“Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed.”—Jesaja 64:6
Lees verder: Romeinen 11:25-26.
Is het u nooit opgevallen dat de leer die het calvinisme wordt genoemd zoveel over God te zeggen heeft? Ze begint en eindigt met God. Deze leer blijft altijd bij God. Hij begint, Hij zet door en Hij volmaakt. Het is voor Zijn heerlijkheid en Zijn eer. De Vader, de Zoon en de Geest werken samen om het hele evangelie uit te voeren. Ja, misschien hebben wij ook een gebrek in onze theologie; misschien vergeten wij de mens iets te vaak. Maar ik denk dat dat maar een klein gebrek is, vergeleken met het gebrek van de tegenovergestelde theologie, die met de mens begint en met de mens eindigt. De mens is een schepsel; hoe moet God met hem omgaan? Dat is de vraag die sommige theologen proberen te beantwoorden. Wij stellen de vraag anders: God is de Schepper, en Hij heeft het recht om te doen wat Hij wil. Hij is soeverein. Er staat geen wet boven Hem. Hij heeft het recht om te maken en ongedaan te maken. En wanneer iemand gezondigd heeft, heeft Hij het recht om te verlossen of te vernietigen. Als Hij kan redden zonder afbreuk te doen aan Zijn gerechtigheid, zal de hemel weerklinken van gezang. Als Hij kan vernietigen zonder afbreuk te doen aan Zijn goedheid, dan zal zelfs de hel met haar diepe bas van ellende de machtige golven van heerlijke lof laten aanzwellen. We houden vast dat God de eerste plaats moet hebben in ons onderwijs. Dat nemen we als maatstaf om de dienaren te toetsen. Als zij God verheerlijken en de zondaar in het stof doen zinken, is alles goed. Maar als ze Gods recht verminderen, als Hij minder soeverein, minder rechtvaardig of minder liefdevol wordt dan de Schrift Hem openbaart, en als de mens wordt opgeblazen door de dwaze gedachte dat hij iets beters is dan een onreine, dan is die theologie volkomen slecht.
Ter overdenking
We moeten roemen in de Heere en Zijn Naam loven (Psalm 34:2-3). Verheft uw theologie God in elk opzicht en vernedert ze u, of doet ze op de een of andere manier het tegenovergestelde? We moeten altijd in Hem roemen, nooit in onszelf (1 Korinthe 1:29,31; 2 Korinthe 10:17).
Deel van preek 385-388, 11 april 1861

