Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

Een middel tegen onsmakelijke spijs, of: zout voor het wit van een ei

34 min. lezen

Beluister deze preek

Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.

Een preek uitgesproken op donderdagavond 5 juli 1883
door C. H. Spurgeon
in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers? Job 6:6

Dit is een vraag die Job stelde aan zijn vrienden, die zich zo onvriendelijk betoonden. Zo bestrijdt hij die ‘moeilijke vertroosters’, die zijn wonden deden ontsteken door er zout en azijn in te gieten in plaats van olie en wijn. De eerste van hen had zojuist het vuur op hem geopend, en met deze vraag schoot Job terug. Hij wilde de drie strenge toeschouwers laten weten dat hij niet zonder reden klaagde. Had hij bitter gesproken, dan was dat omdat hij zwaar leed.

Hij had grote lichamelijke pijn; hij ging gebukt onder een zware neerslachtigheid, en tegelijk was hij getroffen door armoede en het verlies van zijn kinderen. Hij had dus reden voor zijn verdriet. Er was hem geen enkele troost meer overgebleven, en elke pijl van smart stak in zijn vlees. Als hij zuchtte, had hij reden om te zuchten. Zijn smarten waren geen verbeelding. Ze waren echt en waar, en daarom stelt hij eerst deze vraag: ‘Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?’ Als deze dieren hun klagend geluid laten horen, is het omdat ze honger lijden.

Als de woudezel nergens een mondvol gras kan vinden, dan wordt zijn klagen van heinde en ver gehoord. Als de os op stal geen voer heeft, als hij daar vastgebonden staat en geen boer hem iets brengt, dan loeit hij, en zijn geloei heeft een goede reden. Job lijkt te zeggen: ‘Ik klaag niet zonder reden. Als ik mijn vroegere voorspoed nog genoot, of zelfs maar een tiende ervan, dan zou u geen woord van gemor van mij horen.

Maar ik word tot het uiterste beproefd. Ik word zwaar bezocht, en er is overvloedig reden voor mijn klagen.’ Hij had alle lust om te ademen verloren. De levensvreugde was verdwenen. Er was geen blijdschap meer over die het bestaan de moeite waard maakte. Hij was als iemand die geen smaak meer in zijn eten vindt en walgt van de hap die hij doorslikt. Wat hem nog restte, was smakeloos als het wit van een ei; het gaf hem geen enkele troost. Het stond hem zelfs tegen.

Hij werd, zegt hij, gevoed met spijs die hem geen verlichting gaf: ‘Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.’ Daarom vraagt hij zijn vrienden in feite: ‘Hoe kunt u van mij verwachten dat ik zulke spijs zonder zuchten en tranen eet? Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?’ Hij bedoelt dat alles om hem heen zijn smaak verloren had en dat het leven dof en somber voor hem was geworden. Daarom moesten zij zich er niet over verwonderen dat hij klachten uitte. Ook de rede van Elifaz, de Themaniet, waarnaar Job had geluisterd, had niet veel zoetheid in zijn mond gelegd, want er was geen medeleven of vertroosting in te vinden.

Als u haar thuis leest, zult u zien dat ze waardig was de eerste te zijn van een merkwaardige reeks bittere toespraken. Job was zelf, dat moeten we toegeven, scherp genoeg en overvloedig sarcastisch. Maar zijn vrienden riepen de prikkeling op en zorgden er steeds voor hem al zijn alsem dubbel terug te betalen. Voor elk hard woord van hem gaven ze rente op rente terug. Ze kwelden en ergerden zijn oprechte ziel, zodat hij niet meer dan de waarheid zei toen hij uitriep: ‘Gij allen zijt moeilijke vertroosters.’ Hier zegt hij hun dat Elifaz hem onsmakelijke spijs zonder zout had voorgezet, enkel het wit van eieren zonder smaak. Geen woord van liefde, medelijden of medegevoel had de Themaniet gesproken.

Hij had even hard en streng gesproken alsof hij een rechter was die een misdadiger toesprak die niet meer leed dan hij verdiende. Als de arme Job naar die toespraak kijkt, en naar alles om hem heen, voelt hij dat hij zeer onsmakelijke spijs te eten krijgt, en hij vraagt hun of ze verwachten dat hij die zonder zout eet. Ze hebben hem iets gegeven dat hem niet meer voldoening schenkt dan het wit van een ei, en hij vraagt of ze werkelijk denken dat hij dit uit hun handen kan aannemen en hen voor hun behandeling kan bedanken. We mogen de zwaar beproefde aartsvader Job nu vergeten en deze tekst op onszelf toepassen: ‘Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?’ Er komen drie gedachten uit voort.

1. Het eerste punt is dat BEHOEFTE AAN SMAAK EEN ZEER GROTE BEHOEFTE is bij alles wat als voedsel bedoeld is. Ik ben niet van plan een lezing over kookkunst te houden, en daarom zal ik niet uitweiden over deze tekst voor zover hij betrekking heeft op het brood op onze tafel, of op het voedsel dat wij eten en drinken. Iedereen weet dat alle soorten dieren genieten van voedsel waar smaak aan is. Zelfs ‘het stomme, voortgedreven vee’ wendt zich af van droog, smakeloos voer en legt een lange weg af om iets te vinden waar sap en smaak in zit, dat past bij het verhemelte dat God hun gegeven heeft. Precies zo is het met het voedsel van onze ziel. Het is een zeer groot gebrek aan een preek als er geen smaak in zit.

Het is een dodelijk gebrek voor het volk van de Heere als een boek veel bevat wat waar mag zijn, maar toch de heilige smaak mist, of wat we met een ander woord ‘zalving’ noemen. Iemand zegt: ‘Vertel ons eens wat zalving is.’ Ik kan u veel gemakkelijker zeggen wat ze niet is! U herkent een toespraak waar smaak in zit, en u weet ook wanneer een preek droog, saploos en zonder merg is. En toch zou u het verschil niet onder woorden kunnen brengen. Sommige preken kunnen niet eens verdacht worden van iets wat op zalving lijkt; hun schrijvers zouden u uitlachen als u hen daarvan beschuldigde! Maar zout is nog steeds te krijgen. De vette spijzen vol merg zijn nog niet helemaal van de markt verdwenen. Maar wat voor smaak verwachten wij in een preek?

Ik antwoord: ten eerste is het de smaak van de Heere Jezus Christus. Jaren geleden, voordat predikanten zo wijs werden dat ze de goddelijke ingeving van de Schrift in twijfel trokken en de leer van de verzoening verwierpen, waren er in het land mannen wier bediening vol smaak was voor het volk van God. Er waren in Londen heel wat christenen die naar het noorden, het zuiden, het oosten of het westen gingen om zulke predikers te horen, en die het een groot feest vonden om naar hen te luisteren! Wat was er toch met hen?

Waren het grote critici? Ik denk niet dat die goede mannen ooit een boek over tekstkritiek gelezen hebben. Waren ze diepgeleerd? Zeker niet! Diepgeleerde broeders preekten in kerken en kapellen waar meer spinnen dan mensen waren! Wie met geleerdheid en welsprekendheid pronkte, had lege banken, maar deze mannen werden door menigten gevolgd! Waar ze ook spraken, de gebouwen waren te klein. Wie de reden niet kende, zei tegen een ander: ‘Wat is er toch met deze mannen?

We zien geen bijzonder talent.’ En dat was er ook niet veel. ‘We zien geen diepe geleerdheid.’ En die was er ook niet te zien. ‘We horen niets van vooruitstrevend denken en vrijzinnige ideeën.’ Nee, deze goede mannen waren onschuldig aan die moderne ziekten! Toch zijn hier vanavond kinderen van God, nu grijs geworden, die zich de gelukkige uren herinneren die ze doorbrachten, en de blijde tijden die ze kenden toen ze naar deze mannen luisterden. Ze weten nog hoe ze na zo’n preek misschien zeven, acht of tien mijl naar huis reisden en alleen maar wensten dat ze de volgende avond, als hun werk gedaan was, weer konden gaan om opnieuw gevoed te worden!

Wat maakte deze prediking dan zo aantrekkelijk en zo stichtelijk? Wat trok het volk van de Heere van zo ver? Wat wekte zo’n geestdrift? Wel, dat de prediker over zijn Heere sprak en nooit van het kruis afdwaalde!

Toen wij kinderen waren, leerden we de Bijbelcatechismus van dr. Watts, en ik herinner me één vraag: ‘Wie was Jesaja?’ Het antwoord luidde: ‘Hij was die profeet die meer van Jezus Christus sprak dan alle anderen.’ Wie waren dan deze mannen, die zo ijverig door Gods volk gevolgd werden? Het waren mannen die meer van Jezus Christus spraken dan alle anderen!

U hebt misschien de ‘Morgen- en avondoverdenkingen’ van dr. Hawker gelezen? Ik denk niet dat u er veel nieuwe uitleg uit geleerd hebt, of dat u getroffen bent door grote oorspronkelijkheid van gedachten. Maar als u ze met zegen gelezen hebt, hebt u bij uzelf gezegd: ‘Wel, dit ene punt is er bij Hawker: zijn onderwerp is Christus op 1 januari, Christus op 31 december en Christus op alle andere dagen van het jaar.’ Hij spreekt over niets anders dan over Christus! Hij lijkt de Heere Jezus elke dag in zijn overdenkingen vanzelfsprekend op tafel te zetten, zoals uw dienstmeisje altijd het brood op tafel zet, wat ze er verder ook niet op zet. Zo was het met Hawker en mannen zoals hij: Christus, en Die gekruisigd, was hun alles in allen. Hun dierbare Heere en Meester was nooit lang afwezig in hun preken. Als ze de leer preekten, dan was het de waarheid ‘gelijk de waarheid in Jezus is’.

Preekten ze de bevinding, dan ging het erom Hem te kennen en ‘de gemeenschap Zijns lijdens’. En als ze tot de praktijk kwamen, wat ze ook deden, dan was hun gedachte over heiligheid: Jezus gelijkvormig gemaakt worden en tot Hem uitgaan ‘buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende’. Nu, ik geloof niet dat een preek smaak kan hebben als Christus er niet in is, want Hij heeft de geur van alle goede zalven, en zonder Hem is er geen zoetheid! Wat zullen we van Hem zeggen? ‘Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief.’

Zijn Naam is zo welriekend dat die de hemel zelf met geur vervult! Jehova ruikt een liefelijke reuk in de Naam, de Persoon en het werk van Zijn welbeminde Zoon. Daarom is het een vereiste voor smakelijke spijs dat Christus erin is! Hij heeft gezegd: ‘Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank.’ Er is geen spijs en geen drank waar zoveel smaak in zit als deze! Och, mochten we in al onze samenkomsten meer horen van een gekruisigde Christus!

Het volgende vereiste om smaak te verkrijgen is een godvruchtige geest in de prediker: de smaak van godsvrucht. Ik probeer smaak uit te leggen, niet door een omschrijving te geven, maar door te wijzen op wat ermee gepaard gaat. Wel, die mannen die nu naar de hemel zijn gegaan, naar wie u vroeger luisterde, leken te bidden terwijl ze preekten! Hun preken waren zowel gebed als toespraak! Hun welsprekendheid was vervoering, hun redenaarskunst was ontroering. Hun prediking kwam uit het hart.

Maar ze kwam ook uit ‘de afgrond, die beneden ligt’, die verborgen bron van de eeuwige waarheid van God, die door de Geest geopend wordt voor hen die de Heere kennen, en voor niemand anders! Zij konden met de psalmist zeggen dat al hun fonteinen in de Heere waren. Uit die diepte, uit het hart van God Zelf, putten zij de waarheid die zij preekten! Zij preekten het Evangelie van de genade als mannen die het kenden, het liefhadden en ervan leefden! Het was voor hen geen lastige taak om te spreken over Christus en genade, over vergeving en de trouw van het verbond. U kon aan hun woorden niet altijd sporen van uitwerking of zelfs van voorbereiding zien, maar u zag iets beters: het fonkelende zout van de goddelijke genade! Had de middernachtolie hun preken niet besmeurd, dan had de zalving van de Geest ze gezalfd!

Hun hart gaf een goede rede op, want zij spraken wat zij geleerd hadden aangaande de Koning! Zij spraken met zoveel blijmoedigheid en eerbied dat het goed was hen te horen! Zij spraken in de diepe overtuiging dat wat ze zeiden onfeilbaar waar was, want hadden ze het niet vers van de Geest van God ontvangen? Omdat het uit hun hart kwam, ging het naar uw hart, en door hun levend geloof werd u geholpen het met blijdschap te geloven! Het is een slecht teken als een leraar van de waarheid van God die zelf niet gelooft, want zo wordt hij in feite een verspreider van dwaling. David zei: ‘Ik heb geloofd, daarom sprak ik.’ Gelooft u niet, broeder? Ga dan naar huis en zwijg tot u wel gelooft! Beklim in elk geval de kansel niet voordat u weet wat uw Heere wil dat u zegt. Wee de man die de rook van nat hout van zijn haard laat opstijgen en in de ogen van arme zoekers laat waaien! Wij hebben gloeiende kolen van het altaar nodig, en hoe minder rook van twijfel, hoe beter!

Waar iemand kennelijk bij God is geweest om Zijn waarheid te leren, en gedoopt is in de eeuwige geest van die waarheid, en daarom spreekt wat hij weet en getuigt wat hij gezien heeft, in de vreze van de levende God, daar is smaak aan zijn getuigenis, en de heiligen merken dat met blijdschap op. Deze heilige smaak kan niet nagebootst of geleend worden! Hij moet voortkomen uit persoonlijke zekerheid. Het is iets heiligs, en de samenstelling ervan is alleen bekend aan de grote Gever van alle geestelijke gaven, de Heere Zelf. Het is een heilige zalfolie die niet uit het vlees van de mens voortkomt en ver verwijderd is van alle vleselijkheid. Ze komt nooit op iemand, tenzij ze neerdaalt van Hem Die ‘het Hoofd’ is, en zo afdruipt tot op de zoom van Zijn klederen. Van Christus alleen komt de ware zalving, en gezegend is hij die deelgenoot van Hem gemaakt is.

Welnu, zoals voedsel zonder smaak slecht en onaangenaam voedsel is, zo is alle christelijk onderwijs onaanvaardbaar als het de smaak van Christus en van godsvrucht mist. Nog iets anders draagt bij aan de aangename smaak van een preek, en dat is de smaak van ervaring. U genoot vroeger van die mannen omdat zij de leer die zij preekten, zelf geproefd en beproefd hadden. De jongere broeders stonden bij u wat minder hoog aangeschreven, omdat u zei: ‘Die goede broeder spreekt vlot, maar hij kan niet zoveel ervaren hebben als de man van God onder wie ik nu al zoveel jaren zit.’ U hoort de waarheid van God liever van iemand die zelf de vernieuwende, ondersteunende en vertroostende kracht van de goddelijke genade gevoeld heeft. En ik kan u die voorkeur niet kwalijk nemen.

Als de prediker handel gedreven heeft op de grote wateren, in diepe zielennood of persoonlijke beproeving, des te beter voor u. Is hij iemand die veel liefheeft omdat hem veel vergeven is, des te beter voor u. Is hij een man die zich bewust is van zijn eigen zwakheid en onmacht, die nederig over zichzelf spreekt alsof het uit het stof komt, terwijl hij toch vrijmoedig het woord van de hemel verkondigt, des te beter voor u! Zulke ervaring brengt een soort specerij in het voedsel dat hij u voorzet. Zo is het in al onze gesprekken met elkaar. Wij spreken niet met zekerheid tot stichting, tenzij we spreken over wat we zelf genoten hebben. Ik ben zeer gezegend toen ik een oude blinde man hoorde opstaan en vertellen van de trouw van God aan hem. Ik ben soms zeer bemoedigd toen ik een arme, maar begenadigde vrouw, dicht bij de poorten van de dood, met tranen in de ogen hoorde vertellen van de goedheid van de Heere voor haar.

Getuigenissen van zulke mensen hebben gewicht. Deze mensen spelen niet met de godsdienst! Arme en beproefde mensen, mensen met pijn en kwalen, mensen die niets van de gemakken van deze wereld hebben, mensen aan de rand van het graf vertellen ons van de grote liefde van de Vader, en als ze dat doen, zit er grote overtuigingskracht in hun getuigenis. Wij hechten gewicht aan elk woord dat ze zeggen, omdat hun ervaring wordt meegewogen. Ik heb nooit iemand gehoord die meer tot mijn ziel sprak dan de geliefde George Müller. De preek die ik van hem hoorde, was als een toespraak op een zondagsschool, zo eenvoudig en onopgesmukt was ze. Maar dan stond daar de man achter: dat eenvoudige kind van God, dat de beloften geloofd heeft en wonderen is blijven doen die alle toeschouwers verbazen!

Die man twijfelt er net zo min aan dat God zijn gebeden verhoort als aan het feit dat twee maal twee vier is. Waarom zou hij ook? Hij leeft de waarheid van God uit die hij ontvangen heeft. Waarom zou hij dat niet doen? Zonder zich met moderne of met oude twistvragen in te laten, overwint hij door de waarheid van God te kennen, de waarheid van God te leven en zich in de waarheid van God te verblijden! Zo iemand is een voorbeeld voor ons allen. En er zit een kostelijke smaak aan wat hij zegt, omdat hij uit ervaring spreekt over waarheden die hij in zijn eigen leven heeft uitgeleefd.

Zo dragen drie zaken bij aan de smaak van een preek: Christus als de leer, godsvrucht als de geest en ervaring die gewicht geeft aan het getuigenis. Maar deze drie zijn niet alles. Er is iets heiligs. Het is niet naamloos, want ik zal het straks noemen. Het is een hemelse invloed die in de mens komt, maar die geen naam heeft onder wat de mensen toebehoort. Deze heilige invloed doordringt de spreker, geeft smaak aan zijn stof en bestuurt zijn geest. Tegelijk rust hij op de hoorder, zodat die merkt dat zijn verstand wakker is, zijn vermogens oplettend en zijn hart bewogen.

Onder deze geheimzinnige invloed is de geest van de hoorder ontvankelijk, en als hij de waarheid van God hoort, zinkt die in zijn ziel zoals sneeuwvlokken in de zee vallen. Hij merkt dat hij verwarmd, opgebeurd, vertroost en opgewekt wordt, zoals uitgeputte mensen zich voelen als ze na een lange vastentijd verkwikt worden. Nu, wat is dit? Waar komt deze smaak vandaan? In één woord: hij komt van de Heilige Geest. De Heilige Geest getuigt met het Woord van God in het levendgemaakte hart en geweten van het volk van God, en dat Woord van God wordt voor hen leven, licht en kracht.

Dit alles hebben wij hard nodig! En als we het niet hebben, wat moeten we dan doen? Ik heb vaak gebeefd als ik hier kwam preken, uit vrees dat ik onder u zou moeten spreken zonder de hulp van de goddelijke Geest. Dan zou het veel beter zijn te zwijgen. Ik zou bijna wensen dat we de vrijheid hadden van onze vrienden de quakers, om gewoon stil te blijven zitten tot we ons gedrongen voelen te spreken. Want soms zouden we er beter aan doen anderhalf uur zonder een gesproken woord te wachten, dan dat een van ons zou spreken zonder de leiding van de Geest van God!

Bid veel, geliefden, dat er overvloedig dauw mag zijn, dat hemelse regens mogen neerdalen op ons en op alle gemeenten van God! Laat ons geloof in de Heilige Geest nooit een loze beleefdheid worden die we ons verplicht voelen Hem te bewijzen. Maar laten we in diepe en eerbiedige oprechtheid erkennen dat Hij de grote Werker in de gemeente is, de werkelijke Bewerker en Uitvoerder van de wonderbare werken van levendmaking, redding en vertroosting! Laten we met nederige harten op Hem wachten, in het besef dat we zonder Hem niets kunnen, maar dat alles goed is als Hij met ons is. Neem uit een prediking of enig onderwijs Christus als het onderwerp weg, godsvrucht als de geest, ervaring als de kracht van het getuigenis en de Heilige Geest als alles in allen, en u hebt alle smaak weggenomen! En wat blijft er dan over? Wat kunnen we beginnen met een smakeloos Evangelie? ‘Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?’

Onlangs zei men van een broeder dat hij van smakelijke leer hield. ‘Hij was een zoetekauw’, zei men. Het werd met minachting gezegd, maar als daar iets in te bespotten valt, dan wil ik graag in die smaad delen, want ik ben zelf ook een zoetekauw! Ik houd van boeken waar smaak aan is. En ik verklaar u, welke spot het mij ook oplevert, dat de meeste moderne boeken mij voor niets anders geschikt lijken dan om verbrand te worden! De oude godgeleerdheid heeft de zoetheid en de smaak waar het volk van de Heere vreugde in vindt, en ik voor mij ben van plan me daaraan te houden.

Want ik kan het wit van uw eieren niet eten; ik kan uw onsmakelijke spijs niet verdragen! Ik moet horen van de verkiezende liefde en het verbondsvoornemen van de Vader; dat is smakelijke spijs, zoals mijn ziel die liefheeft! Ik moet onderwijs hebben dat vol is van Christus, de leer van de genade en de Heilige Geest, of mijn ziel sterft van honger! Dit is mijn eerste punt.

2. Onze tweede opmerking is deze. Ik vind een weergave van de tekst die, al is ze niet helemaal nauwkeurig, toch een belangrijke waarheid uitdrukt, namelijk DAT WAT ONSMAKELIJK IS BIJ GEBREKE VAN ZOUT, NIET GEGETEN MOET WORDEN. Dit tweede punt noem ik alleen als een waarschuwing. Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig.

Er is in deze wereld heel veel dat onsmakelijk is door gebrek aan zout. Ik bedoel in het gewone gesprek. Helaas, het is gemakkelijk mensen te ontmoeten, zelfs mensen die de christelijke naam dragen, in wier gesprekken geen korreltje zout te vinden is. Ze zeggen niets wat tot stichting dient. Hun gepraat is vol vrolijkheid, maar er zit geen genade in. Ze tonen lichtzinnigheid in overvloed, maar geen godsvrucht. In andere gesprekken wordt gewichtige en degelijke kennis over gewone zaken gedeeld.

Maar het ontbreekt aan de geest waarin Gods volk verlangt te leven, want de Heere Jezus wordt vergeten. Iemand zei onlangs tegen me: ‘Toen wij jong waren, kenden we veel goede oude mensen die samenkwamen en urenlang over de Heere Jezus Christus spraken. En wij zaten erbij en vroegen ons af of wij ooit aan zulke gesprekken zouden kunnen meedoen. Maar waar hoort u dat nu nog?’ Ik zei tegen hem: ‘Ik hoop dat we het op heel veel plaatsen kunnen horen.’ Hij zei: ‘Ik kom het niet tegen.

Ik merk dat het gewone gepraat onder belijders niet veel bevat wat zielen verder helpt op weg naar de hemel.’ Ik beweer niet dat ik hierover een oordeel kan vellen, maar dit wil ik wel zeggen: het is heel jammer als een heilig gesprek een zeldzaamheid is. En het is goed voor u en voor mij om weg te gaan bij gesprekken die ons geen goed doen. Als er geen zout in een gesprek is, is het onsmakelijk voor een waarlijk christelijke geest, en hoe minder hij ervan hoort, hoe beter.

Verder wordt er in de wereld gepraat, ik hoop niet onder belijders, waarin zelfs niet het zout van de gewone zedelijkheid zit. Daardoor bederft het en wordt het onrein en weerzinwekkend. De oude Trapp zegt, wat ruw, dat het vol maden zit, en dat is misschien wat Job bedoelde. Dat wil zeggen: veel mensen gebruiken grove toespelingen en kwade suggesties. Sluit uw oren voor zulke praat! Vaak wordt er iets gezegd wat fonkelt, maar die glans komt voort uit verrotting. De geestigheid die haar scherpte aan de zonde ontleent, is uit de duivel.

De schittering die uit verdorvenheid voortkomt, is niet voor heilige ogen. O kind van God, duld haar nooit in uw gezelschap! Staat het niet in uw macht om kwade samensprekingen te stoppen, ga dan buiten hun bereik. Het past ons niet om om te gaan met hen wier lippen door wellustige woorden zijn aangevreten. Wij hebben genoeg buskruit in ons hart om bang te zijn dicht bij de smidse te komen als de vonken in het rond vliegen. Laten we ervoor waken dat er nooit een vuile rede over onze eigen lippen komt; dat zou werkelijk vreselijk zijn. Laten we elk gezelschap mijden waarin de reinheid van een vernieuwd hart gevaar loopt besmet te worden. Toch vrees ik dat we in onze dagelijkse bezigheden alle reden hebben te waken tegen wat onsmakelijk en bedorven is, want het bewarende zout wordt in onze tijd niet zo overvloedig gebruikt als zou moeten.

Nu, hetzelfde geldt niet alleen voor het gewone gesprek, maar ook voor veel modern onderwijs. Laat u niet in met onderwijs dat besmet is met ketterij, broeders en zusters! Als iemands betoog niet genoeg zout bevat om dwaalleer erbuiten te houden, dan is het voor u niet het juiste voedsel. Zuiver voer is niet zo schaars dat u aas hoeft te eten. Sommigen houden van vlees dat al wat sterk ruikt, en er zijn hoorders die zich aangetrokken voelen tot een prediker om wie een luchtje van ketterij hangt. Maar wat ons betreft: onze smaak leidt ons daarheen waar zout gevonden wordt. Waar de genade ontbreekt, zijn wij niet begerig om gevoed te worden! De feestmalen van de waarheid van God hoeven niet aangevuld te worden van de tafels van de dwaling.

Maar ik zal hier niet langer bij stilstaan, omdat ik al mijn tijd nodig heb voor het derde punt.

3. Het derde punt is dat ER SOMMIGE DINGEN IN DE WERELD ZIJN, WAAR MEN IETS ANDERS BIJ MOET DOEN. ‘Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?’
Er is veel in deze wereld wat we op zichzelf niet kunnen verdragen; er is kruiding bij nodig. Een van de eerste daarvan kan ons een les in voorzichtigheid leren, en dat is de bestraffing. Het is een christelijke plicht een broeder te bestraffen die in een zonde leeft. We moeten met alle zachtmoedigheid en kalmte tot hem spreken, om te voorkomen dat hij verder in het kwaad gaat, en om hem terug te leiden op de rechte weg. Maar wilt u alstublieft bedenken, broeders en zusters, dat het geven van bestraffing een teer werk is en een tere hand vraagt.

Van de goede Andrew Fuller werd gezegd dat hij vaak zo streng bestrafte dat het u deed denken aan iemand die een vlieg op het voorhoofd van zijn broeder zag zitten en een moker greep om haar weg te slaan. Sommige broeders hebben de gewoonte alles met kracht te doen. Maar in dit geval is er meer liefde nodig dan kracht, meer voorzichtigheid dan vuur, meer genade dan energie. Sommige mensen hebben een heel scherp oog voor de fouten van anderen en een vlotte tong om erover uit te weiden zodra ze die opmerken, en daar voegen ze dan nog een neiging aan toe om het gewicht van de fout te overdrijven.

Nu, deze broeders bestraffen altijd op de verkeerde manier. Luister. Een van hen roept: ‘Kom eens hier, broeder! Kom hier. Laat mij die balk uit uw oog halen.’ Die zogenaamde ‘balk’ is in werkelijkheid maar een mug, en de broeder die aangesproken wordt, wordt verontwaardigd over zo’n onrecht en wil helemaal niet dat iemand aan zijn oog komt. Waarom zou u uw eigen invloed door zo’n onverstand tenietdoen? Als de mug verwijderd kan worden, prima. Maar als u daarbij het oog bederft, zou het dan niet beter zijn het met rust te laten? We hebben mensen gekend die, om de waarheid van God te verbreiden, de liefde gedood hebben, die het leven van de waarheid van God is.

Ze willen een broeder in de leer op het rechte spoor zetten en slaan hem, om zijn gezicht scherper te maken, de ogen uit, en dat noemen ze dan ‘strijd voor de waarheid’. Het is één ding om ‘dapper voor de waarheid’ te zijn, en iets heel anders om bitter te zijn voor uw eigen mening. Een bestraffing, hoe vriendelijk u haar ook verwoordt en hoe verstandig u haar ook toedient, zal altijd iets onsmakelijks zijn! Zout haar daarom goed. Denk erover na. Bid erover. Meng er vriendelijkheid doorheen. Wrijf er het zout van de broederliefde in. Spreek met veel respect tot uw dwalende vriend en wees heel teder, want u bent zelf ook niet zonder fouten.

Spreek met erkenning van alle voortreffelijke eigenschappen en deugden van uw broeder, die per slot van rekening misschien groter zijn dan de uwe. En probeer, als u kunt, wat u te zeggen hebt in te pakken in vriendelijke woorden van lof over iets anders waarin uw vriend uitblinkt. Spreek de bestraffing uit met een van de woorden van uw Meester, als u er een kunt vinden die precies past. Geef uw patiënt de pil met een zilveren laagje van zachtheid; hij zal hem des te gewilliger innemen, en de pil zal er niets minder door werken. Als u onvriendelijk spreekt, kan degene die bestraft wordt zich in toorn tegen u keren. En als u hem vraagt waarom hij boos is, kan hij antwoorden: ‘Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?’

Verwacht niet van uw naaste dat hij uw eieren zonder zout eet! Verwacht niet dat hij uw bestraffende woorden aanneemt zonder de ware vriendelijkheid in stem en geest, die als zout zal werken. Zwijg niet over de zonde, maar wees niet hard in uw bestraffing ervan. Kruid uw vermaningen met genegenheid, en moge de Heere ze aangenaam maken voor hen die ze nodig hebben. Nu iets over andere zaken die veel mensen op zichzelf niet lusten. Ik bedoel de leerstukken van het Evangelie.

De ware leer van het Evangelie is nooit populair geweest en zal dat ook nooit worden, maar het is voor niemand van ons nodig haar onaangenamer te maken dan ze van nature is. Vooral tegen de soevereiniteit van de goddelijke genade komt het menselijk hart in opstand. De mens is een koning, denkt hij, en als hij van een andere Koning hoort, wordt hij meteen opstandig. De mens zou God aan handen en voeten gebonden willen hebben, zodat Hij Zijn barmhartigheid geeft zoals de mens het wil. En als de Heere die band verwerpt en verklaart: ‘Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben’, dan ontsteekt de mens in toorn! Als de Heere zegt: ‘Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods’, dan komt de mens in verzet! Hij duldt het goddelijke voorrecht niet.

Het past ons, die deze leer preken, ervoor te zorgen dat we er geen onnodige aanstootgevendheid aan toevoegen. Geen enkel leerstuk van de genade is smakelijk voor de natuurlijke mens. Hij houdt niet van de waarheid van de algehele verdorvenheid. Daarover wordt hij uitermate boos. Hij noemt het een smaadschrift tegen de adel van de menselijke natuur. Ik heb vaak gelezen over de menselijke natuur als iets edels, maar het spijt me te moeten zeggen dat ik haar nooit zo heb gezien. Men vertelt mij dat onze gevallen natuur verheven is en dat we de mensheid belasteren als we van haar spreken als geheel gevallen en zeggen: ‘Er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe.’ Het is geen wonder dat dit onsmakelijk is voor vleselijke hoogmoed!

Wat de leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen betreft: mevrouw ‘Te-Goed’ stampt met haar voet bij zulk onderwijs. Zou ze dan niets beter worden van al haar goede werken? Meneer ‘Goed-Genoeg’ knarst met zijn tanden bij de gedachte dat menselijke verdiensten niet kunnen behouden! Hij kan het niet verdragen te horen dat we behouden moeten worden door het geloof in Jezus Christus, en dat de zedelijkste en voortreffelijkste mensen Christus net zo hard nodig hebben als de meest verdorven en verlorenen! Vleselijke harten hebben geen smaak in het Evangelie; ze razen tegen de godgeleerdheid die God verheerlijkt! De mens wil de grote man zijn en God een kleine god laten zijn, en dan is hij tevreden. Maar als God hoog verheven wordt als Degene Die alles in allen is, dan nemen velen meteen aanstoot.

Broeders en zusters, wat moeten we doen, nu we willen dat mensen deze leer aannemen? We moeten er overvloedig zout door mengen! Als het Evangelie onsmakelijk is, moeten we er smaak aan toevoegen. Wat zal dat zijn? We kunnen niets beters doen dan het op smaak brengen met heiligheid! Waar een heilig leven geleid wordt, kunnen mensen niet gemakkelijk twijfelen aan de beginselen waaruit het voortkomt.

Als mannen en vrouwen vriendelijk, edelmoedig, teder, liefdevol, oprecht, waarachtig en Christus gelijk zijn vanwege de leer die ze aanhangen, dan begint de wereld te denken dat er waarheid in die leer moet zitten! De evangelische richting moet haar sterkste bewijzen altijd eerst aan het Evangelie ontlenen en daarna aan het leven van haar gelovigen. En als we niet kunnen wijzen op belijders van dit geloof die bekendstaan om hun heiligheid, wat zal de wereld dan zeggen? In vroegere eeuwen is een heilig leven onze strijdbijl en ons oorlogswapen geweest.

Kijk naar de tijd van de puriteinen. Tot op deze dag is die het struikelblok van het ongeloof! Tegenwoordig is het heel gewoon om de puriteinen uit te lachen en te zeggen dat hun geloof versleten is en dat we boven hun onderwijs uitgegroeid zijn. En toch kunnen precies dezelfde mensen die dit zeggen, de geschriften van Carlyle niet lezen zonder zich te verwonderen over Oliver Cromwell en de grote mannen die zich om hem heen schaarden. Zeggen ze dan nooit tegen zichzelf: ‘Met welke spijs zijn deze mannen gevoed, dat ze zo groot zijn geworden?’ Ze kunnen de levensbeschrijvingen van de puriteinen niet openslaan zonder te lezen hoe die heel Engeland met godsvrucht doortrokken, tot u, als u ‘s morgens door Cheapside liep, gemerkt zou hebben dat er nauwelijks een huis was waar de jaloezieën niet neergelaten waren, omdat de bewoners bijeen waren voor het huisgebed!

Het hele land voelde door deze mannen de kracht van de waarheid van God en van de gerechtigheid; door deze arme, onverlichte, dwaze puriteinen, die door onze jongens die net van de universiteit komen, worden uitgescholden. In hun strijd voor de waarheid van God waren de puriteinen even machtig als Cromwells ‘Ironsides’ in de dagen van de veldslagen, toen zij de vijand voor zich uit dreven als kaf voor de wind! Daarna volgde een tijd van slapheid, waarin ons nonconformisme wel bleef bestaan, maar geleidelijk wegkwijnde, eerst tot arminianisme en daarna tot unitarisme, totdat het bijna ophield te bestaan. De mensen weten dat het zo gegaan is, en toch zouden ze het allemaal opnieuw doen!

Ze lezen de geschiedenis en eisen toch dat de oude leer van de genade opnieuw wordt prijsgegeven en dat de proef nogmaals genomen wordt om onze kerken met menselijke wijsbegeerte uit te hongeren. O onverstandigen en tragen van hart! Zal de geschiedenis hun dan niets leren? Nee, niet als de Bijbel het niet doet. Als ze Christus en Zijn apostelen niet horen, zullen ze ook niet geloven, al zou er nog een unitaristische geest voor hun ogen voorbijtrekken. Er zijn voorzeker boze dagen nabij, tenzij de kerk de waarheden van God weer aan haar hart drukt!

Maar ik dwaal af. Het punt waar ik mee bezig was, is dit: bij de puriteinen werd de leer door hun heerlijk leven eerbiedwaardig en krachtig gemaakt, en zo moet het nu ook zijn. Een heilig leven moet onze leer zouten! We moeten Christus gelijk zijn, opdat de mensen geloven wat we over Christus te zeggen hebben!

Nu, een derde ei dat niet zonder zout gegeten kan worden, is de verdrukking. Verdrukkingen zijn zeer onsmakelijk. Ik meen iemand te horen zeggen: ‘Elke andere verdrukking zou ik niet erg vinden, behalve die welke mij nu terneerdrukt.’ Broeder, u spreekt zoals andere dwaze broeders vóór u gedaan hebben! Dat is op mijn beurt ook mijn taal geweest! Iemand die naast u zit, zou uw verdrukking helemaal niet erg vinden, dat denkt hij tenminste! Hij denkt dat juist zijn eigen kruis zo knelt. De lasten die de mensen in die straat daarginds dragen, wegen voor u niet zwaar. Maar als u zelf een zak meel moest dragen, zou die zak heel zwaar blijken.

We kennen allemaal het gewicht van onze eigen last, en dat van anderen onderschatten we. Mensen in moeite weten waar hun eigen schoen wringt, maar de schoenen van anderen wringen ook, en de kruisen van anderen zijn ook zwaar. ‘Alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn.’ Verdrukkingen zijn onsmakelijke spijs. Wat moeten we er dan mee doen? Wel, laten we ze zouten, als we kunnen. Zout uw verdrukking met geduld, en het wordt een vorstelijk gerecht! Door genade zullen wij met de apostel ‘ook in de verdrukkingen roemen’. Kijk naar hen die voortdurende zwakheden verdragen. Kent u er zo een? Ik wel. Een lieve zuster is al vele jaren blind, en toch ken ik geen gelukkiger vrouw dan zij. Ze heeft meer gezichten van vreugde dan de meesten van ons, hoewel haar ogen gesloten zijn voor het licht van de zon.

Ik ken een broeder in de bediening die zijn gezichtsvermogen bijna helemaal verloren heeft, maar hij preekt liefelijker dan ooit! Hij is een ziener in ons Israël geworden, met een diep inzicht in de waarheden van God zoals weinigen het hebben. Waarlijk, ‘de lammen zullen den roof roven’! Sommigen die doof zijn, horen de stem van hun Meester beter dan anderen. Zo worden zwakheden iets om in te roemen, omdat de kracht van Christus des te meer op ons rust. Zo is het ook als de Heere de arme genade geeft en hij tevreden wordt met zijn lot. Heeft hij niet veel meer vreugde dan de rijke man die nog altijd naar meer verlangt? Veel van Gods arme gevangenen in de tijd van de martelaren waren in de gevangenis gelukkiger dan ze er ooit buiten waren geweest. In de dagen van de covenanters, toen ze God aanbaden op de kale heuvel of bij het veen, was de Heere hun bijzonder nabij.

Toen die tijden voorbij waren en ze in overvloed leefden en ongestoord met de gemeente samenkwamen, zeiden ze: ‘Ach, man, de Heere was hier vandaag niet zoals Hij daarbuiten was, op de heuvelrug en op de berghelling.’ De Meester was voor Zijn discipelen van gedaante veranderd te midden van de nevels van de dalen. Toen droeg Hij geen sluier voor Zijn aangezicht, maar openbaarde Hij Zich zo duidelijk dat het heiligdom tussen de heuvels niet anders was dan een huis Gods en de poort des hemels! De Heere zoutte hun verdrukkingen met Zijn tegenwoordigheid en met de overvloedige kracht van de Heilige Geest, en zo genoten zij daarin een liefelijke smaak. Zo is het ook met u en mij:

‘Ik kan alles doen, of kan dragen
al het lijden, als mijn Heere er is.
Zoete vreugden mengen zich met de pijn,
terwijl Zijn linkerhand mijn hoofd ondersteunt.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Welnu, broeder, ga niet verder met dat ei zonder zout te eten! Zeg niet langer tegen uzelf: ‘Hier is niets dan wit, zonder enige smaak. Ik kan zulk weerzinwekkend voedsel niet eten.’ Doe er zout in, broeder! Doe er zout in, zuster! Bent u dat zout vergeten? Hebt u nagelaten de Heere te vragen om genade naar uw dag, genade om te zien dat ‘dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede’? Wees niet langer vergeetachtig, maar doe er een snufje zout bij! Dan gaat het smakeloze vlot genoeg naar binnen, en zult u de Naam van de Heere ervoor loven.

Ik zal u niet langer ophouden met over vervolging te spreken, al is dat ook een onsmakelijke spijs waarbij het zout van de vertroosting zeer gewenst is. Maar ten slotte is er de gedachte aan de dood. Is de dood op zichzelf niet onsmakelijk? Het lichaam huivert voor ontbinding en verderf, en de geest deinst terug voor het vooruitzicht dit warme huis van klei te moeten verlaten en te gaan naar wat lijkt op een koud, ijl gebied, waar de huiverende geest naakt een onbekend geheim binnengaat.

Wie zit er graag bij neer om te denken aan zijn laatste uur, aan het lijk, de doodkist en de lijkwade? De spade, het houweel en de vallende aardkluiten zijn armzalige muziek voor blije gemoederen! Wie houdt er nu van lijkenhuizen? Maar, lieve vrienden, gedachten aan de dood behoren, als ze gezouten zijn, tot de rijkste en fijnste gerechten die ooit op de tafel van de gelovige komen! Wat is sterven? Is het niet het einde van onze pelgrimsreis en de aankomst in de plaats waar de vele woningen zijn? Is het niet het verlaten van de stormachtige zeeën voor de Schone Havens, waar alles voor eeuwig gelukzaligheid is? De dood ontdoet de ziel van haar kleed, en op zichzelf lijkt dat een zware gang. Maar kruid het goed, en u zult naar de avond verlangen om u te ontkleden, opdat u mag rusten bij God!

Zout het goed, en u zult bijna ongeduldig worden over de lengte van uw dagen en naar uw laatste uren uitzien zoals kinderen naar hun vakantie, als ze naar huis mogen! Zout het goed, en uw hart wordt als dat van de vrouw wier man lang wegblijft en die uitrekent hoelang het nog duurt voordat hij weer thuiskomt, in haar huis en aan haar hart! U zult uitroepen: ‘Waarom vertoeft Zijn wagen te komen?’ Ik heb heiligen gekend die hun gedachten aan de dood zoutten tot ze veranderden in gezichten van de hemel, en ze begonnen te drinken van die wijn van het Koninkrijk, die de Geliefde nieuw met ons zal drinken op de dag van Zijn verschijning! O, gelukkig de zielen die dit kunnen! ‘Welk zout’, vraagt u, ‘moet ik door mijn gedachten aan de dood mengen?’

Wel, de gedachte dat u niet kunt sterven! Omdat Hij leeft, zult u ook leven! Voeg daar de overtuiging aan toe dat u zult leven, al was u ook gestorven. Gedachten aan de opstanding, aan het openzwaaien van de paarlen poorten en aan uw ingang daar! Gedachten aan het aanschouwen van het aangezicht van de Welbeminde! Gedachten aan de heerlijkheid die tot in alle eeuwigheid de uwe zal zijn aan Zijn eigen rechterhand! Dat zijn de zaken waarmee u uw overdenkingen tussen de graven smaak kunt geven.

Wat u betreft, die niet in Christus bent: u moet deze onsmakelijke spijs eten, en er zal geen zout bij zijn. Ik zie hoe u haar van u afschuift. U zegt: ‘Nee, ik ben niet van plan aan de dood te denken.’ O man, maar u zult moeten sterven, en misschien spoedig. O vrouw, u zult moeten sterven; de kiem van de dood zit nu al in uw boezem. Zo zeker als u leeft, zult u moeten sterven! ‘En daarna het oordeel.’ Dit is de spijs die op uw bord gelegd zal worden, en u kunt haar niet laten staan. Dit is het wit van het ei, en u moet het naar binnen werken, of u wilt of niet!

Het heeft geen smaak waarvan uw verhemelte kan genieten. Het heeft geen andere smaak dan die van vrees. Ach, als uw geweten ontwaakt, wat moet u dan beginnen met de brandende gedachte dat u bij uw sterven moet gaan naar waar de hoop nooit kan komen? O ziel, als u deze wereld verlaat zoals u nu bent, kunt u het aangezicht van God nooit met blijdschap zien! U zult verdreven worden van Zijn aangezicht en van de heerlijkheid van Zijn sterkte, om te ondervinden wat het betekent: ‘Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.’ Men zegt dat eeuwig niet eeuwig betekent.

Wat dan? Zullen de rechtvaardigen na een tijd omkomen? In deze twee zinnen moet hetzelfde woord hetzelfde betekenen: ‘En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.’ Als het eeuwige leven eeuwig duurt, dan moet de eeuwige pijn dat ook! Als de rechtvaardigen ophouden te bestaan, zullen de goddelozen ophouden te bestaan. Als de godvrezenden ophouden met hun vreugde, zullen de goddelozen ophouden met hun ellende, maar niet eerder! Dat is onsmakelijke spijs voor u. De Heere helpe u om haar te zouten, ook nu nog, door in Jezus te geloven en zo de eeuwige zaligheid te vinden.

Amen.

Preek nr. 1730 · Gehouden te Newington, Londen, donderdagavond 5 juli 1883, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 29. Oorspronkelijke titel: “A Cure for Unsavory Meats, or, Salt for the White of an Egg”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.