. En proberen anderen ons te onderdrukken, dan hoeven we niet bang te zijn: de Heere komt Zijn volk te hulp. Gelukkig volk, dat onder een Koning staat Wiens juk zacht is! Hij beschermt Zijn volk tegen alle angst voor vreemde lasten die hun vijanden hun willen opleggen.
“Die God is onze Zaligheid.” Wat een naam! Hij is vol heerlijkheid voor Hem en vol troost voor ons. Hoe sterk onze vijand ook is, we worden uit zijn greep gered. God Zelf neemt als Koning op Zich om Zijn volk van alle kwaad te redden. Wat een prachtige strofe! Ze lijkt alleen donker omdat er zoveel licht in zit. Een hele wereld aan betekenis is in een paar woorden samengebald. Zijn juk is zacht en Zijn last is licht. Daarom: gezegend zij de naam van onze Zaligmaker, voor eeuwig!
Wees gegroet, U driemaal gezegende Vredevorst! Al Uw verloste zielen aanbidden U en noemen U gezegend. Sela. Geen wonder dat de snaren bijgestemd moeten worden: in dit machtige lied hebben ze een spanning verdragen zonder weerga. Hoger en steeds hoger, jullie muzikanten, zet de lofzang in! Dans voor de ark, maagden van Israël! Pak de tamboerijn en zing voor de Heere, Die zo glorieus de overwinning heeft behaald.
Vers 21
“Die God is ons een God van volkomene Zaligheid.” De Almachtige heeft een verbond met ons gesloten. Hij is de bron van onze veiligheid en Hij brengt onze verlossing tot stand. Zo zeker als Hij onze God is, zo zeker zal Hij ons behouden. Van Hem zijn is veilig zijn.
“En bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.” Hij kent wegen en middelen om Zijn kinderen uit de dood te redden. Zijn ze ten einde raad en zien ze geen uitweg meer? Dan kan Hij voor hen nog een deur naar bevrijding vinden. Niemand kan de poorten van het graf openen, behalve Hij. Wij gaan er pas in als Hij het zegt. Aan de hemelse kant heeft Hij de deuren voor al Zijn volk wijd opengezet, en zij zullen als overwinnaars uit de dood tevoorschijn komen. Jezus, onze God, zal Zijn volk redden van hun zonden en van al het andere erbij, in leven en in sterven.
Vers 22
“Voorzeker zal God den kop Zijner vijanden verslaan.” Wie ons behoudt, is ook Degene Die vernietigt. Hij slaat Zijn vijanden op de kruin van hun hoogmoed. Het zaad van de vrouw vermorzelt de kop van de slang. Tegen de Heere is geen verdediging mogelijk: in een oogwenk kan Hij de trotse kammen van Zijn hoogmoedige vijanden volkomen verwoesten.
“En den harigen schedel desgenen, die in zijn schulden wandelt.” Zo iemand mag opscheppen over zijn uiterlijk en trots zijn op zijn haar, net als Absalom. Maar het zwaard van de Heere vindt hem en stort zijn ziel uit. Koppige zondaren zullen merken dat de Voorzienigheid sterker is dan hun harde kop. Wie in de zonde blijft volharden, krijgt oordelen over zich heen, en waar hij zo trots op was, kan juist zijn ondergang worden. Hij beschermt het hoofd van Zijn dienaren, maar Hij verbrijzelt het hoofd van Zijn vijanden. Als de Heere Jezus terugkomt, zullen Zijn vijanden Zijn oordelen onvoorstelbaar vreselijk vinden.
Vers 23
Door het toevoegen van de woorden ‘mijn volk’ krijgt dit vers de betekenis die de vertalers het beste vonden. Laten we dat toegevoegde woord weglaten, dan komen we waarschijnlijk dichter bij wat er bedoeld wordt. De Heere zei: “Ik zal wederbrengen uit Basan; Ik zal wederbrengen uit de diepten der zee.” Al zouden Zijn vijanden proberen te ontkomen, het zou hun niet lukken. Zo laat Amos de Heere spreken: “Al groeven zij tot in de hel, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in den hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen. En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in den grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten.”
Net zoals niemand de God van Israël kan weerstaan, kan niemand aan Hem ontkomen. Noch de hoogten van Basan, noch de diepten van de grote zee bieden bescherming tegen Zijn speurende blik en Zijn hand van gerechtigheid. De machten van het kwaad mogen vluchten tot aan de uiterste hoeken van de aarde, maar de Heere houdt hen aan en voert hen geboeid terug, om Zijn zegetocht luister bij te zetten.
Vers 24
“Opdat gij uw voet … moogt steken in het bloed van de vijanden.” Het onderdrukte volk zal wraak krijgen, en wel een volkomen en vreselijke. “Ja, de tong uwer honden.” De nederlaag van de vijand zal zo overweldigend zijn dat honden hun bloed oplikken. Hier komt “de strenge vreugde die krijgers voelen” tot uiting, in taal die voor het oor van het Oosten heel gewoon is. Voor ons klinkt dit vers hard, tenzij we het geestelijk opvatten. Lees het echter met innerlijk inzicht, dan verlangen ook wij naar de totale en verpletterende nederlaag van alle kwaad, en willen we dat onrecht en zonde alleen nog diepe verachting oogsten.
Vreselijk is de God van Israël wanneer Hij als krijgsman optrekt, en ontzagwekkend is zelfs de Christus van God wanneer Hij Zijn arm ontbloot om Zijn vijanden te slaan. Lees Openbaring 19 en let op het volgende:
“En ik zag den hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid. En Zijn ogen waren als een vlam vuurs, en op Zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden; en Hij had een naam geschreven, die niemand wist, dan Hijzelf. En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods. … En ik zag een engel, staande in de zon; en hij riep met een grote stem, zeggende tot al de vogelen, die in het midden des hemels vlogen: Komt herwaarts, en vergadert u tot het avondmaal des groten Gods; Opdat gij eet het vlees der koningen, en het vlees der oversten over duizend, en het vlees der sterken, en het vlees der paarden en dergenen, die daarop zitten; en het vlees van alle vrijen en dienstknechten, en kleinen en groten. En ik zag het beest, en de koningen der aarde, en hun heirlegers vergaderd, om krijg te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn heirlegers. En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs, die met sulfer brandt. En de overigen werden gedood met het zwaard Desgenen, Die op het paard zat, hetwelk uit Zijn mond ging; en al de vogelen werden verzadigd van hun vlees.”
Vers 25
“O God! zij hebben Uw gangen gezien.” In het lied zijn de tochten van de Heere beschreven. Vrienden en vijanden hadden Hem zien uittrekken met de ark en met Zijn volk. We nemen aan dat de stoet nu de heuvel opklom en het omheinde terrein betrad waar de tent met de ark was opgeslagen. Op dit moment paste het om zingend te verklaren dat de stammen de glorieuze opmars van de Heere hadden gezien, toen Hij Zijn volk voorging.
“Zij hebben Uw gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in het heiligdom.” De schitterende optocht van de ark, die de troon van de grote Koning voorstelde, vond plaats voor de ogen van mensen en engelen, terwijl ze naar de heilige plaats optrok. De psalmist wijst er juichend op, nog voordat hij hem gaat beschrijven. Heel de schepping en heel Gods leiding van de wereld lijken wel een optocht die de grote Heere vergezelt, wanneer Hij deze lage aarde bezoekt. Winter en zomer, zon en maan, storm en stilte, en alle wisselende pracht van de natuur: ze vergroten de glans van de Koning der koningen, Wiens heerschappij geen einde kent.
Vers 26
“De zangers gingen voor, de speellieden achter.” Zo was de volgorde van de tocht, en zo moeten we God altijd aanbidden: met passende orde en waardigheid. Eerst kwamen de zangers en helemaal achteraan de muzikanten, want het lied moet de muziek leiden, en de muziek mag de zang niet overstemmen. Midden in de groep van zangers en spelers, of rondom hen, liepen de meisjes: onder hen de jonge vrouwen die de tamboerijnen sloegen.
Sommigen denken dat deze volgorde laat zien dat zang boven instrumentale muziek gaat. Maar zo ver hoeven we niet te zoeken naar bewijzen, want de eenvoud en geestelijkheid van het evangelie leren ons dat al. De optocht in dit verheven lied was een feest van vreugde. Men zette alles in om de blijdschap van het volk in de Heere, hun God, te laten klinken.
Vers 27
“Looft God in de gemeenten.” Laat de verzamelde menigte de God groot maken Wiens ark ze volgde. Lofzang van velen samen is als het gemengde reukwerk dat Aäron maakte: het moet helemaal aan God worden aangeboden. Hij zegent ons, dus laat Hem gezegend worden.
“Den Heere, gij, die zijt uit den springader van Israel.” Dit lijkt op wat Debora zong: “Van het gedruis der schutters, tussen de plaatsen, waar men water schept, spreekt aldaar te zamen van de gerechtigheid des HEEREN.” De plek waar de ark stond, zou voor alle stammen een bron van verkwikking zijn, en daar moesten ze Zijn lof zingen. “Drink,” staat op een oud opschrift, “drink, vermoeide reiziger; drink en bid.” Wij mogen één woord veranderen en lezen: drink en prijs. Is de Heere overvloedig in genade, dan moeten wij overvloeien van dankbaarheid.
Ezechiël zag een steeds sterker wordende stroom onder het altaar vandaan komen en onder de drempel van het heiligdom doorlopen, en overal waar die stroom kwam, bracht hij leven. Laten allen die van deze levenschenkende stroom hebben gedronken “den springader van Israel” verheerlijken.
Vers 28
“Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste.” De stam was klein en sterk in aantal afgenomen, maar hij had de eer dat Sion binnen zijn grenzen lag. “En van Benjamin zeide hij: De beminde des HEEREN, hij zal zeker bij Hem wonen. Hij zal hem den gansen dag overdekken, en tussen Zijn schouders zal hij wonen!” De kleine Benjamin was Jakobs lieveling geweest. Nu mocht de stam vooraan in de stoet lopen en het dichtst bij de heilige plaats wonen.
“De vorsten van Juda, met hun vergadering.” Juda was een grote en machtige stam. Hij had niet één bestuurder zoals Benjamin, maar vele vorsten “en hun gezelschap”, want zo staat het in de kantlezing. “Daarvan is hij een herder, een steen Israels”: de stam was een steengroeve waaruit volken werden opgebouwd. Zo’n gedachte klinkt ook in het Hebreeuws door.
“De vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali.” Israël was er net zo goed als Juda: er was geen scheuring onder het volk. Het noorden stuurde een afvaardiging, net als het zuiden, en zo liet de lange stoet zien hoe trouw alle stammen hun Heere en Koning waren toegedaan. O, gelukkige dag waarop alle gelovigen één zullen zijn rond de ark van de Heere, en alleen nog strijden voor de eer van de God van genade! Nu legt de profeet de aanwezigen een lied in de mond dat de komende overwinningen van Jehova aankondigt.
Vers 29
“Uw God heeft uw sterkte geboden.” Zijn besluit had het volk sterk gemaakt, en Zijn arm had dat waargemaakt. Als opperbevelhebber liet de Heere de dappere mannen in slagorde voorbijtrekken, en Hij gebood hun sterk te zijn op de dag van de strijd. Het is een korte zin, maar zeer rijk. Of we hem nu toepassen op één gelovige of op de hele gemeente: hij is vol troost.
“Sterk, o God, wat Gij aan ons gewrocht hebt.” Alle kracht komt oorspronkelijk van God, en ook het blijvende behoud ervan komt van Hem. Wij die leven hebben, moeten bidden om het “overvloediger” te hebben. Hebben we kracht, dan moeten we ernaar streven nog steviger te staan. We verwachten dat God Zijn eigen werk zegent. Hij heeft nog nooit een werk onafgemaakt gelaten en Hij zal dat ook nooit doen. “Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven.” Nu we met God verzoend zijn, mogen we van Hem verwachten dat Hij voltooit wat ons aangaat, want het werk van Zijn eigen handen laat Hij nooit in de steek.
Vers 30
“Om Uws tempels wil te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen.” Het paleis van God dat boven Jeruzalem uittorende, zou volgens de profetie een wonder voor alle landen worden. Toen het uitgroeide van de tent van David tot de tempel van Salomo, kwam dat ook uit. Dat gebouw was zo prachtig dat de koningin van het verre Scheba met haar geschenken kwam. Ook veel naburige vorsten kwamen met schatting naar de God van Israël, vol ontzag voor de rijkdom en macht die daar te zien waren.
De gemeente van God, als ze werkelijk geestelijk is, verwerft voor haar God de eer van de volken. In de heerlijkheid van de laatste dagen zal deze waarheid veel letterlijker en veel breder uitkomen.
Vers 31
“Scheld het wild gedierte des riets” (Engels: “het gezelschap der speermannen”), of, zoals de kantlezing het juister weergeeft, de dieren van het riet. Spreek tot Egypte, en laat zijn groeiende macht en naijver door één woord van U in bedwang houden. Israël denkt aan zijn oude vijand, die al het kwaad beraamde dat onder Jerobeam zou losbarsten. Het smeekt zijn almachtige Vriend om een bestraffend woord. Ook de antichrist, die grote rode draak, heeft het krachtige woord van de Heere nodig om zijn overmoed te breken.
“De vergadering der stieren”: de sterkere vijanden. De trotse, koppige, dartele, vette en brullende stieren, die het uitverkoren volk wilden doorboren. Ook zij hebben de bestraffing van de Heere nodig, en ze zullen die krijgen. Alle heilige stieren van Egypte hielpen niet tegen één “zo zegt Jehova.” Pauselijke bullen en keizerlijke bevelen hebben zich stukgeslagen op de gemeente van de Heere. Ze hebben haar niet overwonnen en zullen dat nooit doen.
“Met de kalveren der volken.” De armere en lagere soort is net zo op kwaad uit, maar de goddelijke stem kan hen beheersen. Menigten zijn niets voor de Heere wanneer Hij met macht uittrekt. Of het nu stieren zijn of kalveren: het is slechts slachtvee wanneer de Almacht Zich laat zien. Het evangelie heeft, net als de ark, niets te vrezen van groot of klein. Het is een steen waaraan ieder die struikelt, te pletter zal vallen.
“En dien, die zich onderwerpt met stukken zilvers” (Engels: “totdat ieder zich onderwerpt met stukken zilvers”). De Heere wordt gevraagd de vijanden van Israël te onderwerpen, totdat ze schatting zouden betalen in zilverstaven. Gezegend is de bestraffing die niet breekt maar buigt. Want onderwerping aan de Heere der heirscharen is vrijheid, en wat we Hem als schatting geven, maakt de gever rijker. De belasting van de zonde is oneindig veeleisender dan de schatting van de godsdienst. Het kleine vingertje van de wellust weegt zwaarder dan de lendenen van de wet. Stukken zilver die aan God gegeven worden, krijgen we terug als stukken goud.
“Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen” (Engels: “verstrooi de volken, die lust hebben in oorlog”). Ondanks de harde woorden van Psalm 68:24 was Gods volk dus een volk van vrede. Het wilde alleen dat onderdrukkende volken verbrijzeld werden, zodat er geen oorlog meer zou komen. Laat de strijd van de vrede zo fel zijn als hij maar wil: stapel vurige kolen op het hoofd van de vijand en dood zo zijn vijandschap. Dat “want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan”, is een rechtvaardige regel om rust op aarde te vestigen. Wat voor vrede kan er zijn, zolang er zoveel bloeddorstige tirannen en hun handlangers zijn?
Met nederigheid mogen we dit gebed opzenden. Met evenveel nederigheid mogen we God zegenen dat het zeker verhoord zal worden, want Hij is het, “Die … de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.”
Vers 32
“Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte.” Oude vijanden zullen nieuwe vrienden worden. Salomo zal een bruid vinden in het huis van de farao. Christus zal Zich een volk verzamelen uit het rijk van de zonde. Grote zondaren zullen zich overgeven aan de scepter van de genade, en grote mannen zullen goede mannen worden doordat ze tot God komen. Morenland zal zich haasten zijn handen naar God uit te strekken. Kus zal zich haasten vredeoffers te brengen. De koningin van Scheba zal uit het verre zuiden komen. De kamerling van Candace zal vragen naar Hem Die als een lam ter slachting werd geleid. Abessinië zal nog tot bekering komen, en Afrika zal vurig naar genade verlangen en de Christus van God gretig omhelzen.
Arm Morenland, jouw handen zijn lang geketend en hard geworden door wreed werk. Maar miljoenen van jouw zonen hebben in hun slavernij de vrijheid gevonden waarmee Christus mensen vrijmaakte. Zo is jouw kruis, net als het kruis van Simon van Cyrene, het kruis van Christus geweest, en is God jouw Zaligheid geweest. Breng haastig die dag dichterbij, o Heere, waarop de beschaving én de barbaarsheid van de aarde U zullen aanbidden, en Egypte en Morenland in blije eensgezindheid samensmelten in de aanbidding van U!
Hier ligt het vertrouwen van Uw heiligen, ja, Uw eigen belofte. Breng haar op Uw tijd tot vervulling, goede Heere.
Vers 33
“Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode.” Wat zal dat een prachtig lied zijn, als hele rijken samen zingen! Gelukkig de mensen die een God hebben Die altijd met blijdschap aanbeden mag worden. Dat kunnen de afgoden van de heidenen niet zeggen. Zingen is zo’n kostbare gave dat het helemaal van de Heere hoort te zijn. Wereldse vertoning is bijna heiligschennis, en een schunnig liedje is verraad. “Psalmzingt den Heere!” Steeds opnieuw moet God groot gemaakt worden. We zondigen al veel te veel tegen God, maar we kunnen nooit te veel voor God zingen.
Sela. Nu mogen we wel even rusten, want onze overdenking is aangekomen bij de glorie van het duizendjarig rijk. Welk hart kan weigeren zich door zo’n vooruitzicht te laten opheffen!
Vers 34
“Dien, Die daar rijdt in den hemel der hemelen, Die van ouds is.” Eerder zagen we Hem aan het werk op aarde, op weg door de woestijn. Nu zien we Hem in Zijn hemelse heerlijkheid, rijdend door de hemelen van de oertijd. Lang voordat deze hemel en aarde gemaakt werden, stonden de hoge woonplaatsen van de Godheid al vast. Voordat er mensen of engelen bestonden, was de pracht van de grote Koning al even groot als nu, en waren Zijn zegetochten al even glorieus. Wat wij van het leven van God weten, is maar een klein stukje. “Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.” Terecht bezong de Joodse gemeente de eeuwige God. En terecht voegen wij daar onze aanbidding van de grote Eerstgeborene aan toe:
“Nog vóór de zonde werd geboren, vóór Satan viel,
Leidde Hij het heir der morgensterren aan.
Uw geslacht, wie zal het verhalen?
Wie telt het getal van Uw jaren?”
“Ziet, Hij geeft Zijn stem, een stem der sterkte.” Rolde er op dat moment een donderslag door de hemel? Of sprong de geest van de dichter terug naar het moment waarop de stem van Jehova uit de hemel der hemelen de lange stilte verbrak en zei: “Daar zij licht!” en er licht was? Tot op de dag van vandaag is de stem van God macht. Dit evangelie, waarin Zijn woord klinkt en bekend wordt, is “een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft.” Onze stemmen mogen dus terecht worden opgeroepen om Hem te prijzen, Wiens stem ons tot leven sprak en ons de krachtige genade schenkt die ons heil zeker maakt.
Vers 35
“Geeft Gode sterkte.” Als alleen al Zijn stem rotsen doet splijten en ceders ontwortelt, wat kan Zijn hand dan niet? Zijn vinger laat de aarde beven. Wie kan de kracht van Zijn arm bevatten? Laten we nooit door onze twijfels of onze brutale tartingen de indruk wekken dat God geen macht heeft. Laat ons hart Zijn kracht juist erkennen door ons aan Hem over te geven en op Hem te vertrouwen. Zijn we met God verzoend, dan is Zijn almacht een eigenschap waar we met vreugde over zingen.
“Zijn hoogheid is over Israel.” Het volk dat Hij zo bevoorrecht heeft, wordt beschermd door Zijn majesteit. Zijn grootheid is hun goedheid, Zijn heerlijkheid hun bescherming. “En Zijn sterkte in de bovenste wolken.” Hij houdt Zijn macht niet beperkt tot de mensenkinderen, maar spant haar uit als een hemel die de luchten bedekt. Regen, sneeuw, hagel en storm zijn Zijn geschut. Met ontzagwekkende majesteit heerst Hij over de hele natuur. Niets staat zo hoog dat het boven Hem uitkomt, en niets is zo laag dat het onder Hem valt. Prijs Hem dus in de hoogste hoogte!
Vers 36
“O God! Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen.” U boezemt ontzag en vrees in. Uw heiligen gehoorzamen met vrees en beven, en Uw vijanden vluchten in paniek. Uit Uw drievoudige voorhoven, en vooral uit het heilige der heiligen, straalt Uw majesteit. Zo komt het dat de mensenkinderen zich vol ontzag voor U neerwerpen.
“De God Israels, Die geeft den volke sterkte en krachten.” Hierin bent U, Die door het verbond de God van Israël bent, een schrik voor Uw vijanden: U maakt Uw volk sterk, zodat één man er duizend zal achtervolgen en twee er tienduizend op de vlucht zullen jagen. Alle kracht van Israëls krijgers komt van de Heere, de bron van alle sterkte. Hij is sterk, en Hij maakt ook anderen sterk. Gezegend zijn zij die uit Zijn bronnen putten: zij zullen hun kracht vernieuwen. Wie genoeg is voor zichzelf, bezwijkt. Maar de Alle-genoegzame onderhoudt zelfs de zwakste gelovige.
“Geloofd zij God.” Een korte maar zoete afsluiting van de psalm. Laat onze ziel er Amen op zeggen, en nog eens: Amen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Bij deze psalm hebben we bijzondere reden om de schuchterheid van onze vertalers af te keuren of juist te bewonderen — noem het schuchterheid, voorzichtigheid of fijngevoeligheid — vanwege de manier waarop zij de namen van de Almachtige hebben weergegeven. Bijna overal vertalen zij die met “God” of “Heere”. Toch is opgemerkt dat bijna alle bijzondere titels van de Godheid voorkomen waar Hij, Die hier wordt toegesproken, beschreven en geprezen wordt. Hij heet “Elohim” in Ps. 68:2, “Adonai” in Ps. 68:12, “Sjaddai” in Ps. 68:15, “Jehova” in Ps. 68:17, “Jah” in Ps. 68:19 en “El” in Ps. 68:20.
Elke Hebreeuwse godsnaam heeft een eigen, aparte betekenis, en elk van die betekenissen is rijk. Geen enkel woord dekt ze allemaal. Door “God” en “Heere” zo vaag te gebruiken, kan onze vertaling de lezer nooit de gewichtige gedachten laten zien die in de oorspronkelijke uitdrukking zitten, als die goed vertaald was. Zo zijn we een sterke extra bevestiging van de Godheid van de Messias kwijtgeraakt: we hebben het getuigenis losgelaten dat Gods eigen titels, aan Hem toegekend, aan deze grote waarheid zouden geven. — R. H. Ryland.
Gehele psalm
Zoals Psalm 65 begon met een verwijzing naar de zegenformule (Num. 6:24-26), zo begint deze psalm met een verwijzing naar het gebed dat werd uitgesproken wanneer de wolkkolom het leger opriep om op te breken. Daar wierp de tegenwoordigheid (panim) van God reddend licht op Zijn volk. Hier vluchten Zijn vijanden ervoor weg (mippanav), Ps. 68:2… In het Joodse ritueel wordt de psalm gebruikt met Pinksteren, de gedenkdag van de gave van de Wet, en bij het Feest van de voltooide oogst… Hoe bijzonder deze psalm is, blijkt uit het feit dat er maar liefst dertien woorden in voorkomen die nergens anders te vinden zijn. Om hem helemaal uit te leggen lijkt de Pinkstergave van de talen nodig. — William Kay.
Gehele psalm
Veel critici beschouwen dit lied als de allerhoogste en verhevenste uitstorting van Davids dichterlijke muze. — William Binnie.
Gehele psalm
Als we afgaan op de ouderdom van de taal, de beknopte beschrijving en de volkomen frisse, krachtige en soms onopgesmukt ironische uitdrukkingen van de poëzie, dan beschouwen we dit gedicht als een van de oudste gedenktekenen van de Hebreeuwse dichtkunst. — Boettcher.
Gehele psalm
Je moet toegeven dat er in deze psalm even veel afgronden en doolhoven zijn als er verzen zijn, ja zelfs woorden. Niet ten onrechte is hij “het kruis der critici, de schande der uitleggers” genoemd. — Simon de Muis.
Gehele psalm
Het begin van deze psalm laat duidelijk zien dat de bezielde psalmist licht kreeg om de tocht van Israël door de woestijn te zien: de ark van het verbond trok voor het volk uit om een rustplaats te zoeken. De psalmist is vol lof wanneer hij mag zien dat God in heel die beweging Zijn vaderlijke liefde liet zien. Zijn oog rustte op de wezen, de weduwe, de eenzame en de bedrukte. Maar David wordt door de Geest ook meegenomen naar de Olijfberg, waar hij de Heere ziet opvaren. Hij ziet de zegewagens met een ontelbare schare engelen, en dan ziet hij hoe de Heere in heerlijkheid wordt verwelkomd als de machtige Overwinnaar.
En niet alleen dat: Hij heeft ook gaven ontvangen, of gekocht, voor mensen, zelfs voor de weerspannigen (Ps. 68:19), “om bij U te wonen, o HEERE God” (Engels: “opdat de Heere God bij hen zou wonen”), of in hen. “Daarom,” zo luidt het gebod van onze Vader, “gaat uit het midden van hen, en scheidt u af,” enz. (2 Kor. 6:17-18). Gods volk looft Hem met de woorden: “Geloofd zij de HEERE; dag bij dag overlaadt Hij ons.” Onze gezegende Meester zorgt dag aan dag voor al onze behoeften en laat Zijn liefde naar ons toe stromen, omdat Hij God onze Zaligheid is—Sela.
Wat een troost zou dit ons moeten geven, in elke omstandigheid! Want de Heere Jezus gaat voor ons uit door de woestijn. Hij voelt mee met onze zwakheden. De weduwe, de wezen en de eenzamen zijn allemaal voorwerp van Zijn zorg en liefde. Hij is ons voorgegaan om onze hemelse rust klaar te maken. Het werk is af. Nu komt Hij dag na dag om ons met zegeningen te overladen, en uiteindelijk brengt Hij ons veilig door de dood heen, naar leven en heerlijkheid. Bij de Heere, onze Zaligmaker, zijn de uitkomsten tegen de dood. Dan mogen we zeggen: “Dood, waar is uw prikkel?” enz. — Ridley H. Herschell, in “Strength in Weakness. Meditations on some of the Psalms in time of Trial,” 1860.
Vers 2
“God zal opstaan,” enz. De ark die vooruit trekt (zie Num. 10:35-36) is een beeld van Jezus, Die erop uittrekt om opstandige vijanden neer te werpen. Wat is het heerlijk om de zegetocht van het Tegenbeeld na te gaan. Wat rukte de Heere machtig op! Gods kracht zat in Zijn arm. Zijn zwaard was Godheid. Zijn pijlen hadden weerhaken van Jehova’s volle macht. “Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij dezen Naam geschreven: Koning der koningen, en Heere der heren.” Openb. 19:16.
Zijn vijanden vochten wel degelijk fel terug. Het was geen gemakkelijk werk om zielen uit Satans greep te redden en de gevangenis van de duisternis neer te halen. De vijand stormde aan in zijn wreedste wapenrusting, dol van de scherpste woede, sluw met zijn dodelijkste kunsten. Hij zette al zijn verzoekingen in als een angstaanjagende batterij kanonnen. Maar de ware Ark deinsde nooit terug. De tegenstander likte het stof. In vijandige harten woedden boosaardige driften. De koningen stonden op, de oversten hielden samen raad, alle listen werden bedacht, en de smadelijke dood werd beraamd en uitgevoerd. Toch trok de Ark door. Het kruis bracht hulp, geen schade. Het graf kon Hem niet vasthouden. De dood kon Hem niet overwinnen. De poorten van de hel vliegen open. De machtige Overwinnaar verschijnt.
En zoals de ark in Kanaän onder jubelende kreten de heuvel Sion beklom, zo stijgt Jezus omhoog. De hemel der hemelen ontvangt Hem. De Vader verwelkomt de Zaligmaker Die alles overwon. Engelenlegers aanbidden de heerlijke Godmens. Het Gebed bij het Opbreken is volledig vervuld: “Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden.”
En nu bemoedigt Hij vanaf de troon van heerlijkheid Zijn nederige volgelingen op hun tocht door de woestijn. Hun zwoegen, hun strijd en hun angsten zijn talrijk. Vaak lijken ze een arme worm onder verpletterende voeten. Maar ze overleven, ze groeien, ze heffen het hoofd op. Zoals de ark vroeger de overwinning was, zo is Jezus dat nu. Ja, elk kind van het geloof zal zeker een zegevierende voet zetten op het leger van de vijanden. Luister, dolle tegenstanders, en houd op! Waar zijn de volken die zich tegen Israël verzetten? Waar zijn de Farao’s, de belegerende koningen, de Herodessen, de overpriesters, de Pilatussen? Deel niet in hun boosheid, anders deel je ook in hun einde. Lees in dit Woord je eigen nabije ondergang: “Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden.”
En zoals het Gebed bij het Opbreken nooit heeft gefaald, zo wemelt ook het Gebed bij het Rusten nu van leven. “Kom weder, HEERE!” Jezus staat klaar om terug te vliegen. De vele duizenden van Israël wachten, maar niet tevergeefs. “Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven,” Hebr. 10:37. O vreugdevolle dag, zegevierend gezicht! Wat een verrukking, wat een gejuich, wat een heerlijkheid! De Heere van het heil keert terug. Welkom, welkom aan Hem! — Henry Law, in “Christ is All. The Gospel of the Old Testament,” 1858.
Vers 2
“God zal opstaan.” Gods barmhartigheid blijkt uit Zijn geduld met de goddelozen. Dat zit in het woord opstaan, want Hij lijkt als het ware te slapen (Ps. 44:24) en niet te letten op wat er verkeerd gaat. De Heere heeft geduld. Hij wil niet dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen. Hij deed er langer over om één stad te verwoesten (Jericho, Joz. 6:4) dan om de hele wereld te bouwen. Hij is langzaam tot toorn en bereid te vergeven. Hij wil niet de dood van de zondaar, maar dat die zich liever bekeert.
Hij staat niet op voor bijzondere straffen, en nog minder voor het algemeen gericht, dan na lang geduld en grote goedheid. “Jeruzalem, Jeruzalem! … hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild,” zei onze Heere. Matth. 23:37. — John Boys.
Vers 2
“Zijn vijanden zullen verstrooid worden.” Je kunt deze woorden, als je wilt, opvatten als een gebed of als een profetie. Als gebed: dat zij verstrooid mogen worden. Als profetie: dat zij verstrooid zullen worden. Of je leest: Surgente Domino, “Zodra de Heere opstaat, zullen Zijn vijanden verstrooid worden,” en maakt er zo een theologisch axioma van. Dan is het een propositio aeternae veritatis, een eeuwig ware stelling: waar in het eerste tijdperk van de wereld, waar in het laatste tijdperk van de wereld, en waar tot aan het einde van de wereld. We kunnen er een gebed van maken dat zij verdelgd mogen worden, en we kunnen profeteren dat zij verdelgd zullen worden. Summa votorum est, non ex incerto poscentis, sed ex cognitione scientiaque sperantis, zegt Hilarius.
Het is een gebed dat niet voortkomt uit een twijfelend, weifelend hart, alsof God Zijn gemeente soms redde en op andere momenten tekortschoot en haar aan de willekeur van haar vijanden overliet. Het rust op zekere kennis en onfeilbare zekerheid dat Hij zal “opstaan, en niet zwijgen,” en Zich op Zijn vijand zal wreken. Want in het gebed zit een soort voorgevoel en profetie. Als we bidden zoals het hoort, heeft Hij beloofd ons verzoek te verhoren, en dat is een mooiere zekerheid dan welke profeet ons ook kan geven. “Moge God opstaan” en “God zal opstaan” verschillen alleen in de tijd, en de Hebreeën gebruiken de ene vorm gewoonlijk voor de andere…
In dit gebed, of deze profetie, of slotsom, kun je als in een spiegel Gods zorg voor Zijn volk zien, en de bestemming en de noodlottige ondergang van goddeloze mensen. Of je kunt je God voorstellen, zittend in de hemel, neerkijkend op de mensenkinderen en lachend om alle plannen van Zijn vijanden. Zijn exsurgat, Zijn opstaan, is als een storm die hen verstrooit en als een vuur dat hen laat smelten. Deze twee woorden, exsurgat en dissipabuntur, Gods opstaan en de ondergang van Zijn vijanden, verdelen de tekst. Ze zetten als het ware twee partijen, twee kanten, lijnrecht tegenover elkaar voor onze ogen.
Nu komt het exsurgat weliswaar vóór het dissipabuntur, Gods opstaan vóór het verstrooien, maar toch moeten er mensen zijn die God wakker maken en opwekken voordat Hij opstaat om te verdelgen. Daarom kijken we eerst, zoals de natuurlijke volgorde vraagt, naar de personen die ons met drie verschillende namen worden aangewezen, als met evenzoveel merktekens en brandmerken op hun voorhoofd. Dat zijn: 1. Vijanden; 2. Haters van God; 3. Goddeloze mensen.
Maar als God zo opstaat, is dat meer tegen de daad dan tegen de persoon, en tegen de persoon alleen vanwege de daad. Dat moeten we dus onderzoeken en naspeuren. We vinden het ingewikkeld en heimelijk verborgen in het dissipabuntur, in hun straf. Want verstrooien veronderstelt eerst een verzamelen, zoals bederf een voortbrenging veronderstelt. Wat God bewoog om op te staan, is dit: Zijn vijanden, zij die Hem haatten, de goddelozen, waren samengekomen en beraadslaagden tegen God en Zijn gemeente, zoals we het vandaag zien. En omdat we dat zien, zijn we hier bijeengekomen om ons in alle nederigheid voor God neer te werpen, zodat Hij opstaat en hen verstrooit.
Dit is het nunc opportunitatis: het juiste en vastgestelde tijdstip voor God om op te staan. In die uitdrukking ligt een soort pauze en beraad besloten, alsof God niet altijd op is en klaarstaat om het oordeel uit te voeren.
En daardoor laat Hij ons zien: 1. Zijn geduld met de goddelozen: Hij is niet altijd als het ware op om Zijn vijanden te verdelgen; 2. Zijn rechtvaardigheid, die uiteindelijk komt, ook al komt ze niet zo snel als mensen in nood verwachten; 3. Zijn barmhartigheid voor Zijn kinderen: hoewel Hij een tijd lijkt te slapen en niet te luisteren naar hun klachten, staat Hij uiteindelijk toch op en helpt Hij hen.
Tot slot letten we op de uitwerking, of het einde, van dit opstaan. Dat is de ondergang van Zijn vijanden, die ons hier voor ogen wordt gesteld in vier verschillende uitdrukkingen, als in evenzoveel kleuren:— 1. Dissipabuntur, zij zullen verstrooid worden; 2. Fugient, zij zullen vluchten; 3. Deficient, zij zullen verdwijnen als rook; 4. Liquefient, zij zullen smelten als was. Alle vier komen samen in peribunt: zij zullen vergaan voor Gods aangezicht. — Anthony Farindon.
Verzen 2-4
Zie voor meer uitleg de aantekeningen bij Ps. 68:2.
Vers 4
Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden. De goddelozen slaan op de vlucht voor Gods aanwezigheid, omdat die hun schrik aanjaagt. De rechtvaardigen juichen er juist om. Niets maakt hen blijer dan de gedachte dat God vlak bij hen is. Voor hen is dat het mooiste wat er is. — Johannes Calvijn.
Vers 5
Hoogt de wegen voor Dien, Die in de vlakken velden rijdt (Engels: Verheft Hem, Die rijdt op de hemelen). Anderen, zoals Symmachus, Hieronymus, bisschop Lowth, Merrick en nog meer vertalers, lezen: “Baan de weg voor Hem Die door de woestijnen rijdt.” In het Hebreeuws staat ba-aravot. Dan gaat het om God Die op de cherubim door de woestijn trok, een toespeling op de tocht van de ark. — “Comprehensive Bible.”
Vers 5
Rijdt. Misschien is hier gedacht aan de cherubim waarop Jehova werd gedragen (Ps. 18:11). God Zelf is de Leider en Aanvoerder van Zijn volk. Hij rijdt als het ware vooraan, zoals een aardse bevelhebber zijn leger op een strijdpaard voorgaat. — J. J. Stewart Perowne.
Vers 5
In de vlakken velden (Engels: Op de hemelen). De oude vertalingen geven dit woord meestal weer met super occasus of occasum. De eigenlijke en gewone betekenis is “woestijn” of “eenzaamheid.” Voor de vertaling “de hemelen” is er geen gezag, behalve dat van de rabbijnen, en dat is eigenlijk niets waard. Ook de Chaldeeuwse parafrase kiest ervoor, met super thronam gloriae ejus in nono caelo: Die op de troon van Zijn heerlijkheid zit in de negende hemel.
Ik denk zelf dat de psalmist hier doelt op de tocht van de Israëlieten door de woestijnen naar het beloofde land. In de volgende verzen beschrijft hij die tocht met veel van de belangrijkste omstandigheden. Er staat dat God rijdt, of gedragen wordt, door de woestijnen. Zo ging ook de ark van Zijn aanwezigheid door de woestijn. Zij ging met de Israëlieten mee naar al hun kampplaatsen, zolang hun pelgrimstocht duurde. — Samuel Chandler.
Vers 5
God gaat Zijn volk altijd voor door de woestijnen van lijden en nood. Wie in benauwdheid verkeert, vindt in Hem een echte leidsman. — E. W. Hengstenberg.
Vers 5
Zijn Naam is HEERE (Engels: Zijn naam JAH). JAH is de ingekorte vorm van Jehova en klinkt nadrukkelijker (Stier). We komen de naam voor het eerst tegen in Ex. 15:2. — Frederic Fysh, in “A Lyrical Literary Version of the Psalms,” 1850.
Vers 6
Een Vader der wezen. Volgens Hilarius gaat het hier om geestelijke wezen. Dat zijn mensen die de duivel als vader hebben afgezworen. Aan hen heeft Christus bij Zijn heengaan een andere Trooster gestuurd, zoals Hij beloofde: “Ik zal u geen wezen laten.” — Lorinus.
Vers 6
Verwijst Jak. 1:27 niet naar dit vers? Daar vinden we de wezen, de weduwe en daarna de heiligheid van de God Die wij dienen. — Andrew A. Bonar.
Vers 6
God, in de woonstede Zijner heiligheid. De Heere is oneindig en geen plaats kan Hem omvatten. Toch heeft Hij een ontmoetingsplaats aangewezen waar Zijn volk Hem volgens Zijn eigen inzetting kan vinden. Dat is de vergadering van Zijn heiligen, Zijn heilige tempel. Die tempel wees vooruit naar Christus, Die mens zou worden. Nu is Hij in de hemel, als mens aan de rechterhand van God, en in Hem woont de Godheid. Hier, hier is God te vinden. Wie Hem zoekt, hoeft dus niet te raden waar Hij Zich laat ontmoeten. — David Dickson.
Vers 7
God zet de eenzamen in een huisgezin. Je kunt hierbij denken aan de groei van de gemeente door nieuwe bekeerlingen onder het evangelie, ook uit de heidenen. Zij waren eerst eenzaam, alleen, zonder God en Christus, vreemdelingen die geen deel hadden aan het burgerschap van Israël. Maar door de bediening van het Woord werden ze geroepen en bekeerd. Zo kregen ze een plaats in de gemeenten van het evangelie, de huisgezinnen van God.
Zulke gemeenten zijn als huisgezinnen. Ze hebben een Heere, Christus, de Zoon en Eerstgeborene, naar Wie zij genoemd zijn. Er wonen heiligen van elke leeftijd, grootte en stand. Sommigen zijn vaders, sommigen jongemannen en sommigen kinderen. Er is voedsel dat bij hen past, en er zijn rentmeesters die op tijd ieders deel uitdelen: de dienaren van het Woord. En er zijn wetten en regels die hen leiden, zodat alles netjes en in goede orde verloopt. — John Gill.
Vers 9
De God van Israël. De Sinaï was niet alleen de woonplaats van God, maar van de Verbondsgod van het volk Israël. Daar werd de wet gegeven en het verbond tussen God en Zijn volk gesloten. — Hermann Venema.
Vers 10
In het Hebreeuws ligt de nadruk op het woord “U.” Uw erfdeel, zelfs toen het mat was (dat wil zeggen uitgeput), hebt U bevestigd, of “versterkt.” U alleen kon iemand die uitgeput was weer overeind helpen, en dat deed U voor Uw volk. — A. R. Fausset.
Vers 10
Een milde regen. Letterlijk staat er in het Hebreeuws: “een regen van vrijwilligheden.” Met de uitleggers denk ik dat dit een toespeling is op de zegen die komt uit vrije gunst. God voorzag in alle nood van Zijn volk uit Zijn eigen, ongedwongen goedheid. Sommigen lezen: “een begerenswaardige regen.” Anderen: “een regen die zonder geweld valt,” dus zacht. Geen van die vertalingen lijkt mij beter. Weer anderen lezen: “een overvloedige, rijke regen.” Maar ik heb al gezegd welke betekenis ik de beste vind. — Johannes Calvijn.
Vers 10
Een genadige regen, dat wil zeggen een regen van manna. — Edmund Law (1703-1787), aangehaald door Richard Warner bij deze tekst, 1828.
Vers 10
Regen. Cyrillus zegt: één fontein bevloeit je paradijs, en de regen die over de hele wereld valt is steeds dezelfde. In de bloesem van de meidoorn is hij wit, in de roos rood, in de hyacint purper. Hij komt in allerlei soorten voor en is alles in allen, en toch blijft hij zelf dezelfde en van dezelfde soort. . . . Zo deelt ook de Heilige Geest aan ieder genade toe zoals Hij wil, hoewel Hij één en dezelfde is en niet in stukken te delen. — Thomas Le Blanc.
Vers 10
Een milde regen. Uw liefde was als een regenbui! En onze wederkeer is maar een druppel dauw, en die druppel is nog bevlekt met zonde. — James Harrington Evans, 1785-1849.
Vers 11
Uw hoop (Engels: Uw gemeente). Deze woorden zijn zorgvuldig gekozen en zeggen veel. De dichter richt zich tot God en noemt het volk Israël opzettelijk en nadrukkelijk chajatcha: Uw verenigde gemeente. Dat staat tegenover vroegere verdeeldheid en onderlinge twisten. Het volk was nu samengesmeed tot één gemeenschap. Het was ook goed geordend en ingericht als de samenleving van God, waarin Zijn wetten bloeiden en meestal werden nageleefd. — Hermann Venema.
Vers 11
Uw hoop (Engels: Uw gemeente). Of: Uw levende wezens, chajatcha, ta zoa in de LXX, animalia in de Vulgaat. Waarschijnlijk wordt hier gedoeld op de enorme zwermen kwakkels die op wonderlijke wijze naar het kamp van de Israëlieten werden gebracht en als het ware rondom dat kamp woonden. — Aantekening in de “Congregational Bible.”
Vers 11
Uw hoop (Engels: Uw gemeente). Of: Uw levende wezens. Op die woeste plaats konden eerst alleen wilde dieren leven. Maar door de regens van manna (Ps. 68:10) kon het er nu een menigte andere, tamere wezens voeden: mensen, met al hun kudden en runderen. — Henry Hammond.
Vers 11 (eerste zinsdeel)
Beter is: “Wat Uw voedsel betreft (manna en kwakkels), zij woonden er middenin.” — Edmund Law.
Vers 11 (eerste zinsdeel)
Wat Uw voedsel betreft, zij woonden er middenin. Het Hebreeuwse woord chajjah kan op meer manieren worden opgevat, en daarom is deze regel op verschillende manieren vertaald. Volgens Parkhurst is de grondbetekenis van chajjah “krachtig, sterk zijn.” Daarom wijst het zelfstandig naamwoord op kracht, op een groep mannen (2 Sam. 23:13), en ook op wat kracht geeft: het levensonderhoud, het voedsel (Richt. 6:4; 17:10). Vergelijk ook Neh. 9:6.
Onze vertalers kozen de eerste betekenis. Ik kies de tweede, omdat de samenhang die lijkt te eisen. Bovendien slaat chajat altijd op een groep mannen, zoals soldaten die echt in een oorlog bezig zijn. Daarom heet wat in 2 Sam. 23:13 de troep van de Filistijnen heet, in 1 Kron. 11:15 het leger van de Filistijnen. Ten slotte heeft de gewone vertaling geen woord waar bah, “daarin” of “er middenin,” naar kan verwijzen. In deze vertaling is dat er wel: het zelfstandig naamwoord “voedsel.”
Ik denk dus dat het gaat om meer dan alleen manna. Het gaat ook om de kwakkels, die God in overvloed rond het kamp bracht (Ex. 16:13; Num. 11:31). Zo zorgde Hij in Zijn goedheid voor de arme, die zelf niets had. — Benjamin Boothroyd.
Vers 11
U hebt in Uw eigen zoetheid voor de arme gezorgd, o God. In Uw eigen zoetheid, niet in zijn zoetheid. Want hij is behoeftig, hij is zwak gemaakt om volmaakt te worden gemaakt. Hij heeft erkend arm te zijn, zodat hij gevuld kan worden. — Augustinus.
Vers 12
De HEERE gaf te spreken; der boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschaar (Engels: De Heere gaf het woord: groot was het gezelschap van hen die het verkondigden). Je zult merken dat God, als de vijanden van de gemeente zijn vernietigd, veel predikers heeft gemaakt die Zijn lof leren… De woorden in het oorspronkelijke zeggen veel, en wijzen op twee dingen.
Ten eerste: het woord dat je als “gezelschap” leest, is in het Hebreeuws “leger.” Groot was het leger van predikers! Een leger van predikers is iets groots. Het is al iets groots als je zeven of acht goede predikers hebt in een groot leger. Maar een heel leger van predikers, dat is heerlijk.
Ten tweede: het wijst op de hartelijkheid van dit predikende leger. Het woord nefesj, ziel, moet hier worden verstaan zoals in dat gedeelte in Prediker. Daar staat: “De woorden of het boek van den prediker.” Dat woord is vrouwelijk en veronderstelt dus nefesj. Het is alsof hij zeggen wil, zoals Vatablus het uitdrukt: de woorden of het boek van iemand met een predikende ziel of een predikend hart. Zo is het ook hier. Er staat: groot is het leger van predikers, en omdat het woord vrouwelijk is, is het alsof er staat: groot is het leger van predikende zielen, wier harten van binnen zullen prediken over de werken van de Heere.
Mijn broeders, het is al veel om een predikend leger te hebben. Maar als dat leger met hart en ziel Gods lof verkondigt, o, dat is zalig. Toch zal het zo gaan wanneer de vijanden van God zijn vernietigd. God laat geen enkele van die preken tot Zijn eer verloren gaan. Daarom worden de vijanden van de gemeente op Zijn tijd verstrooid. — William Bridge, in “The True Soldier’s Convoy,” 1640.
Vers 12
Dat sommige mensen worden aangezet of in staat gesteld om het evangelie te prediken, komt door het woord, het bevel en de macht van God. — John Newton (1725-1807), in “Messiah.”
Verzen 12-13
Dit verhaal van Israëls overwinningen past ook op de overwinningen van de verheven Verlosser. De vijanden van onze zaligheid werden verslagen door de opstanding van Christus, en de heidense volken moesten Zijn macht erkennen. Vrouwen maakten deze grote overwinning als eersten aan de discipelen bekend. — Uit “A Practical Illustration of the Book of Psalms; by the Author of the Family Commentary on the New Testament.” (Mevr. Thompson.) 1826.
Verzen 12-13
De Heere gaf Zijn woord bij Zijn hemelvaart, en een menigte verkondigde het. Daardoor sloegen koningen met hun legers op de vlucht. Zij wonnen met het woord. Er is geen andere manier om koningen en hun legers te verslaan, want alleen Gods woord heeft die kracht. — William Strong. 1654.
Verzen 12-15
De Heere geeft het woord!
Een grote schare vrouwen brengt de blijde tijding!
Koningen met hun legers vluchten — zij vluchten!
En zij die binnen het huis wonen, delen de buit!
Al lagen zij tussen de haardstenen,
Zij zijn geworden als de vleugels van een duif, met zilver overdekt,
En haar veren met geel goud.
Wanneer de Almachtige koningen verstrooit,
Schitteren zij daarin als sneeuw op Zalmon.
Zij die binnen het huis wonen, dat zijn de vrouwen. Zo worden ze genoemd omdat vrouwen in oosterse landen erg teruggetrokken leefden. Liggen tussen de haardstenen: dat wil zeggen dat ze gewoonlijk de laagste huishoudelijke karweitjes deden. Daarom was hun dagelijkse kleding armoedig en vuil. De haardstenen zijn in het Hebreeuws “rustplaatsen” (voor ketels). Zij zijn geworden: doordat ze getooid zijn met de buit van de vijanden. Schitteren als sneeuw: in het Hebreeuws “(elke vrouw) is sneeuwachtig.” Daarin: dat wil zeggen in de buit die onder hen is verdeeld. — Vertaling en aantekeningen van French en Skinner.
Vers 13
De koningen der heirscharen vloden weg. In het Hebreeuws staat: zij vloden, zij vloden. Twee keer “vloden”! Waarom? Het betekent dat ze heel haastig vluchtten, en in complete verwarring, in alle richtingen. Zij vloden, zij vloden: zo groot en zo wild was de vlucht. Er bleef niets van hun orde over. — William Bridge.
Vers 13
De koningen der heirscharen zullen vluchten. Met die “heirscharen” worden de grote, goed uitgeruste legers bedoeld die de heidense koningen tegen het volk van God ten strijde voeren. De ongewone uitdrukking “koningen der heirscharen” klinkt sterk als een spottende tegenstelling met het gebruikelijke “Jahve der heirscharen.” — Bottcher, aangehaald door Delitzsch.
Vers 13
Zij die te huis bleef. Volgens Kimchi zijn dat alle mensen die niet meevochten. Of ook de vrouwen (die domi portae, “thuis bij de poort”) kwamen naar buiten om te plunderen. In deze dagen van het evangelie zijn er veel godvruchtige oudere vrouwen en heilige jonge vrouwen. En het valt gemakkelijk op dat het Nieuwe Testament meer goede vrouwen laat zien dan het Oude. — John Trapp.
Vers 13
Deelde den roof uit. Het betekent niet alleen (zoals Hupfeld meent) “krijgt haar deel van de roof.” Het is eerder: “verdeelt onder haar dochters en dienstmaagden en anderen het aandeel in de buit” dat haar man thuis heeft gebracht. — J. J. Stewart Perowne.
Vers 15
Salmon of Zalmon, eigenlijk Tsalmon, was een beboste heuvel bij Sichem (Richt. 9:48). Of Ps. 68:15 deze heuvel bedoelt, wordt betwist. Sommige uitleggers nemen het woord hier in zijn oorspronkelijke betekenis van duisternis, tselem. Zo vertaalt Luther de zin: “so wird es helle wo es dunkel ist,” dus: zo wordt het licht waar het donker was. Hij verstaat het als een verwijzing naar de Messias. Ewald neemt bijna dezelfde vertaling aan. De meesten houden de naam echter als eigennaam, maar ze leggen de passage heel verschillend uit.
Hengstenberg vindt dat de zin “het sneeuwt op Tsalmon” hetzelfde betekent als “er is helderheid waar duisternis was.” De heuvel, eerst donker van het bos, is nu wit van de sneeuw. De Dieu denkt aan een vergelijking: Tsalmon is wit van de beenderen van de verslagen koningen, zoals van sneeuw. Anderen denken dat het alleen om een tijdsaanduiding gaat: het was winter en er lag sneeuw op Tsalmon (Herder). Hupfeld sluit zich daarbij aan. Volgens hem is de opmerking spottend bedoeld, tegenover wie thuisbleven omdat de wintersneeuw hen afschrikte. Hij ziet de passage (Ps. 68:13-15) als een brokstuk van een oud lied. Dat lied viert enkele van Israëls vroege overwinningen in Kanaän en bespot wie uit luiheid of angst voor de onderneming terugschrokken. Hij vertaalt het zo: “De koningen der legers vluchten, vluchten, en de huisvrouw deelt de buit!
Blijven jullie liever tussen de stallen liggen?
Duivenvleugels, met zilver overtrokken,
En hun veren met geel goud!
Toen de Almachtige daar koningen verstrooide,
Sneeuwde het op Tsalmon.”
— William Lindsay Alexander, in “A Cyclopaedia of Biblical Literature,” 1866.
Vers 15
Het werkwoord kan ook in de tweede persoon worden opgevat: U, o God, maakte het mooi en wit, als de berg Salmon met sneeuw. De lezer mag beide opvattingen aannemen, want de betekenis is dezelfde. Het is duidelijk dat David het beeld van wit zilver blijft gebruiken, dat hij eerder had ingevoerd. Het land was als het ware zwart gemaakt, bezoedeld door de verwarring die de vijanden erin hadden aangericht. Nu, zegt hij, had het zijn mooie uiterlijk teruggekregen en leek het op Salmon, een berg waarvan we weten dat hij gewoonlijk met sneeuw bedekt was.
Anderen vinden dat Salmon geen plaatsnaam is, maar een soortnaam, die “donkere schaduw” betekent. Ik zou de algemeen aanvaarde lezing houden. Tegelijk acht ik het mogelijk dat er een zinspeling is op de afleiding van het woord. Het komt van tselem, dat schaduw betekent, en de berg Salmon heette zo omdat hij zo zwart was. Dan wordt de vergelijking nog treffender. Ze geeft dan aan: zoals sneeuw deze zwarte berg wit maakte, zo had het land zijn vroegere schoonheid terug en zag het er vrolijk uit, toen God het duister verdreef dat tijdens de onderdrukking door de vijanden op het land had gelegen. — Johannes Calvijn.
Vers 15
Het was zo wit als sneeuw in Salmon. Dat wil zeggen: dit erfdeel van U, Uw eigen volk, scheen zo helder en heerlijk in de ogen van hun buren als de besneeuwde top van Salmon die schittert door de weerkaatsing van de zonnestralen. — Thomas Fenton.
Vers 15
Wit als sneeuw in Salmon. Deze uitdrukking lijkt te zeggen dat alles voor Gods volk even helder en vrolijk leek als Salmon voor hun ogen is wanneer de berg schittert van de sneeuw. In Judea is sneeuw veel zeldzamer en ligt hij veel korter dan in Engeland. Het is dus niet vreemd dat men er veel meer bewondering voor heeft. Wie zelden sneeuw ziet, kijkt er met verwondering naar. De zoon van Sirach spreekt er ook met een soort verrukking over: “Het oog zal verbaasd staan over de schoonheid van haar witheid, en het hart verrukt worden bij het neerregenen ervan.” Sirach 43:18 of 20. — Samuel Burder.
Vers 15
Salmon. Deken Stanley vermoedt dat Salmon een andere naam is voor de berg Ebal. Zeker is dat de berg vlak bij Sichem lag (zie Richt. 9:48). Maar wie hem precies wil aanwijzen, heeft vrijwel geen kans. De heer Mills, de ijverige schrijver van “Nablus and the modern Samaritans”, kon namelijk niemand vinden die de naam Salmon kende. Ook ontdekte hij geen overleveringen over deze berg, en zelfs in de Samaritaanse literatuur vond hij geen enkele toespeling erop. Het woord betekent “schaduw”. In de volksmond zou je het kunnen gelijkstellen met de naam “het Zwarte Woud”. — C. H. S.
Vers 16
De heuvel van Basan. De lichamelijke grootte van de wereld moet buigen voor de geestelijke grootte van de gemeente. De “heuvel Gods” is hier een beeld van de wereldrijken. Ook die zijn (Ps. 65:7) alleen groot door Gods genade. Een grote heuvel doet ons denken aan Gods scheppende macht. Daarom staat “de heuvel van Elohim” (de algemene naam van God als Schepper) hier tegenover de heuvel waarop “de Heere” (Jehova) voor eeuwig zal wonen. Basan lag in het noorden, in het gebied ten oosten van de Jordaan, het land van Hermon. Het was het koninkrijk van Og, de gevaarlijkste vijand die Israël op zijn tocht naar Kanaän tegenkwam.
“De heuvel Basan is de hoge, besneeuwde top van de Antilibanon, of Hermon, de uiterste grens van Basan. Hij lag op de grens tussen Judea en de heidense wereld, en daarom was hij bij uitstek geschikt als beeld van de macht van de wereld (Ps. 68:23; 42:7; 89:13)” (Hengstenberg). Hermon heette oorspronkelijk Sion, en dat betekent “hoog” (Deut. 4:48). Die naam lijkt in klank op Sion, en dat wees hier op de tegenstelling tussen de heuvels van de wereld en de heuvel van de Heere. — A. R. Fausset.
Verzen 16-17
“Een berg van God is de berg Basan,
Een berg vol toppen is de berg Basan.
Waarom zien jullie zo afgunstig, jullie bergen met je toppen,
Naar de berg die God begeert tot Zijn woning?
Ja, Jehova zal daar wonen in eeuwigheid.”
— Frederic Fysh’s vertaling.
Vers 17
“Waarom springt gij op?” Dat doen ze als overwinnaars, om te pronken met hun natuurlijke voordelen boven Sion. Of ze willen Sion bespotten en zich met haar op één lijn stellen in eer. Dat zijn beeldende, dichterlijke woorden. Anderen vertalen: Waarom staren jullie, alsof je door bewondering werd meegesleept? — John Diodati.
Vers 17
“Deze berg heeft God begeerd tot Zijn woning.” Dat is deze lage, kleine, dorre heuvel Sion. Gods verkiezing maakt het verschil. Zo onderscheidde ze Aärons staf van alle andere staven, en zo onderscheidt ze nog steeds de gemeente van de rest van de wereld. Het Lam, Christus, staat op de berg Sion. Openb. 14:1. — John Trapp.
Vers 18
“Gods wagenen.” Wat zijn die “Gods wagenen” eigenlijk? Laten we er niet omheen draaien. Kijk maar eens om je heen. Dan zie je die ontelbare wagens en engelen waar het hier over gaat. Zoveel schepselen als je ziet, zoveel engelen en wagens van God zie je. Ze zijn allemaal Zijn leger, allemaal de wagens waarin Hij rijdt. En of je het nu ziet of niet: de Heere is te midden van hen, zoals op de Sinaï, in het heiligdom. Zijn heerlijkheid vervult hen allemaal (als we maar open ogen hadden om dat te zien). Ze staan allemaal onder Zijn bevel, en er is geen enkel schepsel dat niet doet wat Hem behaagt.
O broeders, wat is het heerlijk en zalig om rondom ons te kijken en te beseffen: al die schepselen, zichtbaar en onzichtbaar, die je ziet of je in gedachten voorstelt, mag je nu voor je ziel zien als evenzoveel vurige wagens en ruiters. Ze zijn er om haar te verdedigen, te beschermen en te bewaren! Maar aan de andere kant: “Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods”, Die al deze wagens en ruiters tot Zijn beschikking heeft om Zijn wil en wraak uit te voeren op wie Hem negeren, haten en tegenstaan. — John Everard, in “Militia Caelestis, or the Heavenly Host”, 1653.
Vers 18
“Rondom Zijn wagen stroomden zonder tal
Cherubs en serafs, machten en tronen,
En krachten, geesten met vleugels, en gevleugelde wagens
Uit Gods eigen wapenhuis, waar van oudsher
Tienduizenden gereedstaan.”
— John Milton, in “Paradise Lost.”
Vers 18
“Tweemaal tien duizend” (Engels: “twintigduizend”). Beter is: twee myriaden, ribbotajim. Het enkelvoud is rechev. Het woord ribbot komt alleen hier voor in de dualis, dus het onmetelijke getal wordt verdubbeld. “De duizenden verdubbeld” (Engels: “duizenden engelen”) betekent letterlijk “duizenden van herhaling”. Dat wil zeggen, met de kantlijn: vele duizenden (Bythner, Gesenius en anderen). Sjin’an komt alleen hier voor en stamt van sjanah, “herhalen”. De vertaling “engelen” werd waarschijnlijk ingegeven door de verwijzing naar Sinaï in het volgende zinsdeel (zie Deut. 33:2, waar in plaats van “heiligen” beter “heilige” te lezen is). Wagens, rekev, is een verzamelwoord voor wie erin reden. Dat zie je ook elders vaak. — William de Burgh.
Vers 19
“Gij zijt opgevaren in de hoogte”, enzovoort. Sommigen denken dat dit gaat over de uittochten van God ten behoeve van Zijn volk Israël. Hij leidde het tot de overwinning, voerde de vijanden van Israël gevankelijk weg en maakte Zijn volk rijk met de buit. Stel dat dat zo is. Dan mogen we dit woord toch vooral op Christus betrekken, want de apostel heeft het zo toegepast (Ef. 4:8). Hij past het niet alleen op Christus toe, maar bewijst ook dat het past. Hij redeneert zo (Ef. 4:9-10): “Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald”, enzovoort.
De gevangenis die Hij gevankelijk voerde, was die van onze geestelijke vijanden, die ons gevangen hadden weggevoerd: Satan en de dood. Nu Hij de overwinning heeft behaald, verdeelt Hij de buit. Gaven aan mensen, zoals David geschenken uitdeelde. En daaruit komen onze inzettingen, onze dienaren en alles wat daarbij hoort. Direct na Zijn hemelvaart was er een heerlijke vervulling: een rijke overvloed van gaven en genaden voor Zijn gemeente, als de geschenken van David. Hier staat dat Hij ontving, in Efeze dat Hij gaf. Hij ontving om te geven. Hij nam de buit om hem uit te delen. Ik wil dit gedeelte toepassen op het werk dat mij is toevertrouwd. Daarom zal alles wat ik nu onder jullie aandacht wil brengen, in twee punten besloten liggen:
- De grote zegeningen van de christelijke bediening.
(a) Dienaren zijn voor jullie ontvangen en door Christus aan jullie gegeven. Als mensen, en dan nog als zondige mensen, zijn dienaren niets, en zelf willen ze ook niets van zichzelf maken. Maar als gaven van Christus past het jullie om veel van hen te maken. (1.) Als jullie Christus liefhebben, zullen jullie veel van jullie dienaar maken, omdat hij Zijn gave is. Het is een gave die in zekere zin de afwezigheid van Christus moet opvullen. Christus is heengegaan (“opgevaren”), maar Hij geeft jullie Zijn dienaren. Straks hopen jullie bij Hem te zijn, maar voorlopig zijn jullie als schapen in de woestijn.
Daarom geeft Hij jullie een herder. (2.) Als jullie God vrezen, zullen jullie er bang voor zijn om jullie herder verkeerd te behandelen, want hij is een gave van Christus. God nam het Israël kwalijk dat het Mozes minachtte (Num. 12:8). Mozes was immers “Mijn knecht”.
(b) Dienaren zijn niet alleen aan jullie gegeven, maar ook voor jullie ontvangen van God de Vader, als een zegen van het verbond, een van de geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus. Bedenk daarbij dat Christus van de hand van Zijn Vader niets ontving wat Hem niet duur kwam te staan. Het kostte Hem Zijn leven. Of, als de toespeling gaat over het verdelen van de buit: laten we zeggen dat Hij hen ontving zoals een overwinnaar de buit ontvangt uit de hand van de vijand. Jullie dienaar was een van hen die, net als jullie zelf, als brandhout in het vuur wegbrandden. Christus heeft hem van jullie vijanden genomen en geeft hem aan jullie. Maak daarom veel van deze gave. “Dit ontving ik van den Amoriet.”
(c) Bedenk hoe onwaardig jullie zijn voor zo’n zegen. Jullie zijn mensen, gewone mensen, en erger nog: weerspannige mensen, die zich bij Satan hadden aangesloten. En dan mogen jullie de buit delen? Gewoonlijk verdeelt men de buit niet onder opstandelingen… Mensen die Hem ter dood brachten, kregen deze gaven. En wij allemaal zouden hetzelfde hebben gedaan. Sommigen van jullie zijn waarschijnlijk snode, verloren figuren geweest en toch, enzovoort…
(d) Het doel ervan: dat de Heere God bij hen zou wonen. “Maar waarlijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen?” Zolang de zonde heerste, woonde God niet bij de wereld en ook niet in haar. Maar Christus’ middelaarschap was bedoeld om dat te bewerken. “Zou God bij de mensen op de aarde wonen?” Dat zal Hij. En hoe? Door middel van inzettingen en dienaren. Een gemeente van Christus is Gods huis. En als iemand ergens een huis bouwt, is dat een teken dat hij er wil wonen. Wat een zegen is het voor een dorp, voor een land, als God daar een huis bouwt! Hierdoor mogen we een zegen verwachten op de middelen tot bekering van onze kinderen en vrienden, en tot opbouw van de gelovigen.
- Noem enkele plichten die bij deze voorrechten horen, als antwoord erop.
(a) Trouw en ijverig het huis van God bezoeken. Als het huis van God Gods woning is, laat het dan ook jullie woning zijn, jullie thuis. Als God jullie een herder geeft, ontvang hem dan met dankbaarheid en waardeer hem. Zo heeft Hij niet voor elk dorp gezorgd.
(b) Draag gewillig bij aan zijn onderhoud. Christus heeft jullie royaal gegeven, dus jullie horen Hem ook royaal te geven. Bedenk dat het geen gift is maar een schuld, en dat jullie het niet aan hem geven, maar aan Christus.
(c) Streef na wat de vrede dient. Daaraan zijn de tegenwoordigheid en de zegen van God verbonden.
(d) Mijd alles wat de Heere ertoe kan brengen Zijn gaven terug te trekken en niet langer onder jullie te wonen. — Andrew Fuller’s schets van een preek, gehouden voor de Gemeente te Moulton, bij de ordening van de heer (sedert Doctor) Carey, 1 augustus 1787.
Vers 19
“Maar wie is het van wien geschreven is dat Hij opgevaren is in de hoogte?” Ik beken dat de achtenzestigste psalm, waarin deze woorden voor het eerst staan, letterlijk moet worden opgevat. Hij gaat niet over een zegepraal na de slachting van het leger van Sanherib in de tijd van koning Hizkia, zoals de Joden zeer fabelachtig dromen, want het opschrift van deze psalm, dat hem aan David toeschrijft, weerlegt die ijdele gedachte al genoeg. Hij gaat ook niet over overwinningen die David behaalde op zijn buurvolken, de Ammonieten, de Moabieten, de Idumeeën en de Filistijnen (zoals sommigen het willen hebben). Nee, hij gaat over die grote, schitterende optocht, toen koning David met grote vreugde en zegepraal de ark van het verbond naar de heuvel Sion bracht.
Daarom betekenen de woorden “Gij zijt opgevaren in de hoogte” dit: de ark had eerst op een verborgen plaats gelegen en was van de ene plek naar de andere gebracht, maar kreeg nu een zeer luisterrijke, opvallende plaats, in het koninklijk paleis zelf. De woorden “Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd” wijzen op de vijanden die eerder verschillende landen hadden geplunderd en verwoest, maar nu door koning David overwonnen waren en in deze zegetocht als gevangenen werden meegevoerd. (Zo ging het in die tijd, zoals Plutarchus uitstekend beschrijft in het leven van Paulus Aemilius.) En de woorden “Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen” wijzen op de buit die vrijwillig werd aangeboden als voorwaarde voor vrede en die in de zegetocht triomfantelijk werd rondgedragen, om er meer plechtigheid aan te geven.
Daarna werden er gaven geschonken aan verschillende mannen, op verschillende manieren, zoals de veldheren bij hun triomf gewoon waren (Bellica laudatis dona dedisse viris: krijgsgeschenken te schenken aan waardige mannen). Sigonius laat dat zien.
Toch zeg ik dat deze psalm in mystieke zin een epinikion is, een zegelied. Koning David schreef het in het vooruitzicht van Jezus Christus. Hij zou opstaan uit de doden en met grote vreugde en zegepraal opvaren naar de hemel, en vandaar Zijn Heilige Geest zenden aan Zijn apostelen en discipelen. Nadat Hij al Zijn vijanden had overwonnen, zou Hij door de dienst van Zijn predikers Zijn gemeenten en Zijn uitverkoren volk bijeenbrengen. Zo zou Hij hen hier in dit leven leiden en verdedigen, totdat Hij hen in de eeuwige heerlijkheid ontvangt. — Griffith Williams, 1636.
Vers 19
“Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd.” Deze uitdrukking is nadrukkelijk. Christus heeft overwonnen en gezegevierd over alle machten die ons gevangen hielden. Zo is de gevangenschap zelf gevankelijk weggevoerd. Haar geest en kracht zijn vernietigd. Zijn volk is door Hem losgemaakt en wandelt op Zijn wegen. Het heeft niets meer te vrezen van hen wier gevangenen ze waren, net zomin als een overwinnaar iets te vrezen heeft van een gevangene in boeien. De kracht van deze uitdrukking lijkt op die van de apostel: “De dood is verslonden tot overwinning.” — John Newton.
Vers 19
“Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd”, enzovoort. De oude profetie van David is hier vervuld aan de voet van de Olijfberg. “De gevangenis gevankelijk voeren” betekent dat Christus de verbonden overheden en machten overwon: de duivel, de zonde, de dood en de hel. Hij nam hun de werktuigen af waarmee ze mensen tot slaaf maakten. Hij bracht niet alleen het kanon op het geestelijke Gibraltar tot zwijgen, maar nam de rots, de vestingwerken en alles in. Hij legde niet alleen de verschrikkelijke, verwoestende borstweringen van de machtige, hecht verbonden geestelijke vijanden het zwijgen op, maar Hij wierp ook de torens omver, sloopte de kastelen en nam de sleutels van de kerkers weg.
Voortaan en voor eeuwig is Hij de Meester. Op hetzelfde moment redde Hij ook Zijn volk. Waar, o Jezus, is het leger waarvan U de Aanvoerder bent? “Hier! Alle namen staan in parels geschreven op het borstschild dat Ik draag als hogepriester.”
Nauwelijks had Hij het graf verlaten of Hij begon Zijn gaven uit te delen. Dat deed Hij de hele weg op Zijn tocht naar het huis van Zijn Vader. Vooral nadat Hij de hemel der hemelen was binnengegaan, strooide Hij gaven uit onder de mensen, als een machtig veroveraar beladen met schatten, waarmee Hij Zijn volgelingen en Zijn volk verrijkte en versierde. Het waren gaven van barmhartigheid: gaven aan wederhorigen, aan mensen die hun wapens in boetvaardige onderwerping voor Zijn voeten neerwierpen, “om bij U te wonen, o HEERE God” (Engels: “opdat de Heere God bij hen zou wonen”). De apostel laat zien dat een deel van deze gaven gaven van de bediening zijn.
Daarom geeft Hij, telkens wanneer God ergens onder een volk en in een land wil wonen, aan dat volk en dat land deze bediening. Hij zendt hun Zijn evangelie in de mond van trouwe dienaren. Hij vestigt daar Zijn huis, de tafel en de kandelaar. Dan woont Hij daar door Zijn Geest en zegent Hij Zijn erfdeel. — Christmas Evans, 1766-1838.
Vers 19
De apostel (Ef. 4:8) haalt de woorden van de psalm niet letterlijk aan, maar naar de zin. De uitdrukking “Gij hebt gaven genomen”, toegepast op Christus bij Zijn verheerlijking, kon alleen als doel hebben om uit te delen. Daarom citeert de apostel haar in die zin: Hij heeft de mensen gaven gegeven. Deze Hebreeuwse uitdrukking kan vertaald worden als “Gij hebt gaven ontvangen in de menselijke natuur”, of als “Gij hebt gaven ontvangen ter wille van de mens” (zie Gen. 18:28; 2 Kon. 14:6). De apostel gebruikt de woorden in de zin van het doel waarvoor de gaven werden ontvangen. Er is dus geen tegenspraak tussen de psalmist en de apostel. Als we de aanhaling van dichtbij onderzoeken, verdwijnen de moeilijkheden en blijken het Oude en het Nieuwe Testament volkomen met elkaar overeen te stemmen.
Rosenmüller legt Psalm 68 uit zonder ook maar één keer de naam van Christus te noemen. De neologen (de rationalistische theologen) zien in het algemeen geen Messias in het Oude Testament. Voor hen zou Ef. 4:8, als ze enige bescheidenheid hadden, inderdaad een geduchte hindernis zijn. Paulus zegt dat de psalm over Christus gaat. Zij beweren dat hij zich vergist en dat hij de zin ervan heeft verdraaid (De Wette) en vernietigd. Zij zeggen dat lamarom, “in de hoogte”, de hoogten van de berg Sion betekent, en Paulus zegt dat het de hemel betekent. Wie heeft gelijk? (Zie hoe de Schrift het woord gebruikt: Ps. 7:8; 18:17; 93:4; 102:20; Jer. 25:30; Jes. 37:23).
Die plaatsen verbinden het woord met de hemelse woningen en rechtvaardigen zo de toepassing van de apostel. — William Graham, in “Lectures on St. Paul’s Epistle to the Ephesians.”
Vers 19
Zodra Christus op Zijn troon is ingehuldigd, strooit Hij Zijn munten rond en deelt Hij gaven uit. Hij geeft gaven, of beter: de gave der gaven, de gave van de Heilige Geest. “Indien gij de gave Gods kendet”, zei Christus tegen de Samaritaanse vrouw (Joh. 4:10). Die gave was het levende water, en dat levende water was de Geest. Johannes, die Zijn gedachten het beste kende, legt het zo uit: “En dit zeide Hij van den Geest.” Joh. 7:39. O mijn ziel, sta stil bij deze vorstelijke gave van Christus! Zo’n gave was er nooit eerder, behalve toen God Zijn Zoon gaf. “Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft”, en Christus heeft de wereld alzo liefgehad dat Hij Zijn Geest gegeven heeft.
Maar, o mijn ziel, bedenk vooral aan wie deze Geest gegeven werd. De toepassing van de gave is de eigenlijke ziel van je overpeinzing: “een Zoon is ons gegeven”, zegt de profeet (Jes. 9:5), en “den Heiligen Geest, Die ons is gegeven”, zegt de apostel (Rom. 5:5). Bedenk bovenal waarom deze gave jou persoonlijk is gegeven. Was het niet om van jou een tempel en woning van de Heilige Geest te maken? Blijf hier even bij stilstaan! Verwonder je, o mijn ziel, over Christus’ neerbuigende, heerlijke en onuitsprekelijke liefde! Het was oneindige liefde om af te dalen in onze natuur toen Hij mens werd.
Maar dit is meer: afdalen in je hart door Zijn Heilige Geest. Toen kwam Hij ons nabij, maar alsof dat nog niet dichtbij genoeg was, komt Hij nu nog dichterbij. Nu verenigt Hij Zich met je persoon. Nu komt Hij en woont Hij in je ziel door Zijn Heilige Geest. — Isaac Ambrose, 1592-1674.
Vers 19
“Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen.” Toen God van de berg Sinaï opvoer, nadat Hij de wet had gegeven, was dat een afbeelding ervan dat Hij “opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou” (Ef. 4:10). Zoals God destijds “de gevangenis gevankelijk voerde” door Farao en de Egyptenaren te vernietigen, die Zijn volk lange tijd gevangen hadden gehouden en wreed hadden uitgebuit, zo versloeg Christus later Satan en al zijn machten en nam Hij hen gevangen (Kol. 2:15).
Er is wel een verschil. In de psalm staat dat Hij “gaven genomen” heeft “om uit te delen onder de mensen”, maar in Efeze 4:8 staat dat Hij “heeft den mensen gaven gegeven”. Daar ligt een groot geheim in verborgen, en dat is niet gering. Christus is God, en de psalm schildert Hem zo heerlijk. Toch geeft de psalm een wenk dat Hij dit werk zou doen in een toestand waarin Hij iets van een ander kon ontvangen. En zo deed Hij het ook (Hand. 2:33). De grondtekst zegt het nog duidelijker: lakachta matanot ba’adam, “Gij hebt gaven ontvangen in Adam”. Dat wil zeggen: in de mens, in de menselijke natuur. Bovendien betekent lakach zowel ‘geven’ als ‘ontvangen’, vooral als je iets ontvangt om het door te geven. Christus ontving deze gave in Zijn menselijke natuur, om haar aan anderen te geven.
Waarom is dit machtige schouwspel dan zo voorbereid? Waarom zijn al deze toebereidselen getroffen, en waarom werden alle mensen erbij geroepen? Om te laten zien hoe groot de gave is die Hij zou schenken, en hoe heerlijk het werk dat Hij zou volbrengen. Dat werk was: de gemeente voorzien van dienaren, en die dienaren van gaven om hun ambt en hun taak te kunnen vervullen. Op een dag zal blijken dat er meer heerlijkheid en glans zit in het geven van één arme dienaar aan een gemeente, door hem uit te rusten met geestelijke gaven voor zijn taak, dan in de praalvolle installatie van duizend pausen, kardinalen of metropolieten.
Zelfs de slechtste mensen kunnen dat laatste doen, gewoon door een paar uiterlijke plechtigheden en ceremonies te houden. Alleen Christus kan het eerste doen, en Hij deed het toen Hij daartoe opvoer naar de hoogte. — John Owen.
Vers 19
In Efeze 4:8 past Paulus deze tekst in een meer geestelijke zin op Christus toe. Daarom is het nodig te laten zien hoe dat past bij wat de psalmdichter bedoelde. Eén ding staat onomstotelijk vast: David, die over Gods oude volk regeerde, wierp een eerste schaduw vooruit van het eeuwige koninkrijk van Christus. Dat is duidelijk voor iedereen die zich de belofte herinnert die hem is gedaan: een opvolging die nooit zou ophouden en die haar vervulling vond in de Persoon van Christus. Zoals God Zijn macht verheerlijkte in David, door hem hoog te verheffen om Zijn volk te bevrijden, zo heeft Hij Zijn Naam groot gemaakt in Zijn eniggeboren Zoon.
Laten we nu wat nauwkeuriger bekijken hoe die vergelijking opgaat. Voordat Christus werd verhoogd, heeft Hij Zichzelf van Zijn heerlijkheid ontledigd. Hij nam niet alleen de gestalte van een dienstknecht aan, maar vernederde Zichzelf tot de dood aan het kruis. Om te laten zien hoe precies het beeld is uitgekomen, wijst Paulus erop dat wat David voorzegde, in de Persoon van Christus is vervuld. Christus werd immers neergeworpen in de onderste delen der aarde, in de smaad en de schande waaraan Hij werd overgeleverd, voordat Hij opvoer naar de rechterhand van Zijn Vader (Ps. 22:8).
Als we aan de hemelvaart denken, moeten we onze blik niet beperken tot het lichaam van Christus. Daarom richt Paulus onze aandacht op de uitkomst en de vrucht ervan: Christus brengt hemel en aarde onder Zijn bestuur. Mensen die eerst Zijn felle vijanden waren, dwong Hij tot onderwerping en maakte Hij tot Zijn schatplichtigen. Dat is precies wat het woord van het evangelie in mensen doet: het brengt mensen ertoe hun trots en hun koppigheid los te laten, elke hoge gedachte die zich verheft neer te halen, en hun gedachten en gevoelens te buigen onder de gehoorzaamheid aan Christus.
En de duivelen en verworpen mensen, die door hardnekkige boosaardigheid worden aangezet tot opstand en afval? Hen houdt Hij door een verborgen beheersing in bedwang. Hij belet hun het verderf uit te voeren dat zij van plan waren, en laat hun kwaad niet los. Tot zover klopt de overeenkomst dus volledig, in elk onderdeel.
Er is ook geen echte tegenspraak met wat de psalm zegt, wanneer Paulus schrijft dat Christus den mensen gaven gegeven heeft. Hij heeft de woorden weliswaar veranderd, want hij volgt de Griekse vertaling, zoals die voor een ongeleerde lezer te volgen is. Maar het was niet Christus Zelf Die God met de buit van de vijanden verrijkte. Het was Zijn volk. Christus zocht Zijn eigen verhoging ook niet en had die niet nodig. Hij maakte Zijn vijanden schatplichtig om met de buit Zijn Gemeente te versieren. Het hoofd en de leden zijn zo nauw met elkaar verbonden, dat het op hetzelfde neerkomt of je zegt: God, geopenbaard in het vlees, ontving gaven van de gevangenen, of: Hij deelde ze uit aan Zijn Gemeente.
Wat aan het slot van het vers staat, past net zo goed op Christus: Hij behaalde Zijn overwinningen om als God bij ons te wonen. Hij ging weg, maar niet om ver van ons te zijn. Zoals Paulus zegt: “opdat Hij alle dingen vervullen zou” (Ef. 4:10). Door Zijn hemelvaart is de heerlijkheid van Zijn Godheid juist des te schitterender getoond. Hij is niet meer lichamelijk bij ons, maar onze zielen worden geestelijk gevoed met Zijn lichaam en bloed. Ondanks de afstand tussen hier en de hemel merken wij dat Zijn vlees waarlijk spijs is en Zijn bloed waarlijk drank. — Johannes Calvijn.
Vers 19
“Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen.” Het Hebreeuwse ba’adam betekent: in de mens. “In de menselijke natuur,” zegt dr. Adam Clarke, “en God, geopenbaard in menselijk vlees, woont onder sterfelijke mensen.” En verder: “De gaven die Jezus Christus aan de mens uitdeelt, heeft Hij in de mens ontvangen. Dat gebeurde in en door Zijn menswording. Doordat Hij mens is geworden, kan gezegd worden: ‘de Heere God woont onder hen’. Jezus werd immers Immanuël genoemd, ‘God met ons’, vanwege Zijn menswording.” — Redactionele noot bij Calvijn op deze plaats.
Vers 19
“Ja, ook de wederhorigen.” Ik was ook bang dat dit het teken was dat de Heere op Kaïn zette: voortdurende angst en beving onder de zware schuldenlast voor het bloed van zijn broer Abel. Zo kronkelde en wrong ik mij, en kromp ineen onder de last die op mij lag. Die last benauwde mij zo, dat ik niet kon staan, niet kon lopen en niet kon liggen, in geen enkele rust of stilte. Toch kwam soms, onverwacht, dit woord bij mij boven: “Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen” (Ps. 68:19).
“De wederhorigen,” dacht ik. Dat zijn vast mensen die eens onderdanig waren aan hun vorst: zij die, nadat ze trouw aan zijn bestuur hadden gezworen, de wapens tegen hem hebben opgenomen. En dat, dacht ik, is precies mijn eigen toestand. Eens had ik Hem lief, vreesde ik Hem en diende ik Hem. Nu ben ik een rebel; ik heb Hem zelfs verkocht. Ik heb gezegd: laat Hem maar gaan als Hij wil. En toch heeft Hij gaven voor rebellen. Waarom dan niet voor mij? — John Bunyan, in “Grace Abounding.”
Vers 19 (laatste zinsdeel)
U hebt hun vroegere ongehoorzaamheid niet bijgehouden. Hoewel U hen zag tegenspreken, bleef U hun goed doen, totdat U hen tot Uw eigen woonplaats maakte, oikètèrion. — Theodoretus.
Vers 19 (laatste zinsdeel)
De Chaldeeuwse vertaling zegt: “Over de wederhorigen, die proselieten worden en door berouw terugkeren, woont de sjechina der heerlijkheid van den Heere God.” (De sjechina is Gods zichtbare aanwezigheid.)
Vers 20
“Geloofd zij de HEERE”, enzovoort. Het lijkt wel alsof de zoete zanger van Israël zijn stem verheft om met het koor van de hemel te wedijveren in hun Alleluja’s. Ja, nu hij daarboven zingt in dat zalige koor van heerlijke geesten, kan zijn lied niet mooier zijn dan dit lied dat hij hier op aarde zong. Wij gaan er zo meteen, op dit moment, onze eigen partij in meezingen. Zet, ik bid je, je beide oren open voor Davids lied, en je hart en je tong voor het jouwe.
Let eerst op twee dingen in deze engelenklank: de bovenstem en de grondtoon. De bovenstem is de dankzegging, “Geloofd zij de HEERE”. Daarin zitten twee dingen: instemming en opwekking. Het is instemming met Gods goedheid, en een oproep aan anderen om diezelfde instemming te laten horen.
De grondtoon heeft drie kanten. Eerst: wat God in Zichzelf is, God en Heere. Dan: wat God voor ons is en doet, “dag bij dag overlaadt Hij ons”. Tot slot: wat Hij is, zowel in Zichzelf als voor ons, “Die God is onze Zaligheid”. Dat laatste wordt, als een kostbare edelsteen, gezet op een donkere achtergrond: “Bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.” Zo gaat het eerste om Zijn eigen wil, het tweede om onze wil, en het derde om Zijn én onze wil. Hij is God, Heere en Weldoener; Zaligmaker en Bevrijder. “Geloofd zij de HEERE.”
Het is niet moeilijk om op te merken dat Davids Alleluja’s zwaarder wegen dan zijn Hosanna’s: zijn dankzeggingen zijn talrijker dan zijn smeekbeden. Vaak looft hij God terwijl hij niets vraagt. Zelden smeekt hij om een gunst zonder eerst zijn ziel op te heffen in dankzegging. Dat is dan ook het telkens terugkerende onderlied van al zijn hemelse gezangen: “Geloofd zij de HEERE.”
‘Lofprijzingen’, zoals onze vroegere vertaling het had, is te zwak. Eer is meer dan lof, en zegenen is meer dan eer. Het is ook niet voor niets dat het woord barak, zegenen, verwant is aan berech, de knie, die gebogen wordt bij het zegenen. De heraut die vóór Jozef uit ging, riep Abrech uit en eiste daarmee van alle toeschouwers de eer van hun knie (Gen. 41:43). Elke vluchtige, onbeduidende erkenning van iemands waarde is een lof. Zegenen is een hogere toon van dankbaarheid, die het hele hart meesleept in een soort goddelijke verrukking. Lof is een zaak van beleefdheid; zegenen is een zaak van aanbidding.
De regel van de apostel is dat het mindere door het meerdere wordt gezegend: Abraham door de koning van Salem. Maar de opdracht van de profeet is dat het meerdere gezegend moet worden door het mindere, ja het grootste door het kleinste: God door de mens. Dat past goed bij elkaar, en het is geen tegenspraak, want zegenen is een daad waarin beide kanten iets doen. God zegent de mens met een bevel; de mens zegent God met een wens. God zegent de mens in daden van barmhartigheid; de mens zegent God in gedachten en woorden van dank.
God zegent de mens wanneer Hij hem goed en gelukkig maakt; de mens zegent God wanneer hij belijdt hoe goed, hoe genadig en hoe glorierijk Hij is. Zo gaat zegenen helemaal op in erkennen, belijden en vieren. In het ene erkennen wij Gods mildheid tegenover ons; in het andere verheffen wij Hem met stem en daad om die mildheid.
O, zie toch hoe hoog God de gevoelens en daden waardeert van Zijn arme, eenvoudige schepselen, die over de aarde kruipen! Hij geeft ons daarin de macht om Hemzelf te zegenen, en Hij neemt het als een eer aan door ons gezegend te worden. David staat verbaasd dat God Zich verwaardigt de mens te zegenen. Hoeveel meer moeten wij ons dan verbazen over Gods barmhartigheid, Die Zich verwaardigt gezegend te worden door de mens, een worm, een atoom, een niets! Toch zegt Jakobus ons dat wij met de tong God zegenen. En de psalmist vraagt er hier om als om een dienst die Hem dierbaar is: “Geloofd zij de HEERE.” Ook wij mensen leven niet (zoals de kameleon) van de lucht van dank, en worden er niet vetter van door lofprijzingen. Hoeveel minder dan onze Maker, Die dat niet nodig heeft!
O God, wij weten heel goed dat U oneindig gezegend bent in Uzelf, wat mensen of engelen ook doen of laten. Voordat er één schepsel bestond, genoot U al van alle eeuwigheid evenveel van Uw gezegende Zelf. Wat kan dit waardeloze, losse velletje vlees aan Uw oneindigheid toevoegen of ervan afnemen? Toch buigt U Zich neer, U Die Zich neerbuigt om te zien wat er in hemel en aarde gebeurt, om ook de zwakke adem van onze lofzangen aan te nemen, die van de aarde naar de hemel naar U opstijgen. Moet het niet al onze geloften en al onze pogingen tot oprechte dankbaarheid aanmoedigen, als we zien dat ze genadig worden aangenomen?
Als mensen tevreden waren met goede woorden en goede wensen, en onze schuldbrieven kwijtscholden voor een woord van dank, wie zou dan nog schuldenaar zijn? Bij de God van alle barmhartigheid is deze goedkope betaling gangbaar. Wil Hij ons dus zoveel eer bewijzen dat Hij Zich door ons laat zegenen? Laten wij Hem dan ook zoveel eer bewijzen dat wij Hem zegenen. — Joseph Hall, in “A Sermon of Public Thanksgiving for the Wonderful Mitigation of the late Mortality,” 1625.
Vers 20
“Geloofd zij de HEERE.” Het is bijzonder opmerkelijk dat de heiligen zo zwaar beladen en overladen zijn met de plicht om Zijn lof te zingen, dat zij 1. met een overmaat aan lof moeten uitpakken. Ze bieden aan Hem te loven en laten het dan als het ware zoals ze het vonden. Ze zeggen niets meer, om Zijn lof niet te bederven. Denk aan Openb. 5:12: “Het Lam … is waardig te ontvangen … eer, en heerlijkheid”, al ben ikzelf niet waardig of in staat het Hem te geven.
- Dat zij in hun gezangen gebroken taal en halve zinnen spreken, wanneer zij diep overweldigd zijn door het besef van Zijn liefde. Zoals: “Geloofd zij de HEERE; dag bij dag overlaadt Hij ons” (Engels: “Die ons dagelijks overlaadt met weldaden”). In de grondtekst staat niet meer dan: “Geloofd zij de HEERE; dag bij dag overlaadt Hij ons.” — John Spalding, in “Synaxis Sacra,” 1703.
Vers 20
“Dag bij dag overlaadt Hij ons.” Sommigen hebben misschien meer dan anderen, maar toch heeft ieder zijn eigen last, zoveel als hij dragen kan. Niet elk schip kan evenveel zeil voeren. Daarom legt God er, om ons voor omslaan te behoeden, juist zoveel op als ons het veiligst naar de hemel brengt, onze gewenste haven. — Ezekiel Hopkins.
Vers 20
“Dag bij dag overlaadt Hij ons.” Zo zit de mens in elkaar, in zijn eigenliefde: geen innerlijke waarde trekt zijn lof zo aan als uiterlijke goedheid. Maak je veel van jezelf, dan spreekt iedereen goed over je. Hoeveel te meer als je veel van hén maakt! Ook daarin is God ons tegemoetgekomen, en Hij heeft ons ontmoet.
Ik wil je niet in de war brengen door alle verschillende betekenissen uit te pluizen waarvan deze psalm, meer dan welke andere psalm van David ook, overvloeit. Kijk daarom, ik bid je, naar vier trappen van Gods goedheid, de ene nog hoger dan de andere. Ten eerste: er zijn weldaden. Dat woord staat niet in de grondtekst, maar het ligt noodzakelijk in de zin besloten. Er zijn namelijk maar drie soorten lasten die de mens van God kan krijgen: gunsten, geboden en straffen. De andere twee laten geen ruimte voor dankbaarheid. Terwijl we dus oordelen hadden kunnen verwachten: zie, weldaden!
Ten tweede: die weldaden worden ons niet karig toegestopt, handvol voor handvol, maar bij de hele vracht toegemeten. We worden beladen met weldaden. Ten derde: wie overlaadt Hij dan? Niet waardige onderdanen die het verdiend hebben, maar ons: marim, rebellen. En tot slot: dit doet Hij niet bij één uitdeling en niet meer (zelfs de zeldzame feesten van vrekken zijn meestal overvloedig), maar jom jom, dag na dag, onvermoeid en onophoudelijk. Eén gunst zou al te veel zijn: hier zijn weldaden. Een besprenkeling zou al te veel zijn: hier is een vracht. Eén keer zou al te vaak zijn: hier is dagelijks méér, ruimhartig en vrijgevig.
Sla dus even je ogen op naar deze drievoudige overdrijving van goedheid: de maat, een vracht aan weldaden; de ontvangers, onwaardige wij; de tijd, dagelijks. “Dag bij dag overlaadt Hij ons.” Waar zullen we beginnen om deze ontzaglijke vracht aan barmhartigheden ook maar te overzien?
Stel dat God ons niet meer had gegeven dan een wereld om in te leven, een leven om van te genieten, lucht om in te ademen, aarde om op te lopen, vuur om ons te verwarmen, water om ons te verkoelen en te reinigen, kleren om ons te bedekken, voedsel om ons te voeden, slaap om ons te verkwikken, huizen om ons te beschutten en allerlei schepselen om ons te dienen en te verblijden. Dan was dat al een flinke, rechtmatige vracht. Maar voeg daar nu aan toe: een beschaafde opvoeding, dierbare vrienden, genoeg bezit, eer en aanzien, een eerlijk of waardig beroep, de gunst van vorsten, succes in ons werk, troost thuis, vrede om ons heen, een goede naam, bewaring voor gevaren en redding uit kwaad. Dan is de vracht al heel wat voller, en nog zwaarder.
Kom je nog dichterbij en voeg je ook nog toe: een goed gebouwd lichaam, ledematen die compleet zijn, scherpe zintuigen, natuurlijke kracht, redelijke gezondheid, goede eetlust, een sterke spijsvertering, gezonde jaargetijden en vrijheid van zorgen? Dan weegt het nog meer. En als je daar nog bij optelt: orde, kracht en oefening van onze innerlijke vermogens, verrijkt met wijsheid, kunde, kennis en ervaring, uitgedrukt in bevallige welsprekendheid? Leg dan alles bij elkaar wat met ons bezit, ons lichaam en onze geest te maken heeft. Hoe kan de as van de ziel dan niet barsten onder de last van al deze gunsten?
Maar kijken we van wat God voor ons als mensen heeft gedaan naar wat Hij voor ons als christenen heeft gedaan, dan zien we dit: Hij heeft ons levend gemaakt door Zijn Geest, ons gevoed met Zijn woord en met de sacramenten, ons bekleed met Zijn verdiensten en ons gekocht met Zijn bloed. Hij werd gering om ons heerlijk te maken, een vloek om ons met zaligheid te bekleden. Kortom: Hij heeft Zichzelf aan ons gegeven, Zijn Zoon voor ons. O, de hoogte, de diepte en de breedte van de rijke barmhartigheid van onze God!
O, die grenzeloze, topeloze, bodemloze vracht van goddelijke weldaden, zo onmetelijk dat ze reikt van het middelpunt van deze aarde tot de onbegrensde uitgestrektheid van de keizerlijke hemelen zelf! “Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.” — Joseph Hall.
Vers 21
Onze God is een God van heil, dat wil zeggen: van verlossing, ook uit uiterlijke nood. En “bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood”, of de uitwegen uit de dood. God houdt dus alle wegen die uit de dood leiden in Zijn eigen hand. Hij bewaart de sleutel van de deur waardoor wij uit de dood naar buiten kunnen. Stel je iemand voor in het dal van de schaduw van de dood. Waar komt hij ooit weer uit? Welke doorgang is er nog voor hem? “Nergens”, zegt de mens, “hij ontkomt niet.” Maar God beheert alle doorgangen.
Als mensen denken dat zij ons in de kaken van de dood hebben opgesloten, kan Hij die kaken openen en ons bevrijden. “Bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.” Dat is een toespeling op iemand die een doorgang of een deur bewaakt. En God is een trouwe en vriendelijke deurwachter. Hij opent de deur zodat Zijn volk kan ontkomen, wanneer het tot Hem roept. — Joseph Caryl.
Vers 21
“En bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.” Een gebouw blijft staan dankzij drie dingen. Het eerste is het fundament, dat het draagt en ondersteunt. Het tweede zijn de steunberen, die het omvatten en omhelzen. Het derde is de verbinding van de balken en spanten (het Latijnse contigno betekent: samenvoegen of met balken aan elkaar leggen), die alles aan elkaar knoopt en bijeenhoudt. Het fundament laat het gebouw niet zakken. De steunberen laten het niet scheef trekken. En door de verbinding en knoopwerking scheurt het niet uit elkaar.
Het hoofdgebouw van ons betoog staat in het eerste deel van dit vers: onze God is een God van volkomen heil. In het oorspronkelijke staat zelfs ad salutes, “van heilsdaden” in het meervoud. Dat is de God Die ons zowel geestelijk als tijdelijk redt. Maar het fundament, de steunberen en de verbinding van dit gebouw liggen in het tweede deel van het vers, dat onze tekst vormt. En omdat de uitleggers de woorden op drie manieren opvatten, krijgen we ook drie lijnen: “Bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.”
Ten eerste het fundament, namelijk dat onze God de God van alle heil is. Dat fundament ligt hierin: bij deze God, de Heere, zijn de uitkomsten tegen de dood. Het ligt dus in Zijn macht ons een uitweg en bevrijding te geven, zelfs wanneer wij al tot aan de kaken en tanden van de dood zijn gebracht, tot aan de rand van die draaikolk, het graf. In deze opvatting is exitus mortis, de uitkomst tegen de dood, een liberatio a morte: een verlossing van de dood. Dit is de meest voor de hand liggende en gewone opvatting van de woorden, en onze vertaling kiest haar ook: de uitkomsten tegen de dood.
Ten tweede de steunberen die dit gebouw omvatten en vastzetten. Dat Hij Die onze God is, de God van het heil is, wordt hier zo overeind gehouden: “Bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.” Dat wil zeggen: Hij beschikt over de manier waarop wij sterven. Hij bepaalt wat voor uitgang en overgang wij uit deze wereld zullen hebben. Die kan voorbereid zijn of plotseling, gewelddadig of natuurlijk, met helder bewustzijn of in de war door ziekte. Uit die manier valt geen enkele veroordeling af te leiden en over de gestorvene valt daardoor geen oordeel te vellen.
Want hoe zij ook sterven, kostbaar is in Zijn ogen de dood van Zijn heiligen. Bij Hem zijn de uitkomsten tegen de dood: de wegen van ons heengaan uit dit leven liggen in Zijn handen. In deze zin is exitus mortis een liberatio in morte: een verlossing in de dood. God redt ons dan niet van het sterven zelf, maar Hij zorgt voor ons op het uur van onze dood, hoe onze doorgang ook verloopt. Ook deze opvatting past goed in het raamwerk en de samenhang van de tekst, en zegt veel.
Ten laatste de verbinding en knoopwerking van dit gebouw. Dat Hij Die onze God is, de God van alle heil is, berust hierop: bij deze God, de Heere, zijn de uitkomsten tegen de dood. Deze God, de Heere, heeft beide naturen in Zich verenigd en verknoopt. Hij is God, en Hij kwam ook in ons vlees in deze wereld. Daarom kon Hij ons niet anders redden dan door te sterven. Een andere uitweg uit deze wereld had Hij niet, en ook geen andere weg terug naar Zijn vroegere heerlijkheid. In deze zin is exitus mortis een liberatio per mortem: een verlossing door de dood, namelijk door de dood van deze God, onze Heere, Christus Jezus. Zo vatte de heilige Augustinus de woorden op, samen met de vele grote mannen die hem volgden.
Aan de hand van deze drie lijnen zullen we de woorden overdenken. Eerst zien we hoe God als de God van de macht, de almachtige Vader, Zijn dienaren uit de kaken van de dood redt. Daarna zien we hoe Hij als de God van de barmhartigheid, de roemrijke Zoon, ons redt doordat Hij de uitweg door de dood zelf op Zich neemt. En tussen die twee in zien we hoe Hij als de God van de troost, de Heilige Geest, ons redt van alle troosteloosheid, doordat Hij ons vooraf Zijn gezegende indrukken schenkt. Zo wordt, welke dood ons ook is toebedeeld, deze exitus mortis toch een introitus in vitam: onze uitgang in de dood wordt een ingang in het eeuwige leven.
Deze drie overwegingen — onze verlossing a morte, in morte en per mortem (van de dood, in de dood en door de dood) — vormen samen het fundament, de steunberen en de verbinding van ons gebouw. Want Hij Die onze God is, is de God van het heil, omdat bij deze God, de Heere, de uitkomsten tegen de dood zijn. — John Donne.
Vers 21
“Uitkomsten tegen den dood.” Dat betekent: de uitkomst, of het ontkomen, uit de dood. Het geldt voor de opstanding, maar ook voor de velerlei gevaren van ons huidige leven. — Thomas Le Blanc.
Vers 21
“Uitkomsten tegen den dood.” De Engelse vertaling is met het Hebreeuws niet vol te houden. De lamed betekent namelijk nooit “van”. Daarom moet de uitdrukking, zoals dr. Hammond opmerkt, slaan op de verschillende plagen en oordelen die God over onboetvaardige vijanden brengt. Denk aan verdrinken in de zee of doden door het zwaard. Op die manieren strafte en verdelgde God de Egyptenaren en de Kanaänieten. Zo zijn de twee delen van het vers elkaars tegenstelling. Het eerste spreekt over God als Redder, het tweede over God als Bestraffer. En in dat opzicht sluit dit vers aan bij het vorige. — George Phillips, in “The Psalms… with a Critical, Exegetical, and Philological Commentary,” 1846.
Vers 22
“Den harigen schedel.” Hiermee worden zelfs de meest gevreesde vijanden bedoeld. Met hun afschuwelijke gezicht, door het lange haar nog lelijker gemaakt, joegen zij de mensen die naar hen keken schrik aan. — Edward Leigh.
Vers 22
“Den harigen schedel.” Sommige oude bewoners van Arabië hadden de gewoonte om hun haar boven op het hoofd ruim te laten groeien en de rest van het hoofd kaal te scheren. — Francis Hare, 1740.
Vers 23
“Ik zal wederbrengen uit Basan.” Hier wordt de vijand bedoeld, en niet zoals veel uitleggers invullen: “mijn volk”. Dat blijkt zowel uit het vers hiervoor als uit het vers hierna. Basan lag ten oosten van Judea en de zee ten westen. De betekenis is dus dat God Zijn vijanden van alle kanten zou aanvoeren, zodat Zijn volk hen kon verslaan. — Benjamin Boothroyd.
Vers 24
“Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer honden, moogt steken in het bloed van de vijanden”, enzovoort. Het bloed van Uw vijanden wordt in zulke hoeveelheden vergoten dat Uw honden het zullen oplikken en drinken. Dat bloed wordt de zee waar U doorheen trekt, en dan letterlijk rood, zonder beeldspraak. In dezelfde mate zullen de vijanden van Christus en van de christenen worden verdelgd in het tijdperk van de Messias. — Henry Hammond.
Verzen 27-29
Dit lied werd waarschijnlijk gezongen toen de ark naar de stad van David werd overgebracht (Numeri 10). Toen kreeg de ark rust. De stammen kwamen driemaal per jaar samen in Jeruzalem, de plaats die God had uitgekozen. Deze tekst geeft een levendig beeld van hun eredienst.
- Enkele opmerkingen ter uitleg van het gedeelte.
(a) Israël had gewoonlijk elke sabbat zijn kleinere samenkomsten en driemaal per jaar de landelijke feesten. Bij al die gelegenheden ging het erom God te loven.
(b) Dit werk moest door heel Israël worden gedaan, vanaf de bron en door alle stromen heen. God had Israël gezegend, dus liet Israël God zegenen.
(c) Alle stammen worden verondersteld aanwezig te zijn. Vier ervan worden genoemd namens het geheel, omdat zij aan de grenzen van het land woonden. Hun eenheid gaf grote vreugde. Door burgeroorlogen waren zij verdeeld geweest, maar nu waren zij samen.
(d) Elk van de genoemde stammen had zijn eigen bijzonderheid. Het kleine Benjamin (zie Richteren 21) was bijna een stam geweest die in Israël ontbrak, maar komt nu met zijn leider. Juda had oorlog gevoerd met Benjamin. Saul was een Benjaminiet en David kwam uit Juda. Toch lieten zij gelukkig hun afkeer van elkaar los in de aanbidding van God. Zebulon en Nafthali waren verre stammen, maar ze waren er! Donker was hun land ook, maar ze waren er.
(e) De vorsten en het volk waren allen samen.
(f) Men dacht dat zij sterk waren, maar zij werden eraan herinnerd dat hun kracht door God was bevolen. Hun eenheid en voorspoed kwamen van God. Dat gold ook voor de mate van gerechtigheid onder hen, die de natie verhief. Zij waren niet zo sterk dat zij geen nieuwe kracht nodig hadden. Daarom wordt hun gezegd te bidden en niet alleen te loven: “Sterk, o God, wat Gij aan ons gewrocht hebt.”
- Pas het onderwerp toe. Twee dingen worden hier voorgeleefd: ijver en broederlijke eensgezindheid. En drie dingen worden aanbevolen: gezamenlijke lofprijzing, gezamenlijke erkenning dat we aan God te danken hebben wat we zijn, en gezamenlijk gebed om barmhartigheid voor de toekomst. Elk van deze dingen geeft ons een richtlijn.
(a) Bij de aanbidding van God hoort ijver. Kijk naar de vorsten van Zebulon en Nafthali. Zij moesten driemaal per jaar ongeveer tweehonderd mijl heen en weer reizen. Dat is twaalfhonderd mijl in een jaar, vierentwintig per week. Wie de aanbidding van God verzuimt om kleine moeilijkheden, laat zien dat zijn hart er niet bij is. En als zulke mensen er toch komen, hoeven zij geen zegen te verwachten: “gij zoudt het kunnen wegblazen.” Wie met zijn hart meedoet, haalt er vaak groot voordeel uit. God zegende de Israëlieten op hun reis, net zozeer als wanneer zij er al waren (Ps. 84:7): “ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.” Zo gaat het ook de christenen. Er is een bijzondere belofte voor wie Hem vroeg zoeken.
(b) Bij de aanbidding van God hoort broederlijke liefde. Alle stammen moesten samen optrekken. Het is een vriendelijke wet die gezamenlijke aanbidding voorschrijft. We hebben elkaar nodig om elkaar aan te sporen. “Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.” God heeft ons zo gemaakt dat we sterk door elkaar worden beïnvloed, ten goede en ten kwade. Het is dus erg belangrijk dat we zo’n geest kweken. Daarom moeten we in ons gewone omgaan met elkaar liefdevol blijven: verdragen, verschonen en vergeven. En welke verschillen we ook hebben, we mogen ze onze aanbidding niet laten hinderen. De stammen hadden, zoals we zagen, hun verschillen, en toch waren ze er. Toen heel Israël in Hebron bijeenkwam om David tot koning te zalven, wat hadden we dan gezegd van mensen die wegbleven omdat anderen wél gingen?
(c) Als we samenkomen, is het onze taak God te zegenen in onze gemeenten. En dat is mooi werk. Israël had redenen om dat te doen, goede redenen, en christenen hebben er nog meer. Dank Hem voor Zijn onuitsprekelijke gave. Zegen Hem voor de middelen van genade en voor de hoop op de heerlijkheid. Zegen Hem, Die “al uw krankheden geneest”, enzovoort (Psalm 103). Dit werk maakt ons klaar voor de hemel. Men dacht dat de tranen van een treurende in Gods huis Zijn altaar ontheiligden. We mogen treuren over onze zonde. Maar een knorrige geest, ontevreden en ondankbaar, ontheiligt Gods altaar nog altijd.
(d) Een ander deel van ons werk is dat we samen erkennen dat we alles wat we zijn alleen aan God danken: “Uw God heeft uw sterkte geboden.” Elk van ons heeft een zekere mate van kracht, en samen ook. Ben jij sterk in geloof, in hoop, in ijver? In Hem ben je sterk. Zijn we sterk als gemeenschap? Het is God Die ons laat toenemen met mensen als een kudde schapen. Hij houdt ons in eenheid en geeft ons voorspoed, enzovoort.
(e) Een ander deel van ons werk moet zijn dat we samen bidden om barmhartigheid voor de toekomst. We zijn niet zo sterk, als enkeling of als gemeenschap, dat er geen ruimte meer is om te groeien. En juist daar is het gebed voor bedoeld. God heeft een groot werk voor ons gedaan in de wedergeboorte. Ook als gemeente heeft Hij veel voor ons gedaan: Hij gaf ons groei, aanzien en ruimte op aarde. Bid dat elk van die dingen mag toenemen. Of, in de woorden van de tekst: “Sterk, o God, wat Gij aan ons gewrocht hebt.” Zijn er soms mensen die van dit alles niets weten? — Andrew Fuller.
Vers 28
“Benjamin … Juda … Zebulon … Nafthali.” Dat zijn twee koninklijke stammen: 1. Benjamin, waaruit de eerste koning voortkwam, en 2. Juda, waaruit de tweede kwam. En daarnaast twee geleerde stammen, Zebulon en Nafthali. We mogen hierbij opmerken dat het koninkrijk van de Messias uiteindelijk door alle machthebbers en geleerde mannen van de wereld zal worden erkend. — Henry Hammond.
Vers 28
“Benjamin … Juda … Zebulon … Nafthali.” Dezelfde stammen staan ook in het Nieuwe Testament vooraan, in de strijd van de gemeente tegen de wereld. Paulus, de “minste” van de apostelen (1 Kor. 15:8-10), was van oorsprong Saulus uit Benjamin (Filipp. 3:5). Christus, “de Leeuw, Die uit den stam van Juda”, en de broers Jakobus en Johannes, de andere Jakobus, Thaddeüs en Simon kwamen uit Juda. De overige apostelen kwamen uit Nafthali en Zebulon, oftewel Galilea (Matth. 4:13). — A. R. Fausset.
Vers 28
“Die over hen heerste.” Dat is de vorst van die stam. De Griekse vertaling zegt: “in een vervoering”. Daarbij ziet zij het Hebreeuwse rodem aan voor een vorm van radam, hoewel het woord elders niet in deze vorm voorkomt. Toch komen zeldzame woorden die maar één keer gebruikt worden soms in deze en andere psalmen voor. Wanneer we deze dingen toepassen op de tijd van Christus en daarna, worden ze zeer verborgen en diepzinnig. Benjamin, de kleinste, wordt hier als eerste genoemd. Zo is in het hemelse Jeruzalem de eerste fundamentsteen een jaspis (Openb. 21:19).
Dat was de laatste kostbare steen op de borstplaat van Aäron, waarin de naam van Benjamin gegraveerd stond (Ex. 28:10,20-21). In deze stam blonk Paulus uit als vorst van God, hoewel hij een van de minste apostelen was (1 Kor. 15:8-10). Hij werd bekeerd in een vervoering of extase (Hand. 9:3-4, enzovoort). En in extase zagen hij en andere apostelen de verborgenheden van het koninkrijk van Christus. — Henry Ainsworth.
Vers 28
“Hun vergadering”, of: “hun steen”. Dat is de Messias, Die uit Juda is voortgekomen, Gen. 49:24; Ps. 118:22. — John Gill.
Verzen 28-29
Hier zijn alle twaalf stammen van Israël met hun leiders aanwezig. Ze begeleiden de ark van God naar de heuvel waar het Hem behaagt te wonen. Niet alle stammen worden genoemd, maar de genoemde vertegenwoordigen het geheel. Zebulon en Nafthali woonden namelijk het verst weg van Sion, en Juda en Benjamin het dichtstbij. Benjamin was een uitgedunde familie, doordat die stam zo sterk ontvolkt was geraakt. Daar is hij nooit helemaal van hersteld. Richt. 20:43-48; 1 Kron. 12:29. — Edward Garrard Marsh, in “The Book of Psalms translated into English Verse… with Practical and Explanatory Notes,” 1832.
Vers 29
“Uw God heeft uw sterkte geboden.” Deze aansporende woorden passen bijzonder goed bij de gelegenheid waarvoor het lied gedicht werd. De ark van God was een aantal jaren in particuliere huizen bewaard. David had een tent opgezet om haar te ontvangen en wilde later een betere schrijn bouwen. Hij zou de ark in het tijdelijke heiligdom plaatsen. Daarom verzamelt hij dertigduizend uitgelezen mannen van Israël. Samen met hen en met een grote menigte uit het volk gaat hij naar het huis waar de ark stond. Het volk kan zorgen voor de gezangen; zo lezen we: “En David en het ganse huis Israels speelden voor het aangezicht des HEEREN, met allerlei snarenspel van dennenhout, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, ook met schellen, en met cimbalen” (2 Sam. 6:5).
De dood van Uzza hield het terugbrengen van de ark drie maanden op. Maar David pakte het werk weer op, en met vreugde, met brandoffers en dankoffers, met een feestmaal, dans en bazuingeschal bracht hij de ark van de Heere naar binnen. Hij zette haar op haar plaats in de tabernakel die hij ervoor had opgeslagen.
David kan een heilige plaats bereiden voor de ark van zijn God, en zijn “God heeft zijn sterkte geboden.” Dertigduizend uitgelezen mannen kunnen er die dag bij zijn, en daarnaast nog een menigte. Waarom zouden zij dan thuisblijven? De gelegenheid is hun aanwezigheid waard, en hun “God heeft hun sterkte geboden.” Er zijn liefelijke zangers en bekwame spelers in Israël. Waarom zouden zij zwijgen? De gelegenheid vraagt om lofprijzing, en hun “God heeft hun sterkte geboden.” Er is vee op de duizend heuvels van Kanaän. Zou er dan geen offer worden gebracht? De gelegenheid vraagt om offers, en Israëls “God heeft hun sterkte geboden.” In Kanaän ligt een berg, mooi gelegen en rijk aan historische herinneringen.
Gods ark kan naar die berg worden gebracht, en als het kan, moet het ook, want Israëls God heeft Israëls sterkte geboden. Er zijn twaalf stammen in Israël die zich kunnen verenigen om Gods ark naar boven te brengen. Laat dan niemand achterblijven, want hun “God heeft hun sterkte geboden.”
Jouw sterkte is het beste wat je hebt: alles wat in je is, alles wat je kunt doen, zijn en worden, en alles wat je bezit. Dat kunnen de twee penningen zijn, als dat alles is wat je hebt, of de albasten kruik met zeer kostbare nardus, als dat jouw bezit is… Om wie God in Zichzelf is, om wat God voor ons is, om de wet op het hart, de wet in woord en schrift, het nieuwe koninkrijk van Zijn liefde en al Zijn weldaden, gebiedt jouw God jouw sterkte. Hij spreekt vanaf het begin en vanaf het einde der tijden, uit het midden van de chaos en uit de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, uit Bethel en uit Gethsemane, van Sinaï en van Golgota.
En Hij zegt tot ons allen: “Mijn zoon! geef mij uw hart.” Wijd Mij het beste wat je hebt en besteed je sterkte aan Mij. — Samuel Martin.
Vers 31
“Scheld het wild gedierte des riets.” Zo staat het in onze kanttekening, en die lezing is de juiste. De meeste nieuwere uitleggers denken hier aan de leeuw, want die maakt zijn hol vaak tussen het riet of in het struikgewas. Er zwerven ontelbare leeuwen rond in het riet en de bosjes langs de oevers van de rivieren in Mesopotamië. Ook de Jordaan zat er vol mee (Jer. 4:7; 49:19). Daarom kunnen de wilde dieren van het riet een beeld zijn van de Syrische koningen, die vaak met David overhoop lagen. — Benjamin Boothroyd.
Vers 31
De afgodische koning van Egypte wordt hier in raadselvorm afgeschilderd. Hij woont, net als de krokodil, tussen het riet van de Nijl. Samen met hem treden de stieren en kalveren op, de goden van het Egyptische volk, voor wie ze in hun bijgelovige feestvreugde steeds maar dansten. “Houd deze spot met Uw majesteit in toom. Werp niet alleen het bijgeloof van Egypte omver, maar ook al hun krijgsgepronk, zodat de heidenen zich tot U bekeren en de afgoden helemaal verdwijnen.” — Edward Garrard Marsh.
Vers 31
Als de vijanden van God tegen Zijn gemeente opstaan, is het voor de gemeente tijd om zich voor God neer te buigen en Hem om hulp tegen die vijanden te smeken. Heilige gebeden zijn sterker dan goddeloze zwaarden. — Thomas Wall, in “A Comment on the Times”, 1657.
Vers 31
In deze woorden zit eerst een beschrijving van Gods vijanden en daarna een vervloeking over die vijanden. De vijanden staan in vier rijen opgesteld.
- Een bende speermannen, of (zoals sommige vertalingen het zeggen) het wilde dier van het riet.
- De menigte van de stieren.
- De kalveren van de volken.
- De mensen die plezier hebben in oorlog.
Ook de vervloeking heeft twee kanten. De eerste is milder: het is alleen maar “scheld het wild gedierte des riets” (Engels: “scheld de speermannen”), en zelfs dat met een beperking, namelijk totdat zij zich met stukken zilver onderwerpen. Wie dat niet wil en plezier houdt in oorlog, wordt harder aangepakt: “Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen” (Engels: “verstrooi hen, verstrooi de volken die lust hebben in oorlog”). De gemeente van God heeft nooit zonder vijanden gezeten en zal dat ook nooit. “De goddelozen”, zegt mijn God, “hebben geen vrede.” Maar de goddelozen zeggen: er komt geen vrede voor de vromen. De goddelozen krijgen nooit de vrede die God kan geven. De vromen verliezen nooit de vrede die de goddelozen niet kunnen afnemen. — Thomas Wall.
Vers 31
Vier vijanden van de gemeente:
- Overdreven angstvalligheid.
- Jaloezie.
- Onwetendheid.
- Eerzucht of hoogmoed.
Deze vier dieren uit de tekst laten hun vijandschap tegen de gemeente op die manier zien. Angstvalligheid is voor ons het wilde dier van het riet, jaloezie zijn de stieren, onwetendheid de kalveren en hoogmoed de mensen die plezier hebben in oorlog. — Thomas Wall.
Deze proeve van overdreven vergeestelijking dient meer als waarschuwing dan als voorbeeld om na te volgen. De schrijver was een knap theoloog, maar in deze preek laat hij zijn fantasie meer de vrije loop dan zijn gezonde verstand.
Vers 32
Morenland. De geleerde lezer weet het: in onze Engelse vertaling van het Oude Testament staan de namen Ethiopië en “Ethiopiërs” vaak op plaatsen waar het Hebreeuws de eigennaam “Kus” heeft laten staan. En de naam “Kus” hoort in de Schrift altijd thuis in het Ethiopië van Azië, dat wil zeggen Arabië, en nooit in het Afrikaanse. — Charles Forster, in “The Historical Geography of Arabia”.
Vers 34
“Een stem der sterkte.” Dat is: een stem van kracht, sterk en krachtig, zoals het evangelie is wanneer de kracht en de Geest van God erbij zijn. Het is een stem die de ziel door elkaar schudt en wakker maakt. Ze doet het hart smelten en breken. Ze maakt levend en brengt licht. Dode zondaars krijgen door haar nieuw leven, en zodra ze binnenkomt, wordt het licht in duistere gemoederen. Ze trekt de ziel aan en lokt haar naar Christus, bindt het hart aan Hem en vervult het met onbeschrijfelijke blijdschap en vreugde. — John Gill.
Vers 34
“Dien, Die daar rijdt in den hemel der hemelen.” Hij regeert de hemelen en bepaalt hun loop en hun invloed. Hij vormde elke hemelbol, gaf hem zijn beweging en stemde zijn massa af op de baan waarin hij zou draaien en op de andere hemellichamen van hetzelfde stelsel. Zoals een bekwame ruiter zijn paard leidt, zo leidt God de zon, de maan, de planeten en het hele leger van de hemel. — W. Greenfield, in “Comprehensive Bible”.
Vers 34
De lofzangen van de gemeente klinken voor Hem Die, na Zijn lijden hier beneden, weer opvoer om Zijn oude troon in bezit te nemen, ver boven alle hemelen. Van daar spreekt Hij tot de wereld door Zijn heerlijke evangelie, machtig en krachtig als de donder in wat het teweegbrengt in de harten van mensen (zie heel Psalm 29). Hoe sterk de stem van Christus was toen Hij op aarde was, zagen we aan wat er gebeurde als Hij zei: “Jongeling, Ik zeg u, sta op!”, “Lazarus, kom uit!” en “Zwijg, wees stil!” Dat zal nog duidelijker worden wanneer “allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; en zullen uitgaan.” — George Horne.
Vers 35
“Zijn sterkte in de bovenste wolken.” Hier gaat het om donder en bliksem. Alle volken hebben namelijk gezien dat het elektrische vuur een niet te stuiten kracht is. Het neemt levens weg, scheurt torens en kastelen aan stukken, splijt de sterkste eiken en klooft de hardste rotsen. De meest verlichte volken hebben het daarom terecht gezien als een bijzondere openbaring van Gods macht en soevereiniteit. — W. Greenfield, in “Comprehensive Bible”.
Wenken voor de dorpsprediker
Verzen 2-3
Ten eerste. De gemeente van God heeft altijd vijanden en haters gehad en zal ze houden. Daarom wapent de psalmdichter zichzelf en de gemeente met dit gebed tegen hen.
Ten tweede. De vijanden van de gemeente zijn vijanden van God. Wie de gemeente haat, haat God. “Zijn vijanden … en Zijn haters.”
Ten derde. God lijkt soms te slapen of stil te liggen, en deze vijanden en haters een tijdlang hun gang te laten gaan. Dat zit ook in het gebed: Hij tot Wie wij zeggen “Sta op”, slaapt blijkbaar of ligt stil.
Ten vierde. Er komt een tijd dat God opstaat.
Ten vijfde. Wanneer God opstaat, worden Zijn vijanden verstrooid. Dan slaan Zijn haters op de vlucht.
Ten zesde. Het is de plicht van Gods volk om Hem wakker te bidden wanneer Hij neergelegen lijkt, en om Hem te verheffen in hun lofzangen wanneer Hij opstaat om hen te helpen en te redden. Deze woorden zijn namelijk zowel een gebed als een overwinningslied, zoals Mozes en David ze beiden gebruikt hebben. — Thomas Case, in een vastenpreek voor het Lagerhuis, getiteld “God’s Rising, his Enemies’ Scattering”, 1644.
Verzen 2-4
Bidden om de wederkomst. — A. Macaul.
Vers 5
- De naam die tot zingen aanzet: Jah.
(a) Hij bestaat uit Zichzelf.
(b) Hij verandert nooit.
(c) Hij is eeuwig.
- Het lied dat die naam ingeeft.
(a) Een lied van jubel.
(b) Een lied van vertrouwen.
(c) Een lied van blijdschap. — G. R.
Vers 6
Weduwen en wezen mogen een beroep doen op de gemeente van God, omdat God zo met hen verbonden is en in de gemeente woont.
Vers 7
Gemeenten vergeleken met gezinnen. Zie het fragment van dr. Gill.
Vers 7
- Twee kwalen die te genezen zijn: “eenzamen” en “die in boeien gevangen zijn”.
- Twee rijke zegeningen: “zet in een huisgezin” en “uitvoert”.
- Eén monsterlijk kwaad, en de ellendige gevolgen daarvan.
Verzen 8-9
- God heeft Zijn eigen tijden om Zijn volk uit hun nood te redden: “Toen Gij”, enzovoort.
- Zijn redding is volledig: “Daverde de aarde”, enzovoort. Alles bezweek voor Hem.
- Door het wachten wordt de redding nog groter.
(a) Dat is ze op zichzelf al.
(b) We waarderen haar meer, zoals bij Job, Abraham, Israël bij de Rode Zee, Daniël en zijn drie vrienden, enzovoort. — G. R.
Verzen 8-10
- Gods aanwezigheid in Zijn gemeente.
(a) Hij gaat voorop: “voor”.
(b) Hij is de verbondsGod van Israël.
(c) Hij is zelf aan het werk en zet ook anderen aan het werk.
(d) Zo regeert Hij binnen de gemeente: zij volgen Hem.
(e) Zo is Zijn plan naar buiten toe: Hij trekt ten strijde.
- De gezegende gevolgen.
(a) Zelfs de meest onbewogen mensen gaan beven.
(b) De hoogmoedigen buigen zich.
(c) Moeilijkheden worden uit de weg geruimd: “Sinai”.
(d) Er is zegen in overvloed.
(e) De gemeente leeft weer op.
Vers 10
- Gods barmhartigheid vergeleken met een regenbui.
(a) Ze komt rechtstreeks uit de hemel en niet via priesters.
(b) Ze is zuiver en onvermengd.
(c) Niemand heeft het alleenrecht erop.
(d) Niets kan haar vervangen.
(e) God deelt haar uit zoals Hij Zelf wil, wat betreft (1) het tijdstip; (2) de plaats; (3) de manier; en (4) de hoeveelheid.
(f) Ze doet haar werk krachtig. Jes. 55:10.
(g) Door te bidden kunnen we haar ontvangen.
- Er zijn momenten waarop deze buien vallen.
(a) In het huis van God.
(b) In de genademiddelen.
(c) In het gebed.
(d) In tijden van aanvechting.
(e) Wanneer heiligen moe zijn (1) van hun werk; (2) van ziekte; (3) omdat het niet lukt.
(f) Door de Heilige Geest, Die het hart verkwikt.
- Deze buien zijn bedoeld om Gods erfenis te sterken: “Gij hebt Uw erfenis gesterkt.”
- We hebben ze nu hard nodig.
Vers 10
- De gemeente is het erfdeel van God.
(a) Door Hem uitgekozen.
(b) Door Hem gekocht.
(c) Door Hem verworven.
- Ook al is ze Zijn erfdeel, soms kan ze moe zijn.
- Is ze moe, dan zal Hij haar nieuwe kracht geven. — G. R.
Vers 11 (tweede zinsdeel)
Bijzondere goedheid, voor een bijzonder volk, dat bijzonder is toegerust.
Vers 11 (tweede zinsdeel)
Dit wordt over de arme gezegd, omdat 1. de armen het grootste deel van de mensheid vormen. En wat de hoogmoed ook mag denken: voor het verstand, de politiek en de openbaring zijn zij verreweg het belangrijkste, nuttigste en onmisbaarste deel.
- Zij zouden het zwaarst getroffen worden door gebrek.
- Mensen met een eenvoudig en moeilijk leven worden zo aangemoedigd om op Hem te leunen.
- Door Gods voorbeeld worden wij gedwongen om oog voor hen te hebben. — W. Jay.
Vers 12
Het evangelie is goddelijk, en er zijn allerlei wegen en werktuigen om het te verkondigen.
Verzen 12-13
- Het woord wordt gegeven: “De HEERE gaf te spreken”, enzovoort.
- Het woord wordt bekendgemaakt: “Der boodschappers van goede tijdingen”, enzovoort.
- Het woord wordt gehoorzaamd: “De koningen der heirscharen”, enzovoort. Zo ging het in de tijd van het Oude Testament, toen de Heere het woord gaf aan Jozua, aan Gideon, aan David en anderen, en het door de legers ging en “koningen der heirscharen” enzovoort. Zo ging het in de tijd van de apostelen, toen het woord van de verzoening werd gegeven. Zo is het nog steeds, en het zal in de toekomst nog opvallender zijn dan ooit. — G. R.
Vers 13 (laatste zinsdeel)
De gemeente in de verlossing als een bruid die thuis blijft: haar taken in huis, de buit van het heerlijke, voltooide werk van haar Heere, en hoe zij die buit verdeelt.
Vers 14
- De tegenstelling.
(a) Verhoging in plaats van vernedering.
(b) Reinheid in plaats van vuil.
(c) Bedrijvigheid in plaats van stilzitten.
(d) Schoonheid in plaats van lelijkheid.
- Hoe we dit toepassen.
(a) Op berouw en vergeving.
(b) Op verdorvenheid en wedergeboorte.
(c) Op aanvechting en herstel.
(d) Op verlatenheid en troost.
(e) Op sterven en heerlijkheid. — G. R.
Vers 15
- Waar de grootste veldslagen van de aarde worden uitgevochten. “Verstrooide”, “daarin”, dat wil zeggen in Sion. “Aldaar heeft Hij verbroken”, enzovoort.
- Door wie? Door de Almachtige.
- Wanneer? Als antwoord op het geloof en het gebed van Zijn volk.
- Hoe?
(a) Zonder lawaai, zachtjes, zoals sneeuw valt.
(b) Zonder hulp van mensen, als ongerepte sneeuw.
(c) Zonder geweld: “Zonder bloed lag de ongerepte sneeuw.” — G. R.
Verzen 16-17
- Sion is mooier dan elke andere berg.
(a) In vruchtbaarheid overtreft Sion de berg Basan, en ook alle aardse genoegens.
(b) In heerlijkheid overtreft Sion alle andere bergen, en ook de menselijke hoogten van geleerdheid en macht.
- Waarom dat zo is.
(a) Het is de plaats die God koos.
(b) Het is de plaats van Zijn welbehagen.
(c) Het is de plaats van Zijn woning.
(d) Het is de plaats waar Hij voor eeuwig blijft. — G. R.
Vers 17
- De gemeente is de woonplaats van God.
(a) Al heel lang door Hem uitgekozen.
(b) Voor altijd door Hem begunstigd.
(c) Ze biedt rust, enzovoort, als thuis voor God.
(d) Ze ontvangt eer, enzovoort, voor zichzelf.
- Daarom wordt de gemeente door anderen benijd.
(a) Ze zien dat hun eigen grootheid wordt overtroffen.
(b) Ze springen op van woede.
(c) Daarmee hebben ze geen gelijk.
Verzen 18-19
- Sion en Sinaï naast elkaar gelegd.
(a) Dezelfde Heere is er: “De Heere is onder hen”, enzovoort.
(b) Dezelfde gevolgen: “Gods wagenen”, enzovoort.
- Het verschil.
(a) God kwam neer op Sinaï, maar voer op vanuit de buurt van Sion.
(b) Bij Sinaï legde Hij hun een juk op, bij Sion voert Hij de gevangenen als buit mee.
(c) Bij Sinaï eiste Hij gehoorzaamheid, in Sion deelt Hij gaven uit.
(d) Op Sinaï sprak Hij met schrik, in Sion ontvangt Hij gaven voor de weerspannigen.
(e) Op Sinaï liet Hij Zich maar kort zien, in Sion woont Hij voor eeuwig. — G. R.
Vers 19
- De hemelvaart van Christus.
- Zijn overwinningen.
- De gaven die Hij voor de mensen ontving.
- Het grote doel waarvoor Hij ze uitdeelt. — John Newton.
Vers 19
“Ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!” Het is reden tot verwondering dat God onder mensen wil wonen, als we denken aan Zijn onmetelijkheid, verhevenheid, onafhankelijkheid, heiligheid en soevereiniteit. Toch doet Hij het.
- In de komst van Christus in de wereld.
- In de inwoning van Zijn Geest in het hart.
- In de aanwezigheid van God in Zijn gemeenten.
— William Staughton, D.D., 1770-1829.
Vers 20
- De last van de weldaden.
- De last van de verplichting.
- De last van de lof die we Hem schuldig zijn.
Vers 20
- We mogen onze redding niet vergeten midden in al die dagelijkse barmhartigheid.
- We mogen de dagelijkse barmhartigheid niet vergeten terwijl we genieten van onze redding. — G. R.
Vers 21
De dood in Gods hand.
- Hoe we eraan ontkomen.
- Hoe we erin terechtkomen.
- De uitgang daarachter, verderop.
- De poort die ons voor eeuwig opsluit als ze dicht is.
Vers 21
- Wat God voor Zijn volk is geweest.
(a) Hun redding.
(b) Hun deel: “Onze God.”
- Wat Hij zal zijn: bij hen.
(a) Tot aan de dood.
(b) In de dood.
(c) Na de dood. — G. R.
Vers 22
De macht, de hoogmoed, de sluwheid en het eigenlijke leven van het kwaad, die God zal overwinnen.
Vers 23
- Waarheen Zijn volk gejaagd kan worden.
- De zekerheid dat zij terugkeren.
- De redenen waarom we daar zeker van mogen zijn.
Vers 25
De toegestane optocht in het heiligdom. De geordende leer, de heilige wandel van de gelovigen, de vrolijke banieren, de muziek van de eredienst en het gejuich voor de Koning.
Vers 26 (laatste zinsdeel)
Werk voor heilige vrouwen in de gemeente.
Vers 28
- De verscheidenheid in het zingen.
(a) De koninklijke stam Benjamin in de tijd van Saul.
(b) De vorstelijke stam Juda, omdat David in de tijd van Saul al een prins en regent was.
(c) De stam Zebulon met zijn schrijvers: “Uit Zebulon” komen zij die de schrijfstaf van de schrijver hanteren.
(d) De stam die goed kon spreken: “Nafthali … hij geeft schone woorden.”
- De eenstemmigheid in het zingen. Laat iedereen samen de Heere loven, de springader van Israël. “Tienduizend maal tienduizend zijn hun tongen”, enzovoort. — G. R.
Verzen 31-32
- Wat de voortgang van de goddelijke waarheid belemmert.
(a) Afgoderij. Het aanbidden van de krokodil (dieren van het riet, volgens de Septuaginta), van stieren en kalveren, zoals in Egypte.
(b) Geldzucht.
(c) Oorlog.
- Hoe ze weggehaald worden. Door gebed en door Gods bestraffing. “Hij heeft de volken verstrooid”, enzovoort.
- Wat er gebeurt als ze weg zijn: Ps. 68:32.
Vers 36
- Bedenk hoe fel God over Zijn heiligheid waakt bij Zijn volk, in de drie “heiligdommen”.
(a) In het buitenste voorhof van onze belijdenis.
(b) In het heilige van ons priesterschap.
(c) In het heilige der heiligen, samen met Zijn Zoon.
- Bedenk hoe vreselijk Hij is voor Zijn vijanden, zoals we uit die “heiligdommen” kunnen afleiden.
Vers 36
“Geloofd zij God.” Een korte tekst, maar een die ontzettend veel zegt.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas