Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalmH4210 van DavidH1732. De HEEREH3068 is mijn HerderH7462, mij zal niets ontbrekenH2637.
Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
KJV
[[A Psalm1
of David.]]2
The LORD3
is my shepherd;4
I shall not want.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Hij doet mij nederliggenH7257 in grazigeH1877 weidenH4999; Hij voert mij zachtjes aanH5921 zeer stilleH4496 waterenH4325.
Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
Ook in dit vers
voert zachtjesH5095
KJV
He maketh me to lie down3
in green2
pastures:1
he leadeth7
me beside the still6
waters.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Hij verkwiktH7725 mijn zielH5315; Hij leidtH5148 mij in het spoorH4570 der gerechtigheidH6664, omH4616 Zijns NaamsH8034 wil.
Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.
KJV
He restoreth2
my soul:1
he leadeth3
me in the paths4
of righteousness5
for his name's
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Al gingH3212 ik ookH1571 in een dalH1516 der schaduw des doods, ik zou geenH3808 kwaadH7451 vrezenH3372, wantH3588 GijH859 zijt met mij; Uw stokH7626 en Uw stafH4938, dieH1992 vertroostenH5162 mij.
Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Ook in dit vers
schaduw doodsH6757
KJV
Yea, though I walk3
through the valley4
of the shadow of death,5
I will fear7
no evil:8
for thou art with me; thy rod12
and thy staff13
they comfort
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Gij richtH6186 de tafelH7979 toe voor mijn aangezichtH6440, tegenoverH5048 mijn tegenpartijdersH6887; Gij maaktH1878 mijn hoofdH7218 vetH1878 met olieH8081, mijn bekerH3563 is overvloeiendeH7310.
Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
KJV
Thou preparest1
a table3
before2
me in the presence of mine enemies:5
thou anointest6
my head8
with oil;7
my cup9
runneth over.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Immers zullen mij het goedeH2896 en de weldadigheidH2617 volgenH7291 alH3605 de dagenH3117 mijns levensH2416; en ik zal in het huisH1004 des HEERENH3068 blijven in lengteH753 van dagen.
Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.
KJV
Surely goodness2
and mercy3
shall follow4
me all the days6
of my life:7
and I will dwell8
in the house9
of the LORD10
for ever.11
nederliggen
Verg. Ezech. 34:15 .
Hertaald:
nederliggen
Vergelijk Ezech. 34:15.
grazige
Hebr. weiden van gras, of grasscheukens. Anders, in grazige kooien, of hutten, dat is, die rondom omgeven zijn met groene grazige weiden.
Hertaald:
grazige
Hebreeuws: weiden van gras, of grasscheuten. Anders: in grazige kooien, of hutten, dat is: die rondom omgeven zijn met groene, grazige weiden.
zachtkens
Gelijk Ex. 15:13 , en Ps. 31:4 .
Hertaald:
zachtkens
Zoals Ex. 15:13, en Ps. 31:4.
stille
Hebr. wateren der stilte, dat is, die zeer zacht en stil zijn lopende, tot watering der beesten zeer bekwaam.
Hertaald:
stille
Hebreeuws: wateren van de stilte, dat is: die zeer zacht en stil stromen, zeer geschikt om de dieren te drenken.
verkwikt
Hebr. Hij doet wederkeren, of Hij brengt weder, dat is, Hij richt op, Hij verkwikt, gelijk een herder de schapen, door hitte en dorst verflauwd zijnde, met lieflijke wateren weder terechtbrengt en verkwikt. Zie Ruth 4:15 ; Ps. 19:8 ; Spr. 25:13 . Of, Hij doet mijne ziel wederkeren; te weten, op het rechte pad.
Hertaald:
verkwikt
Hebreeuws: Hij doet terugkeren, of Hij brengt terug, dat is: Hij richt op, Hij verkwikt, zoals een herder de schapen, verflauwd door hitte en dorst, met heerlijk water weer terechtbrengt en verkwikt. Zie Ruth 4:15; Ps. 19:8; Spr. 25:13. Of: Hij doet mijn ziel terugkeren; namelijk op het rechte pad.
spoor
Hebr. de sporen.
Hertaald:
spoor
Hebreeuws: de sporen.
schaduw
Dat is, op schrikkelijk duistere en gevaarlijke wegen, hetwelk David in zijn ballingschap ongetwijfeld dikwijls zal gebeurd zijn. Wat deze manier van spreken verder betekent, is te zien Job 3:5 , en Job 10:21-22 , en Job 24:17 ; Ps. 44:20 , en Ps. 107:10 , Ps. 107:14 :Jer. 2:6 enz.
Hertaald:
schaduw
Dat is: op verschrikkelijk duistere en gevaarlijke wegen, wat David tijdens zijn ballingschap ongetwijfeld dikwijls zal zijn overkomen. Wat deze manier van spreken verder betekent, is te zien in Job 3:5, en Job 10:21-22, en Job 24:17; Ps. 44:20, en Ps. 107:10, Ps. 107:14: Jer. 2:6 enzovoort.
met mij
Zie Gen. 21:22 , en Gen. 31:3 .
Hertaald:
met mij
Zie Gen. 21:22, en Gen. 31:3.
staf
Te weten, herderstaf, die tegenlijk voor een steunsel dient; alzo blijft de profeet in de gelijkenis van den herder. Zie Lev. 27:32 ; Ezech. 20:37 ; Mi. 7:14 ; Zach. 11:7 , enz.
Hertaald:
staf
Namelijk: herderstaf, die tegelijk als steun dient; zo blijft de profeet in de vergelijking met de herder. Zie Lev. 27:32; Ezech. 20:37; Micha 7:14; Zach. 11:7, enzovoort.
tafel
Zie Spr. 9:2 , enz.
Hertaald:
tafel
Zie Spr. 9:2, enzovoort.
tegenover
Dat zij het tot hun spijt moeten aanzien en lijden. Zie Ps. 112:10 .
Hertaald:
tegenover
Zodat zij het tot hun verdriet moeten aanzien en verdragen. Zie Ps. 112:10.
maakt
Dat is, Gij zalft mijn hoofd overvloedloediglijk, zodat het als vet en vloeiende is van olie.
Hertaald:
maakt
Dat is: U zalft mijn hoofd overvloedig, zodat het als vet is en vloeit van olie.
olie,
Versta, welriekemde olie of balsem. Zie Ruth 3:3 , en Spr. 21:17 . De zin is: Gij vervrolijkt mij uitermate zeer. Verg. Ps. 45:8 , en Ps. 133:2 ; Pred. 9:8 ; Jes. 61:3 .
Hertaald:
olie,
Versta hieronder: welriekende olie of balsem. Zie Ruth 3:3, en Spr. 21:17. De betekenis is: U verblijdt mij buitengewoon zeer. Vergelijk Ps. 45:8, en Ps. 133:2; Pred. 9:8; Jes. 61:3.
beker
Zie Ps. 11:6 .
Hertaald:
beker
Zie Ps. 11:6.
weldadigheid
Des Heeren die Hij den zijnen belooft en bewijst.
Hertaald:
weldadigheid
Van de HEERE, die Hij de Zijnen belooft en bewijst.
blijven
Anders, rusten; te weten in des Heeren tabernakel, om Hem met zijn volk te dienen en te loven; hetwelk sommigen niet alleen op dit leven duiden, maar ook op het toekomende; alzo ook de volgende woorden.
Hertaald:
blijven
Anders: rusten; namelijk in de tabernakel van de HEERE, om Hem met Zijn volk te dienen en te loven; wat sommigen niet alleen op dit leven betrekken, maar ook op het toekomende; zo ook de volgende woorden.
lengte
Dat is, langen tijd, of eeuwigheid. Verg. Ps. 21:5 , en Ps. 93:5 ; Jes. 53:10 .
Hertaald:
lengte
Dat is: lange tijd, of eeuwigheid. Vergelijk Ps. 21:5, en Ps. 93:5; Jes. 53:10. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken" (Ps. 23:1). Wat volgt is eerst het werk van de herder. Hij doet nederliggen in grazige weiden en voert zachtjes aan zeer stille wateren (Ps. 23:2); schapen drinken niet uit stromend water. Hij verkwikt de ziel en leidt "in het spoor der gerechtigheid", en de grond daarvoor is niet de waarde van het schaap: het gebeurt "om Zijns Naams wil" (Ps. 23:3). Dan komt het donkerste vers, en daar verandert de aanspraak van Hij in Gij: "Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij" (Ps. 23:4). Vanaf Ps. 23:5 wordt het beeld dat van een gastheer: een gedekte tafel tegenover de tegenstanders, olie op het hoofd, een overvloeiende beker. En het slot: "ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen" (Ps. 23:6). Bijbelse betekenis: Let op waar de aanspraak omslaat. Zolang het over weiden en wateren gaat, spreekt David over God; zodra hij het dal ingaat, spreekt hij tot Hem. De nood brengt hem niet verder van God af maar dichterbij. Merk daarnaast op wat er in Ps. 23:4 niet staat. Er staat niet dat hij het dal ontloopt, maar dat hij er doorheen gaat; en er staat niet dat hij niets voelt, maar dat hij niet vreest. Let ook op de tafel in Ps. 23:5. Die wordt gedekt tegenover de tegenpartijders, dus terwijl zij toekijken; de vijanden zijn er nog. En let op het eerste woord van de psalm. Alles hangt aan dat ene bezittelijke woordje mijn. Typologie: De Heere Jezus neemt deze naam over: "Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen" (Joh. 10:11). En Openbaring tekent het einde van de weg door het dal: "het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden" (Op. 7:17). Ps. 23:1-6; Joh. 10:11; Op. 7:17 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen ambt De bekendste psalm van de Bijbel, geschreven door iemand die zelf schapen gehoed had en wist hoe weerloos ze zijn. Hij zegt niet dat God een herder is, maar dat Hij zijn Herder is. David spreekt over God als zijn Herder — en Christus past dat beeld op Zichzelf toe, met een toevoeging die geen herder ooit deed. Mij zal niets ontbreken. Dat is geen belofte van overvloed; het is de gerustheid van een dier dat niet zelf hoeft te zoeken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden — een schaap gaat pas liggen als het niet bang is. Halverwege verandert de psalm. Tot vers 3 gaat het over Hem, in de derde persoon: Hij verkwikt mijn ziel, Hij leidt mij. Vanaf het dal wordt het aanspreken: want Gij zijt met mij. Juist waar het donker wordt, komt God dichterbij in de taal. En dan het dal der schaduw des doods. Er staat niet dat de herder het dal wegneemt; er staat dat hij meegaat. De stok en de staf vertroosten — het ene om te verdedigen, het andere om te leiden. In het laatste deel wisselt het beeld van weide naar huis. Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders. De kanttekening merkt daarbij op dat zij het tot hun verdriet moeten aanzien. En bij het hoofd vet maken met olie: U zalft mijn hoofd overvloedig, zodat het als vet is en vloeit van olie. Het slot is een huis: ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen. De profeten hebben dit beeld ernstig gemaakt, want in Ezechiël 34 klaagt God dat de herders zichzelf weiden en dat Hij het daarom zelf komt doen. En in Johannes 10 neemt Christus dat beeld over: Ik ben de goede Herder — en Hij voegt eraan toe wat David niet kon weten: de goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen. In het Nieuwe Testament: Johannes 10:11-16; Hebreeën 13:20; 1 Petrus 2:25; Openbaring 7:17 Hoever dit reikt: Niveau 2. De psalm spreekt over de HEERE als Herder; het Nieuwe Testament haalt haar niet met name aan. Dat Christus het herdersbeeld op Zichzelf toepast staat wel vast, en de profeten hadden het al aan de beloofde Herder verbonden.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Een schaap is een van de onverstandigste schepselen die er zijn. Het gaat overal heen, behalve in de goede richting. Het verlaat een vette weide om in een dorre te gaan dwalen. Het vindt vele wegen, maar niet de rechte weg. Het zou door een woud zwerven en zich door de kloven een weg banen tot in de muil van de wolf, maar het zou zich uit voorzichtigheid nooit van de wolf afwenden. Het zou vlak bij zijn hol kunnen ronddwalen, en zou zich toch niet vanzelf van de plaats des gevaars afkeren. Het weet hoe het moet afdwalen, maar het weet niet hoe het weer thuis moet komen. Aan zichzelf overgelaten zou het niet weten in welke weide het des zomers grazen moest, of waar het zich des winters bergen moest. Spurgeon laat zien dat het "dal van de schaduw des doods" niet alleen ziet op het sterven, maar op alle perioden van geestelijke duisternis, beproeving, gevaar en onzekerheid… Spurgeon laat vanuit Psalm 23:3 zien dat de normale toestand van een christen een voortdurende, levende gemeenschap met Christus is. Wanneer een gelovige afdwaalt, is Christus de enige… De preek legt uit dat alleen wie zijn eigen dwaasheid en afhankelijkheid erkent als een schaap, werkelijk kan belijden dat de Heere zijn Herder is. Vanuit die relatie… Ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij. Psalm 23:4 Hoe vol vertrouwen, hoe blij en hoe kalm kun jij zijn, zelfs wanneer de wereld om… Sta op, zalf hem, want deze is het. (1 Samuel 16:12) Lees verder Psalm 23:1—6. Ik heb onder jullie gewerkt om jullie op de voorrechten van een sterk geloof… ... mijn beker is overvloeiende. Psalm 23:5 Het laatste wat ik u te zeggen heb, is dit: weet u wat het is vol te zijn van de liefde… ... mijn beker is overvloeiende. Psalm 23:5 Vloeit uw beker over? Laat uw vrienden dan komen om ook die overvloed te krijgen. Laat anderen deelhebben aan wat u… ... mijn beker is overvloeiende. Psalm 23:5 Ik spreek tot degenen die door het geloof leven in de dienst des Heeren. U hebt geleerd grote dingen te verwachten,… Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten… De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Psalm 23:1 Hoe bijzonder als je bedenkt dat de oneindige Heere, de Koning van de eeuwigheid het karakter van… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Ik zal geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij. Psalm 23:4 Zie eens hoe onafhankelijk de Heilige Geest een christen… 1 Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. 2 Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille… Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 23
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De HEERE is mijn Herder — 23:1-6
Wat betekenen de niveaus?
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
Het dal van de schaduw des doods
Mijn Verkwikker
De Goede Herder
Vertrouwen op Gods bescherming
Ben je uitgekozen?
Laat uw lege beker vullen
Vloeit uw beker over?
Mijn beker is overvloeiende
Gij zijt met mij
De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken
Ik zal geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij
Psalm 23
De Heere onze Metgezel


Psalmen 23
Ik hoop dat wij deze psalm allen van buiten kennen; mogen wij hem ook uit hartelijke ondervinding kennen! Het is een liefelijk herderslied, juist geschikt voor onze avondgodsdienst op de dag des Heeren. Er is hier geen wapengekletter, geen krijgsrumoer; maar er heerst een heerlijke stilte, alleen onderbroken door het zachte getingel van het schaapsbelletje.
Psalmen 23:1.KruisverwijzingenFilippenzen 4:19→Johannes 10:11→Jesaja 40:11→Johannes 10:27→Johannes 10:14→1 Petrus 2:25→Mattheüs 6:33→Ezechiël 34:11→
— Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
Alle ware rust begint bij Jezus, gelijk al de vertroosting der schapen hun door hun herder verschaft wordt. “De HEERE is mijn Herder.” Is het zo? Kunt u opzien, arm weerloos schaap, en zeggen: de HEERE is míjn Herder? Dan volgt de gezegende gevolgtrekking.
Niemand kan de voorzienigheid vertrouwen voordat hij zichzelf wantrouwt; en niemand kan zeggen: “De HEERE is mijn Herder”, voordat hij iedere ijdele inbeelding heeft opgegeven dat hij zichzelf besturen of zijn eigen belangen behartigen kan. Helaas, de meesten van ons zijn wijzer dan er geschreven staat, en wij zijn te verwaand om de wijsheid Gods te erkennen. In onze eigenwaan verbeelden wij ons dat ons verstand onze voornemens beheersen kan, en wij twijfelen nooit aan onze eigen macht om onze eigen bedoelingen tot stand te brengen. En dan menen wij ons met een weinig overleg wel uit onze moeilijkheden te kunnen redden.
“Mij zal niets ontbreken.” Ik heb geen gebrek, ik kán geen gebrek hebben; ik zal nooit gebrek hebben met zo’n Herder als ik heb. Hij zal voor mij zorgen; ja meer nog: God Zelf is mijn voorziening. Alles wat ik nodig heb bezit ik, want de HEERE is mijn Herder. Ik kan niet voor mijzelf zorgen, maar mij zal niets ontbreken. Er kan honger komen, en anderen, die geen God hebben tot Wien zij gaan kunnen, mogen wegkwijnen en omkomen; maar in het slechtste jaargetijde zal mij niets ontbreken, want de HEERE is mijn Herder.
Psalmen 23:2.KruisverwijzingenOpenbaring 22:1→Psalmen 46:4→Jesaja 49:9→Openbaring 7:17→Openbaring 22:17→Ezechiël 34:13→Openbaring 21:6→Jesaja 30:23→
— Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
Ik ben zo zwak dat ik zelfs Gods hulp nodig heb om te kunnen nederliggen; maar “Hij doet mij nederliggen”. Ja, de rust der ziel is zo moeilijk te verkrijgen dat niemand haar ooit bereikt dan door de kracht van God. Hij Die de hemelen gemaakt heeft, moet ons doen nederliggen zullen wij werkelijk rusten. Welk een verrukkelijke rust is het wanneer wij nederliggen in Zijn weiden, die altijd grazig zijn! Hebt u ze ooit dor gevonden? Onze Herder doet ons niet alleen weiden, maar zó weiden dat wij midden in de weiden nederliggen. Er is meer dan wij eten kunnen, en daarom maakt de HEERE er een rustbed van voor ons.
Daar is eerst de overdenking: “Hij doet mij nederliggen.” Dan is er de werkzaamheid: “Hij voert mij.” Er is ook voortgang, en er is voorziening voor onze vordering op de hemelse weg. Hij voert mij zachtjes aan heel stille wateren — niet langs de bruisende stromen der opgewondenheid, noch naar de plaats van luidruchtige twist. “Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.” Er staat niet dat Hij drijft of sleept, maar Hij Zelf voert, en gaat voorop om de weg te wijzen. Aan mij is het te volgen, en blijmoedig te volgen.
Psalmen 23:3.KruisverwijzingenPsalmen 51:10→Psalmen 19:7→Spreuken 8:20→Psalmen 5:8→Psalmen 31:3→Jesaja 42:16→Job 33:30→Psalmen 79:9→
— Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.
Hij kan het meteen doen. Hij verkwikt nú. Hij is een verkwikkend God. Hij brengt mijn dwalende geest terug wanneer ik Zijn wegen verlaat; en dat gedaan hebbende, leidt Hij mij nog zorgvuldiger dan tevoren, want voor de tweede maal hebben wij hier de belijdenis van de psalmist: Hij leidt mij.
Psalmen 23:4.KruisverwijzingenJesaja 41:10→Psalmen 138:7→Psalmen 118:6→Psalmen 3:6→Micha 7:14→Jesaja 43:1→Psalmen 46:1→2 Timotheüs 4:22→
— Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Al zweeft de schaduw des doods overal om mij heen en drukt zij mijn geest neder, al gevoel ik alsof ik sterven moet en de tegenwoordige beproeving niet langer dragen kan — “al gíng ik ook”, want ik gá. Ik zal mijn pas niet versnellen, ik zal niet in verwarring raken, ik zal er niet voor op de vlucht slaan. Al zou de dood zelf mij overschaduwen, ik zal mijn wandel met God volhouden.
“Ik zou geen kwaad vrezen.” Er is geen, en daarom zal ik er ook geen vrezen. Wij zijn vaak banger door onze vrees zelf dan door enige werkelijke oorzaak tot vrees. Sommige mensen schijnen altijd op zoek naar vrees waar er geen is. Zie er u geen, en laat er ook geen in uw hart binnenkomen.
“Want Gij zijt met mij.” Behoort een schaap te vrezen wanneer de herder bij hem is? Wat reden heeft het tot vrezen als die Herder alwetend is, almachtig, en vol tederheid? Uw bestuur en Uw tuchtiging: Uw stok, waaronder ik somtijds smart lijd; Uw staf, waarmee ik ondersteund word. Dit zijn mijn vertroostingen; waarom zou ik vrezen?
Drinkt u dit alles in, geliefde vrienden? Voelt u het in de diepste ondervinding van uw ziel? Deze psalm is zeer goed om te lezen, maar het is veel beter hem uit uw eigen ondervinding op te schrijven. Maak er een lied van uzelf van; niet slechts een lied in het Boek, maar een lied voor uzelf.
Psalmen 23:5.KruisverwijzingenPsalmen 16:5→Psalmen 92:10→Psalmen 45:7→Efeze 3:20→Psalmen 31:19→Job 36:16→Johannes 16:22→Psalmen 22:26→
— Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
Er wordt een strijd gestreden, en er zijn vijanden aan alle kanten. Men richt gewoonlijk geen tafels aan in het uur van de veldslag; maar God houdt Zijn volk zo kalm te midden van het verbijsterende krijgsgeschreeuw, en zo zeker van de overwinning, dat er zelfs in tegenwoordigheid van hun tegenpartijders een tafel wordt aangericht met al de staat van een koninklijk gastmaal. Er ligt een kleed op de tafel, er staan de sieraden op, en er is al wat bij een feestmaal behoort.
Zij mogen toekijken als zij willen; zij mogen grijnzen, zij mogen wensen dat zij verslinden konden, maar zij kunnen niet aan de tafel aanzitten, en zij kunnen mij niet beletten daaraan aan te zitten. Laat hen op hun trompetten blazen, laat hen hun geschut afvuren: “Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders.” Het is het toppunt van veiligheid en van rust dat hier beschreven wordt. Ik ken geen uitdrukking, zelfs niet die van het nederliggen in grazige weiden, die voller van rust is dan deze.
“Gij maakt mijn hoofd vet met olie.” Bij sommige gastmalen goot men welriekende zalven over de hoofden der gasten; zo zal God niets nalaten wat tot blijdschap en vertroosting van Zijn volk strekt. U zult lekkernijen hebben zowel als het nodige; u zult blijdschap hebben zowel als veiligheid; u zult tot de dienst toegerust worden zowel als voor het verderf bewaard.
“Mijn beker is overvloeiende.” Ik heb niet alleen wat ik wens, maar ik heb meer; niet alleen alles wat ik bevatten kan, maar nog iets over. Is dit met uw beker het geval, lieve vriend, laat hem dan overvloeien in dankbare blijdschap; en hebt u meer van deze wereld dan u nodig hebt, nodig dan de armen en nooddruftigen om te komen en op te vangen wat overvloeit.
Psalmen 23:6.Kruisverwijzingen2 Korinthe 5:1→Psalmen 27:4→2 Timotheüs 4:18→Psalmen 73:24→Psalmen 16:11→Psalmen 21:4→Psalmen 36:7→Filippenzen 1:23→
— Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.
Dit is nog een gevolgtrekking van de psalmist, en een heel vaste. Hij zegt niet “misschien”, maar “immers”. Hier is een vorst van den koninklijken bloede des hemels, begeleid door twee lijfwachten — het goede en de weldadigheid — die vlak achter hem blijven. Dit zijn de rijknechten die op de paarden der zaligheid rijden. Het goede, om voor mij te zorgen; de weldadigheid, om mijn zonde uit te wissen. En niet slechts nu en dan, maar “al de dagen mijns levens”. Wanneer ik grijs word en zwak, en zwaar op mijn staf moet leunen, zullen deze twee tweelingengelen vlak achter mij zijn om mij te dragen en er doorheen te helpen.
Reeds terwijl ik hier in deze wereld ben, zal ik geen vreemdeling of gast meer zijn, maar als een kind thuis, wonende bij God; en straks, in de volste zin: “Ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.” Ik vergelijk deze psalm altijd bij een leeuwerik. Hij begint op de grond, te midden van de schapen, maar hij stijgt op tot u zijn gezegende tonen tussen de sterren hoort weerklinken. Hij heeft zijn nest in het gras der grazige weiden, maar hij vliegt omhoog als de klanken van de zoetste muziek, tot in de hemelen toe.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm van David (Psalm 3: 1). De drie-en-twintigste Psalm is de nachtegaal onder de Psalmen. Hij is klein zonder vederpracht, niet dan schuw te voorschijn tredende uit de verborgenheid; maar hij heeft de lucht dezer aarde met blijde welluidendheid vervuld, liefelijker dan de tong kan vermelden. Gezegend zij de dag toen deze Psalm gedicht werd! Wat zoudt gij zeggen, wanneer God een wandelaar had uitgezonden, die de aarde rondging, ene wonderschone melodie zingende, die elk, wie haar beluistert, alle kommer deed vergeten? En wanneer deze zingende Engel dan van land tot land ging en in de taal van ieder volk door de tonen van zijn lied, die met hemelse kracht zijn borst ontstroomden, elke droefheid suste? Ziet dezen Psalm is zulk een Engel. God heeft hem uitgezonden om iedere mensentaal te spreken. Hij heeft meer pijn en angst gestild dan alle wijsgeren zamen. Hij heeft ontelbare boze gedachten, sombere twijfelingen, nijpende zorgen, in hare schuilhoeken teruggedreven. Hij heeft de schare der edele armen getroost, Hij heeft het heirleger der bedrukten moed in het hart gezongen. Hij heeft balsem gestort in der kranken borst, de brandende smart der weduwen verkoeld, de verlatenheid der wezen getemperd. Stervende helden zijn blijmoedig gestorven als zij dezen Psalm hoorden. Doodsbleke aangezichten heeft hij doen gloeien van den blos der hoop. Gevangenen heeft hij bezocht in de treurcel, hun banden slakende en, zo als de Engel, die tot Petrus kwam, hem in den geest uitleidende uit den kerker, elk hunner terug zingende in zijn eigen huis. Zieltogende slaven heeft hij vrijer gemaakt dan hun levende meesters ooit waren. De achterblijvenden heeft hij vertroost, die minder klaagden, omdat de stervende hen verliet, dan wel omdat zij hem niet vergezellen konden. En nog is zijn werk niet voleindigd. Zingende zal hij gaan tot uwe kinderen en tot de mijne, tot onze kleinkinderen en tot alle geslachten, alle eeuwen door. Hij zal zijne wieken niet zamen vouwen, eer alle pelgrims thuis zijn. Dan zal hij tot het hart van God terugkeren, van waar hij nederdaalde, en zal blijven klinken in het koor der eeuwige vreugde, dat onophoudelijk den hemel vervullen zal. “De volgorde kon niet juister zijn, dan dat nu op den Psalm, die spreekt van een groten maaltijd der genade voor mensen aangericht, (22: 27,30) een Psalm volgt, die Jehova prijst als Herder en Gastheer der Zijnen!” Nadat wij den vorigen Psalm in verband gebracht hebben met de geschiedenis in 2 Samuel 17: 26, bieden ons de drie volgende verzen de geschiedkundige aanleiding aan voor dezen Psalm (Vergelijk 2 Samuel 17: 29 ); gelijk echter, zo menen wij, Psalm 22 Christus in Zijn kruislijden profetisch voorafschaduwt, zo schaduwt wederom Psalm 23 tot op ene zekere hoogte den Heiland af bij het laatste Paasmaal, toen Hij Zijn Sacrament instelde, en door dat genademiddel de Zijnen in staat stelde, de woorden in vs. 5 nog in een dieperen dan enkel figuurlijken zin te bidden, wanneer zij in den Strijd trekken tegen den laatsten vijand, die te niet gedaan wordt. Tegenover de door velen aangenomene mening daarentegen, dat onze Psalm tot den tijd van David’s jeugd behoort, (Vergelijk 1 Samuel 16: 13 ) is het hier uit te spreken vertrouwen niet van enen die de smarten des levens, welke hij nog niet ervaren heeft, tegemoet gaat met de vreugde, die uit het bewustzijn van gemeenschap met God voortspruit, het is integendeel dat van een ervaren strijder, van zulk ene, die uit vele droefenissen komt, die weet, wat zij betekenen, en in rijke mate ondervond, hoe de Heere in deze vertroost en uit deze helpt.
I. Vs. 1-3.KruisverwijzingenFilippenzen 4:19→Johannes 10:11→Jesaja 40:11→Johannes 10:27→Johannes 10:14→1 Petrus 2:25→Mattheüs 6:33→Ezechiël 34:11→
— Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.
David, die door vele moeilijke ervaringen heen worstelde, en altijd in deze door God gesterkt, onderhouden en tot ene goede uitkomst geleid werd, heeft zo even weer in zijnen treurigen toestand van gemis en ronddwalen, de vriendelijke zorg des Heren ondervonden. Nu prijst hij Hem als zijnen herder bij wie het hem aan niets, dat hij nodig had, ontbrak, en die in ieder opzicht Zijn welzijn ter harte nam.
De HEERE, die alles bezit en den Zijnen alles geeft, wat goed is, is mijn herder, heeft ook mij onder Zijne verzorging en leiding genomen; mij zal daarom niets ontbreken (Deuteronomium 2: 7; 8: 9. Psalm 34: 10 v. Luk. 22: 35).
Jes. 40: 11. Jer. 23: 4. Ezechiël. 34: 23. Joh. 10: 11. 1 Petrus 2: 25. Openbaring 7: 17. De andere namen, welke de Schrift aan God geeft. luiden eensdeels enigszins te heerlijk en te majestueus, en brengen tevens ene vrees aan, wanneer men ze hoort noemen; als wanneer de Schrift God noemt onzen Heer, Koning, Schepper, enz. Van dien aard is dit woordje: “Herder” niet, maar het klinkt zeer vriendelijk en geeft den godzaligen, wanneer zij het horen of lezen, aanstonds vertrouwen, troost en zekerheid, even als het woord: “Vader” en anderen, wanneer ze van God gebezigd worden. Men kan echter dit liefelijke en troostvolle beeld niet beter verstaan, dan dat men in de schepping ga, en daar vlijtig naga wat de aard en eigenschap van een natuurlijk schaap en het ambt, de arbeid en de zorg van enen goeden herder is. Een schaap moet geheel en al van de hulp, bescherming en zorg van zijnen herder leven; zodra het dezen verliest, is het van allerlei gevaar omringd en moet omkomen, want het kan zich zelven niet helpen. De reden daarvan is, dat het een arm, zwak, onnozel diertje is, dat zich noch voeden noch besturen kan, noch zich op den rechten weg houden, noch zich tegen enig gevaar of ongeluk beschermen. Bovendien is het van nature schuchter, vreesachtig en dwaalziek, en wanneer het slechts een weinig ter zijde afgaat en den herder verliest, is het onmogelijk, dat het zelf hem wedervinde; het loopt integendeel slechts verder weg. Doch even als het een zwak diertje is, zo heeft het tevens den aard, dat het zich met alle vlijt bij den herder houdt, op diens hulp en bescherming vertrouwt; en hoe of waar hij het heenleidt, zo volgt het, en wanneer het slechts bij hem kan zijn, is het voor niets bezorgd, vreest het voor niemand, is gerust en vrolijk, want het heeft aan niets gebrek.
Wij allen, alzo getuigt de Profeet Jesaja-dwaalden als schapen en keerden ons tot onzen eigen weg. Wij allen. Het schaap zoekt den herder niet maar omgekeerd laat de goede Herder de negen-en-negentig schapen in de woestijn en zoekt met liefde en onvermoeide getrouwheid het honderdste, het afgedwaalde schaap, en wanneer hij het gevonden heeft, legt hij het op zijne schouderen en zelf verblijd zijnde, roept hij al zijne vrienden en geburen zamen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was. Alzo zoekt de goede Herder zondaars, die van den weg des levens zijn afgedwaald, alzo lokt Hij hen door ernstige en zachte roepstemmen, achtervolgt Hij hen op hun dwaalwegen, wordt Hij niet moede hen te waarschuwen en te trekken door de koorden Zijner vrijmachtige genade. En wanneer een zondaar, die verloren was, gevonden werd, wanneer hij, die dood was, de stem van den Zoon des mensen gehoord heeft, en leeft, dan is er blijdschap in de hemelen over enen zondaar, die zich bekeert. Niemand echter kan in Christus den Herder erkennen, die niet begonnen is met Hem als het ter slachtbank geleide Lam te belijden. aan niemand dergenen, die zich aan zijn kruis ergeren, heeft de verrezen Christus zich geopenbaard; want hij, die den Koning in Zijne schoonheid zien wil, moet beginnen met in Hem te geloven, die in de gedaante van den dienstknecht, gehoorzaam geworden is aan de Wet, en die zich tot in den dood van het kruis vernietigd heeft. Niemand weet, dat de genade overvloedig was ten leven, dan hij, die uit eigen smartelijke ervaring besefte, dat de zonde machtig was ten dode, zodat alleen in den rechtvaardigen knecht, die tot zonde gemaakt werd, wij rechtvaardigheid Gods worden. Ja, niemand kan in waarheid bekennen: de Heere is mijn herder, die niet begonnen is met zijne afdwaling, schuld en hulpeloosheid te belijden, die niet uit een verbroken hart bekende: “Indien Gij de zonde gadeslaat, wie kan dan bestaan?” want uit dien angstkreet alleen wordt de vertroosting geboren: “Doch bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.”. Het is opmerkelijk, dat de beiden, die zich het eerst van het beeld van den herder bedienden, Jakob (Genesis 48: 15) en David door hun persoonlijke betrekkingen daartoe geleid werden. Door deze verkreeg die naam een burgerrecht, en werd vervolgens ook van anderen gebruikt, die niet in hun levensomstandigheden ene aanleiding daartoe hadden; zo in ‘t bijzonder door Jesaja in Jes. 40: 11 en door Ezechiël in Ezechiël. 34: 9 vv., later door Micha in Hoofdstuk 7: 14, ook in Psalm 80: 2; 95: 7. In onloochenbare betrekking op deze Oud-Testamentische uitdrukkingen noemt in Joh. 10 Christus Zich den goeden Herder en wordt Hij ook zo door de Apostelen beschouwd (1 Petrus 2: 25; 5: 4. Hebr. 13: 20). Alles wat Jehova onder het Oude Verbond aan de Zijnen deed, deed Hij door Zijnen Engel en Middelaar; deze is Zijn naar de gemeente toegekeerd aangezicht. Hij, de Logos (het Woord, dat in den beginne was Joh. 1: 1 vv.) verscheen in Christus in het Vlees; daarom wordt in het Nieuwe Testament dat alles aan Christus toegeschreven, wat in het Oude Testament van Jehova en Zijnen Engel gezegd is.
De Heere Jezus noemt Zich zelven den goeden Herder. Wat wordt er dan van den triomfkreet der ongelovigen, die bij de betuiging van den rijken jongeling: goede Meester; en het antwoord van Jezus: “Wat noemt gij Mij goed, niemand is goed dan een, namelijk God,” uitroepen: “Hoort gij, Jezus zegt het zelf, dat Hij niet God is!” Wij antwoorden: “Zegt de Heere zelf, dat niemand goed is dan God, hoe kan Hij Zich zelven dan den goeden Herder noemen, zonder God te zijn? -Jezus is de goede Herder, en Hij wordt er door al Zijne schapen voor erkend. “Mijne schapen horen hun stem.” Zo ook herkende Maria Magdalena den Heere na Zijne opstanding niet aan Zijn gelaat, maar door het horen van Zijne stem, en -“het geloof is uit het gehoor.”. David zegt dit niet alleen, dewijl Hij hem als zodanig heeft ervaren, in liefelijke omhelzingen en in innige gemeenschap met zijn God. Ook dan als Hij met hem zou handelen in den weg van verdrukkingen en tegenspoeden zou deze man Gods hem alzo noemen, want David kent dien Heere als den Engel des Verbonds. David weet het, dat Hij Zijn volk, trots diens vele afdolingen en murmureringen heeft geleid, en altijd Zich geopenbaard heeft als Degene, Wiens trouw door de trouweloosheid Zijner kinderen niet werd teniet gedaan.
Hij doet mij, te midden van de woestijn dezes levens neerliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren (liever: “wateren der rust), waar ik van mijne vermoeidheid kan uitrusten en mijnen brandenden dorst kan lessen. “Ik ben gekomen, opdat zij het leven en den overvloed hebben,” zegt de Heere Jezus. Hij deed de schare neerzitten aan ene grasrijke plaats (Joh. 6: 10), welke oase in de woestijn door nabij zijnde bronnen of beken veroorzaakt werd-dus op grasrijke weiden en aan wateren der rust. Doch met hoeveel meer zorgvuldigheid en tederheid reikte Hij hun het brood des eeuwigen levens toe, en leidde Hij hen tot de fonteinen des levenden waters. Want de spijs van den geestelijken mens is het woord Gods, en wij hebben niet enkel spijs nodig, om de vaste delen onzes lichaams te voeden, maar ook drank, om onze altijd vervloeiende sappen aan te vullen en te verversen. En het water des levens is de Heilige Geest, en het brood des levens is Christus, door den Vader gegeven. Beide behoeven wij evenzeer, waarom zouden wij ze dan scheiden?. Grazige weiden zijn ene liefelijke rustplaats voor de vermoeide kudde, om aldaar in de hitte des middags te vertoeven. (Hoogl. 1: 7). Alzo maakte Jakob hutten voor zijn door den langen weg vermoeid vee (Genesis 33: 17) en verleent de hemelse Herder aan Zijne schapen, die door den strijd des levens in de hitte des lijdens en der aanvechting vermoeid zijn, liefelijke rust en verkwikking. Hij zendt hun tijden van verademing en van verruiming, opdat zij nieuwe krachten zouden kunnen vergaderen voor den stellen weg des levens en ten einde toe volharden, totdat zij eindelijk ingeleid worden in de eeuwige rust, waarvan ieder ogenblik van stilte een voorsmaak, een onderpand, ene profetie is voor de gehele gemeente en voor ieder lid in het bijzonder. Wat de weide is voor het door arbeid afgetobde lichaam wat het zachte groen is voor het door verdriet verzwakte oog, dat is de grazige weide der stille nabijheid des Heren in Zijn woord, door Zijnen Geest, in de bestieringen des levens, en de lotgevallen van het Koninkrijk. Hij alleen wordt bekeerd, Zijne goedheid wordt gesmaakt, de ziel heeft behoefte om met Hem alleen gelaten te worden, want ook de getrouwste en de meest bevriende stoort in zulke ogenblikken het innig teder verkeer met God, in wie de ziel rust en berust. Wij hebben behoefte aan rust, aan het neerliggen bij zeer stille wateren. En waarom? Omdat het leven der vromen vol moeilijkheden en beproevingen is, omdat de hitte der aanvechting dikwijls hen bijna verteert, zodat de rust ene bijzondere weldaad is, die naarmate zij langer ontbeerd, naar die mate ook hoger geschat wordt. “Zo wie gedronken zal hebben van het water,” zegt de Herder, “dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten.” Gelukzalig de ziel, die uit deze fontein der verse wateren gedronken heeft, springende tot in het eeuwige leven. De naam van Hem, die dit zei: is Vrede, en van vrede spreekt Hij tot en ruste geeft Hij aan de bedroefden en onrustigen; en allen, die door Hem geleid worden, bekennen tot eer van Zijnen naam, dat hun harten en zinnen in Christus Jezus bewaard worden ten eeuwigen leven.
Bijzonder versta ik door deze grazige weiden hier het Woord van God, en in ‘t bijzonder het liefelijk Evangelie. Dat is immers de geestelijke weide van des Heren volk, waar zij het voedsel voor hun ziel vinden. Dat is ene grazige weide, omdat er alles zo overvloedig is, omdat er zoveel geestelijk vermaak en verlustiging in te vinden is. Wat zijn er niet al zielverkwikkende beloften, honigzoete vertroostingen, noodzakelijke besturingen, waar de ziel in grazen kan tot zalige verlustiging.
Hij verkwikt mijne ziel, geeft haar in de hitte der aanvechting levenskracht, nieuwe versterking; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, opdat ik zonder te dwalen en zonder gewaar tot het rechte doel kome, om zijns Naams wil 1), om Zich ook aan mij in Zijne genade en waarheid te verheerlijken, gelijk Hij dit steeds aan hen gedaan heeft, die zich aan Zijne leiding overgaven.
Met deze ene trek wordt wederom de vaste grond der verkiezing gelegd en Gode de eer gegeven. Meent niet, dat wij of iemand de redenen van Gods vrijmacht kunnen aanwijzen. Dit te pogen ware even goed als Gods vrijmacht te willen opheffen. God is vrij, en God is heilig. Dit moet ons genoeg zijn en kan ook genoeg zijn. Het is met dit leerstuk als met de zon; wie bij haar licht wil zien, dien verlicht zij alles; maar wie in haar licht wil zien, dien verblindt zij.
Daar de naam van God niets anders is dan de uitdrukking van Zijn Wezen, zo kan. wanneer wij lezen, dat Hij iets om Zijns naams wil doet, dit niet anders betekenen dan dat uit de diepte van de genade van Zijn eigen wezen die genadige besluiten voortvloeien.
Hoe lichtelijk dwaalt een schaap. Er wordt voorwaar veel wijsheid en veel geduld vereist, om het op den effen weg te bewaren en zijne veiligheid te verzekeren. Verwondert het u dan, zo ook de lammeren der kudde de trouwe leiding van Jezus, den Herder bij voortduring nodig hebben? Het spoor, dat Hij voor hen heeft afgebakend, is dat der gerechtigheid, die Hij voor hen verworven en aan hen verzekerd heeft. Zij waren, even als alle zondaren, op den breden weg, die zo licht te vinden is en zo zeker ten verderve leidt, maar nu zijn zij door Hem, die de weg en de waarheid is, van het pad der leugen en des doods verlost en Zijne gerechtigheid deelachtig geworden. Want Hij is hun door den Vader geworden wijsheid en rechtvaardigmaking, en in Hem zijn zij rechtvaardigheid. Hoe dat? Kent gij den wonderbaren ruil niet, dien de Heilige Geest door Paulus ons heeft aangeboden en verzekerd? Hij die gene zonde kende, werd tot zonde; wij daarentegen, die gene gerechtigheid kenden, werden in Hem rechtvaardigheid. Alzo heeft Hij Zich met ons verenigd en vereenzelvigd, zijn wij in Hem ingeënt, worden wij in Hem door den Vader als volkomen gerechtvaardigden beschouwd en behandeld. Op dien weg der genade, der gerechtigheid, des geloofs, in tegenstelling bij dien der wet en der werken leidt Hij ons. Hij heeft ons, door uit den hemel tot ons te komen, bereid en bekwaam gemaakt, om tot Hem te komen. Hij heeft ons overgebracht van den breden op den nauwen weg, en nu blijft Hij ons leiden op dien weg der gerechtigheid en der zaligheid. Zijne vrijmachtige genade bracht ons, Zijne grondeloze getrouwheid houdt ons vast op dat spoor der gerechtigheid. Zijne wijsheid toont hun de klippen, die zij zorgvuldig moeten vermijden, Zijne liefde komt hun zwakheid tegemoet, en Zijne almacht houdt hen wonderbaarlijk staande. Hij gaat hen in lijden en strijden voor; op Hem ziende, weten zij wat hun te doen en te laten staat; Hem aanschouwende, worden zij in Zijn beeld veranderd en met ene kracht, die zij nooit gekend en ene getrouwheid, die zij nimmer verwacht hadden, worden zij door Hem vervuld, die als de overste Leidsman hen leidt in het spoor der gerechtigheid. En dit alles doet Hij om Zijns naams wil. Zo is er dan niets voor en na onze bekering in ons, dat Hem bewegen kan, om ons tot Hem te doen komen en bij Hem te doen blijven, tenzij onze ellende buiten Hem en onze voortdurende behoefte aan Hem. Ons aanziende, verstrikt in zonde en overgeleverd aan hare bezoldiging, gedenkt Hij Zijn naam: “Ontfermer der ellendigen,” en erbarmt Zich over ons in vrijmachtige genade. Elk recht, iedere aanspraak op Gods liefdevolle leiding wordt ons hiermede ontnomen; en dit, ik stem het u toe, verootmoedigt ons diep. Doch van de andere zijde geeft het ons een vasten grond voor onze hope, een onwrikbaar fondament voor onze gebeden, een onwankelbaar anker voor onze behoudenis. Indien onze zaligheid van iets in ons afhankelijk ware, wij zouden nooit enig vast fondament voor onze hope, noch enige zekerheid voor onze behoudenis hebben; maar nu de enige oorzaak der zaligheid blijft de naam van Hem, die geen mens is, dat Hij zou liegen, noch eens mensen zoon, dat Hem iets zou berouwen, staat onze hope vast, onwrikbaar vast.
Waarom zouden zij vrezen, die zulk een vriend hebben? Hoe kunnen zij nog iets begeren, die zulk een Herder hebben. Bewaar ons, Heere Jezus, dat wij in ons zelven hongerig en dorstig en zwak, ziek, weerloos en verloren zijn. 0, voed ons, verkwik ons, genees ons en bescherm ons, draag ons en versterk ons. 4.
II. Vs. 4-6.KruisverwijzingenJesaja 41:10→Psalmen 138:7→Psalmen 118:6→Psalmen 3:6→Micha 7:14→Jesaja 43:1→2 Korinthe 5:1→Psalmen 46:1→
— Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.
Als David hierop denkt aan het dal der schaduwen des doods, door hetwelk zijn levensweg leidde, verdubbelt zich voor hem de staf, dien de Herder opheft, waarmee Hij de kudde leidt en op welken gesteund Hij de kudde beschouwt. Deze staf en stok in Gods hand vertroosten hem, zodat hij geen kwaad vreest. Als hij echter verder aan zijne vijanden denkt, die hem ter dood toe vervolgen, weet hij van een maaltijd te spreken welken zijn Herder hem voor het aangezicht Zijner vijanden bereid heeft, en die Zijn gast geworden is, dien behoudt Hij eeuwig aan Zijne tafel en in Zijn huis; enkel geluk en genade zal zulk een zijn leven lang ondervinden en hij zal zijne vervolgers verslaan.
a) Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, in de diepe en donkere dalen der woestijnen, waar van alle zijden ellende en dood dreigt, ik zou geen kwaad vrezen; want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij, geven mij het gevoel van volkomen veiligheid.
Ps 3: 6; 118: 6. Treffend, niet waar, dat terwijl de mens zozeer jaagt naar genot, en terwijl de pracht en heerlijkheid der wereld zo groot is, toch alles eindigen moet in het vreselijkste wat er is, in de schaduw des doods. Geen beter tegenmiddel tegen de vreze des doods dan de liefde, de ware liefde van Christus: deze drijft de vrees buiten. De gelovige vraagt dan niet zozeer naar den moeilijke weg, als wel: of de Heere bij hem en met Hem is? En hiermede doet hij juist het tegendeel van hetgeen de wereld doet; deze vraagt altijd naar het aangename van den weg en niet naar God.
De betrachtende kracht en uitwerking van Gods onmetelijkheid en overal tegenwoordigheid bestaat in vertroosting in allerlei gevaren en ongemakken, hetzij zij nog boven het hoofd hangen, hetzij ze reeds drukten, dat God bij de Zijnen tegenwoordig niet alleen met Zijn Wezen, maar ook met Zijne genade. Al gaan zij dan ook in een dal der schaduwen des doods, zij behoeven geen kwaad te vrezen. Want Gij, zeggen zij, zijt met mij, Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Stok en staf zijn ook hier, gelijk gewoonlijk als het werktuig der leiding te beschouwen. In den donkeren nacht des lijdens komt in de ziel troost door de gedachte, dat wij onder de leiding des Heren staan, dat Hij den nacht heeft doen komen tot ons heil, dat Hij ons daarin behoedt, en ons op Zijnen tijd daaruit leiden zal.
Dit onvergelijkelijk liefelijk vers is gezongen op menig sterfbed en heeft de donkere vallei mede helpen maken tot tijden van vreugde. Ieder woord heeft een schat van gedachten. “Al ging ik,” alsof de gelovige de schreden niet verhaast, wanneer hij sterft, maar rustig wandelt met God. Het “gaan,” “wandelen” geeft te kennen het voortgaan ener ziel, die haren weg kent, haar einde weet, en besloten is het pad te volgen, die zich veilig weet en daarom volkomen kalm en gerust is. De stervende heilige is niet in hevige beweging; hij rent niet, alsof ene alarmklok geluid had, en staat niet stil alsof hij niet verder wilde gaan. Hij is niet verward noch verlegen, maar behoudt zijne oude rust. Merk op, dat hij niet gaat in de vallei, maar door de vallei. Wij gaan door den donkeren gang des doods en rijzen op in het licht der onsterfelijkheid. Wij sterven niet, maar wij slapen om in de heerlijkheid te ontwaken. De dood is niet het huis, maar het portaal; niet het doel maar de doortocht. Het sterven wordt genoemd een dal. De storm breekt los op de bergen, maar de vallei is de plaats van rust, en zo zijn dikwijls de laatste dagen des Christens het meest vol van vrede uit zijn gehele loopbaan. Het is vervolgens geen “dal des doods,” maar een dal der schaduw des doods, want de dood als dood is weggenomen, en alleen de schaduw is achtergebleven. Men heeft gezegd, als er schaduw is, moet er ook een licht zijn, en zo is het in dezen. De dood staat ter zijde van den hogen weg, dien wij hebben te bewandelen, en het licht des hemels op hem schijnende, veroorzaakt ene schaduw op zijn pad. Laat ons dan verheugd zijn, dat er een licht aan gene zijde is. Niemand is bevreesd voor ene schaduw. De schaduw van een hond kan niet bijten, de schaduw van een zwaard kan niet doden, de schaduw van den dood kan ons niet vernietigen. Laat ons alzo onbevreesd zijn.
Gij richt de met voortreffelijke spijzen voorziene tafel toe voor mijn aangezicht tegenover mijne tegenpartijen, zodat ik voordat de strijd aanvangt in het gezicht mijner vijanden mij eerst verkwikken en sterken kan (vgl. Luk. 22: 15 vv.); Gij maakt mijn hoofd vet met olie (Joh. 12: 1 vv.), zodat ik gezalfd word als een gast, die aan enen dis genodigd is, en dien men bijzonder wil eren (Luk. 7: 46); mijn beker, die aan mijne plaats gesteld is bij den maaltijd, is overvloeiende (Genesis 43: 34. vgl. Joh. 14-17) van wijn der vreugde. Hiermede is niet noodzakelijk enkel geestelijke zegen bedoeld. De koning, die voor Absalom vluchtte en door de menigte des volks verlaten was, was met zijne schare ook uitwendig in gevaar, om van gebrek om te komen. Er is dus ook een overvloed van dagelijks toestromend brood (vgl. 2 Samuel 17: 27 vv.) bedoeld, maar ook dit, geestelijk aangezien, als hemelse gave, en zo, dat de lichamelijke verzadiging en verfrissing en verkwikking slechts de buitenzijde van gelijktijdige inwendige ervaring is. In den mond van den Nieuw-Testamentische bidder is het de tafel van ‘s Heren avondmaal, zo als ook Apollinaris (Bisschop van Laodicea in Syrië gestorven 390 na Chr.) aanduidt. Op deze wijze heb ik mij door Gods genade, deze 18 jaren gedragen. Ik heb mijne vijanden steeds laten toornig zijn, dreigen, lasteren en verdoemen, zonder ophouden beraadslagen, vele boze praktijken uitdenken, velerlei slechte streken uitvoeren. Ik heb ze met angst bezorgd laten zijn, hoe zij mij zouden kunnen ombrengen, mijne, ja, Gods leer uitdelgen; daarbij ben ik vrolijk en goedsmoeds geweest (den enen dag beter dan den anderen); ik heb mij aan hun woeden en dreigen niet veel gestoord, maar ik heb mij aan den staf des troosters vast gehouden, en mij aan des Heren tafel begeven, d.i. ik heb aan onzen Heere God de zaak aanbevolen, in welke Hij mij zonder mijnen wil of raad gevoerd heeft, en voor Hem een “Onze Vader” of een Psalm uitgesproken. Dat is mijn harnas, waarmee ik mij tot hiertoe niet alleen tegen mijne vijanden verdedigd heb, maar ook door Gods genade zoveel heb te weeg gebracht, dat, wanneer ik achter mij zie en denk, hoe het met het Pausdom gesteld is, ik mij van harte moet verwonderen, dat het zo ver gekomen is.
Deze Psalm kan een Avondmaalspsalm heten; want in het Avondmaal richt de Heere in vollen zin de tafel toe voor ons aangezicht, tegenover onze wederpartijders, de geestelijke vijanden, waarvan Satan het hoofd is. De olie en de wijn der vreugde, waarvan de beker overvloeit, zijn zinnebeelden van den Heiligen Geest, die op de gelovigen wordt uitgestort, en de mededeler is van alle blijdschap in God.
Zalven met olie is bij alle Oosterse maaltijden een onmisbaar vereiste en strekt tot verhoging der vreugde. Wie onzer weet niet, dat de olie een beeld van den Heiligen Geest is, en alle gaven des lichaams en der ziel hun liefelijkheid ontlenen aan de versierende kracht van den Heiligen Geest? Die Geest daalt als een Goddelijke balsem in de gewonde harten neer, en Hij heiligt ene vreugde, die voor het aangezicht des Heren gesmaakt wordt. Niet kariglijk, maar koninklijk geeft de Heere. De beker is overvloeiende, want het is Zijn lust te geven boven bidden en denken. De hongerige onderdanen van den rijken Herodes werden door den armen Jezus gespijzigd en er bleven nog vele brokken over, alzo dat er twaalf manden door gevuld werden. De draf der zwijnen werd geweigerd door de burgers van het land, waarin de verloren zoon de zonde had gediend; doch zijn vader doet het gemeste kalf slachten. En zij, die dood waren en door de levenwekkende kracht des Geestes levend gemaakt zijn, bekennen: “De Heere is het deel mijner erve en mijns bekers. Gij onderhoudt mijn lot. De snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen.”.
Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens, terwijl ik vroeger door vijanden vervolgd werd; en ik zal, in plaats van verre van het heiligdom te moeten zijn, in het huis des HEREN blijven in lengte van dagen, in ene onmetelijke toekomst. Goedheid en weldadigheid zijn twee schone tafeldienaressen die op de gasten van God wachten en ze vergezellen; want ene gelovige ziel zit altijd aan Gods dis en eet met Hem, dat is, geniet Zijner goedheid en weldadigheid. En al zat de mens in den diepsten kerker, en al ware hij in de grootste ellende, zo zit toch de ziel aan Gods dis en heeft deze om hem te ontvangen en te verzorgen, het goede en de weldadigheid. Wanneer de mens in de uitwendige bezigheden van zijn beroep is en zijn uitwendig ambt waarneemt, zit toch Zijne ziel geestelijk aan des Heren dis en wordt zijn ambt, werk en beroep begeleid en bewaard door de goedheid en weldadigheid Gods, opdat het verlicht worde tot ere van God en ten nutte van den naaste. Laat dan onze Heere God Zijn lieve gasten uit Zijn huis gaan, gelijk anderen doen en goede vrienden, die hun gasten van zich naar hun huizen laten gaan? Neen, dat doet onze Heere God niet; want Hij is een zonderlinge Gastheer; Hij houdt Zijne gasten altijd bij zich in huis. De reden is: deze maaltijd duurt eeuwig, voor tijd en eeuwigheid, en de gelovige ziel eet onophoudelijk van Gods tafel, daarom moet ik ook altijd in ‘s Heren huis blijven. Gelukkige zanger, die zulk een goeden Herder en rijken Gastheer hebt! Wel mocht gij getuigen: “mij zal niets ontbreken.” Al waart Gij de armste gij zoudt de rijkste van allen wezen, al heette ook de ganse wereld u den ellendigste van alle mensen, gij zoudt toch de gelukkigste zijn. En tot die gelukkigen behoren allen, die Jezus als hun goeden Herder en rijken en vriendelijken Gastheer kennen. Is hun geloof niet altijd zo helder, dat zij Psalm 23 kunnen zingen, komen er tijden van twijfelingen en vrezen, dwalen zij voort van hun Herder af, dit is en blijft de vaste troost, hun Herder en Gastheer is onveranderlijk in Zijne liefde en trouw. Hij zoekt hen op en brengt hen weer, om onder smeking en geween weer te erkennen: Gij, Heere Jezus, zijt toch mijn goede Herder, mij zal niets ontbreken.
Het zal ons volgen, gelijk het water aan den rotssteen het leger van Israël volgde door de woestijn; het zal volgen op alle plaatsen en onder alle omstandigheden; het zal altijd gereed zijn. Het zal volgen ons gehele leven door, want dien God bemint, bemint Hij tot het einde toe. Wij dienen een goeden Meester.
Dunkt het u niet vreemd, wanneer David belijdt: “Enkel goeds en weldadigs volgen mij.” Wie heeft meer teleurstellingen ondervonden dan de als Isaï’s kleinste zoon gezalfde herdersknaap? Wie heeft de wisselvalligheden des levens meer ervaren dan de man, die als ene hinde gejaagd werd en als een vogel over het gebergte zweefde? Wie heeft meer geklaagd en gekermd, wie luider dan hij verklaard’ dat hij als afgesneden was voor het aangezicht des Heren? Nochtans is het waar, dat hem enkel het goede en de weldadigheid volgden, met dien verstande echter, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen ten goede moeten medewerken. -Hopen wij in dit leven alleen op Christus heeft een Apostel ergens gezegd, dan zijn wij de ellendigste der mensen. Een Christen heeft thans niet alleen veel lijden gemeen met de goddelozen; ofschoon ook het lijden voor Hem is ene kastijding van een Vader, die den zoon, dien Hij lief heeft, bezoekt; maar hij moet meer bijzonder om des Evangelies wil veel verdrukking ondergaan. Hij wordt getroost onder het lijden, maar hij lijdt. Hij wordt gesterkt onder het strijden, maar hij is gedurig door vijanden omringd. Hij verheft zich in het geloof boven hetgeen voor ogen is, doch al wat hij ziet, bedroeft, benauwt hem telkens. De zonde in en rondom hem berokkent hem veel verdriet en vaak rijst de zucht in zijne ziel op: “Wachter, hoe lang?” Ja niet zelden geschiedt het, dat hij zelfs op nieuw bekennen moet: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods?” Zou zodanig een toestand hem voor altijd kunnen bevredigen? De Heere, die een rijke Koning is, geeft meer, oneindig meer. Laat mij het u met één woord zeggen: “Wat geen oog heeft gezien, wat in geen ‘s mensen hart is opgekomen, dat heeft de Heere bewaard en bereid degenen, die Hem vrezen en vertrouwen.” Voor eeuwig gezegend, voor eeuwig zalig, voor eeuwig zonder smart, zonder strijd, zonder zonde, voor eeuwig gered, beveiligd, onberispelijk bewaard, voor eeuwig met Hem, die de bron is van alle genade, de fontein van alle ware vreugd, voor eeuwig met Christus. Zwijg voor de heerlijkheden des Heren, val aanbiddend het Lam uit Juda’s stam te voet, zingt het nieuwe lied van Mozes en het Lam, zeggende: “Groot en wonderlijk zijn Uwe werken, Heere! Gij almachtige God! Rechtvaardig en waarachtig Zijn Uwe wegen, Gij Koning der heiligen! Wie zou U niet vrezen, Heere! en Uwen naam niet verheerlijken!.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel