Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
O GodH410 der wrakenH5360! o HEEREH3068, GodH410 der wrakenH5360! verschijn blinkendeH3313.
O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende.
KJV
O LORD3
God,1
to whom vengeance2
belongeth; O God,4
to whom vengeance5
belongeth, shew
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Gij, RechterH8199 der aardeH776! verhefH5375 U; brengH7725 vergeldingH1576 weder overH5921 de hovaardigenH1343.
Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.
KJV
Lift up1
thyself, thou judge2
of the earth:3
render4
a reward5
to the proud.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Hoe lang zullen de goddelozenH7563, o HEEREH3068! hoe langH4970 zullen de goddelozenH7563 van vreugde opspringenH5937?
Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?
KJV
LORD,4
how long shall the wicked,3
how long shall the wicked7
triumph?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
UitgietenH5042? hardH6277 sprekenH1696? alleH3605 werkersH6466 der ongerechtigheidH205 zich beroemenH559?
Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?
KJV
How long shall they utter1
and speak2
hard things?3
and all the workers6
of iniquity7
boast
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
O HEEREH3068! zij verbrijzelenH1792 Uw volkH5971, en zij verdrukkenH6031 Uw erfdeelH5159.
O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.
KJV
They break in pieces3
thy people,1
O LORD,2
and afflict5
thine heritage.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
De weduweH490 en den vreemdelingH1616 dodenH2026 zij, en zij vermoordenH7523 de wezen.
De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.
KJV
They slay3
the widow1
and the stranger,2
and murder5
the fatherless.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En zeggenH559: De HEEREH3050 zietH7200 het nietH3808, en de GodH430 van JakobH3290 merktH995 het niet.
En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
KJV
Yet they say,1
The LORD4
shall not see,3
neither shall the God7
of Jacob8
regard
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
AanmerktH995, gij onvernuftigenH1197 onder het volkH5971! en gij dwazenH3684! wanneer zult gij verstandigH7919 worden?
Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?
KJV
Understand,1
ye brutish2
among the people:3
and ye fools,4
when will ye be wise?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Zou Hij, Die het oorH241 plantH5193, nietH3808 horenH8085? zou Hij, Die het oogH5869 formeertH3335, nietH3808 aanschouwenH5027?
Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?
KJV
He that planted1
the ear,2
shall he not hear?4
he that formed6
the eye,7
shall he not see?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Zou Hij, Die de heidenenH1471 tuchtigtH3256, nietH3808 straffenH3198, Hij, Die den mensH120 wetenschapH1847 leertH3925?
Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert?
KJV
He that chastiseth1
the heathen,2
shall not he correct?4
he that teacheth5
man6
knowledge,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
De HEEREH3068 weetH3045 de gedachtenH4284 des mensenH120, datH3588 zijH1992 ijdelheidH1892 zijn.
De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.
KJV
The LORD1
knoweth2
the thoughts3
of man,4
that they are vanity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WelgelukzaligH835 is de manH1397, o HEEREH3050! dienH834 Gij tuchtigtH3256, en dien Gij leertH3925 uit Uw wetH8451,
Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,
KJV
Blessed1
is the man2
whom thou chastenest,4
O LORD,5
and teachest7
him out of thy law;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Om hem rustH8252 te geven van de kwadeH7451 dagenH3117; totdatH5704 de kuilH7845 voor den goddelozeH7563 gegravenH3738 wordt.
Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.
KJV
That thou mayest give him rest1
from the days3
of adversity,4
until the pit8
be digged6
for the wicked.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
WantH3588 de HEEREH3068 zal Zijn volkH5971 nietH3808 begevenH5203, en Hij zal Zijn erveH5159 nietH3808 verlatenH5800.
Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten.
KJV
For the LORD4
will not cast off3
his people,5
neither will he forsake8
his inheritance.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
WantH3588 het oordeelH4941 zal wederkerenH7725 totH5704 de gerechtigheidH6664; en alleH3605 oprechtenH3477 van hartH3820 zullen hetzelve navolgenH310.
Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen.
KJV
But judgment5
shall return4
unto righteousness:3
and all the upright8
in heart9
shall follow
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Wie zal voor mij staanH6965 tegenH5973 de boosdoenersH7489? WieH4310 zal zich voor mij stellenH3320 tegenH5973 de werkersH6466 der ongerechtigheidH205?
Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid?
KJV
Who will rise up2
for me against the evildoers?5
or who will stand up7
for me against the workers10
of iniquity?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Ten ware dat de HEEREH3068 mij een HulpH5833 geweest ware, mijn zielH5315 had bijnaH4592 in de stilteH1745 gewoondH7931.
Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.
KJV
Unless1
the LORD2
had been my help,3
my soul8
had almost5
dwelt6
in silence.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
AlsH518 ik zeideH559: Mijn voetH7272 wankeltH4131; Uw goedertierenheidH2617, o HEEREH3068! ondersteundeH5582 mij.
Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.
KJV
When I said,2
My foot4
slippeth;3
thy mercy,5
O LORD,6
held me up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Als mijn gedachtenH8312 binnen in mij vermenigvuldigdH7230 werden, hebben Uw vertroostingenH8575 mijn zielH5315 verkwiktH8173.
Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.
KJV
In the multitude1
of my thoughts2
within3
me thy comforts4
delight5
my soul.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Zou zich de stoelH3678 der schadelijkhedenH1942 met U vergezelschappenH2266, die moeiteH5999 verdichtH3335 bijH5921 inzettingH2706?
Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?
KJV
Shall the throne2
of iniquity3
have fellowship1
with thee, which frameth4
mischief5
by a law?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Zij rotten zich samen tegenH5921 de zielH5315 des rechtvaardigenH6662, en zij verdoemenH7561 onschuldigH5355 bloedH1818.
Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed.
Ook in dit vers
rotten samenH1413
KJV
They gather themselves together1
against the soul3
of the righteous,4
and condemn7
the innocent6
blood.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Doch de HEEREH3068 isH1961 mij geweest tot een Hoog VertrekH4869, en mijn GodH430 tot een SteenrotsH6697 mijner toevluchtH4268.
Doch de HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht.
KJV
But the LORD2
is my defence;4
and my God5
is the rock6
of my refuge.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En Hij zal hun ongerechtigheidH205 opH5921 hen doen wederkerenH7725, en Hij zal hen in hun boosheidH7451 verdelgenH6789; de HEEREH3068, onze GodH430, zal hen verdelgenH6789.
En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.
KJV
And he shall bring1
upon them their own iniquity,4
and shall cut them off6
in their own wickedness;5
yea, the LORD8
our God9
shall cut them off.
der wraken
Dat is, die zware wraak of straf doet over de ongerechtigheid, en wien alle wraak toebehoort; Deut. 32:35 .
Hertaald:
der wraken
Dat is: Die zware wraak of straf uitoefent over de ongerechtigheid, en aan Wie alle wraak toebehoort; Deut. 32:35.
verschijn blinkende
Te weten, tot onzen troost en tot schrik onzer vijanden. Zie Ps. 80:2 .
Hertaald:
verschijn blinkende
Namelijk: tot onze troost en tot schrik van onze vijanden. Zie Ps. 80:2.
Rechter
Dat is, der mensen, die op de aarde wonen; gelijk Gen. 18:25 ; Ps. 82:8 .
Hertaald:
Rechter
Dat is: van de mensen die op de aarde wonen, zoals Gen. 18:25; Ps. 82:8.
verhef U;
Te weten, tot rechtvaardige wraak. Zie Ps. 7:7 .
Hertaald:
verhef U;
Namelijk: tot rechtvaardige wraak. Zie Ps. 7:7.
van vreugde
Te weten, vanwege de onderdrukking en het kruis der vromen.
Hertaald:
van vreugde
Namelijk: vanwege de onderdrukking en het kruis van de vromen.
uw erfdeel
Dat is, uw volk, hetwelk U zo lief is als den mens zijn erfgoed.
Hertaald:
uw erfdeel
Dat is: Uw volk, dat U even lief is als een mens zijn erfgoed.
gij onvernuftigen
Dat is, die zonder verstand zijt als beesten. Zie de aantekening bij Ps. 49:11 , en Ps. 92:7 .
Hertaald:
gij onvernuftigen
Dat is: u die zonder verstand bent als dieren. Zie de aantekening bij Ps. 49:11, en Ps. 92:7.
die de heidenen
Dat is, die gehele volken en landschappen wel weet te bezoeken met zijn geselingen, zou die niet een voor een, wanneer men zwaarlijk tegen hem zondigt, straffen?
Hertaald:
die de heidenen
Dat is: Die hele volken en landstreken met Zijn geselingen weet te bezoeken — zou Hij dan niet ieder afzonderlijk straffen wanneer men zwaar tegen Hem zondigt?
Hij, die den mens
Alsof hij zeide: zou die niet weten wat er omgaat onder de mensen en wat de goddelozen doen?
Hertaald:
Hij, die den mens
Alsof hij zei: zou Hij dan niet weten wat er onder de mensen omgaat en wat de goddelozen doen?
dien Gij tuchtigt
Te weten, om hem tot verstand en tot kennis van U en van zichzelven te brengen.
Hertaald:
dien Gij tuchtigt
Namelijk: om hem tot inzicht te brengen en tot kennis van U en van zichzelf.
totdat de kuil
Dat is, totdat de goddeloze tot zijn verderf komt.
Hertaald:
totdat de kuil
Dat is: totdat de goddeloze aan zijn verderf toekomt.
het oordeel zal
De zin dezer woorden is: Het laat zich nu aanzien alsof de oordelen Gods tegen zijne gerechtigheid liepen, dewijl God de goeden rust en vrede laat zitten; maar het oordeel Gods zal eindelijk wederkeren tot de gerechtigheid, en de vromen zullen verlost en zalig gemaakt, maar de goddelozen zullen gestraft en verdoemd worden. Verg. Jes. 28:17 .
Hertaald:
het oordeel zal
De betekenis van deze woorden is: het lijkt nu alsof Gods oordelen tegen Zijn gerechtigheid ingaan, omdat God de bozen in rust en vrede laat zitten; maar Gods oordeel zal ten slotte tot de gerechtigheid terugkeren, en de vromen zullen verlost en zalig gemaakt worden, terwijl de goddelozen gestraft en verdoemd worden. Vergelijk Jes. 28:17.
navolgen
Te weten, recht, of oordeel, waar hij straks van gesproken heeft, namelijk, nadat zij Gods gerechtigheid over de goddelozen zullen gezien hebben. Anders, zullen Hem of denzelven, te weten, Heere, navolgen. Hebr. achter hetzelve, of Hem [zijn].
Hertaald:
navolgen
Namelijk: het recht of oordeel waarover hij zojuist gesproken heeft; dat is: nadat zij Gods gerechtigheid over de goddelozen gezien zullen hebben. Anders: zullen Hem, namelijk de Heere, navolgen. Hebreeuws: achter dat, of achter Hem.
staan tegen
Te weten, om mij te helpen. Alsof hij zeggen wilde: Niemand onder de mensen; maar het zal God de Heere zijn. Zie Est. 8:11 ; de psalmist klaagt dat hij van zijne vrienden in den nood is verlaten geweest.
Hertaald:
staan tegen
Namelijk: om mij te helpen. Alsof hij wilde zeggen: niemand onder de mensen; maar het zal God de Heere zijn. Zie Esth. 8:11. De psalmdichter klaagt dat hij in de nood door zijn vrienden verlaten is.
mijn ziel had
Dat is, welverstaande zoveel mijn lichaam aangaat.
Hertaald:
mijn ziel had
Dat is: wel te verstaan, voor zover het mijn lichaam betreft.
bijna
Of, haast, schier, op weinig na, korts.
Hertaald:
bijna
Of: bijna, haast, op weinig na, kort daarbij.
in de stilte
Dat is, ik ware haast omhals geweest en onder de aarde, waar men sprakeloos ligt en den Heere niet prijzen kan; gelijk Job 3:17-18 ; Ps. 88:13 , en Ps. 107:18 , en Ps. 115:17 .
Hertaald:
in de stilte
Dat is: ik was bijna om het leven gekomen en onder de aarde geweest, waar men sprakeloos ligt en de Heere niet kan prijzen; zoals Job 3:17-18; Ps. 88:13, en Ps. 107:18, en Ps. 115:17.
ik zeide
Te weten, niet anders wetende dan dat ik ten enenmale terneder en als onder den voet lag.
Hertaald:
ik zeide
Namelijk: terwijl ik niet anders wist dan dat ik helemaal terneer en als onder de voet lag.
Als mijn
Of, in de veelheid mijner gedachten in het midden van mij. Zie de aantekening bij Job 20:14 .
Hertaald:
Als mijn
Of: in de veelheid van mijn gedachten binnen in mij. Zie de aantekening bij Job 20:14.
de stoel der
Dat is, de schadelijke en goddeloze rechters; versta hierbij, geenzins.
Hertaald:
de stoel der
Dat is: de schadelijke en goddeloze rechters; versta hierbij: in het geheel niet.
bij inzetting?
Dat is, door een besluit. Of, tegen de inzetting? dat is tegen de geboden, die God heeft ingezet. Anders, voor ene wet; dat is, in de plaats van goede wetten.
Hertaald:
bij inzetting?
Dat is: door een besluit. Of: tegen de inzetting, dat is: tegen de geboden die God ingesteld heeft. Anders: voor een wet, dat is: in plaats van goede wetten.
rotten
Te weten, de goddeloze en onrechtvaardige rechters.
Hertaald:
rotten
Namelijk: de goddeloze en onrechtvaardige rechters.
verdoemen
Zie Job 10:2 .
Hertaald:
verdoemen
Zie Job 10:2.
een steen
Te weten, waar ik zeker wezen kon en buiten alle gevaar. Zie Ps. 91:14 .
Hertaald:
een steen
Namelijk: waar ik veilig kon zijn en buiten alle gevaar. Zie Ps. 91:14.
Hij zal hun
Dat is, Hij zal hen naar hunne verdiensten vergelden.
Hertaald:
Hij zal hun
Dat is: Hij zal hun naar hun verdiensten vergelden.
in hun boosheid
Of, vanwege hunne boosheid.
Hertaald:
in hun boosheid
Of: vanwege hun boosheid. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?" (Ps. 94:8). Dan volgt de redenering: "Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?" (Ps. 94:9). Wie het gehoor gemaakt heeft, hoort zelf; wie het gezicht maakte, ziet. Daaruit volgt: "De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn" (Ps. 94:11). Daarna slaat de psalm om naar iets anders: "Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet" (Ps. 94:12). En het slot wordt heel persoonlijk: "Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij. Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt" (Ps. 94:18-19). Bijbelse betekenis: De redenering van Ps. 94:9 is eenvoudig en sluitend. Wie meent dat God niets merkt, moet verklaren hoe de Maker van het oor zelf blind zou zijn. Merk op dat de psalm daarna niet bij het gelijk blijft staan maar overgaat op de tucht (Ps. 94:12). Gods opmerkzaamheid betekent niet alleen dat Hij het kwaad ziet, maar ook dat Hij Zijn eigen kinderen onder handen neemt, en dat wordt hier zalig genoemd. Let ten slotte op Ps. 94:19. Het gaat over gedachten die zich binnenin vermenigvuldigen — een nauwkeurige beschrijving van piekeren — en daartegenover staan Gods vertroostingen. Dat is geen oplossing van buiten maar verkwikking van binnen. Typologie: De Hebreeënbrief noemt dezelfde zaligheid van de tucht: God kastijdt tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid deelachtig zouden worden (reeds behandeld bij Hebr. 12:10). Ps. 94:8-19; Hebr. 12:10 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Psalm 94:12-15 leert dat Gods tuchtiging geen teken van afwijzing is, maar van liefdevolle opvoeding: Hij geeft Zijn kinderen rust in tijden van nood en laat de rechtvaardige… Charles Haddon Spurgeon 31 oktober 1889 Schrifttekst: Psalm 94:9 Uit: Metropolitan Tabernacle Pulpit Deel 35 Zou Die het oor plant, niet horen? Zou Die het oog formeert, niet… 16 Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid? 17 Ten ware dat de HEERE mij een Hulp… 8 Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden? 9 Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog… 1 O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende. 2 Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen. 3 Hoe lang zullen de… Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten. Psalm 94:14. Neen, Hij zal zelfs niet één van hen begeven. Mensen hebben hun… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 94
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Gezegende Tuchtiging
Zou Die het oor plant, niet horen?
Psalm 94:16-23
Psalm 94:8-15
Psalm 94:1-7
Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven


Psalmen 94
Psalmen 94:1.KruisverwijzingenNahum 1:2→Deuteronomium 32:35→Jesaja 35:4→Romeinen 12:19→Psalmen 80:1→Jesaja 59:17→Psalmen 50:2→2 Thessalonicenzen 1:8→
— O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende.
Mensen van God die in moeite zijn hebben er een verlustiging in de naam van de HEERE aan te roepen. Zijn naam alleen al is hun een sterkte.
De wraak behoort ons niet toe; het is voor geen enkel mens juist te trachten zich zelf te wreken. Maar de wraak behoort aan de rechtvaardige Rechter, die aan allen het verdiende loon van kwaad of goed zal toemeten. Vandaar dat mijn beroep gaat op het hoogste gerechtshof, of nog hoger: op de Koning zelf. Wanneer de valse leer welig tiert, kan alleen God haar neerslaan; alle inspanningen van de gelovigen zijn vergeefs zonder Hem.
Psalmen 94:2-4.KruisverwijzingenPsalmen 31:18→Psalmen 7:6→Genesis 18:25→Psalmen 31:23→Job 20:5→Psalmen 52:1→Openbaring 6:10→Job 40:11→
— Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen. Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen? Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?
Die uitdrukking “hoe lang?”, driemaal herhaald, is zeer bedroefd; het lijkt in een soort huilen of jammeren over te gaan. Maar een kind van God moet wel enigszins ongeduldig worden wanneer hij ziet dat de dingen in het koninkrijk van zijn Heere verkeerd gaan, en hij roept uit tot zijn God: hoe lang? hoe lang? hoe lang zult U het verdragen?
Psalmen 94:5.KruisverwijzingenJesaja 3:15→Openbaring 11:3→Openbaring 17:6→Jeremia 51:34→Jeremia 51:20→Psalmen 79:2→Micha 3:2→Psalmen 79:7→
— O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.
Dat is een sterke pleitgrond. Hoor die verklaring, want de HEERE der heirscharen zegt tot Zijn volk: “die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.” In dagen van vervolging bidden de heiligen ernstig op deze wijze.
Psalmen 94:5-6.KruisverwijzingenJesaja 3:15→Jesaja 10:2→Openbaring 11:3→Openbaring 17:6→Jeremia 51:34→Jeremia 51:20→Psalmen 79:2→Micha 3:2→
— O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel. De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.
Dit maakte het beroep nog sterker, want God is “een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen”.
Psalmen 94:7.KruisverwijzingenPsalmen 59:7→Job 22:12→Psalmen 10:11→Sefanja 1:12→Jesaja 29:15→Ezechiël 8:12→Lukas 18:3→Ezechiël 9:9→
— En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
En toch kwam juist deze God van Jakob tot de verontruste aartsvader bij de Jabbok en zegende hem daar; en tot heidense koningen zei Hij: “Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.” Kan het dan waar zijn dat Hij niet ziet en niet let op wat de goddelozen Zijn volk aandoen? Zij durven het te zeggen, en maken zich daardoor des te onbeschaamder in hun zonde.
Zij waren in de praktijk atheïsten; want als zij een god hadden, dan beschouwden zij hem als een god die geen zonden gadeslaat, een blinde godheid, een god die geen nota nam van het kwaad. Is dat niet de heersende godsdienst van vandaag? Zijn er niet velen die iets zeggen wat op de woorden van deze tekst lijkt? God is niet in al hun gedachten. Hij is voor hen een niet-wezen, niet de alwetende Jehova en nauwelijks zelfs een persoon, maar een soort tweederangs macht of een zwakke kracht — een onbekend iets van niet veel belang.
Psalmen 94:8-9.KruisverwijzingenPsalmen 92:6→Exodus 4:11→Spreuken 20:12→Psalmen 49:10→Jeremia 10:8→Jeremia 8:6→Spreuken 8:5→Spreuken 12:1→
— Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden? Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?
Hier gaat de pleiter over in een profeet, en na tot God gesproken te hebben spreekt hij nu tot mensen. U zegt dat God niet ziet, dat Hij niet let — maar hoe kan dat? U bent dwaas om zo te spreken. Hij die de mens het gehoor gaf, zou Hij niet zelf horen? Hij die hun het gezicht gaf, zou Hij niet zien?
Psalmen 94:10-11.KruisverwijzingenJob 35:11→Jesaja 28:26→Psalmen 44:2→1 Korinthe 3:20→Psalmen 10:16→Habakuk 3:12→Habakuk 1:12→Psalmen 25:8→
— Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert? De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.
Hij richt de volken; lees het boek van de voorzienigheid en zie hoe Hij het recht uitdeelt aan volk na volk. Zou Hij dan ook de enkele mens niet bestraffen?
Slaat u uw Bijbel op, dan ziet u dat de overzetters hier woorden bijgezet hebben, in schuine letters om aan te geven dat zij niet in de grondtekst staan. De grondtekst is heel abrupt; het is alsof de psalmist zei: zo, ik ben het redetwisten met u moe. U kunt zelf uw gevolgtrekking maken; dat laat ik aan u over. Dwazen als u bent, ik hoef die gevolgtrekking niet voor u te maken.
“Die den mens wetenschap leert” — weet de mens werkelijk iets, tenzij God het hem leert? Adam werd van het begin af door God onderwezen, en elk deeltje ware wetenschap dat de mens kent is hem door God meegedeeld. Ik zeg niet dat God de auteur is van de wetenschap van vandaag; veel daarvan komt duidelijk van de mens. Maar alle ware kennis wordt ons door God meegedeeld. Meent u, droomt u dat Hij dan zelf niet alles weet?
God kent niet alleen de woorden en de daden van de mensen, maar ook hun gedachten. God kent de denkende mensen, de beste soort mensen, wanneer zij op hun best zijn en aan het denken zijn. En wat denkt God van de gedachten van de mens? Dat zij leeg zijn. En toch spreken de mensen over de denkers van deze tijd en willen zij dat wij ons voor hun gedachten neerbuigen. Dit opscheppen over menselijke gedachten is niet meer dan het kraken van rotte takken.
Psalmen 94:12.KruisverwijzingenSpreuken 3:11→Job 5:17→Psalmen 119:71→1 Korinthe 11:32→Hebreeën 12:5→Job 33:16→Openbaring 3:19→Deuteronomium 8:5→
— Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,
Dat zijn twee dingen die goed samengaan: een roede en een boek. Niemand leert ooit veel zonder beide. Het boek wordt nooit goed verstaan zonder enkele aanrakingen van de roede — maar het boek moet er ook zijn; want als het alles roede was en geen boek, dan zouden er wonden in overvloed zijn maar geen leren.
Hebt u die twee samen, mijn vriend? Bent u de laatste tijd veel met het boek in een hoekje geweest, en veel met de roede op uw bed? Nu, dan bent u een gezegend mens.
Psalmen 94:13.KruisverwijzingenPsalmen 55:23→Psalmen 9:15→2 Petrus 2:9→Openbaring 14:13→Habakuk 3:16→2 Petrus 3:3→Openbaring 11:18→Jeremia 18:22→
— Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.
In deze tijd worden de stille deugden niet zo hoog geschat als zij verdienen. Mensen zijn altijd bezig, zij moeten altijd op de draf zijn; maar gezegend is de mens die zo door het boek en door de roede onderwezen is dat hij tot een heilige rust komt en leert stil te zijn. De beste ruster is de beste werker. Wie weet aan de voeten van Jezus te zitten, weet beter voor Jezus te werken dan wanneer hij bestendig heen en weer rende en met veel dienen omvangen werd.
Psalmen 94:14.Kruisverwijzingen1 Samuël 12:22→Psalmen 37:28→Romeinen 11:1→Deuteronomium 32:9→Jesaja 49:14→Jeremia 32:39→Psalmen 34:12→Efeze 1:18→
— Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten.
Hij mag hen neerwerpen, maar Hij zal hen nooit verwerpen. Zelfs mensen geven hun erfdeel niet op — denk aan hoe Naboth zijn erfdeel niet wilde verkopen maar liever stierf. En de HEERE zal Zijn erfdeel niet verlaten; er ligt op Zijn volk een heilig erfrecht dat nooit gebroken kan worden.
Psalmen 94:15.KruisverwijzingenMicha 7:9→Job 23:11→Psalmen 7:8→Maleachi 3:18→2 Petrus 3:8→Psalmen 9:16→Openbaring 15:3→Psalmen 94:2→
— Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen.
De goddelozen mogen nu de bovenste spaken van het wiel zijn, maar zij zullen eerlang de onderste zijn. De waarheid mag vandaag in de modder liggen, maar morgen zal zij bovenop liggen. De wentelingen van de wielen van de voorzienigheid brengen vreemde veranderingen. Wacht, werk, waak — want de HEERE zal de dingen op Zijn eigen goede tijd rechtzetten.
Psalmen 94:16-17.KruisverwijzingenPsalmen 124:1→Psalmen 31:17→Psalmen 13:3→Psalmen 118:13→1 Koningen 18:39→2 Koningen 10:15→Numeri 25:6→Mattheüs 12:30→
— Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid? Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.
De psalmist vraagt om helpers, maar hij krijgt van de mens geen antwoord; en soms zal de man van God alleen moeten staan, en dat is een opvoeding voor hem. Gezegend is hij die geleerd heeft aan de blote arm van God te hangen; hij is er beter aan toe zonder zijn aardse vrienden dan hij met hen was.
Psalmen 94:18.KruisverwijzingenPsalmen 38:16→Psalmen 121:3→Psalmen 37:23→Jesaja 41:10→Psalmen 119:116→Lukas 22:32→1 Samuël 2:9→Psalmen 73:2→
— Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.
“Mijn voet was onder mij weggegleden, ik lag neer; en toen, juist toen, legde U Uw eeuwige armen onder mij. Uw goedertierenheid, HEERE, ondersteunde mij.”
Psalmen 94:19.KruisverwijzingenHabakuk 3:16→Psalmen 77:2→Psalmen 61:2→Psalmen 63:5→Jeremia 20:7→Psalmen 73:12→2 Korinthe 1:4→Psalmen 43:2→
— Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.
Mijn gedachten — zo lezen sommigen dit vers — lijken door elkaar gevlochten als de vele takken van een boom. Ik kan er zelf niet uit komen, zo warrig zijn ze. Maar de vogel heeft geleerd tussen die takken te zitten en te zingen: Uw troostingen verkwikken mijn ziel.
Er zijn gedachten van verdriet, gedachten van vrees, gedachten van teleurstelling, gedachten van verlatenheid, gedachten van een gebroken hart, allerlei gedachten — maar Gods troostingen komen binnen en verkwikken de ziel. U weet toch wat het is neergebogen te zijn maar niet verwoest, verontrust te zijn en toch gelukkig? “Als droevig zijnde, doch altijd blijde”, zegt Paulus. Een oude godgeleerde merkt daarbij op dat het is áls droevig — als het ware droevig; maar het is niet áls altijd blijde. Daar staat geen “als het ware” bij: daar is een werkelijke vreugde midden in een schijnbare droefheid.
Psalmen 94:20.KruisverwijzingenPsalmen 58:2→Amos 6:3→Jesaja 10:1→1 Samuël 22:12→Jesaja 1:11→1 Johannes 1:5→Openbaring 13:15→Esther 3:6→
— Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?
HEERE, bent U aan hun kant? O nee — en omdat U niet aan hun kant staat, kan het mij niet schelen wie het wel is. Zolang U de ongerechtigheid niet steunt en het onrecht niet helpt, zal ik de strijd tot het einde uitvechten.
Psalmen 94:21-22.KruisverwijzingenPsalmen 18:2→Psalmen 59:9→Spreuken 17:15→Psalmen 62:2→Psalmen 59:3→Exodus 23:7→Mattheüs 27:1→Psalmen 59:16→
— Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed. Doch de HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht.
Hij vlucht weg tot zijn God, zoals hij zich in de spelonk van Adullam placht te verbergen buiten het bereik van zijn vijanden; en dan gaat hij in vrede zitten om te zingen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Verplaatste ons de vorige Psalm in den tijd, toen de Chaldeeuwse catastrofe reeds haar begin had genomen, met den voor ons liggenden Psalm staan wij zonder twijfel dicht aan den drempel der verwoesting van Jeruzalem en van den tempel (2 Koningen 25: 8 vv.) De Joodse traditie verhaalt (Ezra 6: 18 ), dat de Psalm des Levitischen tempelzangers door den toestand der heilige stad op den 10den dag van de maand Ab, of in Augustus van het jaar 588 v.Chr. (Jer. 52: 12 vv.) onmiddellijk in den mond gegeven is, en door hen niet ten einde kon gezongen worden, daar midden onder vs. 23 de vijand in den tempel drong. Hoewel dit ene legende is, zo ligt daarin toch een diepe zin en ene vingerwijzing, die wij dankbaar hebben aan te nemen. “De Psalm behoort tot de gewichtige, geestelijke teerkost, welke Gods Geest nog aan Zijne gemeente voor het begin der moeilijke reis naar de ballingschap aanbood.” In den tempel-godsdienst na de ballingschap, werd deze als Woensdag-Psalm (Numeri 28: 8 ) gebruikt, waarop ook het opschrift in de Septuaginta doelt. Het is echter, gelijk Luther schrijft, een gebed van alle vrome kinderen Gods, en van al het geestelijk volk tegen al hun vervolgers, zodat hij kan gebeden worden van het begin der wereld tot aan het einde door alle vrome, godzalige mensen,
I. Vs. 1-7.KruisverwijzingenNahum 1:2→Psalmen 31:18→Jesaja 3:15→Deuteronomium 32:35→Jesaja 35:4→Romeinen 12:19→Psalmen 7:6→Genesis 18:25→
— O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende. Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen. Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen? Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen? O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel. De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen. En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
Terwijl de heilige zanger al zijne kracht verzamelt, om Gods wraak in te roepen over de hoogmoedige en goddeloze vijanden, onder wier gewelddadigheden Gods volk nu te lijden heeft, beschrijft hij aanstonds het doen en drijven van hen in enige karakteristieke trekken, welke het goed recht van zijne bede en de noodzakelijkheid van zijn hulpgeschreeuw aanwijzen.
O God der wraken! 1) wie alleen de wrake toekomt (Deuteronomium 32: 35. (Jer. 51: 56), o HEERE, God der wraken a)! verschijn blinkende 2) in Uwe heerlijkheid als Rechter.
Deuteronomium 33: 2. Psalm 7: 7; 50: 2; 80: 2.
Hij zegt tweemalen: “God der wraken,” gelijk zij plegen te doen, die hevig en met groten ernst spreken; zij zeggen hetzelfde tweemalen, om God te bewegen.
Het meervoud wijst op het veel omvattende, op den schat der wrake, die bij God ligt opgetast, die Hij gereed heeft voor Zijne vijanden, om dien op hun schuldige hoofden uit te gieten.
Het blinkend verschijnen betekent hier als Psalm 80: 2 ene majestueuze openbaring en betoning van de heerlijkheid der heiligheid en almacht van Jehova tot verderving der vijanden en tot redding van Zijn volk. De Heere verheft Zich daar als Rechter op Zijn troon, om over de hovaardigen vergelding te brengen (vs. 2). Nog was de Heere niet zo verschenen, nog hield Hij Zijn toorn en wrake in, zodat de dichter tot tweemaal toe uitroept: hoelang de goddelozen van vreugde zullen opspringen en zich in trotsen en wreden overmoed over het arme verdrukte volk Gods verheffen zullen.
Gij, Rechter der aarde (Genesis 18: 25. Psalm 9: 5; 50: 6) verhef U (Jes. 33: 10); breng vergelding weer over de hovaardigen. Hij spreekt hier van de hovaardigen, niet alleen die in hun hart hoogmoedig zijn, maar die de overhand met vervolgen hebben genomen en zich verheffen alsof zij het reeds gewonnen hadden en de vromen hadden vernield.
Gods zwaar verdrukt volk is verre van zich zelven te willen redden en wreken; het kent en acht het verheven woord van zijnen God (Deuteronomium 32: 35. Rom. 12: 19): “Mijne is de wraak, Ik zal het vergelden,” maar het weet ook, dat het kostbaar privilege bezit, om aan zijnen God alles te mogen zeggen en klagen, wat het op het harte ligt; het kent ook het woord van zijnen God (Psalm 50: 15) “Roep mij aan in den dag der benauwdheid.” Dit werpt het ware licht op dat aanroepen.
Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang 1) zullen de goddelozen van vreugde opspringen?
Zodanige herhaalde aansporing en opwekking is dikwijls de uitdrukking van ene buitengewoon heftige gemoedsbeweging, zowel van vreugde als van smart (Psalm 92: 10. Richteren 5: 3).
Men zou kunnen betwijfelen, of zulk ene vraag: “Heere hoe lang?” betamelijk is, daar er toch een zo groot onderscheid is tussen Gods tijd en onzen tijd, en het iets zeer korts bij God is, wat naar onze mening zeer lang duurt, want duizend jaren zijn bij den Heere als de dag, die gisteren is voorbijgegaan en als ene nachtwake (Psalm 90: 4). Maar dat is juist bij den God van Jakob, bij den God der Openbaring, die zo diep in het menselijke is ingegaan, het God-menselijke, dat Hij Zich niet slechts naar de goddelijke tijdrekening en hare kortheid bij de verzoekingen Zijner kinderen richt, maar ook naar onze menselijke dagen; want Hij weet, dat wij het op menselijke wijze moeten verdragen, en Hij laat ons niet verzocht worden boven hetgeen wij vermogen te dragen.
Hoelang zullen zij gehele stromen van God tergende redenen uitgieten? hard, stoutmoedig spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen, alsof zij Uw land reeds in bezit hadden genomen, om er voor altijd meesters in te zijn?
O HEERE! zij, de goddelozen, verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel, Uw Israël, dat Gij U verkoren hebt, gelijk eens Farao in Egypte (2 Koningen 14: 2).
De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.
En zij, de Moabieten, Ammonieten en Syriërs, die nu onder de bescherming der Chaldeeën aan hunnen ouden haat tegen Judea den vrijen loop laten, zeggen: De HEERE ziet het niet en de God van Jakob merkt het niet, wat kwaad wij aan Zijn volk doen (Psalm 10: 11,13; 59: 8). Dat deze woorden niet letterlijk moeten verstaan worden, maar hier ene verkorte vergelijking plaats vindt voor: “de Uwen, die even hulpeloos zijn als weduwen,” toont de vermelding der vreemdelingen. De bijbelse uitdrukking in die plaatsen der wet, waar de weduwen, wezen en vreemdelingen als voorwerpen van tedere zorg van God worden genoemd, en alzo aan Israël tot ene liefderijke behandeling uitdrukkelijk worden aanbevolen (Exodus 22: 20 vv. Deuteronomium 10: 18), wordt hier aangehaald. Er ligt een grote nadruk in deze plaatsen, zij bevatten voor het ellendige volk een rijken troost. Zijn de wezen in den eigenlijken zin voorwerpen van Gods beminnende voorzorg, zo moet Hij Zich ook over Zijn verweesd volk ontfermen; wreekt Hij de weduwen aan hare verdrukkers, dan moet Hij ook de gemeente, die in weduwenstaat is, in hare ellende bezoeken. Straft Hij de bozen onder Israël, die de ellendigen verdrukken, dan moet Hij ook de boze heidenen bestraffen, die Zijne ellendigen doden.
In deze verzen wordt ons getekend de gruwel der verwoesting, dien de Heidenen brengen over het volk Gods. En dit uit pure vijandschap tegen den Heere God, dien zij den God van Jakob noemen, maar wie zij ontzeggen, de liefde voor zijn volk en de macht om hen te bevrijden. Het is daarom dat de dichter tot God om wrake roept, dewijl Gods ere er mede gemoeid is. God zou ophouden God te zijn, indien Hij dien vijand, die Zijn macht en liefde onteert, geworden liet. Ja, God zou ophouden God te zijn, indien Hij geen God der wrake was. Ook de Apostel des geloofs kent hem als zodanig, en niet oneigenaardig is Zijn toorn genoemd, de verzengende spits van den vlam Zijner eeuwige liefde. Daarom geldt deze Psalm niet alleen voor dien tijd, maar voor alle tijden en mag zij aangeheven worden en is zij ook aangeheven, als de Kerk van Christus door de wereld vervolgd is geworden. 8.
II. Vs. 8-15.KruisverwijzingenSpreuken 3:11→Job 5:17→Psalmen 119:71→1 Korinthe 11:32→Hebreeën 12:5→Psalmen 92:6→Exodus 4:11→Spreuken 20:12→
— Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden? Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen? Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert? De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn. Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet, Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt. Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten. Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen.
Hierop wendt zich de zanger tot diegenen onder het volk van Israël, bij wie de aan het slot der vorige afdeling vermelde rede der vijanden ingang heeft gevonden, en die inderdaad aan het twijfelen zijn gekomen over Gods alwetendheid en gerechtigheid. Hij bestraft hun dwaasheid en weerlegt hun argwaan; daarentegen prijst hij gelukkig, die met een vast geloof op des Heren hulp wachten, en betuigt, dat deze niet zal uitblijven, maar de Heere te Zijner tijd Zich over Zijn getuchtigd en gelouterd volk zal ontfermen.
a) Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! (Psalm 14: 1 Aanm) wanneer zult gij verstandig worden.
Ps 92: 7. De zanger werpt gebrek aan inzicht hun voor, aan wie het onverstand God ontnemen wil (vs
, maar hij wendt zich daarbij niet tot eerste bewerkers van dit verwijt, de blinde heidenen, die slechts door schade kunnen wijs worden, maar tot de dwazen onder het volk, onder Israël (Richteren 5: 9), bij wie de heidense bewering ingang heeft gevonden.
Gij dwazen, houdt u voor wonder verstandig, wanneer gij God loochent, hetwelk toch boven alles uw onverstand verraadt. Gij hebt nog niet het vonkje van wijsheid, dat gij aan een alziend God gelooft; bedenkt toch uwe dwaasheid en blindheid; leert het toch opmerken, hoe de satan u misleidt en bedriegt.
Zou Hij, die het oor plant, niet horen? zou Hij, die het oog formeert, niet aanschouwen? (Spreuken 20: 12. Exodus 4: 11). God schept wezens, die kunnen zien en horen en zelfbewustzijn hebben, en zou dus aan anderen geven wat Hij zelf niet bezit? Wat wij, al is het ook gebrekkig, bezitten en van onzen Schepper hebben ontvangen, zou Hij zelf niet in de volkomenste mate bezitten? Ene diepzinnige toepassing van de leer van Gods evenbeeld in den mens.
Leert toch God uit uwe eigene lichaams- en zielskrachten kennen. Hij, die een verstandig hart geschapen heeft, zou die niet zelf rechtvaardig zijn? Die een barmhartig hart gemaakt heeft, zou die niet een vaderhart hebben?. Kan er iets treffenders ook in onzen tijd gezegd worden tegen die soort van Filosofen, die loochenen, dat er een doel in de natuur is? Alles, wat zij van het dode abstractum “natuur” zeggen, schreven de heidenen aan hun afgoden toe, en wat de profeten tegen deze zeiden, geldt ook hun.
Zou Hij, die de heidenen inwendig in hun hart tuchtigt door de stem van het geweten (Rom. 2: 14 vv.), niet ook uiterlijk door vergelding van het kwaad, dat zij doen, met allerlei kwaad in hun leven straffen; Hij die den mens wetenschap leert, aan wie dus ook de heiden al zijne kennis te danken heeft; zou die niet zelf al hun plannen en werken weten?
En niet alleen dit a), de HEERE weet oneindig meer, Hij weet zelfs de gedachten des mensen; Hij kent al onze overleggingen en weet, dat zij ijdelheid zijn 1), alle, die tegen Hem en Zijn rijk gericht zijn, want zij zijn alle reeds door Hem gevonnist en verijdeld, nog voordat zij in hun hart opkomen.
1 Kor. 3: 20.
Overtuigend is de vraag in vs. 10: “God tuchtigt de heidenen” de volken buiten Israël, in hun geweten of door Zijne gerichten: “Hij toch is de Rechter der ganse aarde, en zou Hij niet straffen,” ook de Heidenen, die thans Zijn volk wreed tiranniseren? Hij, die den mens wetenschap leert, en daarom zelf de bron van alle kennis, de Alwetende moet zijn, voor Wie alle harten en raadslagen der mensen openleggen. En komt Zijn oordeel niet altijd aanstonds over de boze daad, is Hij lankmoedig omdat Hij de Eeuwige is, behoudt Hij Zich het recht voor, om op Zijn eigen tijd tot straffe Zijner vijanden en tot redding van Zijn volk tussen te treden, niemand, vriend of vijand, zij zo onvernuftig en dwaas om te zeggen: “De Heere ziet het niet, de God van Jakob merkt het niet,” want de Heere weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn. Hij kent niet alleen alle overleggingen der mensen maar Hij verijdelt, Hij vonnist en bespot ook alle hun raadslagen.
Welgelukzalig is de man, o Heere! dien Gij tuchtigt door Uwen Geest, gelijk een vader doet, en dien Gij leert uit Uwe wet1), wat het lijden der vromen en rechtvaardigen betekent (Deuteronomium 8: 5).
De Profeet gaat nu over van de bestraffing tot de vertroosting zowel voor zich zelven als voor alle gelovigen, omdat God voor zijn Kerk zorgt, terwijl Hij tijdelijk toelaat, dat zij aangevallen wordt. De kennis hier is zeer nuttig voor geheel onzen levensloop, zelfs moeten wij voortdurend verkeren als in krijgsdienst zijnde. Want om onze zwakheid tegemoet te komen, wil God wel ons enige verademing toestaan, maar toch weet Hij, dat wij altijd aan vele onheilen zijn blootgesteld. En wij zien, hoe groot de overvloed eer goddelozen is en zeer diep ellendig zou onze toestand zijn, zonder dezen troost dat welgelukzalig zijn, die God door het kruis oefent, dat wanneer God ons voor Zich tot Zijn volk verzamelt en van de gehele wereld schijnt af te zonderen, opdat wij, door onder elkaar de gerechtigheid en billijkheid te beoefenen, wij allen een gelukkigen vrede zouden genieten. Maar dikwijls gebeurt het, dat onder bescherming van het eervol ambt de tirannen misdadig de Kerk onderdrukken, en zodanig een beproeving is het, waarover de Profeet hier klaagt.
Om hem rust te geven van de kwade dagen, om de ellende te doen ophouden, totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt, en zij omkomen (Psalm 49: 6; 112: 7 vv.). God is recht, rechtvaardig in al Zijne wegen, maar Hij houdt niet overal gericht, en dat geeft in ons hart aanleiding, dat wij tot klein geloof en tot ongeduld komen, wanneer die God, wiens recht eeuwig en onveranderlijk is, wiens gerechtigheid vast staat als Gods bergen, met Zijne gerichten treft. Maar tot de rechten Gods behoort ook Gods tijd en uur, en de gehoorzaamheid van den mens, die hem tegenover alle rechten Gods betaamt, bestaat ten opzichte hiervan in stil zijn, in het wachten op Zijnen raad; hoe stiller en geduldiger de mens is, des te werkzamer en sneller is God, die intussen reeds bezig is het graf te graven, dat den goddelozen vernietiging, den Zijnen redding aanbrengt.
Toen in het jaar 363 n.C. keizer Julianus, met den bijnaam Apostata (de afvallige) beproefde in zijn rijk weer het heidendom in de plaats van het Christendom in te voeren, vroeg de beruchte Sofist Liberius, bij wie ook Chrysostomus ter schole gegaan had om wetenschappen te leren, en die meende, dat het nu met den Christelijken godsdienst spoedig zou gedaan zijn, aan een Christen: “Wat doet nu een timmermanszoon?” Deze antwoordde: “Hij maakt voor Julianus, den tiran, ene doodkist.” Spoedig daarop vond de keizer den dood in den oorlog tegen de Perzen, en hij stierf met den uitroep: “Galileër! Gij hebt overwonnen!” Hij werd in ene lijkkist naar huis gebracht.
Dit einde der treurigheid kan in onzen tegenwoordigen toestand niet uitblijven; want a) de HEERE zal Zijn volk niet voor altijd begeven, en Hij zal Zijne erve niet voor eeuwig verlaten.
1 Samuel 12: 22. Rom. 11: 1-2. Het is des dichters bedoeling in de eerste plaats de gelovigen te vermanen tot geduld, opdat zij niet moedeloos worden onder het kruis, maar rustig en stil God als hunnen Verlosser verbeiden; ten anderen hen daarop te wijzen, van waar zij zich deze wijsheid zullen verschaffen. Als iemand in het lijden wel zijne tranen en verzuchtingen bedwingt, maar steeds aan zijne ketenen schudt en zich aan niets weet vast te hechten, dan dat wij allen stervelingen zijn, en vergeefs ons verzetten tegen de noodzakelijkheid, zo is zulks veel meer weerspannigheid dan geduld. Immers in spijt van dat alles zou zodanig een zich nog liever tegen God aankanten, al schijnt hij ook met ene nagebootste kracht zijn ongeluk te vernachten. Tot waarachtige zachtmoedigheid zal alleen die leer onze harten buigen, die ons verzekert, dat God, zodra Hij den Zijnen lijden toezendt, tevens op hun redding bedacht is.
Want het oordeel, het nu zo diep geknakte recht, zal wederkeren tot de gerechtigheid 1), daar het op ‘t strengst gehandhaafd wordt door vernietiging der bozen en redding der vromen; en alle oprechten van hart zullen het zo lang gemiste en zo vurig verlangde recht met vreugde begroeten en navolgen, bijval geven.
Beter: Het recht moet (of zal) zich wenden tot gerechtigheid. Met andere woorden, het recht dat op dit ogenblik vertrapt wordt, moet ten slotte weer in ere hersteld worden, en alle waren vromen zullen het met gejuich begroeten. Dit was de hope en het stellig vertrouwen van den dichter, een vertrouwen, hetwelk niet is beschaamd gemaakt. 16.
III. Vs. 16-23.KruisverwijzingenPsalmen 124:1→Psalmen 18:2→Psalmen 38:16→Psalmen 58:2→Psalmen 59:9→Psalmen 7:16→Psalmen 31:17→Psalmen 121:3→
— Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid? Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond. Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij. Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt. Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting? Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed. Doch de HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht. En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.
Ten slotte bepaalt zich de zanger weer bij zijn eigen geloofsleven en versterkt hij zich in geduld en vertrouwen. Hij belijdt, dat de Heere zijne enige hulp, zijn enige troost is; zonder Hem ware hij verloren en buiten Hem moest hij geheel wanhopen: maar hij weet ook, dat de Heere gene gemeenschappelijke zaak maakt met degenen, die zijn volk verdrukken en kwellen, maar ze slechts voor een tijd gebruikt in den dienst Zijner genadige bedoelingen, totdat hij ze vervolgens verwerpt en verdelgt.
Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid? Onder de mensen is niemand, die zich over mij zou kunnen en willen ontfermen (Psalm 27: 10).
Ten ware dat de HEERE mij ene hulp geweest ware, mijne ziel had bijna (Jes. 13: 22) in de stilte gewoond, in het stille rijk der doden (Psalm 31: 18; 115: 17). De zanger spreekt hier niet van zijn eigen persoonlijk lijden, maar van dat der gemeente; in den geloofsstrijd, die thans deze beschikt is, treedt hij als een voorvechter op, spreekt hij in den zin van alle gelovigen. Ja uit het hart der verdrukte gemeente, welke hij als het ware vertegenwoordigt.
Als ik in zulk een benauwden toestand was, dat ik zei: Mijn voet wankelt; nu is het zo ver met mij gekomen, dat mijn val niet kan uitblijven, zo zijt Gij; mij ter hulp gesneld; Uwe goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij, hield mij staande, zodat ik steeds voor vallen bewaard werd.
Als mijne angstige en benauwende gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, en ik nergens enig steunsel vond; zodat ik geheel zonder hope bleef, hebben Uwe vertroostingen steeds weer mijne ziele verkwikt, en deze zijn het dan ook nu, die mij doen staande blijven. Hij spreekt van de velerlei gedachten, die iemand in zulk ene wanhoop heeft, hoe hij zou kunnen verlost worden. Dan denkt hij dit en dan dat; hij zoekt in alle hoeken, maar vindt gene hulp, daarom zegt hij: toen ik in zulk ene worsteling was en mij met mijne eigene gedachten sloeg, zocht ik hier en daar troost, maar vond die niet, toen kwaamt Gij met Uwen troost en hielpt mij.
Gelovigen hebben soms twijfelachtige en bedroevende gedachten ten opzichte van God; zij twijfelen ieder ogenblik aan Zijne goede gezindheid ten opzichte van hen van wege hun zonden; zij vrezen dat zij zullen omkomen door hun verkeerdheid, of dat zij de wegen Gods zullen ontsieren. Zij zijn bezorgd ten opzichte van Christus, dat Hij de Zaligmaker van anderen, maar niet van hen is, dat Hij zulke als zij zijn niet wil redden. Zij zijn bekommerd ten opzichte van het werk des Heiligen Geestes op hun harten het in twijfel stellende en vrezende of het wel ooit begonnen is. Zij hebben zorgen ten opzichte van hun tegenwoordigen en toekomenden toestand, hoe zij de moeilijkheden en gevaren van deze wereld zullen doorkomen, en de vallei der schaduwen des doods zullen doorworstelen. Laat hen dan zien op de buitengewoon grote en kostelijke beloften van het Evangelie, en de zegeningen van Christus door den Geest verleend.
Wie onder de zwaarbeproefden van Gods kinderen kennen niet dat vermenigvuldigen der gedachten, als het zo donker in de ziele kan worden, als op vele vragen, die uit het binnenste oprijzen, niet één antwoord wordt vernomen? Welgelukzalig degenen, die in waarheid dan met den dichter kunnen zeggen, dat de vertroostingen Gods hun zielen verkwikt hebben.
Zou zich de stoel der schadelijkheden 1), met U vergezelschappen, zoudt Gij dien tot bondgenoot hebben, die moeite verdicht bij inzetting, als ene wet, alle onrechtvaardig handelen tegen de Uwen tot wettige instelling verheft? (Jes. 10: 1).
Onder den “stoel der schadelijkheden” moet men den troon der vijandige heidense wereldmacht verstaan, onder welke Gods volk te lijden heeft (Ps 125: 3). Deze kan, hoewel hij een voorbijgaand werktuig tot straffen is, toch onmogelijk een bondgenoot des Heren zijn, alsof de Heere voortaan Zijn volk door middel van dezen wilde regeren, want hij verheft de ongerechtigheid tot wet en maakt den druk en de ellende van Israël tot een regel, in plaats dat hij slechts ene tuchtroede voor Gods volk zou zijn. Maar deze macht, die Israël beangstigde, is wederom slechts een beeld, dat de vijandige macht des kwaads voorstelt tegenover het rijk van God.”.
Zij, de bondgenoten of, trawanten van dien stoel der schadelijkheden, rotten zich zamen tegen de ziel des rechtvaardigen, om hem om te brengen, en zij verdoemen onschuldig bloed, zij veroordelen hen ter dood, en maken zich van hun goederen meester.
Doch de HEERE is zo weinig met hen verbonden dat Hij integendeel mij geweest is tot een hoog Vertrek, ene bescherming tegen de bozen; en mijn God was mij tot ene Steenrots mijner toevlucht, zodat mij niet overkomen zal, wat zij tegen mij besloten hebben.
En Hij, de Heere zal, als Zijn tijd en Zijn uur daar is, hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, hun boosheden vergelden, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, God, zal henzeker verdelgen, daarvan houd ik mij verzekerd. Wie dit gelooft en zo door God geleerd is, die geduldig zijn (vs. 12 vv.), en de goddelozen laten woeden, die kan op het einde zien en Zijn tijd afwachten.
Waren de ondernemingen der vijanden slechts ijdel, God zou hun toen reeds iets van Zijne gerechtigheid hebben doen ondervinden, maar nu vallen zij zeker in den kuil, dien zij voor anderen hebben gegraven; listig den rechtvaardige nazettend, gaan zij in hun listigheid te gronde, en al hun krachten inspannende, doden zij zich ten laatste met hun eigene wapenen. Zo blijkt daaruit nog meer Gods wonderbaar gericht. En dewijl dit zo moeilijk is te geloven, daarom zegt hij nog eens; “Hij zal ze verdelgen.”.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel