Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Gij rechtvaardigenH6662! zingt vrolijkH7442 in den HEEREH3068; lofH8416 betaamtH5000 den oprechtenH3477.
Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.
KJV
Rejoice1
in the LORD,3
O ye righteous:2
for praise6
is comely5
for the upright.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
LooftH3034 den HEEREH3068 met de harpH3658; psalmzingtH2167 Hem met de luitH5035, en het tiensnarig instrumentH6218.
Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
KJV
Praise1
the LORD2
with harp:3
sing6
unto him with the psaltery4
and an instrument of ten strings.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
ZingtH7891 Hem een nieuwH2319 liedH7892; speeltH5059 wel met vrolijk geschalH8643.
Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
KJV
Sing1
unto him a new4
song;3
play6
skilfully5
with a loud noise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantH3588 des HEERENH3068 woordH1697 is rechtH3477, en alH3605 Zijn werkH4639 getrouwH530.
Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
KJV
For the word3
of the LORD4
is right;2
and all his works6
are done in truth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Hij heeft gerechtigheidH6666 en gerichtH4941 liefH157; de aardeH776 is volH4390 van de goedertierenheidH2617 des HEERENH3068.
Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.
KJV
He loveth1
righteousness2
and judgment:3
the earth7
is full6
of the goodness4
of the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Door het WoordH1697 des HEERENH3068 zijn de hemelenH8064 gemaaktH6213, en door den GeestH7307 Zijns mondsH6310 alH3605 hun heirH6635.
Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.
KJV
By the word1
of the LORD2
were the heavens3
made;4
and all the host8
of them by the breath5
of his mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Hij vergadertH3664 de waterenH4325 der zeeH3220 als op een hoopH5067; Hij steltH5414 den afgrondenH8415 schatkamerenH214.
Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.
KJV
He gathereth1
the waters3
of the sea4
together as an heap:2
he layeth up5
the depth7
in storehouses.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Laat de ganse aardeH776 voor den HEEREH3068 vrezenH3372; laat alle inwonersH3427 vanH4480 de wereldH8398 voor Hem schrikkenH1481.
Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.
KJV
Let all the earth4
fear1
the LORD:2
let all the inhabitants8
of the world9
stand in awe
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantH3588 Hij spreektH559, en het isH1961 er; Hij gebiedtH6680, en het staatH5975 er.
Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
KJV
For he spake,3
and it was done; he commanded,6
and it stood fast.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
De HEEREH3068 vernietigtH6331 den raadH6098 der heidenenH1471; Hij breektH5106 de gedachtenH4284 der volkenH5971.
De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.
KJV
The LORD1
bringeth2
the counsel3
of the heathen4
to nought:
he maketh5
the devices6
of the people7
of none effect.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Maar de raadH6098 des HEERENH3068 bestaatH5975 in eeuwigheidH5769, de gedachtenH4284 Zijns hartenH3820 van geslachtH1755 tot geslachtH1755.
Maar de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.
KJV
The counsel1
of the LORD2
standeth4
for ever,3
the thoughts5
of his heart6
to all7
generations.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WelgelukzaligH835 is het volk, welks GodH430 de HEEREH3068 is; het volk, datH834 Hij Zich ten erveH5159 verkorenH977 heeft.
Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.
Ook in dit vers
volkH1471
volkH5971
KJV
Blessed1
is the nation2
whose God5
is the LORD;4
and the people6
whom he hath chosen7
for his own inheritance.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
De HEEREH3068 schouwtH5027 uit den hemelH8064, en zietH7200 alleH3605 mensenkinderenH1121.
De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen.
KJV
The LORD3
looketh2
from heaven;1
he beholdeth4
all the sons7
of men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Hij ziet uit van Zijn vasteH4349 woonplaatsH3427 op alleH3605 inwonersH3427 der aardeH776.
Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
KJV
From the place1
of his habitation2
he looketh3
upon all the inhabitants6
of the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Hij formeertH3335 hun allerH3162 hartH3820; Hij letH995 op alH3605 hun werkenH4639.
Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
KJV
He fashioneth1
their hearts3
alike;2
he considereth4
all their works.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Een koningH4428 wordt niet behoudenH3467 door een groot heirH2428; een heldH1368 wordt niet geredH5337 door grote krachtH3581;
Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;
KJV
There is no king2
saved3
by the multitude4
of an host:5
a mighty man6
is not delivered8
by much9
strength.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Het paardH5483 feiltH8267 ter overwinningH8668, en bevrijdtH4422 nietH3808 door zijn grote sterkteH2428.
Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.
KJV
An horse2
is a vain thing1
for safety:3
neither shall he deliver7
any by his great4
strength.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
ZietH2009, des HEERENH3068 oogH5869 is over degenen, die Hem vrezenH3373, op degenen, die op Zijn goedertierenheidH2617 hopenH3176.
Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
KJV
Behold, the eye2
of the LORD3
is upon them that fear5
him, upon them that hope6
in his mercy;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Om hun zielH5315 van den doodH4194 te reddenH5337, en om hen bij het levenH2421 te houden in den hongerH7458.
Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.
KJV
To deliver1
their soul3
from death,2
and to keep them alive4
in famine.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Onze zielH5315 verbeidtH2442 den HEEREH3068: HijH1931 is onze HulpH5828 en ons SchildH4043.
Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild.
KJV
Our soul1
waiteth2
for the LORD:3
he is our help4
and our shield.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WantH3588 ons hartH3820 is in Hem verblijdH8055, omdatH3588 wij op den NaamH8034 Zijner heiligheidH6944 vertrouwenH982.
Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.
KJV
For our heart4
shall rejoice3
in him, because we have trusted8
in his holy7
name.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Uw goedertierenheidH2617, HEEREH3068! zijH1961 overH5921 ons; gelijk als wij op U hopenH3176.
Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.
KJV
Let thy mercy,2
O LORD,3
be upon us, according as we hope
betaamt
Of, staat den oprechten wel aan, past hem wel.
Hertaald:
betaamt
Of: staat de oprechten goed, past bij hen.
luit
Deze laatste twee worden uitdrukkelijk onderscheiden, Ps. 92:4 .
Hertaald:
luit
Deze laatste twee worden uitdrukkelijk onderscheiden, Ps. 92:4.
nieuw
Dat nimmermeer veroude, maar steeds vernieuwd worde, en in verse gedachtenis blijve, vanwege de nieuwe en verse weldaden, die God telkens aan zijn volk bewijst. Verg. 1 Joh. 2:7-8 , en Job 29:20 .
Hertaald:
nieuw
Dat nooit meer verouderd raakt, maar steeds vernieuwd wordt, en in verse herinnering blijft, vanwege de nieuwe en verse weldaden die God telkens aan Zijn volk bewijst. Vergelijk 1 Joh. 2:7-8, en Job 29:20.
speelt
Hebr. maakt het spelen, of slaan goed, dat is, speelt wel, aardiglijk, kunstiglijk. Verg. Deut. 5:28 ; Jes. 23:16 ; Jer. 1:12 .
Hertaald:
speelt
Hebreeuws: maakt het spelen, of slaan goed, dat is: speelt goed, mooi, kunstig. Vergelijk Deut. 5:28; Jes. 23:16; Jer. 1:12.
recht,
Zie Ps. 19:9 .
Hertaald:
recht,
Zie Ps. 19:9.
getrouw
Hebr. in getrouwheid, of waarheid, gewisheid; dat is, gelijk zijn woord recht, goed en waarachtig is, alzo is ook bestendig en vast alwat Hij doet.
Hertaald:
getrouw
Hebreeuws: in getrouwheid, of waarheid, zekerheid; dat is: zoals Zijn woord recht, goed en waarachtig is, zo is ook alles wat Hij doet bestendig en vast.
gerechtigheid
Beschermende de onschuldigen en straffende de schuldigen.
Hertaald:
gerechtigheid
Beschermend de onschuldigen en strafend de schuldigen.
aarde
Verg. Matt. 5:45 ; 1 Tim. 4:10 .
Hertaald:
aarde
Vergelijk Matth. 5:45; 1 Tim. 4:10.
woord
Versta, het eeuwige zelfstandige Woord des Vaders. Zie Gen. 1:3 .
Hertaald:
woord
Versta hieronder: het eeuwige zelfstandige Woord van de Vader. Zie Gen. 1:3.
Geest
Versta dit van den Heiligen Geest, die van den Vader en den Zoon uitgaat en gezonden wordt, zijnde mede een oorsprong van de schepping, aller dingen. Verg. Gen. 1:2 ; Job 26:13 ; Job 33:4 .
Hertaald:
Geest
Versta dit als de Heilige Geest, Die van de Vader en de Zoon uitgaat en gezonden wordt, mede een oorsprong van de schepping van alle dingen zijnde. Vergelijk Gen. 1:2; Job 26:13; Job 33:4.
heir
Zie Gen. 2:1 .
Hertaald:
heir
Zie Gen. 2:1.
vergadert
Dat is, vergaderd hebbende, houdt Hij ze bijeen als op een hoop, dat zij de mensen in het bewonen des aardrijks niet kunnen hinderen. Zie Gen. 1:9 ; Job 38:8 , enz., en Spr. 8:29 .
Hertaald:
vergadert
Dat is: nadat Hij ze verzameld heeft, houdt Hij ze bijeen als op een hoop, zodat zij de mensen bij het bewonen van de aarde niet kunnen hinderen. Zie Gen. 1:9; Job 38:8, enzovoort, en Spr. 8:29.
afgronden
Dat is, diepten, zeer diepe wateren legt Hij in verborgen holen des aardrijks, gelijk men schatten in verborgen plaatsen weglegt. Verg. Job 38:16 ; Spr. 8:28 .
Hertaald:
afgronden
Dat is: diepten, zeer diepe wateren legt Hij in verborgen holen van de aarde, zoals men schatten op verborgen plaatsen wegbergt. Vergelijk Job 38:16; Spr. 8:28.
aarde
Dat is, inwoners des gansen aardrijks, gelijk het volgende verklaart.
Hertaald:
aarde
Dat is: bewoners van de hele aarde, zoals het vervolg verklaart.
en het
Dat is, als Hij spreekt, zo, enz., gelijk dikwijls.
Hertaald:
en het
Dat is: wanneer Hij spreekt, zo, enzovoort, zoals vaak.
gedachten
Menselijk van God gesproken, betekenende den raad en wil Gods, in het voorgaande vermeld.
Hertaald:
gedachten
Op menselijke wijze over God gesproken, wat de raad en wil van God betekent, waarover in het voorgaande.
van geslacht
Hebr. tot, of in geslachte en geslachte.
Hertaald:
van geslacht
Hebreeuws: tot, of in geslacht en geslacht.
welks
Zie Gen. 17:7 .
Hertaald:
welks
Zie Gen. 17:7.
formeert
Dan een zowel als den ander, van een ieder in het bijzonder. Verg. Num. 16:22 ; Zach. 12:1 ; Hebr. 12:9 . Anders: Hij alleen formeert hun hart. Zie van zulke betekenis des Hebr. woord Ezra 4:3 .
Hertaald:
formeert
De een net zo goed als de ander, ieder afzonderlijk. Vergelijk Num. 16:22; Zach. 12:1; Hebr. 12:9. Anders: Hij alleen vormt hun hart. Zie over zo'n betekenis van het Hebreeuwse woord Ezra 4:3.
groot heir;
Hebr. door de grootheid, of veelheid eens heirs; alzo in het volgende, door de grootheid, of veelheid der kracht.
Hertaald:
groot heir;
Hebreeuws: door de grootte, of veelheid van een leger; zo ook in het vervolg, door de grootte, of veelheid van de kracht.
feilt
Heb [is] leugen, of valsheid dat is, bedriegt zijnen meester, die daardoor meende de overwinning te bekomen, of te ontkomen, maar het mist hem. Door het paard [als een bijzonder behulp in den krijg] moet men alle andere middelen verstaan, als niet helpende zonder Gods zegen.
Hertaald:
feilt
Hebreeuws [is] leugen, of valsheid; dat is: bedriegt zijn meester, die daardoor de overwinning dacht te behalen, of te ontkomen, maar het faalt hem. Met het paard [als een bijzonder hulpmiddel in de oorlog] moet men alle andere middelen bedoelen, die niet helpen zonder Gods zegen.
overwinning,
Of behoudenis. Zie van het Hebr. woord 2 Sam. 8:6 .
Hertaald:
overwinning,
Of behoud. Zie over het Hebreeuwse woord 2 Sam. 8:6.
oog
Verg. 1 Kon. 8:29 , en boven Ps. 32:8 .
Hertaald:
oog
Vergelijk 1 Kon. 8:29, en hierboven Ps. 32:8.
ziel
Dat is, leven.
Hertaald:
ziel
Dat is: leven.
dood
Dat is, dodelijke gevaren.
Hertaald:
dood
Dat is: dodelijke gevaren.
heiligheid
Dat is, zijn heiligen naam.
Hertaald:
heiligheid
Dat is: Zijn heilige naam. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De psalm begint met een oproep om te zingen, en wel een nieuw lied met snarenspel (Ps. 33:2-3). De grond staat er meteen bij: "des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw" (Ps. 33:4). Dan gaat het over de schepping: "Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir" (Ps. 33:6). En de kortste samenvatting daarvan volgt drie verzen later: "Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er" (Ps. 33:9). Datzelfde woord regeert ook de volken: de raad van de heidenen wordt vernietigd, maar "de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid" (Ps. 33:11). Het laatste deel zet dat tegenover menselijke macht: "Een koning wordt niet behouden door een groot heir" (Ps. 33:16), en: "Het paard feilt ter overwinning" (Ps. 33:17). Bijbelse betekenis: De psalm laat één ding zien in drie gebieden. In de schepping spreekt God en het is er; in de geschiedenis blijft Zijn raad staan terwijl die van de volken breekt; en in de oorlog blijkt het paard geen zekerheid te geven. Merk op dat er in Ps. 33:6 naast het Woord ook de Geest van Zijn mond genoemd wordt. De kerk heeft in dit vers altijd meer gehoord dan een dichterlijke wending. Let ten slotte op Ps. 33:15. Dezelfde God die de hemelen sprak, formeert het hart van ieder mens afzonderlijk; het grootste en het kleinste liggen in deze psalm in één hand. Typologie: De Hebreeënbrief zegt hetzelfde over de schepping: "door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid" (Hebr. 11:3). Johannes noemt Wie dat Woord is: "Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt" (Joh. 1:3). Ps. 33:1-22; Hebr. 11:3; Joh. 1:3 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De HEERE schouwt uit de hemel en ziet alle mensenkinderen. Psalm 33:13 Misschien is er geen beeld dat God in een vriendelijker licht laat zien dan dit: dat… Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op Zijn heilige Naam vertrouwen. Psalm 33:21 Wist je dat christenen zelfs in hun diepste nood vreugde kunnen vinden?… Waarom zucht u, gelovige? Waarom rouwt u en ligt u op uw mesthopen zodat de honden van de hel uw zweren likken? Kom, erfgenaam van de hemel, wikkel… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" De Heere schouwt uit de hemel en ziet alle mensenkinderen. Psalm 33 vers 13 Wat stelt dit beeld ons God in… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op Zijn heilige Naam vertrouwen. Psalm 33:21 Wat is het geweldig dat… Laat de ganse aarde voor de HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken. Psalm 33:8 Maar hoe zal dat dan tot stand komen? Hoe… 12 Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft. 13 De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle… 1 Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten. 2 Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument. 3 Zingt… Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.. Psalmen 33:21 De wortel van het geloof brengt de bloem van vreugde voort.… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 33
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Het zicht van Gods troon
Harten vol vreugde
Een vermaning tot dankbaarheid
God ziet alle mensen
Zijn heilige Naam vertrouwen
Een as die nooit beweegt
Psalm 33:12-22
Psalm 33:1-11
Vertrouwen Is Vreugde


Psalmen 33
Psalmen 33:1.KruisverwijzingenPsalmen 32:11→Psalmen 147:1→Filippenzen 4:4→Psalmen 78:36→Romeinen 3:10→Psalmen 118:15→Romeinen 5:19→Psalmen 50:14→
— Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.
Let op het verband tussen de woorden “zingt vrolijk” en “lof”. Blijdschap is de ziel van de lofzegging. God wordt niet verhoogd door onze ellende, maar door onze heilige vrolijkheid. Weest blijde in den HEERE, want zo kunt u Hem verheerlijken. “Lof betaamt den oprechten.” De lof is de schoonheid van een christen. Wat de vleugels zijn voor een vogel, wat de vrucht is voor de boom, wat de roos is voor de doorn, dat is de lof voor een kind van God.
Psalmen 33:2.KruisverwijzingenPsalmen 150:3→Psalmen 144:9→Psalmen 98:4→2 Samuël 6:5→Openbaring 5:8→1 Kronieken 25:3→Openbaring 14:2→Psalmen 92:3→
— Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
In de oude dagen van vormen en plechtigheden en uitwendige eredienst werden muziekinstrumenten rijkelijk gebruikt; maar in de vroegchristelijke gemeente was er niet zoiets als een muziekinstrument, omdat de gelovigen bang waren tot het Jodendom terug te keren. Het is merkwaardig dat mensen, naarmate zij verder van Christus af raken, hoe langer hoe meer op zulke dingen gesteld raken. Toch zijn zij onder zekere voorwaarden geoorloofd, al achten wij ze niet raadzaam. God werd in de oude tijd op welbehaaglijke wijze gediend met harp en met luit, en dat kan ook nu; en toch dienen wij Hem, zo oordelen wij voor onszelf, beter zonder die.
Psalmen 33:3.KruisverwijzingenPsalmen 96:1→Jesaja 42:10→Psalmen 144:9→Psalmen 98:1→Openbaring 5:9→Openbaring 14:3→1 Kronieken 15:22→Psalmen 40:3→
— Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
Want u ziet dat al de muziek met zang gepaard ging. Alleen voor zover zij het zingen leidde en versterkte, werd de instrumentale muziek zelfs in die vroege dagen geduld. God behoort met ons beste gediend te worden: “speelt wel.” God behoort ernstig gediend te worden: “met vrolijk geschal.” Hartelijke aanbidding is wat de HEERE begeert en wat Hij verdient; laat ons Hem die brengen.
Psalmen 33:4.KruisverwijzingenPsalmen 19:8→Psalmen 119:75→Psalmen 85:10→Psalmen 119:128→Romeinen 15:8→Johannes 14:6→Psalmen 96:13→Deuteronomium 32:4→
— Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
Laat ons Hem prijzen voor Zijn Woord. Mensen kleineren het; laat ons het op prijs stellen. “Des HEEREN woord is recht” — van de eerste bladzijde tot de laatste is het recht, nadrukkelijk recht; laat ons Hem daarvoor prijzen. En het boek der voorzienigheid is vol getrouwheid; och, of wij genade hadden om het met dankbare harten te lezen! Laat ons God prijzen en Hem toezingen, terwijl iedere bladzijde onder ons oog voorbijgaat.
Psalmen 33:5.KruisverwijzingenPsalmen 119:64→Psalmen 11:7→Psalmen 45:7→Mattheüs 5:45→Handelingen 14:17→Psalmen 104:24→Openbaring 15:3→Psalmen 145:15→
— Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.
U zou, naar de wijze waarop de meeste mensen spreken, menen dat de wereld vol ellende en vol van de toorn des HEEREN was; maar zo is het niet. Ondanks al het kwaad dat erin is, blijft het waar: “de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.”
Psalmen 33:6.KruisverwijzingenHebreeën 11:3→Genesis 2:1→2 Petrus 3:5→Johannes 1:1→Job 26:13→Psalmen 104:30→Genesis 2:7→Psalmen 33:9→
— Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.
Zij zijn niet voortgekomen uit iets dat er tevoren was; zij werden uit niets gemaakt door het Woord des HEEREN. Al de ontelbare heirscharen der sterren werden geschapen door den Geest Zijns monds.
Psalmen 33:7.KruisverwijzingenExodus 15:8→Jozua 3:16→Jozua 3:13→Psalmen 78:13→Psalmen 104:6→Jeremia 5:22→Habakuk 3:15→Job 38:8→
— Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.
Wij weten niet hoeveel God in voorraad heeft, buiten ons gezicht, in de onmetelijke afgronden; maar wij weten dat Hij de wereld verdronken heeft toen Hij de fonteinen des groten afgronds openbrak.
Psalmen 33:8.KruisverwijzingenOpenbaring 14:6→Psalmen 67:7→Hebreeën 12:29→Daniël 6:25→Jeremia 10:7→Psalmen 96:9→Openbaring 15:4→Psalmen 76:7→
— Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.
Hij is zo’n groot God dat al de oceanen in Zijn oog slechts als een hoop zijn; laat ons aanbidden en ons voor Hem nederbuigen.
Psalmen 33:9.KruisverwijzingenGenesis 1:3→Psalmen 148:5→Psalmen 33:6→Psalmen 119:90→Hebreeën 1:3→Hebreeën 11:3→Kolossenzen 1:16→Openbaring 4:11→
— Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
Bij God is het niet eerder gezegd of het is gedaan: “Hij spreekt, en het is er.” Al wat Hij te doen heeft is te gebieden dat het zo zij, en zo is het. En zoals het is bij de schepping, zo is het ook bij de bevestiging: “Hij gebiedt, en het staat er.”
Psalmen 33:10.KruisverwijzingenPsalmen 21:11→Jesaja 8:9→Jesaja 19:3→Psalmen 140:8→Jesaja 7:5→Jesaja 19:11→2 Samuël 15:31→Jesaja 44:23→
— De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.
Wijkt de dwaasheid van de mens voor Gods wijsheid, dan zal ook de wijsheid van de mens dat doen. Al beraadslagen mensen tezamen tegen den HEERE en tegen Zijn Gezalfde, God zal Zijn voornemens zeker uitvoeren.
Psalmen 33:11.KruisverwijzingenSpreuken 19:21→Jesaja 46:10→Job 23:13→Jesaja 55:8→Jeremia 29:11→Efeze 1:11→Handelingen 4:27→Klaagliederen 3:37→
— Maar de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.
Wat de HEERE voornemens is te doen, dat zal Hij doen; Hij is van Zijn voornemen niet af te brengen, en Zijn bedelingen bestaan in eeuwigheid.
Psalmen 33:12.KruisverwijzingenPsalmen 144:15→Psalmen 65:4→Deuteronomium 33:29→1 Petrus 2:9→Efeze 1:4→Johannes 15:16→Titus 2:14→Exodus 19:5→
— Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.
Hebt u God verkozen, dan heeft God u eerst verkozen. Het is een gelukkige zaak wanneer het zo is; wanneer deze twee verkiezingen samenkomen — uw verkiezing van God en Gods verkiezing van u — dan bent u inderdaad gelukkig.
Psalmen 33:13-14.KruisverwijzingenJob 28:24→Psalmen 11:4→Psalmen 14:2→1 Koningen 8:39→Jeremia 23:23→Klaagliederen 3:50→Hebreeën 4:13→Genesis 6:12→
— De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen. Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
Gelijk u in een glazen bijenkorf al de bijen kunt zien en alles wat zij doen, zo kan God ons zien; en Hij kan alles zien wat wij denken, en Hij leest ons en kent ons door en door.
Psalmen 33:15-16.KruisverwijzingenJeremia 32:19→Psalmen 44:21→Jesaja 64:8→Job 10:8→Spreuken 27:19→Prediker 7:29→Spreuken 22:2→Job 34:21→
— Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken. Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;
Zie Napoleon, die meer dan een half miljoen mannen Rusland binnenvoerde; maar zij smolten bijna allen weg, en na een tijd werd hij zelf een gevangene op de eenzame rots van Sint-Helena: “een koning wordt niet behouden door een groot heir.” Zie Goliath, sterker dan al zijn makkers; en toch, hoe spoedig lag hij languit op de aarde toen één enkele steen uit Davids slinger hem aan het voorhoofd trof.
Psalmen 33:17-19.KruisverwijzingenPsalmen 147:11→Job 36:7→Psalmen 20:7→Spreuken 21:31→1 Petrus 3:12→Psalmen 147:10→Psalmen 37:19→Psalmen 13:5→
— Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte. Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.
Wat er ook van koningen en vorsten worde in de dag der nood, de HEERE zal zorgdragen voor hen die Hem vrezen en hun vertrouwen op Hem stellen. Er zijn heel veel gevallen van bijzondere voorzienigheden geweest — zovele dat zij opgehouden hebben bijzonder te zijn — waarin God voorzien heeft in de behoeften van hen die op Hem vertrouwden.
Psalmen 33:20.KruisverwijzingenPsalmen 144:1→Jesaja 8:17→1 Kronieken 5:20→Jesaja 40:31→Psalmen 115:9→Psalmen 130:5→Psalmen 27:14→Psalmen 62:1→
— Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild.
Lieve vrienden, let op die drie woordjes “onze” — drie stevige klemmen, drie sterke houvasten: “Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild.” Waarom zegt hij niet “onze zielen”, want wij zijn met velen? Ach, maar wij zijn in dit ene ding zo aan elkaar gelijk, dat het is alsof wij in al deze vele lichamen slechts één ziel hadden; en daarom zegt de psalmist: onze ziel. U herinnert zich dat, toen de discipelen naar Emmaüs gingen en Christus met hen sprak, zij zeiden: “Was ons hart niet brandende in ons?” Zij waren met hun tweeën; waarom zeiden zij dan niet: waren onze hárten niet brandende? Wel, hun harten waren zo één dat hij die sprak ze veeleer “hart” noemde dan “harten”; en zo is het ook hier.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Amyraldus (eigenlijk Moyse Amyrat overl. 1664 als prediker en professor te Saumur) merkt bij onzen Psalm aan: “De schrijfwijze is liefelijk, vloeiend, gematigd, zonder dichterlijke uitweidingen en bijna zonder enige figuur, ten minste zonder de zodanige die enige moeilijkheden veroorzaken.” Dit verschil van karakter met de overige Davidische Psalmen, verbonden met de omstandigheid, dat in vs. 10 vv. schijnt bedoeld te zijn op het terugkeren uit de Babylonische gevangenschap, heeft niet weinige uitleggers tot het vermoeden geleid, dat wij hier een psalm hebben niet van David, maar uit den eersten tijd van het terugkeren uit de ballingschap. Intussen is het toch aan de andere zijde zeer onwaarschijnlijk, dat bij de Davidische liederen van het eerste Psalmboek een lied van zo laten oorsprong zou gevoegd zijn; de verzamelaars hebben den Psalm zonder twijfel voor Davidisch gehouden; van deze opvatting gaan wij dan ook bij onze verklaring uit. Met het slotwoord in Psalm 32: 11 heeft David zich den overgang tot en thema voor een nieuwen Psalm gemaakt, dien hij bijna met dezelfde woorden begint. De aansporing, die hier tot het geslacht der rechtvaardigen en der vromen gericht is, dus tot de gemeente op aarde, staat weer in betrekking tot de aansporing aan de gemeente in den hemel (Psalm 29: 1 v.), en opent een gedachtegang verwant aan dien in genen Psalm.
I. Vs. 1-11.KruisverwijzingenPsalmen 21:11→Jesaja 8:9→Jesaja 19:3→Psalmen 150:3→Psalmen 140:8→Jesaja 7:5→Jesaja 19:11→2 Samuël 15:31→
— Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten. Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument. Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal. Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw. Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN. Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir. Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren. Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken. Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er. De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.
Zij, de gemeente op aarde, heeft dezen stand in het rijk der genade door hetgeen de Heere gedaan heeft, door Zijne openbaring in Zijn woord, wordt haar hart ontbrand tot lof van God; eerst daardoor wordt zij bekwaam zijne heerlijkheid te prijzen, ook in het rijk der natuur, en Zijne gedachten en oordelen ten opzichte der wereldgeschiedenis te verstaan.
Gij rechtvaardigen 1)! leden van Gods uitverkoren volk, die werkelijk in gemeenschap des geloofs met Hem leeft en bij ervaring weet, wat gij aan Hem hebt, zingt vrolijk in den HEERE a); lof betaamt den oprechten (Psalm 32: 2 ).
Psalm 64: 11; 97: 12; 147: 1.
David zegt niet tot alle mensen, dat zij zich moeten verheugen. Neen, de Schrift weet niets van die algemeenheid, waarvan men thans alleen wil weten. Zij begrenst al het goede der ziel en der toekomst tot de rechtvaardigen, dat is tot de gerechtvaardigden; want andere rechtvaardigen kent de Schrift onder de kinderen der mensen niet. Alleen de Godmens is de Rechtvaardige, uit kracht Zijner eigene heiligheid.
Looft den HEERE met de harp, de citer; psalmzingt Hem met de luit en het tiensnarig Instrument, op de tiensnarige harp. (1 Kronieken 25: 31 ).
a) Zingt Hem een nieuw lied, dat uit een met dank vervuld hart komt en alle vorige liederen tracht te overtreffen (Psalm 40: 4; 96: 1; 98: 1. Openbaring 5: 9 speellieden (1 Samuel 16: 17) tot Zijnen dienst, met vrolijk geschal, bij het geluid der bazuinen en trompetten.
Psalm 40: 4; 96: 1; 98: 1; 144: 9. 5: 9; 14: 3. Een nieuw lied is zulk een, dat dadelijk het hart ontwelt. Gods heerlijkheid is elke morgen nieuw; wij kennen haar niet slechts van horen zeggen en uit de geschiedenissen van den ouden tijd; zo mogen wij alzo ook niet maar het oude lied herhalen. Het is een treurig teken van het verval der kerk, wanneer zij aan den eis: Zingt Hem een nieuw lied, niet meer kan voldoen; des te zorgvuldiger moet zij dan zijn in ‘t bewaren van hare oude liederen.
Tot een nieuw lied behoort ook een nieuw hart.
Nu begint het hoofdgedeelte, of om zo te zeggen, de romp van het lied. De opwekking tot lof van God wordt aangedrongen door de voorstelling van Zijne lofwaardigheid. a) als van den God der openbaring in het rijk der genade, vs. 4 en 5; b) als van den wereldschepper in het rijk der natuur, vs. 6-9; c) als van den onweerstaanbaren gebieder in de geschiedenis, vs. 10 en 11.
Want des HEREN woord, dat zo vele heerlijke beloften bevat, is recht, is zeker, is waarlijk gemeend, zodat Hij niets toezegt, wat Hij niet houden wil, en al Zijn werk al Zijn doen getrouw (Numeri 23: 19).
Hij heeft a) gerechtigheid en gericht lief; Hij richt al Zijn werk naar des mensen gedrag en stelt een perk aan alle onrechtvaardige verdrukking; de aarde die Hij tot ene “goedhartige moeder” gemaakt heeft, welke ons dagelijks voedt en allerlei rijkelijk te genieten geeft (1 (Tim. 6: 7), is vol van de goedertierenheid des HEREN 1), (Psalm 119: 64).
Psalm 45: 8. Hebr. 1: 9.
Ofschoon Gods gerechtigheid, om Zijn Naam groot te maken, prikkel genoeg moest zijn, is echter Zijne goedheid een nog scherper prikkel, dewijl naarmate iemand Hem ervaart als den Algoede en Barmhartige, hij meer wordt aangezet om Hem te vrezen. Verder over alle goedertierenheid Gods spreekt hij, welke Hij verspreidt over het gehele menselijk geslacht. Daarom zegt de Profeet, dat waarheen wij onze ogen ook wenden, wij die wijd en zijn ontmoeten.
Hij had, indien het Hem behaagd had, elke zaak, die wij proefden, bitter, alles wat wij zagen, walgelijk, alles wat wij aanraakten, een angel, elke reuk een stank, elke toon een wanklank kunnen maken.
En gelijk Zijne goedheid de aarde voornamelijk tot plaats harer openbaring heeft, zo openbaart zich weer Zijne almacht op het heerlijkst aan den hemel en op de aarde bijzonder aan de zee. Door het woord des HEREN zijn de hemelen gemaakt 1), in die heerlijke gedaante en volledige schoonheid (Genesis 1: 1), en door den Geest Zijns monds, die aan de dode stof leven en adem inblaast, al hun heir 2), dat zowel in zichtbare als onzichtbare machten bestaat (Psalm 24: 10. (1 (Samuel 1: 3).
Reinh. Bakius (de standvastige en verstandige leraar van Maagdenburg en Grimma in den dertigjarigen oorlog) maakt bij ons vers de opmerking: “De grote schilders en beeldhouwers der ouden waren gewoon op hun meesterstukken den bescheiden titel te plaatsen: “Apelles, Polycletus maakte het” om door dit imperfectum (onvolmaakt verleden tijd) uit te drukken, dat het ten allen tijde geoorloofd was, het te verbeteren, wanneer aan hun werk iets ontbrak; daar echter aan Gods werk niets ontbreken kan wordt hier gezegd: “de hemelen zijn gemaakt.”. Laat iemand ene wereld maken, zei Augustinus, en hij zal een God zijn; daarom heeft ook de Kerk tot haar eerste geloofsartikel gemaakt: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.
De verhevenheid van dit woord van den Psalmist heeft ook de heidense dichter Longinus (een Platonist uit Athene, geb. 213 na Chr.) in zijn geschrift peri ufouv (over het verhevene) erkend.
Hij, de Heere, vergadert de wateren der zee als op enen hoop, zodat zij zich niet meer over de gehele aarde kunnen uitstorten, gelijk dit in den beginne was (Genesis 1: 2, 9 v. Psalm 104:
; Hij stelt den afgronden, de diepe stromen, den bruisenden watermassa’s schatkameren 1), diepten waar zij als in kameren bewaard en ingesloten zijn.
De dichter verheerlijkt hier den Heere als den Schepper der wereld en daarom wijst hij op die grote wonderen, den hemel boven ons en de zee beneden. Gelijk de korenhoop uitsteekt boven de aarde, alzo steken ook de golven, vast te zamen gehouden, boven het vaste land uit. Het is duidelijk, dat hier onder schatkameren verstaan moeten worden, de bedding der zee.
Laat de ganse aarde zulk ene almacht erkennen en voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld, die niet tot het ware volk van God behoren, voor Hem schrikken 1).
Alle kinderen der mensen moeten hierdoor tot Gods ere en dienst genoopt worden. Deze macht vervulle hen met ontzag, gelijk het eeuwig Evangelie, dat als een reden opgeeft, waarom men God dienen en aanbidden moet, omdat Hij, n.l. hemel, aarde en zee geschapen heeft.
Want, gelijk de geschiedenis der wereldschepping in Genesis 1 zo duidelijk toont, en het wonder van het onderhouden der wereld nog dagelijks bekend maakt, Hij spreekt en het is er, wat Zijn mond gesproken heeft; Hij gebiedt en het staat er, wat Hij met Zijn bevel in wezen roept, gelijk een gehoorzame dienaar, dien zijn heer roept (Psalm 119: 91). Wat kan ene macht niet doen, die door een woord de wereld gemaakt heeft? (Rom. 4: 17).
Geen geschapen macht, hoe groot en hoe hardnekkig, om hem tegen te staan, kan hem in genendeel of opzicht, in de uitvoering van Zijn werk verhinderen. Gene omwentelingen van tijden kunnen Hem van maatregelen doen veranderen, en in allerlei geval, zelfs hoe verbaasd het ons mag voorkomen, wordt Zijn eeuwige Raad vervuld en niets kan dit ooit voorkomen. Welk een vermaak moet dan de godvruchtige ziele bevangen, als zij deswege God de ere en den lof toebrengt, hoe gerust en vergenoegd moet dit Opperbestier der Godheid vervullen, haar doen zijn, in alle hare omstandigheid, als wetende, dat Zijne oneindige Wijsheid zorge voor hen draagt!.
Welke macht Hij over de kinderen der mensen heeft, bewijst Hij door de wijze, waarop Hij de wereld regeert a). De HEERE vernietigt den raad der heidenen, wanneer de vijanden der Kerk menen, dat zij tonnen vol schranderheid in hun beraadslagingen hebben, dan boort Hij een gat in den bodem, of Hij slaat dien in elkaar; Hij breekt de gedachten der volken, zodat zij in hare uitkomst blijken gedachten der onmacht te zijn.
Jes. 19: 3.
Maar a) de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten, die het heil van Zijn volk en daarin het heil der wereld bedoelen, bestaan van geslacht tot geslacht. Wie toch zou Zijne hand kunnen afwenden?
Spreuken 19: 21; 21: 30. Jes. 14: 24; 46: 10. Al wilden alle duivels tegenstand bieden, zo zal toch zonder twijfel God nooit teruggaan; wat Hij Zich voorgenomen heeft en wat Hij wil hebben, dat moet toch eindelijk tot zijn doel komen.
12.
II. Vs. 12-22.KruisverwijzingenPsalmen 144:15→Psalmen 147:11→Job 36:7→Job 28:24→Psalmen 11:4→Psalmen 20:7→Spreuken 21:31→1 Petrus 3:12→
— Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft. De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen. Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde. Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken. Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht; Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte. Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger. Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild. Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.
Hier is niet alleen de heerlijkheid des Heeren op zich zelf, welke de gemeente moet dringen en bewegen tot Zijnen lof; zij is toch Zijn volk, het volken Hem, onder wiens bijzondere Voorzienigheid alles op aarde staat; zij heeft aan Hem ene sterkere bescherming, dan de grootste wereldse macht zijn zou. Zij is zijn oogmerk en het doel van al Zijne wegen, en daarom onder Zijne regering zo veilig en geborgen, dat geen doodsgevaar haar mag verschrikken; zij heeft slechts nodig Hem als hare hulp en haar schild te erkennen, en ook in Hem de bron harer vreugde te bezitten, haar geloof en Zijne genade komen elkaar tegemoet.
a) Welgelukzalig is het volk, diens God de HEERE is; het volk, dat Hij zich ten erve verkoren heeft.
Deuteronomium 33: 29. Psalm 65: 5; 144: 15. Dit is de hoofdzin, die voorop gesteld is, op welken het volgende betrekking heeft. “Volk van God-wil David zeggen-laat u toch niet door de wereld overreden, als ware de troon, op welken uw Koning hoog boven de aarde troont, een leuningstoel! Neen het is een troon, een rechterstoel, van welken met verheven blik de lotgevallen der wereld geregeerd worden. Geloof slechts vast, volk van God! dat alles onder den openbaren of verborgen invloed van Zijne macht staat; niet slechts de werken der mensen, van welke het duidelijk is, dat de uitkomst nooit in hun handen licht, maar zelfs de opwellingen van hun harten, die Hij met blindheid kan slaan; het verstand der verstandigen kan Hij dwaas en de harten der onmondigen wijs maken. Volk van God! geloof den schijn niet, volgens welken de koningen veldslagen winnen door hun macht en de krijgslieden door hun paarden, dat alles is slechts schijn. Want daar alles, wat op aarde kracht en macht heeft, deze slechts ter leen heeft van Hem, die de wereld regeert, zo kan Hij die terugnemen, wanneer Hij wil en geven aan wien Hij wil; zo werden alle overwinningen op aarde slechts door Zijne kracht behaald.”.
Passend volgt dit vers op het voorgaande, dewijl er weinig voordeel aan was, wat hij over de eeuwigdurendheid van den Raad Gods had gezegd, indien dit niet op ons betrekking had. Derhalve de Profeet uitroepende, dat zij gelukkig zijn, die God in Zijn bescherming heeft genomen, Wiens Raad hij zo even in herinnering heeft gebracht, zegt ons nu, dat deze niet verborgen is, maar van kracht is en gezien wordt tot het heil der Kerk. En zo zien wij, dat niet zij, die koud de macht Gods in beschouwing nemen, maar die er hun gebruik van maken voor het tegenwoordige, eerst in waarheid erkennen, dat Hij is de Bestierder der wereld.
12.
II. Vs. 12-22.KruisverwijzingenPsalmen 144:15→Psalmen 147:11→Job 36:7→Job 28:24→Psalmen 11:4→Psalmen 20:7→Spreuken 21:31→1 Petrus 3:12→
— Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft. De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen. Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde. Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken. Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht; Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte. Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger. Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild. Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.
Hier is niet alleen de heerlijkheid des Heeren op zich zelf, welke de gemeente moet dringen en bewegen tot Zijnen lof; zij is toch Zijn volk, het volken Hem, onder wiens bijzondere Voorzienigheid alles op aarde staat; zij heeft aan Hem ene sterkere bescherming, dan de grootste wereldse macht zijn zou. Zij is zijn oogmerk en het doel van al Zijne wegen, en daarom onder Zijne regering zo veilig en geborgen, dat geen doodsgevaar haar mag verschrikken; zij heeft slechts nodig Hem als hare hulp en haar schild te erkennen, en ook in Hem de bron harer vreugde te bezitten, haar geloof en Zijne genade komen elkaar tegemoet.
a) Welgelukzalig is het volk, diens God de HEERE is; het volk, dat Hij zich ten erve verkoren heeft.
Deuteronomium 33: 29. Psalm 65: 5; 144: 15. Dit is de hoofdzin, die voorop gesteld is, op welken het volgende betrekking heeft. “Volk van God-wil David zeggen-laat u toch niet door de wereld overreden, als ware de troon, op welken uw Koning hoog boven de aarde troont, een leuningstoel! Neen het is een troon, een rechterstoel, van welken met verheven blik de lotgevallen der wereld geregeerd worden. Geloof slechts vast, volk van God! dat alles onder den openbaren of verborgen invloed van Zijne macht staat; niet slechts de werken der mensen, van welke het duidelijk is, dat de uitkomst nooit in hun handen licht, maar zelfs de opwellingen van hun harten, die Hij met blindheid kan slaan; het verstand der verstandigen kan Hij dwaas en de harten der onmondigen wijs maken. Volk van God! geloof den schijn niet, volgens welken de koningen veldslagen winnen door hun macht en de krijgslieden door hun paarden, dat alles is slechts schijn. Want daar alles, wat op aarde kracht en macht heeft, deze slechts ter leen heeft van Hem, die de wereld regeert, zo kan Hij die terugnemen, wanneer Hij wil en geven aan wien Hij wil; zo werden alle overwinningen op aarde slechts door Zijne kracht behaald.”.
Passend volgt dit vers op het voorgaande, dewijl er weinig voordeel aan was, wat hij over de eeuwigdurendheid van den Raad Gods had gezegd, indien dit niet op ons betrekking had. Derhalve de Profeet uitroepende, dat zij gelukkig zijn, die God in Zijn bescherming heeft genomen, Wiens Raad hij zo even in herinnering heeft gebracht, zegt ons nu, dat deze niet verborgen is, maar van kracht is en gezien wordt tot het heil der Kerk. En zo zien wij, dat niet zij, die koud de macht Gods in beschouwing nemen, maar die er hun gebruik van maken voor het tegenwoordige, eerst in waarheid erkennen, dat Hij is de Bestierder der wereld.
De HEERE, de alwetende Regeerder der wereld, schouwt uit den hemel (Psalm 14: 2), en ziet alle mensenkinderen in hun werken en bedoelen.
Hij ziet uit van Zijne vaste woonplaats, van den hemel, Zijne troonzaal, op alle inwoners der aarde, dat Hij ze bewake en in Zijne macht behoude.
Hij ziet uit van Zijne vaste woonplaats, van den hemel, Zijne troonzaal, op alle inwoners der aarde, dat Hij ze bewake en in Zijne macht behoude.
Hij formeert hun aller hart 1) (Zach. 12: 1. (Spreuken 21: 1), Hij bestuurt het zelfs bij de boze gedachten, die daarin opstijgen (2 Samuel 24: 1 ); Hij let op al hun werken, en richt wat zij ondernemen zo in, dat het Zijn wereldplan, dat voor Zijn volk een plan des heils is, moet dienen.
Ziet daar onzen troost als ouders. Kunnen wij het hart onzer kinderen formeren? Neen, dat is het werk van God. Zo moeten wij hen dan Gode opdragen en bidden: “O God, formeer Gij hun hart!” Het onophoudelijk verbieden der kinderen, om dat niet te smaken, en dit niet aan te raken, baat op zich zelven niet. Al trekken wij hen nog zulk een stijf keurslijf aan, het helpt niet tot hunnen groei, maar knelt hen alleen. Maar hen in de tegenwoordigheid Gods te stellen, en te zeggen: “God ziet het, en zal er u eenmaal rekenschap van vragen” dat heeft klem.
De Formeerder van alle menschenharten heet Jehova, gelijk Zach. 12: 1, vergel. Spreuken 24: 12, als hun Schepper. Als zodanig is Hij het ook, die op alle wenken der mensen acht geeft, wat Hij vormt voor hun ontstaan in de door Hem gevormde werkplaats der Kerk. Op gehoorvolle wijze wordt ieder mens bij den aanvang des levens bezield met den geest. God is de Vader des Geestes. Daarom juist is al wat bestaat besloten in Zijne alwetendheid en almacht. Hij houdt toezicht over alles, en maakt alles dienstbaar aan de oogmerken van zijn wereldplan, het plan tot heil des volks. Zonder Hem geschiedt niets, alles door Hem. De zegen des konings, het behoud van den held, zijn niet hun eigen werk. Hun grote legermacht of lichaamskracht vermag niets zonder God, die ook in de zwakken machtig zijn kan. Ook het strijdpaard is voor de overwinning een veelbelovend, maar niets uitvoerend ding; niet zijn grote kracht is het, die den ruiter kan redden, van Jehova is de zegen, Hij verleent ze aan wien Hij wil.
Een koning wordt niet behouden in den strijd, verkrijgt de overwinning niet door een groot heir, dit is slechts tweede oorzaak, de eerste en laatste is integendeel God, die ook in de zwakken machtig kan zijn, als Hij het wil; een held, wanneer hij grote dingen doet (2 Samuel 21: 15 vv.), wordt niet gered door grote kracht, alsof het zijn eigen werk ware, wat hij verricht; maar gelijk God hem de kracht gegeven heeft, zo moet Hij ook in elk bijzonder geval de uitwerking en het gevolg verlenen. In den strijd bij Arbela werd het getal der Perzen gerekend tussen de vijf honderd duizend en een millioen mensen, maar zij werden geheel geslagen door Alexanders leger van vijftig duizend, en de vroeger zo machtige Darius was spoedig overwonnen. Napoleon voerde meer dan een half millioen mensen in Rusland, maar de ontzaglijke winter maakte het leger tot een wrak, en de bevelhebber was spoedig een gevangene op de eenzame rots van St. Helena. Dit vers is door de geschiedenis bewaarheid. De sterkste legers smelten als sneeuwvlokken, wanneer God tegen hen is.
Een koning wordt niet behouden in den strijd, verkrijgt de overwinning niet door een groot heir, dit is slechts tweede oorzaak, de eerste en laatste is integendeel God, die ook in de zwakken machtig kan zijn, als Hij het wil; een held, wanneer hij grote dingen doet (2 Samuel 21: 15 vv.), wordt niet gered door grote kracht, alsof het zijn eigen werk ware, wat hij verricht; maar gelijk God hem de kracht gegeven heeft, zo moet Hij ook in elk bijzonder geval de uitwerking en het gevolg verlenen. In den strijd bij Arbela werd het getal der Perzen gerekend tussen de vijf honderd duizend en een millioen mensen, maar zij werden geheel geslagen door Alexanders leger van vijftig duizend, en de vroeger zo machtige Darius was spoedig overwonnen. Napoleon voerde meer dan een half millioen mensen in Rusland, maar de ontzaglijke winter maakte het leger tot een wrak, en de bevelhebber was spoedig een gevangene op de eenzame rots van St. Helena. Dit vers is door de geschiedenis bewaarheid. De sterkste legers smelten als sneeuwvlokken, wanneer God tegen hen is.
Het paard, het strijdros feilt ter overwinning; naar het uiterlijke vermag het veel, in waarheid echter niets, en het bevrijdt niet door zijne grote sterkte, (Spreuken 21. 31). Wanneer nu zulk ene almacht dengenen, die God niet vrezen, slechts verschrikkelijk kan zijn, hoe troostrijk is zij daarentegen voor hen, die op Zijne goedheid mogen hopen, vs. 18 en 19. Zo vertrouwt zich Gods volk den Heere toe; het verheugt zich in zulk enen God en vertrouwt op Zijnen naam. (vs. 20-22).
De inhoud van dezen Psalm is voornamelijk de verkondiging van Gods oppermacht en vrijmacht. Al de kracht is in God, en komt van God. Tegen alles nu is niets te doen. En dit is niet enkel waar op het gebied der natuur, maar ook op het gebied der genade. Tegenover dat alles van God en Christus staat het niets van den mens. En toch maakt deze godsdienst, hoe ongelofelijk het voor de ongelovigen ook zij, gene zorgeloze mensen, maar juist de meest ijverige arbeiders in Gods wijngaard. Is het gene wonderbare godsdienst? Wat verstand zou haar hebben kunnen uitvinden, dan het verstand van God alleen? Zij weet niets van eigen kracht; alles doet de Heere alleen, en toch weet zij ook niets van lijdelijkheid, maar spreekt gedurig van geloven, bidden, worstelen en volharden tot den einde toe. Men bestudere slechts het evenwichtstelsel der Schrift, en men zal zich verwonderen. Gelijk in de natuur altijd twee krachten tegen elkaar overstaan, die elkaar in evenwicht houden, zo ook de Schrift. Het blijft een strijd om in te gaan, een worstelstrijd tot den bloede, en toch, de zaligheid is niet uit de werken, maar uit den Roepende. Ja, hoe meer een mens gevoelt, dat hij niets kan doen, des te meer gevoelt hij, wat God in hem kan doen en doet. Doch dit moet bij ondervinding gekend worden. Er zijn tegenstrijdigheden in de leer, die zich in de praktijk harmonisch oplossen. De leer van Gods vrijmacht en van ‘s mensen vrijen wil leveren ene menigte zulke tegenstrijdigheden op, maar in de praktijk bestaan zij niet.
Ziet, des HEREN a) oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die (Jes. 29: 7 ), op Zijne goedertierenheid hopen
Job 36: 7. Psalm 34: 16. 1 Petrus 3: 12. De zwakste der gelovigen, de minste der heiligen heeft reden om te hopen. Het Evangelie is zo ingericht, het verbond zo geregeld. God heeft zulk een ruimen maatregel genomen, dat ieder van hen “goede hoop in genade” (2 Thessalonicenzen. 2: 16) mag hebben. Allen, die van die soort zijn, hebben de toestemming worden opgewekt, ja bevolen te hopen. Hun hopen verheugt God, gelijk het een troost voor hen zelven is.
Om hun ziel van den dood te redden (Psalm 7: 6 ), niet alleen in oorlogstijd maar uit elk gevaar, en om hen bij het leven te houden in den honger.
Onze ziel, zo zeggen dan wij, die tot het volk in vs. 12 behoren, verbeidt den HEERE, (Genesis 49: 18), Hij is onze hulp en ons schild (Deuteronomium 33: 26, 29). Antigonus, koning van Syrië, was gereed om slag te leveren tegen het eiland Andros; hij zond een smaldeel uit, om de bewegingen van zijne vijanden gade te slaan en hun sterkte op te nemen. Toen dit terugkeerde berichtte het, dat zij meer schepen hadden, en die beter bemand waren dan de zijne. “Wat,” zei Antigonus, “dat kan niet zijn, quam multis meipsum opponis, voor hoe velen rekent gij mij?” bedoelende, dat de waardigheid van een aanvoerder tegen velen opwoog, voornamelijk wanneer die met kracht en ervaring was toegerust. En waar is macht, waar is kennis als bij God? Hij is Heer der heirscharen, bij Hem alleen is macht om Israël te bevrijden uit al zijne benauwdheden. Hij kan het doen, Hij wil het doen, Hij zal het doen. Hij is wijs van hart, en machtig van arm; buiten Hem is er geen redder, geen bevrijder; Hij is een schild voor de rechtvaardigen, een sterkte voor de zwakken, ene toevlucht voor de verdrukten. Hij is instar omnium, alles in allen, en wie is Hem gelijk in de gehele wereld?
Hij is bovendien ons Eén en ons Alles; want ons hart is in Hem verblijd, die de enige bron onzer vreugde is, omdat wij op den naam Zijner heiligheid 1) vertrouwen, in welken al onze hulpe is.
Of, Zijn heiligen Naam. Die Naam is voor Gods volk de steun en sterkte, het voorwerp van geloof en hoop, maar ook van liefde. Dewijl God Zijn Naam heeft geopenbaard en in Zijn Naam Zijn Wezen, daarom kan de Kerk van alle eeuwen van dien Naam zo zeker en vast alles verwachten; wat zij nodig heeft, ook in donkere lotsbedelingen. Daarom bidt de dichter ook in vs. 22: “Uwe goedertierenheid, Heere! zij over ons, gelijk als wij op U hopen.”
Uwe goedertierenheid; HEERE! zij over ons. Gij hebt ons doen vertrouwen op dien zegen; zal dat vertrouwen, o God der waarheid! niet beschaamd worden? Sterk den zegen, gelijk als wij op U hopen. De rechtvaardige verklaart hier zijn vast besluit, om in geloof en geduld te volharden, wachtende op de komst van zijn Heer en Redder, de hoop der Kerk was altijd op den Messias. Van ouds bad zij om de genade van Zijne eerste komst, nu verwacht zij Zijne tweede. Vergun ons, o Heere, te hopen op hetgeen, waarin wij nooit teleurgesteld zullen worden. Gods genade is op ons, naar de mate, dat wij op Hem hopen.
Beth. Mijne ziel zal zich beroemen in den HEERE, als in hem, die mijne hulp en mijn God is (Psalm 42: 12); de zachtmoedigen, die gebogen gaan onder harte-leed, zullen het horen, wat ik tot Zijne eer te zingen en te zeggen heb, en zullen verblijd zijn, wanneer zij hetgeen aan mij geschiedt als ene voorzegging van eigen heil erkennen.
Onder zij, zachtmoedigen hebben wij hier te verstaan, de verootmoedigden, die gebogen gaan onder den druk der ellende en neergebogen zijn onder de kastijdende hand Gods. Zie Kantt. Psalm 10: 17.
Gimel. Maakt daarom, alle gij vromen! den HEERE met mij groot, en laat ons, daar wij toch één zijn als kinderen van een God, en één leed en ene vreugde gevoelen, zijnen naam samen verhogen. Even als onze schoonste, geestelijke liederen, hoewel bijzondere omstandigheden tot het ontstaan aanleiding gaven, toch niet over deze handelen, maar tot ene algemene klacht, of algemenen lof Gods opklimmen, zo prijst ook deze Psalm niet de bijzondere redding, maar spreekt den lof uit van God, die de ellendigen hoort.
Deze Psalm was in de oude kerk de communiepsalm, waartoe het woord vs. 9 hem bijzonder geschikt maakte.
Daleth. Ik heb den HEERE gezocht in het gebed, dat men in Psalm 56 lezen kan, en Hij heeft mij geantwoord, door verhoring met de daad, en mij Uit al mijn vrezen gered, daar ik bij mijne wegvoering naar Achis (1 Samuel 21: 11 vv.) geen ander lot voorzag, dan dat ik of door der Filistijnen wraak zou bezwijken, of aan Saul, mijnen dood-vijand zou overgeleverd worden.
He. Van. Zij hebben op Hem gezien, gelijk een kind in groten nood naar vader of moeder om hulp uitzien, ja Hem als een waterstroom aangelopen, in gebeden en smekingen met Hem worstelende, en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden, zodat de vervolgers beschaamd moesten heengaan. Liever: “Die op Hem gezien hebben en Hem als een waterstroom hebben aangelopen, zijn niet schaamrood geworden.” Het kan ook overgezet worden (de Wette): “Die op Hem zien, worden verhelderd en hun aangezicht mag niet schaamrood worden.”. Dat is Christus of Gods heerlijkheid in Hem; die daarop ziet zal niet verstoten worden. Het is hun geloof, dat uitgedrukt wordt door hun zien op Hem, dat ene daad van vertrouwen is, voortkomende uit een kennen van wie en wat Hij is. Het gevolg is, dat zij verhelderd zijn, dat zij nieuwe gemeenschap van geestelijk, reddend, verfrissend licht van Hem ontvangen en bijgevolg van alle andere genadegiften; alzo is hun geloof niet beschaamd. Wij moeten niet vertragen geestelijke vereniging te zoeken in de oefening van hetzelfde geloof. Van dit zien naar Christus, van dit aanschouwen Zijner heerlijkheid hangt onze gehele redding af, en daarom is voor alles nodig, alzo te doen. Dit is de leiding door den Heiligen Geest gegeven, om Hem te bereiken.
Zain. Het is zo geweest, gelijk in vs. 5 gezegd is. Ik heb bevonden, dat het in vs. 6 gezegde waar is. Deze ellendige, ik David, de rechtvaardig ellendige, de buitengewoon ellendige, de diep ellendige riep, en de HEERE hoorde 1); en Hij verloste hem uit al zijne benauwdheden.
Hij was een gering man, naar wie niemand zag, toch was hij welkom bij den troon der genade; de Heere hoorde hem, nam kennis van zijn lot en zijne gebeden, en redde hem uit alle benauwdheden. God wil acht slaan op het gebed van den ellendige. (Psalm 102: 17 zie Jes. 57: 15).
Cheth. Ik heb het bovendien dikwijls genoeg in mijn leven ondervonden, dat waar de nood het hoogste is, Gods hulp het meest nabij is. De Engel des HEREN, niet enig engel, maar het Woord, de grote openbaarder Gods (Genesis 16: 7 vv., 18: 2 vv., 21: 17 vv., 22: 11 vv.; 31: 11; 48: 16. 3: 2 vv., 14: 19; 23: 20 vv., 33: 14.), legert zich met het hemelheer, welks bevelhebber Hij is (Jozua 5: 14), rondom degenen, die Hem vrezen; en rukt hen uit 1), uit hunnen nood en hun ellende (Genesis 32: 1 vv. (2 Koningen 6: 17. Psalm 91: 11 vv.).
Hier is van toepassing, dat de gelovigen hiervan zeker overtuigd zijn, dat, ofschoon zij aan vele ellenden onderworpen zijn, God echter hun getrouwe Bewaker is van hun leven. Maar opdat hij te meer hen in hun hoop bevestige, voegt hij er niet te vergeefs bij, dat zij door de hand en zorg der Engelen beschermd worden, die Hij wil behouden. Het zou wel voldoende zijn, om aan God enig en alleen die macht toe te schrijven, maar om onze zwakheden te hulpe te komen, verwaardigt Hij zich, om Zijne Engelen als dienaren te gebruiken. En niet weinig zet dit kracht bij, om ons geloof te bevestigen, dewijl de ontelbaar velen Gode gehoorzaam zijn, zo dikwijls Hij ons hulp wil verschaffen. Ja, de Engelen, die genoemd worden hemelse vorsten en krachten, altijd er op aangelegen om ons leven te beschermen, dewijl zij weten, dat dit ambt hun is opgedragen. En God wordt naar waarde wel genoemd een muur voor Zijn Kerk en een vaste burg, maar de aanwezigheid van Zijne hulp drukt Hij uit in Zijne Engelen, om zich te schikken naar ons onverstand. Overigens, wat Hij omtrent een Engel in het enkelvoud zegt, geldt voor allen, dewijl zij allen genoemd worden gedienstige Geesten, om onze zaligheid te bevorderen. De slotsom nu is deze, dat, ofschoon vele vijanden ons bestrijden en vele ongevallen ons belagen, de Engelen Gods echter met een onoverwinnelijke kracht Gods gewapend, zich om ons legeren en van alle zijden hun hulp opstellen, om ons van alle rampen te bevrijden.
De Engel des Verbonds, de Heere Jezus, aan het hoofd van alle hemelse legerscharen, omringt met Zijne wapenen de woningen der heiligen. Even als legerscharen zijn de dienende geesten geschaard rondom de uitverkorenen des Heren, om te dienen, te verdedigen en te vertroosten.
De Engel des Heren is in dit Psalmenpaar (Psalm 34 en 35) in zijn tweevoudigen aard voorgesteld als een Engel van genade en een Engel des gerichts (Psalm 35: 6). Deze Psalmen kunnen in dit opzicht vergeleken worden bij het twaalfde hoofdstuk van de Handelingen der Apostelen, waar de Engel des Heren zich openbaart in de verlossing van Petrus en in het doden van den vervolger Herodes Agrippa. Hier is door den Engel van Jehova de tegenwoordigheid van Christus in de kerk bedoeld, even als van ouds in het leger van Israël, en de dienst der geschapen geesten voor degenen, die de zaligheid beërven, als in het geval van Eliza (2 Koningen 6: 17). Engel des Heren was voor den vromen Israëliet, dus ook voor den man naar Gods harte, een liefelijke naam. Die naam wekte een lieflijke herinnering bij hem op. Want de Engel des Heren had Israël geleid door de woestijn naar het Kanaän der ruste hier beneden. En hoe dit volk ook afweek en murmureerde, ja diep zondigde tegen den Heere, toch in de vuur- en wolkkolom had Israël het bewijs, dat de Heere hen niet deed naar de zonde en niet vergold naar de overtredingen. De Engel des Heren bleef onder allerlei omstandigheden aan de spitse van het volk.
Teth. Ondervindt dan ook, gij anderen, wat ik ervaren heb, opdat gij leert kennen, wat ik leerde kennen. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is voor dien, die op Hem wacht, en voor de ziel, die naar Hem vraagt (Klaagt. 3: 25); welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt, want zulk een zal nooit tot schande worden (Psalm 31: 2; 71: 1). Het “smaakt en ziet” nodigt als het ware tot een kostelijk maal, dat reeds lang gereed stond. De imperatieven hebben ene niet paraenetische (vermanende) maar belovende betekenis.
Het smaken (Hebr. 6: 4 vv. 1 Petrus 2: 3 vóór het zien; want geestelijke ervaring leidt tot geestelijke kennis en omgekeerd.
Hij leert als David kennen, die als David lijdt.
Jod. Vreest den HEERE, gij Zijne heiligen! die u van de wereld afgezonderd hebt, en als volk van Zijn eigendom geroepen zijt, om Hem te dienen (1 (Petrus 2: 9); want die Hem vrezen, hebben geen gebrek 1) (Psalm 33: 18 vv., 37: 19).
Hier vermaant hij de gelovigen, opdat zij den deur van Gods genade mogen openen tot heiligheid en het beoefenen van de gerechtigheid. Wij weten hoe de mensen in het algemeen zich laten zien, dat men óf tot bedrog, óf tot schurkerij, óf tot onrechtvaardige wreedheid geneigd is. Er kan hun niet iets geschieden of de begeerte prikkelt de gelovigen, om met de wolven te huilen in het bos. Maar opdat zij zich nu vrijhouden van alle onrecht en echter de publieke manier om te leven hen als een stormwind voortsleurt, menen zij, dat zij door de noodzakelijkheid genoeg verontschuldigd worden. Deze beproevingen legt David nu een teugel aan.
Caph. De jonge leeuwen, de machtigen en rijken (Job 4: 10 vv. ), lijden armoede, en hongeren, ondanks den groten voorraad, dien zij op onrechtvaardige wijze zamen brengen (Psalm 37: 20), maar die den HEERE zoeken hebben geen gebrek aan enig goed, hoewel zij dikwijls veel moeten lijden (vs. 20; Psalm 23: 1,4, Luk. 22: 35 vv.). Dikwijls is het niet goed voor iemand om van aardse zegeningen omringd te zijn, gelijk sterke drank niet goed is voor zwakke hersenen. Ja, indien een, die God zoekt aan iets gebrek meent te hebben, kan hij er zeker van zijn, dat het niet goed voor hem is, en dan is het beter dat hij het mist dan dat hij het bezit. Welk verstandig mens zal klagen over het gemis van datgene, dat hem, zo hij het bezat, in plaats van voordelig, nadelig zou zijn? Het is gelijk een zwaard voor razenden, of een mes voor een kind. Gemis, als het geheiligd wordt, is een krachtig middel om in ons levensverbetering te wekken; het dringt tot gebed, het wendt van de wereldliefde af, het houdt ons steeds bereid tot den geestelijken strijd, het ontdekt of wij ware gelovigen of huichelaars zijn, het voorkomt, dat groter kwaad van zonde en straf tot ons komen, het maakt nederig, gelijkvormig aan Christus, ons hoofd, vermeerdert ons geloof, onze dankbaarheid, onze geestelijke wijsheid en desgelijks ons geduld. Macht hebben en sterk zijn is niet genoegzaam om verzadigd te worden en welvaart te genieten. De leeuw, al staan hem muil en klauwen ten dienste, moet dikwijls gebrek hebben, terwijl de machteloze en ellendige, die gene andere toevlucht heeft dan bij den Heere, zich kan verzadigen.
12.
II. Vs. 12-23.KruisverwijzingenPsalmen 144:15→Psalmen 147:11→Job 36:7→Job 28:24→Psalmen 11:4→Psalmen 20:7→Spreuken 21:31→1 Petrus 3:12→
— Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft. De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen. Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde. Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken. Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht; Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte. Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger. Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild. Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.
Op het loflied volgt ene onderwijzing: David wendt zich tot de gelovigen, spreekt die aan, en zegt, dat hij hun de kunst ook wil leren, hoe zij een rustig leven kunnen hebben en voor vijanden kunnen veilig zijn. Deze kunst bestaat in godsvrucht, en dat men zijnen mond wel beware, niets kwaads doe en den vrede najage; daarop zal volgen verhoring des gebeds, redding uit elk gevaar, de genadige tegenwoordigheid, bijwoning en troost Gods, den Beschermer van lichaam en van leven.
Lamed. Komt, gij kinderen! hoort naar mij 1); ik zal U des HEREN vreze leren, en u niet alleen tonen, wat zij is, maar voornamelijk ook de krachtigste gronden aanvoeren, die u daartoe moeten bewegen en opwekken.
Dit is de tedere aanspraak van den in Gods wegen ervaren meester aan allen en een iegelijk. Vergelijk Spreuken 1: 8; 10: 15. De Psalmist onderneemt de vreze des Heren te leren; deze sluit alle deugden van den godsdienst in. Wij moeten naarstig zijn, om deze bede aan ons en aan onze kinderen te leren. Laten de jeugdigen beginnen de vreze des Heren te leren, indien zij den waren troost en hierna het eeuwige leven begeren, zij zullen het gelukkigst zijn, die het vroegst beginnen zulk enen goeden meester te dienen.
Gij kent uwe aardse ouders, ja maar zorgt, dat gij uwe hemelse kent; Gij kent de vaders naar het vlees, maar zoekt den Vader der geest te kennen. Gij zijt ervaren, waarin ook, in de Odon van Horatius, de eclogae van Virgilius, de Oratie’s van Cicero; maar o, zoek verstand te krijgen in David’s Psalmen, in Salomo’s Spreuken en de overige boeken der Heilige Schrift. Het Manna moest in den morgen verzameld worden. Aurora musis amica, de morgen is de vriend der Muzen. O ken uwen Schepper in uwe kindsheid. Die mij vroeg zoeken zullen mij vinden. (Spreuken 8: 17).
Mem. a) Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen lief heeft, om het goede te zien? Wie verlangt waarachtig gelukkig te zijn?
1 Petrus 3: 10. De zegen van het leven ligt niet in de lengte, maar in het gebruik. Hij leeft soms het langst, die het kortst leeft.
Hun. Zeker wil ieder dezen zegen. Ik zal u dan het enige middel noemen, om dat geluk te verkrijgen. Bewaar uwe tong 1) van het kwaad, en uwe lippen van bedrog te spreken (Jak. 1:
.
De tong staat in gemeenschap met het hart; zij openbaart naar buiten, wat er binnen in ons is. Bewaar uwe tong, wil dus zeggen: “Bewaar uw hart.”.
Samech. Wijk af van het kwaad 1), en doe het goede (Psalm 37: 27); zoek den vrede, en a) jaag dien na2).
Rom. 12: 18. 2 Kor. 13: 11. Hebr. 12: 14.
Ga van het kwade weg. Houd er niet alleen uwe handen af, maar uzelven geheel en al. Leef niet naast het pesthuis, vermijd het hol van den leeuw, ontwijk het hol van den ander, Plaats een afstand tussen u en de verzoeking.
Daar het “Vreest God” geïndividualiseerd (in bijzonderheden verklaard) moet worden, worden de plichten jegens den naaste naar David’s gewoonte in ‘t bijzonder op den voorgrond gesteld, omdat hier de huichelarij, die zo gaarne de belofte, welke haar niet toebehoort, zich toe-eigent, minder speelruimte vinde.
Vrede zoeken en dien najagen is meer dan dien niet verstoren en over tweedracht treuren en klagen, men moet zich op ‘t herstellen van den vrede toeleggen, er jacht op maken als op ‘t edelst wild.
Ain. a) De ogen des HEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijne oren (Psalm 10: 17, 17: 1; 130: 2) tot hun geroep. Hij ziet op hen en verhoort hun gebeden.
Job 36: 7. Psalm 33: 18. 1 Petrus 3: 12. Hij slaat Zijn oog op de rechtvaardigen met de grootste tederheid, zij zijn Hem zo dierbaar, dat Hij Zijne ogen niet van hen kan aftrekken; Hij bewaakt ieder van hen zo zorgvuldig en ijverig, alsof het ‘t enige schepsel in ‘t heelal ware. Ogen en oren zijn beide bij den Heere naar Zijne heiligen gekeerd; Zijn gehele hart is bij hen; zij zijn door anderen veracht, zij worden niet door Hem vergeten. Hun geroep hoort Hij aanstonds, even als ene moeder zonder twijfel haar ziek kindje hoort; het geschreeuw moge gebroken, klagend, ongelukkig, zwak, ongelovig zijn, het Vader-oor vangt aanstonds elk bewijs van klacht of geroep op, en Hij is niet traag in het beantwoorden van de stem Zijner kinderen.
Pe. Het aangezicht des HEREN is daarentegen tegen degenen, die kwaad doen (vgl. 1 Petrus 3: 10-12), in toorn, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien (Job 18: 17 vv.)
Tsade. Zij 1), de rechtvaardigen, roepenuit de diepte van de aan zich zelf wanhopende ziel, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden (vs. 5 en 7).
Dit woord slaat terug op vs. 16, gelijk de dichter in ‘t algemeen vooral de rechtvaardigen in zijne gedachte heeft, en wat hij van de goddelozen zegt slechts als schaduw in aanmerking komt, die het licht te meer moet doen uitkomen.
Koph. a) De HEERE is gelijk een geneesheer de kranken, gelijk een herder de schapen, gelijk de leermeester de discipelen, als een vader de kinderen, als een verlosser de gevangenen, als een redder de bestredenen nabij de gebrokenen van harte, nabij hen, die door uit- en inwendige levenservaringen hun onmacht, ellende en zonde recht hebben leren kennen, en Hij behoudt de verslagenen van geest, de verslagenen ten opzichte van hun gemoed, waarin dus al het harde, al wat genade tegenstreeft, geweken is, en dat tot een zachteren grond geworden is, geschikt om het zaad te ontvangen.
2 Tim. 3: 11. Gebroken harten menen, dat God verre van hen is, wanneer Hij juist het meest nabij is; hun ogen worden gehouden, dat zij Hem, hun besten vriend, niet zien. Inderdaad Hij is met hen en in hen, maar zij weten het niet. Zij lopen heen en weer, zoekende vrede in hun eigene werken, of in bevindingen, of in gesprekken en sluitredenen, terwijl de Heere nevens hen is en de eenvoudige daad des geloofs Hem zal openbaren.
Waren wij meer hopeloos, hulpeloos, meer wezen (Hos. 14: 4), wij zouden meer genade vinden van des Heren Jezus hand. O dat God ons wilde doen ontwaken en dezen dag in de zonde slapende zielen wilde komen wakker schudden. O dat Zijn Woord mocht zijn als een bliksem, die de binnenzijde van uzelven liet zien. O arme zondaar! gij hebt een ondragelijken last van zonde en schuld op uwe ziel liggen, gereed om u neer te drukken in de hel, en toch gij gevoelt het niet, gij hebt den toorn Gods boven uw hoofd hangen wegens de kortheid van uw leven, zodat gij misschien geen jaar, misschien zelfs niet ene maand meer vrij blijft, maar gij ziet het niet, indien gij het zaagt, dan zoudt gij schreeuwen als eens in het veld van Borworth geroepen werd: “Een paard, een paard! een koninkrijk voor een paard!” Zo zoudt gij uitroepen: “Niemand dan Christus, niets dan Christus, tien duizend werelden voor Christus!” De vromen worden ten opzichte van hunnen gemoedstoestand nader beschreven: Zij komen in hun moeite niet met trotsheid, maar verlost van zelfvertrouwen tot Jehova.
O hoe veel beter is het toch van een verbroken hart en een verslagen geest te zijn, maar daarbij het opzicht en de bewaring des Heren ook over zijne beenderen te genieten, zodat er niet een verbroken wordt (vs. 21), dan wanneer iemand hals en benen moeten verbroken worden, omdat hij niet wil, dat zijn hart gebogen worde.
Resch. a) Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen 1), daar hij te zamen leeft met de goddelozen, die hem haten en vervolgen, en hij voor zich zelven nog de loutering en beproeving zozeer nodig heeft; maar uit alle die redt hem de HEERE, onder wiens bijzondere zorg hij staat.
2 Tim. 3: 12.
Mogen onze smarten vele in getal, hard van aard, lang van duur zijn, Gods genadegiften zijn talrijker, Zijne wijsheid is wondervoller, Zijne macht groter; Hij zal ons uit die alle bevrijden. Wel onzer, dat het zo is! Want waren de vromen van elk bezwaar en van elke nood voor altijd vrij, hoe zouden de onreine begeerten ons van God aftrekken, hoe zou het geloof verflauwen, de aanroeping Gods ophouden en vleselijke gerustheid de overhand nemen.
Gods kinderen treft vaak nog meer kwaad dan de goddelozen, dan hen, die van God vervreemd, zijn vijanden zijn. Immers, zij delen niet slechts in het gemeen leed der aarde, zoals de zonde in de wereld inkwam, maar zij hebben bovendien de verdrukking en het lijden om Christus wil te verduren, en geen van Gods kinderen ontkomt aan de Vaderlijke roede der beproeving en kastijding tot hun heiliging. Daarom zijn hun tegenspoeden velen, meer dan der goddelozen.
Schin. Hij, de Heere, bewaart al zijne beenderen a); niet één van die wordt zonder Gods uitdrukkelijken wil en Zijne wijze beschikking gebroken 1).
MATTHEUS. 10: 30. Joh. 19: 36.
De Christelijke lezer herinnert zich hierbij den Gekruisigde; inderdaad kan het profetische woord des O. Testaments, dat in Joh. 19: 33 vv. aangehaald wordt, evenzo goed beschouwd worden uit onzen Psalm, als uit Exodus 12: 46 genomen. Niet alleen het paaslam, maar enigermate ook al het lijden der rechtvaardigen is ene type (voorbeeld); niet alleen het wezen der godsdienstige symboliek (beeldspraak) wordt in Christus vervuld gezien; niet alleen de geschiedenis van Israël en van David recapituleert (herhaalt in ‘t kor
zich in Hem, niet alleen het menselijk lijden wordt bij Hem verdiept tot het diepste punt, maar ook alle den rechtvaardige gegevene beloften worden in Hem, in bijzondere mate vervuld, omdat Hij de Rechtvaardige is in den absoluutsten (volkomensten), de Heilige Gods in een enigen zin.
Het paaslam, waarvan geen been gebroken werd, schaduwde Christus af, van wiens lichaam geen been zou gebroken worden, en op dezelfden tijd schaduwde het vooraf de volkomen bewaring en veiligheid van Christus lichaam, de kerk. Dit woord is volkomen vervuld in den Christus Gods, maar in zekeren zin ervaren alle gelovigen het. Het is ten slotte ene heerlijke gedachte, dat de vijand niet verder kan gaan en zal gaan, dan de Heere God het toelaat. Een zeker schrijver zegt dan ook terecht: “Er is altijd een uiterst punt, tot waar de vijand komen kan en verder niet. Het vlees van de gelovigen mag gewond, doorboord, ja verscheurd worden, maar tot het innerlijk beendergestel mag de vijand niet doordringen.”
Thau. De boosheid zal de goddelozen doden; in de strikken voor anderen gespannen zullen zij zelf vallen, de natuurlijke gevolgen der zonde zullen hen de bezoldiging doen vinden, al worden zij ook lang gespaard, en die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden, en zelf in ‘t verderf vallen (Psalm 5: 11).
De HEERE verlost daarentegen de ziel Zijner knechten, wanneer zij in ongeluk geraken, dat hen met den dood dreigt, en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden, maar blijken onschuldigen te zijn, en als zodanig zullen zij verschoond blijven. Wellicht is dit vers evenzeer ene liturgische bijvoeging, als Psalm 14: 7; 25: 22; ten minste komt hier, nadat de rij van de letters van ‘t Hebreeuwse Alfabet doorlopen is de Pe nog eens voor, terwijl het vers den inhoud van den Psalm nog eens in ene korte somma samenvat.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel