Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 20 — Treasury of David

Onderwerp
Dit is een volkslied. Het is geschreven om te zingen als er oorlog uitbrak en de koning zijn zwaard omgordde voor de strijd. Had David nooit onder oorlogen te lijden gehad, dan hadden we misschien nooit zulke psalmen gekregen. Het is goed dat de ene gelovige door zware tijden gaat. Er is soms een noodzaak voor, zodat hij anderen kan troosten. Hier pleit een gelukkig volk voor een geliefde koning, en met liefdevolle harten roept het tot Jehova: “God behoede de koning.”
Dat dit lied bedoeld was om openbaar te zingen, merken we aan de inhoud én aan de opdracht “Voor den opperzangmeester”. Het korte opschrift “Een psalm van David” vertelt ons dat Israëls lieflijke zanger de dichter was. Naar de gelegenheid waarbij hij het schreef, heeft het geen zin te gissen, want Israël lag in Davids dagen bijna voortdurend in oorlog. Zijn zwaard was misschien gekerfd, maar het is nooit verroest. Kimchi leest het opschrift als “aangaande David” of “voor David”. Het is duidelijk dat de koning zowel het onderwerp als de dichter van dit lied is: het gaat over hem, en hij schreef het.
Even nadenken is genoeg om te zien dat dit gebedslied profetisch wijst naar onze Heere Jezus. Het is het roepen van de gemeente vanouds tot haar Heere. In een visioen ziet ze Hem een zware strijd van lijden voor haar doorstaan, en daarom bidt ze zo vurig voor Hem. Het strijdende volk van God, met de grote Leidsman van onze zaligheid voorop, kan nog altijd ernstig bidden dat het welbehagen van de Heere in Zijn hand gelukt. In onze korte uitleg houden we deze lezing van de psalm vast, al kunnen we onze opmerkingen er niet helemaal toe beperken.
Indeling
Vers 2 tot en met 5 vormen een gebed om succes voor de koning. In vers 6, 7 en 8 klinkt een onwankelbaar vertrouwen op God en op Zijn Gezalfde. Vers 9 kondigt de nederlaag van de vijand aan, en vers 10 sluit af met een laatste beroep op Jehova.
Uitleg
Vers 2
“De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid.” Elke trouwe onderdaan bidt voor zijn koning. De burgers van Sion hebben dan ook alle reden om te bidden voor de Vorst des Vredes. In tijden van strijd bidden liefhebbende onderdanen nog dringender, en zo kon de gemeente in het lijden van onze Heere niet anders dan ernstig bidden. Alle dagen van de Zaligmaker waren dagen van benauwdheid, en Hij maakte er ook dagen van gebed van. De gemeente voegt haar voorbede bij die van haar Heere. Ze pleit er bij God op dat Hij verhoord wordt in Zijn roepen en in Zijn tranen.
De doodsangst in de hof was een bijzonder donker uur, maar Hij werd verhoord in Zijn angst. Hij wist dat Zijn Vader Hem altijd hoorde. Toch kwam er in dat benauwde uur geen antwoord, totdat Hij Zich driemaal met Zijn aangezicht ter aarde had neergebogen in de hof. Toen schonk God Hem kracht op Zijn gebed, en stond Hij als Overwinnaar op uit de strijd. Ook aan het kruis bleef Zijn gebed niet onbeantwoord. In Psalm 22 zegt Hij het ons zelf: “Verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.” (Engels: Gij hebt mij verhoord) In dit vers laat de gemeente zien dat haar Heere zelf veel zou bidden. Daarin is Hij ons voorbeeld. Hij leert ons: wie voordeel wil hebben van de gebeden van anderen, moet eerst zelf voor zichzelf bidden.
Wat een genade dat we mogen bidden op de dag van benauwdheid! En wat een nog groter voorrecht dat geen benauwdheid de Heere kan beletten ons te horen. Benauwdheden bulderen als de donder, maar de stem van de gelovige klinkt boven de storm uit. O Jezus, als U in onze nood voor ons pleit, zal de HEERE Jehova U horen. Dit vertrouwen is een diepe verkwikking, en we mogen het zonder enige vrees vasthouden.
“De Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek” (Engels: beschutte u); of, zoals sommigen lezen, “zette u in een hoog vertrek”. Met “de Naam” bedoelt de dichter het geopenbaarde karakter en het Woord van God. We moeten niet “DEN ONBEKENDEN GOD” aanbidden, maar de verbondsGod van Jakob leren kennen, Die het Hem behaagd heeft Zijn naam en Zijn eigenschappen aan Zijn volk te laten zien. In een koninklijke naam kan veel liggen, of in een geleerde of eerbiedwaardige naam. Maar alles ontdekken wat in de Naam van God besloten ligt: dat is een studie waar de hemelse geleerdheid zelf mee bezig blijft.
Gods heerlijke kracht beschermde en bewaarde de Heere Jezus door de strijd van Zijn leven en sterven heen, en verhoogde Hem boven al Zijn vijanden. Zijn eigen strijd is volbracht. Maar in Zijn mystieke lichaam, de gemeente, wordt Hij nog steeds door gevaren omringd. Alleen de eeuwige arm van onze verbondsGod kan de soldaten van het kruis beschermen en hen hoog zetten, buiten het bereik van hun vijanden. De dag van benauwdheid is niet voorbij. De pleitende Zaligmaker zwijgt niet, en de Naam van de God van Israël blijft de schuilplaats van de getrouwen.
De naam “God van Jakob” zegt veel. Jakob kende zijn eigen dag van benauwdheid. Hij worstelde, werd verhoord, werd beschut en werd op Gods tijd hoog gesteld. Zijn God is nog steeds onze God, dezelfde God voor al Zijn worstelende Jakobs. Het hele vers is een passende zegenbede. Een liefdevol hart kan haar uitspreken over een kind, een vriend of een predikant die voor een beproeving staat. Ze omvat zowel aardse als geestelijke bescherming en richt onze gedachten op de bron van alle goed. Wat is het heerlijk om te geloven dat onze hemelse Vader deze zegen over ons, bevoorrechte mensen, heeft uitgesproken!
Vers 3
“Hij zende uw hulp uit het heiligdom.” Uit het heiligdom van de hemel kwam de engel om onze Heere te sterken. Toen Hij aan het kruishout hing, verkwikte Hij Zich met de dierbare herinnering aan wat God in Zijn heiligdom doet. Geen hulp is zo goed als de hulp die God zendt, en geen redding gaat boven de redding uit Zijn heiligdom.
Voor ons is het heiligdom de Persoon van onze gezegende Heere. De tempel was een afbeelding van Hem, en Hij is het ware heiligdom, dat God heeft opgericht en niet een mens. Laten wij daarom in elke nood naar het kruis vluchten en daar beschutting zoeken; hulp zal ons zeker worden geschonken. De mensen van de wereld verachten de hulp uit het heiligdom, omdat die hun niets lijkt te zeggen. Onze harten hebben echter geleerd haar hoger te waarderen dan alle aardse hulp. Zij zoeken hulp in het wapenhuis, de schatkamer of de voorraadkamer, maar wij wenden ons tot het heiligdom.
“En ondersteune u uit Sion.” De heiligen die eeuwenlang voor hun Heere hadden gebeden, konden de verguisde Lijder zeker hulp bezorgen, want een gebed dat tot God is opgezonden, gaat nooit verloren. Het mystieke lichaam van de Heere ontvangt het rijkste antwoord op de smeekbeden van Zijn heiligen, die als Zijn Sion samenkomen om God te eren.
Sommige kwakzalvers prijzen een versterkende pleister aan, maar niets geeft een heilige zoveel kracht in de lendenen als het wachten op God in de samenkomst van Zijn volk.
Dit vers is een zegenbede die goed past bij een zondagmorgen, wanneer Gods volk samenkomt. Het kan de groet zijn van een herder aan zijn gemeente, of van een gemeente aan haar predikant. God in het heiligdom van de Persoon van Zijn dierbare Zoon en in de stad van Zijn uitverkoren gemeente: dat is het juiste onderwerp voor de gebeden van Zijn volk. Zo mogen zij vol vertrouwen tot Hem opzien en uitzien naar de hulp die Hij heeft beloofd.
Vers 4
“Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot as. Sela.” Voordat koningen ten oorlog trokken, brachten zij offers en vertrouwden zij voor hun overwinning op de aanvaarding daarvan. Onze gezegende Heere bracht Zichzelf als offer. Hij was een liefelijke reuk voor de Allerhoogste. Daarna trok Hij de slagorden van de hel tegemoet en versloeg ze. Het offer dat Hij bracht, geurt nog steeds door de voorhoven van de hemel. Door Hem worden ook de offers van Zijn volk aangenomen als Zijn eigen offers en gaven.
In onze geestelijke strijd moeten we onze blik op het offer van Jezus gericht houden. We mogen de strijd nooit beginnen voordat de Heere ons bij het altaar van het kruis een gunstig teken heeft gegeven. Daar ziet het geloof zijn bloedende Heere voor zich, en daar vinden we de zekerheid dat ons werk Hem welgevallig is.
“Sela.” Het is goed om bij het kruis stil te staan voordat we verder marcheren naar de strijd, en met de psalmist “Sela” te roepen. We hebben te veel haast om vooruit te komen. Even stilstaan kan onze snelheid juist enorm vergroten. Haast kan een rem zijn. Blijf staan, goede man: er is een haast die hindert. Rust even uit, overdenk het brandoffer en breng je hart in orde voor het zware werk dat voor je ligt.
Vers 5
“Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad.” Het verlangen en het plan van Christus waren allebei gericht op de redding van Zijn volk. De gemeente van vroeger wenste Hem voorspoed in Zijn plan, en de gemeente van deze laatste dagen wenst met heel haar hart dat Zijn voornemen volledig wordt uitgevoerd. In Christus Jezus mogen geheiligde zielen dit vers als belofte voor zichzelf opeisen: zij zullen krijgen wat ze verlangen, en hun plannen om hun Meester te eren zullen slagen.
We mogen onze eigen wil volgen wanneer onze wil de wil van God is. Zo was het altijd bij onze Heere, want Zijn wil en die van Zijn Vader waren één, en toch zei Hij: “Niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.” Wat hebben wij dan een overgave nodig! Als Hij die nodig had, hoeveel te meer dan wij?
Vers 6
“Wij zullen juichen over Uw heil.” In Jezus is redding. Die redding is de Zijne, daarom heet ze “Uw heil”. Maar het is aan ons om haar te ontvangen en ons erover te verheugen. We moeten vast besluiten dat we, wat er ook gebeurt, zullen juichen over de reddende arm van de Heere Jezus. Het volk in deze psalm was al zeker van de overwinning voordat hun koning ten strijde trok, en begon daarom alvast te juichen. Hoeveel meer horen wij dat te doen, wij die de overwinning volledig hebben zien behalen!
Het ongeloof zingt de rouwzang al voordat de mens dood is. Waarom zou het geloof dan niet de fluit pakken voordat de overwinningsdans begint? Knoppen zijn mooi, en beloften die nog niet vervuld zijn, verdienen bewondering. Was er meer vreugde onder het volk van de Heere, dan zou God meer verheerlijkt worden onder de mensen. Het geluk van de onderdanen is de eer van de vorst.
“En de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods.” We steken het vaandel van de uitdaging omhoog, de vijand recht in het gezicht, en zwaaien de overwinningsvlag over de verslagen tegenstander. De een kondigt de oorlog aan in de naam van de ene koning, de ander in de naam van een andere. Maar de getrouwen trekken ten strijde in de Naam van Jezus, de Naam van de vleesgeworden God, Immanuël, God met ons. De tijden zijn slecht, maar zolang Jezus leeft en regeert in Zijn gemeente, hoeven we onze banieren niet uit angst op te rollen. We mogen ze met heilige moed vooruitdragen.
“Voor Jezus’ Naam, geducht en groot,
Slaat al wat vijand is op de vlucht;
Jezus, het Lam, zo zacht en vol van toorn,
Is in de strijd een Leeuw.”
De gemeente kan niet vergeten dat Jezus haar Voorspraak is bij de troon. Daarom vat ze de wensen die al uitgesproken zijn, nog eens samen in één korte zin: “De HEERE vervulle al uw begeerten.” Laten we nooit vergeten dat onder die gebeden ook dit uitgelezen gebed is: “Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.”
Vers 7
“Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt.” We leven en leren, en we schamen ons niet te erkennen wat we geleerd hebben. Wie denkt dat hij alles al weet, mist de vreugde van het ontdekken van nieuwe waarheid. Hij zal nooit kunnen uitroepen: “Alsnu weet ik”, want in eigen ogen is hij zo wijs dat hij alles weet wat God ooit onthult, en nog meer. Wie zich van zijn onwetendheid bewust is, mag verwachten dat hij door de Heere onderwezen wordt, en verblijdt zich bij het leren.
Ernstig gebed leidt vaak tot verzekerd vertrouwen. De gemeente bad dat de Heere Jezus in Zijn grote worsteling de overwinning zou behalen, en nu ziet ze door het geloof hoe de almachtige arm Hem redt. Ze proeft duidelijk iets zoets in de geurige titel “Gezalfde”. Ze denkt aan Hem als Degene Die vóór alle werelden was aangewezen voor Zijn grote werk, en daarna door de Geest van de Heere werd gezalfd en zo precies de bekwaamheid kreeg die daarvoor nodig was. Voor de gelovige blijft dit de mooiste troost: Jehova Zelf heeft Jezus gezalfd tot Koning en Zaligmaker, en ons schild is dus de eigen Gezalfde van de Heere.
“Hij zal Hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid; het heil Zijner rechterhand zal zijn met mogendheden.” Hier wordt vol vertrouwen gezegd dat Gods heiligheid en macht allebei de Zaligmaker in Zijn strijd te hulp zouden komen. En deze twee heerlijke eigenschappen vonden zeker passend werk in het beantwoorden van de kreten van de Lijder.
Nu Jezus verhoord is, worden ook wij verhoord. God is in de hemel, maar onze gebeden kunnen die hoogten beklimmen. Die hemelen zijn heilig, maar Jezus reinigt onze gebeden, en zo krijgen ze toegang tot Gods troon. Onze nood is groot, maar Gods arm is sterk, en al Zijn kracht is “het heil Zijner rechterhand” (Engels: reddende kracht). Bovendien zit die kracht in de hand die het meest wordt gebruikt en het eerst klaarstaat: de rechterhand. Wat een bemoediging voor pleitende heiligen!
Vers 8
Tegenstellingen brengen de waarheid vaak levendig aan het licht. Hier zet de gemeente het vertrouwen van vleselijke mensen op schepselen en dingen van deze wereld tegenover haar eigen vertrouwen op de Vorst Immanuël en de onzichtbare Jehova.
“Dezen vermelden van wagens, en die van paarden.” (Engels: vertrouwen op) Wagens en paarden zijn een indrukwekkend schouwspel om te zien. Met hun gerammel, hun stof en hun mooie dekkleden maken ze zo’n grote indruk dat de ijdele mens er helemaal door wordt ingenomen. Maar het scherpe oog van het geloof ziet meer in een onzichtbare God dan in dit alles. Het meest gevreesde oorlogstuig in Davids dagen was de strijdwagen met zeisen, die mensen maaide als gras. Daar waren de buurvolken trots op: het was hun roem en hun glorie. De heiligen vonden de Naam van Jehova een veel betere bescherming.
Israëlieten mochten geen paarden houden, dus keken zij met meer dan gewone angst naar de ruiterij van de vijand. Des te groter bewijs van geloof is het dat de stoutmoedige zanger het paard van Egypte zelfs kan verachten naast de Heere der heirscharen. Helaas, hoeveel mensen die zeggen van de Heere te zijn, leunen in onze tijd zo jammerlijk op hun medemensen, of op een arm van vlees in een of andere vorm, alsof ze de Naam van Jehova nooit hebben gekend. Jezus, U alleen bent onze rots en toevlucht. Laat ons de eenvoud van ons geloof nooit bederven door op iets anders te steunen.
“Maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.” (Engels: gedenken) “Onzes Gods” in het verbond: Hij Die ons heeft uitgekozen en Die wij hebben gekozen. Deze God is onze God. De Naam van onze God is Jehova, en die mogen we nooit vergeten: de uit Zichzelf bestaande, onafhankelijke, onveranderlijke, altijd aanwezige Ik ben, Die alles vervult. Laten we deze weergaloze Naam aanbidden en hem nooit onteren door wantrouwen of door te vertrouwen op schepselen. Lezer, u moet die Naam kennen voordat u eraan kunt denken. Moge de gezegende Geest die Naam in Zijn genade aan uw ziel openbaren!
Vers 9
Zie hoe verschillend het einde is van mensen met een verschillend vertrouwen! De vijanden van God staan eerst bovenaan, maar al snel worden ze met geweld neergehaald of storten ze vanzelf in. Hun fundament is verrot en geeft mee onder hen als het moment komt. Hun wagens verbranden in het vuur, hun paarden sterven aan de pest, en waar is hun geroemde kracht dan?
Wie op Jehova steunt, wordt bij de eerste aanval vaak neergeworpen. Maar een almachtige arm richt hem weer op, en blij staat hij weer overeind. De overwinning van Jezus is de erfenis van Zijn volk. De wereld, de dood, satan en de zonde: ze worden uiteindelijk allemaal vertrapt onder de voeten van de kampioenen van het geloof. Maar wie op een arm van vlees steunt, zal voor eeuwig beschaamd en verward staan.
Vers 10
Hier wordt de hele psalm in een paar woorden samengevat. Hij heeft een tweevoudige wens: dat Jezus Zelf verlost wordt, en dat Hij daarna als onze Koning ons zal verhoren. Het eerste verzoek is al ingewilligd. Het tweede staat voor Zijn hele nageslacht vast: Hij zal eens horen. Daarom mogen we de psalm besluiten met de hartelijke kreet: “God behoede de Koning.” “God behoede Koning Jezus, en moge Hij spoedig komen om te regeren.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Deze psalm is het gebed dat de gemeente zou kunnen opzenden als alle verlosten bij het kruis hadden gestaan, of in Gethsemane, en ten volle hadden beseft wat daar gebeurde. Als de Messias deze woorden las, zou Hij weten dat Hij elders het medeleven had gevonden waarnaar Hij verlangde, toen Hij tegen de drie discipelen zei: “Blijft hier en waakt met Mij.” Mattheüs 26:38. Zo is dit een lieflijk lied van de heilige zanger van Israël, dat de gevoelens van de verlosten tegenover hun Hoofd verwoordt, hetzij in Zijn lijden, hetzij in de heerlijkheid die daarop zou volgen. — Andrew A. Bonar.
Gehele psalm
In veel psalmen zijn sporen van een liturgische indeling te vinden. Vaak passen ze zich aan de omstandigheden van de openbare eredienst aan. Neem het moment waarop de Joodse gemeente de grote daad van de Messias wilde vieren, de Hogepriester die op de grote verzoendag een offer voor het volk bracht, zoals psalm 22 die uitbeeldt. Dit onderwerp is zó plechtig, groots en aangrijpend dat men er niet plotseling en onvoorbereid mee begon. Eerst zocht men een geschikte gelegenheid, voerde men passende personen ten tonele en maakte men een tafereel klaar dat bij de grote gebeurtenis paste. De priesters en Levieten probeerden bij de aanbidders een verheven toon van eerbiedig geloof op te wekken.
De majesteit en macht van God, alle eigenschappen die de gedachten verheffen, werden te hulp geroepen om de zielen van de aanbidders met diepe ontroering te vervullen. En als de gevoelens tot het hoogste punt gespannen waren, volgde een ontzagwekkende, verbijsterende indruk, terwijl langzaam de woorden werden gezongen: “Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten?” We moeten dus aannemen dat de reeks psalmen van psalm 20 tot en met 24 als een dienst werd gebruikt in de openbare eredienst van de Joodse gemeente.* — R. H. Ryland, M.A., in “The Psalms Restored to Messiah”, 1853.
* Aantekening: Bewijzen kan niemand dit, maar het is toch minder vergezocht dan veel van wat uitleggers beweren die een eigen zaak te bepleiten hebben. — C. H. S.
Gehele psalm
Goede wensen die echt gemeend zijn, zijn kostbaar. Ze verdienen het om in woorden én daden te worden uitgedrukt. Dat leert deze hele psalm ons, van het begin tot het einde. Meeleven met anderen is een groot onderdeel van onze christelijke plicht. Een vriendelijk gebaar kan voor een ander enorm veel betekenen, terwijl het ons soms nauwelijks iets kost. — William S. Plumer.
Vers 2
“De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid.” Alle dagen van Christus waren dagen van benauwdheid, van begin tot eind. Hij was een broeder, geboren voor de tegenspoed, een man van smarten die met ziekte vertrouwd was. … Maar het was in het bijzonder een “dag der benauwdheid” voor Hem in de hof, toen Hij zwaar en zeer beangst was, Zijn zweet als druppels bloed op de aarde viel en Zijn ziel bedroefd was tot de dood toe. Dat gold vooral toen Hij aan het kruis hing. … Daar droeg Hij alle zonden van Zijn volk, onderging Hij de toorn van Zijn Vader en werd Hij door Hem verlaten. In die “dag der benauwdheid” bad Hij, zowel in de hof als aan het kruis, tot Zijn Vader, zoals Hij dat ook bij andere gelegenheden en op andere tijden gewend was. En hier bidt de gemeente dat God Hem hoort en Hem antwoordt, zoals Hij ook werkelijk deed. — Samengevat uit John Gill.
Vers 2
“De Naam.” Als ze zeggen: “De Naam van den God Jakobs”, bedoelen ze God Zelf. Ze spreken zo over Hem, omdat alles wat we van God weten voortkomt uit het kennen van Zijn naam. Wie Zijn naam kent, kent Hem. In de Schriften heeft Hij Zichzelf allerlei namen gegeven. Zo leren we Hem kennen. We leren niet alleen wie Hij in Zichzelf is, voor zover het ons past dat te weten, maar vooral wat Hij voor ons is. Door die namen, en vooral daardoor, kennen we Hem zoals Hij werkelijk is: niet alleen in Zichzelf, maar ook naar ons toe. …
Uit die kennis van Gods Naam groeit vertrouwen in het gebed! Wie Hem kent en Hem hier “den God Jakobs” noemt, weet dat Hij met Jakob en zijn nageslacht een verbond van barmhartigheid heeft gesloten: Hij zal hun God zijn en zij zullen Zijn volk zijn. Daarom mogen ze vrijmoedig naar Hem toe vluchten voor hulp. Ze mogen Hem vol vertrouwen aanroepen op de dag van hun benauwdheid, zodat Hij hen verhoort en helpt, zoals ze hier ook doen. Hoe meer ze van Zijn Naam weten, dat wil zeggen van Zijn goedheid, barmhartigheid, waarheid, macht, wijsheid, rechtvaardigheid enzovoort, des te vrijmoediger kunnen ze tot Hem bidden. Ze twijfelen er niet aan dat Hij Zijn Naam waardig zal zijn, dat Hij dus echt zal zijn wat die Naam zegt. …
Zo gaat het ook onder mensen. Iemand staat bekend om zijn mildheid en medeleven, en daarom komen mensen in nood graag bij hem aan. De arme zegt dan: “Ik ga naar dat huis, want daar hebben ze een goede naam. Ze staan bekend als goed voor de armen en barmhartig; iedereen spreekt met lof over hun vrijgevigheid.” Zo’n goede naam geeft moed om vrijmoedig en vaak aan te kloppen: je hoeft je niet te schamen en niet bang te zijn dat je wordt weggestuurd. En zo maakt het ons ook vrijmoedig om in het gebed tot God te komen, wanneer we Hem aan Zijn Naam kennen. …
Neem nu iemand die heel barmhartig is, maar niemand weet het. Dan kennen anderen zijn goede naam niet, de naam die hij verdient. Ze kunnen dan ook met geen enkele goede hoop naar hem toe gaan, want ze weten niet wie hij is en hebben nooit iets over hem gehoord.
Zo kan het ook ons gaan wanneer we door ongeloof God en Zijn goedheid nauwelijks kunnen vatten. Of wanneer we uit gebrek aan kennis Zijn goede naam niet kennen: heel Zijn barmhartigheid, Zijn waarheid, het medelijden en het erbarmen die in Hem zijn. Dan kennen we Zijn grote en heerlijke Naam niet. We hebben weinig of geen moed om in onze benauwdheid naar Hem toe te komen en Hem biddend om hulp te vragen, zoals deze mensen hier deden. Daarom zijn sommigen zo gretig om te bidden: ze kennen de Naam van God zo goed dat ze niet twijfelen aan een goede afloop. Anderen zijn er juist zo afkerig van, omdat ze Zijn Naam helemaal niet kennen. — Nicholas Bownd, 1604.
Vers 2
“De Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.” (Engels: beschutte u) Dit is een prachtige toespeling op het leven van de aartsvader Jakob. Jehova was hem verschenen in Beth-El, toen hij op de vlucht was voor zijn broer Ezau. Later zei Jakob tegen zijn huisgezin: “Laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-El; en ik zal daar een altaar maken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op den weg, die ik gewandeld heb.” Genesis 35:3. — John Morison.
Vers 2
“De Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek” (Engels: beschutte u). In het Hebreeuws staat er: “zette u in een hoog vertrek”, zoals Gods Naam dat is. Spreuken 18:10: “De rechtvaardige zal daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden”, als in een koperen toren of een versterkte stad. Met de Naam van God wordt bedoeld: Deus nominatissimus, de meest vermaarde God, zegt Junius, “Die te prijzen is”, zoals in Psalm 18:4. En hier heet Hij de God van Jakob, zegt een ander, om vier redenen. Ten eerste zat Jakob eens in dezelfde nood (Genesis 32:6, 7). Ten tweede bad hij met hetzelfde doel (Genesis 35:3). Ten derde overwon hij bij God als een vorst; “en aldaar sprak Hij met ons” (Hosea 12:5). Ten vierde is “God van Jakob” hetzelfde als “God van Israël”, en zo wordt een beroep gedaan op het verbond. — John Trapp.
Vers 2
“De Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.” (Engels: beschutte u) Hier ligt de zekerheid dat God je beschermt, dat je veilig bent te midden van tienduizend vijanden en dat je volhoudt tot het einde. Maar je zult zeggen: hoe moet de Naam van den God Jakobs mij dan beschutten? Probeer het maar! Ik heb het keer op keer gedaan. Ik spreek dus niet uit horen zeggen: ik vertel wat ik weet en getuig van wat ik met eigen ogen gezien heb. “De Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.”
Eens werd ik aangespoord om het te beproeven door een arme, onnozele Ierse papist. In zijn volslagen onwetendheid en bekrompenheid vertelde hij me dat wilde dieren hem niets zouden doen als een priester hem maar een druppel wijwater gaf en daarmee een kring trok rond een veld vol wilde dieren. Vol afkeer over het afschuwelijke bedrog van zulke schurken trok ik me terug. Maar ik dacht ook: wat ben ik een dwaas dat ik niet evenveel vertrouwen in mijn God kan hebben als deze arme misleide man in zijn priester en een druppel wijwater!
Ik besloot te proberen wat “de Naam van den God Jakobs” zou doen. Om me heen had ik de vaste besluiten van de Vader, de onveranderlijke verantwoordelijkheid van de Zoon en de onoverwinnelijke genade en werking van de Geest. Ik beproefde het, en ik voelde mijn vertrouwen opklaren. O broeders, laat je omringen door verbondsverplichtingen, verbondsbloed, verbondsgenade, verbondsbeloften en verbondszekerheden. Dan zal “de HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek”. — Joseph Irons.
Vers 2
Een lieflijker wens of een troostrijker gebed voor iemand in verdriet is nooit door mensen uitgesproken dan dit: “De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.” En wie van de mensenkinderen kent geen “dag der benauwdheid”? Wiens pad is nooit verduisterd geweest? Of is het bij iemand van de wieg tot het graf onbewolkte zonneschijn? “Weinig planten”, zegt de oude Jacomb, “krijgen zowel de ochtend- als de avondzon.” En iemand die nog veel ouder is dan hij, zei lang geleden al: “De mens wordt tot moeite geboren.” Een “dag der benauwdheid” is dus het erfdeel van elk kind van Adam.
Hoe zoet, zoals ik al zei, hoe zoet is de wens: “De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid.” Het is het gebed van een ander voor iemand die verdriet heeft. Toch ligt erin besloten dat de bedroefde zelf ook gebeden heeft: “De HEERE verhore u” — verhore en beantwoorde jouw eigen gebed! — Barton Bouchier.
Vers 2, 3
Het tafereel dat het geloof hier te zien krijgt, raakt ons diep. De Messias stort Zijn hart uit in gebed op de dag van Zijn benauwdheid. Zijn bruid hoort Zijn angstige zuchten. Vol innig medeleven wordt ze naar Hem toe bewogen. Ze voegt haar gebeden bij de Zijne en smeekt dat Hij wordt gesteund en beschermd. Zo bidt de gemeente met Hem mee. … Misschien zegt iemand nu: Hij is ver boven alle benauwdheid uit, Hij is hoog verheven, Hij heeft ons medeleven en onze gebeden niet nodig. Dat is waar. Toch kunnen we nog steeds voor Hem bidden — zie Mattheüs 25:40: “Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.” We kunnen voor Hem bidden in Zijn leden. Zo komt uit wat er in Psalm 72:15 geschreven staat: “En men zal geduriglijk voor hem bidden (dat is in Zijn lijdende leden); den gansen dag zal men hem zegenen” (dat is in Zijn eigen bewonderenswaardige Persoon). — Hamilton Verschoyle, 1843.
Vers 2-6
Dit zijn de woorden van het volk, tot God gesproken ten behoeve van hun koning. Zo deden ze precies wat David hun gevraagd had: voor hem bidden. Ze werden daartoe verzocht, het was hun plicht, ze wisten dat en maakten er daarom gewetenszaak van. Het zou een grote fout zijn geweest als ze het hadden nagelaten, en dat wisten ze zelf ook. Daaruit volgt vanzelf: als broeders of zusters in Christus ons om deze dienst vragen, moeten we er zorgvuldig voor zorgen dat we hem vervullen. Het zou een onvergeeflijke fout van ons zijn, tegenover God en tegenover hen, als we daarin tekortschoten. Dit is geen kleinigheid die we ongemerkt mogen laten liggen.
Daarom moeten we niet denken dat het maar een beleefdheidsformule is wanneer godvrezende mannen en vrouwen bij hun afscheid of op een ander moment om onze gebeden vragen en zeggen: “Bid toch voor mij”, of: “Denk aan mij in je gebeden.” Ik ontken niet dat velen het zo bedoelen en daarmee Gods naam ijdel gebruiken. Maar we mogen er zeker van zijn dat deze mensen vanuit de volheid van hun gevoel van eigen nood tot ons spreken, en dus willen dat onze gebeden hun nood helpen lenigen. Dat moeten we vooral doen wanneer ze ons hun situatie bekendmaken, zoals David hier aan het volk deed. Hij liet hun dus weten dat hij in groot gevaar van zijn vijanden verkeerde of kon verkeren, en dat het dus een “dag der benauwdheid” voor hem was, zoals hij het noemde. …
Het allermeest moeten we deze plicht trouw vervullen als we iemand, op zijn bericht over zijn toestand, onze gebeden beloofd hebben. Beloften moeten immers worden nagekomen, ook al kost het ons zelf moeite. Dat geldt vooral voor beloften die iemand zo persoonlijk raken. Stel dat iemand ons vraagt een goed woordje voor hem te doen bij een groot man, en we beloven dat. Hij rekent erop dat we zo goed zijn als ons woord. Dan zou het een groot bedrog van ons zijn om hem teleur te stellen en zijn verwachting te vernietigen. Zo is het ook als iemand ons gevraagd heeft voor hem met God te spreken en hij zich op onze belofte getroost. Bedriegen we hem dan door nalatigheid, dan maken we een grote fout. De Heere zal die van ons eisen, ook al komt hij er nooit achter.
Daarom moeten we dagelijks voor elkaar bidden, ook ongevraagd, zoals onze Zaligmaker Christus ons geleerd heeft: “Onze Vader, Die in de hemelen zijt”, enzovoort. Maar in het bijzonder en met name moeten we het doen voor wie het ons gevraagd hebben. Ouders mogen vooral hun kinderen niet vergeten in hun gebeden. Die vragen elke dag om hun zegen en hopen dat God hen zegent door de gebeden van hun ouders.
Ten tweede: als wij nalaten te bidden voor wie ons dat gevraagd hebben, hoe kunnen we dan hopen dat anderen, die wij hebben gevraagd voor ons te bidden, die plicht jegens ons vervullen? Zouden we niet terecht moeten vrezen dat ze het helemaal laten, nu wij hen verwaarlozen? En zou het niet rechtvaardig van God zijn ons zo te straffen? Zoals onze Zaligmaker Christus zegt: “Met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden.” Mattheüs 7:2. Ik herinner me ook een woord van een eerbiedwaardige vader in de gemeente, die nu in de Heere ontslapen is. Veel mensen vroegen hem om voor hen te bidden, meer dan bij wie ook die ik ooit gekend heb. Dan zei hij tegen hen: “Ik vraag je: bid voor mij, en bid dat ik aan jou denk. Dan hoop ik dat ik je niet zal vergeten.” Laten we dus voor anderen bidden als we willen dat zij voor ons bidden. — Nicholas Bownd.
Vers 2, 6
In het tweede vers zegt de psalmist: “De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid”, en in het zesde: “De HEERE vervulle al uw begeerten.” Bedoelt hij in beide gevallen dezelfde tijd? De gebeden uit het tweede vers worden opgezonden “in den dag der benauwdheid”, in de dagen van Zijn vlees. Worden de beden waar hij in het zesde vers op doelt ook in de dagen van Zijn vlees opgezonden? Velen denken van niet. Kijk maar: voordat onze gezegende Zaligmaker deze wereld verliet, bad Hij tot de Vader voor hen die Hij Hem gegeven had. Hij vroeg Hem hen te bewaren voor het kwaad van de wereld, zodat ze één zouden zijn, zoals Hij één was met de Vader. Ook bad Hij voor Zijn moordenaars. Dat was in de dagen van Zijn vlees. Na Zijn hemelvaart ging Hij zitten aan de rechterhand van de Vader, waar Hij “voor ons bidt”. “Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige.” Hierop doelt de profeet volgens velen wanneer hij zegt: “De HEERE vervulle al uw begeerten”: op de voorbede die Hij onophoudelijk voor ons doet. — F. H. Dunwell.
Vers 3
“Hij zende uw hulp uit het heiligdom.” Hier zien we hoe echt geloof is: het laat ons hulp zien in de hemel en doet ons erom bidden als er op aarde niets te zien is. Daarin verschilt geloof van ongeloof. Ook ongelovigen kunnen met hun verstand hulp bedenken zolang ze nog middelen hebben om hen te helpen. Ontbreken die, dan zien ze geen uitweg meer. Ze lijken op mensen met een zwak gezichtsvermogen, die niets kunnen onderscheiden behalve wat vlakbij is. Het geloof ziet veraf, tot in de hemel. Daarom is het “een bewijs der zaken, die men niet ziet”. Het richt zich op de macht van God, Die alle middelen in Zijn hand heeft of ook zonder middelen kan werken, Die alles uit niets heeft geschapen en “roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren”.
Zo keek de heilige martelaar Stefanus, toen zijn vijanden uit woede barstten en met hun tanden naar hem knarsten, onafgebroken naar de hemel. Hij zag Christus staan aan de rechterhand van God, klaar om hem te verdedigen. Zo ziet het geloof in de beloften van het Woord hulp in de hemel voor ons klaarstaan, ook wanneer er op aarde geen enkel middel meer is. — Nicholas Bownd.
Vers 3
“Hij zende uw hulp uit het heiligdom.” Waarom juist “uit het heiligdom”? Omdat de Heere Zich daar liet vinden, op het verzoendeksel! Het heiligdom stond op Sion, het verzoendeksel in het heiligdom, en de Heere was bij het verzoendeksel. Hij wilde dat men Hem daar als wonend voor zich zag. Daarom bidden ze hier om hulp en kracht, en ze bidden in geloof. — David Clarkson.
Vers 3
“Ondersteune u uit Sion.” Dat wil zeggen: uit de samenkomsten van de heiligen, waar ze vurig en met ernst bidden voor je welzijn. — John Trapp.
Vers 4
“Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot as.” “Al uwer spijsofferen”: dat zijn de vernedering die Hem uit de hemel op aarde bracht; het geduldig wonen in de schoot van de heilige Maagd; de arme geboorte; de harde kribbe; os en ezel als hovelingen; de uitputtende vlucht naar Egypte; het armoedige huisje in Nazareth; het goede doen en het kwade dragen; de wonderen, de preken, het onderwijs; dat ze Hem een gulzigaard en wijndrinker noemden, een vriend van tollenaars en zondaars; dat ze Zijn wonderbare daden aan Beëlzebub toeschreven.
“En make uw brandoffer tot as.” In een brandoffer werd elk deel van het slachtoffer verteerd. Zo was er ook geen lid van Zijn lichaam, geen zintuig van onze dierbare Heere dat niet in doodsangst verkeerde tijdens Zijn lijden. De doornenkroon op Zijn hoofd; de nagels in Zijn handen en voeten; de smaad die Zijn oren vulde; de juichende menigte waarop Zijn stervende blik rustte; de edik en de gal; de walgelijke stank van de berg des doods en der verrotting. De ploegers ploegden op Zijn rug en trokken lange voren. Zijn allerheiligste gelaat werd met de vlakke hand geslagen, Zijn hoofd met de rietstok. Wat had er voor de wijngaard nog meer gedaan kunnen worden dat Hij niet in hem gedaan heeft? Jesaja 5:4. Zo ook: wat had de Wijnstok nog meer kunnen dragen dat deze dierbare Wijnstok niet gedragen heeft?
“Gedenk” ze nu, o Vader. Breng “al” deze “spijsofferen” ons in herinnering, ons zondaren, ons ellendige zondaren, tot onze zaligheid. “Make … tot as” (Engels: neem aan), in plaats van de eeuwige straf voor ons, die schuldig zijn, Zijn “brandoffer”, het offer van Hem Die geen zonde deed en in Wiens mond geen bedrog is gevonden! — Dionysius en Gerhohus (1093-1169), aangehaald door J. M. Neale.
Vers 4
“Make uw brandoffer tot as” (Engels: neem aan): in het Hebreeuws staat er “maak tot as”. Dat gebeurde door vuur dat uit de hemel viel, als teken dat God het offer aanvaardde, zoals gebruikelijk was. — Matthew Poole.
Vers 4
“Dat uw brandoffer vet zij.” Dat wil zeggen: rijk, vruchtbaar en vol. Dit brandoffer moeten we echter geestelijk verstaan, zoals we dat ook bij het offer eerder deden. Zo heeft Christus Zichzelf geheel aan het kruis opgeofferd, om door het vuur van de liefde verteerd te worden. In plaats van “al uw offer” kan hier ook staan: “het geheel van uw offer”. Zo betekent ook “brandoffer” (holocaustum) dat het geheel met vuur verbrand wordt. Door de zuchten van de Geest laat Hij de rechtvaardigen zien en leert Hij hun dat ze moeten bidden en hopen dat geen enkel lijden van hen tevergeefs zal zijn. Alles zal welgevallig zijn, in herinnering blijven en volkomen aangenaam zijn. — Maarten Luther.
Vers 4
“Sela.”* Geleerden zeggen dat dit woord soms vox optantis is, de stem van iemand die iets wenst, zoiets als ‘amen’. Soms is het vox admirantis, de stem van iemand die zich verwondert en op iets bijzonders wijst. Soms is het vox affirmantis, de stem van iemand die bevestigt en betuigt wat er gezegd wordt. En soms is het vox meditantis, de stem van iemand die nadenkt en vraagt om over het gezegde na te denken. Maar het is bovendien een rust in de muziek. Hiëronymus noemt het commutatio metri, een wisseling van maat, of vicissitudo canendi, een afwisseling in het zingen. — Edward Marbury.
* Zie ook bladzijde 25, 29 en 38 bij Psalm 3.
Vers 5
“Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad.” Denk hier aan het vurige, ernstige verlangen van de Verlosser om Zijn werk te voltooien: “Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij!” Lukas 12:50. En: “Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde” (Lukas 22:15). Hij wilde een gedenkteken van Zijn lijden en sterven nalaten, om de zielen van de Zijnen te sterken en te verkwikken. De Vader vervulde deze vurige verlangens en verwachtingen, zoals Hij dat doet voor Iemand in Wie Hij Zijn welbehagen heeft. — W. Wilson.
Vers 5
“Vervulle al uw raad”: alles wat in de raad en het verbond des vredes tussen Hem en Zijn Vader is afgesproken over Zijn eigen heerlijkheid en over de zaligheid van Zijn volk. — John Gill.
Vers 5
“Vervulle al uw raad.” Hij antwoorde u, ad cardinem desiderii, tot in de kern van je verlangen, zoals de kerkvader Augustinus het uitdrukt: het geschiede je zelfs precies zoals je het wilt. Soms verhoort God niet alleen iemands gebed, maar voert Hij ook zijn raad uit. Dat wil zeggen: op precies dié manier en met precies díé middelen die zijn eigen oordeel in zijn gedachten had gekozen. — John Trapp.
Vers 6 (eerste zinsnede)
Wie met de onderdanen van Christus meedeelt in hun benauwdheid, zal ook met hen delen in de vreugde van hun verlossing. Daarom staat er: “Wij zullen juichen over Uw heil.” — David Dickson.
Vers 6
“In den Naam onzes Gods.” Zo riepen ze in Richteren 7:20: “Het zwaard van den HEERE, en van Gideon!” En zo lezen we in Jozua 6:20: “Het volk dan juichte, … en de muur viel onder zich.” Ook koning Abia riep hetzelfde met zijn mannen en versloeg vijfhonderdduizend Israëlieten. Zo roemen ook in onze tijd, volgens de krijgsgewoonte van nu, soldaten in de naam en de roem van hun veldheer, om zichzelf moed in te spreken tegen hun vijanden. Precies díé gewoonte leert dit vers ons, alleen op een godvruchtige en Godgerichte manier. — Maarten Luther.
Vers 6
“En de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods.” Banieren werden vroeger veel gebruikt. Ze hoorden bij de uitrusting van het leger en werden in oorlogstijd gedragen om de troepen te verzamelen, te leiden, van elkaar te onderscheiden en moed in te spreken. Misschien dienden ze ook nog voor andere doelen. Bij feestelijke gelegenheden, prachtige optochten en zeker bij een koninklijk verblijf kon een baniere laten zien waar het om ging. Het kan zijn dat de psalmist helemaal beeldend spreekt. Maar als we zijn woorden letterlijk moeten nemen, dan past het oprichten van een baniere in de naam van de Heere, ter erkenning van Zijn heerlijkheid en met een smeekbede om Zijn gunst, bij een gewoonte die er echt bestond.
Zeker is dat we dezelfde gewoonte, met hetzelfde uitgangspunt, ook elders aantreffen. Misschien is ze oorspronkelijk uit Judea daarheen gebracht. Zo zegt de heer Turner (Embassy to Thibet, blz. 31): “Mij werd verteld dat de Soobah de gewoonte had om elke maand de heuvel te beklimmen. Daar steekt hij een witte vlag op en verricht hij een aantal godsdienstige plechtigheden, om de gunst te winnen van een dewata, een onzichtbaar wezen, de beschermgeest van de plaats. Die zou rond de top zweven en naar believen goed en kwaad uitdelen aan alles om hem heen.” — Samuel Burder’s “Oriental Customs”, 1812.
Vers 6
“En de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods.” Bij alle godsdienstige en krijgskundige optochten dragen de mensen banieren. Daarom zie je op de toppen van hun heilige wagens, op de koepels of poorten van hun tempels en op het dak van een nieuw huis de baniere van hun kaste of sekte in de lucht wapperen. Ook van Siva, de Allerhoogste, wordt gezegd dat hij in de hemelse wereld een baniere heeft. — Joseph Robert’s “Oriental Illustrations”.
Vers 6
“En de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods.” 1. We zullen in Zijn naam oorlog voeren. We zorgen dat onze zaak goed is en maken Zijn eer ons doel bij elke veldtocht. We vragen raad uit Zijn mond en nemen Hem met ons mee. We volgen Zijn leiding, smeken om Zijn hulp, vertrouwen daarop en laten de afloop aan Hem over. David trok tegen Goliath op “in den Naam van den HEERE der heirscharen”. 1 Samuël 17:45. 2. We zullen onze overwinningen vieren in Zijn naam. Als we in triomf “de vaandelen opsteken” en onze zegetekenen oprichten, dan is dat “in den Naam onzes Gods”. Hij krijgt alle eer voor ons welslagen, en geen enkel werktuig mag iets hebben van de eer die Hem toekomt. — Matthew Henry.
Vers 6
“De vaandelen opsteken.” Belijden dat Christus de enige naam is waardoor we zalig kunnen worden: dat is de “baniere” die Zijn trouwe volk herkenbaar maakt. O, was die belijdenis maar duidelijker, zuiverder en vuriger bij hen die Zijn volgelingen lijken te zijn! Dan zouden ze meer één zijn en vrijmoediger in het belijden van hun geloof. Ze zouden meer bereiken voor de zaak van Christus en indrukwekkend zijn als een leger met “banieren”. Hooglied 6:4. — W. Wilson.
Vers 6
“De vaandelen.” Wil je weten hoe de stok, de kleuren en de vlag of wimpel van dit vaandel eruitzien? De stok is Zijn kruis, de kleuren zijn bloed en water, en de wimpel is het evangelie, of de verkondiging ervan aan de wereld. Vanouds had de stok die de kleuren droeg de vorm van een kruis. Vlak bij de top zat een dwarsbalk, waaraan de vlag of wimpel hing. Het was als het ware een voorafbeelding: alle legers en heerscharen van de volken zouden ooit samenkomen onder de baniere van het kruis. Dagelijks zouden er soldaten naartoe stromen uit alle volken en koninkrijken van de aarde. — Mark Frank, 1613-1664.
Vers 6
“De HEERE vervulle al uw begeerten”, voor Uzelf en voor anderen, nu U aan de rechterhand van de Vader zit, voor ons pleit en Uw zijde en Uw wonden laat zien. — Dionysius, aangehaald door Isaac Williams.
Vers 7
“Alsnu weet ik.” Plotseling wisselt het getal en spreekt er één persoon. Zo wordt de eenheid en eensgezindheid van het volk in dit gebed zichtbaar, alsof ze allemaal één waren en het met één mond uitspraken. “de HEERE Zijn Gezalfde behoudt”, dat is Zijn koning, die Hij bevestigd heeft. Zie Psalm 2:2; 18:51. “Hij zal Hem verhoren (zie vers 2) uit den hemel Zijner heiligheid” (Engels: uit Zijn heiligdom). Iemand leest het zo: “uit de hemelen van Zijn heiligheid”. Dat betekent: uit de hemel waar Zijn heiligheid woont. — Thomas Wilcocks.
Vers 7
“Hij zal Hem verhoren.” Ik zou blij zijn met de gebeden van alle gemeenten van Christus. O, was er maar geen enkele heilige op aarde die mij niet bij name noemde in zijn morgen- en avondgebed! (Wie je ook bent die dit leest, ik smeek je: bid voor mij.) Maar bovenal wil ik deel hebben aan die gebeden en voorbeden die alleen aan Christus toebehoren. Dan zou het mij zeker nooit mislopen: de gebeden van Christus zijn hemels, heerlijk en uiterst krachtig. — Isaac Ambrose, 1592-1674.
Vers 7
“Zijn Gezalfde.” Bij de Joden werden priesters, soms ook koningen en profeten, gezalfd tot hun ambt. Zo is ook onze Zaligmaker gezalfd: als Profeet, om de zachtmoedigen een blijde boodschap te brengen; als Priester, om de gebroken harten te verbinden; en als Koning, om de gevangenen te bevrijden. Zalving betekent: aanwijzing en inwijding. In die zin geldt ze voor de goddelijke Persoon van de Middelaar. Dan wordt Hij bedoeld als God, Die “gezalfd” is “met olie der vreugde boven Uw medegenoten”. Hebreeën 1:8, 9.
Zalving met de Heilige Geest betekent echter dat iemand de gaven en de bijstand van de Heilige Geest ontvangt. In die zin gaat het alleen over Zijn menselijke natuur, niet over Zijn goddelijke Persoon. Die heeft alle volmaaktheden in Zichzelf en kan in dit laatste opzicht eigenlijk niet met de Heilige Geest gezalfd worden genoemd. Maar omdat Zijn menselijke natuur is opgenomen in het bestaan van Zijn goddelijke Persoon, mogen we toch met recht van Zijn Persoon zeggen en volhouden dat Hij “de gezalfde” is.
De Schrift legt veel nadruk op de zalving van onze Verlosser. Daarom lezen we: “Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren.” En: “Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus?” 1 Johannes 5:1; 2:22. De vijanden van onze Zaligmaker wisten dit best. Zij besloten daarom dat “zo iemand Hem beleed Christus te zijn, dat die uit de synagoge zou geworpen worden”. Johannes 9:22.
Zijn zalving was hoger dan die van wie ook, en voortreffelijker wat betreft het werk waartoe Hij gewijd was. De apostelen en anderen die Zijn volgelingen heten, hadden de Geest met mate, maar Christus zonder mate. Hij is “schoner dan de mensenkinderen” (Psalm 45:3) en had een heerlijkheid “als des Eniggeborenen van den Vader”, “vol van genade en waarheid” (Johannes 1:14, 16). Uit Zijn volheid ontvangen de apostelen en alle anderen. Zijn zalving lijkt op die van Aäron, Zijn voorbeeld: de kostelijke olie werd “op het hoofd” gegoten en “nederdaalt tot op den zoom zijner klederen”. Psalm 133:2. Onze Zaligmaker is zó gezalfd dat Hij “alles in allen vervult”. Efeze 1:23. Hij vervult al Zijn leden en al hun vermogens met alle maten van de Geest die zij ooit ontvangen. — Samengevat uit John Hurrion, 1675-1731.
Vers 8
“Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.” (Engels: vertrouwen op … gedenken) Rond Sint-Michiel zat ik in de grootste nood. Het was prachtig weer en ik ging naar buiten. Ik keek naar de azuurblauwe hemel en mijn hart werd zo sterk in het geloof (wat ik niet aan mijn eigen kracht toeschrijf, maar alleen aan Gods genade) dat ik bij mezelf dacht: “Wat een heerlijk ding is het als we niets hebben en op niets kunnen bouwen, maar toch de levende God kennen Die hemel en aarde gemaakt heeft, en ons vertrouwen op Hem alleen stellen. Daardoor kunnen we zelfs in nood zo rustig zijn!”
Ik wist heel goed dat ik die dag iets nodig had. Toch was mijn hart zo sterk in het geloof dat ik opgewekt en vol moed was. Toen ik thuiskwam, kreeg ik meteen bezoek van de opzichter van de arbeiders en metselaars. Het was zaterdag en hij had geld nodig om hun loon uit te betalen. Hij had verwacht dat het geld klaarlag, zodat hij kon gaan uitbetalen, maar vroeg toch of ik iets had ontvangen. “Is er iets aangekomen?” vroeg hij. Ik antwoordde: “Nee, maar ik heb geloof in God.” Ik had die woorden nauwelijks uitgesproken of er werd een student aangekondigd. Hij bracht mij dertig daalders van iemand die zijn naam niet wilde noemen.
Ik ging de kamer weer in en vroeg de ander hoeveel hij ditmaal nodig had voor het loon van de werklieden. Hij antwoordde: “Dertig daalders.” “Hier zijn ze”, zei ik, en ik vroeg meteen of hij er nog meer nodig had. Hij zei: “Nee.” Dat versterkte het geloof van ons allebei enorm, want we zagen zo duidelijk de wonderbare hand van God, Die het zond op het moment dat het nodig was. — Augustus Herman Francke, 1663-1727.
Vers 8
“Dezen vermelden van wagens”, enzovoort (Engels: vertrouwen op). Zinloos is het vertrouwen van alle goddeloosheid. In oorlog vertrouwt men op wagens, paarden, vloten, aantallen, tucht en eerdere successen. Maar de strijd is niet voor de sterken. “De Voorzienigheid begunstigt de sterke bataljons” klinkt een wereldling misschien goed in de oren, maar noch de Voorzienigheid noch de Bijbel leert dat. In vredestijd vertrouwt men op rijkdom, vrienden, schepen, land en aandelen, maar die kunnen niet helpen en niet redden. Wie roemt, roeme in den Heere. — William S. Plumer.
Vers 8
“Wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.” (Engels: gedenken) Met de naam van God worden in de Heilige Schrift meestal Zijn verschillende eigenschappen bedoeld. Die eigenschappen vormen samen de naam van God. Zo zegt Salomo: “De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden.” Door aan deze naam van God te denken, erover na te denken en erover te mediteren, laat de psalmist zich zien als iemand die getroost en versterkt wordt, welke taken er ook op hem lagen en welke gevaren hem ook bedreigden.
Anderen zochten hun veiligheid en kracht elders: “dezen vermelden van wagens, en die van paarden”. Maar de psalmist legde zich er altijd op toe te “vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods”, en dat blijkbaar steeds met tevredenheid en succes. Dáár zit het bijzondere van deze tekst, waar we bij stil willen staan en waaruit we belangrijke lessen en waarheden hopen te halen. De psalmist gedenkt “den Naam des HEEREN, onzes Gods”. Dat is niet één eigenschap van God, maar alle goddelijke volmaaktheden samen.
En hij “gedenkt” deze “Naam”. Dat woord wijst niet op een vluchtige gedachte, maar op overpeinzing en bezinning. En toch is het gevolg van die herinnering blijdschap en vertrouwen. — Henry Melvill.
Vers 8
Het is makkelijk om papisten ertoe te brengen dat ze steunen op priesters en heiligen, op oude vodden en beschilderde beelden, op elke afgod. Maar een protestant zover krijgen dat hij op de levende God vertrouwt, is moeilijk. — William Arnot, 1858.
Vers 8
Een zwak mens kan niet anders dan buiten zichzelf wat vertrouwen zoeken als de moeilijkheden duidelijk zijn, en gewone mensen kijken eerst naar iets aards om op te vertrouwen. “Dezen vermelden van wagens, en die van paarden” (Engels: vertrouwen op): de een op het ene schepsel, de ander op het andere. De gelovige moet zijn vertrouwen in deze dingen opgeven, of hij ze nu heeft of mist. Hij moet steunen op wat God in Zijn Woord beloofd heeft voor ons te doen. “Maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.” — David Dickson.
Vers 8
Wie “op wagens en paarden vertrouwt”, zal geen koning hebben dan de keizer. Maar de “heirlegers in den hemel” die U volgen, hebben zelf geen wapens en geen kracht, behalve in het volgen van U. — Isaac Williams.
Vers 8
Numa kreeg te horen dat zijn vijanden op hem afkwamen terwijl hij offers bracht. Hij vond het voor zijn veiligheid genoeg om te kunnen zeggen: Ik ben bezig met de dienst van mijn God. Toen Josafat eens in alle steden van Juda de prediking had ingesteld, toen, en niet eerder, viel de vreze des HEEREN op de omliggende volken, en zij voerden geen oorlog. En dat terwijl hij daarvoor al troepen in alle vestingsteden had gelegd. — Charles Bradbury.
Vers 8
“De een roemt op zijn strijdrossen,
De ander op zijn wagens, ten strijde geschaard;
Maar wij belijden luid ons vertrouwen
Op de Naam van Jehova, onze God.”
— Richard Mant.
Vers 9
“Zij hebben zich gekromd”, vanaf hun paarden en wagens, waarop ze vertrouwden. In het Hebreeuws staat: zij bogen neer, omdat ze door hun dodelijke wonden niet langer konden staan. Vergelijk Richteren 5:27. “Staande gebleven.” Stevig op onze benen staan en het veld houden, zoals overwinnaars gewoon zijn te doen. — Matthew Poole.
Wenken voor de dorpsprediker
Deze psalm is veel gebruikt bij kroningspreken, dankdagpreken en vastenpreken. Er is geen eind aan de onzin en de walgelijke vleierij die de tafelkapelaans van de kerk der wereld eraan hebben vastgeplakt. Als koningen duivels waren geweest, hadden sommige van deze heren hun horens en hoeven geprezen! Want sommige koninklijke hoogheden zijn zeer gehoorzame dienaren van de vorst der duisternis geweest, en toch noemden deze valse profeten hen “allergenadigste vorsten”. In hun aanwezigheid waren ze net zo verblind alsof ze God Zelf in al Zijn heerlijkheid hadden aanschouwd. — C. H. S.
Gehele psalm
Een trouw lied en gebed voor de onderdanen van Koning Jezus.
Vers 2
Twee grote genaden in grote benauwdheid: verhoring bij de troon en bescherming vanaf de troon.
Vers 2, 3
I. De benauwdheid van de Heere: hoe ze eruitzag en waar ze vandaan kwam.
II. Waarmee de Heere Zich in Zijn benauwdheid bezighield.
III. We mogen niet onbewogen toekijken bij de benauwdheid van Jezus. — Hamilton Verschoyle.
Vers 2-4
Een voorbeeld van goede wensen voor onze vrienden.
I. Ze omvatten persoonlijke godsvrucht. Degene over wie gesproken wordt, bidt, gaat naar het heiligdom en brengt offers. We moeten onze vriend genade toewensen.
II. Ze wijzen omhoog. De zegeningen worden duidelijk als goddelijk erkend.
III. Ze sluiten benauwdheid niet uit.
IV. Ze zijn bovenal geestelijk. Aanneming, enzovoort.
Vers 3
Hulp uit het heiligdom: een veelzeggend onderwerp.
Vers 4
Gods onophoudelijke blik op het offer van Jezus.
Vers 4, 5
Het grote voorrecht van deze viervoudige aanneming in de Geliefde.
Vers 6
Vreugde in de zaligheid: iets om je voor te nemen en ook echt te doen.
Vers 6
Het opwerpen van de baniere: openlijke belijdenis van trouw, oorlogsverklaring, teken van volharding, aanspraak op bezit, signaal van triomf.
Vers 6 (laatste zinsnede)
De kracht van de voorbede van onze Heere, en hoe onze gebeden door Hem worden aangenomen.
Vers 7
“Zijn Gezalfde.” Onze Heere als de Gezalfde. Wanneer? Met welke zalving? Hoe? Voor welke ambten? Enzovoort.
Vers 7
“Hij zal Hem verhoren.” De Voorbidder Wiens voorbede altijd krachtig is.
Vers 7
Gods “heil Zijner rechterhand” (Engels: reddende kracht): de kracht van Zijn meest gebruikte en meest vaardige hand.
Vers 7 (eerste zinsnede)
“Nu weet ik.” Het moment waarop het geloof in Jezus de ziel vervult. De tijd waarin zekerheid wordt gegeven. Het ogenblik waarop een waarheid als een lichtstraal in de ziel doorbreekt. Enzovoort.
Vers 8
Vertrouwen op schepselen: schijnbaar machtig, goed uitgerust, opzichtig, luidruchtig, enzovoort. Vertrouwen dat trouw is: stil, geestelijk, goddelijk, enzovoort.
Vers 8
“Den Naam des HEEREN, onzes Gods.” Troostrijke overpeinzingen over de naam en het karakter van de ware God.
Vers 9
De rollen omgedraaid.
Vers 10
“O HEERE! behoud.” Een van de kortste en pakkendste gebeden in de Bijbel.
Vers 10 (laatste zinsnede)
I. Tot wie we komen, en wat er dan gebeurt. “Die Koning.”
II. Hoe we komen, en wat dat betekent. “Ons roepen.”
III. Wat we willen, en wat dat inhoudt. “Verhore ons.”
Werk over de twintigste psalm
“Medicines for the plague; that is, Godly and Fruitful Sermons upon part of the Twentieth Psalme, full of instructions and comfort; very fit generally for all times of affliction, but more particularly applied to this late visitation of the Plague. Preached at the same time at Norton in Suffolke, by Nicholas Bownd, Doctor of Divinite. … 1604.” [Eenentwintig preken over vers 2-7, in kwartoformaat.]
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas