“…zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.”—Psalm 35:3
Lees verder: Micha 7:1-10.
Luister hier eens naar: “Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.” Het eerste wat deze tekst lijkt te zeggen, is dit: David twijfelde. Waarom zou hij dit anders bidden, als hij nooit twijfelde of bang was? Kom op, christelijke broeder! Als David twijfelde, moet u niet zeggen: “Ik ben geen christen, want ik twijfel.” De rust van de beste gelovigen wordt soms verstoord door angst en zorgen. Abraham had het grootste geloof, maar ook hij had wat ongeloof. Ik ben jaloers op de broeder die kan zeggen dat zijn geloof nooit wankelt. Hij kan meer zeggen dan David, want David had reden om uit te roepen: “Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.” Het volgende wat deze tekst lijkt te zeggen, is dat David niet tevreden was met zijn twijfels en angsten. Hij gaat direct naar de genadetroon om daar te bidden om zekerheid, want die is voor hem als het mooiste goud. “O Heere,” lijkt David te zeggen, “ik ben mijn vertrouwen kwijtgeraakt, mijn voeten glijden, mijn voeten zinken weg, mijn twijfels en angsten krijgen de overhand, maar ik kan het niet verdragen. Ik ben ellendig. Ik ben ongelukkig. Zeg, Heere, zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.” Ten derde zegt de tekst nog iets. David wist waar hij de volle zekerheid kon krijgen. Hij gaat meteen in gebed naar God. Hij weet dat het geloof door knieënwerk groeit. En daar in zijn binnenkamer roept hij tot de Allerhoogste: “Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.” O broeders, we moeten veel alleen zijn met God als we Zijn liefde ooit duidelijk willen voelen! Als u ophoudt met roepen, worden uw ogen dof. Als u veel bidt, bent u veel in de hemel. Als u weinig bidt, komt u maar langzaam vooruit.
Ter overdenking
Hoe gaat u om met twijfel, angst en zorgen? De Bijbelse manier is niet om te doen alsof ze niet bestaan, maar om ze voor de Heere neer te leggen (Lukas 12:29-31; Filippenzen 4:6; 1 Petrus 5:7; 1 Johannes 3:19-20).
Preek 384, 28 april 1861

