Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
WaaromH4100 woedenH7283 de heidenenH1471, en bedenkenH1897 de volkenH3816 ijdelheidH7385?
Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?
KJV
Why do the heathen3
rage,2
and the people4
imagine5
a vain thing?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
De koningenH4428 der aardeH776 stellenH3320 zich op, en de vorstenH7336 beraadslagenH3245 te zamenH3162 tegenH5921 den HEEREH3068, en tegenH5921 Zijn GezalfdeH4899, zeggende:
De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
KJV
The kings2
of the earth3
set1
themselves, and the rulers4
take counsel5
together,6
against the LORD,8
and against his anointed,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Laat ons hun bandenH4147 verscheurenH5423, en hun touwenH5688 vanH4480 ons werpenH7993.
Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.
KJV
Let us break1
their bands3
asunder,
and cast away4
their cords
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Die in den hemelH8064 woontH3427, zal lachenH7832; de HEEREH136 zal hen bespottenH3932.
Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.
KJV
He that sitteth1
in the heavens2
shall laugh:3
the Lord4
shall have them in derision.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Dan zal Hij totH413 hen sprekenH1696 in Zijn toornH639, en in Zijn grimmigheidH2740 zal Hij hen verschrikkenH926.
Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.
KJV
Then shall he speak2
unto them in his wrath,4
and vex6
them in his sore displeasure.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
IkH589 toch heb Mijn KoningH4428 gezalfdH5258 overH5921 SionH6726, den bergH2022 Mijner heiligheidH6944.
Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
KJV
Yet have I set2
my king3
upon my holy7
hill6
of Zion.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Ik zal van het besluitH2706 verhalenH5608: de HEEREH3068 heeft totH413 Mij gezegdH559: Gij zijt Mijn ZoonH1121, hedenH3117 heb Ik U gegenereerdH3205.
Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
KJV
I will declare1
the decree:3
the LORD4
hath said5
unto me, Thou art my Son;7
this day10
have I begotten
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EisH7592 vanH4480 Mij, en Ik zal de heidenenH1471 gevenH5414 tot Uw erfdeelH5159, en de eindenH657 der aardeH776 tot Uw bezittingH272.
Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.
KJV
Ask1
of me, and I shall give3
thee the heathen4
for thine inheritance,5
and the uttermost parts7
of the earth8
for thy possession.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Gij zult hen verpletterenH7489 met een ijzerenH1270 scepterH7626; Gij zult hen in stukken slaanH5310 als een pottenbakkersvatH3335.
Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
KJV
Thou shalt break1
them with a rod2
of iron;3
thou shalt dash them in pieces6
like a potter's5
vessel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Nu dan, gij koningenH4428, handelt verstandiglijkH7919; laat u tuchtigenH3256, gij rechtersH8199 der aardeH776!
Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
KJV
Be wise3
now therefore, O ye kings:2
be instructed,4
ye judges5
of the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
DientH5647 den HEEREH3068 met vrezeH3374, en verheugtH1523 u met bevingH7461.
Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
KJV
Serve1
the LORD3
with fear,4
and rejoice5
with trembling.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
KustH5401 den ZoonH1248, opdat Hij niet toorneH599, en gij op den wegH1870 vergaatH6, wanneer Zijn toornH639 maarH3588 een weinigH4592 zou ontbrandenH1197. WelgelukzaligH835 zijn allenH3605, die op Hem betrouwenH2620.
Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
KJV
Kiss1
the Son,2
lest he be angry,4
and ye perish5
from the way,6
when his wrath10
is kindled8
but a little.9
Blessed11
are all they that put their trust
woeden
Of, woelen, razen, rotten, lopen oproeriglijk tezamen. Het Hebr. woord kan hebben de betekent van bijeenkomen, geheime bijeenkomsten houden en ook woelen, rumoerig, oproerig zijn, gelijk afgenomen wordt uit Ps. 55:15 ; Ps. 63:3 . Dan. 6:7 .
Hertaald:
woeden
Of: woelen, razen, samenrotten, oproerig samenlopen. Het Hebreeuwse woord kan de betekenis hebben van bijeenkomen, geheime bijeenkomsten houden, en ook woelen, rumoerig, oproerig zijn, zoals af te leiden is uit Ps. 55:15; Ps. 63:3. Dan. 6:7.
heidenen
Of, natiën, zo Joden als heidenen. Zie Hand. 4:27 .
Hertaald:
heidenen
Of: naties, zowel Joden als heidenen. Zie Hand. 4:27.
bedenken
Vergeefse aanslagen, waarmede zij den raad Gods niet kunnen breken en zichzelven in gevaar van verderf brengen.
Hertaald:
bedenken
Vergeefse plannen, waarmee zij de raad van God niet kunnen breken en zichzelf in gevaar van verderf brengen.
vorsten
Of, raadsheren.
Hertaald:
vorsten
Of: raadsheren.
Gezalfde
Of, Messias; te weten, den HEERE Christus, dat is, den Gezalfde, wiens voorbeeld David met zijne zalving en koninkrijk geweest is.
Hertaald:
Gezalfde
Of: Messias; namelijk de HEERE Christus, dat is: de Gezalfde, van wie David met zijn zalving en koninkrijk een voorbeeld geweest is.
hun banden
Te weten, van God en zijn Gezalfde, mitsgaders van hunne dienaars, waarmede zij ons onder het juk van Christus en de gehoorzaamheid zijns Evangelies willen verbinden. Verg. 2 Kor. 10:5 . Banden waren een teken van onderwerping of dienstbaarheid. Zie Ps. 107:14 . Jer. 2:20 . Jer. 27:2-3 , Jer. 27:5-6 .
Hertaald:
hun banden
Namelijk: van God en Zijn Gezalfde, en ook van hun dienaars, waarmee zij ons onder het juk van Christus en de gehoorzaamheid aan Zijn Evangelie willen binden. Vergelijk 2 Kor. 10:5. Banden waren een teken van onderwerping of dienstbaarheid. Zie Ps. 107:14. Jer. 2:20. Jer. 27:2-3, Jer. 27:5-6.
verscheuren
Of, aftrekken, afrukken; alzo Jer. 5:5 .
Hertaald:
verscheuren
Of: aftrekken, afrukken; zo ook Jer. 5:5.
hemel woont
Of, zit, als rechter; zie Ps. 9:8-9 ; Ps. 29:10 ; Ps. 55:20 .
Hertaald:
hemel woont
Of: zit, als rechter; zie Ps. 9:8-9; Ps. 29:10; Ps. 55:20.
lachen
Menselijk van God gesproken, om te verklaren hoe nietig, de raadslagen en het gewoel der vijanden van Christus bij God geacht zijn. Zie Joh. 5:22 .
Hertaald:
lachen
Op menselijke wijze over God gesproken, om te verklaren hoe nietig de plannen en het gewoel van de vijanden van Christus door God geacht worden. Zie Joh. 5:22.
Dan zal Hij
Als zij hunne raadslagen tegen Christus te werk stellen, zal Hij hun zijn toorn alzo door plagen te verstaan geven en doen gevoelen, alsof Hij telkens hun toezeide dat Hij zwaarlijk op hen vertoornd is.
Hertaald:
Dan zal Hij
Wanneer zij hun plannen tegen Christus ten uitvoer brengen, zal Hij hun Zijn toorn zo door plagen doen kennen en voelen, alsof Hij hun telkens liet weten dat Hij zeer op hen vertoornd is.
grimmigheid
Of, brandenden toorn.
Hertaald:
grimmigheid
Of: brandende toorn.
Ik toch
Dit zijn de woorden Gods des Vaders, van zijnen Zoon Jezus Christus.
Hertaald:
Ik toch
Dit zijn de woorden van God de Vader, over Zijn Zoon Jezus Christus.
gezalfd
Hebr. eigenlijk, overgoten, te weten met olie, dat is gezalfd.
Hertaald:
gezalfd
Hebreeuws letterlijk: overgoten, namelijk met olie, dat is gezalfd.
den berg
Dat is, mijn heiligen berg, of, waar Ik [die de heiligheid zelf ben] woon; te weten, mijne kerk, afgebeeld door den berg Zion, waar de ark des HEEREN en Davids koninklijk slot geweest zijn, en nederhand daar bezijden op den berg Moria de tempel met den godsdienst. Zie Jes. 60:14 . Hebr. 12:22 . Openb. 14:1 .
Hertaald:
den berg
Dat is: Mijn heilige berg, of waar Ik [Die de heiligheid Zelf ben] woon; namelijk Mijn kerk, afgebeeld door de berg Sion, waar de ark van de HEERE en Davids koninklijk slot geweest zijn, en later daar vlakbij op de berg Moria de tempel met de eredienst. Zie Jes. 60:14. Hebr. 12:22. Openb. 14:1.
Ik zal
Dit zijn de woorden van Gods Zoon.
Hertaald:
Ik zal
Dit zijn de woorden van Gods Zoon.
van het
Het Hebr. woord el wordt somtijds voor van genomen. Zie Job 42:7 . alsof men zeide: Aangaande dit of dat; dat is, van deze of die zaak. Zie ook Ps. 59:18 . Anders: Ik zal het besluit, of gebod, of naar het gebod, [te weten, mij van den Vader gegeven] verhalen, of vertellen.
Hertaald:
van het
Het Hebreeuwse woord el wordt soms gebruikt voor van. Zie Job 42:7. Alsof men zei: aangaande dit of dat; dat is: van deze of die zaak. Zie ook Ps. 59:18. Anders: Ik zal het besluit, of gebod, of naar het gebod, [namelijk mij door de Vader gegeven] vertellen, of verhalen.
besluit
Of, inzettingen, ordinantie, die de Vader gemaakt heeft over mij, als zijn enigen eeuwigen Zoon; gelijk terstond in het volgende verhaald wordt; als een fondament, waarop God Hem tot een Hoofd en HEERE over zijne kerk gesteld heeft. Zie van dit besluit vs.6, 8, enz. Fil. 2:6 , Fil. 2:9 , enz. Kol. 1:15-18 .
Hertaald:
besluit
Of: inzettingen, verordening, die de Vader over Mij gemaakt heeft, als Zijn enige eeuwige Zoon; zoals meteen in het vervolg verteld wordt; als een fundament waarop God Hem tot Hoofd en HEERE over Zijn kerk gesteld heeft. Zie over dit besluit vers 6, 8, enzovoort. Fil. 2:6, Fil. 2:9, enzovoort. Kol. 1:15-18.
heden
Dit moet men verstaan van de eeuwige, onbegrijpelijke, Goddelijke geboorte des Zoons van den Vader. Zie Hebr. 1:5 . Van welke de waarheid op verscheidene wijzen in het Oude en inzonderheid in het Nieuwe Testament is geopenbaard, bijzonderlijk door de opstanding uit de doden. Zie Hand. 13:32-33 . Rom. 1:4 .
Hertaald:
heden
Dit moet men begrijpen als de eeuwige, onbegrijpelijke, goddelijke geboorte van de Zoon uit de Vader. Zie Hebr. 1:5. Waarvan de waarheid op verschillende manieren in het Oude en vooral in het Nieuwe Testament geopenbaard is, in het bijzonder door de opstanding uit de doden. Zie Hand. 13:32-33. Rom. 1:4.
Eis van mij
Zie Joh. 12:28 , en hoofdstuk Joh 17
Hertaald:
Eis van mij
Zie Joh. 12:28, en hoofdstuk Joh. 17.
einden
Dat is, niet alleen de Joden, maar ook alle inwoners des aardrijks, zullen uw Koninkrijk onderworpen zijn; waarvan Gij de gelovigen zult behouden, de hardnekkigen behandelen gelijk volgt. Aangaande de manier van spreken hier gebruikt, verg. Lev. 25:46 . Jes. 14:2 . Sef. 2:9 .
Hertaald:
einden
Dat is: niet alleen de Joden, maar ook alle bewoners van de aarde, zullen aan Uw Koninkrijk onderworpen zijn; waarvan U de gelovigen zult behouden, en de hardnekkigen zult behandelen zoals volgt. Vergelijk over de hier gebruikte manier van spreken Lev. 25:46. Jes. 14:2. Zef. 2:9.
scepter
Of, staf, dat is, met uw Goddelijke macht en rechtvaardige oordelen zult Gij de ongehoorzamen en wederspannigen verdoen.
Hertaald:
scepter
Of: staf, dat is: met Uw goddelijke macht en rechtvaardige oordelen zult U de ongehoorzamen en weerspannigen vernietigen.
in stukken
Alzo, dat de stukken hier en daar verstrooid worden. Zie Richt. 7:19 . en verg. Jes. 30:14 . Jer. 13:13 . enz.
Hertaald:
in stukken
Zo dat de stukken hier en daar verstrooid worden. Zie Richt. 7:19. en vergelijk Jes. 30:14. Jer. 13:13. enzovoort.
pottenbakkersvat
Hebr. eens formeerders, dat is, pottenbakkers.
Hertaald:
pottenbakkersvat
Hebreeuws: van een vormer, dat is: pottenbakker.
tuchtigen
Of, onderwijzen, onderrichten. Zie van het Hebr. Spr. 7:22 .
Hertaald:
tuchtigen
Of: onderwijzen, onderrichten. Zie over het Hebreeuwse woord Spr. 7:22.
vreze
Met kinderlijke vreze, erende en ontziende den HEERE, gelijk goede kinderen hun goede vader doen.
Hertaald:
vreze
Met kinderlijke vrees, de HEERE erend en ontziend, zoals goede kinderen hun goede vader doen.
verheugt u
Over de grote zaligheid, die u van den groten en zeer genadigen God, tegen al uwe verdiensten, wordt voorgedragen, om door geloof te genieten in zijn eniggeboren Zoon, wiens verachters schrikkelijk zullen ontkomen. Verg. Hos. 11:10-11 . Fil. 2:12 .
Hertaald:
verheugt u
Over de grote zaligheid, die u door de grote en zeer genadige God, tegen al uw verdiensten in, wordt voorgehouden om door geloof te genieten in Zijn eniggeboren Zoon, wiens verachters verschrikkelijk zullen ontkomen. Vergelijk Hos. 11:10-11. Fil. 2:12.
Kust den
Dat is, eert Hem als mijn eeuwigen Zoon, en neemt Hem voor uwen Koning aan, gelooft in Hem, weest Hem onderdanig. Verg. Gen. 41:40 . 1 Sam. 10:1 .
Hertaald:
Kust den
Dat is: eert Hem als Mijn eeuwige Zoon, en neemt Hem aan als uw Koning, geloof in Hem, wees Hem onderdanig. Vergelijk Gen. 41:40. 1 Sam. 10:1.
weg vergaat
Of, onderweg; dat is, in het midden van uw gewoel en ongehoorzaamheid.
Hertaald:
weg vergaat
Of: onderweg; dat is: te midden van uw gewoel en ongehoorzaamheid.
een weinig
Of, haastiglijk, een korte tijd. Zie 2 Kron. 12:7 . Ps. 81:15 . Jes. 26:20 . Anders, want zijn toorn zal in kort ontbranden.
Hertaald:
een weinig
Of: snel, in korte tijd. Zie 2 Kron. 12:7. Ps. 81:15. Jes. 26:20. Anders: want Zijn toorn zal snel ontbranden. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?" (Ps. 2:1). De vraag is verbaasd en niet radeloos. Wat zij bedenken, wordt ijdelheid genoemd voordat het beschreven is. De koningen van de aarde stellen zich op en beraadslagen samen tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde (Ps. 2:2), en hun leus staat er woordelijk bij: "Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen" (Ps. 2:3). Het antwoord van de hemel is kort en verpletterend: "Die in den hemel woont, zal lachen" (Ps. 2:4). En dan wordt de zaak beslist geacht: "Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid" (Ps. 2:6). Bijbelse betekenis: De psalm tekent het verzet zoals het zich voordoet: als bevrijding. De banden en touwen die verscheurd moeten worden, zijn Gods geboden, en die worden als een juk ervaren. Merk op dat er niet gezegd wordt dat het verzet zwak is. Het zijn koningen en volken, en zij overleggen samen. Wat het ijdel maakt, is niet hun onmacht maar de plaats waar het tegen gericht is. Let op Ps. 2:4. Het lachen van God moet zorgvuldig gelezen worden: het is niet de spot van iemand die zich vermaakt, maar het oordeel dat een opstand tegen de Almachtige geen kans heeft. En let op de volgorde. Voordat er van toorn gesproken wordt (Ps. 2:5), staat er al dat de Koning gezalfd ís; het besluit gaat aan de tegenstand vooraf. Typologie: De gemeente in Jeruzalem bad deze psalm na de eerste vervolging en paste hem toe op wat er met de Heere Jezus gebeurd was: "Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?" (Hand. 4:25). Ps. 2:1-6; Hand. 4:25 "Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd" (Ps. 2:7). De Gezalfde haalt aan wat God tot Hem gesproken heeft. Daarop volgt een aanbod dat verder gaat dan Israël: "Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting" (Ps. 2:8). Zijn heerschappij wordt getekend met een ijzeren scepter (Ps. 2:9). Dan wendt de psalm zich tot de koningen zelf: handelt verstandig, laat u tuchtigen (Ps. 2:10), "Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving" (Ps. 2:11). En het slot is een uitnodiging in de vorm van een waarschuwing. Er staat: "Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne", en dan volgt: "Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen" (Ps. 2:12). Bijbelse betekenis: Deze psalm gaat over de koning in Jeruzalem en tegelijk over meer dan hij. Geen zoon van David heeft ooit de einden van de aarde tot bezitting gekregen, en het Nieuwe Testament past deze woorden dan ook rechtstreeks op Christus toe. Merk op wat er in Ps. 2:11 gevraagd wordt: dienen met vreze én zich verheugen met beving. Die twee worden vaak tegen elkaar uitgespeeld, en hier staan zij in één zin. Let ten slotte op het laatste woord van de psalm. Na alle toorn eindigt hij niet bij het oordeel maar bij een zaligspreking voor wie de toevlucht neemt. Het kussen van de Zoon was het gebaar van hulde aan een koning; hier is het de erkenning dat men zich aan Hem overgeeft. Typologie: Paulus haalt Ps. 2:7 aan als bewijs van de opstanding: "Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd" (Hand. 13:33). De Hebreeënbrief gebruikt hetzelfde vers om te laten zien dat Christus boven de engelen staat (Hebr. 1:5). En de scepter van Ps. 2:9 keert terug in Op. 2:27. Ps. 2:7-12; Hand. 13:33; Hebr. 1:5; Op. 2:27 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Een psalm zonder opschrift, die begint met woedende volken en koningen die samenspannen. Zij willen de banden verscheuren van de HEERE en van Zijn Gezalfde — en het lachen komt uit de hemel. God stelt Zijn Koning aan op Sion, en die Koning wordt door Hem Zoon genoemd. De psalm valt uiteen in vier stemmen. Eerst de volken, die zich verzetten. Dan God, Die spreekt in Zijn toorn: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion. Dan de Koning zelf, Die het besluit verhaalt. En ten slotte de waarschuwing aan de vorsten. De kanttekening zegt bij vers 7 kort en beslist: dit zijn de woorden van Gods Zoon. En zij legt uit dat het besluit de verordening is die de Vader over Hem gemaakt heeft, als Zijn enige eeuwige Zoon, als fundament waarop God Hem tot Hoofd over Zijn kerk gesteld heeft. Het Nieuwe Testament haalt deze psalm vaker aan dan bijna elke andere. Bij de doop en op de berg klinkt de stem uit de hemel met woorden die hierop teruggaan. Petrus en Johannes bidden na hun vrijlating met de eerste verzen in de mond, en passen de woedende volken toe op Herodes en Pilatus. Paulus preekt in Antiochië dat God de belofte vervuld heeft, en zegt er uitdrukkelijk bij: gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat, Gij zijt Mijn Zoon (Handelingen 13:33). En de Hebreeënbrief opent ermee, om aan te tonen dat de Zoon uitnemender is dan de engelen. Het slot is de scherpste zin van de psalm: kust den Zoon, opdat Hij niet toorne. De kanttekening geeft de betekenis: eert Hem als Mijn eeuwige Zoon, en neemt Hem aan als uw Koning, geloof in Hem, wees Hem onderdanig. En dan de laatste regel, die de dreiging omkeert in een belofte: welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen. In het Nieuwe Testament: Handelingen 4:25-27; Handelingen 13:33; Hebreeën 1:5; Hebreeën 5:5; Openbaring 19:15
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen.… Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen,… Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren. En geroepen hebbende zijn… Een preek gepubliceerd op donderdag 8 februari 1917. Uitgesproken door C.H. Spurgeon op 3 juli 1859, in de Metropolitan Tabernacle, Newington. Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne,… 7 Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. 8 Eis van Mij, en Ik zal… 1 Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? 2 De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 2
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Gij zijt Mijn Zoon — 2:1-12
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Een ernstige uitnodiging
En die dorst heeft, kome
Beledigd door Christus
Een ernstige uitnodiging om te geloven
Psalm 2:7-12
Psalm 2:1-6


Psalmen 2
Psalmen 2:1-3.KruisverwijzingenJohannes 1:41→Psalmen 21:11→Psalmen 46:6→Jeremia 5:5→Openbaring 17:14→Psalmen 83:4→Lukas 23:11→Psalmen 45:7→
— Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.
De samenzwering was zowel sterk als invloedrijk. De koningen en de vorsten spanden samen tegen Jehova en tegen Zijn Gezalfde. Zij waren zeer vastbesloten; zij zetten zich met een beraden voornemen; zij beraadslaagden samen. Zij waren vol van een verschrikkelijke geestdrift; zij woedden; zij meenden dat het werk zo goed als gedaan was — maar zij bedachten ijdelheid. De strijd was tegen Jehova en tegen Zijn Gezalfde, de Christus, de Messias. En wat kwam ervan? Verbraken zij Zijn banden en wierpen zij Zijn touwen van zich? Luister.
Psalmen 2:4.KruisverwijzingenPsalmen 59:8→Psalmen 37:13→Jesaja 40:22→Psalmen 11:4→Spreuken 1:26→Jesaja 57:15→Psalmen 53:5→Psalmen 115:3→
— Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.
Want wat kunnen stervelingen zijn vergeleken met de Eeuwige? Het vuur kan het vlas gemakkelijk genoeg verteren. Zullen mensen zich tegen de almacht stellen en hopen te slagen? En wanneer God besluit Zijn gezalfde Zoon te verheerlijken, zullen wormen van het stof Hem dan verhinderen dat te doen? Wat kan er van al hun tegenstand komen? God lacht eenvoudig om hen; Jehova bespot hen.
Psalmen 2:5.KruisverwijzingenPsalmen 110:5→Jesaja 11:4→Mattheüs 23:33→Lukas 19:27→Psalmen 78:49→Jesaja 66:6→Openbaring 1:16→Openbaring 19:15→
— Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.
Hij hoeft nauwelijks Zijn hand op te heffen, Hij hoeft slechts te spreken; en wanneer Jehova in toorn spreekt, zijn Zijn woorden bliksemschichten. De harten van mensen zijn inderdaad verschrikt wanneer Gods woorden gloeiend van toorn in hun geest komen.
Psalmen 2:6.KruisverwijzingenPsalmen 45:6→Psalmen 89:27→Openbaring 14:1→Mattheüs 28:18→Psalmen 48:1→Jesaja 9:6→Efeze 1:22→Psalmen 89:36→
— Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
“Gij hebt gewoed, gij hebt beraadslaagd, gij hebt besloten; maar het is alles niets. Daar is Mijn Zoon, de gekroonde Koning.” En zo is de Gezalfde ook op deze dag: de Christus is op de troon, laat Zijn vijanden zeggen wat zij willen, en Hij móét regeren; niets kan het verhinderen. Hij moet Koning der koningen en Heere der heren zijn, want zo staat er van Hem geschreven.
Psalmen 2:7.KruisverwijzingenHandelingen 13:33→Mattheüs 3:17→Hebreeën 5:5→Hebreeën 1:5→Johannes 3:16→Romeinen 1:4→Mattheüs 17:5→Psalmen 89:27→
— Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Dit is het zegel van de Gezalfde. Hij is de Zoon des Allerhoogsten, de eniggeboren Zoon van de Vader, Die tot Hem zegt: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Psalmen 2:8-9.KruisverwijzingenOpenbaring 12:5→Psalmen 22:27→Psalmen 89:23→Openbaring 2:26→Daniël 7:13→Psalmen 72:8→Psalmen 110:5→Jesaja 30:14→
— Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting. Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
Christus vraagt aan Zijn Vader; zelfs Hij kan niet krijgen wat Hij begeert zonder erom te vragen. Het gebed is zo wezenlijk voor de voortgang van het koninkrijk van Christus, dat zelfs Christus Zelf moet vragen. Maar dan heeft God ook beloofd Christus de heidenen tot Zijn erfdeel te geven, en de einden der aarde tot Zijn bezitting. Dit is de grote kracht van al het zendingswerk. Geliefden, wij mogen er zeker van zijn dat de aarde vervuld zal worden met de kennis des Heeren wanneer wij zo’n tekst lezen.
Merk het wonderlijke onderscheid op tussen de razende opwinding van de vijanden des Heeren in deze psalm en de verheven kalmte van God. Hij wordt niet verontrust, al woeden de heidenen zo woest en al stellen hun koningen en machtigen zich in slagorde. Hij bespot hen. U en ik zijn vaak neerslachtig en gedrukt, en onze voorgevoelens zijn donker en somber; maar God zit in Zijn eeuwige vredigheid en beheerst gelaten alle oproer en opstand. Hij heeft hun aanslagen al verijdeld, en Hij zegt tot hen: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
Door Gods besluit is de eeuwig gezegende Zoon des Allerhoogsten in de macht gesteld en tot Zijn troon verhoogd. De heersers kunnen de scepter niet uit Zijn hand rukken of de kroon niet van Zijn hoofd slaan. Jezus regeert en moet regeren totdat alle vijanden onder Zijn voeten gelegd zijn. Alsof het een maaltijd was in plaats van een strijd, spreekt de HEERE God als Koning tot de Zoon des Konings, ja tot Zijn Gezalfde aan Zijn rechterhand; en nadat Hij Zijn koninklijke rang erkend heeft, verleent Hij Hem de hoogste eer. Aan grote maaltijden hebben vele vorsten tot hun gunstelingen gezegd: “Vraag wat ik u geven mag, en niets zal u heden geweigerd worden.” Zo gebiedt Hij Hem hier Zijn mond wijd te openen en een grenzeloze heerschappij te vragen.
Ik wenste dat wij in enige mate in deze verheven stilte konden ingaan. Wij mogen wel vertrouwen hebben, want God heeft het. Als de aanvoerder van de overwinning verzekerd is, mag ook de gewone soldaat dapper hopen. De strijd is des Heeren; en aangezien Hij de almachtige HEERE God is, is vrees over de uitkomst van de strijd dwaas en goddeloos. Alle gebeurtenissen zijn in Zijn hand. Wat kan er staande blijven tegen de almachtige wil? Wie zal tot Jehova zeggen: “Wat doet Gij?” In Zijn eeuwige algenoegzaamheid ligt onze rust; en wij mogen daarom van bekommering ophouden. Jehova kan de Zijnen beschermen.
Psalmen 2:10-11.KruisverwijzingenFilippenzen 2:12→Jesaja 52:15→Hosea 14:9→Hebreeën 12:28→Hebreeën 12:25→Jesaja 49:23→Psalmen 72:10→Jeremia 6:8→
— Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde! Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
“Gij heersers, gij overheden, gij raadsheren, gij regeerders der aarde, weest wijs, laat u onderwijzen.” En: “Zijt gij wijs, dan zult gij de hogere Koning gehoorzamen; gij zult u onderwerpen aan de grote Heere van alles.”
Psalmen 2:12.KruisverwijzingenOpenbaring 6:16→Romeinen 9:33→Johannes 5:23→Psalmen 84:12→Jeremia 17:7→Jesaja 30:18→Spreuken 16:20→1 Koningen 19:18→
— Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
De koningen en de vorsten wordt geboden dit te doen; laat ieder van ons hetzelfde doen. Laten wij de kus der hulde geven aan Hem Die God tot onze Koning gesteld heeft, en Hem aannemen tot onze Heere en Regeerder tot in alle eeuwigheid. En het is zo: wie van ons het beproefd hebben kunnen ervan getuigen dat er geen leven is als een leven van vertrouwen op God. Het naaste dat wij in dit sterfelijke lichaam aan de hemel kunnen komen, is een leven van eenvoudig vertrouwen op de Heere Jezus Christus.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Na den inleidenden Psalm, die van enkel lerenden inhoud is, volgt nu een geheel en al profetische Psalm, een triomflied ter ere van Christus, den Gezalfde des Heren. Alle hoogmoedige tegenstand, al het woest verzet, moet tegen Zijne onwrikbare, van God gestichte heerschappij ten laatste zich verpletteren, zodat Zijnen vijanden geraden wordt, zich liever vrijwillig en tot hun eigen welzijn onder Zijn bestuur te buigen.
I. Vs. 1-3.KruisverwijzingenJohannes 1:41→Psalmen 21:11→Psalmen 46:6→Jeremia 5:5→Openbaring 17:14→Psalmen 83:4→Lukas 23:11→Psalmen 45:7→
— Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.
Met den geest der profetie vervuld, ziet de heilige zanger (o.a. David) de volken de aarde, met hun koningen en vorsten als aanvoerders aan het hoofd, in een algemenen opstand tegen den Heere en Zijnen Gezalfde. Hij drukt de gevoelens van verwondering en afkeer, die hij zulk een gezicht zijn hart bewegen, met de levendigheid uit. Hij verplaatst ons midden in dien toestand daar hij ons het beeld voorstelt van de oproerige wereld, gelijk hij die in den geest aanschouwt, en de woorden ons laat horen, die hij uit den mond van hunnen toongever verneemt.
Waarom a) 1) woeden de heidenen, waarom rotten zij met zo groot geschreeuw te zamen, en waarom bedenken de volken ijdelheid, vergeefse raadslagen?
Hand. 4: 25.
In dit waarom spreekt de heilige dichter het al dadelijk uit, dat het razen en woeden der Heidenen tot niets zal leiden. Het is niet het waarom der onzekerheid, maar dat der ontzetting en verwondering. De lichter weet het, dat het meer dan dwaasheid is, zich tegen den Heere en zijn Gezalfde te verheffen.
De koningen der aarde stellen zich op, verheffen zich in vijandschap, en de vorsten, die den opstand regelen en besturen, beraadslagen te zamen tegen den HEERE en tegen Zijnen Gezalfde, tegen dien, die tot koning der gehele wereld verordend is, en daarin tegen den levenden, den eeuwigen God zelven, zeggende:
Op! Laat ons hun banden, de banden van den Heere en Zijnen Gezalfde, waarmee zij ons aan hun bestuur en hunnen wil verbonden hebben, verscheuren, en hun touwen, ook de laatste sporen hunner heerschappij van ons werpen; zij zijn lastig, en smadelijk; wij willen daarom niet, dat deze, de Gezalfde des Heren, over ons regere (Luk. 19: 14). Zij waren losgemaakt om uit te spatten, teugelloos en zonder enig gezag, en daarom beschimpen zij de zoete wetten van Christus’ koninkrijk als banden en touwen, die tekenen zijn van slavernij (Jer. 27: 2,6,7). Maar wat zegt onze Verlosser? “Mijn juk is zacht en Mijn laat is licht.” Den wedergeborene is geen grotere last opgelegd, dan die der vleugelen aan een vogel. De wet van Christus is niet als boeien en touwen, maar als gordels en banden, welke zijne lendenen opschorten en zijnen loop bevorderen. De heerschappij van Christus is den gelovigen een zacht juk, den ongelovigen een knellende keten; daarom is het gehoorzamen den eersten een liefelijke lust, den laatsten een ondraaglijke last, maar het afschudden gelukt niet, de zegenende scepter wordt tot een ijzeren staf.
Dat werkelijk van niemand anders dan van den groten Koning, die uit David naar het vlees zou voortkomen, en die niet alleen over Israël, maar ook over alle geslachten des aardbodems heersen zou (2 Samuel 7: 12-16) in dezen Psalm sprake is, erkenden reeds de Joden. (Volgens de getuigenissen Jarchi en van Kimchi volgden de Joodse uitleggers allen de Messiaanse verklaring van dezen Psalm). De beide gewone namen, waarmee ten tijde van Jezus de Verwachte werd aangeduid: Messias (= Gezalfde) en Zoon van God (Joh. 1: 41,49. MATTHEUS. 26: 63) zijn ontleend aan vs. 2,7 en Dan. 9: 25. De Psalm wordt ook in het nieuwe Testament van Christus verklaard en beschouwd als in Hem vervuld te zijn (Hand. 4: 2.5 vv.; 13: 33. Hebr. 1: 5; 5: 5). Deze is dus een eigenlijk Messiaanse of profetische Psalm. Het is de belofte, die aan David (2 Samuel 7) gegeven werd, welke hier uitgewerkt en naar dieper ontvouwd wordt. De voorzegging heeft zeker, nadat David ze ontvangen had, meermalen zijn hart bewogen. Als hij nu eens weer in nadenken daarover verdiept was-waarschijnlijk ten tijde, toen Hanun, de koning der Ammonieten, door de groten des rijks misleid, zijne gezanten zo beschimpt, en de Syriërs, die hij vroeger aan zijne heerschappij onderworpen had (2 Samuel 8: 3 vv.), ten krijg had opgeruid (2 Samuel 10: 1-6), maar Joab de beide verbondene machten uit elkaar gejaagd, en hij zelf in eigen persoon de Syriërs weer onder zijn juk gebracht had, zodat hij het nu nog alleen te doen had met de Ammonieten, en met hun hoofdstad in een veldtocht in ‘t volgende jaar (2 Samuel 10: 1 vv. 10.1) -kwamen hem de ontzettende strijden levendig voor den geest, welke zijn huis en voornamelijk den groten Nakomeling, van wie God de Vader en die Gods Zoon zijn zou, wachtten, om de heerschappij des Heren tot aan het einde der wereld uit te breiden. Hij zag, aangegrepen en verlicht door den Geest Gods, vooruit, hoe de volkeren der aarde het steeds op nieuw zouden beproeven, zich van deze heerschappij los te maken; toen ontving hij vervolgens een profetisch inzicht in den uitslag van al die oorlogen en in de triomferende macht van het Christus-rijk (vgl. 2 Samuel 12: 31 ). Dat de Psalm hier van banden en touwen spreekt, is ene gelijkenis, genomen van de wereldse ordeningen en wetten, aan welke zich de onderdanen niet willen onderwerpen, maar die zij verscheuren met boosheid. Alzo heeft Christus, onze Koning, ook Zijne wetten en instellingen in Zijn rijk, welke niets anders zijn, dan zich als arm zondaar te leren kennen, en Christus te geloven, voortdurende bekering en doding des vlezes te oefenen, en het lieve kruis Christus na te dragen met geduld, ootmoed en zachtmoedigheid (MATTHEUS. 11: 29. Luk 14: 27. Joh. 13: 34). Dit wil de wereld niet doen, zij verscheurt de banden; zij wil liever des duivels juk dulden, hoewel dat de zwaarste slavernij is. De meest tastbare en zichtbare vervulling hiervan had plaats ten tijde toen de discipelen baden: “In der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus welken Gij gezalfd hebt, beide Herodes en Pontius Pilatus met de heidenen en de volken Israël’s,” zeggende: “Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen.” Het is de begeerte om vrij te zijn van God, welke altijd in praktijk is geweest, maar thans tot theorie verheven is. De macht en het recht zijn volgens velen niet meer uit God; de koningen niet meer door Gods genade, maar door den wil des volks. Dat is de algemene kreet, bijzonder van dezen tijd. Duidelijker kan de afwerping van de teugels van Gods bewind niet uitgedrukt worden. Het is in de Schrift het kenmerk van den groten afval in de laatste tijden.
4.
II. Vs. 4-6.KruisverwijzingenPsalmen 59:8→Psalmen 37:13→Jesaja 40:22→Psalmen 45:6→Psalmen 11:4→Spreuken 1:26→Psalmen 110:5→Jesaja 11:4→
— Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten. Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken. Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
Reeds spoedig verheft de dichter van het toneel van woest geraas en hoogdravenden hoogmoed, onzen blik naar den hemel; daar toont hij ons den Heere, hoe die in rust ene poos zwijgend op de dreigende beweging neerziet, en vervolgens met de donderende stem Zijns toorns, den nietigen opstandelingen zijn onveranderlijk besluit ten opzichte van den Koning, tegen wie zij opstaan, bekend maakt.
Die in den hemel woont 1), verheven boven al dat aardse woeden, zal lachen, de HEERE zal hen bespotten, hen, die nietige wormen der aarde, die tegen den Almachtige denken te strijden.
Nadat hij én het geraas, de plannen en de trotsheid, de toerusting, én het leger, én de strijdkrachten, én den ijver der vergaderden heeft verhaald, stelt hij nu daartegenover de macht Gods, welke Hij samentrekt tegenover hen, dewijl zij zijn Besluit aantasten. Evenals hij zo-even hen koningen der aarde noemt, om daarmee hun zwakheid en nietigheid aan te geven, zo noemt hij hier God den bewoner des hemels, om hiermede zijn macht aan te geven, alsof hij wil zeggen, dat zij ongebroken en ongeschonden blijft, wat ook de mensen er tegen in beweging stellen. Want ofschoon zij zich nog zo uitrekken, tot den hemel zullen zij nooit doordringen, ja, terwijl zij den hemel met de aarde trachten te verenigen, als sprinkhanen springen, de Heere ziet rustig ondertussen uit de hoogte neer op hun onzinnige bewegingen.
Onder menselijke bewoordingen wordt hier Gods aanschouwing van deze menselijke vermetelheid voorgesteld. Een bovenmenselijke vorm van het goddelijke zou boven den mens zijn. Het lachen is ene heilige zelfverblijding in de ijdelheid en onmacht van de pogingen der tegenstanders.
Wij willen dus vasthouden, dat wanneer God de goddelozen niet dadelijk straft, het Zijn tijd van lachen is, en wanneer wij ook soms moeten wenen, zo moge deze gedachte het hevige van de smart temperen, ja zelfs de tranen afwissen, dat God zich niet langzaam en zwak gedraagt, maar een tijd lang door stil verachten den moedwil der vijanden wil breken.
De uitdrukking “die in den hemel woont” vestigt aanstonds onze gedachte op Enen, die oneindig verheven is boven den mens, die uit de aarde aards is. En als er gezegd wordt: “Hij zal lachen,” dan moet dat woord in onze harten de gedachte opwekken, dat de grootste samenspanningen onder koningen en volken en hun meest uitgebreide en krachtigste voorbereidingen, om Zijne voornemens te verijdelen, of Zijne dienaren te beledigen, in Zijne ogen, alle te zamen zonder betekenis en waarde zijn. Hij ziet op hun armzalige en strafbare pogingen niet alleen zonder bezorgdheid en vrees, maar Hij lacht met hun dwaasheid. Hij behandelt hun machteloosheid met spot. Hij weet hoe Hij hen vernietigen kan als een mot, wanneer het Hem behaagt, of verteren in een ogenblik met den adem Zijns monds. Hoe nuttig is het voor ons waarheden als deze ons te herinneren! Ja, het is inderdaad ene ijdele zaak voor de scherven dezer aarde te worstelen met de ontzaglijke Majesteit des Hemels.
Dan zal Hij, wanneer Hij niet meer alleen lachen en rustig toezien wil, tot hen spreken 1) in Zijnen toorn, en in Zijne grimmigheid zal Hij hen verschrikken 2), en wat Hij spreekt en waarmee Hij hen verschrikt zal dit antwoord (vs. 3) op hun vermetele rede zijn:
Waar in het eerste lid van spreken sprake is daar leest men in het tweede van verschrikken. Het spreken des Heren is een spreken met macht, het is het spreken van den Soevereinen Koning van geheel de aarde, dat voor Zijne liefhebbers woorden heeft van vrede en troost, maar voor Zijne haters woorden van schrik en ontzetting. Wat Hij spreken zal en waarmee Hij zal verschrikken, wordt in het volgende vers gemeld. Hij zal hen doen gevoelen, wat het betekent, tegen Hem in den hemel een strijd te voeren. Alle macht der wereld kan en zal niet verhoeden, dat het Rijk van den groten Koning ongehinderd op zijn grondvesten blijft bestaan.
Vs. 5a is als een rollende donder. vs. 5b als een inslaande bliksemstraal.
Te vergeefs verzet gij u tegen Mijn Gezalfde en Zijne heerschappij. Ik 1), de Koning des hemels en der aarde, toch heb Mijnen Koning gezalfd over of, op Zion, den berg Mijner heiligheid2). Ik heb Hem tot Mijnen Koning gemaakt, en heb Hem den berg Zion, de plaats Mijner Goddelijke tegenwoordigheid (2 Samuel 6), ten troon aangewezen, dat Hij van daar den scepter voere over de gehele wereld (Jozua 2: 3). Wat zal uw tegenstand baten?
Met dit Ik plaatst zich de Heere niet alleen tegenover de koningen der aarde, maar scheidt er Zich mede van hen af Met dit Ik zegt Hij, dat Hij machtiger is dan alle machtigen der wereld.
Een berg is lieflijk om aan te zien, is wel bedauwd en van boven bevochtigd en vast gegrondvest; alzo is de kerk Gods ook liefelijk, met den dauw des hemels, den Heiligen Geest, bevochtigd en onwankelbaar. Hij is gezeten op Zion, den berg van Gods heiligheid, type van de Evangelische kerk. De troon van Christus is in deze kerk opgericht, dat is in de harten van alle gelovigen.
Met deze woorden wordt ons het onveranderlijke Besluit voor ogen gesteld, hetwelk ons geloof onder de meest hevige beroerten der wereld in stand houdt, dewijl het als het ware het Rijk van Zijn Zoon, waarvan Hij zelf de Auteur is, zonder enigen twijfel zal beschermen tot het einde toe. Daarom, wat de mens ook berame, dit ene zij ons genoeg, dat de zalving Gods door hem niet kan vernietigd worden.
Beter is het te vertalen: Ik heb gewijd. Voor zalven wordt een ander woord in het Hebreeuws gebruikt. Het heeft hier de betekenis van, vastzetten. LXX vertalen dan ook terecht katestayhn. Zion is de residentie van den theocratischen koning, waar hij gezeteld is, van waar uit bij tot regeren is geroepen. Daar wordt de Goddelijke tegenwoordigheid genoten en daarom gaat die plaats alle hoogten der aarde te boven. 7.
III. Vs. 7-9.KruisverwijzingenHandelingen 13:33→Mattheüs 3:17→Hebreeën 5:5→Hebreeën 1:5→Johannes 3:16→Romeinen 1:4→Mattheüs 17:5→Psalmen 89:27→
— Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting. Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
De Gezalfde des Heren neemt thans de rede des Vaders over, welke, overeenkomstig zijnen toorn en Zijne hoogheid, kort en bondig was. Hij openbaart verder voor de opstandelingen wie Hij is, en wat Hij volgens het Goddelijk Raadsbesluit, over hen vermocht.
Ik 1), de Koning, van wie de Heere des hemels en der aarde zo even als van Zijnen Koning gesproken heeft, zal u, die u zo vermetel tegenover Mij stelt, van het besluit verhalen, mededelen wat God onveranderlijk heeft vastgesteld; het is dit: de HEERE heeft tot Mij gezegd, op den dag toen Hij Mij tot Koning stelde: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd 2), heb Ik U voortgebracht.
De Zanger is niet alleen Ziener, maar wat meer zegt, de Christus spreekt hier door den Dichter. Tegenover het woelen en het werken der vijanden, ontrolt Hij hun de oorkonde (want dit betekent eigenlijk het woord in den grondtekst), omtrent Zijn ambt en wijst daarom op het onbetwistbaar feit, dat Hij van eeuwigheid tot Koning is gewijd over Zion.
Welke dag dit is, bepaalt Paulus in Hand. 13: 33. Rom. 1: 4 uit de vervulling van hetgeen David hier in den Geest voorzien heeft: het is de dag der opstanding van Jezus Christus. Deze oneigenlijke generatie des Zoons door den Vader moet, daar zij een Zoonschap in den vollen zin des woords ten gevolge heeft, de eigenlijke en eeuwige wording veronderstellen. Daarom kan ook dit woord met volle recht op de eeuwige generatie des Zoons uit het wezen des Vaders worden toegepast, gelijk daartoe ook de Heilige Schrift aanleiding geeft (Hebr. 1: 5; 5: 5).
Het heden Gods is altijd, is de eeuwigheid. Hier wordt wel zeer bepaald de eeuwige geboorte des Zoons uit den Vader geleerd, doch omdat de zaak en het bewijs der zaak dikwijls als eenzelvig wordt genomen, worden deze woorden in het Nieuwe Testament (Hand. 13: 33 13.33) toegepast op Zijne opstanding, als wordende Christus door Zijne opstanding bewezen, of liever verklaard, afgekondigd en uitgeroepen als te zijn: de van eeuwigheid gegenereerde Zoon van God (Rom. 1: 4). Heden, van eeuwigheid heb Ik U gegenereerd. Het is onbevattelijk voor de engelen, en tegelijk het doopformulier voor onze kinderen. Zo oneindig hoog en zo nederig en eenvoudig tegelijk is de waarheid van God! Gij vraagt: hoe! zou God genereren? God keert de vraag om en zegt: Zou Ik de baarmoeder openbreken en niet genereren? (Jes. 66: 9a). God zegt het in onzen tekst, dat Hij Zich enen Zoon heeft gegenereerd van eeuwigheid af. Ja Hij zegt ons verder in Zijn Woord op verschillende tijden, plaatsen en wijzen, dat er in Zijn enig Goddelijk Wezen drie levens zijn, die Zich onderscheiden als de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De zoon nu van een mens is mens, en de Zoon van God is God hoe kan het anders? Is de Zoon het uitgedrukte beeld der Goddelijke zelfstandigheid, zo heeft Hij noodzakelijk alles wat in God is, even als een zegel alles heeft, wat het cachet heeft. Geen enkel graveerseltje is er in het cachet of het zegel heeft het ook. Het enig onderscheid tussen beide is, dat hetgeen in het cachet hol (verborgen) is, in het zegel bol (openbaar) is. Zo is er ook geen onderscheid tussen den Vader en den Zoon, dan dat in den Zoon niet het Vaderschap, en in den Vader niet het Zoonschap is. -Voorts zijn wij ons zelven een geheim, en God zou ons geen geheim zijn? Laat ons toch geloven, anders weten wij niets.
Bij den eeuwigen God is geen gisteren of morgen. Hij bestaat in de eeuwigheid als in een ondeelbaar ogenblik; het was, het is, het blijft bij God alles heden. In dit eeuwig en onveranderlijk heden heeft God Zijnen Zoon gegenereerd. Eigenaardig is de aanmerking van den groten Luther over deze plaats: “De Heere zei niet: “Ik zal u genereren,” om het verledene en tegenwoordige niet uit te sluiten, noch alleen: “Ik heb U gegenereerd,” om het toekomende en tegenwoordige niet uit te sluiten, maar Hij zegt: “Ik heb U gegenereerd,” en Hij voegt er heden bij, om bij het verledene tevens het tegenwoordige in het onafgebrokene van deze generatie aan te duiden.”.
Eis van Mij, gelijk Uwe betrekking als Zoon U daartoe recht geeft a), en Ik zal de heidenen gegeven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uwe bezitting 1); dit gebied alleen is overeenkomstig Uwe waardigheid.
Psalm 22: 28; 72: 8.
Jehova heeft de heerschappij der wereld voor Zijn Zoon bestemd en deze behoeft slechts te verlangen, om in het bezit er van gesteld te worden. Hij heeft slechts te willen, en dat Hij wil blijkt daaruit, dat hij zich tegenover de oproerigen beroept op de door Jehova gegeven Volmacht.
Ofschoon de ondankbaarheid van den mens belet, dat het Rijk van Christus niet meer bloeit, doet dit de kracht van het profetisch woord niet te niet, terwijl Christus het verspreide overblijfsel van alle kanten verzamelt, en in de ellendige woestijn de Zijnen verenigd houdt door den heiligen band des geloofs, zodat niet slechts één engel, maar de gehele aarde aan Zijne heerschappij; is onderworpen.
Gij zult, daartoe geef Ik U de volmacht, wanneer men U niet als Koning wil gehoorzamen, Gij zult hen verpletteren met enen ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkers vat; Gij zult hen Uwe gestrengheid en macht laten gevoelen in ene mate, dat des noods met hunnen volledigen ondergang eindigt, wanneer zij in hun tegenstreven volharden (Openbaring 2: 27; 19: 15). “Eis van Mij.” Het was ene gewoonte bij grote koningen, om aan sommige gunstelingen te geven, wat zij zouden mogen vragen (zie Esther 5: 6. MATTHEUS. 14: 7). Zo heeft de Heere Jezus slechts te vragen om te hebben. Hier verklaart Hij, dat Zijne vijanden Zijne erfenis zijn. Voor hun aangezicht verhaalt Hij Zijn besluit, en “Zie hier,” roept de enige Gezalfde als Hij den scepter zijner macht in ene Zijner doorboorde handen houdt. “Hij heeft mij gegeven niet alleen het recht ene Koning te zijn, maar ook de macht om te strijden” Ja, Jehova heeft aan dezen Gezalfde ene roede der wraak gegeven, met welke hij oproerige volken in stukken zal slaan en hun sterkte zal verachten; zij zullen gebroken worden als pottenbakkers vaten, die gemakkelijk in stukken worden geslagen, wanneer de roede der wraak in de hand van den al machtigen Zoon van God is.
Even als het Evangelie een scepter der rechtmatigheid is (Psalm 45: 7) voor allen, die zich bij het ware geloof houden, zo is het ook een ijzeren scepter die de ongelovigen verplettert, richt en tot het helse vuur verdoemd met al hun eer, macht, heerlijkheid en wijsheid. Want wie niet gelooft, die wordt verdoemd. Met deze onoverwinnelijke kracht van Gods Woord zullen wij ons vertroosten tegen alle vijanden van het Woord, tegen de gehele wereld en hare macht; zij zullen zeker dezen ijzeren scepter gevoelen. Wanneer de vijanden tegen Christus ten strijde uittrekken, zo is het even zo veel, alsof een hoop zich opmaakt, om te strijden tegen een ijzeren hamer, zou niet de hamer ze verpletteren, dat er zelfs geen scherf overbleef, waarin men vuur van den haard zou halen, of water putten uit ene bron? (Jes. 30: 14). De scepter, de herdersstaf wordt voor degenen, die niet buigen willen voor Hem als Koning, gelijk een ijzeren staf, die hen vermorzelt en in stukken slaat. Het heilige heeft altijd tweeërlei uitwerking. Het vertedert of verhardt. Het Evangelie is óf een reuke des levens ten leven, óf een reuke des doods ten dode. 10.
VI. Vs. 10-12.KruisverwijzingenOpenbaring 6:16→Filippenzen 2:12→Romeinen 9:33→Johannes 5:23→Jesaja 52:15→Hosea 14:9→Hebreeën 12:28→Hebreeën 12:25→
— Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde! Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving. Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
Op grond van hetgeen zij, uit den mond des Gezalfden vernomen hebben, vermaant de heilige zanger ten slotte de oproerigen, zich aan dezen, over hen gestelden Koning, in gehoorzaamheid te onderwerpen, opdat zijn toorn niet ontbrande en prijst hij gelukzalig, die Hem in geloof aanhangen.
Nu dan 1), gij koningen, die u verzet tegen des Heren Gezalfde handelt verstandiglijk, daar Zijne heerschappij vaststaat en straf en verderf degenen treft, die zich tegen Hem verzetten; laat u tuchtigen 2), waarschuwen, gij rechters der aarde, die te zamen aan ijdele dingen denkt en daarover beraadslaagt! (vs. 1 vv.)
Nadat David als een Prediker van Zijn oordeel de wrake Gods heeft voor ogen gesteld, nu de rol van profeet en onderwijzer weer opnemende, vermaant hij de ongelovigen tot berouw, opdat zij niet gedwongen worden te ondervinden dat de bedreigingen niet ijdel of ongemeend waren. Bij name spreekt hij de koningen en rechters toe, die niet zo gemakkelijk tam worden.
In het Hebr. Huwasroe. Dit betekent wel, tuchtigen, maar ook de bestraffende vermaning, de waarschuwing ter harte nemen. En die betekenis moeten we hier hebben. De dichter treedt hier op als raadgever, als gezant Gods, opdat de volken zich nog zouden bekeren, en zich onderwerpen aan de heerschappij van den groten Koning, want in bekering tot den Heere is alleen redding en zaligheid. In het volgende vers wordt gemeld, waarin dit zich laten waarschuwen, zichtbaar kan worden.
Dient den HEERE, in plaats van de banden te verscheuren en de touwen af te werpen (vs.
, dient Hem met vreze 1) van wege Zijne hoge en verhevene Majesteit, die toch met de weerspannigen slechts lacht (vs. 4) en verheugt u met beving, met heilige vreze, dat zulk een heerlijk Koning over u gesteld werd, opdat gij bewaard moogt blijven, ooit weer Zijnen toorn (vs. 5 vv.) op te wekken (Fillip. 2: 12. (Hebr. 12: 28).
Hij bepaalt de wijze van verstandiglijk handelen, n.l. dat zij den Heere zouden dienen in vreze. Want dewijl zij op de hoogte, waarop zij stonden, vertrouwende, er van droomden, dat zij niet aan het algemene recht waren gebonden, ontdekt Hij hen ten zeerste hun trotsheid, dat zij zelfs zich niet verwaardigden zich onder God te stellen. Derhalve, totdat zij hadden geleerd, Hem te vrezen, waarschuwt Hij hen, dat zij het rechte verstand misten. En zeker, dewijl hun zorgeloosheid hen verhardde, zodat zij Gode weigerden gehoorzaam te zijn, moeten zij het eerst tot vreze gedwongen worden, opdat zij hun opstand zouden laten varen.
Door hun daden van opstand hadden zij getoond, dat er geen vreze Gods bij hen werd gevonden. Zij hadden zich zelven gediend, welnu, hier vermaant de dichter hen, om van het dienen van zich zelven af te zien, om de gedachten van opstand te laten varen, en zich in ware en ootmoedige vreze Gode te onderwerpen, en Hem alzo in vreze te dienen. Van daar dat ook in het tweede lid van beving wordt gesproken, opdat zij als smekelingen tot God zich zouden wenden, en diep bewust zouden zijn van Zijne hoogheid en verhevenheid, van hun eigen kleinheid en nietigheid.
Kust 1), ten teken uwer huldiging (1 (Samuel 10: 1), den Zoon, opdat Hij bij verder verzet van uwe zijde niet toorne, en gij op den weg vergaat, dien gij ingeslagen zijt, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden 2), daar Hij de weerspannigen met een ijzeren scepter verplettert en als een pottenbakkersvat in stukken slaat (vs. 9) a). Welgelukzalig 3) zijn daarentegen allen, die op Hem betrouwen, want dezen zegent Hij.
Psalm 34: 9. Spreuken 16: 20. Jes. 30: 18. Jer. 17: 7. Rom. 9: 33; 10: 11. 1 Petrus 2: 6.
Van den Heere wordt gezegd (vs. 11): “Dient Hem met vreze; ” van den Zoon: “Kust Hem.”. De Zoon stelt zich tot ons in de nauwste betrekking. Hij nadert ons zo van nabij, dat wij Hem kunnen kussen.
“Kussen”, is een teken van liefde jegens gelijken Genesis 33: 4. 1 Samuel 20: 41. Rom. 16:
(1 Kor. 16: 20), van neerbuiging tot minderen (1 Samuel 10: 1), van godsdienstige verering (1 Koningen 19: 18. Job 21: 27). Kussen is hier teken van onderwerping, van een zich stellen onder Zijn gezag. Samuel kust Saul als teken van onderwerping aan hem als koning.
Of “want straks ontbrandt Zijn toorn.” De dichter vermaant hier tot onderwerping aan den Zoon en voegt er bij, “opdat Hij niet toorne.” Wie is die Hij? Is het Jehova of is het de Zoon des Welbehagens? Ongetwijfeld de Heere zelf, de Vader. Het is daarom, dat de Heere Christus zegt (Joh. 5: 23): Wie den Zoon niet eert, eert ook den Vader niet, die Hem gezonden heeft. Want wel zal eenmaal de toorn des Lams uitgaan tegen alle degenen, die niet gewild hebben, dat Hij Koning over hen zou zijn, maar hier wordt toch telkens van den Vader, van Jehova gesproken. Wanneer men tegen Zijn eeuwig Besluit ingaat, dat verwerpt en bespot, wanneer men weigert zich te buigen voor het gezag van den Zoon van Zijn Welbehagen, dan zullen de volken Zijn toorn ondervinden, op den weg vergaan, wanneer Zijn toorn ook maar een weinig zou ontbranden. Calvijn tekent dan ook aan: “Dewijl Christus niet versmaad wordt, zonder dat men den Vader versmaadt, die Hem met Zijn glorie heeft versierd, zal de Vader zelf zulk een heiligschennis niet ongewroken laten.”
Welgelukzalig! want wanneer der mensen roem zal verdwijnen gelijk de bloem des velds, die voor een ogenblik is, en wanneer alles, wat groot en eervol in vorsten genoemd is in ‘t stof zal gelegd zijn, zal Hij aan Zijne gelovige dienaren ene kroon zonder zorgen geven en een koninkrijk, dat niet kan bewogen worden. In elke tijd van druk kan de gemeente des Heren van dezen Psalm het troostrijk gebruik maken, dat daarvan de eerste Christenen maakten bij de ervaring van den eersten vijandigen tegenstand (Hand. 16: 23-29). Ook onze tijd ziet in dit keurdicht zijn beeld getekend, zijne roeping gepredikt, zijne toekomst ten dele ontsluierd.
Het een “Welgelukzalig” begon de eerste Psalm, met een “Welgelukzalig” eindigt de tweede; ook overigens staan beide Psalmen in nauw verband tot elkaar, terwijl de tweede in bijzondere toepassing op den Gezalfde en Zijne vijanden datgene nader uitwerkt, wat de eerste in ‘t algemeen van de inwendige tegenstelling tussen rechtvaardigen en goddelozen, van den eeuwig vasten stand der eersten en den zekeren ondergang der laatsten, aangeduid heeft. Toch vormen beide Psalmen, gelijk, volgens de oud-Joodse mening, ook nieuwere verklaarders beweren, één geheel, dat in twee delen verdeeld is, zodat daarom in Hand. 13: 33 volgens ene andere en betere lezing dan de gewone tekst, deze Psalm de eerste zou genoemd worden. De 1ste Psalm zou dan als ene inleiding op de Psalmen niet worden meegeteld, maar de telling eerst met den 2den beginnen. Zulk een voorwoord is die Psalm dan ook in de daad. Even als de Thora (de Wet) in vijf boeken verdeeld is, zo ook het Boek der Psalmen, dat het “Ja en Amen in liederen op het Gods woord van de Thora bevat; ” daarom begint het met een Psalm, waarin hij het tegenwoordige en de toekomst van den vriend der Thora tegenover het tegenwoordige en de toekomst van den goddeloze stelt, met ene Echo van die vermaning (Jozua 1: 8), in welke Jehova na den dood van Mozes diens opvolger Jozua het Boek dezer wet op het hart drukt. Even als nu de nieuwe Testamentische bergrede als ene prediking van de wet, die op de tafelen des harten geschreven is, met zaligsprekingen begint (MATTHEUS. 5: 3 vv.) zo ook het Oud-Testamentische Psalmboek, dat geheel en al gericht is op de wet, die in het harte leeft.”. Overigens zou het algemeen, voor ene inleiding passend karakter van Psalm 1 nauwelijks den verzamelaar van het Psalmboek vrijheid hebben kunnen geven dezen en den met dien nauw verbonden 2den Psalm, aan het hoofd van ene lange rij Davidische Psalmen te plaatsen, wanneer hij niet tevens de overtuiging gehad had, dat zij door David vervaardigd waren.
In enkele handschriften (2 Codd. de Rossi) is de eerste Psalm niet geteld, in andere (4 Codd. de Bennie en 3 de Ross) met den tweeden verbonden. Basilius noemde den eersten Psalm Prooimion bracu.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel