Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een gouden kleinoodH4387 van DavidH1732. BewaarH8104 mij, o GodH410! wantH3588 ik betrouwH2620 op U.
Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.
KJV
[[Michtam1
of David.]]2
Preserve3
me, O God:4
for in thee do I put my trust.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
O mijn ziel! gij hebt tot den HEEREH136 gezegdH559: GijH859 zijt de HEEREH3068, mijn goedheidH2896 raakt niet tot U;
O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE, mijn goedheid raakt niet tot U;
KJV
O my soul, thou hast said1
unto the LORD,2
Thou art my Lord:3
my goodness
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Maar tot de heiligenH6918, die op de aardeH776 zijn, en de heerlijkenH117, in dewelkeH834 alH3605 mijn lustH2656 is.
Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is.
KJV
But to the saints1
that4
are in the earth,3
and to the excellent,5
in whom is all my delight.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
De smartenH6094 dergenen, die een anderen God begiftigenH4116, zullen vermenigvuldigdH7235 worden; ik zal hun drankofferenH5262 van bloedH1818 niet offerenH5258, en hun namenH8034 opH5921 mijn lippenH8193 niet nemenH5375.
De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.
KJV
Their sorrows2
shall be multiplied1
that hasten4
after another3
god: their drink offerings7
of blood8
will I not offer,6
nor5
take up10
their names12
into my lips.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
De HEEREH3068 is het deelH4490 mijner erveH2506, en mijns bekersH3563; GijH859 onderhoudtH8551 mijn lotH1486.
De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot.
KJV
The LORD1
is the portion2
of mine inheritance3
and of my cup:4
thou maintainest6
my lot.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
De snoerenH2256 zijn mij in liefelijkeH5273 plaatsen gevallenH5307; ja, een schoneH8231 erfenisH5159 is mij geworden.
De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.
KJV
The lines1
are fallen2
unto me in pleasant4
places; yea, I have a goodly7
heritage.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Ik zal den HEEREH3068 lovenH1288, DieH834 mij raadH3289 heeft gegeven; zelfs bij nachtH3915 onderwijzenH3256 mij mijn nierenH3629.
Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.
KJV
I will bless1
the LORD,3
who hath given me counsel:5
my reins9
also instruct8
me in the night seasons.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Ik stelH7737 den HEEREH3068 geduriglijkH8548 voor mij, omdatH3588 Hij aan mijn rechterhandH3225 is, zal ik niet wankelenH4131.
Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.
KJV
I have set1
the LORD2
always4
before me: because he is at my right hand,6
I shall not be moved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
DaaromH3651 is mijn hartH3820 verblijdH8055, en mijn eerH3519 verheugtH1523 zich; ook zal mijn vleesH1320 zekerH983 wonenH7931.
Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen.
KJV
Therefore my heart3
is glad,2
and my glory5
rejoiceth:4
my flesh7
also shall rest8
in hope.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Want Gij zult mijn zielH5315 in de helH7585 niet verlatenH5800; Gij zult niet toelatenH5414, dat Uw HeiligeH2623 de verdervingH7845 zieH7200.
Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
KJV
For thou wilt not leave3
my soul4
in hell;5
neither wilt thou suffer7
thine Holy One8
to see9
corruption.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Gij zult mij het padH734 des levensH2416 bekendH3045 maken; verzadigingH7648 der vreugdeH8057 is bijH854 Uw aangezichtH6440; liefelijkhedenH5273 zijn in Uw rechterhandH3225, eeuwiglijkH5331.
Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.
KJV
Thou wilt shew1
me the path2
of life:3
in thy presence7
is fulness4
of joy;5
at thy right hand9
there are pleasures8
for evermore.
gouden
Of, gouden Psalm. Hebr. Michtam, dat is, hetgeen van het beste en fijnste goud gemaakt is. Gelijken titel hebben de Psalmen 56, 57, 58, 59, 60, vanwege hun bijzondere kostelijkheid en uitnemendheid. Sommigen houden het voor een soort van een muziekinstrument, of den aanvang van enig lied.
Hertaald:
gouden
Of: gouden psalm. Hebreeuws: Michtam, dat is: wat van het beste en fijnste goud gemaakt is. Dezelfde titel dragen de Psalmen 56, 57, 58, 59, 60, vanwege hun bijzondere kostbaarheid en voortreffelijkheid. Sommigen houden het voor een soort muziekinstrument, of het begin van een lied.
gij hebt
Deze woorden spreekt David als een voorbeeld van Christus, of [zo enigen menen] Christus zelf in den stand zijner vernedering tot zijne ziel, gelijk het Hebr. woord uitwijst; elders wordt het woord ziel uitgedrukt; Ps. 103:1 .
Hertaald:
gij hebt
Deze woorden spreekt David als een voorbeeld van Christus, of [zoals sommigen menen] Christus Zelf, in de staat van Zijn vernedering, tot Zijn ziel, zoals het Hebreeuwse woord aangeeft; elders wordt het woord ziel uitgedrukt; Ps. 103:1.
de HEERE,
Anders, mijn Heere.
Hertaald:
de HEERE,
Anders: mijn Heere.
goedheid
Dat is, weldadigheid. De zin is: Ik kan U, o God, met mijne weldaden niets aanbrengen, U gene deugd doen [want Gij zijt in uzelven volmaakt en een oorsprong van al het goede]; maar wel den vromen, die op aarde leven. gelijk volgt.
Hertaald:
goedheid
Dat is: weldadigheid. De betekenis is: ik kan U, o God, met mijn weldaden niets aanbieden, U geen goed doen [want U bent in Uzelf volmaakt en een oorsprong van al het goede]; maar wel aan de vromen die op aarde leven, zoals volgt.
heerlijken,
Of, voortreffelijken, aanzienlijken; alzo noemt hij de gelovigen en heiligen, omdat zij Gods kinderen en erfgenamen zijn. Van het Hebr. woord, zie boven Ps. 8:2 .
Hertaald:
heerlijken,
Of: voortreffelijken, aanzienlijken; zo noemt hij de gelovigen en heiligen, omdat zij Gods kinderen en erfgenamen zijn. Over het Hebreeuwse woord, zie hierboven Ps. 8:2.
anderen
Niet den waren enigen God, meer een afgod.
Hertaald:
anderen
Niet de enige ware God, maar een afgod.
begiftigen,
Versta, met een huwelijks gift of bruiloftsgift, en zie van de razernijen dezer geestelijke hoererij Ezech. 16:31-34 .
Hertaald:
begiftigen,
Versta hieronder: met een huwelijksgift of bruiloftsgift, en zie over de razernij van deze geestelijke hoererij Ezech. 16:31-34.
hun drankofferen
Der afgoden.
Hertaald:
hun drankofferen
Van de afgoden.
offeren
Of, uitgieten, uitstorten; gelijk de afgodendienaars gewoon waren te doen in de drankoffers. Van de wettelijke drankoffers, waarin wijn of sterke drank gebruikt werd, zie Ex. 29:40 ; Num. 15:5 , Num. 15:7 , Num. 15:10 , en Num. 28:7 .
Hertaald:
offeren
Of: uitgieten, uitstorten; zoals de afgodendienaars gewoon waren te doen bij de drankoffers. Over de wettelijke drankoffers, waarin wijn of sterke drank gebruikt werd, zie Ex. 29:40; Num. 15:5, Num. 15:7, Num. 15:10, en Num. 28:7.
op mijn
Dat is, in mijn mond, gelijk Ps. 50:16 . Hij wil zeggen dat hij met de afgoderij en wat er aankleeft ganselijk niet wil te doen hebben, dat hij een afgrijzen daarvan heeft. Zie Ex. 23:13 .
Hertaald:
op mijn
Dat is: in mijn mond, zoals Ps. 50:16. Hij wil zeggen dat hij met de afgoderij en alles wat daarbij hoort, helemaal niets te maken wil hebben, en dat hij daarvan een afkeer heeft. Zie Ex. 23:13.
deel
Twee gelijkenissen worden hier gebruikt: de ene genomen van erven, die met snoeren gemeten en bij het lof werden uitgedeeld, zie Deut. 3:4 , en Deut. 32:9 ; Jos 13 enz.; de andere van de huisvader elken huisgenoot zijn beker drank toedeelde. Verg. Ps. 11:6 .
Hertaald:
deel
Twee vergelijkingen worden hier gebruikt: de ene ontleend aan erfenissen, die met snoeren gemeten en door het lot uitgedeeld werden, zie Deut. 3:4, en Deut. 32:9; Joz. 13, enzovoort; de andere aan de huisvader, die elke huisgenoot zijn beker drank toebedeelde. Vergelijk Ps. 11:6.
onderhoudt
Dat is, bewaart, of houdt in zekere bewaring voor mij. Verg. 2 Tim. 4:8 ; 1 Petr. 1:4-5 .
Hertaald:
onderhoudt
Dat is: bewaart, of houdt in veilige bewaring voor mij. Vergelijk 2 Tim. 4:8; 1 Petr. 1:4-5.
een schone
Hebr. de erfenis is schoon geworden aan, of over mij.
Hertaald:
een schone
Hebreeuws: de erfenis is mooi geworden voor, of over mij.
loven,
Hebr. zegenen.
Hertaald:
loven,
Hebreeuws: zegenen.
bij nacht
Hebr. in de nachten. Zie Ps. 1:2 .
Hertaald:
bij nacht
Hebreeuws: in de nachten. Zie Ps. 1:2.
nieren
Dat is, mijn innerlijkste bewegingen drijven mij tot aan mijn plicht. Zie Job 19:27 .
Hertaald:
nieren
Dat is: mijn diepste gemoedsbewegingen dringen mij aan tot mijn plicht. Zie Job 19:27.
Ik stel
Dat is van onze Heere Christus gesproken is, blijkt uit Hand. 2:25 .
Hertaald:
Ik stel
Dat dit over onze Heere Christus gesproken is, blijkt uit Hand. 2:25.
voor
Hebr. tegen mij over.
Hertaald:
voor
Hebreeuws: tegenover mij.
wankelen
Gelijk Ps. 15:5 .
Hertaald:
wankelen
Zoals Ps. 15:5.
eer
Zie Gen. 49:6 .
Hertaald:
eer
Zie Gen. 49:6.
vlees
Dat is, lichaam
Hertaald:
vlees
Dat is: lichaam.
zeker
Of, veiliglijk. Hebr. eigenlijk, met, of in vertrouwen, te weten, dat de opstanding ten derde dage zekerlijk volgen zal.
Hertaald:
zeker
Of: veilig. Hebreeuws eigenlijk: met, of in vertrouwen, namelijk dat de opstanding op de derde dag zeker zal volgen.
ziel
Dat is, mijn persoon, gelijk elders diwijls, waardoor wijders het dode lichaam onzes Heere Jezus Christus verstaan wordt. Verg. Lev. 19:28 , en Ps. 94:17 , en zie hiervan Hand. 2:31 , en Hand. 13:35 , enz.
Hertaald:
ziel
Dat is: mijn persoon, zoals elders vaak, waarmee verder het dode lichaam van onze Heere Jezus Christus bedoeld wordt. Vergelijk Lev. 19:28, en Ps. 94:17, en zie hierover Hand. 2:31, en Hand. 13:35, enzovoort.
hel
Dat is, graf. Of versta met sommigen, de helse pijn, die Christus in zijn lijden om onzentwil gedragen heeft. Zie van het Hebr. woord Gen. 37:35 .
Hertaald:
hel
Dat is: graf. Of versta met sommigen: de helse pijn, die Christus in Zijn lijden voor ons gedragen heeft. Zie over het Hebreeuwse woord Gen. 37:35.
heilige
Te weten, Ik, Christus. Anders, goedertierene, weldadige, gunstgenoot. Verg. Deut. 33:8 , en Ps. 4:4 .
Hertaald:
heilige
Namelijk: Ik, Christus. Anders: goedertierene, weldadige, gunstgenoot. Vergelijk Deut. 33:8, en Ps. 4:4.
verderving
Zie Ps. 7:16 .
Hertaald:
verderving
Zie Ps. 7:16.
zie
Dat is, ondervinde, lijde, blijvende in het graf en verrottende, gelijk andere mensen. Verg. Ps. 34:13 ; Joh. 3:36 , en Joh. 8:51 , en zie Job 7:7 .
Hertaald:
zie
Dat is: ondervinde, lijde, blijvend in het graf en vergaand, zoals andere mensen. Vergelijk Ps. 34:13; Joh. 3:36, en Joh. 8:51, en zie Job 7:7.
pad
Mij in dit leven geleidende en daarna opwekkende uit de doden, en voerende in de heerlijkheid des eeuwigen leven.
Hertaald:
pad
Mij in dit leven leidend en daarna opwekkend uit de doden, en voerend in de heerlijkheid van het eeuwige leven.
der vreugde
Of, blijdschappen, in het getal van velen.
Hertaald:
der vreugde
Of: blijdschappen, in het meervoud.
aangezicht;
Verg. Ps. 4:7 , en Ps. 17:15 , en zie 1 Joh. 3:2 .
Hertaald:
aangezicht;
Vergelijk Ps. 4:7, en Ps. 17:15, en zie 1 Joh. 3:2.
rechterhand
Met welke Gij die uwen kinderen geeft en uitdeelt. Verg. Spr. 3:16 . Anders, bij uwe rechterhand; waar Ik Christus zal zitten, als Ik ten hemel zal zijn opgevaren, en waar David en alle uitverkorenen zullen gesteld worden; Matt. 25:33 .
Hertaald:
rechterhand
Waarmee U die aan Uw kinderen geeft en uitdeelt. Vergelijk Spr. 3:16. Anders: bij Uw rechterhand; waar Ik, Christus, zal zitten, wanneer Ik ten hemel zal zijn opgevaren, en waar David en alle uitverkorenen geplaatst zullen worden; Matth. 25:33. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U" (Ps. 16:1). David noemt eerst wat hij niet wil: de offers van andere goden en zelfs hun namen op zijn lippen (Ps. 16:4). Dan volgt zijn belijdenis met een beeld uit de landverdeling: "De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot" (Ps. 16:5), en: "De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden" (Ps. 16:6). Het meetsnoer bepaalde de grenzen van een akker; wat hem toegemeten is, is God Zelf. Daarna: "Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen" (Ps. 16:8). En dan de verzen die deze psalm bekend maakten: "Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie" (Ps. 16:10). Het slot wijst vooruit: "Gij zult mij het pad des levens bekend maken" (Ps. 16:11). Bijbelse betekenis: Deze psalm is eerst het lied van David zelf: een man die alles wat hij heeft in God vindt en daarom rustig kan slapen. Maar Ps. 16:10 gaat verder dan zijn eigen leven, en dat is op de Pinksterdag uitdrukkelijk gezegd. Petrus wijst erop dat David gestorven en begraven is en dat zijn graf er nog was; deze woorden kunnen dus niet over hem alleen gaan. Merk op hoe de psalm zijn zwaartepunt legt. Wat David bezit, is niet zijn koningschap maar zijn deel: de HEERE Zelf (Ps. 16:5). Wie zo rijk is, kan ook de dood aan. Let ten slotte op Ps. 16:11. Er staat niet dat hij aan de dood zal ontkomen maar dat hem het pad van het leven bekendgemaakt wordt, en dat pad loopt bij het aangezicht van God uit. Typologie: Petrus haalt deze psalm aan in zijn eerste preek: "Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechter hand" (Hand. 2:25), en hij past haar toe op de opstanding: "dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien" (Hand. 2:31). Paulus doet in Antiochië hetzelfde (Hand. 13:35). Ps. 16:1-11; Hand. 2:25; Hand. 2:31; Hand. 13:35 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Een psalm van David, opgeschreven als een gebed om bewaring. Hij spreekt over zijn erfdeel, zijn nachten, zijn hart — en dan zegt hij iets over zijn lichaam en het graf dat op hemzelf niet uitkwam. David zegt dat zijn vlees zeker wonen zal en dat God Zijn Heilige de verderving niet zal laten zien — en Petrus wijst op Davids graf om te bewijzen dat hij het niet over zichzelf had. De psalm klinkt eerst als een vertrouwelijk gebed. De HEERE is het deel mijner erve; ik stel den HEERE geduriglijk voor mij. Dan komt de vreugde: daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen. En dan volgt de reden, en die gaat verder dan een gerust gemoed: want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten dat Uw Heilige de verderving zie. De kanttekening laat er geen twijfel over bestaan waarover het gaat. Bij ziel tekent zij aan: dat is mijn persoon, waarmee verder het dode lichaam van onze Heere Jezus Christus bedoeld wordt — met verwijzing naar de twee plaatsen in Handelingen waar het vers aangehaald wordt. En bij het woord voor de hel: dat is graf, of, zoals sommigen verstaan, de helse pijn die Christus in Zijn lijden voor ons gedragen heeft. Petrus doet op de Pinksterdag iets wat je moet zien om te waarderen. Hij bewijst de opstanding niet met zijn eigen ooggetuigenis maar met deze psalm, en hij doet dat met een argument dat iedereen kon nagaan: mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag. Het lichaam van David heeft de verderving wél gezien. Hij sprak dus niet over zichzelf. Paulus gebruikt hetzelfde vers in Antiochië en scherpt het nog aan: David is ontslapen en heeft verderving gezien, maar Hij Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien. Het slot van de psalm past daarbij: Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht. Er wordt een weg gewezen die door de dood heen loopt en aan de andere kant uitkomt. In het Nieuwe Testament: Handelingen 2:25-32; Handelingen 13:35-37; 1 Korinthe 15:20; Openbaring 1:18
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Zoals twee stromen die door een oever gescheiden zijn een tijdlang naast elkaar vloeien en ten laatste samensmelten tot één rivier — en dan kunt u nauwelijks zeggen welke rivier het is wanneer zij tot één verenigd zijn — zo zijn Christus en Zijn gemeente verenigd in één machtige stroom, zodat wat van de een gezegd wordt, althans in zekere zin, ook van de ander gezegd mag worden. Wij zijn één met Jezus, en bijgevolg mag veel van wat over Hem gezegd wordt ook over ons gezegd worden. Overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht. Psalm 16:11 Je moet met vreugde en ontzag tot de troon naderen. Wij behoren door Gods genade tot de bevoorrechten die… Deze preek werd gepubliceerd op donderdag 14 december 1911 en werd uitgesproken door C.H. Spurgeon op donderdagavond 18 januari 1866 in de Metropolitan Tabernacle in Newington. Bewaar mij,… Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. 1 Korintiers 10:12 Het gevaar waar ik u voor moet waarschuwen, zal ik nu proberen te… 6 De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden. 7 Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij… 1 Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U. 2 O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE,… Ik stel de HEERE gedurig voor mij; omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen. Psalm 16:8 Dit is de juiste manier om te leven. Met… Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat uw Heilige de verderving zie. Psalm 16:10 Dit woord is eigenlijk… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 16
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Gij zult Uw Heilige de verderving niet doen zien — 16:1-11
Wat betekenen de niveaus?
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
Christus op Zijn troon
Christus' gebed en Christus' pleidooi
Beveiliging tegen zelfbedrog
Psalm 16:6-11
Psalm 16:1-5
Voor wie zou ik vrezen?
Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten


Psalmen 16
Psalmen 16:1.KruisverwijzingenPsalmen 56:1→Psalmen 17:8→Psalmen 125:1→Psalmen 22:8→Psalmen 7:1→Jeremia 17:7→Psalmen 116:6→Psalmen 25:20→
— Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.
Merk op hoe de psalmdichter de krachtige pleitgrond van het geloof aanvoert. Een God op Wie vertrouwd wordt, zal een bewarend God zijn. Kunt u, gelovige, naar waarheid zeggen dat u in enige tijd van moeite of gevaar op God vertrouwt, dan zult u veilig genoeg zijn in Zijn bewaring.
Psalmen 16:2-3.KruisverwijzingenPsalmen 73:25→Psalmen 91:2→Psalmen 31:14→Zacharia 13:9→Hebreeën 6:10→Maleachi 3:17→Titus 3:8→Psalmen 8:1→
— O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE, mijn goedheid raakt niet tot U; Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is.
“Ik kan U geen goed doen, U bent te groot om iets van mij nodig te hebben; maar ik mag het middel zijn tot zegen voor Uw volk, Uw heiligen mogen enig gering nut trekken uit wat ik doe. Zij zijn het gezelschap dat ik houd, zij zijn de uitgelezenste vrienden die ik ken; en wilt U mij maar helpen iets voor U te doen dat hun zegen brengt, dan zal ik mij waarlijk verheugen.”
Psalmen 16:4.KruisverwijzingenExodus 23:13→Jozua 23:7→Psalmen 32:10→Jona 2:8→Genesis 35:14→Jesaja 66:3→Openbaring 18:4→Openbaring 14:9→
— De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.
Wij moeten God getrouw zijn, de God Die ons geopenbaard is in het Boek van God, de God van het Oude en van het Nieuwe Testament, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Wij moeten ons aan Hem houden en ons geen andere god maken naar onze eigen verbeelding. Het is zelfs een praktische afgoderij zich God anders voor te stellen dan Hij in de heilige Schrift geopenbaard is. Dat mogen wij niet doen, maar wij moeten van de God van de Bijbel zeggen: “Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos.”
Psalmen 16:5.KruisverwijzingenPsalmen 23:5→Klaagliederen 3:24→Psalmen 73:26→Psalmen 142:5→Psalmen 119:57→Psalmen 89:4→Deuteronomium 32:9→Jeremia 10:16→
— De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot.
Een van de grote adellijke huizen heeft als zinspreuk de woorden: “Ik zal het handhaven.” Maar die van David is beter: Gij onderhoudt mijn lot. God is de beste Verdediger die Zijn volk ooit kan hebben.
Psalmen 16:6.KruisverwijzingenJeremia 3:19→Psalmen 78:55→Efeze 1:18→Psalmen 21:1→2 Timotheüs 2:12→Hebreeën 12:2→1 Korinthe 3:21→Johannes 20:17→
— De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.
Velen van ons hebben dit in onze bevinding waar bevonden. Mogen wij dankbaar tevreden blijven, ja meer dan tevreden: verheugd met alles wat God ons beschikt!
Psalmen 16:7-8.KruisverwijzingenPsalmen 42:8→Psalmen 73:24→Psalmen 77:6→Psalmen 17:3→Openbaring 2:23→Jesaja 50:4→Jesaja 48:17→Psalmen 73:23→
— Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren. Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.
In mijn daden bij dag en in mijn gedachten bij nacht. En nu komt over de heilige bladzijde de wonderlijke openbaring van een heerlijke Persoon Die spreekt in juist de woorden die hier opgetekend zijn. Al hebben wij Hem misschien niet herkend, deze woorden die volgen zijn in het bijzonder van toepassing op Jezus Christus, onze Heere.
Psalmen 16:9-10.KruisverwijzingenPsalmen 49:15→Handelingen 13:35→Psalmen 30:12→Psalmen 57:8→Openbaring 20:13→Handelingen 2:27→Openbaring 1:18→Deuteronomium 32:22→
— Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen. Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
Omdat Hij in de nachtwaken Zijn Vader gezocht en hulp bij Hem gevonden had, kon Hij zeggen: daarom is mijn hart verblijd. Nu was David tot zijn vaderen verzameld en zag zijn lichaam de verderving, zoals de apostel Petrus terecht opmerkte; het is dus duidelijk dat hij hier niet van zichzelf spreekt, althans niet in de eerste plaats, maar van de grotere Zoon van de grote David, onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus: Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
Psalmen 16:11.KruisverwijzingenHandelingen 2:28→Openbaring 7:15→Psalmen 36:7→Psalmen 21:4→2 Korinthe 4:17→Psalmen 17:15→Jesaja 2:3→Mattheüs 7:14→
— Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.
Vaak kunnen wij in de psalmen nauwelijks zeggen of het David is, of Jezus, of beiden op wie de schrijver doelt. Vaak verliezen wij David geheel uit het oog en zijn wij er zeker van dat hij er niet is, terwijl de woorden op andere tijden even goed passen op David het voorbeeld als op Jezus de vervulling. Het ziet ernaar uit dat de Heilige Geest zelfs in die oude tijden Gods heiligen wilde doen weten dat er een verborgen vereniging is tussen Christus en Zijn volk, zodat bijna alles wat van Hem gezegd kan worden ook gezegd kan worden van hen die in Hem zijn. Zij zijn zo volkomen één — zij zijn zo innig verenigd in banden van een verborgen, levende, eeuwige vereniging — dat het niet altijd mogelijk zou zijn de uitspraken over hen uit elkaar te houden.
In deze psalm zijn wij er zeker van dat er een duidelijke verwijzing naar de Zaligmaker is, omdat de woorden van vers 10 op niemand dan op Hem volstrekt van toepassing kunnen zijn. Alle andere lichamen zien de verderving, maar Zijn heilig lichaam zag haar niet. Zijn geboorte was niet naar de natuurlijke voortbrenging. Zijn menselijke natuur was volmaakt, onbesmet door het kwaad. Zo’n lichaam behoort aan niemand anders toe, dus zijn deze woorden in de volste zin alleen op onze Heere Jezus Christus toepasselijk.
Toch gevoelen wij als gelovigen geen aarzeling om ze onszelf toe te eigenen, althans in ruime mate, gedenkend dat onze Heere Jezus tot Zijn discipelen zei: Ik leef, en gij zult leven (Joh. 14:19). En Hij bad: Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen (Joh. 17:24). Dit bewijst dat ook wij het pad des levens zullen betreden dat Hij betreden heeft; de tegenwoordigheid van Zijn Vader, waarin Hij verheerlijkt is, is dezelfde tegenwoordigheid die onze hemel zal uitmaken. De rechterhand van God, waaraan Hij zit, is de plaats waartoe Hij ook ons verhogen zal; en de eeuwige lieflijkheden waarin Hij Zelf Zich verblijdt, zijn de lieflijkheden waarmee Hij onze zielen verzadigen zal, want het is Zijn voornemen dat Zijn blijdschap in ons blijven zal, opdat onze blijdschap vervuld worde.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een gouden kleinood van David, Hebr. michtam 1), d.i. geheim, een lied vol van diepen inhoud, die voor de grote menigte niet te verstaan is (1 (Kronieken 25: 31).
In de overzetting “gouden kleinood,” is men Aben Esra (een der Joodse geleerden uit de Middeleeuwen, te Toledo geboren, gestorven 1167 of 1168 na Christus), gevolgd. Deze leidt het woord af van goud, en zegt: “de Psalmen, die dit opschrift dragen (behalve de onze ook Psalm 56-60) zijn dus genoemd, omdat zij voortreffelijk zijn als het beste goud; inderdaad komt de uitdrukking: “gouden verzen,” “gulden spreuken,” meermalen voor bij Grieken zowel als bij Arabieren. Intussen moet het woord afgeleid worden van: Mtk (= verbergen) en in den bovengenoemden zin verstaan worden, zodat de liederen met dit opschrift als de zodanige zijn aangewezen, die ons in de geheime diepten van het leven in God inleiden en den lezer herinneren, dat alleen Gods Geest de geheimen Gods verklaren kan.
Als een straal van het inwendige licht van zijnen tijd, komt deze Psalm van David ons tegemoet (1 Koningen 2: 9 ), als een bewijs tevens van het onwankelbaar geloofsvertrouwen van enen huisgenoot Gods, over welken de vorige psalm aan het einde sprak. De koninklijke zanger is nu weer, gelijk zo dikwijls in zijn leven, in doodsgevaar, en nu wel in dat gevaar, hetwelk geen gevaar meer is, want hij ligt op zijn sterfbed; het roepen om hulp zwijgt voor het sterkere bewustzijn en de heldere hoop het is slechts een roepen om bewaring in het laatste, bittere uurtje, dat geen sterveling kan bespaard worden, en door dat roepen heen horen wij reeds ene bevestiging van het Nieuw Testamentische: Ik ben de Opstanding en het Leven.
I. Vs. 1-5.KruisverwijzingenPsalmen 23:5→Klaagliederen 3:24→Psalmen 73:26→Psalmen 142:5→Psalmen 119:57→Exodus 23:13→Psalmen 56:1→Jozua 23:7→
— Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U. O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE, mijn goedheid raakt niet tot U; Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is. De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen. De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot.
Aan het einde van Zijne loopbaan, terwijl hij zich ook nog voor de laatste schrede, die hij te doen heeft, aanbeveelt aan de bewaring van God, op Wien hij zijn gehele vertrouwd heeft, spreekt David nog eens uit, in welke betrekking hij tot den Heere en tot de heiligen staat; gelijk hij deze bemint, zo verafschuwt hij daarentegen de kinderen der wereld, die voor den Heere, die hen gekocht heeft, zich afgoden inruilen. Aan den Heere in den hemel heeft hij een goed en een erfdeel, dat hem alles geeft, wat hij nodig heeft, en dat hij nooit zal verliezen. Bewaar mij, o God! Gij, die als de alleen ware, alvermogende God alleen bewaren kunt, en ook dan het vermoogt. wanneer de ziel in den dood nederdaalt en het lichaam tot stof en as moet worden (vgl. vs. 10); bewaar mij; want Ik betrouw op U. David begint met de aandoening van enen, die zijnen ondergang voor ogen ziet, van allen verlaten is en nu sterven moet. Deze zou ongeveer alzo spreken “Zie, ik moet sterven, mijne kracht is van mij geweken, engelen en mensen hebben mij verlaten, ja de duivel en de mensen zoeken mij te verderven. Ik kan niet ontvluchten, niemand ontfermt zich over mijne ziel; ieder houdt mij reeds voor verloren en beweent mij als een dode. Daarom, Heere! Gij alleen zijt nog mijn bewaarder en mijn redder, Gij die redt, wie men verloren waande, de doden levend maakt en de onderdrukten verhoogt. Heere! red mij; laat mij niet te schande worden!” Zo spreekt de Psalmist ook elders (Psalm 31: 6): in Uwe handen beveel ik mijnen geest.
David begint zijn Psalm met een bede des geloofs en vertrouwen. Waar hij nergens uitkomst ziet, geen enkel toevluchtsoord ontdekt, waarin hij zich verbergen kan, waar alles hem bij de handen is afgebroken, daar richt hij zijn blik naar den hemel, ziet op naar den Hoge, naar Hem, die een veilige en zekere Rotssteen is voor al Zijn volk. Bij God, zijnen Heere, dat weet hij, is hij veilig en zeker. Ja, hij weet met een God te doen te hebben, die een zeker toevlucht is voor alle Zijne kinderen.
O mijne ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE, die alle macht bezit in hemel en op aarde; a) mijne goedheid raakt niet tot U 1), Gij zijt te groot, dat ik U enige weldadigheid zou kunnen bewijzen;
In het Hebr. Adonai atthah tobathi bal-alèka. LXX: kurio mou ei su, oti twn agaywn mou ou creian ecei Hiëronymus: Dominus meus es tu, bene mihi non est sinete. De Staten-overzetters zetten over door: Gij zijt de Heere, mijne goedheid raakt niet tot U, terwijl zij aantekenen of, mijn Heere. Anderen vertalen, zoals Hengstenberg en Delitzsch: Gij zijt mijn Heere, nevens U is er geen goed terwijl eerstgenoemde er bij voegt: het is de verklaring der ziele, dat het moeten tot zijn is geworden. Volgens de vertaling der Staten-Overzetters, wil de dichter zeggen, dat hij voor zijne goederen den Heere niet kan vergelden, en volgens de vertaling der anderen, dat er bij den Heere niets kan vergeleken worden, dat de Heere God hem dus boven alles gaat. De laatste vertaling heeft veel voor. Wij hebben hier dan de betuiging, dat David zich volkomen aan God onderwerpt. In vs. 5 noemt hij dan ook den Heere het deel zijner erve, terwijl hij in vs. 6 verzekert, dat de snoeren hem in liefelijke plaatsen zijn gevallen.
Maar tot, wat betreft de heiligen, de kinderen Gods, die op de aarde zijn, en aan de heerlijken in godsvrucht, aan Uwe kinderen, in welke al mijn lust is 1), die ik met mijn ganse hart liefheb.
Deze plaats leert ons alzo, dat geen offer Gode aangenamer is, dan wanneer wij met allen aandrang zoeken de gemeenschap der gelovigen, opdat we verbonden door den veiligen band der godsvrucht de broederlijke welwillendheid beoefenen.
Het is groter, heerlijker voor ons, dat wij zijn verwaardigd om God te dienen, dan het voor Hem is, dat wij Hem onzen dienst aanbieden. Hij is niet gelukkig gemaakt door ons, maar wij zijn gelukkig gemaakt door Hem Hij kan het doen zonder zulke aardse dienaars, maar wij kunnen niet zonder zulk een Hemelsen Meester. Er is niets aan God toe te voegen; Hij is zo volmaakt, dat gene zonde Hem nadeel kan doen en zo rechtvaardig, dat gene gerechtigheid Hem kan te stade komen. Beter: in hen is al mijn lust. De dichter spreekt het dan in vs. 1 en vs. 2 uit, dat zijne liefde zich uitstrekt tot God en zijn volk. Wanneer hij God als het hoogste Goed, nevens Wie hem niets lust in hemel en op aarde, heeft leren kennen, ja, wanneer hij zich kind van God heeft leren gevoelen, dan gevoelt hij ook de gemeenschap der heiligen, den liefdeband, die hem verbindt met alle godvruchtigen.
De smarten dergenen, die enen anderen God begiftigen 1), in plaats van den enigen waarachtigen aan te hangen, zullen vermenigvuldigd worden, niet alleen dat zij in hun verwachting zullen teleurgesteld worden, maar ook wacht hun het gericht en de ijver Gods, die de weerspannigen zal verteren (Hebr. 10: 23. (Psalm 32: 10. (1 (Tim. 6: 10); ik zal hun drankoffers van bloed niet offeren2), met hunnen afgodendienst mij niet mengen; want hetgeen zij plengen is enkel bloed, daar hun hangen met bloed bevlekt zijn en hun geweten met bloed beladen is (Jes. 1: 11, 15), en ik zal hun namen, de namen dier afgoden, die zij dienen, op mijne lippen niet nemen 3) (Exodus 23: 13).
Eigenlijk kopen. Kopen is de verklaring van de in het Oosten bestaande gewoonte, om de dochter van haren vader zich als vrouw te kopen. Het beeld is des te gepaster, daar ook dikwijls van enen echt tussen God en Zijn volk gesproken wordt. God koopt Zijn volk, Hij komt hen tegemoet met gaven Zijner liefde, Hij geeft en Hij eist; Zijne liefde verwekt hun wederliefde. Afgoden daarentegen moeten gekocht worden, zij geven niets maar eisen gedurig. Hun dienst is ene zaak van zelfverloochening en een oogst van smarten. (Hos. 3: 2, 8: 9. Ezechiël. 16: 33,24).
Dit wil niet zeggen, dat die offeranden uit bloed bestonden in plaats van uit wijn, maar dat zij met bloed bevlekte handen werden gebracht door mensen, door mensen, die met een bloedschuld waren beladen.
Zo grote afkeer en verachting was er bij hem, zegt hij, omtrent de afgoden, dat hij zich zou wachten, om hun namen te noemen, evenals van het plegen van heiligschennis, niet omdat het niet geoorloofd was, hun namen op de lippen te nemen, wat we wel bij de Profeten ontmoeten, maar dewijl David niet anders zijn hoogste verachting wist uit te drukken, waarmee de gelovigen de valse goden moeten vervolgen.
a) De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers, want de priesters, die van ‘s Heren tafel eten, stellen slechts in ‘t uiterlijke voor (Numeri 18: 20), wat in zijne geestelijke diepte van ieder gelovige waar is; Gij, Heere! onderhoudt mijn lot, evenzeer als ik, wat ik wensen kan, in U heb, zo blijft mij ook, wat ik thans in U heb, door U mij gewaarborgd.
Klaagt. 3: 24. Laat mij de liefde en gunst van God bezitten; laat mij voldoening hebben in de gemeenschap Zijner genade en Zijner vertroostingen, laat mij deel hebben aan Zijne beloften en ene aanspraak op het eeuwige leven en ‘t geluk in de toekomst; en ik heb genoeg, ik behoef niets meer, ik verlang niets meer om zalig te zijn. Wilden wij wel en vrijer handelen voor ons zelven, wij moesten God en Christus aannemen tot onze erfenis in de andere wereld, de hemel is ene erfenis; God zelf is de erfenis Zijner heiligen daar, wier eeuwige zegen is, zich in Hem te verblijden. Daarom moeten wij Hem op deze wereld nemen voor ons huis, onze rust, ons eeuwig goed.
Voor anderen vloeie het land Kanaän over van melk en honing als een beker; mijn beker, die van den hoogsten zegen overvloeit, is mijn God. Merkt op, niet alleen de zegeningen van God, maar God in de zegeningen. Zegeningen zijn nooit van zo veel betekenis, als wanneer zij getuigen van den Redder.
Deel mijner erve, is het deel, dat iemand toekomt van een stuk lands, en deel mijns bekers, dat gedeelte, wat de huisvader als zijn deel aan een iegelijk aanwijst. Nu weet men, dat de stam Levi geen eigen stuk land had, en geen eigen beker, dat is, geen eigen inkomsten. Hij moest leven van de bediening van het heiligdom. De Heere God was zijn deel. Hierop zinspeelt de dichter. In geestelijken zin is de Heere nu zijn erve en zijn beker. Hij leeft en zal leven uit de hand des Heren, en ontvangen naar de mate, die zijn God voor hem bepaalt. 6.
II. Vs. 6-11.KruisverwijzingenHandelingen 2:28→Openbaring 7:15→Psalmen 42:8→Psalmen 73:24→Psalmen 77:6→Psalmen 49:15→Psalmen 17:3→Handelingen 13:35→
— De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden. Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren. Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen. Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen. Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.
Terwijl hij zich gelukkig gevoelt van wege het lot, dat hij in de gemeenschap des Heren heeft, prijst David in dankbare zegening degene, die hem tot erkentenis van het ene nodige gebracht heeft, en houdt Hem stonds in het oog; daarom is hij zeker, dat hij nooit bezwijken of afvallen zal. Deze zekerheid verschaft hem dan ook nu, nu hij gaat sterven, het zaligst uitzicht over dood en graf in een eeuwig leven, wanneer de vreugde volkomen wordt en de heerlijkheid geen einde neemt. De Psalmist wordt hier tot een Profeet, en de Psalm tot profetie; wat hij uitspreekt is zo heerlijk en buitengewoon, dat met betrekking tot David, afgezien van Christus, ene dweepachtige hoop zou geweest zijn, die door de uitkomst beschaamd zou geworden zijn, maar in Christus zijne volle waarheid en ook voor David in Christus zijne betekenis heeft.
De snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen, mij is een heerlijk deel, een schoon land, een paradijs met het meetsnoer toegemeten, toegedeeld, ja ene schone erfenis is mij geworden
, daar de Heere zelf mijn deel is geworden, en Zijn hemel mijn vaderland.
Met een rustig en stil gemoed rust hij in den eeuwigen God, ja, zo hoog is zijn roem, dat hij ten zeerste veracht, wat de wereld buiten Hem aan hem als werkelijk aanbiedt. Want in een heerlijke lofzang zijn God verheffende, zegt hij, dat hij niets meer verlangt.
David beschrijft hier den aangenamen toestand, wolken hij doorleeft, of waarin God hem gezet heeft. Gods rijk en heerlijk gezelschap is hem ten deel gevallen, en daarom heeft hij schier geen woorden genoeg, om dit onuitsprekelijk voorrecht te bezingen. Des daags is hij er van vervuld, ja zelfs des nachts (vs. 7) onderwijzen hem zijn nieren, waakt zijn hart en heeft hij behoefte, om den naam des Heren groot te maken, om te vermelden het onbeschrijfelijk groot verschil tussen den eeuwigen en waarachtigen God, zijn God, en de afgoden.
Ik zal den HEERE loven, die mij raad heeft gegeven 1), om het goede deel te verkiezen, daar toch een mens in het midden van zeer vele goederen gesteld, niet uit zich zelven weet, waar hij met zijn hart heen moet en zo licht verkeerde wegen gaat; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijne nieren1), wanneer ik, terwijl alles om mij slaapt, zo recht in mijne ziel gevoel, welk ene hoge, onuitsprekelijke zalige bezitting ik aan den Heere heb (vgl. (1 (Koningen 1: 1 Aanm), dan leer ik den Heere steeds meer kennen en het verlangen wordt steeds groter om bij Hem te zijn.
Dit betekent, dat God, die steeds bij Hem was, hem enige aanwijzing in zijne dromen had gegeven of ten minste gedachten, als hij in den nacht waakte, waarvan hij ene grote zekerheid van zijne herstelling had ontvangen; misschien was hem enig middel aangewezen. Voor David schijnt de nacht dikwijls tot groten zegen en tot grote vreugde geweest te zijn. Soms had hij er behagen in, over God te denken, als hij op zijn bed lag, en het is niet te verwonderen, dat, als hij over ‘s Heren goedheid peinsde en over den weg, dien Hij hem geleid had, dat hij als het ware genoodzaakt was, zelfs te middernacht om op te staan en te bidden. Daarom houden wij het er voor, dat het peluw een goed raadsman is; laat ons met David hier erkennen, dat het de Heere is, die raad geef en de onderwijzing in den nacht ons toezendt.
a) Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, Hij is het, op wie ik geduriglijk staar, en wiens beeld hoe langer hoe meer zich in mijne ziel afdrukt; omdat Hij aan mijne rechterhand is, als een vriend en helper, zal ik niet wankelen; maar in mij zelven is gene kracht om mij te bewaren; mijn vertrouwen is op Hem alleen.
Hand. 2: 35. De Apostel vertaalt dit: “Ik zag den Heere ten allen tijde voor mij,” (Hand. 2: 25). Ik zet het oog mijns geloofs op hem en duld niet, dat het zich op andere dingen vestige. Ik zie Hem in het gezicht oculo irretorto, gelijk de arend ziet naar de zon, en oculo adamantino, met eed oog van een zeilsteen, dat zich steeds naar een punt keert. En dit was ene der lessen, welke zijne nieren hem geleerd hadden, die de Heilige Geest hem had voorgelegd. Evenals de wijzer van een kompas steeds naar de noordster wijst, ook als het is gesloten en verborgen in een koffer van goud, zilver of hout, en nooit zijne natuur verliest, zo is een gelovig Christen, hetzij hij van hogen of lagen staat in deze wereld zij, verplicht, voortdurend zijn geloof en zijne hoop vast te bouwen op Christus, en zijn hart en gemoed vast gevestigd te hebben op Hem, en Hem te volgen door vuur en water, door oorlog en vrede, door honger en koude, door vrienden en vijanden, door duizend gevaren, door de golven en baren van nijd, boosaardigheid, haat, kwade geruchten, schimpende veroordelingen, verachting van wereld, vlees en duivel, en zelfs in den dood, zij het nog zo bitter, wreed en tirannisch, nooit Christus uit het gezicht te verliezen nooit over te geven het geloof, de hoop en het vertrouwen op Hem. Wanneer men God steeds voor ogen heeft, dan is er moed en onverschrokkenheid, dan is het dat gewillig en verheugd, wanneer het ongeluk, kruis en lijden moet verdragen. Voorwaar, zulk een geloof kan door geen kruis en ongeluk overwonnen en overweldigd worden.
Daarom, omdat de Heere aan mijne rechterhand is ter mijner bewaking (vs. 8), is mijn hart verblijd, zelfs in het aangezicht des doods, en mijne eer, mijne ziel (Psalm 7: 6), verheugt zich, breekt in gejubel en gezangen uit; ook zal mijn vlees zeker wonen, in veiligheid rusten (Deuteronomium 33: 12, 28; vgl. 1 Thessalonicenzen. 5: 23). Een gelovige werpt het gehele gewicht van al zijne zaken en aangelegenheden, tijdelijke, geestelijke en eeuwige op de beloften van God, gelijk een mens besloten is, met Hem te staan of te vallen. Hij waagt zich zelven en al wat hem toekomt, geheel aan deze kiel toe, dat is inderdaad zeggen: indien het mij niet overdraagt, ben ik tevreden om te zinken. Ik weet, dat volbracht zal worden, wat mij van den Heere gezegd is, en daarom zal ik onafgebroken op Hem zien. Deze Psalm is terecht onder de Messiaanse Psalmen gerekend, want zeker, wat David hier zegt, is ook aan hem vervuld geworden in den zin, dat hij tot het eeuwige leven is geroepen, dat zijn leven zijn geestelijk leven, hetwelk uit God is, onvernietigbaar was, maar toch David wordt hier Profeet van de heerlijkheid van Christus Jezus, ja, Christus Jezus spreekt hier als het ware door hem, door zijn lippen, en voorspelt hier zelf, dat na zijn diepgaand lijden, zijn glorierijke opstanding zou volgen, zodat Hij geen verderving zou zien. David’s hoop op Christus is tot volle werkelijkheid geworden, zijn hoop wordt in Christus voor Hem persoonlijke waarheid.
a) Want Gij, die mijn enig goed zijt (vs. 2) mijn deel en mijne erve (vs. 5), zult mijne ziel in de hel 1) niet verlaten, niet aan de hel overlaten, als een buit prijsgeven; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving 2) zie. Gij o Vader! zult Uwen Zoon niet aan de verrotting van het graf overlaten.
Hand. 2: 31; 13: 35.
Het Hebr. kan worden afgeleid 1e. van (verderven) en betekent dan verderving, verrotting (Job 17: 14) waarom de Septuaginta op onze plaats diafyora vertaalt. 2e. van nederzinken, afdalen, wanneer het de betekenis van graf aanneemt.
Het Hebr. woord Scheôl en het Griekse Hades betekent gewoonlijk a. de plaats der verdoemden, b. het graf, c. de gemeen ontvang- of verblijfplaats en den staat van alle afgestorvenen, zo goeden als kwaden, d. een allerbedruksten, allerbenauwsten, allerergsten staat. Op deze plaats past allermeest en eigenlijkst de laatste betekenis, nademaal de ziel van Christus in de plaats der verdoemden nooit geweest is.
Dat is; Gij zult niet toelaten, dat Ik, uw Heilige, dien Gij geheiligd hebt, om als den Messias gezonden te worden in de wereld, verblijve in den kuil, onder de macht en de heerschappij des doods, maar gij zult hem opwekken. Dewijl ‘t derhalve ontwijfelbaar zeker is uit Hand. 2: 24-33 en 13: 35-36, dat de Messias in onzen tekst profeteert van Zijne opstanding, welke zijn dood, begrafenis en den staat en heerschappij des doods tot aan de opstanding toe veronderstelt; dewijl Hij insgelijks door de opstanding een zeker goed verwacht: a. voor zijn lichaam, n.l. dat dit in het graf gerust en zeker zou wonen, zonder vrees voor verrotting; b voor de ziele, dat die in de hel niet zou verlaten worden; c. voor den gehelen Persoon (den Heilige), dat die den kuil niet zien zou, of niet blijven in den kuil, of onder de heerschappij en staat des doods, zo blijkt, dat in den gehelen tekst te kennen gegeven wordt, de begraving des lichaams, de nederdaling der ziele en de heerschappij des doods over den gehelen mens.
Gij zult mij integendeel het pad des levens bekend maken 1), mij den weg doen bewandelen, die uit het leven in U tot het leven bij U leidt, en dat leven is wonder vreugdevol en eeuwig zalig: verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht 2); het aanschouwen Uwer heerlijkheid is een hemel; lieflijkheden zijn in Uwe rechterhand 1), eeuwiglijk; daarmee reikt Gij de Uwen altoos de heerlijkste en lieflijkste gaven toe.
De verrukking heeft hier David machtig aangegrepen en hem zich zelven als buiten het gezicht gevoerd, zodat hij nu, volgens Petrus woorden (Hand. 2: 30-31) “als profeet voorziende ‘t geen gebeuren zou, dit gesproken heeft van de opstanding onzes Heren,” en zijne eigene uitzichten afwisselt met die des groten Verlossers. Op deze wijze kunnen wij David van onbestaanbaarheid met zich zelven vrij spreken, daar het anders ongerijmd schijnt hem te horen zeggen, dat zijn vlees in veiligheid zou rusten, en op hetzelfde ogenblik, dat hij de verrotting niet zien zou, dat hij, nauwelijks in het dodenrijk gekomen, reeds weer het pad des levens zou aanschouwen. Mij dunkt, dat wij hier den sprong, de vlucht der profetische verrukking niet slechts zien, maar bijkans tasten. Langs dezen weg alleen vinden wij samenhang in de gedachten des lieds en gepastheid, ja genoegzame klaarheid in al zijne uitdrukkingen.
Door dezen Uwen geliefden Zoon, onzen dierbaren Verlosser, zult Gij, o Heere, ons het pad des levens wijzen, Gij zult onze zielen nu rechtvaardigen en onze lichamen opwekken ten laatsten dage, wanneer aardse zorg eindigen zal in hemelse vreugde, tijdelijk leed in eeuwig geluk. De Psalmist spreekt, menen wij, hier niet minder in den Geest, dan in den 40sten Psalm, en door dien Geest geleid, voelt hij in zich ene verwachting ontwaken, die zich ver boven het gewone standpunt onder de Oude bedeling verhief, en drukt, gelijk van achteren blijkt, wederom onder hoger leiding die verwachting uit in den vorm, waarin zowel de onwrikbare hoop als de schone triomf van den verrezen Christus op de treffendste wijze zich afspiegelt. Het is in zeker opzicht David zelf niet meer, die spreekt. Schoon toch in een ander opzicht David wederom op het hoogste toppunt der ontwikkeling van zijn eigen innerlijk leven -maar de Geest des Heren, die in hem spreekt (1 Petrus 1: 11). Die Geest legt hem den roem ener hoop op de lippen, die ongetwijfeld ijdel geweest zou zijn zonder de door hem vooruit geziene opstanding van Zijn groten Zoon uit de doden. Maar zo mag dan ook de Messias met het hoogste recht worden geacht ene betuiging te kunnen overnemen, die in David, buiten betrekking tot Christus beschouwd, hare waarheid heeft, maar geenszins volle waarheid heeft, zou mogen heten. Wat meer is, zo mag in gemeenschap met Christus ieder gelovige de betuiging ener hope herhalen, die in Hem het middelpunt harer vervulling aanschouwt.
Op Christus, die het hoofd des lichaams is, hebben deze woorden de eerste toepassing, maar in Hem op alle Christenen, die vervuld zijn met Zijnen Geest, en wij mogen hieruit leren, dat het onze wijsheid en plicht is den Heere ons steeds voor ogen te stellen, dat, indien onze ogen op den Heere zijn, onze harten en tongen in Hem zich mogen verblijden dat stervende Christenen hun lichaam mogen afleggen in de gelovige verwachting ener vreugdevolle opstanding. Onze lichamen hebben in deze wereld weinig rust, maar in het Graf zullen zij rusten (Jes. 57: 2). De dood vernietigt de hoop der mensen (Job 14: 19), maar niet de hoop van een waar Christen (Spreuken 14: 32). Hij heeft hoop in den dood, levende hoop op het ogenblik van het sterven. Christus, opstanding is een onderpand onzer opstanding, zo wij tot Hem behoren.
Wij treden aan het sterfbed van den koninklijken profeet. Hoe ziet hij wel op den naderenden dood? Hoe blikt hij wel in en over het graf? Reeds in het lied zijner jonkheid (Psalm 17) vinden wij dit veelbetekenend en duidelijk slotwoord….Maar ik, ik zal Uw aangezicht aanschouwen in gerechtigheid, en als ik ontwaak zal ik mij verzadigen aan Uw beeld, En uit geheel den Psalm zijns ouderdoms (Psalm 16) ademt ons een vrede van boven toe in ‘t geloof van een godsman, voor wie de dood niet het besluit is des levens, het graf niet de jongste woning, maar die achter en boven deze een leven verwacht en in hope begroet met God en onverderfelijk als Hij. Hij weet het en betuigt het, dat er voor Gods aangezicht volle verzadiging is van vreugde en liefelijkheden aan Zijne rechterhand eeuwiglijk. Heeft hij gebeden om een wijs hart, opdat hij zijne dagen tellen mocht, zeker! stervende dankt hij God, dat ook zijn leven niet verlaten, niet van God afgesneden zal zijn, die het eeuwige leven is. De zon van zijn leven is hem in een vriendelijk avondrood ondergegaan, waarin zijn geest den naderenden morgen van een eindelozen dag verwacht en in ‘t geloof aanschouwt. Het geldt ongetwijfeld ook van hem wat Jezus van Abraham gezegd heeft: Hij heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijne dag zou zien, en hij heeft Hem gezien en is verblijd geweest.”
Lieflijkheden zijn in Uwe rechterhand, d.w.z. dat Gods rechterhand altijd gevuld is met lieflijkheid en altijd vol is. En als we dan weten, dat Gods rechterhand teken is van Zijn Almacht, dan krijgt deze uitdrukking een dubbele heerlijke betekenis. Want dan bezingt de dichter God niet alleen als de Bereidwillige en Genadige, die voor Zijn volk nimmer een dorre woestijn of een land der wildernis is, maar ook als de Almachtige, die in staat is, volkomen in staat is Zijne lieflijkheid en genadebewijzen ten volle aan Zijn gunstvolk te betonen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel