Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalmH4210 van DavidH1732, voor den opperzangmeesterH5329. O GodH430 mijns lofsH8416! zwijgH2790 nietH408.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
KJV
[[To the chief Musician,1
A Psalm3
of David.]]2
Hold not thy peace,7
O God4
of my praise;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
WantH3588 de mondH6310 des goddelozenH7563 en de mondH6310 des bedrogsH4820 zijn tegenH5921 mij opengedaanH6605; zij hebben met mij gesprokenH1696 metH854 een valseH8267 tongH3956.
Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.
KJV
For the mouth2
of the wicked3
and the mouth4
of the deceitful5
are opened7
against me: they have spoken8
against me with a lying11
tongue.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En met hatelijkeH8135 woordenH1697 hebben zij mij omsingeldH5437; ja, zij hebben mij bestredenH3898 zonder oorzaakH2600.
En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.
KJV
They compassed3
me about also with words1
of hatred;2
and fought4
against me without a cause.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
VoorH8478 mijn liefdeH160, staanH7853 zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebedH8605.
Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.
KJV
For my love2
they are my adversaries:3
but I give myself unto prayer.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En zij hebben mij kwaadH7451 voorH8478 goedH2896 opgelegdH7760, en haatH8135 voorH8478 mijn liefdeH160.
En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.
KJV
And they have rewarded1
me evil3
for good,5
and hatred6
for my love.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
StelH6485 een goddelozeH7563 over hem, en de satanH7854 staH5975 aanH5921 zijn rechterhandH3225.
Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.
KJV
Set1
thou a wicked man3
over him: and let Satan4
stand5
at his right hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Als hij gerichtH8199 wordt, zo ga hij schuldigH7563 uit, en zijn gebedH8605 zijH1961 tot zondeH2401.
Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.
KJV
When he shall be judged,1
let him be2
condemned:3
and let his prayer4
become sin.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Dat zijn dagenH3117 weinigH4592 zijn; een anderH312 nemeH3947 zijn ambtH6486;
Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;
KJV
Let his days2
be few;3
and let another6
take5
his office.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Dat zijn kinderenH1121 wezen worden, en zijn vrouwH802 weduweH490.
Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.
KJV
Let his children2
be fatherless,3
and his wife4
a widow.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En dat zijn kinderenH1121 hier en daar omzwervenH5128, en bedelenH7592, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsenH2723 zoekenH1875.
En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.
KJV
Let his children3
be continually1
vagabonds,2
and beg:4
let them seek5
their bread also out of their desolate places.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Dat de schuldeiserH5383 aanslaH5367 alH3605 wat hij heeft, en datH834 de vreemdenH2114 zijn arbeidH3018 rovenH962.
Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.
KJV
Let the extortioner2
catch1
all that he hath; and let the strangers7
spoil6
his labour.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Dat hij niemandH3490 hebbe, die weldadigheidH2617 over hem uitstrekkeH4900, en dat er niemand zijH1961, die zijn wezen genadigH2603 zij.
Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.
KJV
Let there be none to extend4
mercy5
unto him: neither let there be any to favour8
his fatherless children.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Dat zijnH1961 nakomelingenH319 uitgeroeidH3772 worden; hun naamH8034 worde uitgedelgdH4229 in het andere geslachtH1755.
Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.
KJV
Let his posterity2
be cut off;3
and in the generation4
following5
let their name7
be blotted out.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
De ongerechtigheidH5771 zijner vaderenH1 worde gedachtH2142 bij den HEEREH3068, en de zondeH2403 zijner moederH517 worde nietH408 uitgedelgdH4229.
De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd.
KJV
Let the iniquity2
of his fathers3
be remembered1
with the LORD;5
and let not the sin6
of his mother7
be blotted out.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Dat zij gedurigH8548 voor den HEEREH3068 zijnH1961; en Hij roeieH3772 hun gedachtenisH2143 uit van de aardeH776.
Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.
KJV
Let them be before the LORD3
continually,4
that he may cut off5
the memory7
of them from the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Omdat hij nietH3808 gedachtH2142 heeft weldadigheidH2617 te doenH6213, maar heeft den ellendigenH6041 en den nooddruftigenH34 manH376 vervolgdH7291, en den verslageneH3512 van hartH3824, om hem te dodenH4191.
Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.
KJV
Because that he remembered4
not to shew5
mercy,6
but persecuted7
the poor9
and needy10
man,8
that he might even slay13
the broken11
in heart.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Dewijl hij den vloekH7045 heeft liefgehadH157, dat die hem overkomeH935, en geenH3808 lustH2654 gehad heeft tot den zegenH1293, zo zij die verreH7368 vanH4480 hem.
Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.
KJV
As he loved1
cursing,2
so let it come3
unto him: as he delighted5
not in blessing,6
so let it be far
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En hij zij bekleedH3847 met den vloekH7045, als met zijn kleedH4055, en dat die ga tot in het binnensteH7130 van hem als het waterH4325, en als de olieH8081 in zijn beenderenH6106.
En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.
KJV
As he clothed1
himself with cursing2
like as with his garment,3
so let it come4
into his bowels6
like water,5
and like oil7
into his bones.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Die zijH1961 hem als een kleedH899, waarmede hij zich bedektH5844, en tot een gordelH4206, waarmede hij zich steeds omgordtH2296.
Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.
KJV
Let it be unto him as the garment3
which covereth4
him, and for a girdle5
wherewith he is girded7
continually.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
DitH2063 zij het werkloonH6468 mijner tegenstandersH7853 vanH854 den HEEREH3068, en dergenen, die kwaadH7451 sprekenH1696 tegenH5921 mijn zielH5315.
Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.
KJV
Let this be the reward2
of mine adversaries3
from the LORD,5
and of them that speak6
evil7
against my soul.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Maar GijH859, o HEEREH3069 HeereH136! maakH6213 het metH854 mij omH4616 Uws NaamsH8034 wil; dewijlH3588 Uw goedertierenheidH2617 goedH2896 is, verlosH5337 mij.
Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.
KJV
But do4
thou for me, O GOD2
the Lord,3
for thy name's7
sake: because thy mercy10
is good,9
deliver
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
WantH3588 ik ben ellendigH6041 en nooddruftigH34, en mijn hartH3820 is in het binnensteH7130 van mij doorwondH2490.
Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.
KJV
For I am poor2
and needy,3
and my heart5
is wounded6
within
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Ik ga heen gelijk een schaduwH6738, wanneer zij zich neigtH5186; ik worde omgedrevenH5287 als een sprinkhaanH697.
Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan.
KJV
I am gone3
like the shadow1
when it declineth:2
I am tossed up and down4
as the locust.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Mijn knieenH1290 struikelenH3782 van vastenH6685, en mijn vleesH1320 is vermagerdH3584, zodat er geen vetH8081 aan is.
Mijn knieen struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is.
KJV
My knees1
are weak2
through fasting;3
and my flesh4
faileth5
of fatness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Nog ben ik hun een smaadH2781; als zijH1961 mij zienH7200, zo schuddenH5128 zij hun hoofdH7218.
Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.
KJV
I became also a reproach3
unto them: when they looked5
upon me they shaked6
their heads.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
HelpH5826 mij, HEEREH3068, mijn GodH430! verlosH3467 mij naar Uw goedertierenheidH2617.
Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
KJV
Help1
me, O LORD2
my God:3
O save4
me according to thy mercy:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Opdat zij wetenH3045, dat ditH2063 Uw handH3027 is, dat GijH859 het, HEEREH3068! gedaanH6213 hebt.
Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.
KJV
That they may know1
that this is thy hand;3
that thou, LORD,6
hast done
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Laat hen vloekenH7043, maar zegenH1288 GijH859; laat hen zich opmakenH6965, maar dat zij beschaamdH954 worden; doch dat zich Uw knechtH5650 verblijdeH8055.
Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde.
KJV
Let them curse,1
but bless4
thou: when they arise,5
let them be ashamed;6
but let thy servant7
rejoice.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Laat mijn tegenstandersH7853 met schandeH3639 bekleedH3847 worden, en dat zij met hun beschaamdheidH1322 zich bedekkenH5844, als met een mantelH4598.
Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.
KJV
Let mine adversaries2
be clothed1
with shame,3
and let them cover4
themselves with their own confusion,6
as with a mantle.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Ik zal den HEEREH3068 met mijn mondH6310 zeerH3966 lovenH3034, en in het middenH8432 van velenH7227 zal ik Hem prijzenH1984.
Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
KJV
I will greatly3
praise1
the LORD2
with my mouth;4
yea, I will praise7
him among5
the multitude.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
WantH3588 Hij zal den nooddruftigeH34 ter rechterhandH3225 staanH5975, om hem te verlossenH3467 van degenen, die zijn zielH5315 veroordelenH8199.
Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.
KJV
For he shall stand2
at the right hand3
of the poor,4
to save5
him from those that condemn6
his soul.
psalm van David,
Zie Ps. 4:1 .
Hertaald:
psalm van David,
Zie Ps. 4:1.
mijns lofs
Dat Gij de materie en stof zijt van mijne lofzangen, en die mij overvloedige oorzaak geeft om U te prijzen, gelijk Ex. 15:2 .
Hertaald:
mijns lofs
Omdat U de stof en de inhoud van mijn lofzangen bent en mij overvloedig reden geeft om U te prijzen, zoals Ex. 15:2.
zwijg niet
Dat is, maar antwoord mij en verhoor dit mijn gebed, en help mij, opdat het metterdaad blijke dat Gij mij verhoord hebt. Alzo ook Ps. 28:1 , en Ps. 35:22 , en Ps. 39:13 , en Ps. 83:2 .
Hertaald:
zwijg niet
Dat is: antwoord mij juist, verhoor dit gebed van mij en help mij, opdat metterdaad blijkt dat U mij verhoord hebt. Zo ook Ps. 28:1, en Ps. 35:22, en Ps. 39:13, en Ps. 83:2.
de mond des
Dat is, de bedriegelijke mond, verstaande daarbij de bedriegelijke, loze mensen.
Hertaald:
de mond des
Dat is: de bedrieglijke mond, waarmee ook de bedrieglijke, listige mensen bedoeld worden.
zij hebben
Te weten, die bedriegers in Sauls hof en dergelijke anderen; door welken de vijanden van den Heere Christus, en inzonderheid van Juda, zijn afgebeeld.
Hertaald:
zij hebben
Namelijk: die bedriegers aan het hof van Saul en anderen zoals zij, waarin de vijanden van de Heere Christus, en in het bijzonder Judas, worden afgebeeld.
met hatelijke
Dat is, met woorden, die uit enkel haat en afgunst gesproken zijn. Hebr. met woorden van den haat.
Hertaald:
met hatelijke
Dat is: met woorden die uit louter haat en afgunst gesproken zijn. Hebreeuws: met woorden van de haat.
Voor mijn liefde,
Te weten, voor de liefde, waarmede ik hen bemind heb.
Hertaald:
Voor mijn liefde,
Namelijk: voor de liefde waarmee ik hen bemind heb.
maar ik was
Hebr. maar ik het gebed. Anders: maar ik [was een man] des gebeds; dat is, ik heb mij tot het gebed begeven. Alzo staat er in Psa 120 , ik vrede, en Ob. 1:7 , uw brood, voor mannen die uw brood eten. Het is zoveel, alsof de profeet hier zeide: Het gebed tot God is mijn enige tegenweer en toevlucht geweest, ik heb geen ongeoorloofde middelen bij de hand genomen. Zie Ps. 69:14 . Of, ik heb niet opgehouden voor hen te bidden, die mij zoveel gedaan hebben. Zie Ps. 35:13 .
Hertaald:
maar ik was
Hebreeuws: maar ik het gebed. Anders: maar ik [was een man] van het gebed; dat is: ik heb mij aan het gebed gegeven. Zo staat er in Ps. 120: ik vrede, en in Obadja 1:7: uw brood, voor mannen die uw brood eten. Het is alsof de profeet hier zei: het gebed tot God is mijn enige verweer en toevlucht geweest, ik heb geen ongeoorloofde middelen gebruikt. Zie Ps. 69:14. Of: ik heb niet opgehouden te bidden voor hen die mij zoveel aangedaan hebben. Zie Ps. 35:13.
Stel een goddeloze
Dat is, geef een harden, straffen mens last en macht over hem, dat hij zijn dwangmeester en kweller zij, gelijk hij anderen geweest is.
Hertaald:
Stel een goddeloze
Dat is: geef een hard en streng mens gezag en macht over hem, zodat die zijn dwingeland en kwelgeest wordt, zoals hij dat voor anderen geweest is.
de satan
Of, wederpartijder. Zie de aantekening bij Job 1:6 . De psalmist wenst dat zijn wederpartijder een aanklager hebbe, die hem in zijn aangezicht voor den Rechter gestadig beschuldige, gelijk de duivel Job gedaan heeft.
Hertaald:
de satan
Of: tegenstander. Zie de aantekening bij Job 1:6. De psalmdichter wenst dat zijn tegenstander een aanklager krijgt die hem voortdurend in zijn gezicht voor de rechter beschuldigt, zoals de duivel bij Job gedaan heeft.
sta aan zijn
Dat is, overwinne hem in het gericht, door stevig drijven en dringen. Anderen nemen dit alzo: De satan sta aan zijne rechterhand; te weten, om hem tegenstand te doen, alzo dat hij zijne rechterhand niet kan gebruiken, dat is dat hij zijne zaken niet bekwamelijk kan uitrichten. Zie Zach. 3:1 , maar onder vs.31 wordt deze manier van spreken gebruikt voor beschutten en beschermen.
Hertaald:
sta aan zijn
Dat is: laat hij hem in het gericht overwinnen door krachtig aandringen. Anderen vatten het zo op: laat de satan aan zijn rechterhand staan, namelijk om hem tegen te werken, zodat hij zijn rechterhand niet kan gebruiken, dat is: zijn zaken niet goed kan uitvoeren. Zie Zach. 3:1; maar hieronder in vers 31 wordt deze manier van spreken gebruikt voor beschutten en beschermen.
schuldig uit, en
Dat is, hij worde voor goddeloos gekend en geoordeeld. Zie Num. 35:31 .
Hertaald:
schuldig uit, en
Dat is: laat hij als goddeloos erkend en veroordeeld worden. Zie Num. 35:31.
zijn gebed zij
Dat is, hij worde door geen bidden ontslagen van den rechter, die hem heeft verwezen, maar dat hij zijne zaak eer kwader daarmede make en die hem derhalve afgeslagen worde, als zijnde onrechtvaardig. Of men mag hier verstaan het gebed, dat hij tot God doet, in dezen zin, dat God hem dat wil afslaan, dewijl het huichelarij is.
Hertaald:
zijn gebed zij
Dat is: laat hij door geen smeken vrijkomen bij de rechter die hem veroordeeld heeft, maar laat hij zijn zaak daarmee eerder erger maken, zodat het hem geweigerd wordt omdat het onrechtvaardig is. Of men mag hier het gebed verstaan dat hij tot God doet, in deze zin dat God het wil afwijzen omdat het huichelarij is.
zijn dagen weinig
Te weten, de dagen zijns levens. Zie Ps. 55:24 .
Hertaald:
zijn dagen weinig
Namelijk: de dagen van zijn leven. Zie Ps. 55:24.
ambt;
Of, officie, opzicht, bediening. Deze woorden van David worden uitgelegd op Judas, wiens ambt of bediening Matthias gegeven werd; Hand. 1:20 .
Hertaald:
ambt;
Of: functie, toezicht, bediening. Deze woorden van David worden toegepast op Judas, wiens ambt of bediening aan Matthias gegeven werd; Hand. 1:20.
Dat zijn kinderen
Dit is een van de vloeken der wet; Ex. 22:24 ; Jer. 18:21 .
Hertaald:
Dat zijn kinderen
Dit is een van de vloeken van de wet; Ex. 22:24; Jer. 18:21.
hier en daar
Hebr. omzwervende omzwerven.
Hertaald:
hier en daar
Hebreeuws: omzwervende omzwerven.
uit hun verwoeste
Anders: vanwege hunne verwoeting; omdat hun eigen land en huizen verwoest zijn.
Hertaald:
uit hun verwoeste
Anders: vanwege hun verwoesting, omdat hun eigen land en huizen verwoest zijn.
de schuldeiser
Dat is, die wien hij schuldig is. Of versta hier, door den schuldeiser den pander, of executeur.
Hertaald:
de schuldeiser
Dat is: hij aan wie hij schuldig is. Of versta onder de schuldeiser de beslaglegger of deurwaarder.
al wat hij heeft,
Hebr. verstrikke; dat is, in zijne strikken en geweld, of arrest krijge.
Hertaald:
al wat hij heeft,
Hebreeuws: verstrikke; dat is: in zijn strikken en macht krijge, of in beslag neme.
zijn arbeid roven
Dat is, hetgeen hij met moeite en arbeid gewonnen heeft. Zie Job 20:18 .
Hertaald:
zijn arbeid roven
Dat is: wat hij met moeite en arbeid verworven heeft. Zie Job 20:18.
zijn nakomelingen
Anders: zijn laatste, of zijn einde.
Hertaald:
zijn nakomelingen
Anders: zijn laatste, of zijn einde.
uitgedelgd
Of, uitgevaagd, uitgewist. Zie Ps. 37:28 .
Hertaald:
uitgedelgd
Of: uitgeveegd, uitgewist. Zie Ps. 37:28.
in het andere
Dat is, in het geslacht, dat na dezen komen zal.
Hertaald:
in het andere
Dat is: in het geslacht dat hierna komen zal.
ongerechtigheid
Dat is, de Heere straffe hem niet alleen vanwege zijn eigen, maar ook vanwege de zonden zijner voorvaders. De psalmist ziet hier op de bedreiging van het tweede gebod; Ex. 20:5 .
Hertaald:
ongerechtigheid
Dat is: laat de Heere hem niet alleen om zijn eigen zonden straffen, maar ook om de zonden van zijn voorvaders. De psalmdichter ziet hier op de bedreiging van het tweede gebod; Ex. 20:5.
de zonde
Dat is, God straffe hem ook om zijner moeders zonde, gelijk de aantekening bij vs.14.
Hertaald:
de zonde
Dat is: laat God hem ook straffen om de zonde van zijn moeder, zoals in de aantekening bij vers 14.
gedurig voor
Te weten, die ongerechtigheid en zonde, waarvan vs.14 gesproken is.
Hertaald:
gedurig voor
Namelijk: die ongerechtigheid en zonde waarover in vers 14 gesproken is.
Hij roeie
Het tegendeel wordt den godzalige beloofd; Ps. 41:3 , en Ps. 112:6 .
Hertaald:
Hij roeie
Het tegendeel wordt de godvruchtige beloofd; Ps. 41:3, en Ps. 112:6.
hun gedachtenis
Te weten, zijns vaders en zijner moeder.
Hertaald:
hun gedachtenis
Namelijk: van zijn vader en zijn moeder.
den verslagene
Of, den gekrenkte aan het hart.
Hertaald:
den verslagene
Of: wie gekrenkt is in het hart.
Dewijl hij den
Dat is, dewijl hij lust gehad heeft anderen te vloeken, en door zijne goddeloosheid zichzelven den vloek op den hals gehaald heeft.
Hertaald:
Dewijl hij den
Dat is: omdat hij er lust in had anderen te vervloeken, en door zijn goddeloosheid de vloek over zichzelf gehaald heeft.
tot den zegen,
Dat is, anderen den zegen toe te wensen en godzaliglijk te leven om gezegend te worden. Verg. met deze plaats Spr. 8:36 .
Hertaald:
tot den zegen,
Dat is: anderen de zegen toe te wensen en godzalig te leven om gezegend te worden. Vergelijk met deze plaats Spr. 8:36.
die verre van hem
Te weten, de zegen.
Hertaald:
die verre van hem
Namelijk: de zegen.
Die zij hem
Te weten, de vloek. Hij bidt dat de vloek, dien hij anderen heeft toegewenst, hem steeds aanhange.
Hertaald:
Die zij hem
Namelijk: de vloek. Hij bidt dat de vloek die hij anderen toegewenst heeft, hemzelf voortdurend aankleeft.
het werkloon
Hebr. het werk of arbeid; dat is, arbeidsloon, of werkloon; gelijk Lev. 19:13 ; Job 7:2 ; Jes. 49:4 ; Ezech. 29:20 .
Hertaald:
het werkloon
Hebreeuws: het werk of de arbeid; dat is: arbeidsloon of werkloon, zoals Lev. 19:13; Job 7:2; Jes. 49:4; Ezech. 29:20.
die kwaad spreken
Dat is, die mij lasteren en smaden.
Hertaald:
die kwaad spreken
Dat is: die mij lasteren en smaden.
maak het met
Of, doe [wel]. Verg. Ps. 37:5 , en Ps. 119:65 .
Hertaald:
maak het met
Of: doe [wel]. Vergelijk Ps. 37:5, en Ps. 119:65.
mijn hart is in
Alsof hij zeide: Ik ben in zulke bangheid en benauwdheid, als zij zijn, die een dodelijke wond in hun hart gekregen hebben.
Hertaald:
mijn hart is in
Alsof hij zei: ik verkeer in dezelfde angst en benauwdheid als mensen die een dodelijke wond in hun hart gekregen hebben.
wanneer zij zich neigt;
Dat is, als zij haast zal ondergaan. Zie de aantekening bij Ps. 102:12 .
Hertaald:
wanneer zij zich neigt;
Dat is: wanneer zij spoedig zal ondergaan. Zie de aantekening bij Ps. 102:12.
omgedreven
Hebr. uitgeschud.
Hertaald:
omgedreven
Hebreeuws: uitgeschud.
als een sprinkhaan
Die geen nest of blijvende plaats heeft; maar hij huppelt en springt steeds van de ene plaats tot de andere. Zie Nah. 3:17 , en Job 39:23 . Of, die met den wind verwaaid en verdreven wordt; Ex. 10:19 .
Hertaald:
als een sprinkhaan
Die geen nest of vaste plaats heeft, maar voortdurend van de ene plaats naar de andere huppelt en springt. Zie Nah. 3:17, en Job 39:23. Of: die door de wind weggeblazen en verdreven wordt; Ex. 10:19.
zodat er geen vet
Dat is, bij gebrek van vet. Alzo staat er Klaagl. 4:9 , van de vruchten; dat is, bij gebrek van vruchten. Gen. 18:28 ; om vijf; dat is, bij gebrek van vijf; 1 Kor. 7:2 . Om de hoererij; dat is, om de hoererij te vermijden.
Hertaald:
zodat er geen vet
Dat is: door gebrek aan vet. Zo staat er in Klaagl. 4:9: van de vruchten, dat is: door gebrek aan vruchten; Gen. 18:28: om vijf, dat is: bij gebrek van vijf; 1 Kor. 7:2: om de hoererij, dat is: om de hoererij te vermijden.
Nog ben ik hun
Dat is, zij bespotten mij in plaats daar zij medelijden over mijne ellende behoorden te hebben.
Hertaald:
Nog ben ik hun
Dat is: zij bespotten mij, terwijl zij medelijden met mijn ellende zouden moeten hebben.
zo schudden zij
Tot een teken van verachting. Zie de aantekening bij 2 Kon. 19:21 . Zie ook Ps. 22:8 ; Job 16:4 ; Matt. 27:39-40 ; Marc. 15:29 .
Hertaald:
zo schudden zij
Als een teken van verachting. Zie de aantekening bij 2 Kon. 19:21. Zie ook Ps. 22:8; Job 16:4; Matth. 27:39-40; Mark. 15:29.
dat dit Uw hand is,
Dat is, dat de verlossing, die Gij mij bewijst, van U, o mijn God, is komende.
Hertaald:
dat dit Uw hand is,
Dat is: dat de verlossing die U mij bewijst, van U komt, o mijn God.
opmaken, maar
Te weten, tegen mij.
Hertaald:
opmaken, maar
Namelijk: tegen mij.
met schande bekleed
Zie de aantekening bij Job 8:22 .
Hertaald:
met schande bekleed
Zie de aantekening bij Job 8:22.
hun beschaamdheid
Te weten, die zij zichzelven met hunne boosheid op den hals gehaald hebben.
Hertaald:
hun beschaamdheid
Namelijk: die zij met hun boosheid over zichzelf gehaald hebben.
zeer loven,
Dat is, openlijk, met vele woorden, met grote genegenheid.
Hertaald:
zeer loven,
Dat is: openlijk, met veel woorden, met grote genegenheid.
van velen zal
Of, van de machtigen, of groten.
Hertaald:
van velen zal
Of: van de machtigen, of groten.
ter rechterhand staan,
Dat is, beschutten, verdedigen, bijstand doen. Zie boven, vs.6, en Ps. 16:8 ; Hand. 2:25 .
Hertaald:
ter rechterhand staan,
Dat is: beschutten, verdedigen, bijstaan. Zie hierboven vers 6, en Ps. 16:8; Hand. 2:25.
zijn ziel veroordelen
Zijne ziel; dat is, hem.
Hertaald:
zijn ziel veroordelen
Zijn ziel, dat is: hem. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "O God mijns lofs! zwijg niet" (Ps. 109:1). De aanleiding is laster: valse tongen, hatelijke woorden, bestrijding zonder oorzaak (Ps. 109:2-3). En dan staat er iets wat de hele psalm kleurt: "Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed" (Ps. 109:4). Wat volgt is een lange reeks beden om oordeel over de belasteraar (Ps. 109:6-20), waaronder: "Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt" (Ps. 109:8). Dan keert de psalm om: "Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil" (Ps. 109:21). Hij noemt zichzelf ellendig en nooddruftig, met een hart dat doorwond is (Ps. 109:22). En het slot is dank: "Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen" (Ps. 109:31). Bijbelse betekenis: Voor deze psalm geldt wat bij Ps. 69 is uitgewerkt (reeds behandeld bij Ps. 69:23). Vier dingen. Het is een gebed en geen daad; de dichter neemt niets in eigen hand. Hij spreekt niet enkel als particulier, maar als de gezalfde in wie de Christus voorafgeschaduwd wordt, en zijn zaak is met Gods zaak verweven — al betekent dat niet dat iedere persoonlijke tegenstander een vijand van God is. De Schrift laat deze woorden bewust staan. En het Nieuwe Testament verbiedt de persoonlijke wraak en gebiedt de vijanden lief te hebben, terwijl het oordeel geheel in Gods hand gelegd wordt; het verlangen naar dat oordeel wordt daarmee niet verboden. Merk daarnaast op wat in Ps. 109:4 staat: tegenover de haat zette hij het gebed en niet de tegenaanval. Zo leert deze psalm geen wraak maar het neerleggen van het recht bij God. Typologie: Petrus haalt Ps. 109:8 aan bij de vervanging van Judas: "Een ander neme zijn opzienersambt" (Hand. 1:20). Dezelfde Heere Die aan het kruis bad "Vader, vergeef het hun" (Luk. 23:34), heet ook de rechtvaardige Rechter (2 Tim. 4:8). Ps. 109:1-31; Ps. 69:23; Hand. 1:20; Luk. 23:34; 2 Tim. 4:8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe uitwerking David is omringd door mensen die vriendelijk spreken en kwaad bedoelen. De kanttekening denkt aan de bedriegers aan het hof van Saul. Het is een van de zwaarste psalmen om te lezen, want de bidder roept het oordeel over zijn tegenstander in. De klacht van een man die met haat betaald wordt voor zijn liefde — en Petrus haalt er een vers uit aan om over Judas te spreken. De psalm opent met een aanspraak die alles zegt over de verhouding waarin de bidder staat: o God mijns lofs, zwijg niet. De kanttekening legt beide helften uit. God is de stof en de inhoud van zijn lofzangen; en zwijg niet betekent hier: verhoor mij metterdaad, zodat het blijkt. Wat er tegenover hem staat, is niet ruw geweld maar iets glads. De mond des bedrogs is tegen hem opengedaan; zij spreken met een valse tong; zij omsingelen hem met woorden die uit louter haat gesproken zijn. De kanttekening zegt zonder omweg wie er in die bedriegers afgebeeld worden: de vijanden van de Heere Christus, en in het bijzonder Judas. En dan komt de regel waarin de pijn zit. “Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.” Het Hebreeuws is daar zo kort dat het bijna niet te vertalen is: maar ik — gebed. De kanttekening geeft er twee lezingen van, en beide zijn de moeite waard. De ene: het gebed is mijn enige verweer geweest, ik heb geen ongeoorloofd middel gebruikt. De andere: ik heb niet opgehouden te bidden vóór hen die mij dit aandeden. Wat daarna volgt is het zwaarste van de psalm, en het hoeft niet verzacht te worden: een lange reeks vervloekingen over de man die hem dit aandeed. Uit die reeks haalt Petrus één vers, en hij doet dat in de bovenzaal, wanneer de elf moeten besluiten wat er met de opengevallen plaats gebeurt. “Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt.” De kanttekening bij dat vers zegt het net zo: deze woorden van David worden toegepast op Judas, wiens bediening aan Matthias gegeven werd. Petrus zegt er iets bij dat het gewicht van deze psalm bepaalt. Hij zegt niet: dit lijkt op wat er gebeurd is. Hij zegt dat de Heilige Geest door de mond van David hierover heeft voorzegd. Wat David schreef als de klacht van een bedrogen man, wordt in Handelingen 1 gelezen als een woord dat vervuld moest worden. Maar deze psalm eindigt niet bij het oordeel, en dat wordt vaak vergeten. De laatste verzen keren terug naar de bidder zelf, en hij is dan geen aanklager meer maar een arme: mijn hart is in mijn binnenste doorwond. En het slot is een belofte over waar God pleegt te staan: “Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.” Aan de rechterhand van een arme — dat is de plaats van de rechtsbijstand, de plek waar de raadsman van de aangeklaagde staat. In het Nieuwe Testament: Handelingen 1:16-20; Johannes 13:18; Johannes 15:25; 1 Petrus 2:23; Romeinen 8:34 Hoever dit reikt: Petrus past vers 8 zelf op Judas toe en noemt het een woord van de Heilige Geest door de mond van David; daarover bestaat dus geen twijfel. Dat betekent niet dat elke vervloeking van deze psalm uit de mond van Christus komt: Hij bad aan het kruis om vergeving voor Zijn beulen. De psalm is de klacht van een verraden rechtvaardige, waarin de Schrift zelf één vers aanwijst dat op Judas ziet. Wie meer verzen op Christus wil betrekken, moet erbij zeggen dat hij dat op eigen gezag doet.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas 21 Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij. 22 Want ik ben ellendig en nooddruftig, en… 6 Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand. 7 Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde. 8… 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet. 2 Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan;… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Maar ik was steeds in het gebed.Psalm 109:4 Davids reputatie werd door allerlei lastertongen aangetast, maar hij verdedigde zichzelf niet; hij… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 109
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Voor mijn liefde staan zij mij tegen — 109:1-8, 21-22, 30-31
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Psalm 109:21-31
Psalm 109:6-20
Psalm 109:1-5
Maar ik was steeds in het gebed


Psalmen 109
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm van David (Psalm 3: 1), voor den opperzangmeester (Psalm 4: 1). De drie laatste Psalmen van het vierde boek (Psalm 104-106) verplaatsen ons in den laatsten tijd der Babylonische ballingschap, de beide eerste van het vijfde boek (107 en 108) daarentegen in den eersten tijd na het terugkeren van Israël in zijn vaderland. De chronologische opvolging wordt met Psalm 109 en 110 voor een ogenblik afgebroken, voordat wij in Psalm 111 vv. het met de verdere toestanden der nieuwe kolonie te doen hebben. Er worden twee Psalmen van David ingevoegd. Dit wordt niet alleen daardoor gerechtvaardigd, dat reeds Psalm 108 niets meer is dan een samenvoeging van twee Psalmen van David, maar komt ook wegens het profetische karakter der beide ingevoegde Psalmen als een schikking voor, die onder de leiding van den Geest heeft plaats gehad en zelf weer tot profetie wordt. Wij zullen dat eerst nader kunnen verklaren, wanneer wij de beide Psalmen begrepen hebben. Wat nu in de eerste plaats den voor ons liggenden Psalm aangaat, zo hebben, wij anders dan die verklaarders, die wij het meest volgen, in de op 2 Samuel 15: 16 den tijd van het oproer van Absalom als den tijd van zijn ontstaan aangenomen. Wij plaatsen ons daardoor aan de zijde der kerkelijke opvatting, die dezen Psalm als Psalmus Ischarioticus (Iskariot-Psalm) aanwijst en op het standpunt van den Apostel Petrus, die in Hand. 1: 20 het vloekwoord van vs. 8 in Judas, den verrader, vervuld ziet, want Judas Iskariot heeft zijn voorbeeld in Achitofel, den Giloniet (2 Samuel 15: 31 ).
I. Vs. 1-5.KruisverwijzingenPsalmen 69:4→Psalmen 83:1→Deuteronomium 10:21→Psalmen 28:1→Psalmen 35:7→Psalmen 38:20→Jeremia 17:14→Psalmen 52:4→
— Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet. Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong. En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak. Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed. En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.
Met ene korte verzuchting zich tot God wendende, begint David aanstonds de zware zonden aan te wijzen, waarmee zijne tegenstanders, onder wier vervolging hij lijdt, zich bezoedelen; hij heeft het te doen met een gezelschap van mensen, die zonder oorzaak tegen hem strijden, ja die zijne liefde met haat, en zijn goeddoen hem met kwaad vergelden, en in hun lasteringen zijn zij zo vergiftig, dat hij tot het gebed zijne toevlucht neemt, om ze te kunnen doorstaan. O God mijns lofs 1), die tot hiertoe mij zoveel reden gaaft, om U te roemen en te prijzen (Deuteronomium 10: 21. (Jer. 17: 14)!zwijg niet in dezen hachelijke toestand, bij hetgeen mijne vijanden tegen mij spreken (Psalm 35: 22).
Een zekere grond voor de verhoring en ene krachtige opwekking tot vertrouwen is de vertegenwoordiging van alles, wat de Heere reeds aan ons gedaan heeft en het beroep daarop.
Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan, mijne vijanden hebben mij gruwelijk belasterd, terwijl zij vriendelijke woorden tot mij spraken; Zij hebben met mij gesproken met ene valse tong.
En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld, mij van alle zijden kwaad gedaan, ja zij hebben mij met het zwaard hunner tong (Psalm 55: 22; 57: 5) bestreden zonder oorzaak (Psalm 35: 7, 19; 69: 5).
Voor mijne liefde, staan zij mij tegen, weldoen vergelden zij met haat, maar ik beantwoord het kwaad niet met kwaad, hun schelden niet met schelden; ik zwijg, tegenover hen en spreek slechts met U, ik was steeds in het gebed 1), ben bij U hulp en troost zoekende (1 Petrus 2:
.
Velen vullen hier met de Joodse uitleggers, Aben-Ezra en Kimchi in: “voor hen”, de zin is echter: “ik doe niets dan bidden.”
En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijne liefde (Psalm 35: 12; 38:
. Er is hier ene dubbele trek voorgedragen: vooreerst de boosheid en valsheid, met welke zij zonder elke wezenlijken grond zijn verderf zoeken, en vervolgens de snode ondank, daar zij niets dan goeds van hem ontvangen hadden, dien zij wilden ten onder brengen. Dat zijn zwaarwegende, heilloze zaken voor den God der waarheid en der liefde. En wanneer nu een David bij dat alles voor dezen God oprecht kan zeggen: “maar ik ben in gebed” (zo is de eigenlijke vertaling, vs. 4), hetgeen niet alleen aantoont de afwezigheid van alle eigen wraak en alle zelfverdediging, maar de diepste gelatenheid en het geborgen zijn van zijne ziel, die als met de handen in Gods schoot is gedragen, dan herkent men duidelijk den ouden meester, die zo voortreffelijk de pijlen op Gods hart weet af te drukken. Bij dit laatste kan men de vraag niet terughouden: hoe is het mogelijk, dat een in zonde ontvangen en geboren mens tegenover zulke aanvallen van boosheid, valsheid en ondankbaarheid werkelijk niets anders dan een biddend hart en een in God gerust gemoed overblijft? Was Hij dan niet slechts de enige, die dat vermocht, die ook alleen kon zeggen (Joh. 8: 46): “Wie overtuigt mij van zonde?” Wij antwoorden: Ja, dat is slechts die ene, de Davidszoon, die dat volkomen en heilig in zich heeft laten aanschouwen (Luk. 6: 11 vv. 22: 63 vv.; 23: 34) en deze is nog heden voor Gods troon geheel gebed voor ons (Hebr. 7: 25), maar de vinger Gods vormde reeds in den persoon van David tedere trekken van het voorbeeld, dat op den toekomstigen wees.
6.
II. Vs. 6-20.KruisverwijzingenSpreuken 28:9→Zacharia 3:1→Exodus 22:24→Spreuken 10:7→Jeremia 18:23→Exodus 20:5→Nehemia 4:5→Psalmen 34:16→
— Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand. Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde. Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt; Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe. En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken. Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven. Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij. Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht. De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd. Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.
Thans richt zich David tegen een onder de velen die met zulk ene boosheid en valsheid en met zo snoden ondank, als hij vroeger genoemd heeft, hem behandelen, en hij roept nu over dezen het gericht van God in zijne gehele, volle zwaarte in. Hij moge geheel en al, gelijk het Gods handelwijze is den slechte door den slechte te straffen: in de macht der goddelozen overgegeven en door den satan zelven worden aangeklaagd; hij kome uit zijn proces als een verdoemde, en worde dan, daar hij met zijne bede gene genade vindt, maar den dood des misdadigers moet sterven, vroeg verdelgd van de aarde; zijn ambt, waardoor hij tot ene verhevene plaats was geroepen, ontvange een ander, die beter is dan hij (vs. 6-8). De vloek treffe dan verder diegenen, die tot hem behoren, want hij heeft nu eenmaal den vloek willen hebben, als kon hij zonder dien niet bestaan, en in hem vindt de gehele boosheid der tegenpartijen haar toppunt (vs. 9-20).
Stel enen goddeloze, den vorst der duisternis ten beheerser over hem, die mij aan de goddelozen heeft overgegeven, zodat zij nu over mij als rechters gezeten zijn, en de Satan, het hoofd der duivelen, sta aan zijne rechterhand als aanklager (Zach. 3: 1).
Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig veroordeeld uit, en zijn
gebed, waarmee hij zoeken zal het oordeel der verdoemenis te ontgaan, zij tot zonde, het worde niet aangenomen, daar het toch alleen door de wanhoop, niet door waar berouw hem is ingegeven.
Spreuken 15: 8; 28: 9.
Dat zijne dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt. Het is niet slechts ene toepassing, die Petrus in Hand 1: 20 van de voor ons liggende woorden maakt, wanneer hij ze toepast op Judas den verrader des Heren, maar hij spreekt duidelijk en ondubbelzinnig uit, dat zij in den eigenlijken zin dit kind des verderfs bedoelen, en reeds te voren bepalen, wat na zijn ondergang met het ambt moest geschieden, waaruit hij was gestoten. Het is nu met den hier uitgesproken vloek zo gelegen als Chrysostomus zegt: de ara (verwensing) is profhteia en eidei arav (ene voorzegging in den vorm van ene verwensing). Zulk ene voorspelling was daarom voor David mogelijk, omdat, gelijk Petrus uitdrukkelijk opmerkt, niet eigenlijk hij, David, maar door den mond van David de Heilige Geest de woorden gesproken heeft, en zij is ook in Judas, op wie zij doelt, volkomen vervuld. “Zijne overeenkomst met de overpriesters, welke hunnen satanischen geest in de wegwerping van het gebruikte werktuig bewijzen (MATTHEUS. 27: 3 vv.); zijne Judas-boete, die ondanks de erkende misdaad het hart van God niet meer kan vinden; zijn verbond met den satan, die hem eerst door glinsterende zilverlingen lokt, en daarna voor de rechtbank van het geweten zijn vreselijke aanklager wordt; die hem tot wanhoop voert; zijn plotseling afgesneden levensdraad en het verlies van zijn ambt, dat aan enen anderen gegeven wordt (Hand. 1: 26), bewijzen dit op ene wonderbaar overeenkomende wijze.” Opdat nu David bij de voorzegging niet maar een bloot spraakwerktuig zonder gevoel en wil zou zijn, heeft hij in zijn persoonlijk leven, gelijk wij daarop hij 2 Samuel 15: 31 gewezen hebben, een voorbeeld van den toekomstigen verrader in den trouwelozen vriend Achitofel. Dat hij nu hier niet, gelijk op de boven aangehaalde plaats bij de enkele bede blijft: “Heere! maak Achitofels raad tot dwaasheid”, maar in zulke vreselijke verwensingen uitbarst, wordt verklaard uit de diepte van het bewustzijn, dat hem bij de vervaardiging van den Psalm vervult, uit zijn “zien op Christus”, dat-wij weten niet hoe lang na die geschiedenis-met den geest der profetie over hem komt. “Er was toen op aarde geen reiner persoon, dan die van David, den gezalfde van Jakobs God (2 Samuel 23: 1 ), den voorvader van Jezus (Christus; deze was in David, terwijl Hij door David zijnen Oud-Testamentischen weg nam en Davids geschiedenis tot ene type van zijne toekomstige vormde. Vervolging van David was alzo bekendmaking niet alleen aan David zelven, maar ook aan den Christus in hem, en omdat Christus in David is, vermengt zich met zijnen toorn over zijne tegenwoordige vijanden de toorn van Christus over Zijne toekomstige, zodat ook deze Psalm, evenals Psalm 22, een typisch profetische is, terwijl geschiedkundige uitspraak van het voorbeeld door de profetische uitspraak van het in hem wonend tegenbeeld boven zichzelven wordt verheven.”. Vele uitleggers geven ene andere verklaring: “Deze plaats wordt Hand. 1: 20 op Judas toegepast, niet als bepaalde profetie, maar ene toespraak van de hier uitgesprokene wet der vergelding op de hoofdvijanden van den Rechtvaardige zonder gelijkenis.”. Michaëlis, Knapp, Hitzig, de Wette, willen het woord “ambt”, evenals Jes. 15: 7, “het bespaarde”, “de have” vertalen, waarvoor de laatste alleen als reden opgeeft, dat ene profetie van Judas te speciaal zou zijn! Waarmee rechtvaardigt Petrus eeuwen daarna de keuze van Matthias tot het Apostolaat in plaats van den ongelukkigen Judas? door een beroep op dit dichterlijk Psalmwoord. Toch wel niet, omdat hij meende, dat den dichter het beeld van een hem geheel onbekenden verrader voor den geest had gestaan? Neen, maar omdat deze als de verpersoonlijkte boosheid, de vloekwaardige bij uitnemendheid was, aan wien dus de volle maat moest vervuld worden van wat immer als Gods gericht aan een bitteren vijand was toegewenst, en in wien ene vernedering haar toppunt bereiken moest, waarvan vroeger ambtontzetting in zeker opzicht schaduwbeeld heten mocht.
Dat zijne kinderen wezen worden, en zijne vrouw weduwe.
En dat zijne kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken, daar al wat hen vroeger voedde te gronde gegaan is.
Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijnen arbeid, zijne zuur verworven goederen, roven.
Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijnen wezen genadig zijn.
Dat zijne nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht, nadat het eerste nog een tijd lang een treurig aanzijn heeft gehad. De ongelovige Joden zijn in hunnen haat tegen den Heere Jezus zo ver gegaan; dat zij de drie letters van Zijnen (Kabbalistisch geschreven) naam wvy tot een verwenschings-akrostichon hebben misbruikt, dat is tot een zin, waarvan de beginletters van ieder woord te zamen dat woord uitmaken en waarvan de zin ene vervloeking is; dit grondt zich op de laatste woorden van vs. 13: “hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht,” en luidt: Zijn naam en Zijne gedachtenis worde uitgedelgd. Zij zijn echter zelf degenen, die het gespuis van den “zoon der verderfenis” (Joh. 17: 12) uitmaken en op wie inderdaad ook David’s vloek tot op den huidigen dag kleeft. Gelijk reeds uiterlijk de naam van Judas en die van de Joden overeenkomst hebben, zo behoren beide ook innerlijk bij elkaar als die “niet gewild hebben”, maar den rijkdom der wereld en den wereldgeest boven de armoede van Christus gesteld hebben, en daarom aan het oordeel der verharding, om in het geld te woelen (MATTHEUS. 26: 16 ) overgegeven zijn; en nu is het merkwaardig, hoe het Joodse volk, als volk met land en stad, werkelijk “in het andere geslacht” (elk geslacht op dertig jaren gerekend) is ten ondergegaan (namelijk 40 jaren na den dood van Christus), en hoe zijn lot sedert de verstrooiing over de gehele aarde slechts een vervulling van het in vs. 10 vv. gezegde is.
De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd (MATTHEUS. 23: 31 vv.).
Dat zij, de zonde zijner vaderen en voorvaderen, gedurig voor den HEERE zijn a), en Hij roeie hun, der nakomelingen, gedachtenis uit van de aarde (zie ten opzichte van Achitofel de op (1 Kronieken 11: 36).
Job 18: 17. Psalm 34: 17. “Gedenken, gedachtenis” betekent in de Schrift niet, dat men aan iemand denkt, anders zouden Judas, Pilatus en Herodes steeds in gedachtenis zijn; maar dat men hen roemt en prijst, dat een goede naam van hen uitgaat.
De gedachtenis uitroeien betekent niet, dat iemands naam niet meer zou genoemd worden, want de namen der goddelozen worden vaak veelvuldiger genoemd, dan die der godvruchtigen, maar dat hun namen niet met lof genoemd en geprezen zullen worden, dat zij niet in zegening blijven, maar tot een vervloeking zullen zijn.
Omdat 1) hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene, den verschrikte van hart, om hem te doden (2 (Samuel 15: 31).
Hij leert nu, dat hij niet zonder oorzaak zulk een harde en wrede straf over zijne vijanden afbidt, dewijl hun onmenselijkheid onverzadiglijk was, en zij niet minder met een hardnekkigen als wreden haat tegen den ellendigen mens waren bezield, alsof zij een doden hond zochten. Want zelfs de wijsgeren schrijven het toe aan bedorven en slaafse zielen, dat zij woeden tegen ellendigen, bij wie er geen kracht tot weerstand is, want strijd behoort tussen gelijken plaats te hebben. En daarom stelt de Profeet de boosheid der vijanden zo groot voor, omdat zij de ellendigen en behoeftigen vervolgen.
De ellendige en nooddruftige en de man “met een diep gewond hart” is David en in zijn tegenbeeld Christus, die wel als Koning, maar arm in Jeruzalem introk en dien Pilatus met het: “Zie den mens!” aan het volk voorstelde. Ieder woord komt hier overeen met de vervulling; met het “weldadigheid te doen” de hun gegeven mogelijkheid om Jezus vrij te laten, met het: “om Hem te doden”, het “kruist Hem”; want de vorm, die in den grondtekst staat (Po. in plaats van Hiph.) doelt op den geweldigen dood, aan welken de vervolgers Hem dachten op te offeren.
Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem 1).
David spreekt hier van echt Satanische zonde, waarvoor geen vergeving is. De liefdebewijzen der rechtvaardigen heeft hij door woord en daad met de diepste vijandschap vergolden. Daarom is zijne zonde zo onvergeeflijk.
En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die, de vloek, ga tot in het binnenste van hem als het water, dat men begerig heeft ingedronken (Job 15: 16; 34: 7 15.16 34.7),en als de olie in zijne beenderen. Gelijk hij geheel door zonde doortrokken is, zo worde hij het ook door den vloek.
Die vloek, dien hij najaagde, als ware hij iets onmisbaars, zij hem als een kleed, waarmee hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmee hij zich steeds omgordt, die verlate hem alzo nooit (Matth. 27: 25).
Dit zij het werkloon mijner tegenstanders (vs. 4) van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijne ziel (vs. 2 en 3). Dat hier en elders zulke bittere klachten en zware vloeken voorkomen, heeft men aldus te verklaren: Bij onschuldig lijden is er tweeërlei in het hart, eensdeels een gevoel, dat de lijder noodzakelijk heeft van het onrecht, dat hem wordt aangedaan en tevens ook van de aanspraak, die hij heeft op de gerechtigheid van God; aan de andere zijde het geduld of de sterkte des harten, waarmee hij de gevoeligheid overwint en zijne aanspraken op de gerechtigheid Gods geheel en al in voorbede verandert. Deze beden kunnen op eens in het binnenste van den lijder oprijzen, maar het kan niet op eens worden voorgesteld en onder dezelfde woorden worden begrepen. Daarom is het zo verdeeld, dat het ene in de lijdenspsalmen is voor ogen gesteld, en toch het andere onder het werkelijke lijden in het Lam Gods is gezien. Het eerste voegt bovendien beter in de Schriften van het Oude Testament en bij de wijze, waarop de Geest Gods toen van het lijden getuigd heeft, toen het geheim van het kruis nog niet duidelijk verklaard was; het andere daarentegen komt meer overeen met den aard des Nieuwen Testaments, toen de hoop der heerlijkheid onder het lijden reeds meer te voorschijn was getreden, en de Geest Gods als een Geest der heerlijkheid op den lijdende rustte, en das de onderworpenheid en het geduld ook meer volkomen kon zijn. Hierboven wordt op deze wijze ook iets tot waarschuwing geplaatst, dat men uit het zwijgen en het geduld van den lijder gene aanleiding neme, om zich des te misdadiger aan hem te bezondigen, maar dat men zou bedenken, wat te voren over Zijne vijanden gesproken en geschreven was, zo heeft het ook onze lieve Heiland aan Judas naast elkaar voorgelegd (Matth. 26: 24): “De Zoon des mensen gaat wel heen, maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt.”. Bij die verwensingen heeft men steeds in het oog te houden, dat David, toen hij deze vervloekingen uitsprak, geenszins door grenzeloze, vleselijke drift is vervoerd geweest en evenmin van zijne eigene zaak handelde. Overmits David veeleer sprak door den Heiligen Geest, zo is zijn vloek ook meer te beschouwen alsof God dien zelf van den hemel afdonderde. Terwijl hij dus van de ene zijde Gods wrake verkondigt, onderdrukt Hij tevens bij ons alle kwade begeerte, om ons zelven te wreken, en verleent ons van den anderen kant in onze droefheid den troost, waardoor wij de miskenning, die wij ondervinden, geduldig verdragen kunnen. En dewijl het ons nog niet gegeven is de uitverkorenen van de verworpenen te onderkennen, zo moeten wij voor allen leren bidden, die ons leed doen, en het heil van het ganse mensengeslacht leren wensen, ja, ook voor de redding van den enkelen persoon in het bijzonder leren bezorgd zijn. Maar dat verhindert niet, dat wij, indien ons hart slechts rein en bedachtzaam is, ook stoutweg op Gods oordeel ons mogen beroepen, dat Hij den beslist goddeloze ombrenge.
Zij, die Christus verwerpen, verwerpen de fontein van zegen, en kiezen een vloek tot hun deel, die hun zeker in volle mate zal gegeven worden. De vloek, die op de gehele Joodse natie ligt, wordt vergeleken bij een kleed, dat den gehelen mens overdekt, en is als een gordel om de lendenen gesloten; bij water, dat door al de ingewanden is gegaan, en bij olie, die van zelf indringt in de beenderen, waarop zij de pijnlijkste uitwerkingen heeft. Indien dit in deze wereld de vijanden van den Messias wacht, wat zal daarna het deel zijn van hen, die Hem op nieuw kruisigen (Hebr. 6: 6). En wat zal het gevolg zijn van het vonnis: “Ga weg, gij vervloekte!” op de lichamen en zielen der goddelozen? Hoe zal het alle gewaarwordingen aandoen van de eersten, en alle krachten van de laatsten met pijn, angst, schrik en wanhoop! Denkt aan deze dingen, zondaars, siddert en bekeert u.
Er is geen rechtvaardiger beloonster dan de zonde, haar loon is altijd geëvenredigd aan het werk, niemand kan zich over haar beklagen. Ook een Judas niet, want de Goddelijke rechtvaardigheid heeft het verband gelegd tussen de zonde en haar bezoldiging.
21.
III. Vs. 21-31.KruisverwijzingenPsalmen 22:6→Psalmen 119:86→Psalmen 35:26→Exodus 10:19→Hebreeën 12:12→Job 37:7→Psalmen 132:18→Psalmen 35:18→
— Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij. Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond. Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan. Mijn knieen struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is. Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd. Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid. Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt. Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde. Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel. Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
Op den donder en de bliksemen in de vorige afdeling volgt nu ene uitstorting van tranen in ene diepe weemoedige klacht over de ellende, waarin David zich te dien tijde bevindt (22-25); gelijk bij de klacht met bidden en smeken om des Heren bijstand is begonnen (vs. 21), zo gaat zij ook spoedig weer over in bidden en smeken om een gezegend einde van den tegenwoordigen tijd van lijden (vs. 26-29), en van zulk ene uitkomst wordt de ernstige bidder nog onder zijn smeken zo zeker, dat hij reeds nu den dank gereed heeft, waarmee hij de ere des Heren in de gemeente zal roemen (vs. 30 en 31).
Maar gij, o HEERE Heere! maak het in tegenoverstelling van degenen, die tegen mij zijn en kwaad tegen mijne ziel spreken (vs. 20), met mij om Uws naams wil, handel met mij, gelijk Uwe zo dikwijls mij bewezene genade het beloofde; dewijl Uwe goedertierenheid goed is, de bron is van alle goed, verlos mij!
Want ik ben ellendig en nooddruftig (Psalm 40: 18), en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond van wege de diepe smart en ontzettenden angst (Psalm 55: 5).
Ik ga heen gelijk ene schaduw, wanneer zij zich neigt1), reeds haren ondergang tegemoet gaat (Psalm 102: 12); ik word omgedreven als een sprinkhaan, welken de wind aangrijpt en onophoudelijk henendrijft (Exodus 10: 19).
Wanneer de dag zich neigt, wordt de schaduw al langer en langer (Virgilius: majoresque cadunt altis de montibus umbrae), totdat zij in de algemene duisternis verdwijnt. Zo verdwijnt ook het leven van dezen lijder.
Even als wanneer de zon zich neigt, uit de schaduw wordt, zo wordt ook, als het leven zich neigt, uit het sterfelijke vlees de dood.
Mijne knieën struikelen van vasten, dat ik in mijne diepe en langdurige ellende gedaan heb, en mijn vlees is gemagerd, zodat er geen vet aan is (Psalm 31: 11).
Nog ben ik juist in dit mijn lijden, dat toch maar recht medelijden had moeten opwekken, hun een smaad (Psalm 69: 11 vv.); als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd 1), alsof ik in die mate een door God gestrafte ware, dat men mij als enen verstotene zou moeten opgeven (Psalm 22: 8 vv. (MATTHEUS. 27: 39).
Het is zo duidelijk mogelijk, dat dit volkomen in den Christus Gods is vervuld. Hij was bij uitnemendheid degene, over wie men het hoofd schudde. Die, toen de wateren van Gods toorn zich over hem sloten, moest uitroepen, wat in vs. 26 beschreven wordt.
Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uwe goedertierenheid.
Opdat zij weten, dat dit, het gered worden uit mijnen wanhopigen toestand tegen aller verwachting in, Uwe hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt en daardoor met der daad mijne zijde kiest.
Laat hen vloeken, maar zegen Gij, laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden, omdat hun aanslagen toch niet gelukken, maar op het tegenovergestelde uitlopen; doch dat zich Uw knecht verblijde in den glans van Uwe genade jegens hem. In den verhevensten zin is dit waar geworden aan Hem, die, nadat Hij een vloek geworden is, gezeten is ter rechterhand der Majesteit Gods. Hij begeert hier, dat de verborgen achtergrond van zijn lijden in het licht trede als een werk Gods, ja, als de vervulling van den eeuwigen Raad Gods, die enkel liefde en wijsheid is. Hij smeekt, dat Hij zich verblijden moge, als het eenmaal zal blijken, dat de wateren zich weer hebben geopend en Hij tot rechtvaardigheid voor al Zijn volk is opgestaan.
Laat mijne tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met enen mantel (Psalm 35: 26).
Ik zal den HEERE met mijnen mond zeer loven, wanneer alles zal vervuld zijn, wat ik hier heb gebeden, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen (Psalm 22: 23).
Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om diens zaak tot de Zijne te maken (Psalm 16: 8), om hem te verlossen van degenen, die zijne ziel veroordelen. Het contract tussen dit slot en vs. 6 vv. is onmisbaar: de satan staat als aanklager ter rechterhand van den goddeloze, rechtvaardigend staat Jehova aan de rechterhand van den gepijnigde. Die Hem aan menselijke rechters overleverde, wordt veroordeeld, en de veroordeelde wordt door den Rechter der rechters uit den angst en het gericht weggenomen (Jes. 53: 8), om, gelijk wij in den volgenden Psalm, die met juistheid naast dezen geplaatst is, zullen horen, ter rechterhand van den hemelsen Koning te zitten.
Groot is de vreugde van den verloste op aarde, groter zal die zijn na de verrijzenis uit den dood in de hoven des hemels. Jezus onrechtvaardig in den dood gestort en nu weer herrezen, is een voortdurend Advocaat en Middelaar voor Zijn volk, altijd gereed om ter hunner hulp te verschijnen tegen ene boze wereld en den groten aanklager.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel