Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Ik zegG3004 danG3767: Heeft GodG2316 Zijn volkG2992 verstotenG683? Dat zij verreG3361; wantG1063 ikG1473 benG1510 ookG2532 een IsraelietG2475, uitG1537 het zaadG4690 AbrahamsG11, van den stamG5443 BenjaminG958.
Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israeliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin.
KJV
I say1
then,2
Hath4
God6
cast away
his9
people?8
God forbid.3
For13
I14
also12
am16
an Israelite,15
of17
the seed18
of Abraham,19
of the tribe20
of Benjamin.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
GodG2316 heeft Zijn volkG2992 nietG3756 verstotenG683, hetwelkG3739 HijG846 te voren gekend heeft. OfG2228 weetG1492 gij nietG3756, wat de SchriftG1124 zegtG3004 van EliaG2243, hoeG5613 hij GodG2316 aanspreektG1793 tegenG2596 IsraelG2474, zeggendeG3004:
God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet, wat de Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israel, zeggende:
Ook in dit vers
tevoren gekendG4267
KJV
God4
hath2
not1
cast away
his7
people6
which8
he foreknew.9
Wot ye12
not11
what15
the scripture18
saith16
of13
Elias?14
how19
he maketh intercession20
to God22
against23
Israel,25
saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
HeereG2962! zij hebben Uw profetenG4396 gedoodG615, enG2532 Uw altarenG2379 omgeworpenG2679; en ikG1473 ben alleen overgeblevenG5275 enG2532 zij zoekenG2212 mijn zielG5590.
Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel.
KJV
Lord,1
they have killed5
thy
prophets,3
and6
digged down10
thine
altars;8
and I11
am left12
alone,13
and14
they seek15
my
life.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
MaarG235 watG5101 zegtG3004 tot hemG846 het Goddelijk antwoordG5538? Ik heb Mijzelven nog zeven duizendG2035 mannenG435 overgelatenG2641, die de knieG1119 voor het beeld van BaalG896 nietG3756 gebogenG2578 hebben.
Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelven nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baal niet gebogen hebben.
KJV
But1
what2
saith3
the answer of God6
unto him?4
I have reserved7
to myself8
seven thousand9
men,10
who11
have13
not12
bowed
the knee14
to the image of Baal.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
AlzoG3779 is er danG3767 ookG2532 inG1722 dezen tegenwoordigenG3568 tijdG2540 een overblijfselG3005 gewordenG1096, naarG2596 de verkiezingG1589 der genadeG5485.
Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade.
KJV
Even so1
then2
at4
this present6
time7
also3
there is12
a remnant8
according9
to the election10
of grace.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
EnG1161 indien het door genadeG5485 is, zo is het niet meer uitG1537 de werkenG2041; anderszinsG1893 is de genadeG5485 geen genadeG5485 meer; enG1161 indienG1487 het is uitG1537 de werkenG2041, zo isG1510 het geen genadeG5485 meer; anderszinsG1893 isG1510 het werkG2041 geen werkG2041 meer.
En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.
KJV
And2
if1
by grace,3
then is it no more4
of5
works:6
otherwise7
grace9
is11
no more10
grace.12
But14
if13
it be of15
works,16
then is it
no more17
grace:19
otherwise20
work22
is
no more23
work.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Wat dan? HetgeenG3739 IsraelG2474 zoektG1934, dat heeft het nietG3756 verkregenG2013; maarG1161 de uitverkorenenG1589 hebben het verkregenG2013, enG1161 de anderenG3062 zijn verhardG4456 geworden.
Wat dan? Hetgeen Israel zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.
KJV
What1
then?2
Israel5
hath8
not7
obtained12
that
which3
he seeketh for;4
but10
the election11
hath obtained it,
and14
the rest15
were blinded
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
(Gelijk geschrevenG1125 is: GodG2316 heeft hunG846 gegevenG1325 een geestG4151 des diepen slaapsG2659; ogenG3788 om nietG3361 te zienG991, enG2532 orenG3775 om nietG3361 te horenG191) tot op den huidigenG4594 dagG2250.
(Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op den huidigen dag.
KJV
(According as1
it is written,2
God6
hath given3
them4
the spirit7
of slumber,8
eyes9
that they should12
not11
see,
and13
ears14
that they should17
not16
hear;)
unto18
this20
day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
EnG2532 DavidG1138 zegtG3004: HunG846 tafelG5132 wordeG1096 totG1519 een strikG3803, enG2532 totG1519 een valG2339, enG2532 totG1519 een aanstootG4625, enG2532 totG1519 een vergeldingG468 voor henG846.
En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen.
KJV
And1
David2
saith,3
Let4
their7
table6
be made
a snare,8
and10
a trap,11
and13
a stumblingblock,14
and16
a recompence17
unto them:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Dat hunG846 ogenG3788 verduisterdG4654 worden, omG1223 nietG3361 te zienG991; enG2532 verkromG4781 hunG846 rugG3577 allenG3956 tijdG1275.
Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd.
KJV
Let1
their4
eyes3
be darkened,
that they may7
not6
see,
and8
bow down18
their11
back10
alway.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Zo zegG3004 ik dan: Hebben zij gestruikeldG4417, opdatG2443 zij vallenG4098 zouden? Dat zij verreG3361; maarG235 door hunG846 valG3900 is de zaligheidG4991 den heidenenG1484 gewordenG1096, om hen tot jaloersheid te verwekken.
Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.
Ook in dit vers
jaloersheid verwekkenG3863
KJV
I say1
then,2
Have they stumbled4
that5
they should fall?6
God forbid:3
but9
rather through their11
fall12
salvation14
is come unto the Gentiles,16
for to17
provoke19
them20
to jealousy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En indienG1487 hunG846 valG3900 de rijkdomG4149 is der wereldG2889, en hun verminderingG2275 de rijkdomG4149 der heidenenG1484, hoeveelG4214 te meer hunG846 volheidG4138!
En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid!
KJV
Now2
if1
the fall4
of them5
be the riches6
of the world,7
and8
the diminishing10
of them11
the riches12
of the Gentiles;13
how14
much more15
their18
fulness?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WantG1063 ik spreekG3004 totG1909 uG4771, heidenenG1484, voor zoveelG3745 ikG1473 der heidenenG1484 apostelG652 benG1510; ikG1473 maakG1392 mijn bedieningG1248 heerlijkG1392;
Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik der heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk;
KJV
For2
I speak3
to you
Gentiles,5
inasmuch as6
I10
am9
the apostle12
of the Gentiles,11
I magnify16
mine
office:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
OfG1487 ikG1473 enigszinsG4458 mijn vleesG4561 tot jaloersheid verwekkenG3863, enG2532 enigenG5100 uitG1537 henG846 behoudenG4982 mocht.
Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken, en enigen uit hen behouden mocht.
KJV
If by any means
I may provoke to emulation3
them which are my
flesh,6
and7
might save8
some9
of10
them.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
WantG1063 indienG1487 hunG846 verwerpingG580 de verzoeningG2643 is der wereldG2889, watG5101 zal de aannemingG4356 wezen, andersG1508 dan het levenG2222 uitG1537 de dodenG3498?
Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?
KJV
For2
if1
the casting away4
of them5
be the reconciling6
of the world,7
what8
shall the receiving10
of them be, but
life13
from14
the dead?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En indien de eerstelingenG536 heiligG40 zijn, zo is ookG2532 het deegG5445 heiligG40, en indien de wortelG4491 heilig is, zo zijn ookG2532 de takkenG2798 heilig.
En indien de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig, en indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.
Ook in dit vers
[heilig]G1487
KJV
For2
if1
the firstfruit4
be holy,5
the lump8
is also6
holy: and9
if10
the root12
be holy,13
so14
are the branches.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En zoG1487 enigeG1536 der takkenG2798 afgebrokenG1575 zijn, en gijG4771, een wilde olijfboomG65 zijnde, inG1722 derzelver plaats zijt ingeentG1461, en des wortelsG4491 en der vettigheidG4096 des olijfboomsG1636 mede deelachtigG4791 zijt geworden,
En zo enige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeent, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden,
KJV
And2
if some
of the branches5
be broken off,6
and8
thou,7
being
a wild olive tree,9
wert graffed in11
among12
them,13
and14
with15
them23
partakest
of the root17
and18
fatness20
of the olive tree;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Zo roemG2620 niet tegen de takkenG2798; enG1161 indienG1487 gij daartegen roemtG2620, gijG4771 draagtG941 den wortelG4491 niet, maar de wortelG4491 uG4771.
Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.
KJV
Boast2
not1
against7
the branches.4
But6
if5
thou boast,
thou9
bearest12
not8
the root,11
but13
the root15
thee.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Gij zult danG3767 zeggenG2046: De takkenG2798 zijn afgebrokenG1575, opdatG2443 ikG1473 zou ingeentG1461 worden.
Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeent worden.
KJV
Thou wilt say1
then,2
The branches5
were broken off,3
that6
I7
might be graffed in.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Het is wel; zij zijn door ongeloofG570 afgebrokenG1575, enG1161 gijG4771 staatG2476 door het geloofG4102. Zijt nietG3361 hooggevoelendeG5309, maar vreesG5399.
Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.
KJV
Well;1
because of unbelief3
they were broken off,4
and6
thou5
standest9
by faith.8
Be11
not10
highminded,
but12
fear:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WantG1063 is het, dat GodG2316 de natuurlijkeG2596 takkenG2798 nietG3756 gespaardG5339 heeft, zieG3381 toe, dat Hij ook mogelijkG4458 uG4771 niet spareG5339.
Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare.
KJV
For2
if1
God4
spared10
not9
the natural7
branches,8
take heed lest11
he14
also
spare
not12
thee.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
ZieG1492 dan de goedertierenheidG5544 en de strengheidG663 van GodG2316; de strengheidG663 wel overG1909 degenen, die gevallenG4098 zijn, maarG1161 de goedertierenheidG5544 overG1909 u, indienG1437 gij in de goedertierenheidG5544 blijftG1961; anderszinsG1893 zult ookG2532 gijG4771 afgehouwenG1581 worden.
Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden.
KJV
Behold
therefore2
the goodness3
and4
severity5
of God:6
on7
them which fell,10
severity;11
but13
toward12
thee,
goodness,15
if16
thou continue17
in his goodness:19
otherwise20
thou14
also21
shalt be cut off.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
MaarG1161 ookG2532 zij, indienG1437 zij in het ongeloofG570 nietG3361 blijven, zullen ingeentG1461 worden; wantG1063 GodG2316 isG1510 machtigG1415 om dezelveG846 weder in te entenG1461.
Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeent worden; want God is machtig om dezelve weder in te enten.
KJV
And3
they2
also,1
if
they abide6
not
still in unbelief,8
shall be graffed in:9
for11
God14
is
able10
to graff16
them17
in
again.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
WantG1063 indienG1487 gijG4771 afgehouwenG1581 zijt uitG1537 den olijfboom, die van natureG5449 wildG65 was, enG2532 tegen natureG5449 in den goeden olijfboom ingeentG1461; hoeveelG4214 te meer zullen deze, dieG3778 natuurlijkeG2596 takken zijn, in hun eigenG2398 olijfboom geentG1461 worden?
Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeent; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geent worden?
Ook in dit vers
olijfboomG1636
olijfboomG2565
KJV
For2
if1
thou3
wert cut8
out of4
the olive tree which is wild9
by6
nature,7
and10
wert graffed13
contrary to11
nature12
into14
a good olive tree:15
how much16
more17
shall these,18
which be the natural20
branches, be graffed into22
their own24
olive tree?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Want ik wilG2309 niet, broedersG80, dat uG4771 dezeG3778 verborgenheidG3466 onbekendG50 zij (opdatG2443 gij niet wijsG5429 zijt, bij uzelven), dat de verhardingG4457 voor een deelG3313 over IsraelG2474 gekomen is, totdat de volheidG4138 der heidenenG1484 zal ingegaanG1525 zijn.
Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.
KJV
For2
I would3
not,1
brethren,6
that ye
should be ignorant5
of this
mystery,8
lest
ye should be
wise15
in13
your own conceits;14
that16
blindness17
in18
part19
is happened22
to Israel,21
until23
the fulness26
of the Gentiles28
be come in.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
EnG2532 alzoG3779 zal geheelG3956 IsraelG2474 zaligG4982 worden; gelijk geschrevenG1125 is: De VerlosserG4506 zal uitG1537 SionG4622 komenG2240 enG2532 zal de goddelooshedenG763 afwendenG654 vanG575 JakobG2384.
En alzo zal geheel Israel zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
KJV
And1
so2
all3
Israel4
shall be saved:5
as6
it is written,7
There shall come8
out of9
Sion10
the Deliverer,12
and13
shall turn away14
ungodliness15
from16
Jacob:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
EnG2532 ditG3778 is hun een verbondG1242 van Mij, als Ik hunG846 zondenG266 zal wegnemenG851.
En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.
KJV
For1
this2
is my5
covenant7
unto them,3
when8
I shall take away9
their12
sins.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Zo zijn zij wel vijandenG2190 aangaande het EvangelieG2098, omG1223 uwentwil, maarG1161 aangaande de verkiezingG1589 zijn zij bemindenG27, omG1223 der vaderenG3962 wil;
Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil;
KJV
As concerning1
the gospel,4
they are enemies5
for your sakes:6
but9
as touching8
the election,11
they are beloved12
for13
the fathers'15
sakes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
WantG1063 de genadegiftenG5486 enG2532 de roepingG2821 GodsG2316 zijn onberouwelijkG278.
Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.
KJV
For2
the gifts4
and5
calling7
of God9
are without repentance.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
WantG1063 gelijkerwijsG5618 ookG2532 gijliedenG4771 eertijdsG4218 GodeG2316 ongehoorzaamG544 geweest zijt, maarG1161 nu barmhartigheidG1653 verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheidG543;
Want gelijkerwijs ook gijlieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid;
KJV
For2
as1
ye
in times past5
have not believed6
God,8
yet10
have11
now9
obtained mercy
through
their unbelief:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
AlzoG3779 zijn ookG2532 dezenG3778 nu ongehoorzaamG544 geweest, opdatG2443 ookG2532 zijG846 door uw barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen.
Alzo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen.
Ook in dit vers
barmhartigheidG1653
barmhartigheidG1656
KJV
Even so1
have5
these3
also2
now4
not believed,
that9
through your7
mercy8
they11
also10
may obtain mercy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
WantG1063 GodG2316 heeft hen allenG3956 onder de ongehoorzaamheidG543 beslotenG4788, opdatG2443 Hij hun allenG3956 zou barmhartigG1653 zijn.
Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.
KJV
For2
God4
hath concluded1
them all6
in7
unbelief,8
that9
he might have mercy12
upon all.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
O diepteG899 des rijkdomsG4149, beide der wijsheidG4678 enG2532 der kennisG1108 GodsG2316, hoeG5613 ondoorzoekelijkG419 zijn Zijn oordelenG2917, enG2532 onnaspeurlijkG421 Zijn wegenG3598!
O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
KJV
O1
the depth2
of the riches3
both4
of the wisdom5
and6
knowledge7
of God!8
how9
unsearchable10
are his13
judgments,12
and14
his18
ways17
past finding out!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
WantG1063 wieG5101 heeft den zinG3563 des HeerenG2962 gekendG1097? OfG2228 wieG5101 is Zijn raadsmanG4825 geweestG1096?
Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
KJV
For2
who1
hath known3
the mind4
of the Lord?5
or6
who7
hath been10
his9
counsellor?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
OfG2228 wieG5101 heeft Hem eerstG4272 gegeven, enG2532 het zal hemG846 wedervergoldenG467 worden?
Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?
KJV
Or1
who2
hath first given3
to him,4
and5
it shall be recompensed6
unto him7
again?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
WantG3754 uitG1537 HemG846, enG2532 doorG1223 Hem, enG2532 totG1519 Hem zijn alleG3956 dingen. Hem zijG846 de heerlijkheidG1391 inG1519 der eeuwigheidG165. AmenG281.
Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.
KJV
For1
of2
him,3
and4
through5
him,6
and7
to8
him,9
are all things:11
to whom12
be glory14
for15
ever.17
Amen.
zeg dan
Dat is, hetgeen ik tevoren gezegd heb van de verwerping der Joden, daarmede wil ik niet zeggen dat God al de Joden zou hebben verstoten; gelijk iemand daaruit zou kunnen besluiten.
Hertaald:
zeg dan
Dat is: met wat ik tevoren gezegd heb over de verwerping van de Joden wil ik niet zeggen dat God alle Joden verstoten zou hebben, zoals iemand daaruit zou kunnen afleiden.
Zijn volk
Dat is, de Joden, die Hij tot Zijn volk bijzonder had verkoren.
Hertaald:
Zijn volk
Dat is: de Joden, die Hij in het bijzonder tot Zijn volk verkoren had.
verstoten?
Grieks, afgestoten; namelijk van die waardigheid, waar zij in gesteld waren, zodat zij de beloofde zegening in Christus niet meer zouden deelachtig zijn.
Hertaald:
verstoten?
Grieks: afgestoten; namelijk van de waardigheid waarin zij gesteld waren, zodat zij geen deel meer zouden hebben aan de beloofde zegen in Christus.
een Israëliet,
Dat is, een Jood van afkomst, en nochtans van God niet verstoten.
Hertaald:
een Israëliet,
Dat is: een Jood van afkomst, en toch niet door God verstoten.
uit het zaad Abrahams,
Namelijk naar het vlees; en ook naar de genade des verbonds, hetwelk God met Abraham en zijn zaad gemaakt heeft; Gen. 17:1 .
Hertaald:
uit het zaad Abrahams,
Namelijk naar het vlees, en ook naar de genade van het verbond dat God met Abraham en zijn zaad gemaakt heeft; Gen. 17:1.
Benjamin
Namelijk den zoon van Jakob, uit Rachel, een van de aanzienlijkste stammen Israëls, uit welken ook de koning Saul gesproten is geweest, 1 Sam. 9:1 , en de koningin Esther; Est. 2:5 .
Hertaald:
Benjamin
Namelijk de zoon van Jakob bij Rachel, uit een van de aanzienlijkste stammen van Israël, waaruit ook koning Saul voortgekomen is, 1 Sam. 9:1, en koningin Esther; Est. 2:5.
Zijn volk
Namelijk dat waarlijk Zijn volk was, niet naar het vlees alleen, maar ook naar de belofte.
Hertaald:
Zijn volk
Namelijk het volk dat werkelijk Zijn volk was, niet alleen naar het vlees maar ook naar de belofte.
verstoten,
Zie vs.1.
Hertaald:
verstoten,
Zie vers 1.
gekend heeft
Dat is, voor de Zijnen erkend en verkoren heeft; Matt. 7:23 ; Joh. 10:14 ; Rom. 8:29 ; 2 Tim. 2:19 ; 1 Petr. 1:2 , 1 Petr. 1:20 .
Hertaald:
gekend heeft
Dat is: als de Zijnen erkend en verkoren heeft; Matth. 7:23; Joh. 10:14; Rom. 8:29; 2 Tim. 2:19; 1 Petr. 1:2, 1 Petr. 1:20.
weet gij niet,
Dat is, ik meen dat gij wel weet.
Hertaald:
weet gij niet,
Dat is: ik neem aan dat u wel weet.
van Elia,
Grieks, in Elia; dat is, in de geschiedenis van Elia, die beschreven wordt 1Ki 17 , en in de volgende hoofdstukken.
Hertaald:
van Elia,
Grieks: in Elia; dat is: in de geschiedenis van Elia, die beschreven wordt in 1 Kon. 17 en de volgende hoofdstukken.
aanspreekt
Grieks, bejegent, ontmoet; namelijk met woorden.
Hertaald:
aanspreekt
Grieks: tegemoet treedt, ontmoet; namelijk met woorden.
tegen Israël,
Dit kan gevoegd worden, òf met het woord aanspreekt, òf met het woord zeggende; namelijk klagende over den afval der Israëlieten.
Hertaald:
tegen Israël,
Dit kan verbonden worden met het woord aanspreekt of met het woord zeggende; namelijk terwijl hij klaagt over de afval van de Israëlieten.
Uw altaren
Dat is, die eertijds tot uw dienst en eer opgericht waren geweest.
Hertaald:
Uw altaren
Dat is: de altaren die vroeger tot Uw dienst en eer opgericht waren.
omgeworpen;
Grieks, ondergraven; dat is, met ondergraving omvergeworpen; 1 Kon. 19:10 , 1 Kon. 19:14 .
Hertaald:
omgeworpen;
Grieks: ondergraven; dat is: door ondergraving omvergeworpen; 1 Kon. 19:10, 1 Kon. 19:14.
zoeken mijn ziel
Dat is, zij staan naar mijn leven; Matt. 2:20 .
Hertaald:
zoeken mijn ziel
Dat is: zij staan mij naar het leven; Matth. 2:20.
het Goddelijk antwoord?
Of, de goddelijke openbaring. Zie Matt. 2:12 , Matt. 2:22 ; Luc. 2:26 .
Hertaald:
het Goddelijk antwoord?
Of: de goddelijke openbaring. Zie Matth. 2:12, Matth. 2:22; Luk. 2:26.
zeven duizend
Dat is, enige duizenden. Hebreeuws. Gen. 33:3 ; Ps. 12:7 .
Hertaald:
zeven duizend
Dat is: enkele duizenden; een hebraïsme. Gen. 33:3; Ps. 12:7.
mannen
Dat is, mensen, waardoor ook zonder twijfel vrouwen waren.
Hertaald:
mannen
Dat is: mensen, waaronder ongetwijfeld ook vrouwen waren.
overgelaten,
Dat is, doen overblijven, of gemaakt dat zij overgebleven zijn, door mijne genade hen behoudende dat zij niet in afgoderij gevallen zijn.
Hertaald:
overgelaten,
Dat is: doen overblijven, of gemaakt dat zij overgebleven zijn, doordat Ik hen door Mijn genade bewaard heb zodat zij niet tot afgoderij vervallen zijn.
de knie voor het beeld
Namelijk om godsdienstige of enige andere eer te bewijzen; Ex. 20:5 ; Fil. 2:10 .
Hertaald:
de knie voor het beeld
Namelijk om er godsdienstige of enige andere eer aan te bewijzen; Ex. 20:5; Filipp. 2:10.
Baäl niet gebogen hebben
Dit woord betekent iemand, die over anderen macht en gebied heeft, gelijk de man over de vrouw en een heer over zijnen knecht; en met dezen naam werd genaamd een afgod der Babyloniërs, Moabieten en Samaritanen; Num. 22:41 ; 1 Kon. 16:31-32 ; 2 Kon. 10:26 ; Jer. 11:13 ; Hos. 2:12 , Hos. 2:16 .
Hertaald:
Baäl niet gebogen hebben
Dit woord duidt iemand aan die macht en gezag over anderen heeft, zoals de man over de vrouw en een heer over zijn knecht. Met die naam werd een afgod van de Babyloniërs, Moabieten en Samaritanen aangeduid; Num. 22:41; 1 Kon. 16:31-32; 2 Kon. 10:26; Jer. 11:13; Hos. 2:12, Hos. 2:16.
in dezen tegenwoordigen tijd
Namelijk van de prediking des Evangelies.
Hertaald:
in dezen tegenwoordigen tijd
Namelijk de tijd van de prediking van het Evangelie.
een overblijfsel geworden,
Dat is, God heeft nog enige Joden laten overblijven, die het Evangelie niet verwerpen maar aannemen, en krachtiglijk geroepen zijn; die maar voor een overblijfsel tot overschot mogen gerekent worden, ten aanzien van de grote menigte dergenen, die het verwerpen en ongelovig blijven.
Hertaald:
een overblijfsel geworden,
Dat is: God heeft nog enkele Joden laten overblijven die het Evangelie niet verwerpen maar aannemen en krachtig geroepen zijn. Zij mogen slechts als een overblijfsel of restant gerekend worden, in vergelijking met de grote menigte van hen die het verwerpen en ongelovig blijven.
naar de verkiezing der genade
Dat is, de genadige verkiezing, namelijk die uit enkel genade van eeuwigheid ter zaligheid zijn verkoren, en in den tijd krachtiglijk geroepen; Rom. 8:30 .
Hertaald:
naar de verkiezing der genade
Dat is: de genadige verkiezing; namelijk zij die uit louter genade van eeuwigheid tot de zaligheid verkoren zijn en in de tijd krachtig geroepen worden; Rom. 8:30.
door genade is,
Namelijk dat dezen tot de zaligheid uitverkoren en krachtiglijk geroepen zijn.
Hertaald:
door genade is,
Namelijk dat dezen tot de zaligheid uitverkoren en krachtig geroepen zijn.
zo is het niet meer
Of, zo is het gewisselijk niet.
Hertaald:
zo is het niet meer
Of: dan is het zeker niet.
uit de werken;
Dat is, uit de verdiensten of waardigheid hunner werken.
Hertaald:
uit de werken;
Dat is: uit de verdiensten of de waardigheid van hun werken.
anderszins is de genade
Namelijk zo het ware uit de werken alleen, of uit de genade en werken tezamen.
Hertaald:
anderszins is de genade
Namelijk als het uit de werken alleen zou zijn, of uit de genade en de werken samen.
geen genade meer; en
Namelijk overmits genade alle schuld, verdienste of waardigheid uitsluit, en daarmede niet kan bestaan; want genade is geen genade enigszins zo zij niet is genade alleszins; Rom. 4:4 .
Hertaald:
geen genade meer; en
Namelijk omdat genade alle schuld, verdienste of waardigheid uitsluit en daarmee niet samen kan gaan. Want genade is in geen enkel opzicht genade als zij niet in alle opzichten genade is; Rom. 4:4.
geen genade meer; anderszins
Namelijk maar een verdiend loon. Dat is, zo is hunne verkiezing en roeping niet uit genade geschied.
Hertaald:
geen genade meer; anderszins
Namelijk maar een verdiend loon. Dat is: dan is hun verkiezing en roeping niet uit genade gebeurd.
geen werk meer
Dat is, geen verdienend werk.
Hertaald:
geen werk meer
Dat is: geen verdienend werk.
Wat dan?
Namelijk zullen wij zeggen? gelijk Rom. 6:1 , en Rom. 7:7 , en Rom. 8:31 . Dit is ene tegenwerping van iemand, die meent ongerijmd te zijn dat de Joden de gerechtigheid niet zouden verkrijgen, daar zij zozeer naar dezelve trachten.
Hertaald:
Wat dan?
Namelijk zullen wij zeggen, zoals Rom. 6:1, Rom. 7:7 en Rom. 8:31. Dit is een tegenwerping van iemand die het ongerijmd vindt dat de Joden de gerechtigheid niet zouden verkrijgen, terwijl zij daar zo naar streven.
Hetgeen
Namelijk dit zullen wij zeggen.
Hertaald:
Hetgeen
Namelijk dit zullen wij zeggen.
Israël
Dat is, de Israëlieten, dat is, de meeste hoop derzelve, die naar het vlees alleen Israëlieten zijn; Rom. 9:31 ; 2 Kor. 11:22 .
Hertaald:
Israël
Dat is: de Israëlieten, en wel het grootste deel van hen, die alleen naar het vlees Israëlieten zijn; Rom. 9:31; 2 Kor. 11:22.
zoekt,
Dat is, dat hij tracht te verkrijgen door zijne werken, namelijk de gerechtigheid voor God en het eeuwige leven.
Hertaald:
zoekt,
Dat is: wat hij door zijn werken probeert te verkrijgen, namelijk de gerechtigheid voor God en het eeuwige leven.
de uitverkorenen
Grieks, de verkiezing heeft het verkregen; dat is, al de uitverkorenen onder de Israëlieten, ten aanzien en omdat zij uit genade zijn uitverkoren.
Hertaald:
de uitverkorenen
Grieks: de verkiezing heeft het verkregen; dat is: alle uitverkorenen onder de Israëlieten, met het oog erop en omdat zij uit genade uitverkoren zijn.
de anderen
Namelijk die niet verkoren en krachtig geroepen zijn.
Hertaald:
de anderen
Namelijk zij die niet verkoren en krachtig geroepen zijn.
verhard geworden
Grieks, vereeld. Zie Marc. 3:5 .
Hertaald:
verhard geworden
Grieks: vereelt. Zie Mark. 3:5.
geest
Dat is, gemoed.
Hertaald:
geest
Dat is: gemoed.
des diepen slaaps;
Of, een knagenden, prikkelenden geest, gelijk het Griekse woord ook betekent. Doch het eerste komt met het Hebreeuwse woord Jes. 29:10 beter overeen.
Hertaald:
des diepen slaaps;
Of: een knagende, prikkelende geest, zoals het Griekse woord ook kan betekenen. Maar het eerste komt beter overeen met het Hebreeuwse woord in Jes. 29:10.
ogen om niet te zien,
Dat is, die onbekwaam zijn om te zien.
Hertaald:
ogen om niet te zien,
Dat is: ogen die niet in staat zijn te zien.
tot op den huidigen dag
Deze woorden moeten gevoegd worden met het woord verhard, vs.7. Zie ook 2 Kor. 3:15 .
Hertaald:
tot op den huidigen dag
Deze woorden moeten verbonden worden met het woord verhard in vers 7. Zie ook 2 Kor. 3:15.
David zegt
Namelijk als een voorbeeld van Christus en van Christus profeterende.
Hertaald:
David zegt
Namelijk als een voorafbeelding van Christus, en profeterend over Christus.
tafel worde
Dat is, al hun vermaak.
Hertaald:
tafel worde
Dat is: al hun genot.
tot een strik,
Dat is, tot hun verderf; gelijk ook een val, waar wilde beesten mede gevangen worden, en een aanstoot, hetzelfde betekenen bij gelijkenis.
Hertaald:
tot een strik,
Dat is: tot hun verderf; zoals ook een val, waarmee wilde dieren gevangen worden, en een aanstoot bij wijze van vergelijking hetzelfde betekenen.
tot een vergelding voor hen
Dat is, tot hetgeen hun vergolden zal worden, hetwelk is het eeuwig verderf.
Hertaald:
tot een vergelding voor hen
Dat is: tot datgene wat hun vergolden zal worden, namelijk het eeuwige verderf.
verkrom hun rug allen tijd
Hebreeuws, doet hunne leden waggelen; dat is, dat hunne conscientiën mogen beven en benauwd zijn; of beneemt hun hunne kracht.
Hertaald:
verkrom hun rug allen tijd
Hebreeuws: doe hun leden wankelen; dat is: laat hun geweten beven en benauwd zijn. Of: ontneem hun de kracht.
Zo zeg ik dan
Of, zij dan, zeg ik, hebben zij, enz.
Hertaald:
Zo zeg ik dan
Of: zij dan, zeg ik, hebben zij, enzovoort.
vallen zouden?
Namelijk in ongeloof, met het verwerpen van het Evangelie zonder hoop van bekering. Of, vervallen, verloren gaan, gelijk Openb. 18:2 .
Hertaald:
vallen zouden?
Namelijk in ongeloof, door het Evangelie te verwerpen zonder hoop op bekering. Of: vervallen, verloren gaan, zoals Openb. 18:2.
val is
Dat is de verwerping des Evangelies van het merendeel onder hen.
Hertaald:
val is
Dat is: de verwerping van het Evangelie door het grootste deel van hen.
de zaligheid
Dat is, ene gelegenheid geweest, dat den heidenen het Evangelie is gepredikt, en dat zij daardoor tot de zaligheid geroepen en gebracht zijn.
Hertaald:
de zaligheid
Dat is: een gelegenheid geweest waarbij het Evangelie aan de heidenen gepredikt is en zij daardoor tot de zaligheid geroepen en gebracht zijn.
om hen
Namelijk de Joden, die het Evangelie niet aannemen.
Hertaald:
om hen
Namelijk de Joden, die het Evangelie niet aannemen.
tot jaloersheid te verwekken
Dat is, door het voorbeeld der gelovige heidenen mogen opgewekt worden, om hetzelve navolgende, het Evangelie mede aan te nemen en zich tot Christus te bekeren, en daardoor de zaligheid mede te verkrijgen. Want jaloersheid is ook ene beweging des gemoeds, waardoor iemand een ander enig goed ziende hebben, dat hij niet heeft, met een ijver en lust wordt ontstoken om naar hetzelfde goed mede te trachten en dat te verkrijgen.
Hertaald:
tot jaloersheid te verwekken
Dat is: dat zij door het voorbeeld van de gelovige heidenen opgewekt zouden worden om dat na te volgen, het Evangelie eveneens aan te nemen, zich tot Christus te bekeren en zo ook de zaligheid te verkrijgen. Want jaloersheid is ook een beweging van het gemoed waardoor iemand, wanneer hij ziet dat een ander een goed bezit dat hij zelf niet heeft, met ijver en begeerte ontstoken wordt om ook naar datzelfde goed te streven en het te verkrijgen.
hun val
Dat is, der Joden ongelovigheid en verwerping van het Evangelie. Zie vs.11.
Hertaald:
hun val
Dat is: de ongelovigheid van de Joden en hun verwerping van het Evangelie. Zie vers 11.
de rijkdom is
Dat is tot een rijke en overvloedige kennis van Christus en van het Evangelie gelegenheid gegeven heeft.
Hertaald:
de rijkdom is
Dat is: aanleiding gegeven heeft tot een rijke en overvloedige kennis van Christus en van het Evangelie.
der wereld,
Dat is, der heidenen door de ganse wereld verstrooid, gelijk daarna verklaard wordt.
Hertaald:
der wereld,
Dat is: van de heidenen, die over de hele wereld verspreid zijn, zoals daarna verklaard wordt.
hun vermindering
Dat is, dat zo weinigen onder hen het Evangelie hebben aangenomen, gelegenheid is geweest, dat hetzelve zo rijkelijk aan de heidenen is bediend geworden.
Hertaald:
hun vermindering
Dat is: dat zo weinigen onder hen het Evangelie aangenomen hebben, is aanleiding geweest dat het zo rijkelijk aan de heidenen bediend is.
hun volheid
Dat is, wanneer de Joden met grote hopen en menigte het Evangelie zullen aannemen, namelijk zal hetzelve wezen de rijkdom der heidenen.
Hertaald:
hun volheid
Dat is: wanneer de Joden bij grote menigten het Evangelie zullen aannemen, zal dat de rijkdom van de heidenen zijn.
Want ik spreek tot u,
Hij spreekt nu dat deel der gemeente van Rome aan, dat uit de heidenen geroepen was.
Hertaald:
Want ik spreek tot u,
Hij spreekt nu dat deel van de gemeente van Rome aan dat uit de heidenen geroepen was.
voor zoveel ik
Of, overmits; en daarom mijn dienst en vermaning bij de heidenen veel behoort te gelden.
Hertaald:
voor zoveel ik
Of: aangezien; en daarom behoren mijn dienst en mijn vermaning bij de heidenen veel gewicht te hebben.
der heidenen apostel ben;
Namelijk voornamelijk; anderszins was hij ook gesteld om de Joden mede het Evangelie te verkondigen, gelijk hij ook gedaan heeft en hier nog doet.
Hertaald:
der heidenen apostel ben;
Namelijk in de eerste plaats; overigens was hij ook aangesteld om ook aan de Joden het Evangelie te verkondigen, zoals hij ook gedaan heeft en hier nog doet.
mijn bediening
Namelijk des apostelschaps.
Hertaald:
mijn bediening
Namelijk van het apostelschap.
heerlijk;
Grieks, verheerlijke; dat is, versiere die met dezelve te bedienen in alle naarstigheid en getrouwheid om vele heidenen tot Christus te bekeren; hetwelk een eer en sieraad is voor mijn dienst; Fil. 4:1 ; 1 Thess. 2:19 .
Hertaald:
heerlijk;
Grieks: verheerlijke; dat is: ik versier hem door hem met alle nauwgezetheid en trouw te bedienen, om veel heidenen tot Christus te bekeren. Dat is een eer en een sieraad voor mijn dienst; Filipp. 4:1; 1 Thess. 2:19.
mijn vlees
Dat is, mijne bloedverwanten, de Joden. Zie Gen. 29:14 ; Jes. 58:7 ; Rom. 9:3 .
Hertaald:
mijn vlees
Dat is: mijn bloedverwanten, de Joden. Zie Gen. 29:14; Jes. 58:7; Rom. 9:3.
jaloersheid verwekken,
Zie de aantekeningen vs.11.
Hertaald:
jaloersheid verwekken,
Zie de aantekeningen bij vers 11.
enigen
Namelijk weinigen; alzo hij wist dat de tijd nog niet was gekomen, dat zij met grote menigte zouden bekeerd worden.
Hertaald:
enigen
Namelijk weinigen; want hij wist dat de tijd nog niet gekomen was waarop zij bij grote menigten bekeerd zouden worden.
uit hen
Namelijk de Joden, die mijn vlees zijn.
Hertaald:
uit hen
Namelijk de Joden, die mijn vlees zijn.
behouden mocht
Namelijk hen brengende door mijn dienst tot het geloof in Christus, door wien de zaligheid alleen verkregen wordt. Zie 1 Kor. 3:5 , en 1 Tim. 4:16 .
Hertaald:
behouden mocht
Namelijk door hen door mijn dienst te brengen tot het geloof in Christus, door Wie de zaligheid alleen verkregen wordt. Zie 1 Kor. 3:5 en 1 Tim. 4:16.
hun
Dat is, van het merendeel van hen.
Hertaald:
hun
Dat is: van het grootste deel van hen.
verwerping
Of, verwerping, verstoting; namelijk, om de verachting en verwerping des Evangelies.
Hertaald:
verwerping
Of: verwerping, verstoting; namelijk vanwege hun verachting en verwerping van het Evangelie.
de verzoening
Dat is, gelegenheid is geweest dat den heidenen het Evangelie, hetwelk de bediening is der verzoening, 2 Kor. 5:18 , is verkondigd geweest; Hand. 13:46 .
Hertaald:
de verzoening
Dat is: aanleiding geweest is dat aan de heidenen het Evangelie verkondigd is, dat de bediening van de verzoening is, 2 Kor. 5:18; Hand. 13:46.
der wereld,
Dat is, der heidenen, die verre het merendeel der wereld bewonen, en door de ganse wereld verstrooid zijn.
Hertaald:
der wereld,
Dat is: van de heidenen, die verreweg het grootste deel van de wereld bewonen en over de hele wereld verspreid zijn.
de aanneming wezen,
Namelijk tot de gemeente van Christus, wanneer de Joden met grote menigte zich tot Christus zullen bekeren.
Hertaald:
de aanneming wezen,
Namelijk in de gemeente van Christus, wanneer de Joden zich bij grote menigten tot Christus zullen bekeren.
het leven uit de doden?
Dit is een algemeen spreekwoord, waarmede te kennen gegeven wordt ene zeer grote verandering ten beste, alsof iemand dood zijnde wederom levend werd. Hetwelk geschiedt door de predikatie des Evangelies, waardoor degenen die dood waren, Ef. 2:1 , levend gemaakt worden; Joh. 6:68 ; Fil. 2:16 .
Hertaald:
het leven uit de doden?
Dit is een gangbaar spreekwoord waarmee een zeer grote verandering ten goede aangeduid wordt, alsof iemand die dood was weer levend werd. Dat gebeurt door de prediking van het Evangelie, waardoor zij die dood waren, Ef. 2:1, levend gemaakt worden; Joh. 6:68; Filipp. 2:16.
de eerstelingen
Dat is, Abraham en de patriarchen van wie de Joden afkomstig waren. De apostel neemt hier ene gelijkenis van de eerste broden, die naar de wet opgeofferd werden, tot heiliging der andere vruchten; Lev. 23:14 , Lev. 23:17 ; Num. 15:20 .
Hertaald:
de eerstelingen
Dat is: Abraham en de aartsvaders, van wie de Joden afstamden. De apostel ontleent hier een vergelijking aan de eerste broden die volgens de wet geofferd werden tot heiliging van de overige vruchten; Lev. 23:14, Lev. 23:17; Num. 15:20.
heilig zijn,
Dat is, tot het verbond behoren; 1 Kor. 7:14 .
Hertaald:
heilig zijn,
Dat is: tot het verbond behoren; 1 Kor. 7:14.
het deeg heilig,
Dat is, de nakomelingen, die van hen afkomstig zijn, alzo God het verbond gemaakt heeft niet alleen met hen, maar ook men hun zaad; Gen. 17:7 .
Hertaald:
het deeg heilig,
Dat is: de nakomelingen die van hen afstammen, aangezien God het verbond niet alleen met hen gemaakt heeft maar ook met hun zaad; Gen. 17:7.
de wortel heilig is,
Dit is een andere gelijkenis, genomen van de bomen, om hetzelfde te verklaren; en worden daardoor ook de patriarchen verstaan, uit wie de Joden gesproten zijn.
Hertaald:
de wortel heilig is,
Dit is een tweede vergelijking, ontleend aan de bomen, om hetzelfde te verklaren. Ook daarmee worden de aartsvaders bedoeld, uit wie de Joden voortgekomen zijn.
de takken heilig
Dat is, de Joden, die als takken van dezen wortel zijn gesproten.
Hertaald:
de takken heilig
Dat is: de Joden, die als takken uit deze wortel voortgekomen zijn.
enige der takken
Dat is, enige ongelovige Joden. Van hier af vermaant de apostel de geroepen heidenen dat zij zich niet moeten beroemen tegen de verstoten Joden; maar toezien dat zij door hun voorbeeld mogen gewaarschuwd worden, om zich te wachten dat zij niet mede tot ongeloof vervallen, opdat hun hetzelfde ook niet overkome.
Hertaald:
enige der takken
Dat is: enkele ongelovige Joden. Vanaf hier vermaant de apostel de geroepen heidenen dat zij zich niet moeten beroemen tegenover de verstoten Joden, maar moeten toezien dat zij zich door hun voorbeeld laten waarschuwen om zich ervoor te hoeden dat ook zij tot ongeloof vervallen, opdat hun niet hetzelfde overkomt.
afgebroken zijn,
Namelijk van den wortel en stam; dat is, verstoten zijn van het verbond.
Hertaald:
afgebroken zijn,
Namelijk van de wortel en de stam; dat is: verstoten zijn uit het verbond.
gij,
Namelijk geroepen heidenen. De apostel spreekt hier aan het gehele lichaam der geroepen heidenen, niet deze of gene in het bijzonder.
Hertaald:
gij,
Namelijk geroepen heidenen. De apostel spreekt hier het hele lichaam van de geroepen heidenen aan, niet deze of gene in het bijzonder.
een wilde olijfboom zijnde,
Dat is, een spruit of ent, van een wilden olijfboom genomen, dat is, uit de heidenen, die een ongelovig volk waren.
Hertaald:
een wilde olijfboom zijnde,
Dat is: een spruit of ent die van een wilde olijfboom genomen is, dat is: uit de heidenen, die een ongelovig volk waren.
in derzelver plaats
Dat is, in plaats der afgebroken takken, welke zijn de ongelovige Joden. Grieks, in dezelve.
Hertaald:
in derzelver plaats
Dat is: in de plaats van de afgebroken takken, dat zijn de ongelovige Joden. Grieks: in hen.
zijt ingeënt,
Dat is, in de gemeente Gods ingelijfd.
Hertaald:
zijt ingeënt,
Dat is: in de gemeente van God ingelijfd.
des wortels en der vettigheid
Dat is, van het sap, hetwelk uit den wortel voortkomt en zich verspreidt in de takken; welke hier ook vettigheid genaamd wordt. En worden daardoor verstaan de voordelen en beloften den Joden van God gedaan.
Hertaald:
des wortels en der vettigheid
Dat is: van het sap dat uit de wortel voortkomt en zich door de takken verspreidt, dat hier ook vettigheid genoemd wordt. Daarmee worden de voorrechten en beloften bedoeld die God aan de Joden gedaan heeft.
des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden,
Dat is, der Israëlietische gemeente.
Hertaald:
des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden,
Dat is: van de Israëlitische gemeente.
de takken;
Dat is, de Joden, die om hun ongeloof nu afgebroken zijn, alsof gij van nature deze genade waardiger waart.
Hertaald:
de takken;
Dat is: de Joden, die om hun ongeloof nu afgebroken zijn, alsof u van nature deze genade meer waard was.
gij draagt den wortel niet,
Namelijk zo zal u dit geantwoord worden, dat gij gene oorzaak hebt te roemen tegen hen, overmits gij een ent zijt, die den wortel niet draagt, maar van denzelven gedragen wordt.
Hertaald:
gij draagt den wortel niet,
Namelijk dan zal u dit geantwoord worden: dat u geen reden hebt om tegen hen te roemen, aangezien u een ent bent die de wortel niet draagt maar juist door de wortel gedragen wordt.
Gij zult dan zeggen
Dit is, dit zult gij dan gedenken en zeggen, waarom gij tegen hen zoudt mogen roemen.
Hertaald:
Gij zult dan zeggen
Dat is: dit zult u dan bedenken en zeggen als reden waarom u tegen hen zou mogen roemen.
Het is wel;
Dat is, het is alzo, dit antwoordt de apostel.
Hertaald:
Het is wel;
Dat is: het is zo. Dat antwoordt de apostel.
zij zijn door ongeloof afgebroken,
Dat is, doch dit moet gij daarbij weten en gedenken dat zij afgebroken zijn door hunne ongelovigheid, waartoe gij ook van nature zijt genegen, en mede zoudt kunnen vervallen, zo gij hun voorbeeld zoudt navolgen.
Hertaald:
zij zijn door ongeloof afgebroken,
Dat is: maar dit moet u erbij weten en bedenken, dat zij afgebroken zijn door hun ongelovigheid — waartoe ook u van nature geneigd bent en waarin ook u zou kunnen vervallen als u hun voorbeeld zou volgen.
gij staat door het geloof
Dat is, zijt ingeënt en tot nog toe staande gebleven.
Hertaald:
gij staat door het geloof
Dat is: u bent ingeënt en tot nu toe staande gebleven.
Zijt niet hooggevoelende,
Namelijk òf van enige uwe waardigheid, waarom gij zoudt ingeëent zijn, òf van uwe krachten bij uzelven, om staande te blijven.
Hertaald:
Zijt niet hooggevoelende,
Namelijk óf van enige waardigheid van uzelf waarom u ingeënt zou zijn, óf van uw eigen krachten om staande te blijven.
vrees
Namelijk dat gij niet mede in ongeloof valt en daardoor ook afgehouwen wordt. Deze vrees is een heilige zorgvuldigheid om in het geloof te volharden, die met de verzekering der zaligheid wel kan bestaan; Fil. 2:12 .
Hertaald:
vrees
Namelijk dat ook u niet in ongeloof valt en daardoor eveneens afgehouwen wordt. Deze vrees is een heilige zorgvuldigheid om in het geloof te volharden, die heel goed samen kan gaan met de verzekering van de zaligheid; Filipp. 2:12.
de natuurlijke takken
Grieks, die naar de natuur zijn; dat is, de Joden, die natuurlijkerwijze afkomstig zijn van de heilige vaders, met wie en hun zaad God Zijn verbond heeft opgericht, Gen. 17:7 , en die in de Joodse gemeente geboren zijn.
Hertaald:
de natuurlijke takken
Grieks: die naar de natuur zijn; dat is: de Joden, die langs natuurlijke weg afstammen van de heilige vaderen met wie en met wier zaad God Zijn verbond opgericht heeft, Gen. 17:7, en die in de Joodse gemeente geboren zijn.
gespaard heeft,
Namelijk maar uit Zijne gemeente en verbond verstoten.
Hertaald:
gespaard heeft,
Namelijk maar hen uit Zijn gemeente en verbond verstoten heeft.
u niet spare
Namelijk die een wilden olijfbom genomen zijde, als een vreemde tak ingeënt zijt, dat Hij u ook om dezelfde oorzaak niet verstote.
Hertaald:
u niet spare
Namelijk u, die als een tak van een wilde olijfboom genomen bent en als een vreemde tak ingeënt bent — dat Hij ook u om dezelfde oorzaak niet verstoot.
Zie dan
Dat is, let dan wel in deze zaak op beide deze eigenschappen Gods, die zich daarin vertonen.
Hertaald:
Zie dan
Dat is: let dan in deze zaak goed op beide eigenschappen van God die zich daarin vertonen.
de goedertierenheid
Of, goedaardigheid; dat is genade, barmhartigheid.
Hertaald:
de goedertierenheid
Of: goedaardigheid; dat is: genade, barmhartigheid.
de strengheid van God;
Grieks, afsnijding, of afgesnedenheid, preciesheid, gelijk degenen, die straf zijn, hunne woorden kort afsnijden; dat is, strenge rechtvaardigheid.
Hertaald:
de strengheid van God;
Grieks: afsnijding of afgesnedenheid, kortheid — zoals mensen die streng zijn hun woorden kort afsnijden; dat is: strenge rechtvaardigheid.
over degenen,
Dat is, over de Joden, die in ongeloof zijn gevallen, en daarom van God rechtvaardig zijn verstoten, namelijk om door hun voorbeeld vermaand en gewaarschuwd te worden, u te wachten dat gij niet mede tot ongeloof vervalt, en alzo ook met hen niet rechtvaardig verstoten wordt.
Hertaald:
over degenen,
Dat is: over de Joden, die in ongeloof gevallen zijn en daarom door God rechtvaardig verstoten zijn. Dat gebeurt opdat u door hun voorbeeld vermaand en gewaarschuwd wordt, om u ervoor te hoeden dat ook u tot ongeloof vervalt en zo met hen rechtvaardig verstoten wordt.
over u,
Namelijk die uit de heidenen genadig geroepen zijt, zonder enige uwer waardigheid of verdienste; om daardoor vermaand te worden, dat gij tegen de Joden niet behoort te roemen.
Hertaald:
over u,
Namelijk u die uit de heidenen genadig geroepen bent, zonder enige waardigheid of verdienste van uzelf — om daardoor vermaand te worden dat u niet tegen de Joden behoort te roemen.
indien gij in de goedertierenheid blijft;
Dat is, in den stand der genade en des geloofs, waarin gij door de genade en goedertierenheid Gods gesteld zijt. Zie dergelijke wijze van spreken vs.31.
Hertaald:
indien gij in de goedertierenheid blijft;
Dat is: in de staat van de genade en het geloof waarin u door de genade en goedertierenheid van God gesteld bent. Zie een soortgelijke manier van spreken in vers 31.
gij
De apostel spreekt hier ook van het gehele lichaam der geroepen heidenen, gelijk vs.17.
Hertaald:
gij
De apostel spreekt hier eveneens over het hele lichaam van de geroepen heidenen, zoals in vers 17.
afgehouwen worden
Namelijk als onnutte takken; Joh. 15:2 , Joh. 15:6 . Dat is, verstoten worden.
Hertaald:
afgehouwen worden
Namelijk als onnutte takken; Joh. 15:2, Joh. 15:6. Dat is: verstoten worden.
zij, indien zij
Namelijk de Joden, of het Joodse volk.
Hertaald:
zij, indien zij
Namelijk de Joden, of het Joodse volk.
ingeënt worden;
Dat is, wedergebracht worden tot de gemeente Gods.
Hertaald:
ingeënt worden;
Dat is: teruggebracht worden tot de gemeente van God.
weder in te enten
Dat is, hun verstokt hart te veranderen, hen met het geloof te begaven, en daardoor wederom als in de enten.
Hertaald:
weder in te enten
Dat is: hun verstokte hart te veranderen, hun het geloof te schenken en hen daardoor als het ware weer in te enten.
gij
Namelijk geroepen heidenen.
Hertaald:
gij
Namelijk geroepen heidenen.
afgehouwen zijt uit den olijfboom,
Namelijk niet om weggeworpen, maar om ingeënt te worden.
Hertaald:
afgehouwen zijt uit den olijfboom,
Namelijk niet om weggeworpen, maar om ingeënt te worden.
die van nature wild was,
Dat is, uit de heidenen, die van nature vreemd waren van de Testamenen der beloften; Ef. 2:12 .
Hertaald:
die van nature wild was,
Dat is: uit de heidenen, die van nature vreemd waren aan de verbonden van de belofte; Ef. 2:12.
tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt;
Namelijk van uwe afkomst, overmits gij een wilde olijfboom waart, en door een zonderlinge genade Gods in den rechten of tammen olijfboom zijt ingeënt.
Hertaald:
tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt;
Namelijk tegen uw afkomst in, aangezien u een wilde olijfboom was en door een bijzondere genade van God in de echte of tamme olijfboom ingeënt bent.
deze, die natuurlijke takken zijn,
Namelijk Joden, die van de vaderen, met wie God Zijn verbond gemaakt heeft, afkomstig zijn.
Hertaald:
deze, die natuurlijke takken zijn,
Namelijk de Joden, die afstammen van de vaderen met wie God Zijn verbond gemaakt heeft.
hun eigen olijfboom geënt worden?
Namelijk waar zij van afgehouwen waren.
Hertaald:
hun eigen olijfboom geënt worden?
Namelijk de olijfboom waarvan zij afgehouwen waren.
deze verborgenheid onbekend zij
Dat is, deze zaak, die tot nog toe weinig bekend is geweest.
Hertaald:
deze verborgenheid onbekend zij
Dat is: deze zaak, die tot nu toe weinig bekend geweest is.
wijs zijt,
Dat is, laatdunkend of hoogmoedig in uwe ogen; Spr. 3:7 ; Rom. 12:16 .
Hertaald:
wijs zijt,
Dat is: laatdunkend of hoogmoedig in eigen ogen; Spr. 3:7; Rom. 12:16.
de verharding
Dat is, de ongehoorzaamheid, gelijk vs.30, 32; zie vs.7.
Hertaald:
de verharding
Dat is: de ongehoorzaamheid, zoals vers 30 en 32; zie vers 7.
voor een deel
Dat is, niet van alle Joden, maar van enigen, hoewel zeer velen. Want daar is nog altijd enig overblijfsel behouden geweest, en daarna zullen zij zich met grote menigte bekeren.
Hertaald:
voor een deel
Dat is: niet van alle Joden, maar van sommigen — hoewel van zeer velen. Want er is altijd nog een overblijfsel behouden gebleven, en daarna zullen zij zich bij grote menigten bekeren.
Israël gekomen is,
Dat is, het Israëlietische volk, de Joden.
Hertaald:
Israël gekomen is,
Dat is: het Israëlitische volk, de Joden.
de volheid der heidenen
Dat is, het volle getal, of de menigte der heidenen, en gelijk als het lichaam derzelve. Zie dergelijk vs.12.
Hertaald:
de volheid der heidenen
Dat is: het volle getal of de menigte van de heidenen, als het ware hun hele lichaam. Zie iets dergelijks in vers 12.
ingegaan zijn
Namelijk door belijdenis des Christelijken geloofs in de gemeente Gods.
Hertaald:
ingegaan zijn
Namelijk door de belijdenis van het christelijke geloof in de gemeente van God.
alzo zal
Dat is, alsdan, namelijk als de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.
Hertaald:
alzo zal
Dat is: dan, namelijk wanneer de volheid van de heidenen ingegaan zal zijn.
geheel Israël
Dat is, niet enige weinigen, maar ene zeer grote menigte, en gelijk als de ganse Joodse natie.
Hertaald:
geheel Israël
Dat is: niet enkele weinigen, maar een zeer grote menigte, als het ware de hele Joodse natie.
zalig worden;
Namelijk door de predikatie des Evangelies krachtig geroepen, en door het geloof gerechtvaardigd zijnde.
Hertaald:
zalig worden;
Namelijk doordat zij door de prediking van het Evangelie krachtig geroepen en door het geloof gerechtvaardigd zijn.
De Verlosser zal uit Sion komen
Grieks, die uittrekt; namelijk iemand uit enige zwarigheid. Hebreeuws, Goël. Waardoor de Messias verstaan wordt, die, als een naaste bloedverwant der Joden, hen uit het verderf zal trekken en verlossen.
Hertaald:
De Verlosser zal uit Sion komen
Grieks: Die uittrekt; namelijk iemand uit enige moeilijkheid. Hebreeuws: Goël. Daarmee wordt de Messias bedoeld, Die als naaste bloedverwant van de Joden hen uit het verderf zal trekken en verlossen.
de goddeloosheden
Namelijk hen door den Geest der wedergeboorte van dezelve bekerende, en hen die vergevende.
Hertaald:
de goddeloosheden
Namelijk doordat Hij hen door de Geest van de wedergeboorte daarvan bekeert en hun die vergeeft.
van Jakob
Dat is, van de Joden, die Jakobs nakomelingen zijn.
Hertaald:
van Jakob
Dat is: van de Joden, die de nakomelingen van Jakob zijn.
hun een verbond van Mij,
Namelijk den Joden, die derhalve, alzo dit verbond onveranderlijk en vast is, nog bekeerd zullen worden tot het geloof, opdat hunne zonden daardoor mogen vergeven en weggenomen worden.
Hertaald:
hun een verbond van Mij,
Namelijk met de Joden. Aangezien dit verbond onveranderlijk en vast is, zullen zij dus nog tot het geloof bekeerd worden, opdat hun zonden daardoor vergeven en weggenomen worden.
Zo zijn zij wel
Dit is een antwoord op ene tegenwerping, dat het niet wel gelofelijk was dat de Joden wederom zouden aangenomen worden, overmits zij door het verwerpen des Evangelies van God gehaat waren. De apostel bekent dat zij wel daarom gehaat waren, maar dat zij ook evenwel om een andere reden bemind waren, namelijk omdat zij afkomstig zijn van de vaderen, die God verkoren had tot Zijn volk.
Hertaald:
Zo zijn zij wel
Dit is een antwoord op een tegenwerping, namelijk dat het niet erg aannemelijk was dat de Joden weer aangenomen zouden worden, aangezien zij door het verwerpen van het Evangelie door God gehaat werden. De apostel erkent dat zij daarom inderdaad gehaat waren, maar dat zij toch om een andere reden bemind waren: namelijk omdat zij afstammen van de vaderen die God tot Zijn volk verkoren had.
vijanden
Dat is, van God gehaat.
Hertaald:
vijanden
Dat is: door God gehaat.
aangaande het Evangelie,
Dat is, omdat zij nu tegenwoordig het Evangelie verwerpen en bestrijden.
Hertaald:
aangaande het Evangelie,
Dat is: omdat zij nu het Evangelie verwerpen en bestrijden.
om uwentwil,
Dat is, omdat zij u vanwege de belijdenis des Evangelies haten en vervolgen, of opdat gij, heidenen, in hunne plaats zoudt geroepen en ingeënt worden.
Hertaald:
om uwentwil,
Dat is: omdat zij u vanwege de belijdenis van het Evangelie haten en vervolgen; of: opdat u, heidenen, in hun plaats geroepen en ingeënt zou worden.
aangaande de verkiezing
Dat is, dewijl God deze natie uit alle andere tot Zijn volk uitverkoren heeft, en nog onder haar Zijne uitverkorenen heeft.
Hertaald:
aangaande de verkiezing
Dat is: aangezien God deze natie uit alle andere tot Zijn volk uitverkoren heeft en nog steeds Zijn uitverkorenen onder haar heeft.
beminden,
Namelijk van God, dat is Gode aangenaam.
Hertaald:
beminden,
Namelijk door God, dat is: God aangenaam.
om der vaderen wil;
Dat is om het verbond, dat God met Abraham en zijne nakomelingen en de andere patriarchen, van wie de Joden afkomstig zijn, gemaakt heeft; Gen. 17:7 .
Hertaald:
om der vaderen wil;
Dat is: vanwege het verbond dat God gemaakt heeft met Abraham en zijn nakomelingen en met de andere aartsvaders, van wie de Joden afstammen; Gen. 17:7.
onberouwelijk
Dat is, zodanig, dat God van dezelve geen berouw krijgt, dat is, onveranderlijk is; want bij de mensen ontstaat veranderen van voornemen daaruit, dat het hun berouwt zulk een voornemen genomen te hebben; 1 Sam. 15:29 ; 2 Kor. 7:10 .
Hertaald:
onberouwelijk
Dat is: zodanig dat God daarvan geen berouw krijgt, dat is: onveranderlijk. Want bij de mensen ontstaat verandering van voornemen doordat het hun berouwt zo'n voornemen opgevat te hebben; 1 Sam. 15:29; 2 Kor. 7:10.
gijlieden
Namelijk geroepenen uit de heidenen.
Hertaald:
gijlieden
Namelijk u die uit de heidenen geroepen bent.
eertijds Gode
Namelijk eer Christus gekomen en u gepredikt is geweest.
Hertaald:
eertijds Gode
Namelijk voordat Christus gekomen en aan u gepredikt was.
ongehoorzaam geweest zijt,
Namelijk niet gelovende Zijn woord en niet houdende Zijne geboden.
Hertaald:
ongehoorzaam geweest zijt,
Namelijk doordat u Zijn Woord niet geloofde en Zijn geboden niet hield.
barmhartigheid verkregen hebt
Dat is, uit enkele barmhartigheid Gods, door de predikatie des Evangelies, tot het geloof geroepen zijt.
Hertaald:
barmhartigheid verkregen hebt
Dat is: doordat u uit louter barmhartigheid van God door de prediking van het Evangelie tot het geloof geroepen bent.
door dezer ongehoorzaamheid
Dat is, bij gelegenheid dat de Joden het Evangelie ongehoorzaam zijn geweest, heeft God het Evangelie tot u laten komen, vs.11. Ongehoorzaamheid is meer dan ongelovigheid, want het betekent ene hardnekkigheid van niet te willen geloven.
Hertaald:
door dezer ongehoorzaamheid
Dat is: bij gelegenheid dat de Joden het Evangelie ongehoorzaam geweest zijn, heeft God het Evangelie tot u laten komen, vers 11. Ongehoorzaamheid is meer dan ongelovigheid, want het duidt een hardnekkig niet willen geloven aan.
nu ongehoorzaam geweest,
Namelijk nadat Christus gekomen en u gepredikt is.
Hertaald:
nu ongehoorzaam geweest,
Namelijk nadat Christus gekomen en aan u gepredikt is.
door uw barmhartigheid zouden
Namelijk die u geschied is, dat is, door de krachtige roeping en het geloof, hetwelk God u, heidenen, uit enkel barmhartigheid en genade gegeven heeft.
Hertaald:
door uw barmhartigheid zouden
Namelijk de barmhartigheid die u bewezen is, dat is: door de krachtige roeping en het geloof dat God u, heidenen, uit louter barmhartigheid en genade gegeven heeft.
barmhartigheid verkrijgen
Namelijk aanmerkende de barmhartigheid, die den heidenen geschied is, en hun geloof, door dezelfde genade zouden opgewekt worden, om hun voorbeeld te volgen, en alzo mede derzelver barmhartigheid Gods deelachtig te worden.
Hertaald:
barmhartigheid verkrijgen
Namelijk dat zij, wanneer zij letten op de barmhartigheid die de heidenen bewezen is en op hun geloof, door diezelfde genade opgewekt zouden worden om hun voorbeeld te volgen en zo ook zelf deel te krijgen aan Gods barmhartigheid.
allen onder de ongehoorzaamheid
Namelijk zo Joden als heidenen.
Hertaald:
allen onder de ongehoorzaamheid
Namelijk zowel Joden als heidenen.
besloten,
Of, gelijk als tezamen gebonden.
Hertaald:
besloten,
Of: als het ware samengebonden.
allen zou barmhartig zijn
Dat is, opdat allen, zo Joden als heidenen, zalig gemaakt zouden worden alleen uit Gods barmhartigheid en genade, en niet uit hunne verdiensten. Zodat het woord allen niet verstaan wordt van een ieder mens in het bijzonder, want dat geschiedt niet; maar van allen, die uit de Joden of heidenen zalig worden; namelijk dat niemand hunner zalig wordt dan uit barmhartigheid. Zie Joh. 12:32 ; Gal. 3:22 .
Hertaald:
allen zou barmhartig zijn
Dat is: opdat allen, zowel Joden als heidenen, zalig gemaakt zouden worden alleen uit Gods barmhartigheid en genade, en niet uit hun verdiensten. Het woord allen wordt dus niet opgevat als ieder mens afzonderlijk, want dat gebeurt niet, maar als allen die uit de Joden of de heidenen zalig worden — namelijk dat niemand van hen zalig wordt dan uit barmhartigheid. Zie Joh. 12:32; Gal. 3:22.
O diepte des rijkdoms,
Dat is, zeer overvloedige verborgenheid der geestelijke wijsheid.
Hertaald:
O diepte des rijkdoms,
Dat is: een zeer overvloedige verborgenheid van geestelijke wijsheid.
Gods,
Niet die God in ons werkt, maar die in God zelf is, door welke Hij alles wijselijk overlegt en bestuurt.
Hertaald:
Gods,
Niet de wijsheid die God in ons werkt, maar die in God Zelf is, waardoor Hij alles wijs overlegt en bestuurt.
Zijn oordelen,
Dat is, Zijne wijze die Hij houdt in het beschikken en besturen van der mensen verkiezing en verwerping.
Hertaald:
Zijn oordelen,
Dat is: de wijze waarop Hij de verkiezing en verwerping van de mensen beschikt en bestuurt.
Zijn wegen
Dat is, Zijne redenen, waarom Hij dus of zo doet.
Hertaald:
Zijn wegen
Dat is: de redenen waarom Hij zo of zo handelt.
den zin des Heeren gekend?
Of, mening, gedachten, voornemen, raad.
Hertaald:
den zin des Heeren gekend?
Of: de bedoeling, de gedachten, het voornemen, de raad.
raadsman geweest?
Namelijk die Hem raad zou gegeven hebben, hoe en aan wien Hij de zaligheid tot Zijn meeste eer zou teweegbrengen; niemand namelijk dan Hij zelf, naar Zijn oneindelijke wijsheid.
Hertaald:
raadsman geweest?
Namelijk iemand die Hem raad zou hebben gegeven hoe en aan wie Hij de zaligheid tot Zijn hoogste eer tot stand zou brengen — niemand namelijk dan Hijzelf, naar Zijn oneindige wijsheid.
eerst gegeven,
Of, tevoren gegeven; dat is, eerst iets goeds gehad of gedaan tot Gods eer, waardoor God aan hem zou verplicht zijn.
Hertaald:
eerst gegeven,
Of: tevoren gegeven; dat is: eerst iets goeds gehad of gedaan tot Gods eer, waardoor God aan hem verplicht zou zijn.
wedervergolden worden?
Namelijk naar verdienste; te weten, zo er iemand is, die Gode eerst gegeven heeft. Waarmede hij wil tonen dat alzo God niemand schuldig is ene vergelding te geven, dat dan de zaligheid niet uit verdienste, maar uit genade van Hem gegeven wordt; Ps. 16:2 .
Hertaald:
wedervergolden worden?
Namelijk naar verdienste, in het geval dat er iemand zou zijn die God eerst gegeven heeft. Daarmee wil hij laten zien dat, aangezien God aan niemand een vergelding verschuldigd is, de zaligheid dus niet uit verdienste maar uit genade door Hem gegeven wordt; Ps. 16:2.
uit Hem,
Namelijk als de eerste oorzaak, die alles naar Zijn wijzen raad schikt en ordineert.
Hertaald:
uit Hem,
Namelijk als de eerste oorzaak, Die alles naar Zijn wijze raad schikt en ordent.
door Hem,
Namelijk als die alles, wat den mens ter zaligheid nodig is, werkt en hetgeen naar Zijn wijzen raad geordineerd is, krachtig uitvoert.
Hertaald:
door Hem,
Namelijk als Degene Die alles wat de mens tot zaligheid nodig heeft werkt, en Die krachtig uitvoert wat naar Zijn wijze raad geordend is.
tot Hem
Namelijk als tot het uiterste einde, tot wiens eer alles moet strekken en gebracht worden; Spr. 16:4 .
Hertaald:
tot Hem
Namelijk als het uiterste doel, tot Wiens eer alles moet strekken en gebracht worden; Spr. 16:4.
alle dingen
Namelijk die niet alleen de schepping, onderhouding en regering aller schepselen, maar voornamelijk die de zaligmaking der mensen aangaan, waarvan hier inzonderheid gehandeld wordt.
Hertaald:
alle dingen
Namelijk niet alleen de dingen die de schepping, het onderhoud en de regering van alle schepselen betreffen, maar vooral die welke de zaligmaking van de mensen betreffen, waarover hier in het bijzonder gehandeld wordt.
Amen
Van dit woord, zie Matt. 6:13 .
Hertaald:
Amen
Zie over dit woord Matth. 6:13. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade" (Rom. 11:5), met de scherpe toevoeging: "indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer" (Rom. 11:6). Paulus tekent daarna het beeld van de wilde olijftak, geënt op de plaats van afgebroken takken, delend in de wortel en het sap van de olijfboom (Rom. 11:17). Daarbij klinkt de waarschuwing dat zij door het geloof staat en niet hoogmoedig mag zijn, maar vrezen moet (Rom. 11:20). Bijbelse betekenis: Dit past dezelfde Verkiezing (Deut. 7, reeds behandeld) toe op de geschiedenis van Israël en de heidenen. Gods verkiezende genade werkt door, ondanks het ongeloof van het grootste deel van het volk, en dezelfde genade is de enige grond waarop ook de ingeënte heidenchristen staat. Dat geeft geen reden tot hoogmoed over de afgebroken takken, maar tot vrees en volharding in het geloof. Typologie: Hetzelfde beginsel klonk al bij Baäl (Richt. 2), waar Rom. 11:4-5 aangehaald werd als "de verkiezing der genade" tegenover de zevenduizend die de knie voor Baäl niet gebogen hadden — dit hoofdstuk is de volle, leerstellige ontplooiing van dat vroeger al aangehaalde beginsel. Rom. 11:4-6,17,20 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het beloofde Zaad niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Paulus heeft drie hoofdstukken lang geworsteld met de vraag hoe het kan dat zijn eigen volk het Evangelie afwijst. Nu tekent hij een boom, en zet daarmee de verhouding tussen Israël en de heidenen op zijn plaats. Er is één boom en één wortel; de takken wisselen, de stam niet. **Het beeld.** Een olijfboom met een wortel, takken die eraf gebroken zijn, en wilde takken die erin gezet worden. Er wordt geen tweede boom geplant. De heidenen komen niet naast Israël te staan maar erin. **De waarschuwing.** Wie ingeënt is zou groot van zichzelf kunnen gaan denken, en daar staat één zin tegen: “Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.” Dat is voor deze lijn de kern. De belofte begon niet bij Rome. Wie erbij gekomen is, is aangesloten op iets dat er al was: op Abraham, op de vaders, op het woord dat aan hen gegeven is. **En hoe men erin komt.** Niet door afstamming, en ook niet door verdienste: “zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.” Dezelfde regel als in hoofdstuk 9: de kinderen der belofte worden voor het zaad gerekend. Bloed bepaalt het niet, en gunst evenmin. **Wat er beloofd wordt.** Het loopt uit op een aanhaling uit Jesaja: “De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.” De kanttekening blijft bij dat woord Verlosser staan en wijst het Hebreeuwse woord aan: Goël. Dat is de losser — de naaste bloedverwant die het recht en de plicht had terug te kopen wat verloren was. De Messias, zegt zij, zal als zulk een bloedverwant Zijn volk uit het verderf trekken. **De grond eronder.** En dan komt de zin waarmee het hele hoofdstuk staat of valt: “Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.” God neemt niet terug. Dat is dezelfde grond die Bileam moest uitspreken over een volk dat hij vervloeken kwam: God neemt Zijn woord niet terug. De zaadlijn houdt niet stand omdat de takken het volhouden, maar omdat de wortel blijft staan. In het Nieuwe Testament: Jesaja 59:20-21; Jeremia 11:16; Romeinen 9:8; Ruth 4:14; Numeri 23:19; Efeziers 2:12-13 Hoever dit reikt: Paulus haalt Jesaja 59 uitdrukkelijk aan; daarop rust het niveau. Wat geheel Israël in vers 26 betekent, wordt verschillend uitgelegd; de kanttekening verstaat het als een zeer grote menigte uit dat volk, wanneer de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. Deze post volgt het beeld van de boom en spreekt zich over de tijdsorde niet uit.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Het zal gebeuren, zoals u, huis van Juda en huis van Israël, een vloek onder de heidenvolken geweest bent, zo zal Ik u verlossen en zult u een… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen. Romeinen 11 vers 36 Dit moet de enige wens van een Christen zijn.… Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. Romeinen 11:36 Geliefde lezer, hoe wanhopig is uw… Alzo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade. Romeinen 11:5 De Heere heeft een volk, ‘een overblijfsel naar de… Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk. ROMEINEN 11:29 Ik heb het recht om alles te vragen wat God mij beloofd heeft, maar als ik buiten het… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" En zo zal heel Israël zalig worden. Romeinen 11 vers 26 Toen Mozes zijn lied zong bij de Rode Zee, was… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Romeinen 11
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Gij draagt den wortel niet, maar de wortel u — 11:16-24, 26-29
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Eens een vloek, nu een zegen
Geef je God de eer
Niets is voor God te gering
Maar wij verwachten...
Wees zeker van Gods wil
En zo zal heel Israël zalig worden


Romeinen 11
Romeinen 11:33-36
Kruisverwijzingen1 Korinthe 8:6→Psalmen 92:5→Job 5:9→Romeinen 2:4→1 Korinthe 2:16→Romeinen 16:27→Kolossenzen 2:2→Efeze 3:10→— O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.
“Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.” Paulus legt hier een algemeen beginsel uit: alle dingen zijn uit God. Zij zijn uit Hem als hun bron, door Hem als hun middel, en tot Hem als hun doel. Uit Hem in het plan, door Hem in de uitwerking, en tot Hem in de heerlijkheid die zij voortbrengen. Wie dit beginsel vasthoudt, zal ontdekken dat het op alle dingen van toepassing is, en het is aan ons om te letten op de gevallen waarin dat het duidelijkst blijkt. Het moet daarom ons verlangen en ons doel zijn om Hem in alle dingen te verheerlijken. Wilt u God werkelijk verheerlijken, wees er dan op bedacht dat u dat niet met lippendienst doet, die in de lucht wegsterft, maar met oprechte eer in het dagelijks leven. Verheerlijk Hem door uw geduld in lijden, door uw volharding in de plicht, door uw vrijgevigheid voor Zijn zaak, door uw vrijmoedigheid in het getuigenis, door uw toewijding aan Zijn werk. Verheerlijk Hem niet alleen in de eredienst op zondagmorgen, maar ook elke dag, door op allerlei manieren iets voor God te doen, naar de mate waarin het Hem heeft behaagd u te zegenen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IV. Vs. 1-36.KruisverwijzingenDeuteronomium 29:4→Jesaja 29:10→1 Koningen 19:18→Romeinen 9:27→Psalmen 69:22→Filippenzen 3:5→1 Samuël 12:22→2 Korinthe 11:22→
— Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israeliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin. God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet, wat de Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israel, zeggende: Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel. Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelven nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baal niet gebogen hebben. Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade. En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer. Wat dan? Hetgeen Israel zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden. (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op den huidigen dag. En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen. Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd.
Paulus heeft tot hiertoe de oorzaak blootgelegd, hoe het gekomen is dat Israël, het volk dat zulke grote, goddelijke voorrechten heeft ontvangen, van de zaligheid in Christus uitgesloten gebleven is. Hij is tot het resultaat gekomen dat de schuld daarvan volstrekt niet bij God ligt, maar alleen in Israël’s ongehoorzaamheid jegens het genadig welbehagen van God, dat toch duidelijk was geopenbaard, zoals Mozes en Jesaja dit ook hadden voorspeld. Nu wendt hij zich van dat treurig vernederend beeld van de verharding af, die over een groot deel van Israël is gekomen, tot de vertroosting van de toekomst. In deze zal het in een veel hogere zin blijken dat Gods belofte geenszins teniet gedaan is; deze zal ook bij het volk van Israël wonder-heerlijk worden vervuld. God heeft, zegt Paulus, Zijn volk niet willekeurig verstoten, maar reeds een overblijfsel uit genade gered, maar de overigen om hun werkheiligheid aan het oordeel van de verharding overgegeven (vs. 1-10). Deze verharding van Israël is geenszins het doel van de wegen van God met Israël, maar alleen een middel van Zijn eeuwige liefde, opdat Hij aan de heidenen genade geeft en daarna, alsmede daardoor, eindelijk ook Israël als volk weder opneemt en zalig maakt (vs. 11-15). Deze toekomstige wederaanneming van Israël volgt reeds uit zijn hem van God zelf gegeven roeping onder de volken van de aarde, die op het eeuwig raadsbesluit van de liefde rust. Daarom moeten zich de heidenen door de tijdelijke verwerping van het volk van God en hun verkiezing en de verkiezing van deze in hun plaats niet laten verleiden tot zelfverheffing en tot hoogmoedig verachten van Israël, maar integendeel altijd gedachtig blijven dat zij niet als kinderen van het huisgezin van God geboren, maar alleen gasten in het huis van God zijn; dat het lot van de ongehoorzame kinderen nog veel zekerder de weerspannige gasten zal treffen en dat het meerdere recht van de kinderen boven de vreemden ondanks hun ogenblikkelijke uitdrijving uit het huis slechts buiten werking is gesteld, maar later weer zal worden hersteld (vs. 16-24). Op deze voorstelling van de hoop, die door de aard van de zaak wordt teweeg gebracht, volgt de uitdrukkelijke verkondiging van de bekering van Israël als geheel, die in de toekomst op de door God vastgestelde tijd te wachten is. Deze belofte heeft haar grond deels in de getuigenissen van de heilige Schrift, deels in de trouw, de uitgebreidheid en algemeenheid van de Goddelijke barmhartigheid (vs. 25-32). Eindelijk sluit de apostel de gehele afdeling, waarin hij de troost en de hoop van de toekomst uit elkaar heeft gezet, met een terugzien op de gehele verwezenlijking van het eeuwig raadsbesluit van God over Israël en alle volken, terwijl hij een loflied vol geestdrift aanheft op de ondoorgrondelijke wijsheid en liefde van God, waarmee Hij Zijn hele tempel van de genade heeft ingericht.
Ik zeg dan ten slotte (Hoofdstuk 10: 18, 19): a) “Heeft God dan, zoals misschien iemand uit die uitspraken van de profeten ten onrechte zou kunnen besluiten, Zijn volk, dat Hij zelf verkoren heeft, geheel verstoten (Ps. 94: 14), omdat Hij toch nu Zijn genade en Zijn zaligheid aan de heidenen heeftgegeven? ” Integendeel b), want was dit het geval, dan zou ook niet een enkele tot de genade van Christus zijn gekomen. En dit is toch het geval; want ik Paulus, ben toch ook een Israëliet en wel een, die zijn afstamming nauwkeurig kan opgeven, niet een, die uit de heidenen onder het volk is opgenomen, maar uit het echte zaad van Abraham, van de stam Benjamin, dus de kern van het volk, dat uit de ballingschap is teruggekeerd. Heeft God mij nu in genade aangenomen, hoe zou het mogelijk zijn, dat het gehele volk verstoten was?
Jer. 31: 37. b) 2 Kor. 11: 22. Fil. 3: 5.
Nee, God heeft Zijn volk zeker niet verstoten, dat Hij tevoren, nog voordat het bestond en Hij het als Zijn volk riep, in goddelijke liefde gekend heeft Ro 8: 28 en getrokken heeft om het Zijn genade deelachtig te maken. Het zou zo een tegenspraak van God tegen Zichzelf zijn als Hij het verstoten had. Of weet u niet wat de Schrift zegt van Elia (eigenlijk “in Elia” d. i. wat de Schrift in dat gedeelte, dat over Elia handelt, zegt) namelijk in 1 Kon. 19: 10, 14, 18 ? Hoe hij, Elia, op Horeb in het uur van zware bestrijding en donkerheid, die hem de ogen verblindde, God aanspreekt tegen Israël, en zei:
“Heere! zij hebben Uw, de door U gezondene ware profeten gedood en Uw altaren, die de gelovigen, voor wie het bezoeken van de tempels verhinderd is, uit nood op de hoogten hebben gebouwd, omgeworpen en ten gronde toe verwoest en ik ben van al Uw dienaren alleen overgebleven en zij zoeken ook mijn ziel.
Deze is nu de eeuwige uitverkiezing van God in Christus, die van God alleen uitgaat en de zondaar opneemt en behoudt. Tot dezen behoorde Paulus zelf (Gal. 1: 15, 16) en allen die uit Israël geloofden. God wilde Israël niet geheel in het ongeloof laten wegzinken en daarom behield Hij Zich voor, om door Zijn almachtige genade enkelen tot gelovigen en rechtvaardigen te stellen. Wie die uitverkorenen zijn zouden, zou blijken uit hun geloof.
Maar wat zegt tot hem het goddelijk antwoord? “Wees getroost. Gods volk zal ondanks dat groot verderf door heidense gruwelen niet ophouden te bestaan. Ik heb Mijzelf ook nu nog zevenduizend mannen overgelaten, getrouwe vereerders van Mij, die de knie voor het beeld van Baäl, dat alle overigen hebben aangebeden, niet gebogen hebben.”
a) Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd, waarin het grootste gedeelte van dat volk weer verblind is en wel door de aanbidding van de afgod van hun eigen gerechtigheid, een overblijfsel geworden. Er bestaat nog een klein overblijfsel tegenover de grote menigte van verstokten. Ook nu is er nog zo’n gemeente van 7000, die naar de verkiezing van de genade (Hoofdstuk 8: 33; 9: 11), zonder enige eigen verdienste de zaligheid van God in Christus ontvangen en aangenomen heeft.
Rom. 9: 27.
Dit was een overblijfsel naar de verkiezing van de genade. Het geloof en de behoudenis van deze Joden was geenszins het gevolg van hun verdiensten, maar een vrucht van Gods ongebonden genade en een gevolg van Zijn onveranderlijke verkiezing, volgens welke Hij Zich uit de diep bedorven Joden nog enigen tot de zaligheid door het geloof in Jezus Christus bestemd had. Deze verkiezing had haar enige grond in enkel genade: want, bij de genade kan geen verdienstelijkheid van werken in aanmerking genomen worden, of men vernietigt de gehele natuur van de genade.
a) En als het door Gods vrije, van alle menselijke verdienste onafhankelijke genade is, dat dit overblijfsel in Israël tot de zaligheid in Christus is gekomen, zo is het niet meer uit de werken daartoe gekomen. Anderszins is de genade geen genade meer, want deze bestaat daarin dat zij vrij en voor niet geeft. En als het is uit de werken, dat men tot de gemeenschap met Christus komt, zo is het weer geen genade meer, die daartoe gebracht heeft, anderszins is het werk geen werk meer; want dit is de aard van een verdienste, dat de gave niet voor niet wordt ontvangen. Genade en verdienste sluiten elkaar dus wederkerig uit. Godseeuwig raadsbesluit nu luidt, dat Hij alleen uit genade door het geloof en niet door de werken rechtvaardig en heilig wil maken.
Deut. 9: 4.
Wat kunnen wij dan als besluit trekken uit hetgeen wij tot hiertoe hebben gezegd? (vs. 1-6). Dit: hetgeen Israël met zijn eigenaardige ijver zoekt, namelijk de gerechtigheid voor God (Hoofdstuk 9: 31 vv.), dat heeft het niet verkregen, omdat het die in zijn eigenwerken zocht. Maar de uitverkorenen, d. i. het kleine hoopje van degenen die zich de verkiezing van de zondaars tot zaligheid hebben laten welgevallen en de gerechtigheid als een geschenk hebben aangenomen, hebben het verkregen, omdat deze gerechtigheid alleen uit genade wordt gegeven. En de anderen, de grote menigte in deze tijd, zijn in hun verstand en hun wil door God verhard geworden; zij zijn door het oordeel van de verharding getroffen, zodat zij nu, nadat zij Gods genadig welbehagen lang hardnekkig wederstonden, de zaligheid in Christus niet meer kunnen aannemen.
Deze verstoktheid van het volk in zijn geheel tegen de grote genade van God is ook door de profeten voorspeld, zoals in Deut. 29: 4 en ook in Jes. 29: 11 en 6: 10 29. 11 geschreven is: “God heeft hun, van de menigte van het volk, gegeven een geest van de diepe slaap en van de bedwelming, waarin een mens de weg niet kan vinden en plotseling tot de val komt, a) ogen om niet te zien wat waarheid is en recht en oren om Gods liefelijke uitnodiging niet te horen, tot op de huidige dag. Deze huidige dag, waarvan Mozes spreekt waarop het oordeel van de verharding zal ophouden, is echter nog niet gekomen en daarom betreft deze voorstelling ook nu nog het volk en zal blijven voortduren totdat het zich tot God bekeerd heeft en alleen op Zijn genadig welbehagen zal vertrouwen.
Ezech. 12: 2. Matth. 13: 14. Mark. 4: 12. Luk. 8: 10. Joh. 12: 40. Hand. 28: 26.
De tegenspraak, die daarin schijnt te liggen, dat het oordeel van de verharding een mens of een volk, dat God ongehoorzaam is, blind en doof maakt en dat toch van hem geëist wordt zich te bekeren, wordt opgelost als men bedenkt, dat achter Gods toorn altijd Zijn liefde blijft en dat het oordeel van God het inwendige van de mens, volgens hetwelk hij zich door de zware last van Gods toorn kan laten verootmoedigen, nooit teniet doet. Israël zal eens ten gevolge van grote ellende en vervolgingen zich verootmoedigen en dan zal de ban van blindheid en doofheid van zijn hart worden weggenomen, zodat het weer zal horen, zodat het weer kan zien, die Heer het doorstoken en veracht heeft. Deze tijd ligt echter geheel in de hand van de genade van God, die op haar tijd zo’n ootmoedige verbrijzeling van het volk zal bewerken en vervolgens de zaligheid in Christus weer zo dicht onder de ogen zal plaatsen, als in de tijd van Christus en van de eerste Christen-gemeente. Maar heden, nu het grootste deel van de Christenen zelf in blindheid en doofheid, in afgodendienst en zonde is weggezonken, is duidelijk de tijd van genade voor Israël nog niet aangebroken en de ban van God werkt voort.
En David zegt in Ps. 69: 23 en 24 van datzelfde Israël, dat tegen Gods wil zich verzet: “Hun tafel, waaraan zij in overdaad zwelgen en die met spijs en drank overvloedig bezet is, wordt tot een strik en tot een val, tot een jachtgaren, waarin hen, terwijl zij zorgeloos en gerust voortleven, plotseling onheil en verderf overvalt en tot een aanstoot, zodat zij bezwijken en tot een rechtvaardige wedervergelding voor hen, voor hun opstand tegen Uw en Uw goed en genadig welbehagen.
Men heeft veel gesproken tegen de vloekpsalmen van David, als onmenslievend; maar wat moeten wij dan zeggen als Paulus, de bedienaar van het Evangelie, van het Nieuwe Testament, van de genade, van de vrede, ze overneemt? Men vergeet over welke mensen zo’n oordeel wordt uitgesproken. Het zijn de verharde goddelozen, die de menselijke natuur hebben uitgeschud, wier lust het is kwaad te doen en te verderven. Mannen als Joab, die onder vriendschapsschijn twee mannen kon vermoorden: dus de sluipmoordenaars, de gifmengers, de bedriegers van beroep, de dieven, die nauwelijks uit het tuchthuis ontslagen meteen weer het oude misdrijf opvatten, in een woord, de goddelozen, die zich verheugen als zij kwaad kunnen doen. En hoe velen zijn er van die lieden nog in onze tegenwoordige maatschappij! Vraag het aan de jaarboeken van het lijfstraffelijk recht en u zult verbaasd staan tot welke allerergste goddeloosheden mensen kunnen vervallen, zonder te blikken of te blozen. Het geweten is dood in hen en alle zedelijk gevoel is in hen ten enen male uitgedoofd. Hoe hard het oordeel van God van de Schrift dus over hen klinken mag, het is ten volle rechtvaardig.
Dat hun ogen verduisterd worden, nadat zij ze zelf zolang hebben gesloten, om de weg van de vrede niet te zien en verkrom hun rug, zodat zij ten allen tijd dienstknechten moeten zijn van hun eigen boze wil en van hun verzet tegen de waarheid van God. Zo sprak toen David in heilige toorn over het weerspannige volk en heden is het voor onze oren vervuld, dat hun vleselijke gezindheid hen tot een valstrik is geworden.
Het is dus wel op de profetie gegrond dat de anderen, zoals ik in vs. 7 zei, verstokt zijn geworden. Zo zeg ik dan: “Hoe lang zal dit gericht van verblinding van hun ogen en van verharding van hun hartenduren? Hebben zij misschien daarom tegen de steen des aanstoots en de rots van ergernis, die in Christus voor hen lag (Hoofdstuk 9: 33) door hun ongeloof gestruikeld, opdat zij volgens de wil en de bedoeling van God vallen zouden en zouden blijven liggen? Integendeel. Hun gehele val was zeker niet het einddoel van Gods wegen met hen, maar slechts een middel van Zijn liefde, waardoor Hij Zijn naam verheerlijkte en Zijn rijk weer opbouwde (Hoofdstuk 9: 23), en dat ook hen eens weer ten goede zal komen. Door hun val toch, door hun zonde van ongeloof en ongehoorzaamheid is het naar Gods wijze en barmhartige leiding daartoe gekomen, dat de zaligheid in Christus de heidenen geworden is. Het Evangelie is tot hen gebracht ende roeping van Gods genade heeft onder hen geklonken; zij hebben die gehoord en aangenomen en dit is gebeurd om hen, de leden van Gods oude volk, die in ongeloof zijn gebleven, tot jaloersheid te verwekken door de begenadigde en gelovige heidenen, zodat zij eens door heilige ijverzucht gedrongen ook hun harten in gehoorzaamheid voor het Evangelie openen en zo de voorspelling van Mozes in Hoofdstuk 10: 19 vervullen.
De apostel spreekt hier niet van de enkele Israëlieten op zichzelf, maar van het volk in het algemeen. Het is daar niet te bewijzen dat de apostel de val van de bijzondere leden van Israëls volk als een gebeurtenis beschouwde, die nog een toekomstige verlossing deed verwachten. Integendeel zijn diepe ziel-verscheurende smart (Hoofdstuk 1, 2) zou dan allen zin hebben gemist. Wanneer hij met die zekerheid en met die kalmte, waarmee hij hier de herstelling van het volk als zodanig voorspelt, ook de redding van allen in het bijzonder had voorzien, zoals dan ook allen, die de redding van allen ten laatste verbeiden, juist ten gevolge van zo’n dwaling, die smart niet voelen. Ten aanzien van de enkele Israëlieten stond het struikelen zoals met het verstokt worden; (vs. 7) ten aanzien van het gehele volk strekken zich Gods genadige bedoelingen verder uit.
Wij moeten bij het volk van Israël (in die tijd evenals nu nog) drie klassen onderscheiden. Ten eerste de weinigen, die de energie hadden om in tegenstelling van de verdorven geest van het algemeen, in de Gekruisigde de Messias te verkennen en aan te nemen (door Paulus “het overblijfsel naar de verkiezing van de genade” genoemd); deze gingen in het geestelijk Israël van de kerk over. Ten tweede de leden van het volk, die met meer of minder helder bewustzijn tegen God streden (de tegenwoordige hervormingsjoden en de oude Sadduceeën met een gedeelte van de Farizeeën); deze vielen van Israël af en werden, hoewel lichamelijk besneden, naar de geest heidense voorhuid (Hoofdstuk 2: 28 v.); daarom laat God hen in de grote gerichten, die onder Titus komen, ten ondergaan. Ten derde degenen die noch door de zonde, noch door de genade krachtig genoeg worden gedrongen, zodat zij noch zo zware schuld op zich laadden als de tweede klasse, omdat zij niet geloofden, noch ook tot de hoogte kwamen die de eersten bereikten. Deze derde klasse bleef als een zaad over en daaruit ontwikkelt zich het Israël naar het vlees, dat wij door de rij van de Christelijke kerk zien heengaan en dat als een levend wonder van de Heere, in de hele wereld verstrooid, toch aan zijn van de vaderen geërfde zeden getrouw, onder ons omwandelt (biddend om de herstelling van het offer en om de komst van de Messias). Jafet woont wel heden in de tenten van deze kinderen van Sem d. i. zij dragen de schuld van hun vaderen en hebben opgehouden het middelpunt te zijn van de goddelijke weg van de zaligheid; maar zij zijn niet voor altijd verstoten, hun is slechts voor een tijd de voorrang ontnomen, die blijft voor hen bewaard. Zij lijken op een koningsstam, die door de schuld van de voorvaderen van de troon gestoten is, maar waarvoor de kroon bewaard blijft tot de tijd, dat het God behaagt om hen weer in Zijn rijk te stellen.
Zoals een vrouw, die door haar schuld van haar man verstoten is, in ijverzucht ontvlamt, zodat zij zich daardoor gedrongen gevoelt zich met hem te verzoenen, zo zal het nu geschieden dat de Joden, wanneer zij de heidenen aan hun plaats zien optreden, uit droefenis wegens hun verwerping naar de verzoening met God zullen trachten.
Door het innig geloof en de oprechte vroomheid van de Christenen uit de heidenen, zal Israël bekeerd worden, dat is de hoofdsom van de inhoud van vs. 11 Zo zou de ware zending onder Israël zijn, dat de Christenen uit de heidenen hun Heiland met hun hele ziel dienden en rijke vruchten van de Geest aanbrachten. Dan zou Israël door die daad overtuigd worden, dat onder ons Gods Heilige Geest aanwezig, levendig en krachtig is, dat daarom ook die God, die wij aanbidden, de alleen ware is en Jezus de ware Messias. In plaats daarvan moet het volk van de Joden van de tegenwoordige Christenen zeggen, dat zij in het algemeen genomen een geslacht zijn dat verworpen is, dat zijn geloof verloochent, zijn God door gruwelen onteert, dat de Joden zelf de Christenen uit de heidenen in vele stukken overtreffen, in nauwgezette waarneming van de sabbat, in heilig houden van de echt, in matigheid en kuisheid. Maar op welke wijze, zo vragen wij, zal bij deze tegenwoordige beklagenswaardige toestand van de heidenen het woord van de apostel tot vervulling komen? Zeker alleen zo, dat met het voortdurend toenemen van goddeloosheid en ongeloof de gelovigen onder hen zich verenigen en dan ware, gelovige gemeenten vormen, door wier ijver en liefde tot Christus Israël tot de kennis van Christus wordt geleid.
En als hun val, hun misdaad van ongeloof, de rijkdom is geworden van de wereld, van de heidenen, die zonder God voortleefden, omdat zij de schat in de akker en de kostbare parel vonden en ontvingen en hun vermindering, hun verachtering in het waarachtig geloof van de Abrahams kinderen de rijkdom is van de heidenen, hoeveel temeer zal de heidenwereld een rijkdom van genade en zaligheid worden aangebracht door hun volheid a) als hun getal door bekering tot Christus vol geworden zal zijn en zij weer tezamen tot het heilig volk van God behoren!
In de grondtekst staan paraptwma (= val) en htthma (= vermindering) aan de ene kant en plmrwma (= volheid) aan de andere kant tegenover elkaar. Het eerste woord moet te kennen geven, dat de Joden niet hebben gedaan wat zij moesten doen; het tweede, dat zij geweest zijn wat zij niet moesten zijn; het derde, dat zij in volkomenheid zullen zijn wat zij moeten zijn.
De uitdrukking plmrwma, die voor de gehele bemanning van het schip, van de gehele bevolking van een stad en dergelijke wordt gebruikt, doet als tegenovergesteld denken aan “gedeelte”, die betekenis echter van htthma niet met zekerheid kan worden aangewezen. Wij zouden ervoor kunnen stellen “te kort” er ontbreekt aan de menigte, die bij elkaar behoort. Zonder twijfel zweefde de apostel de idee van een bepaald getal voor de geest een idee, die gemodificeerd (tot haar juiste maat teruggebracht) ook in Openb. 7: 4 te voorschijn treedt. Dit getal had ten gevolge van de ontrouw van velen een aanzienlijk te kort van Christus en toch werkten deze weinigen reeds met zoveel kracht, hoe zal dan later, wil Paulus zeggen, de werking zijn, als het door God bepaalde getal vol wordt! Zeer veel opheldering voor de gehele apostolische opvatting van de verhouding van het gehele Israël tot de bijzondere personen, die het uitmaken, is de plaats Gal. 4: 21 vv. Het volk is de moeder, die steeds de mogelijkheid van baren voorstelt, maar een tijd lang is zij onvruchtbaar (Gal. 4: 27). En als zij baart zoals Sara Izaak, dan baart zij weinige kinderen. Maar eens zal de verlaten, verouderde, onvruchtbare meer kinderen voortbrengen, dan die de man heeft. Het onder alle volken verstrooide, door God verlaten Israël lijkt op zo’n verouderde onvruchtbare; slechts enkelen maken zich nu en dan van het volk los en treden de kerk van Christus bij de heidenen binnen, die nu de man heeft, d. i. waarbij God in Zijn genade werkzaam is. Maar deze onvruchtbare weduwe zal nog eens in haar ouderdom kinderen voortbrengen, als de dauw uit het morgenrood.
De volheid van de Joden in ons vers staat tegenover de volheid van de heidenen (vs. 25). Toch blijft tussenbeide, zoals de profetie van het Oude Testament en vs. 26 het grote onderscheid bestaan, dat de volheid van de heidenen het volledig getal van alle heidense volken betekent, dat dus bij hen niet de bekering van alle personen, van alle volken bedoeld is, terwijl de volheid van de Joden of “geheel Israël” toch zonder twijfel het geheel te kennen geeft van alle personen, die het volk uitmaken. Zo is bedoeld, dat aan het einde van de dagen, als het uur van de genade van God voor Israël weer zal slaan, het dan bestaande volk weer als geheel in genade zal worden aangenomen, dat niet moeilijk daarmee te rijmen is, dat dit getal toch slechts een beperkt getal zal zijn, omdat de gerichten van God, die dat uur van genade voorafgaan, al degenen zal hebben weggenomen die niet meer op de verschijning van de Messias wachten en de voorvaderlijke wet hebben verworpen.
Ik zeg: “Wanneer hun getal eens vol zal zijn; ” want ik spreek tot u, Christenen uit de heidenen, omdat u zou kunnen menen dat mijn ambt slechts u toekwam en de bekering van de Joden mij niet aanging. a) Voor zoveel ik van de heidenen apostel ben kan ik betuigen: Ik maak mijn bediening heerlijk door getrouw en ijverig aan uw zielen te arbeiden enzo velen van u mogelijk is tot de Heer te leiden.
Hand. 9: 15; 13: 2; 22: 21. 2 Tim. 1: 11.
Maar ik doe dat steeds in de hoop en met het oog daarop, of ik wellicht enigzins de Joden, die mijn vlees zijn, over uw geloof en de genade aan u tot jaloersheid verwekken en zo ten minste enigen uit hen tot het geloof in Christus leiden en behouden mocht. Daardoor zou ik het grote doel van de bekering van het gehele Israël voorbereiden en bevorderen. Het zal toch zo’n belangrijke zaak, rijk in zalige gevolgen zijn, als eens het gehele volk tot bekering zal komen, dat het wel van de moeite waard is, al is het slechts enigen van hen te winnen.
Want als reeds hun verwerping en overgave tot het oordeel van God door hun uitsluiting van de heilige gemeenschap van het volk van God, zoals die ten gevolge van hun ongeloof heeft plaats gevonden, de verzoening is van de wereld, die tot hiertoe onder de toorn van God lag, tot welke wereld ook u als heidenen behoorde, wat zal dan Israëls bekering voor u een zegen zijn! Ten gevolge van Israëls ongeloof is de prediking van Gods genade in Christus tot u gebracht en u heeft ze aangenomen en genade verkregen, wat zal dan de aanneming, de wederopname in de gemeenschap van Zijn volk in latere dagen wezen, betekenen en teweegbrengen, anders dan het leven uit de doden, de wederopstanding van de doden en de verhoging van de hele wereld, dus de voltooiing van alle zaligheid van de wereld in Christus?
Het is duidelijk dat de apostel hier de geschiedenis van Israël in parallel plaatst met het leven van Christus in de beide hoofdgebeurtenissen, Zijn dood en Zijn opstanding, als wilde hij zeggen: evenals de wereld van zondaren verzoend werd, toen God Zijn Zoon Jezus in het oordeel van de dood overgaf, zo diende Israëls overgave tot verzoening en behoudenis van de overige wereld, evenals Christus’ opstanding en opname in de genade en heerlijkheid van God naar de wereld het leven gaf en het begin van de verheerlijking, zo zal eens Israëls bekering aan de wereld de zalige volmaking van haar geheel geven door opstanding ten leven en door verheffing van de wereld. Dit is echter veel meer dan slechts een vergelijking. De gevolgtrekking van Paulus berust integendeel op de stellingen, die in het Oude Testament haar grond hebben, dat Israëls gehele bestaan en leven een voorspellend voorbeeld is van het leven en zijn van de Messias, die uit hen is voortgekomen en die als het ware het ideale Israël is. Zo geeft bijvoorbeeld ook in Jes. 52 en 53 knecht van God” nu eens het volk van Israël te kennen, dan weer Hem, in wie de zaligheid van het volks gelegen is en Israëls roeping voor de gehele wereld wordt vervuld, namelijk Christus. Pas de laatste tijd, als Israël weer in het middelpunt van de geschiedenis van de volken treedt en met de nieuwe bedeling, die het ontvangen heeft, ook voor de hele verdere wereld een nieuwe tijd aanbreekt, zal het ons duidelijk worden hoe innig Christus verbonden is met het volk van de verkiezing en hoe Israëls lotgevallen een gelijksoortige uitwerking op het lot van de heidenwereld hebben gehad, als de gebeurtenissen in het leven van Christus op de hele wereld. In hoeverre Israëls bekering in de toekomst het begin zal zijn van de tijd van zaligheid of van openbaring en het begin van de laatste dagen en dus de voltooiing van het rijk van God, zal de Openbaring van Johannes leren (“Ro 11: 12” en “Ro 11: 13).
Luther heeft de tweede helft van ons vers verkeerd uitgelegd. Hij laat namelijk “aanneming” niet doelen op de Joden, maar op de aanneming van de verzoening door de heidenen. Hij zegt in de kanttekening: “Van de doden het leven ontvangen gaat niet, hoe zou dan het leven van de heidenen daardoor worden teweeg gebracht, dat de Joden gevallen en dood zijn. Integendeel zullen de dode Joden door het voorbeeld van de heidenen opgewekt worden tot het leven. ” Deze opvatting strijdt met vs. 12 en vs. 16 en met de eenvoudige zin van de woorden. Andere uitleggers wilden onder het “leven uit de doden” niet de lichamelijke opstanding van de doden vóór het oordeel zien, maar een geestelijk levend worden van de overige gestorven Christenen, of zij zien daarin een vervulling van Ezechiëls profetie, het weer levend worden van de doodsbeenderen Eze 37: 14. In dat gezicht is echter Israëls wonderbare en plotselinge bekering voorspeld, niet wat deze aan de wereld zal aanbrengen. Zeker ligt in de woorden van Paulus, dat Israëls wederopname een groot genadig wonder van God is een plotselinge en onverwacht komende gebeurtenis, die van zo grote invloed op de hele wereld zal zijn, als wanneer het leven uit de dood voortkomt. Volgens de Openbaring van Johannes kan daarmee op niets anders gedoeld zijn dan op de oprichting van het rijk van heerlijkheid, die met de eerste opstanding begint en waarin tevens het begin van verheerlijking voor de wereld gegeven is. Ondubbelzinnig blijkt het uit de Openbaring dat het einde van de kerk Israëlitisch-Christelijk is en dat de tijd van de heerlijkheid van het rijk van God die zal zijn, als het in Christus gelovige Israël de kerk van Zijn zalige gemeente zal zijn.
En als de eerstelingen (woordelijk: “de eersteling garve”, die volgens de wet van de Heere in Num. 15: 19-21 aan het begin van de oogst, omstreeks Pasen, de Heere ten offer moest worden gebracht), om deheiligheid van het land van de Heere zelf heilig zijn en een de Heere welgevallig offer, zo is ook het deeg heilig. Het eerstelingbrood, dat aan het einde van de oogst tegen Pinksteren de Heere moet worden gebracht, is heilig om de geheiligde eerstelingen en de Heere neemt ook dit, waardoor de hele oogst wordt voorgesteld, in genade aan. En om voordezelfde zaak een andere gelijkenis te gebruiken, als de wortel van een boom heilig is, zo zijn ook de takken, als met de wortel samenhangend en een geheel vormend, heilig. Pas dit nu slechts toe op Israël. Aan het einde, als het laatste grote pinksterfeest komt en Gods Heilige Geest de oogst van het Godsrijk ten einde zal brengen, dan zal ook Israël in de geestelijke schuren worden gebracht en dit einde van de oogst, het eerstelingbrood Israël, zal de Heere even zeker welgevallig, heilig en geliefd zijn, als de eersteling garve van dit volk, Abraham, Izaak en Jakob, die de Heere verkoren heeft, Hem heilig en welgevallig was; ja de boom Israël blijft en zal ten slotte zijn, wat hij door zijn wortels, de vaderen, is geworden.
De zin, die men moet invullen om de samenhang te verkrijgen is deze: Die wederopname van Israël is echter met zekerheid te wachten, want het afgeleide moet toch ook de natuur van het oorspronkelijke bezitten; zo ook het tegenwoordige Israël (de takken) de natuur van de wortel, waaruit het is opgegroeid.
Deze patriarchen zijn geheiligd door het verbond, dat met hen van Gods kant is gesloten en de beloften hun gegeven. In zoverre nu echter dit verbond en deze beloften niet op henzelf, maar op hun nakomelingen doelen en in hen aan hun hele zaad waren gegeven (Luk. 1: 54 v., 72 v.), zo was ook Israël als geheel een voor God geheiligd volk (Ex. 19: 6). Evenals dus patriarchen en volk een massa vormden, maar het volk het droeg, dus door de geheiligde eerstelingen geheiligd was, zo zijn ook de patriarchen de wortels, het volk de takken en met de heiliging van de wortels is ook de heiligheid van de takken vastgesteld.
En als enige van de takken (er mogen er vele of weinige zijn, tegenover de hele boom zijn het toch maar enige), afgebroken zijn van de edele olijfboom Israël ten gevolge van hun ongeloof en u, d. i. ieder van u heiden-christenen inhet bijzonder, een wilde olijfboom zijnde, namelijk een tak daarvan, in hun plaats (liever “tussen hen” tussen de takken van de edele olijfboom bent ingeënt 1Ki 6: 31 en van de wortels, die de hele boom heiligt en van de vettigheid (van het edele en vette sap) a) van de olijfboom ook deelachtig bent geworden, zodat u nu Abraham Izaak en Jakob uw vaderen mag noemen en alle heilige inzettingen van Gods oude volk de uwe.
Jer. 11: 16.
De heidense volken zijn in het wild gegroeide bomen, evenals de heidense godenleer in het wild gegroeide godsdienst is. Alleen vereniging met de door God zelf geadelde olijfboom maakt de wilde boom edel en vruchtbaar. Dat de ingeënte wilde takken door het inenten verkregen worden, daarop ligt bij de apostel in de gelijkenis alleen de nadruk. Daarentegen laat hij buiten zijn beschouwing dat men in het oosten olijfbomen, die oud en onvruchtbaar waren geworden, door inenten van wilde olijftakken wist te vernieuwen en te veredelen en daardoor de boom zelf beter maakte. De keuze van het beeld van de olijfboom kan niet alleen daardoor worden verklaard, dat deze voor de edelste boom werd gehouden, maar ook daardoor, dat de olie in de Schrift gewoonlijk een zinnebeeld is van Gods Geest en van de gaven van Zijn genade. Het rijk van God als drager van Gods Geest, van Zijn beloften en werkingen, is zo de olijfboom. Opmerkelijk is alleen dat, terwijl bij het gewone inenten zoals bekend is de wilde boom door het inplaatsen van de edele ent wordt veredeld, de apostel hier de verhouding omkeert en de wilde ent door het plaatsen in de edele boom veredeld laat worden. Het aanvoeren van de oosterse gewoonte om wilde olijftakken in de olijfboom te brengen, kan hier niet worden aangehaald. Want zoals uit de plaatsen van oudere en latere reisbeschrijvers hierover blijkt, moeten hier, zoals ook in de aard van de zaak ligt, door inbrengen van de wilde takken in de edele boom niet wat ingeplaatst wordt veredeld worden, dat zonder enige vrucht zou zijn, omdat toch de olijfboom bovendien reeds edele vruchten draagt, maar de verouderde, edele boom moet door het inbrengen van de verse sappen van de wilde takken krachtig worden gemaakt. Men zal nu niet willen zeggen dat de apostel uit onkunde de zaak zal hebben omgekeerd. Evengoed zou men kunnen beweren dat hij ook niet zou hebben geweten, dat de eenmaal afgehouwen takken niet weer op de boom geplaatst worden (vs. 24). Hij houdt integendeel volgens zijn doel als punt van vergelijking alleen het begrip van veredeling door inenting vast, evenals het samengroeien en gedragen worden van de ent door de wortel van de geënte boom en het toestromen van de sappen uit wortel en boom in de ingezette takken. Overigens houdt hij het beeld naar de zaak, die hij wil voorstellen, omdat hij bij de uitwerking van het beeld met zijn gedachten steeds in de zaak zelf blijft en daarom ook gemakkelijk van het beeld tot het afgebeelde voorwerp zelf overgaat.
Roem dan tegen de natuurlijke takken van de edele stam, noch tegen de ongelovig gebleven, noch tegen de gelovig geworden Joden. En als u daartegen roemt, u daarbovenverheft, weet dan: u draagt de wortel niet, maar de wortel u. De wortel heeft toch u in de eerste plaats doen worden wat u bent en waarop u zich beroemt; ondanks al uw bemoeienissen is het niet anders te maken, het blijft erbij dat de wortel de eigenschap en kracht aan de edele takken geeft.
Als u zich nu om die duidelijk sprekende redenen wacht tegen de takken te roemen, zult u dan toch misschien zeggen: De takken van de edele boom zijn juist daarom afgebroken, als de ongelovige Joden verhard werden, opdat ik, de heidens levende mensheid, plaats zou verkrijgen en tussen de overigen ingeënt zou worden.
Het is goed en wat de zaak aangaat heeft u recht; zij zijn door ongeloof en niet maar omwille van u afgebroken, zij zijn uit de gemeenschap van de zaligheid, die hen van nature toekwam, verwijderd tengevolge van hun ongeloof en ustaat door het geloof, u bent als tak in de edele olijfboom tot staan gekomen, d. i. tot de gemeenschap van de zaligheid, die u van nature vreemd was. Maar zie wel toe. Wees niet hooggevoelend tegenover degenen, aan wie de gemeenschap van de zaligheid van nature toekomt, maar blijf in het geloof, dat altijd met ootmoed verbonden is en vrees voor u, vanwege uw eigen altijd weerbarstig, tot hoogmoed geneigde hart.
Het noodzakelijk uitwerksel van de aanblik van een goddelijk strafgericht over ongelovigen moet vrees zijn. Immers hij, die belijdt dat hij slechts staat door het geloof, verklaart juist daarmee dat het van Gods kant enkel genade is wat hem behoudt. Geloof en ootmoed zijn één, want wie door het geloof zalig worden wil, belijdt juist daarmee zijn schande en elk spoor van hoogmoed, van zelfverheffing boven anderen moet hem met vrees vervullen, omdat het hem de grond van zijn zaligheid als onder de voeten doet wegzinken. Ook waar hij de grootste bewijzen van Gods genade ontvangt, moet de mens zich verblijden met sidderen en beven, want wie niet volhardt tot aan het einde die wordt het tot zwaardere verdoemenis.
De apostel herinnert de heidenen aan de mogelijkheid van hun afval en de wederopname van het volk Israël. “De gelovige doet alles alleen door God, door Zijn verkiezing, zowel als door Zijn werken, maar kan weerstreven, zolang hij hier beneden leeft. Wij moeten ook dit vasthouden, opdat wij niet zorgeloos worden, zodra wij menen tot God bekeerd te zijn, zowel als wij aan de andere kant behoefte hebben aan het vast vertrouwen, dat God het werk van Zijn handen niet laat varen. Hoe zouden wij zonder dit enige zekerheid kunnen hebben van de zaligheid? Waar bleef de hoop van de Christen, waar zou voor hem troost zijn?
Want is het, dat God de natuurlijke takken, die van oorsprong edel waren, niet gespaard heeft, als zij zich in hoogmoed tegen Zijn genade verzetten en de hoofdvoorwaarde van hun deelgenootschap aan de zaligheid, het geloofvergaten, zie dan toe dat Hij ook mogelijk u niet spaart, als u niet in de ootmoed van het geloof blijven zou.
Zie dan ten allen tijde met ernstig nadenken, met ootmoedig geloof en met dankbaarheid beide de goedertierenheid en de strengheid van God: de strengheid, deafsnijdende, afhouwende scherpte (zoals Paulus volgens de grondtekst met een woord, dat in het Nieuwe Testament alleen hier voorkomt zegt, om bij het beeld van takken en stam te blijven) over degenen, die om hun hoogmoedig ongeloof zijn afgehouwen en verdord van de boom afgevallen zijn, maar de onverdiende goedertierenheid van God, die de zondaar zograag zalig maakt, over u, de heidense mensheid, als u door het geloof in de goedertierenheid blijft, in de goedertierenheid van God in Christus Jezus, die uit genade de zondaar aanneemt. Anderszins, als ook u door het geloof daarvan zult zijn afgevallen, zult ook u, evenzeer als de nu afgebroken onnatuurlijke takken van de Joden, afgehouwen worden.
Het is een schoon woord van Gregorius, dat aldus luidt: Als wij anderen zien zondigen, moeten wij hun ongeluk bewenen, omdat wij òf ook aldus zijn gevallen, òf zo zouden kunnen vallen. Wij zijn het, of wij zijn het geweest, of wij kunnen worden wat dat andere is. Hij heden, ik morgen. Als daarom een ander geslagen wordt, denk dan dat het ook u aangaat, evenals wanneer de muur, die dicht bij u is, in brand staat. Ja de goddelozen zullen door ons, als wij daartoe door God verordend zijn, omkomen en geslagen worden, maar met een barmhartig en medelijdend hart en u moet er aan denken dat wij Gods werktuigen zijn en dat wij ook misschien als een roede is het vuur zullen worden geworpen, nadat de schuldigen door ons gestraft zijn.
“Anders zult ook u worden afgehouwen”, dit woord moest in onze tijd ieder, die zijn ziel wil redden, met grote letters boven zijn deuren schrijven. Het gehele Nederland van onze tijd mocht dit woord wel bijzonder ter harte nemen, opdat niet tegen alle verwachting het ogenblik snel aanwezig is, dat het als volk van de edele olijfboom wordt afgehouwen. Dan zal het wel zien dat de afgoden van staatkunde of van het souvereine volk, van wetenschap en verlichting, vreugde en genot, handel en industrie geen hulp, geen troost in nood en dood kunnen geven. God heeft Nederland niet nodig, zo min Hij een Christelijke kerk in het Oosten nodig had. De edele olijfboom blijft toch, totdat Israël er weer in zal ingeënt worden.
a) Maar ook zij, als zij in het ongeloof niet blijven, zullen weer in de edele olijfboom van de gemeente van God ingeënt worden. Bij de mensen is het zeker onmogelijk om afgehouwen en verdorde takken weer in hun stamin te enten; maar toch zal het gebeuren, want God is machtig om ze weer in te enten, zodat zij weer groen worden en bloeien door de kracht van de heilige wortel en de edele stam, d. i. door de kracht van de beloften van God, die aan Abraham zijn gegeven en in Christus vervuld zijn.
2 Kor. 3: 16.
“Daarom is het woeden van enige Christenen – als zij overigens nog Christenen genoemd kunnen worden – verdoemelijk, wanneer zij menen dat zij God een dienst doen door de Joden op het ergst te vervolgen, alle kwaads over hen denken en bij hun beklagenswaardig lot nog met de sterkste hoogmoed en met verachting hen bespotten, terwijl zij liever volgens het voorbeeld van Paulus van harte bedroefd over hen moesten zijn en zonder ophouden voor hen moesten bidden. Zeker, deze mochten wel eens naar Paulus horen, als hij zegt: roem niet tegen de takken enz. Zulke goddeloze Christenen doen zowel aan de Christelijken naam als aan het volk door hun tyrannie geen geringe schade en dragen ook schuld aan de goddeloosheid van de Joden; zij hebben daaraan deel, omdat zij hen door dat voorbeeld van wreedheid als met geweld van het Christendom terugdrijven, terwijl zij hen integendeel met alle vriendelijkheid, geduld, gebed en zorgvuldigheid moesten tot zich trekken. “
Ja, dat kan zeker gebeuren; want als u, de heidense mensheid, afgehouwen bent uit de olijfboom, die van nature wild was opgegroeid en tegen nature (want het is tegen de natuur dat takken van hun stam worden afgehouwen en in eenandere worden ingeënt) door Gods almachtige genade in de goede olijfboom ingeënt, hoeveel temeer en makkelijker zullen deze, die natuurlijke takken zijn, die naar hun oorsprong tot de edele boom behoren en slechts tijdelijk zijn afgehouwen, in hun eigen olijfboom ingeënt worden?
En dit zal ook gebeuren. Want ik wil niet, broeders (en juist omdat u mijn geliefde broeders bent, die met mij, de Jood, als mijn medetakken aan de edele olijfboom gelijke genade deelachtig bent geworden, moest u deze belangrijke zaak wel begrijpen) dat u deze verborgenheid onbekend is. U behoort deze waarheid te kennen, die alleen door Gods openbaring aan de menselijke geest in geloof geopenbaard is, maar overigens voor alle menselijk verstand is verborgen en niet is uit te vinden, opdat u niet wijs bent bij uzelf en uzelf volgens uw natuurlijk heidens verstand over de uitsluiting van het ongelovig volk Israël uit de genade van Christus een mening vormt en die voor waarheid houdt. U moet bedenken dat de verharding, de blindheid van de ogen en de verstokking van het hart voor een deel door Gods straffende gerechtigheid (vs. 8) over Israël gekomen is, (want er zijn velen van hen niet tot het geloof en zo ookniet tot de genade in Christus gekomen) en dit oordeel van de verharding zal blijven a) totdat de volheid 1) van de heidenen, het gehele getal van de heidense volken, in het rijk van God onder de hoede van de naam van Christus, ingegaan zal zijn.
Luk. 21: 24.
In de grondtekst staat hier weer plmrwma, volledigheid of dat wat iets tot een geheel maakt. Men heeft dit zeer verschillend verklaard. Sommigen hebben aangenomen dat daarmee bedoeld werd de aanvulling of de vergoeding voor de leemte, die door de verstokte, ongelovige Joden was veroorzaakt en vertalen “aanvulling. ” Anderen verstaan er onder “de menigte van de heidenen”, anderen datgene, waardoor de menigte van de heidenen vol wordt, het volle getal van de heidenen. Zeker is het laatste het juiste. Paulus zegt daarom dat Israëls verharding zo lang zal duren, totdat de hoofdmassa van de heidenen, die zalig worden, bekeerd zal zijn, waarmee hij natuurlijk niet wil ontkennen dat ook na Israëls bekering nog enige heidenen tot het geloof in Christus kunnen komen. Verstaan wij het geheim, waarvan Paulus spreekt, juist dan zal Israëls verstokking ophouden, op het ogenblik dat het laatste volk van de heidenen het Evangelie zal hebben gehoord en diegenen onder deze, die het aannemen, in het rijk van God zijn opgenomen. Omdat de prediking van het Evangelie in ieder volk een scheiding teweegbrengt en een volk slechts na zijn opname in het rijk van God aanspraken op deze naam kan maken, vormen de weinigen of de velen in de bijzondere volken, die de waarheid belijden, het volk en men zal eens, als alle volken de prediking van Christus hebben gehoord en gelegenheid gehad hebben om te beslissen, kunnen zeggen: alle volken zijn de volheid van de heidenen ingegaan.
En zo, nadat dit heeft plaats gehad, zal geheel Israël zalig worden 1), zoals dit op vele plaatsen van de profetie van het Oude Testament is uitgesproken en ook in Jes. 59: 20 geschreven is en volgens deAlexandrijnse vertaling aldus luidt: De Verlosser zal eens aan het einde der tijden uit (Ps. 14: 7; 53: 7; 110: 2 Zion komen, dat steeds het middelpunt is van het rijk van God, de plaats van de openbaring en van de zaligheid en Hij, de Goël of Redder, zal door Zijn heilig, dierbaar bloed de goddeloosheden afwenden van Jakob en de harten leiden tot bekering.
Jes. 27: 9. Jer. 31: 31-34. 2 Kor. 3: 16.
“Geheel Israël” zo staat er duidelijk in onze tekst. Dat daarmee het uit alle oordelen en beproevingen overgebleven en gereinigde overblijfsel, dat na het ingaan van de volheid van de heidenen nog leeft, bedoeld is, spreekt vanzelf. De vraag van het eeuwig lot van de Joden, die gedurende het oordeel van de verharding, zonder toch de vaderlijke wet en de Messias-verwachtingen te hebben verlaten, wegsterven, hebben wij hier niet te bespreken; ook behoort dat tot de vragen, die wij liever door de eeuwigheid moeten laten beantwoorden. Als een geheel volk, dit is de hoofdzaak, zal Israël de zoon van David zijn: “Hosanna, gezegend is Hij, die daar komt in de naam van de Heere! ” tegenjubelen. Daartoe zien wij het door alle tijden en stormen van de wereld heen bewaard. Nu zijn het altijd slechts zeer weinigen, die zich van het volk losmaken, en in de kerk van de heidenen overgaan; zij moeten dan ophouden Joden te zijn en moeten als het ware ook heiden-Christenen worden. Wie zou niet weten met welke smarten nu de bekering van iedere Jood voor hen verbonden is! Die omstandigheid zal ophouden. Als geheel Israël zich als volk bekeert, dan hoeft niemand op te houden een Jood te zijn, maar hij zal alleen het bijgevoegde verkeerde moeten afwerpen en Jezus van Nazareth als de verschenen Messias, de Zoon van David, de Koning van Israël, wiens heerschappij eeuwig is, moeten erkennen. Al het overige heeft hij reeds. De persoon van Christus zelf is de vervulling van alle voorspellingen en afbeeldingen. Neemt Israël Hem aan, dan heeft het daarmee alle schatten van genade, die wij nu bezitten. Een volk van enkel bekeerde, gelovige Christenen? Dit groot en heerlijk wonder, dat in de loop van de geschiedenis van de kerk uit de heidenen nog nooit heeft bestaan, dit wonder, dat Israëls bekering ons te aanschouwen zal geven, denkt men door en men zal begrijpen, dat met Israëls bekering een geheel nieuw beslissend tijdperk in de geschiedenis van het Christendom zal beginnen. Het onderscheid tussen de bekering van de heidenen en van de Joden moet daarin gesteld worden, dat van de volken uit de heidenen slechts enkelen uit ieder volk tot Christus bekeerd zullen worden en de raad van God is vervuld, als dit heeft plaats gehad. Israël zal daarentegen aan het einde van de dagen zo bekeerd worden, dat het eveneens weer een rijk en een volk van God vormt, als ten tijde van David en Salomo, ja veel heerlijker en volkomener. Dit wordt op de volkomenste manier behalve door andere plaatsen van het Oude Testement door Ps. 87 bevestigd. In deze moeilijke Psalm wordt voorspeld dat God de Heere eens in Zion een gemeente zal hebben, wier leden hoofd voor hoofd in het boek van het rijk van God, in het boek des levens zijn opgetekend; de gehele verdere wereld zal Hem onderdanig zijn, zodat zij in haar geheel, als volk in aanmerking zou komen. In Openbaring 14: 1 ziet de heilige Johannes eveneens de laatste gemeente op Zion staan en het nieuwe Jeruzalem wordt de stad van God genoemd. De verheerlijkte gemeente van het duizendjarig rijk zal de vervulling zijn van Ps. 87 Dan zal Israël in al zijn leden zijn wat de naam zegt. Christus zal in haar en door haar over de mensen heersen en de volken als delen van Zijn rijk hebben, maar van Zijn bekeerde gemeente Israël, de kom van de gemeente van het duizendjarig rijk, zal Hij zeggen: “Deze en die is in Zion geboren. ” Als eindelijk in Openb. 7: 1 vv. de Ziener een getal van 144. 000 verzegelden uit Israël ziet, dan is het voor ons hetzelfde, of dit getal eigenlijk of slechts zinnebeeldig bedoeld is. Dit blijkt echter zeker uit dat gezicht, dat het een getelde menigte, een organisch gerangschikt geheel zal zijn, een volk, dat aan het einde der tijden zal optreden als Israëlitisch-Christelijke gemeente Openb. 7: 8.
Toen Mozes bij de Rode zee zong, was het zijn vreugde te weten dat geheel Israël behouden was. Geen vlokje schuim spatte van die hechte muur, totdat de laatste man van het Israël van God zijn voet op de andere oever had gezet. Nauwelijks was dit gebeurd of de wateren keerden weer tot hun plaats, maar ook niet eerder. Een gedeelte van dat gezang was: U leidde door Uw weldadigheid dit volk, dat U verlost heeft. In de laatste tijden, wanneer de uitverkorenen het lied van Moes, de dienstknecht van God en het lied van het Lam zullen zingen, zal de roem van de Heere Jezus zijn: Uit degenen, die Gij Mij gegeven heeft, heb Ik niemand verloren. Er zal in de hemel geen lege troon zijn.
Daar zal het hele getal Zich voor Gods troon ontmoeten en met verhoogd geschal En lof elkaar begroeten.
Zo velen God heeft uitverkoren, zo velen Christus heeft verlost, zo velen de Geest heeft geroepen, zo velen daar in de Heere Jezus geloven, zullen de gekliefde zee doorgaan. Nog niet allen zijn wij veilig aangeland.
Reeds ziet ge een deel des heirs aan d’ overzijde staan, Terwijl g’ een ander deel nog door de stroom ziet gaan.
De voorhoede van het leger heeft reeds de oever bereikt. Wij gaan door de afgronden heen, wij volgen nu nog onze Leidsman met moeite door het hart van de zee. Laat ons goedsmoeds zijn, de achterhoede zal weldra komen waar de voorhoede reeds is, de laatsten van de uitverkorenen zullen snel de zee doorgegaan zijn en dan zal het triomfgezang gehoord worden, wanneer allen behouden zijn. Maar o, als er een achterbleef, o, als een van Zijn uitverkorenen uitgeworpen werd, zou het een eeuwige wanklank in het lied van de verlosten geven en de snaren van de harpen van het paradijs ontstemmen, zodat zij nooit enige melodie zouden kunnen voortbrengen.
En, zoals verder in Jes. 27: 9 alsook wat de bedoeling betreft in Jer. 31: 33 v. gezegd wordt, dit is hun een verbond van Mij, door Mij bezworen en tot in eeuwigheid geldend, als Ik hun zonden zal wegnemen en vergeven. Hun weer begenadiging en weer herstelling in hun vroegere toestand, toen zij het middenpunt van het rijk van God waren, is de inhoud van het verbond, dat door Mij met hen in Abraham gesloten is.
Het zijn twee gedachten, die de apostel aan de voorspelling van het Oude Testament over de eindgeschiedenis van het volk van Israël ontleent, dat Zion en Israël de plaats is voor de laatste openbaring van de zaligheid en dat de geschiedenis van Israël eindigt met vergeving van zijn zonden, waardoor juist de openbaring van de zaligheid voor de hele wereld tenslotte wordt mogelijk gemaakt. De apostel heeft volkomen recht, datgene wat Jesaja van de verschijning van Christus in het algemeen zegt, nadat het bij de eerste verschijning bevestigd is, ook tot de tweede uit te strekken. Is echter bij de eerste openbaring van Christus het stoffelijk Zion, zowel het volk als het daarvan niet af te scheiden land, het geweest, waar de zottigheid geopenbaard is, zo zal het bij de tweede verschijning eveneens het stoffelijk Zion, volk en land, zijn, waar de zaligheid volkomen zal worden.
Zo zijn zij wel vijanden van God aangaande het Evangelie, dat zij hebben verworpen; zij zijn om hun ongehoorzaamheid door de toorn van God getroffen en ditomwille van u, opdat u tot de zaligheid in Christus zou komen; maar aangaande de verkiezing, waardoor God hen uit vrije genade en liefde zonder te letten op hun toekomstige werken of deugden tot Zijn volk heeft verkoren, waarin Hij dit wilde verheerlijken, zijn zij beminden van God, omwille van de vaders Abraham, Izaak en Jakob en zij zullen dat blijven, zoals dat eens voor ieder duidelijk zal worden.
Want de genadegiften, de betoningen van genade, die Hij eenmaal aan Zijn volk uit vrije gunst had toegezegd, zoals aan Abraham en zijn zaad en de roeping van God, waarmee Hij Zijn vrije keuze volvoerde, dat Abraham of zijn volk de drager zou zijn van Zijn zaligheid en deel zou hebben aan Zijn rijk, zijn onberouwelijk. God neemt daarvan niets terug, want Hij is geen mens, dat Hem iets zou berouwen.
De roeping van God kan hier in de samenhang met het onmiddellijk voorafgaande slechts zien op de roeping, die het volk van Israël tot de zaligheid in Christus, in de aartsvaders is toegekomen en deze zaligheid maakte de hoofdinhoud uit van de goddelijke verbondsbelofte. Deze roeping moet ook nog eens worden verwezenlijkt als voor geen terugname geschikt. Hier is dus niet de roeping, die van de boden van het Evangelie is uitgegaan en voor een tijd door Israël is versmaad, de roeping tot het in Christus feitelijk verwezenlijkt heil bedoeld. Die roeping moet zich werkzaam betonen, omdat zij onder geen voorwaarde is gesteld, maar van dezelfde betekenis is als de onvoorwaardelijke bestemming van het volk Israël tot verbondsvolk. Deze roeping daarentegen kan zonder uitwerking blijven, omdat zij voorwaarden stelt en haar werkzaamheid afhankelijk is van de gelovige aanname van de bijzondere personen. De goddelijke bepaling heeft betrekking op het volk in zijn geheel; de Israëlieten konden elk voor zich voor altijd afvallen, omdat God met hen geen verbond gesloten heeft.
Wij hoeven ook hierbij wel niet te denken dat de apostel de bekering van al de heidenen tot één toe door het geloof in Christus bedoeld heeft, maar moeten toch aannemen dat hij de omhelzing van het Christendom door de heidenwereld in het algemeen heeft op het oog gehad en dus te kennen geeft dat dit zal voorafgaan en dat dan geheel Israël door het geloof in onze Heere zalig zal worden. Er valt dus niet aan te twijfelen, of wij hebben deze grote heugelijke gebeurtenis nog te wachten. Of zullen wij met anderen menen dat de apostel zich heeft vergist, dat hij de algehele bekering van het Joodse volk slechts vermoed, gewenst, gehoopt zal hebben en dat de uitkomst aan zijn verwachting niet heeft beantwoord? Maar hij spreekt zo stellig mogelijk, hij gewaagt van haar als van een waarheid, die voor zijn lezers nog verborgen, maar door hem ontdekt was; hij kondigt haar op plechtige manier aan, hij deelt haar mee, om de verkeerde denkbeelden van de gelovigen uit de heidenen aangaande het lot van de Joden tegen te gaan en hij voert ten overvloede onderscheidene bewijzen ter bevestiging van zijn uitspraak aan. Nee, hij heeft het niet maar vermoed, gewenst, gehoopt, hij heeft het met zekerheid verwacht, al maakte de verharding van het Joodse volk over het geheel in zijn dagen het onwaarschijnlijk en ondenkbaar. En wij geloven dat hij zich niet heeft vergist, al heeft de uitkomst aan zijn verklaring nog niet beantwoord. Wij geloven en verwachten haar vervulling. Wij geloven en verwachten haar op grond van de stellige uitspraak van de apostel, op grond van Gods beloften, weleer gedaan door zijn profeten, op grond van de betrekking, die Hij, wiens genadegiften en roeping onberouwelijk zijn, behoudt op zijn beminden omwille van de vaders, op grond van de gang van zijn bestuur, zoals zich dit voor onze ogen reeds heeft ontwikkeld, op grond eindelijk van Zijn liefde, omdat Hij allen, Joden en heidenen, onder de ongehoorzaamheid heeft besloten, opdat Hij allen barmhartig zou zijn. Wij weten wel niet de tijd wanneer en de manier waarop die heugelijke uitkomst zal plaats hebben. De apostel zegt alleen, dat eerst de volheid van de heidenen zal ingaan en dat dan geheel Israël zal zalig worden. Hij verklaart dus niet hoe vele jaren of eeuwen er nog zullen verlopen eer dat die grote gebeurtenissen geschieden; hij zegt ook niet of Israël dan al of niet naar het land van zijn vaderen zal terugkeren. Wij kunnen dus desaangaande niets met zekerheid bepalen en moeten geen geloof geven aan de voorspellingen van hen, die de juiste tijd willen aanwijzen, of de aard van de gebeurtenissen op stelligen toon ontvouwen. Genoeg de grote heugelijke gebeurtenis zelf zal eenmaal plaats hebben. Hoe onwaarschijnlijk zij ook nu nog zijn moge, al is ook nu nog slechts het kleinste deel van de heidenwereld de Heere toegevoegd, al blijft ook nu nog Israël over het geheel even verhard, als het was in de dagen van de apostel, eens zal zich alle knie in de naam van Jezus voor God buigen en alle tong belijden, dat Hij de Heere is tot heerlijkheid van God van de Vader; eens zal de volheid van de heidenen ingaan en heel Israël zalig worden, want het plan van God kan niet verijdeld worden, zijn genadegiften en roeping zijn onberouwelijk.
Want zoals ook jullie eertijds (Hoofdstuk 1: 18) God ongehoorzaam geweest bent, maar nu barmhartigheid verkregen heeft, in de gemeenschap van Christus bent opgenomen, door deze ongehoorzaamheid, tengevolge van hun ongeloof, want zij zijn vijanden van God omwille van u (vs. 28);
Zo zijn ook deze, de Joden, nu ongehoorzaam geweest door hun verwerping van het Evangelie van God, opdat ook zij door uw barmhartigheid, door de genade, die aan u bewezen is en hen tot jaloersheid moet en zal opwekken, barmhartigheidzouden verkrijgen.
Wat Paulus boven in vs. 11 en 12 gezegd heeft, ontwikkelt hij hier verder, hij leidt daarin alles terug tot de almacht van Gods ontferming. De aanbiddelijke grootheid van Zijn liefde en Zijn ondoorgrondelijke wijsheid betoont zich daarin, dat Israëls ongehoorzaamheid de barmhartigheid van God tot de heidenwereld leeft gewend en zal zich nog overvloediger daarin openbaren, dat de redding van de heidenwereld ook voor Israël weer de barmhartigheid van God zal openen.
Want, om tenslotte nog eens alles wat van Israëls heden en toekomst te zeggen is, in weinige woorden samen te vatten, God de Heilige en Rechtvaardige, die niet ongestraft Zich laat weerstaan, maar ook de Barmhartige en Genadige is, die de dood van de zondaars niet wil en de Getrouwe, die Zijn verbond en Zijn beloften niet vergeet, heeft hen allen, heeft Israël als geheel, als volk, onder de ongehoorzaamheid besloten. Omdat het volk als volk gehoorzaamheid weigerde aan het raadsbesluit van de liefde van God in Christus, heeft Hij ze overgegeven in de macht van de ongehoorzaamheid, dat deze hen tot het door Hem bepaalde uur gevangen en geboeid hield. De Heere heeft dat gedaan, opdat – en dit is de andere kant -het genadige doel en het zalig oogmerk van het zware oordeel van verharding over Zijn volk als het uur van de ontferming voor hen zou zijn gekomen, Hij hun allen tezamen evenals elk in het bijzonder, barmhartig zou zijn en de rijkdom van Zijn liefde en Zijn genade des te heerlijker aan hen zou openbaren.
De plaats Gal. 3: 22 heeft de meeste uitleggers bewogen om onder het “hun allen” het geheel van alle volken, Joden en heidenen te verstaan en de bedoeling van het vers meer algemeen te maken. In de samenhang is echter geen sprake van de heidense mensheid, maar van Israël, de aanneming van de heidenen is er dus bijgevoegd. Omdat nu Paulus met dit woord de gehele verklaring over de hoop voor Israël, die hij met Hoofdstuk 9: 1 begonnen is, wil afsluiten en samenvatten, zo kan volgens de strenge samenhang met het voorafgaande en de gehele afdeling hier niet een algemene gedachte over de macht van de zonde en de macht van de ontferming van God vervat zijn en “hun allen” niet slaan op het geheel van alle volken, maar alleen op het geheel van Israël. Ook komt de uitdrukking “besloten”, d. i. samengebonden, alleen dan tot haar volle recht, als wij die verstaan van het oordeel van verharding en verblinding, dat over het ongehoorzame Israël bepaald is.
Uit ons vers de dwaalleer van de wederbrenging van alle dingen te willen bewijzen, d. i. dat alle mensen, ook de ongelovigsten en goddeloosten, ja de duivel zelf (apokatastasis pantoon), ten slotte nog zullen worden aangenomen en gezaligd, is een dwaasheid, die met de hele samenhang en de gehele woordvoeging zozeer in strijd is, dat geen weerlegging nodig is.
De apostel heeft ons een uitzicht geopend van een heerlijke toekomst, dat echter op het nauwst samenhangt met de nu zo bejammerenswaardige, armzalige gedaante van de Jodenwereld, die voor onze ogen leeft. Behaagt die zo vernederende verbintenis aan onze heidense hoogmoed niet, het zal daarom niet anders worden; maar wel mogen wij toezien dat wij niet in zo’n zelfverheffing het deelgenootschap aan dat heerlijk einde verliezen.
EPISTEL OP HET FEEST VAN TRINITATIS
(Vgl. de inleiding op het Evangelie: Joh. 3: 1-15 “Joh 3: 1-15. Op dit feest, het hoekpunt en de pool van het kerkelijk jaar, ontmoeten elkaar beide, het zalig geheim van de goddelijke Drieëenheid, dat de hemel aanbidt en haar grootste werk op aarde, de wedergeboorte van de mens. De kerk ziet terug op de feesttijd en trekt de som tezamen van alle ervaringen, die zij heeft opgedaan in de beschouwing van de grote daden van God tot onze verlossing en vat die samen in de aanbidding van de Drieëenige God, in wie zij door het geloof het nieuwe leven heen. Maar tegelijk ziet zij voorwaarts op de rij van zondaren, die hun naam en hun wijding van het Trinitatisfeest hebben en aan welke duidelijk wordt, dat de levensloop van de Christenen tot aan het einde niets anders is dan een groeien in de wedergeboorte, door de Drieëenige God verkregen.
Ere zij de Drieëenige God! Want Hij is 1) oorsprong van alle dingen, 2) hun bestaan, 3) hun doel.
De Christen voor de diepten van de Godheid. Hij staat daarvoor 1) in ootmoed, 2) in heilige eerbied, 3) in dankbare lof aan God.
O, wat een diepte, als de onpeilbare diepte van de zee, zo moet ik met biddende bewondering uitroepen, als mijn geest nadenkend terugziet op hetgeen in Hoofdstuk 9-11 vooral in Hoofdstuk 11 is uiteengezet. O diepte van de rijkdom beide van de wijsheid, die op zo onderscheidene wegen zich een toegang weet te zoeken tot het weerbarstig menselijk hart, om het tot erkentenis van vrede en zaligheid te leiden en de kennis van God, die de ellende van de zondaar met ontferming aanziet en het doel van zijn redding en zaligmaking steeds vast in het oog houdt! a) Hoe ondoorzoekelijk, ook voor het grootste menselijk verstand zijn Zijn oordelen, zijn Gods beschikkingen, die nu eens uit Zijn liefde en ontferming, dan weer uit Zijn heiligheid en gerechtigheid voortkomen en hoe onnaspeurlijk ook voor het scherpzinnigste verstand Zijn wegen, waarlangs Hij bij de volvoering van Zijn raad tot het doel van Zijn beloften leidt!
Ps. 36: 7.
Terwijl de meeste van de oudere uitleggers de genitiven: “wijsheid en kennis” laten afhangen van “rijkdom”, beschouwen vele nieuwere de begrippen “rijkdom, wijsheid en kennis” als gecoördineerd en afhankelijk van “diepte”. Spraakkunstig zijn beide mogelijk. Omdat toch vs. 33 en 34 de wijsheid en kennis, vs. 35 en 36 de rijkdom van God schilderen, moet men aannemen dat de apostel eveneens de laatste opvatting heeft gehad. Onder de rijkdom van God moet dan de Goddelijke volheid in het algemeen worden verstaan in tegenstelling tot de menselijke nietigheid: de volheid van Zijn genade over allen, die Hem aanroepen; de volheid van Zijn lankmoedigheid, om op aller roepen te wachten; de volheid van Zijn heerlijkheid, om de vaten van Zijn barmhartigheid te eren en van Zijn macht, om de vaten van de toorn aan de voeten van Zijn beledigde majesteit te leggen (Hoofdstuk 9: 22 v.). De wijsheid is in God meer dan een eigenschap alleen; zij is het wezen, waaruit het raadsbesluit van de schepping, verlossing en heiliging van de wereld is voortgekomen, die alle lotgevallen van de mensen bestuurt en alle in elkaar lopende wegen op de wonderbaarste manier tot het einddoel van Zijn eigen verheerlijking leidt. De kennis van God is van Zijn wijsheid wel te onderscheiden. Zij is de diepte van het weten van God, die met ontfermende liefde zich verdiept in het voorwerp van haar kennen en dat tot zich omhoog heft. Beide, de wijsheid en de kennis van God, zijn in Christus lichamelijk voor onze ogen verschenen, zoals ook Zijn rijkdom in Hem is uitgestort; Hij laat ze ons echter kennen door Zijn woord; want “alles is daartoe gericht”, dat Hij God wil zijn en wij het ervoor houden dat wat Hij doet, goed is.
De apostel heeft gesproken van de oordelen van God, die gegrond zijn in het geheim van Zijn genade en opgroeien in de onverschoonbare verharding van de mensen van de verdiensten, die de genade van zich stoten en hun eigen gerechtigheid proberen op te richten. Het oordeel van de dood over de hele wereld van zondaren is ook voor heidenen te doorgronden Hoofdstuk 1: 32); maar het oordeel, waartoe de Heere Jezus in deze wereld is gekomen (Joh. 3: 19; 9: 39) en welks uitspraak luidt: “die niet gelooft zal verdoemd worden” (Mark. 16: 16), is voor de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid. Nog heden stoten zich daaraan de werkheilige en die de zaligheid in het vlees zoeken, die zich verheffen op hun volksbestaan en trots zijn op hun kerk; maar de onmondigen, die God graag God willen laten zijn, wordt het geopenbaard.
Alle wegen van God zijn oordelen, want er is geen weg van verlossing, waarop niet tevens de zonde geoordeeld wordt (1 Petr. 4: 17). Weer zijn al Zijn oordelen, zolang het nog niet het laatste oordeel is, verborgen wegen van Zijn genade. Dat God rechtvaardig blijft in de genade en genadig in de gerechtigheid, dat te doen zien is juist de diepte van de wijsheid van de goddelijke liefde.
De zichtbare natuur bevat een diepte, een afgrond van goddelijke wijsheid en kennis, maar niet minder Gods leidingen met de wereld van de mensen, van de zondaren. Niemand van de hoogste engelen zou de vraag hebben kunnen beantwoorden; Hoe zal de heilige God met deze wereld vol onheilige opstandelingen handelen? Zijn zij niet altijd in vijandschap me Hem, weerstreven zij niet altijd Zijn geboden, verijdelen zij niet altijd de goede voornemens, die God met hen heeft? En wie zou het gedacht hebben, dat God deze ter dood verwezene nochtans ten slotte zou leiden tot de eeuwige fonteinen van de levende wateren, door hen in Christus al de fonteinen van Zijn genade te openen? Zo weet God het kwade te overwinnen door het goede, de zonde teniet te doen en er Zijn gerechtigheid voor in de plaats te stellen. Ook Zijn oordelen zijn een afgrond. De eerste is de afgrond van Gods oneindige liefde, de tweede die van Gods oneindige heiligheid. Nee, niet zonder oordelen werd dit einde gevolgd en bereikt. Gerechtigheid en gericht zijn en blijven de vastigheid van Gods troon, maar van die troon laat Hij de witte vredevlag waaien, door de hand van Zijn Zoon daarop geplant. Zijn oordelen over de zonde aan de mensen hier en hiernamaals, zijn ontzettend. Zijn oordelen over de zonde in de offerande van Zijn Zoon zijn allerontzettendst, zij gaan alle gedachten te boven, wij zien ze sprakeloos aan en hebben maar één woord, om de aandoeningen onzer ziel te ontboezemen: Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen! Ook de wegen, waarlangs God Zijn eeuwige vrederaad tot stand gebracht, Zijn doel bereikt heeft, zijn onvergaanbaar. Welke middelen heeft God daartoe in het werk gesteld! Hoe heeft Hij de mensen bewerkt door Zijn Geest en Woord, ze gewaarschuwd, gestraft, ze weer begenadigd en gezegend! Hoe ordende Hij, door duizenden tussenkomsten, de wanorde, door de zonde van de mensen veroorzaakt, deed Hij voor Noach de wereld vergaan en voorkwam Hij door Abraham het algeheel bederf van de wereld. Hoe vaak zond Hij Zijn engelen uit de hemel tot de mensen en Zijn gezanten, Zijn profeten, met goddelijke openbaringen en bevelen. Geheel de Schrift is de geschiedenis van Gods wegen met de kinderen van de mensen en hoeveel ongekende, verborgen en onbeschreven wegen en middelen heeft God bovendien gebruikt! Ook nu hebben wij slechts één woord voor ons verbijsterd verstand: Hoe onnaspeurlijk zijn Zijn wegen!
“Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. ” Dit moest de enige wens van de Christen zijn. Alle andere wensen moeten aan deze éne ondergeschikt zijn. De Christen mag voorspoed op zijn arbeid wensen, maar alleen in zoverre als hij daardoor in staat wordt gesteld om te bevorderen dat “Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. ” Hij mag naar meer gaven en genade verlangen, maar alleen opdat “Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid”. U handelt niet zoals u behoort te doen, wanneer u enige andere drijfveer heeft dan een eenvoudig oog voor de heerlijkheid van de Heere. Als Christen bent u “van God en door God”, leef dan ook tot Hem. Laat niets uw hart ooit zo machtig doen kloppen als de liefde voor Hem. Laat deze eerzucht uw ziel ontvlammen, laat dit de grond zijn van alles wat u onderneemt en dit het doel, dat u kracht geeft, wanneer uw ijver verkoelt, laat God uw enig doel zijn.
Het kon ook niet anders zijn dan dat Zijn oordelen en wegen boven alle menselijke scherpzinnigheid verheven zijn, omdat toch alles enkel en alleen in Zijn willen en besturen grond, bestaan en wezen heeft. Want, zoals Jesaja in Jes. 40: 13 zegt: Wie heeft Hem ooit in het hart gezien en zo de zin van de Heere gekend, zodat hij de plannen en maatregelen van Zijn wijsheid zou hebben onderzocht? Of wie is Zijn raadsman geweest bij Zijn beslissingen en bij de keuze van Zijn wegen, zodat hij ook zonder bijzonder goddelijke openbaring de inhoud van degoddelijke wijsheid en kennis zou weten (1 Kor. 2: 16. Wijsh. 9: 16 v.)?
God heeft geen mensenraad nodig, want Hij is zelf de volmaakte wijsheid. Hij heeft de wereld geschapen en de raad van de mensen daarvoor niet nodig gehad. Zo is Hij Zichzelf voldoende, om ook alles zonder de raad en het toedoen van mensen tot het rechte doel ten einde te leiden. Het is dus een vermetelheid, die de wereld zich onderwindt, als zij meent niet alleen Gods wezen, wil en werk zelf te kunnen uitvinden, maar Hem ook te mogen raden, hoe Hij het moet maken en wat Hij moet willen.
Of wie heeft, zoals de Heere in Job 41: 2 zegt, Hem ooit eerst gegeven en het zal Hem weer vergolden worden door God; wie heeft het ooit kunnen berekenen, wanneer en hoe het hem vergolden moest worden, zodat Gods gerichten en wegen daardoor gehouden zouden zijn en daarvan afhankelijk zouden wezen?
God is het hoogste en volkomenste goed een bron van alle goeds. Hij heeft geen schepsel nodig, want Hij is Zichzelf genoeg en bezit de volheid aller dingen. Die Hem iets zou willen geven, zou gelijk zijn aan hem, die een overvloeiende zee zou willen vullen, of licht naar de zon zou willen dragen. Niemand kan Hem iets geven, omdat hij alles van Hem heeft en Hem alles verschuldigd is, zoals Christus in Luk. 17: 10 zegt. Daarom is ook God aan geen mens verplicht iets te geven als zijn verdiende loon, maar wat Hij geeft, dat geeft Hij uit genade.
Zijn wegen in de geschiedkundige leiding van de volken zijn zo vrij, door generlei aanspraken bewogen, alleen door Zijn eigen wijsheid, gerechtigheid en liefde beschikt en daarom ondoorgrondelijk en onnavorsbaar.
Nee, hij is degene die alleen het leven in Zichzelf heeft, de absoluut onafhankelijke, van wie alles afkomstig is en tot wie alles heenleidt, van wie alles onvoorwaardelijk afhangt; a) want uit Hem, als de bron van alles en door Hem, als de werkzame oorzaak en tot Hem, als het doel en einde, zijn alle dingen. Hij is begin, midden en einde van alles. Hem zij, juist omdat Hij in dit bewonderingswaardig werk, waardoor Hij Zijn genade zowel bijde heidenen, als ook bij de Joden met de hoogste wijsheid laat werkzaam zijn, Zijn barmhartigheid en gerechtigheid en vooral Zijn wijsheid op heerlijke wijze betoont, de heerlijkheid, die Hem alleen toekomt, in de eeuwigheid, amen!
Spr. 16: 4.
Alles is uit God. Alles is uit Gods scheppende macht voortgekomen. Hij is de oorzaak en bron van alle dingen. Was naast God ook de mens de oorzaak van zijn ontstaan, dan moest hij ook van zijn worden weten. Maar zo is het niet. Integendeel heeft al wat bestaat zijn grond en oorsprong alleen in de scheppingsdaad van God. Alles is door God. Al wat is bestaat alleen door bemiddeling van God, door Gods voortgaande inwerking, zoals die in de onderhouding en besturing van de wereld in het licht treedt. Kon de mens zijn voortbestaan bewerken, dan zou hij ook zelfstandig bewustzijn hebben van de gedachte, die in deze onderhoudende werkzaamheid tot voleindiging komt. Maar zo is het niet. Het voortbestaan van de mensen hangt integendeel alleen af van de openbaring van de goddelijke macht. Alles is tot God. Niets op aarde en in de hemel kan zich een van God onafhankelijke toestand geven, maar alles moet het doel van God dienen. Was voor het doel van de ontwikkeling van de mens naast God ook de menselijke wil beslissend, dan was naast God ook de mens als laatste doel en een bewustzijn van de mensen hierover denkbaar. Maar zo is het niet. God is het enige einde van alle dingen; want omdat alles uit Hem is voortgevloeid, zoekt alles ook in Hem zijn rust. Alle dingen hebben hun bepaald doel bereikt, als God alles en in alles is (1 Kor. 15: 28).
Wat door de Schepper tot aanzijn geroepen, door de Verlosser onderhouden is en voor de toorn Gods bewaard, dat moet door de Geest van de geliefde en Zijn zalige werking weer tot Hem komen en tot de oorspronkelijke toestand terugkeren. Zo is daarom God, de Heer en Zijn heilige drieëenige werking in alle perioden van de wereld alles in alles en omdat Hij en Zijn werken alles in alles is, in de schepping, onderhouding en verlossing, geeft de apostel Hem de eer en wenst, dat diezelfde eer van God in alle eeuwigheid wordt verhoogd.
Wij vinden hier niet alleen de ondoordringbare geheimen van de oordelen en wegen van God, evenals lichte wolken voor de poorten van het allerhoogste geheim van de allerheiligste Drievuldigheid gelegerd, maar het besluit van de apostolische beschouwing met lof en verheerlijking van de allerheiligste Drieëenheid. Het “uit Hem, door Hem, tot Hem” spreekt toch niet alleen van drie onderscheiden werken van God, maar het wijst ook op de drie onderscheiden personen in het éne goddelijke wezen. De verheerlijking: “Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid” vat niet alleen alle eer van Gods werken samen, maar ook de drie personen tot één wezen, waaraan alle Zijn toekomt. Zo gaat men door de lichte wolken, dat is door de geheimen van het goddelijk werken, als door voorhoven met aanbidding in de tempel, waar het persoonlijk geheim van het goddelijk wezen zich openbaart.
Overigens zijn de onderscheidende artikelen voor de goddelijke werken gewoon: uit, door en in (1 Kor. 8: 6. Efeze. 4: 6). Afgezien van dergelijke bij elkaar plaatsingen wordt de uitdrukking: “uit God de Vader, door Jezus Christus en in de Heilige Geest” veel gevonden, dus het voorzetsel “uit” bij de Vader, “door” bij de Zoon en “in” bij de Geest. De gedachte aan deze trinitarische onderscheiding ligt dus hier zeer voor de hand, ja, dringt zich zelfs aan ons op. De enige schijnbaar juiste tegenwerping, dat overigens de verhouding van de zaken tot God als Geest niet door “tot”, maar door “in” wordt aangewezen, is toch slechts schijnbaar. Want ten eerste heeft alles wat zijn levensbeginsel in de Geest heeft, ook de Geest ten doel en ons zijn in de Geest is de aanvangende verwezenlijking van onze bestemming voor de Geest, die pas dan haar doel zal hebben bereikt, wanneer de Geest niet slechts als eerstelinggave, maar zonder mate in ons zal zijn en wij dan geheel in Hem. Vervolgens was hier het vooraanstellen van de eindbestemming van alle dingen voor God juist noodzakelijk; want niet zozeer door het “in Hem”, als door het “tot Hem”, zowel op zichzelf als in zijn samenvoeging met het “door Hem”, ligt de goddelijke onafhankelijkheid en absolute bestemmende kracht en de in zichzelf terugkerende, als het ware kringvormige beweging van de goddelijke besluiten en werken, die door geen drang van buiten te brengen zijn uit de baan, door henzelf gekozen, duidelijk uitgedrukt. Eindelijk kan evengoed het “in” ten opzichte van de Geest met “tot” verwisseld worden, als ook ten opzichte van de Vader het “van” met het “tot” (1 Kor. 8: 6. Efeze. 1: 5) en ten opzichte van de Zoon het “door” met het “tot” (Kol. 1: 16) wordt afgewisseld. Alles is van de Vader, door de Zoon, in de Geest, maar van allen op dezelfde manier tot de één God, Vader, Zoon en Geest.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel