“En zij hoorden een grote stem uit den hemel, die tot hen zeide: Komt herwaarts op.”—Openbaring 11:12
Laten we deze woorden los van hun profetische verband bekijken. We lezen ze nu als de uitnodiging van onze grote Voorloper aan Zijn geheiligde volk. Op Gods tijd zal elke gelovige “een grote stem uit den hemel” horen, die zegt: “Komt herwaarts op.” Daar mogen de heiligen blij naar uitzien. We hoeven niet bang te zijn voor het moment waarop we deze wereld verlaten om naar de Vader te gaan. We horen juist te verlangen naar het uur van onze bevrijding. Ons lied moet zijn:
“Mijn hart is bij Hem op Zijn troon,
en het kan geen uitstel verdragen;
elk ogenblik luister ik naar de stem:
‘Sta op en kom weg.’”
We worden niet naar het graf geroepen, maar naar de hemel. Onze geest, van boven geboren, moet verlangen naar de lucht van zijn geboorteland. Toch moeten we geduldig wachten op die roepstem uit de hemel. Onze God weet het beste wanneer Hij ons zegt: “Komt herwaarts op.” We mogen niet wensen dat ons heengaan eerder komt. Ik weet dat een sterke liefde ons laat uitroepen:
“O Heere der heirscharen, deel de golven,
en breng ons allen aan land in de hemel;”
maar geduld moet haar volmaakte werk doen. God bepaalt met nauwkeurige wijsheid hoelang de verlosten het best hier beneden kunnen blijven. Als er in de hemel spijt zou bestaan, zouden de heiligen er misschien treuren dat ze niet langer hier hebben geleefd om meer goeds te doen. Och, waren er maar meer schoven voor de schuur van mijn Heere en meer juwelen voor Zijn kroon! Maar hoe kan dat zonder meer werk? Het is waar, er is ook de andere kant: omdat ons leven zo kort is, zijn onze zonden minder. Maar toch, wanneer wij God volop dienen en Hij ons kostbaar zaad geeft om uit te strooien en ons honderdvoudig laat oogsten, dan zouden we zelfs zeggen dat het goed voor ons is om te blijven waar we zijn. Of onze Meester nu zegt: “ga” of “blijf”, laten we met allebei even tevreden zijn, zolang Hij ons Zijn nabijheid blijft schenken.

