24 March Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Een ernstige uitnodiging om te geloven

Een ernstige uitnodiging om te geloven

“Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen”, Psalm 2:12

Twee zondagen geleden heb ik tot u gesproken over de tekst “de machtige God.” Toen heb ik mijn best gedaan om te bewijzen dat Christus “waarachtig God uit waarachtig God” moet wezen, gelijk aan de Vader en eeuwig als Zijn Vader. Zonder dit nogmaals te willen bewijzen, gaan wij over naar de praktische conclusie, want uiteindelijk is de praktijk het doel van elke preek. Anders gezegd, het doel van iedere preek is het gebed. Zo staat het ook in onze tekst, want welke lippen kunnen een eerlijke kus geven aan de Zoon van God dan de lippen van gebed? Wij gaan dus over naar de praktische conclusie. Moge God de Heilige Geest ons helpen.

Onder de ernstigste en ijverigste predikanten wordt er soms geruzied over wat de beste manier is om zielen tot Christus te leiden. Is het de donder van de dreiging of de stille, kleine fluistering van de belofte? Ik heb wel dominees gehoord die het eerste verkozen. Zij bleven hameren op de verschrikkingen van de wet en die zijn zeker vaak bijzonder nuttig. Zij hebben de Schrift als machtiging: “Wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof.” Met “vreselijke dingen in gerechtigheid,” de toom en het oordeel van God over de zonde, hebben zij zorgeloze mensen zonder genade gealarmeerd en zijn zo het middel in Gods handen geweest om mensen te laten vluchten voor de komende toom.

Aan de andere kant zijn er ook predikanten die een beetje lachen om die dreigementen en die haast uitsluitend leven op de beloften. Hun preken zijn, net als die van Johannes, vol liefde. Zij preken steeds over teksten als deze: “Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol,” en “komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven,” en soortgelijke teksten. Nu, ook zij zijn bijzonder nuttig en ook zij hebben schriftuurlijke machtiging in overvloed. Zo spraken ook Jezus’ apostelen dikwijls en zo sprak ook Jezus Christus zelf, liefkozend en met genade en met liefdesklanken verbrekend hen, die de verschrikkingen van de wet slechts verhard zouden hebben in hun zonden. Mijn tekst lijkt echter een gelukkige combinatie te wezen van de twee en ik ga ervan uit dat de meest doeltreffende evangelisatie beide middelen om mensen tot Christus te brengen, zal combineren. De tekst dondert met al Gods bliksemstralen: “Opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toom maar een weinig zou ontbranden.” Maar de tekst eindigt niet in donder. Er komt een zoete, zachte, verkwikkende regenbui na de storm: “Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.”

In deze preek zal ik proberen om beide argumenten te gebruiken en ik zal mijn tekst als volgt verdelen: eerst de opdracht: “Kust den Zoon,” ten tweede het argument dat aangevoerd wordt: “Opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat” en ten derde de zegen waarmee de tekst eindigt:“ Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen” en deze zegen is dan een tweede reden waarom wij het gebod moeten gehoorzamen.

1. Eerst dan het gebod:“Kust den Zoon.” Een kus heeft verschillende betekenissen; in belangrijkheid toenemende betekenissen. Ik bid of wij door genade van stap tot stap geleid mogen worden, zodat wij het gebod in al zijn volheid mogen verstaan en het in praktijk zullen brengen.

a. In de eerste plaats is het een kus van verzoening.De kus is een teken dat vijandschap is weggedaan, dat ruzie is beëindigd en dat de vrede is hersteld. U zult weten dat toen Jakob en Ezau, alhoewel de harten van de broers lang van elkaar vervreemd waren geweest en vrees in het hart van de een gewoond had en wraak zijn vuurtjes gestookt had in het hart van de ander, toen zij elkaar ontmoetten, zij met elkaar verzoend werden en elkaar om de hals vielen en elkaar kusten. Het was een kus van verzoening. Nu, het allereerste werk van genade in het hart is dat Christus de zondaar de kus van Zijn liefde geeft om Zijn verzoening met de zondaar te bewijzen. Zo kuste de vader zijn verloren zoon toen hij terugkeerde. Voordat het feest werd aangericht, voordat de muziek en de dans begon, viel de vader de zoon om zijn hals en kuste hem. Van onze kant is het echter zaak om die kus terug te geven en zoals Jezus ons de verzoenende kus geeft uit naam van God, zo is het onze zaak om de lippen van Jezus te kussen en zo door die daad te bewijzen dat wij “verzoend zijn met God door de dood van Zijn Zoon.”

Zondaar, tot nog toe bent u een vijand van Christus’ Evangelie geweest. U hebt Zijn sabbatten gehaat, u hebt Zijn Woord veronachtzaamd, u hebt Zijn geboden verafschuwd en Zijn wetten naast u neergelegd. U hebt Zijn koninkrijk tegengestaan zoveel u maar kon, u hebt het loon van de zonde liefgehad en meer gehouden van de wegen van ongerechtigheid dan van de wegen van Christus. Wat zegt u? Strijdt de Geest nu in uw hart? Dan raad ik u aan om te buigen onder Zijn genadige invloed en uw gevecht te staken. Leg de wapenen van uw opstandigheid neer, trek de pluimen van trots uit uw helm en werp het zwaard van uw rebellie weg. Wees niet langer Zijn vijand want, wees gerust. Hij wil uw vriend wezen. Met uitgestrekte armen staat Hij klaar om u te ontvangen. Met ogen vol tranen, wenend over uw koppigheid en met een hart vol medelijden, spreekt Hij vanmorgen door mijn lippen en zegt: “Kust de Zoon”, weest verzoend. Dit is de ware boodschap van het Evangelie, “de bediening der verzoening.” Zo spreken wij, zoals God ons opdraagt: “wij bidden u in Christus’ naam: laat u met God verzoenen.”

En is dit een moeilijke zaak die wij van u vragen, dat u bevriend zou zijn met Hem die uw beste Vriend is? Is dit een strenge wet, als het bevel van Farao aan de kinderen van Israël in Egypte, als Hij u eenvoudig vraagt om een verbond aan te gaan met Hem, die Zijn bloed vergoten heeft voor zondaren? Wij vragen u niet om vrienden te worden van de dood of de hel, wij vragen u liever om uw verbond met hen te verbreken. Wij bidden dat genade u mag leiden, om hun gezelschap voor eeuwig af te zweren en in vrede te komen met Hem, die de verpersoonlijking van de liefde is. Zondaren, waarom zou u Hem, Die slechts verlangt om u te redden, weerstaan? Waarom zou u Hem, Die u liefheeft, versmaden? Waarom zou u trappen op het bloed, dat u gekocht heeft en het kruis afwijzen, dat uw enige hoop op zaligheid is? “Kust de Zoon.” Dat is de eerste betekenis van de tekst, de kus van verzoening. De Geest van God moet een verandering in een mensenhart teweegbrengen, voordat die mens gewillig is om deze kus te geven. En het is mijn hartenwens dat door de woorden, vanmorgen gesproken, de Geest het verharde hart mag buigen en u vandaag zal leiden om Christus de kus van verzoening te geven.

b. Ook is de kus uit mijn tekst een kus van onderdanigheid en huldebetoon. Het is een Oosters gebruik dat de onderdanen de voeten van hun koning kussen. In sommige gevallen is hun onderdanigheid zelfs zo groot, dat zij het stof onder zijn voeten kussen of zelfs de treden van zijn troon. Nu, Christus vraagt van ieder die gered wil worden dat hij zal buigen voor Zijn regering. Er zijn mensen die wel gered willen worden en bereid zijn om Christus aan te nemen als hun priester, maar zij zijn niet bereid om hun zonden op te geven, niet bereid om Zijn voorschriften te onderhouden, niet bereid om in Zijn inzettingen te wandelen en Zijn geboden te houden. Nu, bekering kan niet in tweeën gesneden worden. Als u vergeving wilt ontvangen, dan moet u ook heiliging ontvangen. Als uw zonden vergeven zijn, dan moeten zij verafschuwd worden. Als u gewassen bent in het bloed om de schuld van uw zonde weg te nemen, dan moet u gewassen worden in het water om de macht van de zonde over uw leven weg te nemen. O zondaren, het gebod is: “Kust den Zoon.” Buig dan uw knieën en erken Hem als een vorst en zeg: andere heren hebben over ons geregeerd; wij hebben onze lusten aanbeden, ons vermaak, onze trots en ons egoïsme, maar nu zullen wij onszelf onderwerpen aan Uw lichte juk. Neem ons en maak ons de Uwe, want wij willen Uw onderdanen worden.

U moet Hem de kus van trouw, van huldebetoon en van loyaliteit geven en Hem als uw Koning aannemen. En is dit een moeilijk gebod? Wel, kijk naar de Engelsen, zij springen op en zingen enthousiast: “God save our gracious Queen, long live our noble Queen, God save the Queen.” Is het dan moeilijk voor u en mij om uit te moeten roepen: “God spare Koning Jezus! Moge Zijn koninkrijk zich uitbreiden! Laat Hem, de Koning der koningen en Heere der heren, regeren! Laat Hem in onze harten regeren!” Is het zo moeilijk om onder Zijn zachtzinnige scepter te buigen? Is er enige wreedheid in de eis dat wij onszelf behoren te onderwerpen aan de wet van recht en oprechtheid en rechtvaardigheid en liefde? “Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid; en al haar paden vrede.” “Uwe geboden zijn mijn vermakingen.” “Komt herwaarts tot Mij,” zegt tie Heere, “en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u,” het is niet zwaar, “en leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen.” O, zondaar, verlaat die zwarte vorst; keer de koning van de hel uw rug toe. Moge genade u in staat stellen om nu te vluchten van hem, die u vandaag misleidt en u morgen voor eeuwig zal vernietigen. Kom tot Prins Immanuël, de Zoon van God en verklaar uzelf nu een gewillige onderdaan van Zijn gezegend koninkrijk. “Kust de Zoon.” Het is de kus van verzoening en de kus van huldebetoon.

c. Ook is het een kus van aanbidding. Zij die Baal aanbaden, kusten de kalveren. Het was de gewoonte in het Oosten dat aanbidders de god die zij dwaselijk vereerden, kusten. Nu is het gebod dat wij Christus goddelijke aanbidding zullen geven. De Unitaristen, die slechts één Persoon in God erkennen, willen dit niet doen. Zij zeggen dat Christus maar een gewoon mens is. Zij willen de eeuwige Zoon van God niet kussen. Laten zij bedenken dat God Zijn Evangelie niet zal veranderen om bij hun ketterij te passen. Als zij koppig de goddelijkheid van Christus ontkennen, dan moeten zij zich niet verbazen als Christus op de laatste dag zal zeggen: “Maar dezen zijn Mijn vijanden, die niet wilden dat Ik over hen zou regeren, breng hen hier en sla hen voor Mij dood.” Het is geen wonder als de mens die de goddelijkheid van Christus verwerpt, zou ontdekken dat hij zijn huis op het zand had gebouwd en als de regen neervalt en de vloed komt, dan zal zijn hoop wankelen en groot zal zijn val zijn.

Wij worden gevraagd om Christus te aanbidden en o, hoe heerlijk is dit gebod, om Hem te kussen in aanbidding en bewondering! Het is de grootste vreugde voor een christen om Jezus te aanbidden. Ik weet van geen verrukkelijker opwinding die het hart van een christen sneller kan doen kloppen en zijn ziel opwekken tot muziek, dan om Jezus te aanbidden. Het zal ook zeker het lied van de hemel zijn om te zingen “waardig is het Lam” en om nog eens nog harder te juichen “waardig is het Lam! Waardig is het Lam!” Wel zondaar, u wordt gevraagd om dit te doen, om Christus als uw God te erkennen. “Kust de Zoon.” Ga vandaag nog naar Hem toe in gebed, val op uw knieën en aanbidt Hem. Belijdt de zonden die u tegen Hem bedreven hebt en neem Zijn gerechtigheid aan. Raak de zoom van Zijn kleed aan en aanbidt Hem door uw geloof, vertrouwend op Hem. Aanbidt Hem door uw diensten en leef slechts voor Hem. Aanbidt Hem met uw lippen, Hem prijzend. Aanbidt Hem met uw hart, Hem liefhebbend en lever uw hele wezen aan Hem uit. Moge God u helpen om op deze manier “de Zoon te kussen”.

d. Er is nog een vierde betekenis en volgens mij is dit de heerlijkste van alle. “Kust den Zoon.” Ach Maria Magdalena, ik heb u vanmorgen nodig! Kom hier Maria, u moet mijn tekst uitleggen. Er was een vrouw die veel vergeven was en die veel liefhad en als gevolg van die grote liefde wilde zij graag dikwijls in Jezus’ gezelschap en in Zijn aanwezigheid zijn. Zij kwam bij het huis van de Farizeeër waar een feest werd gegeven, maar zij durfde daar niet binnen te gaan want zij was een zondares. De Farizeeër zou haar tegenhouden en haar wegsturen. Wat deed een hoer daar in het huis van een heilige Farizeeër? Dus kwam zij tot de deur alsof zij alleen maar even naar binnen wilde kijken en een glimp wilde opvangen van Hem die haar ziel liefhad. Maar daar lag Hij aan de tafel, en gelukkig voor haar had de Farizeeër Hem geringschattend behandeld en had hij Hem niet aan het hoofd van de tafel geplaatst maar aan het eind en daarom lagen Zijn voeten dicht bij de deur. Zij kwam en, o, zij zou niet op Zijn hoofd hebben durven zien. Maar zij stond aan Zijn voeten, die naar achteren lagen en zij weende. Haar tranen vloeiden zo overvloedig dat zij Zijn voeten wasten. Dat had de Farizeeër nagelaten. Haar prachtige haren, die voorheen de netten geweest waren waarin zij de mannen verstrikte, maakte zij nu los en zij begon Zijn voeten ermee af te drogen en, neerbuigend, kuste zij Zijn voeten en kuste ze nogmaals. Arme zondaar, u die veel schuld hebt, als u de hoer uitgehangen hebt of op een andere manier een zondaar bent geweest, kom nu, smeek ik u, tot Jezus. Kijk naar Hem, geloof in Hem, vertrouw op Zijn bloed, want dit alleen kan u met God verzoenen. Als u dit gedaan hebt, kom en “kust de Zoon,” kus Zijn voeten met liefde.

O, als Hij vanmorgen hier was, dan zou ik Zijn voeten steeds weer kussen. En als iemand zou vragen waarom ik dat deed, dan zou ik antwoorden dat ik veel liefheb omdat mij veel is vergeven. Jezus, U staat mij toe Uw voeten te kussen met de kussen van liefde! Mag ik bidden als de bruid in het Hooglied: “Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.” Mag ik zo bidden? Dan, geprezen zij Uw naam, zal ik er niet mee wachten. Als ik zo hogelijk bevoorrecht mag zijn, dan zal ik het voorrecht niet verspelen door nalatigheid of koudheid van hart. Zelfs nu geeft mijn ziel de kus van diepe en ernstige liefde.

“Kust de Zoon.” Ziet u de betekenis hiervan? Het is een kus van verzoening, een kus van huldebetoon, een kus van aanbidding en een kus van liefdevolle dankbaarheid. “Kust de Zoon.” Maar als er nu eens in deze grote samenkomst iemand zou zijn die zei: “Ik zal de Zoon niet kussen, ik ben Hem niets verschuldigd, ik wil Hem niet dienen, ik wil niet met Hem verzoend wezen!” Ach ziel, er vloeien tranen voor u. Mocht God werken dat heel het volk van Christus voor u zou wenen totdat uw hart veranderd zou zijn, want het vreselijke deel van de tekst dat wij nu gaan lezen, geldt voor u en het zal niet lang duren of u zult zijn angstwekkende betekenis kennen. Maar mogen wij geen betere dingen hopen? Hebben wij niet ergens in deze grote kerk een arme, bevende boeteling, die met tranen in de ogen zegt: ”Kus Hem en wees verzoend met Hem? O, mocht ik dat maar! Mijn vrees is, dominee, dat als ik zou proberen om Christus te naderen, Hij dan zou zeggen: “Ga weg van Mij, Ik wil niets met u te maken hebben. U bent te smerig, te verhard; u hebt het Woord te lang weerstaan, te lang Mijn genade veracht, ga weg.”

Nee ziel, Jezus heeft dat nog nooit gezegd en Hij zal dat ook nooit zeggen. Wat uw zonden ook zijn, zo lang als u leeft, is er hoop. Hoe groot uw schuld, hoe enorm uw overtredingen, als u nu verzoend wilt worden, dan heeft God u gewillig gemaakt en Hij zou die wil niet in u hebben gewerkt als Hij die niet zou willen bevredigen. Er is niets dat u van Christus kan afhouden als u wilt komen. Christus verwerpt niemand die gered wil worden. Er is in Zijn hart genoeg liefde voor allen die Hem zoeken, genoeg voor iedereen, genoeg voor eeuwig. O, denk toch niet dat Christus altijd langzamer is dan wij zijn. Wij hebben Hem nooit lief voordat Hij ons liefheeft. Als ons hart Hem liefheeft, dan had Zijn ziel ons lang geleden al lief en als wij nu met Hem verzoend willen worden, laten wij dan zeker weten dat Gods hart hunkert om Zijn Effaïm aan Zijn borst te drukken. Moge God deze preek zegenen aan ieder hart hier aanwezig en aan Hem zij de eer.

2. Dit brengt ons tot het tweede deel van onze tekst. “Kust de Zoon” – en het argumentis “opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toom maar een weinig zou ontbranden.” Lees: “Opdat Hij niet toorne.” Kan Hij toornen? Is Hij niet het Lam van God? Kan een Lam boos zijn? Weende Hij niet over de zondaren? Kan Hijvertoornd zijn? Stierf Hij niet voor zondaren? Kan Hijtoornen? Ja, dat kan Hij en als Hij toomt, dan is het werkelijk toom. Als Hij vertoornd is, dan is het toom die niemand kan evenaren. Het vreselijkste gedeelte uit de hele Bijbel vind ik die kreet van de verlorenen “heuvelen, bedek ons, bergen, val op ons en verberg ons voor het gezicht van Hem, Die zit op de troon en voor de toom van het Lam.” Wat een vreselijke combinatie “de toom van het Lam.” Kunt u zich Hem voorstellen, Zijn lieve gezicht, die ogen die geweend hebben, die handen die gebloed hebben, die lippen die zoveel woorden van liefde en medelijden spraken? Kunt u geloven dat die ogen op een dag van geen tranen zullen weten, maar zullen bliksemen? Dat die handen geen genade zullen kennen, maar een staaf ijzer zullen vastgrijpen en de goddelozen in stukken zullen breken als een pottenbakkers vat? Dat die voeten geen boodschappen van liefde zullen brengen, maar dat Hij op Zijn vijanden zal treden en hen vermorzelen zoals druiven getreden worden door de wijnpersers? Het bloed van Zijn vijanden zal dan Zijn klederen bevlekken en als Hij opkomt van hun vernietiging, zullen zij Hem vragen “wie is dit die komt?” Niet van Golgotha, niet van Gethsemané, maar: “Wie is Deze, die van Edom komt met besprenkelde klederen van Bozra?” Bozra was de hoofdstad van Edom, het land van de grootste vijanden van God. “Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? “En wat zal het antwoord zijn? Het is verschrikkelijk. Wie is het Die Zijn vijanden onder de voet vertreden heeft en hen verpletterd heeft? “Ik, Die machtig ben om te verlossen.” Waarom toch? Jezus, als u gezegd zou hebben “machtig om te vernietigen,” dan zouden wij U hebben kunnen begrijpen, maar “machtig om te verlossen” – en dat is Hij – dit geeft scherpte aan de hele zin. Wanneer Hij Zijn vijanden zal vernietigen, dan zal Hij, Die machtig is om te redden, machtig zijn om te verpletteren. Machtig om te verdoemen, machtig om te verscheuren en machtig om Zijn prooi in stukken te scheuren.

Ik zeg het nogmaals, ik weet niets wat mij meer angst aanjaagt dan de gedachte dat Christus vertoornd zal zijn. Wanneer wij leven en sterven zonder berouw te hebben, Zijn genade verwerpen en Zijn offer verachten, dan hebben wij reden om te sidderen voor deze zin: “Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne.” En ziet u nu nogmaals dat als Christus eenmaal vertoornd is, het dan helemaal over moet zijn met onze hoop of onze rust? Wij stellen ons een arm meisje voor dat van het rechte pad afgegaan is. Zij heeft volhard in haar zonden niettegenstaande vele waarschuwingen. Vrienden komen om haar te helpen, maar zij geven het allen op, de een na de ander, want zij wordt ontstellend slecht. Anderen komen om haar te helpen, maar zo vaak zij komen, gaan zij weer, want het meisje zondigt en zondigt en zondigt maar door. Er is echter iemand die haar vaak in zijn armen genomen heeft, hoe zij ook zondigde: haar vader. Hij zegt: “Zal ik het kind dat ik gekregen heb, ‘vergeten? Een zondares is ze, maar ze blijft mijn kind.” En zo dikwijls als zij zondigt en weggaat, verstoot hij haar niet. Hij ontvangt haar weer in zijn huis. Besmeurd en verontreinigd als zij is, geeft hij haar weer de kus van tere liefde. Op het laatst volhardt zij in haar zonde. Dit maakt haar zo ellendig dat op een dag iemand tegen haar zegt: “Waarom zoek je niet een vriend om je te helpen uit al je ellende, waarin de zonde je gebracht heeft?” “O,” zegt zij, “ik heb n iemand over.” “Maar je vader is er toch, heb je geen vader of moeder?” “Ja,” zegt ze, “maar mijn vader is boos en hij wil niets voor mij doen.” Dan heeft zij haar laatste deur dichtgeslagen en is al haar hoop verloren. Zij neemt haar eigen leven omdat haar enige hulp boos is en haar hoop vergaan! Wanhoop moet haar dan aangrijpen, wanneer haar beste en enige hulp boos is op haar.

Laat mij u nog een voorbeeld schetsen, een eenvoudiger voorbeeld. Een duif is een lange tijd geleden uit Noachs ark gevlogen. Veronderstel dat die duif vele uren gevlogen heeft totdat haar vleugels moe zij n. Arme, arme duif! Over de oeverloze zee vliegt zij en vindt nergens een pietsje waar zij haar moede pootjes kan laten rusten. Op het laatst denkt zij aan de ark. Zij vliegt erheen, hopend om daar onderdak te vinden, maar veronderstel dat zij Noach door het raam ziet staan kijken met een kruisboog in zijn handen orai haar te vernietigen. Waar is dan haar hoop? Haar enige hoop is de dood. Laat zij haar vleugels maar vouwen en in de zwarte stroom verdrinken en sterven met al de anderen.

Ach zondaar, dit zijn maar twee flauwe afbeeldingen van de hopeloosheid van uw wanhoop als Hij, die de Vriend van zondaren is, eenmaal vertoornd zal zijn. Hij, de beklager van zondaren. Hij die onze ziel wil liefhebben. Als Hij eenmaal vertoornd is, waar, waar, o, waar kunnen zondaren zich dan verbergen? Als Hij vertoornd is en een boog opneemt en een pijl aanlegt, waar is dan uw schuilplaats? Waar is uw verdediging? Zondaren, “kust de Zoon,” buig nu voor Hem neer en ontvang Zijn genade. Erken Zijn heerschappij, opdat Hij niet toornig op u zal zijn en u voor eeuwig opsluit in zwarte hopeloosheid, want niemand kan u hoop of vreugde geven als Hij eenmaal vertoornd is.

En let nu op het gevolg van Christus’ toom. “En gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toom maar een weinig zou ontbranden.” Laat mij u een tafereel schetsen. U hebt wel eens een dienstmeisje het vuur zien aanmaken. Eerst is er de lucifer, de vonk en er is een klein beetje aanmaakhout. Wat is dat kleine beetje aanmaakhout vergeleken met het vuur dat ervan komt? U hebt wel gehoord van de prairiebranden. De reiziger heeft een vuur gemaakt en een vonk laten vallen, het vuur wakkert maar een beetje aan en een klein kringetje van vlammen vormt zich. Het is niet voor te stellen wat een enorme catastrofe er kan ontstaan als de vuurzee het halve continent lijkt te bedekken. En toch, let op, zegt onze tekst dat “wanneer Gods toom maar een weinig zou ontbranden,” dit al genoeg is om de goddeloze totaal te vernietigen, zodat zij “op den weg vergaan.” Wat een vreselijke gedachten geeft dat ons als wij ogen hebben om het te zien! Het is als een van Martins grote schilderijen: het bevat meer wolken dan omtrek; het bevat grote hoeveelheden zwart. Er is slechts dit kleine beetje aanmaakhout nodig en de zondaar is vernietigd. Maar wat is dat? Zwarte, dikke duisternis voor eeuwig. Wat moet er dan worden van de zondaar wanneer de adem van de Heere als een stroom van zwavel de hel zal aanblazen totdat de vlammen boven alle gedachten reiken en totdat het vuur beneden brandt, zelfs tot de laagste delen van de hel? Zijn wraak is dan slechts een weinig ontstoken.

Ik zie echter dat Calvijn, samen met verscheidene andere commentatoren, een andere verklaring geeft aan dit “maar een weinig.” “Over maar een weinig tijd zult gij op de weg vergaan.” Zo mag het dus ook vertaald worden zonder de oorspronkelijke tekst geweld aan te doen. Gods toom wordt heel haastig ontstoken wanneer een mens God eenmaal afgewezen heeft. Als hun genadetijd voorbij is, dan komt het uur van hun donkere wanhoop en Zijn wraak is in korte lijd ontstoken. Dit moest ieder van ons doen nadenken over onze zielen. Het feit dat God ons plotseling kan wegnemen en dat de grootste losprijs ons dan niet meer verlossen kan. Vorige zondag zagen wij hoe snel God iemand kan wegnemen. Op ons dorpsplein in Clapham zocht een man dekking onder een populierenboom en plotseling kwam er een bliksemstraal uit de hemel en scheurde zijn lichaam in stukken en de man stierf. Het zou mij niet verbaasd hebben als er gisterenavond, toen ik mijn tekst zat te lezen bij het licht van de bliksem en hem overdacht onder het gedreun van de donder, er vele zulke doden vielen. God kan ons spoedig wegnemen. Maar het verbazende is dit. Mensen bezoeken die boom waaronder de man stierf, en zij gaan weer weg en blijven net zo zorgeloos als voorheen. U en ik horen van een plotselinge dood en toch veronderstellen wij dat wij niet plotseling zullen sterven. Wij kunnen ons niet voorstellen dat Gods wraak in een korte tijd ontstoken zal zijn en dat Hij ons plotseling zal wegnemen. Wij denken dat wij een langzame dood in ons bed zullen sterven en dat wij nog een overvloed van tijd hebben om ons op de dood voor te bereiden. O, ik smeek u, laat zo’n waanidee uw ziel niet vernietigen. “Kust de Zoon nu, opdat Hij niet toorne en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toom maar een weinig zou ontbranden.” Kniel nu voor Hem neer en ontvang Zijn genade.

Ik keer echter terug naar de eerste verklaring van de tekst: “Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toom maar een weinig zou ontbranden.” Hoe vreselijk is het lot van de goddeloze! Het weinige ontbranden van Gods toom doodt hen; hoe vreselijk zullen de eeuwige branden zijn? Wie onder ons zal wonen met het verterende vuur, met eeuwig branden? Er is een land van dikke duisternis en wanhoop, waar de onsterfelijke worm woont, die de zielen van de verdoemden eindeloos vermorzelt. Er is een snel ontbrandend vuur, dat het merg van lichaam en ziel verdroogt, maar het toch niet vernietigt. Daar is ook de put die geen bodem heeft. Men valt erin zonder hoop om ooit tot een eind te komen. Er is een land waar zielen eeuwig dood blijven en toch nooit sterven. Zij worden vermorzeld, maar niet vernietigd. Zij worden gebroken, maar vergaan niet. Eeuwig, eeuwig, eeuwig is de eindeloze golf die steeds weer een nieuwe vloed van vuur op de kust van pijn en ellende laat rollen, welks jaren zo ontelbaar zijn als de zandkorrels van de zee. En zal het uw en mijn lot zijn om eeuwig te wonen met de huilende geesten van de verdoemden? Moeten deze ogen zilte tranen huilen? Moeten deze lippen gebarsten worden van de oneindige hitte? Moet dit lichaam eeuwig gepijnigd worden? Moet deze ziel met al zijn krachten een zee van verdriet worden, waarin de vloedgolven van Gods toom eindeloos zullen rollen met zwarte en vurige stromen?

O mijn God, mag ik de gedachte uitspreken? Er kunnen er vanmorgen in deze kerk zijn, die binnenkort in de hel zullen zijn. Als u een pijl in uw richting aangespannen zou zien, zou u het een vreemde voorspelling vinden als ik zou zeggen dat spoedig de pijl daar zijn doel zou treffen? “Nee,” zult u zeggen, “het is logisch dat die de kant op zal gaan waarheen hij gericht was.” Maar zondaren, sommigen van u zijn vandaag gespannen op de boog van zonde. Zonde is de snaar die u voortdrijft. Sommigen van u gaan fluitend voort richting dood, wanhoop en hel. Zonde is het pad naar de hel en u reist eropaan met bliksemsnelheid. Waarom vindt u mij hard als ik voorspel dat u spoedig aan het einde komt en de oogst voor uw ziel plukt? O, “kust den Zoon,” ik smeek het u, want als u Hem niet kust, als u Zijn genade en vergeving niet ontvangt, dan moet u vergaan. Er is geen hoop voor u. Wanhopig en zonder remedie moet uw einde wezen als u uw trots niet wilt opgeven en uzelf niet wilt onderwerpen aan Christus. O, wat voor taal zal ik gebruiken? Hier zou een taak liggen voor Demosthenesals hij uit de dood kon opstaan en bekeerd zijn en preken met al zijn machtige spreekvaardigheid om u aan te sporen om te vluchten voor de komende toom. Hier is een tekst, die de spreekvaardigheid van de apostel Paulus wellicht zou uitputten, als hij u met tranen op de wangen zou smeken om tot Christus te vluchten en de genade aan te grijpen. Maar ik, ik kan niet zeggen wat er in mijn ziel omgaat. Ik zou willen dat mijn hart kon spreken buiten mijn lippen om, om u te vertellen van het verdriet dat ik nu voel over uw zielen.

O, waarom zult u sterven? “Waarom zoudt gij sterven, gij en uw volk?” Wilt u uw bed in de hel opmaken? Wilt u uzelf voor eeuwig met vlammen bekleden? Wilt u de vreugde van zonden in dit leven hebben en dan de oogst van vernietiging binnenhalen in de toekomende wereld? O lieve mensen, ik smeek u bij de levende God,bij dood, bij eeuwigheid, bij hemel en bij hel, stop, stop, stop en “kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat.” O, de verschrikkingen van de Heere, wie zal ze uitspreken? Gisterenavond zagen wij als het ware de achterkant van de vreselijke God, toen Zijn rokken van licht door de lucht trokken. Hij maakte de wolken Zijn wagen en Hij reed op de vleugels van de wind. Zondaren, kunt u staan voor de God van de donder? Kunt u strijden tegen de God van de bliksem? Wilt u Hem weerstaan en Zijn Zoon verachten en het aanbod van genade afwijzen en uzelf aan Zijn speer rijgen? Wilt u in Zijn zwaard rennen? O, bekeert u, bekeert u nu! Zo zei de Heere: “Stelt uw hart op uw wegen.”

3. Geef mij nu uw aandacht nog een ogenblik langer terwijl ik in alle ernst probeer om wat te zeggen over de zegen in de tekst.“Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.” Ik heb op de grote trommel van de dreigementen geslagen. Laten wij nu de zachte, zoete harp van David horen met zachte, liefkozende zegeningen. “Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.” Stelt u uw vertrouwen in Hem, mijn hoorder? Onder de vleugelen van God schuilen wij en wij weten van geen veiligheid ergens anders. Dit is genoeg voor ons. Nu zegt de tekst dat zij die op Hem betrouwen, gezegend zijn en ik zou eerst willen opmerken dat zij werkelijkgezegend zijn. Het is geen fictie, geen ingebeelde zegen. Het is een werkelijke zaligheid die behoort aan hen die op God vertrouwen. Het is een welgelukzaligheid die de test van overweging doorstaat, de test van het leven en de rechtszaak van de dood. Een welgelukzaligheid waar wij nooit te diep in kunnen duiken, want het is geen droom, maar helemaal realiteit.

Zij die op Hem vertrouwen zijnniet alleen gezegend, maar zij zijn zich daar ook van bewust.Zij weten wat het is om gezegend te zijn in hun moeilijkheden, want in hun beproevingen zijn zij getroost. Zij zijn ook gezegend in hun vreugden, want hun vreugden zijn geheiligd. Zij zijn gezegend en zij weten het, zij zingen ervan en zij verheugen zich erin. Het is hun vreugde te weten dat Gods zegen tot hen gekomen is, niet slechts in woorden, maar ook in daden. Zij zijn gezegende mannen en vrouwen.

Dan ook zijn zij niet slechts werkelijk zalig en bewust gezegend, maar zij worden in toenemende mategezegend. Hun zaligheid groeit. Zij glijden niet af als de goddelozen van lichtende hoop naar donkere wanhoop. Hun vreugden nemen niet af. De rivier wordt dieper als zij erin lopen. Zij zijn zalig als de eerste lichtstraal van hemellicht op hun ogen valt. Zij zijn zalig als hun ogen verder geopend worden om de liefde van Christus beter te zien. Zij zijn zalig als hun ervaring groeit en hun kennis verdiept en hun liefde toeneemt. Zij zijn zalig in het uur van de dood en, nog het best van alles, hun zaligheid neemt toe tot eeuwige zaligheid – de volmaaktheid van de heiligen aan de rechterhand van God. “Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.” De tijd ontbreekt mij om deze zegen verder uit te diepen en daarom stop ik en kom weer terug bij mijn oude werk, namelijk om te proberen u te bereiken door ernstige aandrang, terwijl ik u aanspoor om de “Zoon te kussen.”

Zondaar, u wordt gevraagd om nu, vanmorgen uw vertrouwen in Christus te stellen. Kom, dit is uw enigehoop. Weet dat u honderd dingen mag doen, maar u zult niets beter worden. U zult zijn als de vrouw genoemd in de Bijbel, die al haar geld gespendeerd had aan artsen en die niet beter was geworden, maar eerder verslechterd. Er is geen hoop voor u buiten Christus. Wees verzekerd dat al de genade van God geconcentreerd is in het kruis. Ik hoor sommigen praten over de genade van God buiten het verbond. Zulke dingen bestaan niet. De genade van God wordt geledigd in het verbond. God heeft al Zijn genade in de persoon van Christus gelegd en u zult nergens andere genade verkrijgen. Vertrouw dan op Christus, dan zult u welgelukzalig zijn. Nergens anders zult u zalig worden. Nogmaals, ik smeek u om “de Zoon te kussen” en Christus te vertrouwen, want dit is de zekereweg. Niemand die op Hem vertrouwd heeft, is verloren gegaan. Het zal op aarde niet gezegd kunnen worden en zelfs in de hel zal de godslastering niet geuit kunnen worden, dat er ooit een ziel die op Christus vertrouwd heeft, verloren is gegaan.

“Maar veronderstel dat ik niet een van Gods uitverkorenen ben”, zegt iemand. Als u op Christus vertrouwt, dan bent u dat en daar bestaat geen twijfel over. “Maar veronderstel dat Christus niet voor mij gestorven is?” Als u Hem vertrouwt, dan is Hij voor u gestorven. Dat feit is bewezen en u bent gered. Werp uzelf eenvoudig op Hem, durf het, riskeer het, bouw op Hem, waag het met Hem (en er is geen risico). U zult er niet verkeerd mee uitkomen. Soms voel ik angst en twijfel over mijn eigen zaligheid en de enige manier waarop ik getroost kan worden, is deze: ik ga terug naar waar ik begon en zeg: “Ik ben de grootste van alle zondaren,” ik ga naar mijn kamer en belijd opnieuw dat ik een ellendeling ben, die niets waard is zonder Zijn soevereine genade en ik vraag Hem om weer medelijden met mij te hebben. Vertrouw erop, het is de enige weg naar de hemel en het is een zekere weg. Als u vertrouwend op Christus verloren gaat, dan zult u de eerste van dat soort wezen. Denkt u dat God zou toelaten dat iemand zou zeggen: “Ik vertrouwde op Christus en toch heeft Hij mij bedrogen; ik heb mijn ziel op Hem geworpen en Hij was niet sterk genoeg om mij te dragen?” O, wees maar niet bang.

En ik besluit met te zeggen dat dit een redding is, openvoor iedereen. Elke ziel in de wereld die zijn nood voor een Verlosser voelt en die verlangt verlost te worden, mag tot Christus komen. Als God u overtuigd heeft van zonde en u uw nood heeft leren kennen, kom, kom mee, kom mee, kom nu. Vertrouw nu op Christus en u zult nu ontdekken dat allen die op Hem betrouwen gezegend, welgelukzalig zijn. De deur van genade staat niet op een kier, hij staat wijd open. De poorten van de hemel staan dag en nacht wijd open. Kom, laten wij samen naar dat gezegende huis van genade gaan en onze nood verdrijven. De genade van Christus is als een drinkfontein langs de straat, open voor elke dorstige wandelaar. Daar is de beker, de beker van het geloof. Kom en houdt hem hier, waar het water vrij stroomt en drink. Er is niemand die kan zeggen: “Dat is niet voor u!” U kunt zeggen: “O ja, het is voor mij, want ik ben een dorstige ziel: het is bedoeld voor mij.”“Nee,” zegt de duivel, “u bent te slecht.” Nee, want dit is een publieke drinkfontein. Er staat niet boven “dieven niet drinken”. Alles wat nodig is, is slechts dat u bereid bent om te drinken, dat u dorstig zult zijn en verlangt. Kom dan. Hij heeft u dit gegeven, kom en drink, drink vrijmoedig. “De Geest en de Bruid zeggen: kom! En die het hoort, zegge: kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.”

Amen.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend