Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalmH4210 van AsafH623. Immers is GodH430 IsraelH3478 goedH2896, dengenen, die reinH1249 van harteH3824 zijn.
Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn.
KJV
[[A Psalm1
of Asaph.]]2
Truly God6
is good4
to Israel,5
even to such as are of a clean7
heart.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Maar mijH589 aangaande, mijn voetenH7272 waren bijnaH4592 uitgewekenH5186; mijn tredenH838 waren bijkansH369 uitgeschotenH8210.
Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.
KJV
But as for me, my feet4
were almost2
gone;3
my steps7
had well nigh5
slipped.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantH3588 ik was nijdigH7065 op de dwazenH1984, ziendeH7200 der goddelozenH7563 vredeH7965.
Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
KJV
For I was envious2
at the foolish,3
when I saw6
the prosperity4
of the wicked.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantH3588 er zijn geenH369 bandenH2784 tot hun doodH4194 toe, en hun krachtH193 is frisH1277.
Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
KJV
For there are no bands3
in their death:4
but their strength6
is firm.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Zij zijn niet in de moeiteH5999 als andere mensen, en worden metH5973 andere mensen niet geplaagdH5060.
Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.
Ook in dit vers
mensenH120
mensenH582
KJV
They are not in trouble1
as other men;2
neither are they plagued7
like4
other men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
DaaromH3651 omringtH6059 hen de hovaardijH1346 als een ketenH6059; het geweldH2555 bedektH5848 hen als een gewaadH7897.
Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.
KJV
Therefore pride3
compasseth them about as a chain;2
violence6
covereth4
them as a garment.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Hun ogenH5869 puilenH3318 uit van vetH2459; zij gaan de inbeeldingenH4906 des hartenH3824 te boven.
Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.
KJV
Their eyes3
stand out1
with fatness:2
they have more4
than heart6
could wish.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Zij mergelenH4167 de lieden uit, en sprekenH1696 boselijkH7451 van verdrukkingH6233; zij sprekenH1696 uit de hoogteH4791.
Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.
KJV
They are corrupt,1
and speak2
wickedly3
concerning oppression:4
they speak6
loftily.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Zij zettenH8371 hun mondH6310 tegen den hemelH8064, en hun tongH3956 wandeltH1980 op de aardeH776.
Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.
KJV
They set1
their mouth3
against the heavens,2
and their tongue4
walketh5
through the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
DaaromH3651 keert zich Zijn volkH5971 hiertoe, als hun waterenH4325 eens vollenH4392 bekers worden uitgedruktH4680,
Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,
KJV
Therefore his people3
return2
hither:4
and waters5
of a full6
cup are wrung out
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Dat zij zeggenH559: HoeH349 zou het GodH410 wetenH3045, en zou er wetenschapH1844 zijn bij den AllerhoogsteH5945?
Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
KJV
And they say,1
How doth God4
know?3
and is there5
knowledge6
in the most High?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
ZietH2009, dezenH428 zijn goddeloosH7563; nochtans hebben zij rustH7961 in de wereldH5769; zij vermenigvuldigenH7685 het vermogenH2428.
Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.
KJV
Behold, these are the ungodly,3
who prosper4
in the world;5
they increase6
in riches.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Immers heb ik tevergeefsH7385 mijn hartH3824 gezuiverdH2135, en mijn handenH3709 in onschuldH5356 gewassenH7364.
Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.
KJV
Verily I have cleansed3
my heart4
in vain,2
and washed5
my hands7
in innocency.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Dewijl ik den gansenH3605 dagH3117 geplaagdH5060 ben, en mijn straffingH8433 isH1961 er alle morgensH1242.
Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.
KJV
For all the day4
long have I been plagued,2
and chastened5
every morning.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Indien ik zou zeggenH559: Ik zal ook alzo sprekenH5608; zietH2009, zo zou ik trouweloosH898 zijn aan het geslachtH1755 Uwer kinderenH1121.
Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
KJV
If I say,2
I will speak3
thus;4
behold, I should offend8
against the generation6
of thy children.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Nochtans heb ik gedachtH2803 om ditH2063 te mogen verstaanH3045; maar hetH1931 was moeiteH5999 in mijn ogenH5869;
Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
KJV
When I thought1
to know2
this, it was too painful4
for me;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
TotdatH5704 ik in GodsH410 heiligdommenH4720 ingingH935, en op hun eindeH319 merkteH995.
Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
KJV
Until I went2
into the sanctuary4
of God;5
then understood6
I their end.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Immers zetH7896 Gij hen op gladde plaatsenH2513; Gij doet hen vallenH5307 in verwoestingenH4876.
Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.
KJV
Surely thou didst set3
them in slippery places:2
thou castedst them down5
into destruction.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
HoeH349 worden zijH1961 als in een ogenblikH7281 tot verwoestingH8047, nemen een eindeH8552, worden te niet vanH4480 verschrikkingenH1091!
Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!
Ook in dit vers
nemen eindeH5486
KJV
How are they brought into desolation,3
as in a moment!4
they are utterly5
consumed6
with terrors.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Als een droomH2472 na het ontwakenH6974! Als Gij opwaaktH5782, o HeereH136, dan zult Gij hun beeldH6754 verachtenH959.
Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.
KJV
As a dream1
when one awaketh;2
so, O Lord,3
when thou awakest,4
thou shalt despise6
their image.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
AlsH3588 mijn hartH3824 opgezwollenH2556 was, en ik in mijn nierenH3629 geprikkeldH8150 werd,
Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
KJV
Thus my heart3
was grieved,2
and I was pricked5
in my reins.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Toen was ikH589 onvernuftigH1198, en wist nietsH3045; ik wasH1961 een groot beestH929 bijH5973 U.
Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
KJV
So foolish2
was I, and ignorant:4
I was as a beast
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
IkH589 zal dan geduriglijkH8548 bijH5973 U zijn; Gij hebt mijn rechterhandH3225 gevatH270;
Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;
KJV
Nevertheless I am continually2
with thee: thou hast holden4
me by my right6
hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Gij zult mij leidenH5148 door Uw raadH6098; en daarnaH310 zult Gij mij in heerlijkheidH3519 opnemenH3947.
Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
KJV
Thou shalt guide2
me with thy counsel,1
and afterward3
receive5
me to glory.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
WienH4310 heb ik nevens U in den hemelH8064? NevensH5973 U lustH2654 mij ook niets op de aardeH776!
Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!
KJV
Whom have I in heaven3
but thee? and there is none upon earth7
that I desire
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
BezwijktH3615 mijn vleesH7607 en mijn hartH3824, zo is GodH430 de RotssteenH6697 mijns hartenH3824, en mijn DeelH2506 in eeuwigheidH5769.
Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.
KJV
My flesh2
and my heart3
faileth:1
but God7
is the strength4
of my heart,5
and my portion6
for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
WantH3588 zietH2009, die verreH7369 van U zijn, zullen vergaanH6; Gij roeitH6789 uit, alH3605 wie van U afhoereertH2181.
Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.
KJV
For, lo, they that are far3
from thee shall perish:4
thou hast destroyed5
all them that go a whoring
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Maar mij aangaande, het is mij goedH2896 nabijH7132 GodH430 te wezen; ik zetH7896 mijn betrouwenH4268 op den HeereH136 HEEREH3069, om alH3605 Uw werkenH4399 te vertellenH5608.
Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.
KJV
But1
it is good5
for me to draw near2
to God:3
I have put6
my trust9
in the Lord7
GOD,8
that I may declare10
all thy works.
Asaf
Zie Ps. 50:1 .
Hertaald:
Asaf
Zie Ps. 50:1.
Immers
Of, evenwel, nochtans, zekerlijk. Met deze woorden breekt de profeet uit, nadat hij een zwaren inwendigen strijd en aanvechting, vanwege der goddelozen tijdelijk geluk, overwonnen had. Verg. Ps. 62:2 .
Hertaald:
Immers
Of: evenwel, toch, zeker. Met deze woorden breekt de profeet uit, nadat hij een zware innerlijke strijd en aanvechting over het tijdelijke geluk van de goddelozen overwonnen had. Vergelijk Ps. 62:2.
die rein
Dat is, den rechten Israëlieten, niet die zonder zonde zijn, [ Spr. 20:9 ] , maar die Hem met een oprecht geloof en ongeveinsde godzaligheid dienen. Zie Joh. 1:48 ; Hand. 15:9 ; Rom. 9:6 , Rom. 9:8 ; 1 Joh. 3:3 .
Hertaald:
die rein
Dat is: voor de ware Israëlieten; niet zij die zonder zonde zijn [Spr. 20:9], maar zij die Hem met een oprecht geloof en ongeveinsde godzaligheid dienen. Zie Joh. 1:48; Hand. 15:9; Rom. 9:6, Rom. 9:8; 1 Joh. 3:3.
mijn voeten
Anders, ik was bijna uitgeweken met mijne voeten.
Hertaald:
mijn voeten
Anders: ik was bijna met mijn voeten uitgegleden.
dwazen,
Zie van het Hebr. woord Ps. 5:6 .
Hertaald:
dwazen,
Zie over het Hebreeuwse woord Ps. 5:6.
vrede
Dat is, tijdelijk geluk en voorspoed.
Hertaald:
vrede
Dat is: tijdelijk geluk en voorspoed.
banden
Of, knopen; dat is, zij hebben gene kwellingen van krankten en lichamelijke zwakheden, waardoor de mens als gebonden en belet wordt in zijn handel en wandel. Sommigen houden het voor ene gelijkenis, genomen van de grove sterke draden, die in het weven effen en onverbroken aflopen, zodat men ze niet behoeft te knopen of te binden. Alzo loopt het leven van vele goddelozen effen door, zonder grote strubbeling, tegenstoot of hindernis.
Hertaald:
banden
Of: knopen; dat is: zij hebben geen kwellingen van ziekten en lichamelijke zwakheden, waardoor een mens als gebonden wordt en belemmerd in zijn doen en laten. Sommigen houden het voor een vergelijking, ontleend aan de grove, sterke draden die bij het weven gelijkmatig en zonder breuk doorlopen, zodat men ze niet hoeft te knopen of te binden. Zo loopt het leven van veel goddelozen glad door, zonder grote strubbeling, tegenslag of hindernis.
tot hun
Anders, in hunnen dood; dat is, zij sterven een zachten en gemakkelijken dood. Zie Job 21:13 .
Hertaald:
tot hun
Anders: in hun dood; dat is: zij sterven een zachte en gemakkelijke dood. Zie Job 21:13.
fris
Dat is, lustig, gezond zijn zij. [Zie Job 21:23-24 ] . Hebr. vet, gezond. Anders, hun portaal is sterk.
Hertaald:
fris
Dat is: zij zijn kras en gezond [zie Job 21:23-24]. Hebreeuws: vet, gezond. Anders: hun voorportaal is sterk.
mensen
Hebr. in de moeite des mensen, en zo terstond wederom. Hier worden twee woorden Enos en Adam [beide betekenende mens ] gebruikt, waarvan het eerste ziet op de sterflijkheid en ellendigheid, het andere op den oorsprong des lichaams van de aarde.
Hertaald:
mensen
Hebreeuws: in de moeite van de mens, en zo meteen weer. Hier worden twee woorden gebruikt, Enosch en Adam, die beide mens betekenen; het eerste ziet op de sterfelijkheid en ellendigheid, het andere op de oorsprong van het lichaam uit de aarde.
omringt
Voor deze woorden, omringt hen als een keten, is in het Hebreeuws een woord, betekenende zoveel alsof men zeide, ketent hen; dat is, is hun in plaats van een keten, omgehangen sieraad, gouden halsband. Of, zij zijn met hovaardij rondom behangen gelijk een keten rondom den hals gaat.
Hertaald:
omringt
Voor deze woorden, omringt hen als een keten, staat in het Hebreeuws één woord, dat zoveel betekent als: ketent hen; dat is: het dient hun als een keten, een omgehangen sieraad, een gouden halsband. Of: zij zijn rondom met hoogmoed behangen, zoals een keten rondom de hals gaat.
gewaad
Of, pronkkleed. Het Hebreeuwse woord wordt Spr. 7:10 , gebruikt van het kleed ener overspeelster, en schijnt de betekenis te hebben van een welzittend, welpassend, sierlijk kleed; alzo pronken de goddelozen met overlast en geweld, alsof zij hun sieraad en opschik waren. Zie het tegendeel Job 29:14 .
Hertaald:
gewaad
Of: pronkkleed. Het Hebreeuwse woord wordt in Spr. 7:10 gebruikt voor het kleed van een overspelige vrouw en lijkt de betekenis te hebben van een goed zittend, sierlijk kleed. Zo pronken de goddelozen met overlast en geweld, alsof dat hun sieraad en opschik was. Zie het tegendeel in Job 29:14.
puilen
Hebr. gaat uit; te weten, elk oog. Verg. Job 15:27 .
Hertaald:
puilen
Hebreeuws: gaat uit; namelijk elk oog. Vergelijk Job 15:27.
gaan de
Dat is, het gaat hun beter dan zij zichzelven hadden ingebeeld; of de inbeeldingen huns harten gaat voort, of zij bedrijven meer kwaad dan iemands hart zou kunnen bedenken. Verg. Jer. 5:28 .
Hertaald:
gaan de
Dat is: het gaat hun beter dan zij zich hadden voorgesteld; of: de inbeeldingen van hun hart gaan door; of: zij bedrijven meer kwaad dan iemands hart zou kunnen bedenken. Vergelijk Jer. 5:28.
mergelen
Of, doen [de mensen] uitteren, of smelten, door allerlei overlast en trots, gelijk de volgende woorden verklaren. Het Hebr. woord wordt alleen hier alzo gevonden en daarom verscheidenlijk overgezet.
Hertaald:
mergelen
Of: doen [de mensen] uitteren of wegsmelten, door allerlei overlast en trots, zoals de volgende woorden verklaren. Het Hebreeuwse woord komt in deze betekenis alleen hier voor en wordt daarom verschillend vertaald.
boselijk
Hebr. in, of, met het boze, of boosheid.
Hertaald:
boselijk
Hebreeuws: in, of met het boze, of met boosheid.
hoogte
Voerende overal [gelijk men zegt] het hoogste woord, willende van niemand tegengesproken zijn. Verg. Ps. 12:5 .
Hertaald:
hoogte
Terwijl zij overal het hoogste woord voeren, zoals men zegt, en door niemand tegengesproken willen worden. Vergelijk Ps. 12:5.
Zij zetten
Dat is, zij lasteren onbeschroomd zowel God en alle goddelijke zaken als de mensen. Verg. Openb. 13:6 , alzo wordt door den hemel God verstaan; Dan. 4:26 ; Luc. 15:18 .
Hertaald:
Zij zetten
Dat is: zij lasteren onbeschroomd zowel God en alle goddelijke zaken als de mensen. Vergelijk Openb. 13:6; zo wordt met de hemel God bedoeld, Dan. 4:26; Luk. 15:18.
zijn volk
Te weten, Gods, van welken in het eerste vers van dezen psalm en in het naastvolgende gesproken wordt. De zin is dat de vromen, overdenkende hun groot kruis en daarentegen der goddelozen voorspoed, met deze gedachten bestreden worden. Of ook God op de menselijke zaken acht zou nemen.
Hertaald:
zijn volk
Namelijk: van God, over Wie in het eerste vers van deze psalm en in het volgende gesproken wordt. De betekenis is dat de vromen, wanneer zij hun zware kruis overdenken tegenover de voorspoed van de goddelozen, bestreden worden met de gedachte of God wel op de menselijke zaken let.
bekers
Of, bekkens; dat is, lijden wordt hun in een volle en overvloeiende maat toegedeeld, alsof men water in een bekken of beker voor iemand uit iets, dat vol vochtigheid is, uitwrong of uitdrukte. Zie 2 Sam. 22:17 ; Ps. 11:6 . Of, men kan door de wateren hier verstaan tranen; uit vergelijking van Ps. 42:4 , en Ps. 80:6 ; alsof de profeet zeide: een beker vol tranen.
Hertaald:
bekers
Of: bekkens; dat is: het lijden wordt hun in volle en overvloeiende maat toegemeten, alsof men water in een bekken of beker voor iemand uitwringt uit iets dat vol vocht zit. Zie 2 Sam. 22:17; Ps. 11:6. Of men kan onder de wateren hier tranen verstaan, blijkens de vergelijking met Ps. 42:4 en Ps. 80:6, alsof de profeet zei: een beker vol tranen.
hebben
Heb [zij zijn] de gerusten, of vrede hebbenden der wereld, of der eeuw, of eeuwigheid; dat is, die den vrede, [verg. Joh. 14:27 ] of het geluk dezer wereld genieten, of hun levenlang in rust, gemak en weelde zitten en gans zorgeloos leven. Van zulk een gebruik des woords, [eeuwigheid] zie Deut. 15:17 , en verg. met deze klacht Jer. 12:1-2 .
Hertaald:
hebben
Hebreeuws: [zij zijn] de gerusten, of: die vrede hebben, van de wereld, of van de eeuw, of van de eeuwigheid; dat is: die de vrede [vergelijk Joh. 14:27] of het geluk van deze wereld genieten, of die hun leven lang in rust, gemak en weelde zitten en volstrekt zorgeloos leven. Over dit gebruik van het woord eeuwigheid, zie Deut. 15:17, en vergelijk deze klacht met Jer. 12:1-2.
vermogen
Dat is, rijkdom, gelijk Deut. 8:17-18 ; Ruth 2:1 ; 2 Kon. 5:1 .
Hertaald:
vermogen
Dat is: rijkdom, zoals Deut. 8:17-18; Ruth 2:1; 2 Kon. 5:1.
Immers
Woorden van den profeet in zijnen strijd.
Hertaald:
Immers
Woorden van de profeet in zijn strijd.
hart
Zie vs.1.
Hertaald:
hart
Zie vers 1.
handen
Zie Ps. 26:6 .
Hertaald:
handen
Zie Ps. 26:6.
alle morgen
Hebr. in de morgenstonden; dat is, alle morgen, of vroeg. Alzo Job 7:18 ; Ps. 101:8 ; Jes. 33:2 ; Klaagl. 3:23 .
Hertaald:
alle morgen
Hebreeuws: in de morgenstonden; dat is: elke morgen, of: vroeg. Zo ook Job 7:18; Ps. 101:8; Jes. 33:2; Klaagl. 3:23.
zeggen
Dit kan men nemen voor zeggen bij zichzelven; dat is, denken, gelijk elders dikwijls.
Hertaald:
zeggen
Dit kan men opvatten als zeggen bij zichzelf, dat is: denken, zoals elders vaak.
alzo
Dat is, ik zal deze plaag de overhand in mij laten nemen, mijn vlees bijvallen, en voortaan de vromen bij openlijke uitspraak verdoemen en de goddelozen prijzen.
Hertaald:
alzo
Dat is: ik zal deze plaag in mij de overhand laten krijgen, mijn vlees bijvallen en voortaan in het openbaar de vromen veroordelen en de goddelozen prijzen.
geslacht
Dat is, aan de ganse menigte der vromen, uw ganse kerk, ook genoemd het geslacht der rechtvaardigen, of het rechtvaardige geslacht; Ps. 14:5 . Hij wil zeggen dat hij de kerk Gods grotelijks zou verongelijken en zich grovelijk aan hen en God zelven vergrijpen, mits die om des kruises wil verdoemende. Van het Hebreeuwse woord, dat voor geslacht genomen wordt, zie Ps. 12:8 .
Hertaald:
geslacht
Dat is: aan de hele menigte van de vromen, Uw hele kerk, die ook het geslacht van de rechtvaardigen of het rechtvaardige geslacht genoemd wordt; Ps. 14:5. Hij wil zeggen dat hij Gods kerk groot onrecht zou aandoen en zich zwaar aan hen en aan God Zelf zou vergrijpen door hen om hun kruis te veroordelen. Over het Hebreeuwse woord dat met geslacht vertaald wordt, zie Ps. 12:8.
ogen
Dat is, deze zaak, van het kruis der vromen en het geluk der goddelozen, scheen mij te zwaar om te begrijpen, ik kon mij daarin niet onderrichten. Zie Job 18:3 .
Hertaald:
ogen
Dat is: deze zaak — het kruis van de vromen en het geluk van de goddelozen — leek mij te zwaar om te begrijpen; ik kon mij daarin niet terechtvinden. Zie Job 18:3.
heiligdommen
Versta, Gods woord en de plaats waar Gods volk bijeenkomt en zijn woord verhandeld, geleerd en onderzocht wordt.
Hertaald:
heiligdommen
Versta: Gods woord, en de plaats waar Gods volk samenkomt en Zijn woord behandeld, onderwezen en onderzocht wordt.
einde
Hebr. achterste, laatste, uiterste; dat is, hoe de goddelozen ten laatste varen zullen, gelijk Deut. 32:20 , Deut. 32:29 , enz.
Hertaald:
einde
Hebreeuws: achterste, laatste, uiterste; dat is: hoe het de goddelozen ten slotte zal vergaan, zoals Deut. 32:20, Deut. 32:29, enzovoort.
gladde
Eene gelijkenis, genomen van slibberige wegen, waarop men niet vast gaat en lichtelijk komt te vallen.
Hertaald:
gladde
Een vergelijking, ontleend aan gladde wegen, waarop men geen vaste voet heeft en gemakkelijk komt te vallen.
verwoestingen
Of, verstoringen. Eigenlijk die met groot gedruis en onstuimigheid overvallen.
Hertaald:
verwoestingen
Of: verstoringen; eigenlijk: die met groot gedruis en onstuimigheid overvallen.
droom
Dat is, al hun geluk, voorspoed, weelde en wellust verdwijnt in der haast, gelijk een droom wanneer men wakker wordt; zie Job 20:8-9 ; Jes. 29:7-8 .
Hertaald:
droom
Dat is: al hun geluk, voorspoed, weelde en genot verdwijnt in haast, zoals een droom wanneer men wakker wordt; zie Job 20:8-9; Jes. 29:7-8.
opwaakt,
Dat is, U gereedmaakt tot hunne straf, Gij die tevoren scheent te slapen en hunne boosheid niet te zien. Alzo Ps. 35:23 , enz. Anders, als Gij [hen] opwekt; te weten, ten jongsten dage.
Hertaald:
opwaakt,
Dat is: U maakt Zich gereed om hen te straffen, terwijl U eerst leek te slapen en hun boosheid niet te zien. Zo ook Ps. 35:23, enzovoort. Anders: wanneer U [hen] opwekt, namelijk op de jongste dag.
beeld
Dat is, al hun vergankelijk geluk, heerlijkheid en glans. Verg. Ps. 39:7 , en 1 Kor. 7:31 . Dit kan men wijders ook duiden op de eeuwige smaadheid der goddelozen, die zij lijden zullen na de opstanding uit de doden; zie Dan. 12:3 .
Hertaald:
beeld
Dat is: al hun vergankelijke geluk, heerlijkheid en glans. Vergelijk Ps. 39:7, en 1 Kor. 7:31. Men kan dit verder ook betrekken op de eeuwige smaad van de goddelozen, die zij na de opstanding uit de doden zullen lijden; zie Dan. 12:3.
opgezwollen
Of, opliep, als een zuurdeeg; waarvan het Hebr. woord eigenlijk gebruikt wordt. Dat is, als ik zo onrustig, verdrietig en toornig was over het geluk der goddelozen.
Hertaald:
opgezwollen
Of: oprees als een zuurdesem, waarvoor het Hebreeuwse woord eigenlijk gebruikt wordt. Dat is: toen ik zo onrustig, verdrietig en verbolgen was over het geluk van de goddelozen.
nieren
Dat is, heftiglijk bewogen werd, of mijne bewegingen zeer scherp waren. Zie Job 19:27 .
Hertaald:
nieren
Dat is: heftig bewogen werd, of: mijn aandoeningen zeer scherp waren. Zie Job 19:27.
onvernuftig
Als een overnuftig dier. Zie Ps. 49:11 .
Hertaald:
onvernuftig
Als een redeloos dier. Zie Ps. 49:11.
groot
Dat is, zeer beestelijk. Hebr. behemoth; dat is, beesten. Welk woord gebruikt wordt Job 40:10 , naar sommiger gevoelen, van den olifant. De zin is: Ik mocht met recht bij U gehouden worden zo onverstandig en beestelijk als de beesten zelf.
Hertaald:
groot
Dat is: zeer beestachtig. Hebreeuws: behemoth, dat is: beesten. Dat woord wordt in Job 40:10 gebruikt, naar de mening van sommigen voor de olifant. De betekenis is: ik mocht bij U met recht voor even onverstandig en beestachtig gehouden worden als de dieren zelf.
bij U
Dat is, mij aan U houden en mij in uw wijze en heilige regering geruststellen.
Hertaald:
bij U
Dat is: mij aan U vasthouden en mij gerust stellen in Uw wijze en heilige regering.
rechterhand
Dat is, mij in mijn onverstand en zwaren strijd bewaard en ondersteund, dat ik niet ben afgeweken. Zie boven, vs.2.
Hertaald:
rechterhand
Dat is: mij in mijn onverstand en zware strijd bewaard en ondersteund, zodat ik niet afgeweken ben. Zie hierboven vers 2.
raad
Dat is, door uw Heiligen Geest, mitsgaders uw vaderlijke voorzorg en regering.
Hertaald:
raad
Dat is: door Uw Heilige Geest, en ook door Uw vaderlijke zorg en regering.
heerlijkheid
Verg. deze manier van spreken met 1 Tim. 3:16 , en Hebr. 3:10 ; idem 1 Thess. 4:17 .
Hertaald:
heerlijkheid
Vergelijk deze manier van spreken met 1 Tim. 3:16, en Hebr. 3:10; en ook 1 Thess. 4:17.
Wien
Of, wie is er voor mij; te weten, benevens U; welke woorden, in het volgende lid gesteld, hiertoe ook behoren. Hij wil zeggen dat hij in den hemel niemand heeft, dien hij aanroept en op wien hij vertrouwt dan God.
Hertaald:
Wien
Of: wie is er voor mij, namelijk naast U? Die woorden, die in het volgende zinsdeel staan, horen hier ook bij. Hij wil zeggen dat hij in de hemel niemand heeft die hij aanroept en op wie hij vertrouwt dan God.
lust
Om daarin mijn genoegen te stellen, of mij daarop te vertrouwen. De profeet wil zeggen dat God zijn enig en opperste goed is, hetwelk hebbende, hij ten volle tevreden is.
Hertaald:
lust
Om daarin mijn genoegen te vinden, of om daarop te vertrouwen. De profeet wil zeggen dat God zijn enige en hoogste goed is; heeft hij Hem, dan is hij volkomen tevreden.
vlees
Dat is, lijf en ziel, gelijk Ps. 84:3 .
Hertaald:
vlees
Dat is: lichaam en ziel, zoals Ps. 84:3.
rotssteen
Dat is, op welken mijn hart vertrouwt, als mijn sterkte en toevlucht. Zie Deut. 32:4 .
Hertaald:
rotssteen
Dat is: op Wie mijn hart vertrouwt, als mijn sterkte en toevlucht. Zie Deut. 32:4.
deel
Verg. Ps. 15:5-6 .
Hertaald:
deel
Vergelijk Ps. 15:5-6.
verre
Die gene gemeenschap met U hebben, of zich ver van U houden.
Hertaald:
verre
Die geen gemeenschap met U hebben, of zich ver van U houden.
van U afhoereert
Dat is, geestelijke hoererij of overspel bedrijft, iets anders liever hebbende dan U. Zie Lev. 17:7 .
Hertaald:
van U afhoereert
Dat is: geestelijke hoererij of overspel bedrijft, doordat hij iets anders liever heeft dan U. Zie Lev. 17:7.
nabij
Hebr. naheid, of nadering Gods; dat is, tot God, gelijk Jes. 58:2 .
Hertaald:
nabij
Hebreeuws: nabijheid, of nadering van God; dat is: tot God, zoals Jes. 58:2. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De psalm begint met de slotsom en niet met de weg ernaartoe: "Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn" (Ps. 73:1). Maar meteen daarna komt de bekentenis: "Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten" (Ps. 73:2). De oorzaak wordt genoemd: "ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede" (Ps. 73:3). Wat volgt is een opsomming van hun voorspoed: geen banden tot hun dood toe, frisse kracht, niet in de moeite als andere mensen (Ps. 73:4-5). Zij spreken uit de hoogte en zetten hun mond tegen de hemel (Ps. 73:9). En dan komt de gedachte die de bodem raakt: "Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen" (Ps. 73:13). Bijbelse betekenis: Wat Asaf hier zegt, wordt zelden hardop gezegd: het lijkt of geloven niets oplevert. De Schrift laat die zin staan, en dat is een troost voor wie hem herkent. Merk op waar de aanvechting begon: bij het kijken (Ps. 73:3). Hij zag hun vrede, en van dat zien kwam de nijd. Let ook op Ps. 73:15. Hij heeft het niet uitgesproken, omdat hij anders trouweloos zou zijn aan Gods kinderen; er is dus verschil tussen wat een mens denkt en wat hij aan anderen doorgeeft. Dat is geen huichelarij maar zorg. En let op de plaats van Ps. 73:1. De slotsom staat vooraan, dus de lezer weet vanaf het begin dat deze weg goed afloopt. Typologie: Dezelfde vraag stond eerder in het Psalmboek en werd daar met geduld beantwoord (reeds behandeld bij Ps. 37:1). Jeremia legde haar rechtstreeks aan God voor: "waarom is der goddelozen weg voorspoedig?" (Jer. 12:1). Ps. 73:1-15; Ps. 37:1; Jer. 12:1 "Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen" (Ps. 73:16). Het denken bracht hem er dus niet. En dan volgt het ene woord waar de psalm om draait: "Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte" (Ps. 73:17). Wat hij daar zag, verandert het beeld volledig: "Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen" (Ps. 73:18). Hun voorspoed blijkt een gladde helling. "Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting" (Ps. 73:19), en: "Als een droom na het ontwaken!" (Ps. 73:20). Daarna kijkt hij terug op zichzelf: "Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U" (Ps. 73:22). Bijbelse betekenis: De omslag komt niet door nadenken maar door binnengaan. In het heiligdom veranderde niet de feiten maar het gezichtspunt: hij ging op hun einde letten in plaats van op hun heden. Merk op dat het antwoord dus niet een verklaring is maar een uitzicht. De vraag waarom het hun goed gaat, wordt niet beantwoord; wat beantwoord wordt, is waar het op uitloopt. Let ten slotte op hoe hij over zichzelf spreekt (Ps. 73:22). Hij noemt zich een beest bij God, en dat is geen zelfvernedering om de vorm maar de eerlijke uitkomst van wat hij gedacht had. Wie zo terugkijkt, is niet blijven steken in het gelijk van zijn aanvechting. Typologie: Paulus zegt hetzelfde over het gezichtspunt: wij zien niet aan de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet, want de zichtbare zijn tijdelijk en de onzichtbare eeuwig (2 Kor. 4:18). Ps. 73:16-22; 2 Kor. 4:18 "Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat" (Ps. 73:23). Niet hij houdt God vast, maar God hem. Dan volgt de weg door dit leven en daarna: "Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen" (Ps. 73:24). En dan de belijdenis die deze psalm beroemd maakte: "Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!" (Ps. 73:25). Het volgende vers rekent met het einde van de krachten: "Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid" (Ps. 73:26). En het slot is kort: "het is mij goed nabij God te wezen" (Ps. 73:28). Bijbelse betekenis: De vraag waarmee de psalm begon was wat het geloof oplevert. Het antwoord luidt hier niet: voorspoed, en ook niet: eerherstel, maar God zelf. Wie Hem heeft, heeft zijn deel, en dat deel blijft wanneer alles bezwijkt. Merk op wat er in Ps. 73:26 gezegd wordt. Er wordt niet ontkend dat vlees en hart bezwijken; er staat een voorwaarde die op iedereen eens van toepassing is. Let ook op de volgorde in Ps. 73:23-24. Eerst het vastgehouden worden, dan de leiding, dan het opnemen in heerlijkheid; het is één lijn van heden tot toekomst. En let op het slotvers. Wat aan het begin nijd was, is aan het einde nabijheid geworden. Typologie: Paulus zegt hetzelfde in andere woorden: hij acht alle dingen schade "om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere" (Fil. 3:8). Ps. 73:23-28; Fil. 3:8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Asaf begint met de belijdenis waar hij aan het einde weer uitkomt: immers is God Israël goed. Maar meteen daarna geeft hij toe hoe dicht hij bij de afgrond stond: mijn voeten waren bijna uitgeweken, mijn treden waren bijna uitgeschoten. Wat hem uit zijn wanhoop haalde was geen antwoord maar een plaats waar hij naartoe ging. De oorzaak van zijn wankelen noemt hij zonder verbloeming: ik was nijdig op de dwazen, als ik den vrede der goddelozen zag. Hij beschrijft hen met bijtende nauwkeurigheid — zij hebben geen banden tot den dood toe, hun kracht is fris, zij zijn niet in moeite als andere mensen, en zij zeggen: hoe zou God het weten? En dan zijn eigen gevolgtrekking, die van iemand die het opgeeft: immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd en mijn handen in onschuld gewassen. Elken dag ben ik geplaagd, en mijn kastijding is er alle morgens. Er staat ook waarom hij het niet uitsprak: indien ik zeide, ik zal ook alzo spreken — ziet, zo zou ik ontrouw zijn aan het geslacht Uwer kinderen. Hij hield het binnen omdat hij anderen niet wilde meeslepen. De omslag komt in één vers, en er staat geen argument in: totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. De kanttekening legt beide woorden uit. Met die heiligdommen bedoelt zij Gods woord, en de plaats waar Gods volk samenkomt en Zijn woord behandeld, onderwezen en onderzocht wordt. En het Hebreeuws voor hun einde geeft zij als: het achterste, laatste, uiterste — dat is hoe het de goddelozen ten slotte zal vergaan. Hij kreeg dus geen verklaring waarom het hun goed gaat. Hij ging naar de plaats waar het Woord opengaat, en zag verder dan het heden. Wat daarna volgt is geen triomf maar zelfkennis: toen ik in mijn hart verbitterd was, was ik een groot beest bij U. En dan de belijdenis die de psalm draagt: Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat. Het slot is een van de kortste samenvattingen van het geloof in de Schrift. Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde. De kanttekening zegt wat hij bedoelt: God is zijn enige en hoogste goed; heeft hij Hem, dan is hij volkomen tevreden. En dan: bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in eeuwigheid. In het Nieuwe Testament: Lukas 24:27-32; Johannes 5:39; Romeinen 15:4; Filippenzen 3:8 Hoever dit reikt: Niveau 3. De psalm noemt Christus niet en wordt in het Nieuwe Testament niet aangehaald. De lijn loopt over de zaak: dat de omslag komt waar het Woord opengaat, en dat God zelf het deel is dat blijft.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Toch zal ik steeds bij U zijn. Psalm 73:23 (Eng. vert. KJV) Ondanks al zijn dwaasheid en tekortkomingen die David zojuist aan God had beleden, bleef het toch… U zult mij leiden door Uw raad. Psalm 73:24 Misschien weet je nog dat Spurgeon werd geboren in een dorpje in Essex genaamd Kelvedon. Hij verbleef ook lange… Hoe onverstandig was ik toen, ik wist niets! Ik was een redeloos dier bij U. Niettemin zal ik voortdurend bij U zijn, U hebt mijn rechterhand gegrepen. U… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" U zult mij leiden door Uw raad, daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen. Psalm 73 vers 24 De Psalmist had… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Niettemin zal ik voortdurend bij U zijn. Psalm 73:23 Niettemin. Ondanks alle dwaasheid en onwetendheid, die Asaf zojuist aan God beleden… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" …hoe onverstandig was ik toen, ik wist niets. Ik was een redeloos dier bij U. Psalm 73:22 Denk eraan dat de… 25 Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde! 26 Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de… 15 Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen. 16 Nochtans heb ik gedacht om dit te… 2 Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten. 3 Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede. 4 Want er zijn… Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Psalm 73:24. Van dag tot dag en van jaar tot jaar heeft mijn geloof… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 73
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Totdat ik in Gods heiligdommen inging — 73:1-28
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Steeds bij God
De weg oversteken
De twee geesten
U zult mij leiden door Uw raad
Ondanks alle dwaasheid en onwetendheid denkt U altijd aan mij!
Ik was onverstandig, maar Hij was trouw!
Psalm 73:1, 25-28
Psalm 73:15-24
Psalm 73:2-14
Gij zult mij leiden door uw raad


Psalmen 73
Psalmen 73:1.KruisverwijzingenMattheüs 5:8→Lukas 12:32→Psalmen 84:11→Psalmen 50:1→Johannes 1:47→Psalmen 51:10→Titus 3:5→Psalmen 73:18→
— Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn.
Het móét zo zijn. Wat mijn zoon er ook over aanvoert, dit zet ik van tevoren als een zekerheid neer: “Immers is God Israël goed.” Hij kán niet onvriendelijk of ontrouw zijn tegenover Zijn eigen volk. Het kan onmogelijk waar zijn — hoe de dingen er ook uitzien — dat God een slechte God en een slechte Meester is voor Zijn eigen dienaren.
Psalmen 73:2.KruisverwijzingenPsalmen 94:18→1 Samuël 2:9→Psalmen 116:8→Psalmen 17:5→Psalmen 17:15→Psalmen 38:16→Job 12:5→1 Samuël 12:23→
— Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.
Wie nooit aan zijn staat getwijfeld heeft, zou er misschien wel eens te laat aan gaan twijfelen. Laten wij ons in volle zekerheid verheugen, maar laten wij ver blijven van vermetelheid; en die zekerheid die geen zelfonderzoek verdraagt, is vermetelheid — daar kunt u op rekenen. Wanneer iemand weigert zichzelf te onderzoeken en te toetsen, is er iets twijfelachtigs, zo niet verrots in zijn toestand. Dan is het tijd dat hij gaat zeggen: “Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.”
Psalmen 73:3.KruisverwijzingenJob 21:7→Jeremia 12:1→Psalmen 37:1→Psalmen 37:7→Spreuken 23:17→Jakobus 4:5→Spreuken 3:31→Spreuken 24:1→
— Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
Asaf en David hadden dat al eerder gezegd. En toch zegt hij: ik was een nog groter dwaas, dat ik afgunstig was op deze dwazen — toen ik de voorspoed van de goddelozen zag.
Hier werkt de psalmist het vraagstuk uit van de voorspoed van de goddeloze. De drieënzeventigste psalm en de zevenendertigste gaan beide over hetzelfde onderwerp. Dat is makkelijk te onthouden, want in beide gevallen worden dezelfde cijfers gebruikt, alleen omgedraaid: 73 en 37. De psalmist raakte in verwarring toen hij velen zag die geen vreze Gods voor hun ogen hadden en die altijd voorspoedig leken te zijn.
En toch, waarom verwonderen wij ons daarover? De stier die geslacht zal worden is de eerste die vetgemest wordt, en juist het dier dat ten ondergang bestemd is mag vaak gedijen. Zou u hen niet zoveel genoegen laten hebben als zij in dit leven maar kunnen hebben, want in het volgende zullen zij er geen hebben? Wij moeten hen hun kortdurende vreugden niet benijden.
Psalmen 73:4-5.KruisverwijzingenPsalmen 73:12→Job 21:9→Jeremia 12:1→Job 21:23→Lukas 16:22→Prediker 7:15→Psalmen 17:14→Prediker 2:16→
— Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris. Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.
Velen van hen houden hun leven lang een huichelachtige belijdenis op en sterven in een verdoving, zodat het gewetenn nooit ontwaakt; en zo gaan zij met schuld beladen uit de wereld, terwijl zij toch spreken over aangenomen zijn bij God. Hoe kan dat? Waar is de rechtvaardigheid daarvan?
Psalmen 73:6.KruisverwijzingenPsalmen 109:18→Richteren 8:26→Spreuken 1:9→Micha 2:1→Ezechiël 16:11→Daniël 4:30→Jakobus 5:4→Esther 5:9→
— Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.
Zoals koningen gouden ketenen dragen, zo is hun hoogmoed voor hen. Zij schamen zich er niet voor. Zij worden zo stoutmoedig in de zonde dat zij haar als een bovenkleed dragen.
Psalmen 73:7.KruisverwijzingenPsalmen 17:10→Job 15:27→Jeremia 5:28→Psalmen 119:70→Jesaja 3:9→1 Samuël 25:36→Psalmen 17:14→Ezechiël 16:49→
— Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.
Overdaad. Zij hoeven nooit te vragen waar de volgende maaltijd van komen moet; zij hebben meer dan zij nodig hebben.
Psalmen 73:8-9.KruisverwijzingenJudas 1:16→Openbaring 13:6→Psalmen 17:10→Spreuken 30:13→Psalmen 12:4→Psalmen 10:10→Jeremia 7:9→Psalmen 53:1→
— Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.
Zo’n grote mond, zulke lasterlijke woorden hebben zij, dat zij God zelf aanvallen. Er is niets te hoog om door hen naar beneden gehaald te worden, niets te zuiver om door hen belasterd te worden. En als een leeuw die zijn prooi zoekt, maken zij lange wandelingen in hun laster; niemand is voor hen veilig.
Psalmen 73:10-11.KruisverwijzingenPsalmen 75:8→Psalmen 10:11→Psalmen 44:21→Psalmen 73:9→Psalmen 94:7→Job 22:13→Ezechiël 8:12→Sefanja 1:12→
— Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt, Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
Gods treurende kinderen moeten uit de bittere beker drinken, terwijl deze hoogmoedigen van het vette van het land eten.
Psalmen 73:12-14.KruisverwijzingenPsalmen 26:6→Job 34:9→Psalmen 52:7→Job 21:15→Job 35:3→Psalmen 62:10→Lukas 16:19→Psalmen 17:14→
— Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen. Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen. Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.
Toen Asaf in deze ongelovige gemoedstoestand raakte, leek het inderdaad alsof al zijn zorg voor zijn goede naam en al zijn verlangen om God te dienen verspild waren; want de goddeloze had voorspoed, terwijl hij zelf gekastijd werd.
Het is een sterke beschrijving die hij van zijn toestand geeft: “Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben.” Niet een half uur, maar de hele dag door geplaagd, en huilend zodra hij uit bed was — elke morgen gekastijd. Hij lijkt er bijna spijt van te hebben dat hij een kind van God was, om zo ruw behandeld te worden. Hij wenste bijna — maar toch niet helemaal — dat hij het deel van de goddeloze kon nemen, zodat hij het net zo goed kon hebben als zij en net zo voorspoedig kon zijn in de wereld.
Psalmen 73:15.KruisverwijzingenRomeinen 14:15→Romeinen 14:21→Psalmen 24:6→Psalmen 22:30→Psalmen 14:5→Maleachi 2:8→Mattheüs 18:6→1 Petrus 2:9→
— Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
Dat was heel wijs van Asaf. Hij dacht het, maar hij sprak het niet uit. Sommige mensen zeggen: u kunt het er net zo goed uitgooien. Maar u kunt het er net zo goed inhouden — ja, veel beter. Sommigen hebben er een soort spreekwoord van gemaakt: als u het denkt, kunt u het net zo goed zeggen. Maar dat is niet zo. Slechte gedachten moeten nooit uitgesproken worden. Heeft iemand kwade gedachten maar spreekt hij ze niet uit, dan is het onheil niet zo groot als wanneer hij ze aan anderen bekend zou maken.
Hebt u het in uw eigen hart, dan zal het uzelf bedroeven; maar spreekt u het uit, dan bedroeft u anderen. Draagt u een zak, broeders, draag hem dan om uw eigen lendenen, maar draag hem niet als bovenkleed. Er is genoeg zak in de wereld zonder dat u die aan ieders gezicht vertoont.
Moet u vasten, denk dan aan het woord van uw Meester: “Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht; opdat het van de mensen niet gezien worde, als gij vast.” Dat gebod gaf Hij om farizeese vertoning te voorkomen; maar wij mogen het ook opvolgen om een andere reden, namelijk dat wij geen verdriet in de wereld verspreiden. Er is genoeg neerslachtigheid, genoeg moedeloosheid, genoeg hartenpijn, zonder dat wij er ook nog een woord aan toevoegen. Vertel uw ellende aan niemand, opdat u een ander er niet in meesleept — tenzij u iemand tegenkomt die sterk is en u helpen kan. Dan mag u uw droefheid vertellen om verlichting te krijgen; maar vertel het niet aan de kinderen.
Psalmen 73:16.KruisverwijzingenPrediker 8:17→Psalmen 39:6→Lukas 18:32→Psalmen 77:19→Spreuken 30:2→Johannes 16:18→Romeinen 11:33→Psalmen 36:6→
— Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
Te moeilijk om het vast te houden, en te moeilijk om het uit te spreken en anderen te bedroeven.
Psalmen 73:17.KruisverwijzingenPsalmen 77:13→Psalmen 27:4→Job 27:8→Lukas 16:22→Prediker 8:12→Psalmen 63:2→Lukas 12:20→Psalmen 119:130→
— Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
Asaf ging naar zijn God. Hij kwam bij Christus, die hij van verre zag, want de persoon van Jezus Christus is het heiligdom van God. Sommige mensen noemen deze gebouwen heiligdommen; daarvoor hebben zij geen enkele grond. God “woont niet in tempelen met handen gemaakt”. Onder het oude verbond mag Hij dat gedaan hebben, maar nu niet meer. Christus is het heiligdom van God; en wanneer wij bij Hem komen en in Hem gemeenschap met God krijgen, dan beginnen wij iets te leren.
Psalmen 73:18.KruisverwijzingenPsalmen 35:6→Jeremia 23:12→Psalmen 37:35→Psalmen 92:7→Psalmen 94:23→Psalmen 37:24→Deuteronomium 32:35→Psalmen 37:20→
— Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.
Daar staan zij, op een berg van ijs, schitterend en glinsterend, hoog boven, waar anderen hen zien en met verwondering naar hen opkijken. Maar o, hoe gevaarlijk is hun pad! Zij worden niet aan het uitglijden overgelaten: een hand werpt hen omver en slingert hen van de hoogten van hun voorspoed in de diepten van onuitsprekelijke jammer.
Psalmen 73:19-20.KruisverwijzingenPsalmen 78:65→Job 20:8→Openbaring 18:10→Job 20:23→Jesaja 47:11→1 Samuël 28:20→Job 18:11→Psalmen 58:9→
— Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen! Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.
Het is alsof God vandaag slaapt en deze beelden van voorspoed laat bestaan als in een droom; maar eerlang ontwaakt Hij. Zijn tijd van gericht komt, en waar zijn dan die voorspoedige mensen? Zij zijn heen. Het luchtkasteel is in dunne lucht opgelost en heeft geen wrakstuk achtergelaten. Het is er niet meer; het is voorbij.
Psalmen 73:21.KruisverwijzingenKlaagliederen 3:13→Psalmen 37:7→Job 16:13→Psalmen 37:1→Psalmen 73:3→
— Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
Ik voelde een pijn in mijn hart. Ik voelde heel mijn wezen misgaan, alsof er stenen in mijn nieren zaten die mij de diepst mogelijke ellende bezorgden.
Psalmen 73:22.KruisverwijzingenPrediker 3:18→Psalmen 92:6→Psalmen 49:10→Psalmen 69:5→Job 18:3→Psalmen 32:9→Spreuken 30:2→Jesaja 1:3→
— Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
Ik zag niet verder dan een gans. Als een dier dat niet in de toekomst kan kijken, beoordeelde ik deze mensen naar vandaag — naar de weiden waarin zij graasden en het vet dat zij daar bijeengaarden.
Een man van God spreekt zo over zichzelf. Hij voelt dat hij handelde en dacht zoals een dier zou doen; want een dier rekent alleen naar het heden: het knabbelt het gras af, is verzadigd en gaat liggen. Maar een onsterfelijk mens behoort een wijder bereik in zijn gedachten te hebben en niet alleen aan vandaag en aan dit tegenwoordige leven te denken, maar aan het einde van de tijd en aan de eeuwigheid die daarachter ligt. En omdat hij dat niet gedaan had, noemt hij zichzelf onvernuftig en onwetend.
Psalmen 73:23.KruisverwijzingenJesaja 41:13→Psalmen 63:8→Psalmen 16:8→Psalmen 23:4→Psalmen 139:1→Jesaja 41:10→Psalmen 37:17→Hebreeën 13:5→
— Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;
Wat een vreemd mengsel is een mens! En een godvruchtig mens is het vreemdste samenraapsel van al. Hij is een dier, en toch bestendig bij God. Bekijk hem van de ene kant: hij is onwetend. Bekijk hem van de andere: hij heeft een zalving van de Heilige en hij weet alle dingen. Bekijk hem uit de ene windstreek: hij is naakt en arm en ellendig. Bekijk hem uit de andere: en zie, hij is volkomen in Christus en “begenadigd in den Geliefde”. Wie niet weet dat elk waar mens twee mensen is, kent de mens niet.
Psalmen 73:24.KruisverwijzingenPsalmen 32:8→Jesaja 58:11→Psalmen 49:15→Psalmen 48:14→Johannes 17:5→Spreuken 3:5→Psalmen 16:7→Jesaja 58:8→
— Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
Ik, de dwaas die dwazen benijdde — en toch: “Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.”
Ten slotte vindt hij al zijn troost in zijn God. Hij komt tot de slotsom dat, wat het deel van de goddeloze ook mag zijn, het zijne oneindig beter is — want zij hebben God niet en hij heeft God, die alles in allen is.
Psalmen 73:25.KruisverwijzingenFilippenzen 3:8→Psalmen 63:3→Mattheüs 5:8→Psalmen 16:2→Psalmen 17:15→Psalmen 16:5→Psalmen 16:11→Openbaring 21:3→
— Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!
Nu is hij uit de verzoeking. Hij gaat geen voorspoed meer zoeken om met de goddeloze in rijkdom te wedijveren. Nee! Hij ziet dat hij, nu hij God heeft, alles heeft wat hij nodig heeft. Al zou hij de hele dag geplaagd worden en elke morgen gekastijd, zijn deel in God is hem volkomen genoeg. Hij zal niet meer morren.
Psalmen 73:26.KruisverwijzingenPsalmen 18:2→Psalmen 84:2→Psalmen 16:5→Jesaja 40:29→Psalmen 40:12→2 Timotheüs 4:6→2 Korinthe 4:8→Psalmen 142:5→
— Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.
Ik zie wat een arm ding ik ben. Ik liet mijn vlees en mijn hart de baas over mij worden, en zo raakte ik in deze val.
Psalmen 73:26-27.KruisverwijzingenPsalmen 119:155→Psalmen 18:2→Psalmen 84:2→Exodus 34:15→Numeri 15:39→Psalmen 16:5→Jesaja 40:29→Psalmen 40:12→
— Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid. Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.
Een sterk woord, maar niet te sterk; want elk hart dat zijn verlustiging buiíten God zoekt, is een onkuis hart. Het is van de ware zuiverheid afgeweken, al was het maar voor een ogenblik, door zijn liefde over het schepsel uit te gieten.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm van Asaf, den zangmeester van David, even als reeds Psalm 50, van gelijken inhoud als de David’s-Psalm 37, hoewel niet uit David’s maar uit Salomo’s tijd, wat den inhoud betreft in nauw verband met is. 49 (1 Koningen 10: 29 ). Hoe schoon is de Psalm! Met ene korte spreuk begint hij, het resultaat van vele beschouwingen, waarmee hij ook eindigt. Snel en ongemerkt komt hij op zijn levenstoestand; hij schildert, in welk opzicht hij dwaalde; en als bij deze schilderij in het volle licht gesteld heeft, keert het gezang. Hij wordt in den raad der lotgevallen ingeleid, en komt zich zelven in zijn vroeger oordelen als een dier voor. Nieuwe beloften aan God, nog steeds overeenkomstig, het eerste beeld van ‘t wankelen, verheffen zich in het warmere gevoel, totdat weer een korte spreuk dien sluit. Een schone leerrijke Psalm, wat inhoud en vorm aangaat!.
I. Vs. 1-14.KruisverwijzingenJob 21:7→Mattheüs 5:8→Psalmen 94:18→Jeremia 12:1→Psalmen 37:1→Psalmen 109:18→Judas 1:16→Lukas 12:32→
— Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn. Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten. Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede. Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris. Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd. Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad. Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven. Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde. Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,
Nadat Asaf de waarheid, die zo even in zijn hart levend geworden is, en die hij ook in het hart der gemeente wil levend maken, in ene korte kernachtige zinsnede aan het hoofd geplaatst heeft (vs. 1), spreekt hij nader over de ervaring van het dagelijkse leven, die hem aan deze waarheid deed twijfelen (vs. 2); hij beschrijft vervolgens op schilderachtige wijze den hogen en ongestoorden voorspoed der goddelozen, waarom zij ook zo groten aanhang vinden bij de grote menigte, die zich door uiterlijke schijn laat verblinden. Daarentegen moet de vrome en rechtvaardige klagen, dat hij als te vergeefs God vreest en Hem dient, ja, dat hij in plaats van geluk en welvaart slechts dagelijkse plagen en iedere morgen nieuwe kastijding tot Zijn deel verkrijgt (vs. 3-14). Immers (Ja waarlijk) is God Israël, Zijn verbondsvolk goed 1), ondanks alles, wat in de gebeurtenissen en toestanden dezer wereld het tegendeel schijnt te bewijzen, alsof de Zijnen werden vergeten en verwaarloosd. Hij is goed degenen, die rein van harte zijn 2) en alzo tot de ware gemeente Gods behoren, jegens dezen alleen toch kan de Heere Zich in Zijne goedheid en liefde openbaren (Psalm 24: 3 vv.), deze hebben ook alleen verlichte ogen des verstands, om achter den bedrieglijken schijn de werkelijkheid te zien (MATTHEUS. 5: 8).
In dit eerste vers geeft de dichter dadelijk aan de slotsom, waartoe hij gekomen is, na pijnlijke ervaringen en tegelijk na heerlijke ondervindingen. Zoals uit het vervolg van den Psalm blijkt, had hij in zijn harte gedachten gehad van opstand tegen het Voorzienig Bestuur Gods. Hij had gemeend, dat God niet het kwade strafte en niet het goede beloonde. Maar God had hem van alles afgebracht, door hem in Zijn heiligdom te doen ingaan, en nu had Asaf het leren inzien, dat hij het glad mis had en de Goddelijke wegen ten allen tijde wegen zijn van diepe wijsheid, maar ook van onkreukbare trouw. En nu met dit goed roemt hij den vollen luister van Gods deugden. In dit goed vat hij de volzaligheid van Gods genaderijke openbaring zamen.
De Lutherse overzetting is: “Israël heeft toch God tot een troost, wie slechts rein van harte is.” Hierbij merkt Taube aan: “Zeer meesterlijk heeft de dierbare Luther dit vers overgezet, hoewel de letterlijke vertaling is: “Immers is God Israël goed, degenen, die rein van harte zijn.” Het komt op hetzelfde neer. Dit moet aan het hoofd van den Psalm als een zegevaandel van het doorgedrongen geloof aan de altijd goede en volkomen regering God met vrolijkheid erkend worden. De wijze van beginnen, dat de zanger met het einde het begin maakt, veronderstelt iets, ja veel-juist dien zwaren inwendigen zielenstrijd, waarin het geloof door den schijn van het geluk der goddelozen en van het ongeluk der rechtvaardigen in de engte wordt gedreven en bijna schipbreuk leed. Toch (immers) is het eerste bazuin geluid der geloofsoverwinning, het eerste morgenrood na een langen middernacht. O, hoe rechtvaardigt dat woordje de wijsheid Gods aan hare kinderen. De kinderen Gods hebben altijd hun: “toch.” Zo roept de grote kruisdrager Job (Job 13: 15): “al wilde de Heere mij doden, toch wil ik op Hem hopen.” Zo triomfeert Psalm 46: “Al verging de wereld en verzonken de bergen in de zee-toch zullen de beekjes der rivier de stad Gods verblijden.” Zij hebben ook in gelijke bedoeling op den laatsten triomf en de heerlijkheid, die zeker komt, hun “maar”, terwijl de wereld slechts een boos “maar” kent achter alle dingen. Zo noemt David (Ps 27: 10; 30: 6): “Mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij aannemen. Des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.” En de Kananése vrouw spreekt beide uit, wanneer zij de ware geloofs-proef zegenrijk besluit met het woord (MATTHEUS. 15: 27): Ja Heere! doch de hondjes eten toch ook van de kruimels, die van de tafel hunner heren vallen.”.
Maar mij aangaande 1), mijne voeten waren bijna uitgeweken, tengevolge van hetgeen ik zag; mijne treden waren bijkans uitgeschoten, zodat ik twijfelde aan de boven uitgesprokene waarheid.
Dit mij aangaande is tegenstelling van Israël’s God in het vorige vers. Tegenover de goedheid Gods stelt hij nu zijn eigen dwaasheid en schuld en vermeldt hij zijne zondige gestalte. Hij vergelijkt zich verder in dit vers bij een reiziger, die op een stellen en smallen bergweg wandelt en nu bijkans gestort was in den afgrond, die aan zijne voeten hem tegen gaapte. Hij had gevaar gelopen, om in een ijzingwekkende diepte neer te storten, waar het ongeloof aan Gods rechtvaardigheid en trouw hem had overheerst.
a) Want ik was nijdig op de dwazen 1), die hoogmoedigen, die zich boven elke ordening van God verzetten (Psalm 5: 6),ziende der goddelozen vrede, der goddelozen voorspoed.
Job 21: 7 vv. Psalm 37: 1. Jer. 12: 1 en 2.
De dichter noemt hier de goddelozen dwazen. De godvrezenden heeft hij reinen genoemd, gereinigd van harte, maar de goddelozen noemt hij dwazen, hoewel zij dikwijls wijs zijn in eigen ogen. Waarom? Omdat zij alles zoeken in het heden en niet bekommerd zijn om de toekomst. Alleen voor het tijdelijke hebben zij oren en om het eeuwige bekommeren zij zich niet. Zij dienen zich zelve en niet God, zijn bekommerd om eigen eer en niet om de ere Gods. Zij vergeten dus het hoogste, waarop alles aankomt en daarom zijn zij innerlijk dwaas.
Want er zijn gene banden tot hunnen dood toe, zij kennen gene doodsgevaren; zij behoeven er niet aan te denken, dat zij vroeg zouden sterven, zoals men naar de vele bedreigingen Gods tegen de goddelozen zou denken (Psalm 11: 6), en hun kracht is fris, hun lichaam is gezond en doorziende.
Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, die zoveel ellende moeten ondergaan, en worden met of als andere mensen 1) niet geplaagd, zodat zij ene uitzondering schijnen te zijn op den regel dat de mens een strijd op aarde heeft.
In dit vers wordt twee malen van mensen gesproken, maar beide malen in den grondtekst een ander woord gebruikt. Het eerste woord duidt aan den zwakken toestand van het mensdom, het tweede geeft aan, zijn herkomst uit de aarde. Kennelijk is het de bedoeling des dichters, om hier op de grote tegenstelling te doen letten, dat, hoewel ook zij zwakke schepselen, handen vol stof zijn, zij toch zich aanstellen, alsof zij de eeuwigheid zouden verduren. Wel is Asaf hier op dit ogenblik diep verblind, waar hij bij de goddelozen alleen ziet op de lichtzijde en voor de diep donkere zijde geen ogen heeft.
Daarom omringt hen de hovaardij als ene keten 1), als een halssieraad; het geweld, het onrecht bedekt hen als een gewaad; zij stellen er hun eer in, evenals de hovaardige trots is op zijn kleed, dat zij zo vele daden van geweld pleegden (Genesis 4: 23).
De hoogmoed slingert zich om hun nek als een halssieraad. Men weet, dat bij de dichters vooral de hals de zetel is der hoogmoed. Vandaar dat Asaf hier hen schildert als zeer hoogmoedige mensen, die niet bij tijden hun hoogmoed openbaren, maar bij wie de doorgaande gestalte ene hoogmoedige is. Vandaar ook, dat in het tweede lid van geweld en heerszucht gesproken wordt, dewijl hoogmoed en geweld bijna altijd met elkaar gepaard gaan.
Hun ogen puilen uit van vet, in het welgevoede aangezicht openbaart zich de vleselijke gezindheid (Job 15: 27); Zij gaan de inbeeldingen des harten te boven 1).
Of beter: “de inbeeldingen des harten treden naar buiten; ” hun inbeeldingen openbaren zij.
Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; openlijk en misdadig spreken zij hun besluit uit, dat op verdrukking van anderen doelt; Zij spreken uit de hoogte, op welke zij zich boven alle anderen verheven wanen.
Zij zetten hunnen mond tegen of aan den hemel, zodat zelfs deze door hun schendende woorden niet onaangeroerd blijft; het hoogste en heiligste wordt door hen gelasterd, en hun tong wandelt, gaat over op de aarde 1), doortrekt als het ware de aarde, overal het bestaande omverwerpende en nieuwe wetten gevende.
Die hemeltergende hoogheid, die snode geweldenarij der goddelozen kan Asaf met het bestaan van een rechtvaardig Godsbestuur niet rijmen; het is voor hem niet enkel een onverklaarbaar vraagstuk voor zijn denkend verstand, maar ook een ergerlijke ongerijmdheid voor zijn hart, voor zijn innerlijk leven, dat er door in twijfel en verzet tegen den Heere, zijn God gebracht wordt.
Daarom keert zich Zijn volk 1), (degenen die te voren voor gelovigen gehouden werden) hiertoe, tot ditzelfde goddeloze bestaan, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt, omdat hun op dien weg voorspoed en overvloed wachten.
Ik voor mij meen, dat dit vers samenhangt met het boven aangehaalde, zodat de zin is, dat velen, die onder Gods volk verkeren, door die beproeving worden vervoerd en zelfs in de schipbreuk worden meegevoerd. Want over de uitverkorenen schijnt hier niet gesproken te worden, maar slechts die gemaskerde Israëlieten aangeduid, die een plaats in de Kerk innamen. Van dezen zegt hij, dat zij tot verderf worden gebracht, dewijl zij door den valsen schijn bedrogen, God en de Godsvrucht vaarwel zeggen. Evenwel ook zou het gemakkelijk tot de uitverkorenen kunnen teruggebracht worden, waarom zeer velen door die beproeving zo hevig in verwarring worden gebracht, dat zij zich keerden tot onbillijke dwalingen. Niet omdat zij zich tot de misdaden voegden, maar dewijl zij niet bleven staan op de trap van hun geloof. De zin zal dan zijn, dat niet slechts het goddeloos gemeen, maar zelfs de gelovigen, wie het voorbeschikt was God te dienen, vervoerd werden tot ongeoorloofde naijver.
Zodat zij, die afvalligen, die zich hun tot knechten geven, Gods voorzienigheid loochenen en zeggen: Hoe zou het God weten, en zou ervan hetgeen op aarde voorvalt wetenschap zijn bij den Allerhoogste (Job 22: 13 vv.)? “Zulke sterke geesten” (Jes. 46: 12), merkt hierbij Delitzsch aan, “met een servûm imitatorum pecus (een kudde van slaafse navolgers, zoals Horatius zegt) waren er reeds in David’s tijd (Psalm 10: 4; 14: 1; 36: 2); een nog veel gunstiger bodem voor deze spotters (Jes 28: 14. Spreuken 29: 8) was de wereld-gelijkvormige tijd van Salomo.” En wat onzen tegenwoordigen tijd aangaat, zo voegen wij er bij: zo is zijn gelaat zo goed getroffen, alsof hij voor den Psalmist gezeten had ten behoeve van het beeld, dat hij hier ontwerpt.
Ziet, deze mensen, wie het zo welgaat, zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld, zonder dat iets hun rust stoort, zij vermenigvuldigen het vermogen, zij komen tot steeds groteren rijkdom en hogere eer.
Ziet, deze mensen, wie het zo welgaat, zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld, zonder dat iets hun rust stoort, zij vermenigvuldigen het vermogen, zij komen tot steeds groteren rijkdom en hogere eer.
Immers heb ik, zo moet ik denken als ik mijn lot met dat van hen vergelijk, te vergeefs mijn hart gezuiverd, te vergeefs gestreden en geworsteld tegen elke zondige gedachte, en mijne handen in onschuld gewassen (Psalm 26: 6)? De ware wijze van heiligmaking bestaat in het zoeken om beide ziel en lichaam van alle besmetting te zuiveren, of, gelijk het hier wordt uitgedrukt, in het reinigen van hart en handen. Het hart is gereinigd door het bloed van Christus, dat door het geloof is aangenomen; en door de eerste werkingen van des Heren Geest, openbaar geworden in het besluit des harten, het voornemen en de begeerten der heiligheid, zijn de handen gereinigd tot een reinen handel en wandel. Het is niet te vergeefs God te dienen en Zijne geboden te houden, hoe dit ook schijne, wanneer de reinen van harten, die gezegenden, God zullen zien (MATTHEUS. 5: 8), zullen zij niet zeggen te vergeefs hart en handen gezuiverd te hebben.
Asaf is een der meest bevoorrechten onder de kinderen Gods. Hij wordt een ziener genoemd, maar hij heeft ook zijn tijden, dat hij blind is voor de wegen Gods en voor Zijne werken. En daarom heeft hij op dit ogenblik geen oog voor Gods wijze wegen, en kan hij het niet verklaren, dat zijn God geen onderscheid maakt tussen goed en kwaad. Zo zeer glijden zelfs zijne voeten uit, dat hij gaat twijfelen aan het Gods welgevallige van alle godsvrucht. En toch is er een groot onderscheid tussen de meer afgevallenen en hem. Dit spreekt hij in vs. 15 uit.
Is die gedachte onverklaarbaar, dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, alsof ik moest lijden wat den goddeloze toekomt, en mijne straffing, allerlei lijden (Psalm 39: 12) is er alle morgens, zodat het mij dadelijk geheel inneemt, zo dikwijls ik mij van mijn leger ophef en enen nieuwen dag begint (Job 7: 18). 15.
II. Vs. 15-28.KruisverwijzingenJesaja 41:13→Psalmen 35:6→Psalmen 32:8→Prediker 8:17→Psalmen 78:65→Job 20:8→Psalmen 63:8→Psalmen 77:13→
— Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen. Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen; Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen. Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen! Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten. Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd, Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U. Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
Asaf weet, dat wanneer hij zich aan die mismoedigheid en aan dien twijfel, die in zijn hart waren opgewekt, had willen overgeven, hij daarmee trouweloos zou gehandeld hebben jegens het geslacht der kinderen Gods. Hij weet ook, hij door eigen nadenken en peinzen dat raadsel van Gods wereld-regering niet kan oplossen. Daarom is hij in Gods heiligdom gegaan, heeft hij uitkomst gezocht bij Hem, die alleen de raadselen des levens kan oplossen, en heeft hij daar op het einde der goddelozen gelet (vs. 14-17). Zij staan, dat is hem nu duidelijk geworden, met al hun geluk en al hunnen voorspoed slechts op een glibberigen bodem; hun val en ondergang kan niet uitblijven en het beeld van hun heerlijkheid zal ten laatste blijken een droom- en schaduwbeeld geweest te zijn; daarentegen zal de rechtvaardige, die voor een dwaas gehouden wordt, en als een dier moet Zijn voor God, in hoeverre hij zich aan God vasthoudt, ten laatste tot heerlijkheid komen, wanneer het goddelijk raadsbesluit ten zijnen opzichte volbracht is (vs. 18-24). Nu is des zangers besluit genomen; op nieuw, zo levendig als misschien nooit te voren, is hij er zich van bewust geworden wat hij aan zijnen God heeft en met ene kracht, die elke andere liefde verteert, flikkert in zijn hart de vlam der liefde tot God op (vs. 25-28).
Indien ik bij dien twijfel ware blijven staan en ik zou zeggen, mede verleid om den weg der goddelozen op te gaan: ik zal ook alzo spreken als zij: Hoe zou God het weten en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste (vs. 11), ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen, zo zou ik mij grotelijks bezondigen tegen de kerk van God. Ik heb het door Gods Geest in mij erkend, dat dergelijke gedachten dwaasheid en zonde waren.
Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan, ik heb er overgepeinsd, hoe die strijd tussen Gods rechtvaardigheid en der goddelozen voorspoed zou kunnen opgelost worden; maar het was moeite in mijne ogen 1), het was mij niet mogelijk het door menselijke wetenschap en redenering te verklaren (Prediker 8: 17).
Asaf spreekt het hier uit, hoe het de grootste dwaasheid is met het verstand de oplossing te willen vinden tussen de rechtvaardigheid Gods aan de ene zijde en den voorspoed der goddelozen aan de andere zijde. Waar hij dit wilde, berokkende hij zich een grote moeite, want hoe hij het ook wendde of keerde, het bleef moeite in zijn ogen het kwam hem zo ongerijmd voor, dat hij aan de diepste onrust ten prooi bleef. De dichter deelt niet mee, hoelang die tweestrijd duurde, wel dat hij er van afgebracht werd door God zelven, van dien strijd verlost werd, toen hij in Gods heiligdommen weer inging.
Ik kwam tot gene rust, voordat ik mij uit het gewoel der wereld tot de ware stilte begaf, waar licht en kracht van boven nederdaalt, totdat ik in Gods heiligdommen inging 1), om daar te verkrijgen hetgeen het natuurlijk verstand mij niet kon geven, en daar met door Gods Geest verheldert oog op hun einde 2), het einde der goddelozen, nog hier in deze wereld merkte.
Ingaan in het heiligdom, zegt hij voor te naderen tot de school Gods, alsof hij wil zeggen: totdat God voor mij een leermeester werd, en ik uit Zijn Woord leerde, wat mijn verstand anders niet kon vatten, wat mij ontbrak omtrent het overwegen van het bestuur der wereld. Wanneer wij derhalve horen, dat mensen, indien zij geen andere wijsheid hebben dan uit zich zelve, niet geschikt zijn, om een oordeel te vellen omtrent de Voorzienigheid Gods, hoe zullen wij dan wijsheid hebben, indien wij niet gehoorzaam omhelzen, wat God zowel door Zijn Woord als Geest ons leert.
Er zijn tekenen, die van nabij gezien, niets dan verwarde trekken en ene mengeling van achteloos daarheen geworpene kladden aan het oog vertonen. Beschouw ze uit een aangewezen oogpunt, leg ze voor een gegeven spiegel, de verstrooide lijnen verzamelen zich tot schone evenredigheden, tot bevallige beelden, tot bezielde gedaanten; de bonte vlekken lossen zich op in ene geregelde verdeling van licht en bruin; alles is harmonie, betekenis, leven; er is geen twijfel of hier is het werk van een meester, die naar een opgemaakt plan en vaste regels gearbeid heeft; de berisper wordt bewonderaar. Zulk ene toekenning is de Godsregering en het hoge standpunt waaruit zij in hare volkomenheid en schoonheid gezien zal worden, de voleinding der wereld; maar Gods openbaring is de spiegel, waarin zich reeds hier in den tijd voor het oog des geloofs iets van hare verborgene orde laat bespeuren.
In Gods heiligdom lag de wet. En daarom waar voor Asafs geestesoog de geheimen van Gods Wet, d.i. van Gods Woord werden ontsluierd, waar hem werd ontdekt, dat zegen en vloek niet alleen zich tot deze aarde, maar ook tot het hiernamaals zich uitstrekken, waar hij een oog kreeg in de wijsheid Gods en in de stipte rechtvaardigheid Gods, daar leerde hij zich zelven een dwaas noemen, ja, verfoeide hij zich, en leerde zich volkomen overgeven aan den raad des Allerhoogsten. Bij het licht des Geestes zag hij door het Woord de dingen in het ware licht, werden hem de raadselen, die hem zo vermoeid hadden, ontsluierd.
Bij het zien op het einde blijkt duidelijk, dat het geluk der goddelozen slechts schijn is en een droombeeld, dat voor de vreselijke werkelijkheid verdwijnt, wanneer God ten onrechte opstaat; dat het dus in den hoogsten graad dwaas en onverstandig is, zich door dat schijngeluk te laten verblinden, dat het er integendeel op aan komt, God als het ware en eeuwige goed te erkennen, te zoeken, vast te houden en te verkondigen. Want wie zijn leven aan den persoon van den eeuwig Levende verbonden heeft, kan niet omkomen, maar slechts van trap tot trap tot het deelgenootschap aan de heerlijkheid Gods verhoogd worden.
In het ter harte nemen van de heerlijke daden, wegen en bedoelingen Gods, van de uitzichten Zijner kerk vindt de gelovige troost en licht bij alle bekommernissen en aanvechtingen.
Wie het geluk der goddelozen benijdt heeft nog het rechte oog op God niet.
Immers, dit is het wat mij duidelijk geworden is en wat op eens hun tegenwoordige welvaart in een geheel ander licht dan in dat van een benijdenswaardig geluk (vs. 3 vv.) voorstelt-immers zet Gij hen door zulk een voorspoed niet op een bodem, die nooit onder hun voeten zal verbroken worden, maar integendeel op niets anders dan op gladde plaatsen; waar het uitglijden na korteren of langeren tijd zeker komt (Psalm 35: 6); Gij doet hen ook allen zeker vallen in verwoestingen, zodat zij als puinhopen in elkaar vallen, hoe trots het gebouw van hun geluk ook te voren mocht geweest zijn.
Hoe worden zij, wanneer men slechts geduld heeft om Gods tijd en uur met hen af te wachten, als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen, ten gevolge van allerlei ontzettende ondervindingen, die hunnen val vergezellen (vs. 19).
Als een droom na het ontwaken dadelijk als zodanig erkend wordt als een droom en gene werkelijkheid, als een beeld der fantasie, zo maakt Gij hun geluk. Als Gij opwaakt, o Heere! als Gij opstaat ten gerichte, dan zult Gij hun beeld verachten, en spotten met dien droom van geluk (Job. 20: 8). Men beweert hiertegen, dat het tegen alle ervaring is, dat het den boze niet tot aan zijn einde zou welgaan; maar de ervaring toont slechts dat er uitzonderingen op den regel zijn. Lactantius (een christelijk schrijver in het begin der 4e eeuw) “van den dood der vervolgers,” Leo’s geschiedenis der Franse revolutie, het leven van den dichter Burger (1794) niet minder dan dat van keizer Napoleon I (en III) leveren daarvoor merkwaardige bewijzen. De uitzonderingen zijn mede daartoe bestemd, om hen, die niet in het heiligdom van God gegaan zijn, in dwaling te brengen. Ook de vergelding aan deze zijde des grafs moet naar Gods bedoeling steeds voorwerp des geloof blijven; ook hier verbergt zich God, opdat Hij slechts door zoekenden gevonden worde. Dat dit ook door goedgezinden thans zo weinig geschiedt, dat ook zij zozeer geneigd zijn Gods gerechtigheid in dit leven als ene slapende te beschouwen, is een treurig teken van het verval der kerk, van den verlammenden invloed van het ongeloof; in de tijden van den bloei der kerk is het oog open voor de tremenda judicia Der (Gods ontzettende gerichten), welker erkentenis de wortel van de levende hoop op ene vergelding van gindse zijde des grafs vormt.
Nu erken ik hoe dwaas ik geweest ben. Als mijn hart opgezwollen was van spijt, en ik in mijne nieren geprikkeld werd, ik, omdat het den goddelozen een tijd lang welging en den rechtvaardigen kwalijk, in opstand was tegen God;
Toen was ik onvernuftig, een dwaas en wist niets, ik was zonder enige geestelijke kennis; ik was een groot beest 1), een lompe vleeskolossus bij U, ontoegankelijk voor die kennis, die Gij zo gaarne den ernstig vragenden mens schenkt.
Erger kon hij zich zelven niet ontmaskeren. Het woord, dat hier door een groot beest vertaald is, staat hier in het meervoud, om een buitengewoon groot dier aan te duiden. Het is hetzelfde woord, dat bij Job 40: 15 onvertaald is gelaten, en in het Hebreeuws Behemoth heet, en waarmee Job hoogstwaarschijnlijk het Nijlpaard aanduidt. Bij God belijdt Asaf, was hij zulk een groot en onvernuftig beest, in Zijn heilig en alwetend oog was hij dit, toen hij overgelaten aan de redenering van zijn dwaas en zondig hart, Gode ongerechtigheid toeschreef. Zo maakt Gods genade den mens waar en brengt hem tot een erkennen van zich zelven, waartoe hij uit zich zelven gewis nimmer komen zou.
Maar zo diep vernederd liet mij Uwe genade niet, en ik wens nooit meer te vergeten wat ik in Uw heiligdom aanschouwde. Ik zal dan geduriglijk bij U zijn, onophoudelijk aan U denken en in U leven, want Gij hebt mijne rechterhand gevat. Hoe kon in mijn hart de gedachte opkomen om der goddelozen weg te gaan, ik verfoei ze. O mocht ik steeds bij den Heere zijn. Nu is het mij gebleken welke zonden in mijn hart kunnen oprijzen. Maar neen! toch zal ik van den Heere niet afgaan, niet vanwege mijne trouw, maar om Zijne genade; Hij heeft mij eenmaal Zijn kind gemaakt, en Hij zal het werk Zijner handen nooit laten varen. Door het vatten bij zijne rechterhand duidt aan, hoe hij door Gods wonderbare kracht is teruggehouden van den afgrond, waarin de verlorenen neerstorten. Wat Asaf tegenhield om niet zelf in het openbaar mede te lasterde, niet in de dwaling te volharden, en wat hem er nu toe bracht, zijne eigene dwaling in te zien, dat schrijft hij toe aan Gods genade, die hem met uitgestrekten arm heeft gegrepen.
Gij zult mij door de duisternis, die op mijn levensweg is, leiden door Uwen raad, dien ik met gelovige onderwerping eer, hoewel ik dien niet begrijpen kan, en daarna, wanneer het duistere licht zal geworden zijn, zult Gij mij in heerlijkheid opnemen in Uwen hemel. Een uitdrukkelijk Gods woord omtrent den hemelsen triomf der hier strijdende gemeente was toen nog niet bekend, maar voor het geloof had de naam van Jehova reeds ene diepte, die over den dood in het eeuwige leven deed zien. Ook in vs. 25 bewijst Asaf, hoewel hij geen woord der openbaring heeft over een eeuwig leven na den dood in Bijbelsen zin en naar Nieuw Testamentische mening, toch met der daad, dat er een eeuwig leven moest zijn; want wie in zulk ene wederkerige betrekking tot God, den eeuwig Levende, staat, is juist daardoor reeds hier het eeuwige leven deelachtig en kan aan gene zijde dit niet meer verliezen. Juist dat is ook de zenuw van het anti-sadduceïsche bewijs des Heren voor de opstanding der doden in MATTHEUS. 22: 32.
Wie heb ik nevens U in den hemel, waarin ik mijn welbehagen zou kunnen vinden? Geen engel baat mij. Nevens U lust mij ook niets op de aarde! De ziel, die van haren God afdwaalde, doorzoekt hemel en aarde, of zij hulp en heil zou kunnen vinden; maar heeft zij Hem weergevonden en is zij van haren twijfel verlost, zo is Hij haar genoeg, en maakt zij zich van al het andere los.
De hemel zelf zou ons niet kunnen gelukkig maken, zonder de tegenwoordigheid en de liefde van onzen God; veel minder kan de aarde en al hare bezitting een onsterfelijke ziel voldoen. De wereld en al hare heerlijkheid verdwijnt; ons vlees en onze harten zullen spoedig bezwijken (vs. 26), maar God zal de sterkte des harten zijn en voor eeuwig het deel van Zijn volk. Anderen hebben het ondervonden en wij moeten het verwachten, dat beide vlees en hart bezwijken. Het lichaam zal vallen door ziekte, ouderdom en dood; wanneer het vlees bezwijkt, is het hart mede daartoe gereed; het bestuur, de moed en de vertroosting bezwijken. Maar Christus Jezus, onze Heere, biedt Zich zelven aan, om alles in allen te zijn, voor een arm zondaar, die elk ander deel en elk ander vertrouwen weigert.
Wie heb ik nevens U in den hemel, waarin ik mijn welbehagen zou kunnen vinden? Geen engel baat mij. Nevens U lust mij ook niets op de aarde! De ziel, die van haren God afdwaalde, doorzoekt hemel en aarde, of zij hulp en heil zou kunnen vinden; maar heeft zij Hem weergevonden en is zij van haren twijfel verlost, zo is Hij haar genoeg, en maakt zij zich van al het andere los.
De hemel zelf zou ons niet kunnen gelukkig maken, zonder de tegenwoordigheid en de liefde van onzen God; veel minder kan de aarde en al hare bezitting een onsterfelijke ziel voldoen. De wereld en al hare heerlijkheid verdwijnt; ons vlees en onze harten zullen spoedig bezwijken (vs. 26), maar God zal de sterkte des harten zijn en voor eeuwig het deel van Zijn volk. Anderen hebben het ondervonden en wij moeten het verwachten, dat beide vlees en hart bezwijken. Het lichaam zal vallen door ziekte, ouderdom en dood; wanneer het vlees bezwijkt, is het hart mede daartoe gereed; het bestuur, de moed en de vertroosting bezwijken. Maar Christus Jezus, onze Heere, biedt Zich zelven aan, om alles in allen te zijn, voor een arm zondaar, die elk ander deel en elk ander vertrouwen weigert.
Wat dit leven oplevert het kan mij ook niet ontnemen, wat door Uwe genade en Uwe gemeenschap mijn deel is geworden. Bezwijkt zelfs in bittere ellende mijn vlees en mijn hart, ja al moet ik gaan door het dal des doods, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid; Hem behoud ik, als alles wegzinkt, en Hij is mij genoeg. Om in het volkomen betrouwen op God het volkomenst aards geluk te smaken, moet men dit geluk willen, met geen minder geluk tevreden kunnen zijn; en dit geluk durven aanvaarden. Wat is daartoe nodig? Daartoe is nodig het reine hart, hetwelk naar niets zozeer tracht, als aan het bezoedelde stof te kleven, het reine hart, dat aan de reinste genietingen behoefte heeft; het reine hart, dat God ziet en zich vast houdt, als ziende den Onzienlijke; het reine hart, hetwelk van een heilig God niets te vrezen, maar alles te hopen heeft. “Immers”, zo luidt de aanhef van onzen Psalm: “is God Israël goed, degenen, die rein van hart zijn.” Slechts het reine hart wil, durft, mag zich geheel aan God vertrouwen. Het waar geluk is niet bereikbaar, dan voor het reine hart. Tot die reinheid is te komen, want er is te komen tot het bloed der verzoening en tot de reiniging door den Geest.
Want dit is de grond van mijn verlangen naar U en van mijn vertrouwen op U, maar ook tevens de korte somma van dezen Psalm, ziet, die verre van U, de Bron des levens, zijn, zullen vergaan; Gij roeit als een ijverig God, die de U toekomende eer geen anderen geeft (Exodus 20: 5. Jes. 42: 8) uit; al wie van U afhoereert, die misdadig Uw verbond verbreekt en de wereld met hare afgoden boven Uwe liefde stelt (Exodus 34: 16 ).
Maar, in tegenoverstelling tegen dat hoereren der goddelozen, mij aangaande, het is mij goed, het is het enige, dat ik begeer, nabij God te wezen (Zef. 3: 2. Jak. 4: 8); ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, waarbij ik dan door de steeds nieuwe betoningen van Uwe wijze genadige en rechtvaardige regering steeds nieuwe gelegenheid en aanleiding heb, om al Uwe werken te vertellen, hoe wonderbaar Gij dikwijls de Uwen leidt, maar toch altijd zalig. Verre zijn van God en nabij zijn aan God, bepaalt het wee of het wel van den mens, zijn vergaan of zijn bestaan. Asaf heeft het laatste als het door hem gewenste goed aangegrepen en daarin zijne zekerheid en zijne toevlucht in het leven gevonden; in het vaste vertrouwen heeft hij als zijne verhevenste stemming het leven van God erkend, om te verhalen de leidingen en besturingen des Heren, zo als zij hem na veel strijd nu helder en duidelijk voor ogen staan.
Asaf is heerlijk door God gevoerd uit zijn strijd. Hij heeft er iets van gevoeld, wat het betekent, verre van God te zijn. Maar God heeft hem weer thuis gebracht, en nu, niets is hem dierbaarder en begeriger, dan steeds nabij God te zijn. God is zijn Al. God zal hem leiden en wanneer de Heere hem Zijn Raad heeft doen uitdienen, zal Hij hem opnemen in heerlijkheid. Dan zal hij niet meer behoeven te vrezen, verre van zijn God te zijn, dan zal hij tot in eeuwigheid al de werken Gods met alle zaligen verkondigen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel