“Doch zij zeggen: Het is buiten hoop; maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen, een iegelijk het goeddunken van zijn boos hart.”—Jeremia 18:12
Lees verder: Job 8:11-9:2.
De meeste mensen moeten ergens een geheime valse hoop hebben, want kijk eens hoe ze bezig zijn. Zeker moeten deze mensen ergens een denkbeeldige hoop hebben, anders zouden ze niet doen wat ze doen. We zien veel mensen die zich druk maken over zichzelf en zichzelf mooi maken, terwijl hun ziel verwoest is. Ze zijn als iemand die de voordeur schildert terwijl het huis in brand staat. Ergens moeten ze een ongegronde hoop hebben die hen zo ongevoelig maakt. We zien mensen die niet bang worden en beven, terwijl ze toch in de Bijbel geloven die hun vertelt dat God elke dag op hen toornt. Zeker, de rust in hun hart moet voortkomen uit een geheime hoop die in hun geest schuilt. Het touw van de genade is de zondaar toegeworpen, maar hij wil het niet vastgrijpen. Hij kan toch niet zo dwaas zijn dat hij graag verloren gaat; hij moet ergens op hopen, anders zou hij zich niet zo inspannen. Het is de hoop op zichzelf die de mens verwoest en vernietigt. Zolang u niet helemaal bent losgekomen van de hoop op uzelf, is er geen hoop dat het evangelie ooit kracht voor u zal hebben. Maar als u uw handen uitstrekt als iemand die verdrinkt en voelt dat u alles verloren hebt als er niemand tussenbeide komt die sterker is, dan is er hoop voor u. Konden we u maar laten zeggen: “Eén ding weet ik: ik kan mijzelf niet redden. Eén ding voel ik: ik heb iemand nodig die sterker is dan ik om mij te redden.” Als u dat kunt zeggen, zullen wij ons over u verheugen. En ik hoop dat God dan geeft dat die vreugde niet tevergeefs is.
Ter overdenking
Christenen denken vaak dat God hen verlaten heeft (Psalm 10:1), maar Hij zal hen niet teleurstellen (Psalm 10:14,17). Over ongelovigen moeten we ons zorgen maken: hoewel ze God negeren, misleiden ze zichzelf met de gedachte dat alles goed is (Psalm 10:4,6,11,13).
Preek 684, 8 april 1866

