Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
De lastH4853 van NineveH5210. Het boekH5612 des gezichtsH2377 van NahumH5151, den ElkosietH512.
De last van Nineve. Het boek des gezichts van Nahum, den Elkosiet.
KJV
The burden1
of Nineveh.2
The book3
of the vision4
of Nahum5
the Elkoshite.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Een ijverigH7072 GodH410 en een wrekerH5358 is de HEEREH3068, een wrekerH5358 is de HEEREH3068, en zeer grimmigH1167; een wrekerH5358 is de HEEREH3068 aan Zijn wederpartijdersH6862, en HijH1931 behoudtH5201 den toorn Zijn vijandenH341.
Een ijverig God en een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE, en zeer grimmig; een wreker is de HEERE aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt den toorn Zijn vijanden.
KJV
God1
is jealous,2
and the LORD4
revengeth;3
the LORD6
revengeth,5
and is furious;7
the LORD10
will take vengeance9
on his adversaries,11
and he reserveth12
wrath for his enemies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
De HEEREH3068 is lankmoedigH750, doch van groteH1419 krachtH3581, en Hij houdtH5352 den schuldige geenszinsH3808 onschuldigH5352. Des HEERENH3068 wegH1870 is in wervelwindH5492, en in stormH8183, en de wolkenH6051 zijn het stofH80 Zijner voetenH7272.
De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig. Des HEEREN weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten.
KJV
The LORD1
is slow2
to anger,3
and great4
in power,5
and will not at all6
acquit8
the wicked: the LORD9
hath his way12
in the whirlwind10
and in the storm,11
and the clouds13
are the dust14
of his feet.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Hij scheldtH1605 de zeeH3220, en maakt ze droogH2717, en Hij verdroogtH3001 alleH3605 rivierenH5104; BasanH1316 en KarmelH3760 kwelenH535, ook kweeltH535 de bloemH6525 van LibanonH3844.
Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon.
KJV
He rebuketh1
the sea,2
and maketh it dry,6
and drieth up3
all the rivers:5
Bashan8
languisheth,7
and Carmel,9
and the flower10
of Lebanon11
languisheth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
De bergenH2022 bevenH7493 voor Hem, en de heuvelenH1389 versmeltenH4127; en de aardeH776 lichtH5375 zich op voor Zijn aangezichtH6440, en de wereldH8398, en allenH3605, die daarin wonenH3427.
De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen.
KJV
The mountains1
quake2
at him, and the hills4
melt,5
and the earth7
is burned6
at his presence,8
yea, the world,9
and all that dwell
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Wie zal voor Zijn gramschapH2195 staanH5975, en wieH4310 zal voor de hittigheidH2740 Zijns toornsH639 bestaanH6965? Zijn grimmigheidH2534 is uitgestortH5413 als vuurH784, en de rotsstenenH6697 worden vanH4480 Hem vermorzeldH5422.
Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.
KJV
Who can stand4
before1
his indignation?2
and who can abide6
in the fierceness7
of his anger?8
his fury9
is poured out10
like fire,11
and the rocks12
are thrown down
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
De HEEREH3068 is goedH2896, Hij is ter sterkteH4581 in den dagH3117 der benauwdheidH6869, en Hij kentH3045 hen, die op Hem betrouwenH2620.
De HEERE is goed, Hij is ter sterkte in den dag der benauwdheid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen.
KJV
The LORD2
is good,1
a strong hold3
in the day4
of trouble;5
and he knoweth6
them that trust
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En met een doorgaandenH5674 vloedH7858 zal Hij haar plaatsH4725 te niet makenH6213; en duisternisH2822 zal Zijn vijandenH341 vervolgenH7291.
En met een doorgaanden vloed zal Hij haar plaats te niet maken; en duisternis zal Zijn vijanden vervolgen.
KJV
But with an overrunning2
flood1
he will make4
an utter end3
of the place5
thereof, and darkness8
shall pursue7
his enemies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WatH4100 denktH2803 gijlieden tegenH413 den HEEREH3068? Hij zal zelfH1931 een voleindingH3617 makenH6213; de benauwdheidH6869 zal nietH3808 tweemaalH6471 op rijzenH6965.
Wat denkt gijlieden tegen den HEERE? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal op rijzen.
KJV
What do ye imagine2
against the LORD?4
he will make7
an utter end:5
affliction11
shall not rise up9
the second time.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Dewijl zij in elkander gevlochtenH5440 zijn alsH3588 doornenH5518, en dronkenH5433 zijn, gelijk zij plegen dronkenH5435 te zijn, zo worden zij volkomenH4392 verteerdH398, als een dorreH3002 stoppelH7179.
Dewijl zij in elkander gevlochten zijn als doornen, en dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn, zo worden zij volkomen verteerd, als een dorre stoppel.
KJV
For while they be folden together4
as thorns,3
and while they are drunken6
as drunkards,5
they shall be devoured7
as stubble8
fully10
dry.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
VanH4480 u is een uitgegaanH3318, die kwaadH7451 denktH2803 tegenH5921 den HEEREH3068, een Belialsraadsman.
Van u is een uitgegaan, die kwaad denkt tegen den HEERE, een Belialsraadsman.
Ook in dit vers
BelialsraadsmanH1100
BelialsraadsmanH3289
KJV
There is one come out2
of thee, that imagineth3
evil6
against the LORD,5
a wicked8
counsellor.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Alzo zegtH559 de HEEREH3068: Zijn zij voorspoedigH8003, en alzo velenH7227, alzo zullen zij ook geschorenH1494 worden, en hij zal doorgaanH5674; Ik heb u wel gedruktH6031, maar Ik zal u nietH3808 meerH5750 drukkenH6031.
Alzo zegt de HEERE: Zijn zij voorspoedig, en alzo velen, alzo zullen zij ook geschoren worden, en hij zal doorgaan; Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal u niet meer drukken.
KJV
Thus saith2
the LORD;3
Though they be quiet,5
and likewise many,7
yet thus shall they be cut down,9
when he shall pass through.10
Though I have afflicted11
thee, I will afflict
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Maar nuH6258 zal Ik zijn jukH4132 van u brekenH7665, en zal uw bandenH4147 verscheurenH5423.
Maar nu zal Ik zijn juk van u breken, en zal uw banden verscheuren.
KJV
For now will I break2
his yoke3
from off thee, and will burst6
thy bonds5
in sunder.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Doch tegenH5921 u heeft de HEEREH3068 bevolenH6680, dat er van uw naamH8034 niemandH3808 meerH5750 gezaaidH2232 zal worden; uit het huisH1004 uws godsH430 zal Ik uitroeienH3772 de gesnedenH6459 en gegoten beeldenH4541; Ik zal u daar een grafH6913 maken, alsH3588 gij zult verachtH7043 zijn geworden.
Doch tegen u heeft de HEERE bevolen, dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden; uit het huis uws gods zal Ik uitroeien de gesneden en gegoten beelden; Ik zal u daar een graf maken, als gij zult veracht zijn geworden.
KJV
And the LORD3
hath given a commandment1
concerning thee, that no more of thy name6
be sown:5
out of the house8
of thy gods9
will I cut off10
the graven image11
and the molten image:12
I will make13
thy grave;14
for thou art vile.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ziet op de bergenH2022 de voetenH7272 desgenen, die het goede boodschaptH1319, die vredeH7965 doet horenH8085; vierH2287 uw vierdagenH2282, o JudaH3063! betaalH7999 uw geloftenH5088; want de BelialsH1100- man zal voortaanH3254 niet meer door u doorgaan, hij is gans uitgeroeidH3772.
Ziet op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die vrede doet horen; vier uw vierdagen, o Juda! betaal uw geloften; want de Belials- man zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is gans uitgeroeid.
Ook in dit vers
doordoorgaanH5674
last
Dit is de algemene titel of opschrift van alle bezwaarlijke profetieën. Zie Jes. 13:1 , en Jes. 15:1 , en Jes. 17:1 , en Jes. 19:1 , en Jes. 21:1 , Jes. 21:11 , Jes. 21:13 ; Jer. 23:33-34 ; Hab. 1:1 ; Zach. 9:1 , en Zach. 12:1; Mal. 1:1 .
Hertaald:
last
Dit is de algemene titel of het opschrift van alle bezwarende profetieën. Zie Jes. 13:1, Jes. 15:1, Jes. 17:1, Jes. 19:1 en Jes. 21:1, Jes. 21:11, Jes. 21:13; Jer. 23:33-34; Hab. 1:1; Zach. 9:1 en Zach. 12:1; Mal. 1:1.
van Nineve
Dat is, over, of aangaande de stad Nineve, die eertijds geweest is de hoofdstad van Assyrië; en versta hier, door Nineve, niet alleen de stad zelve, maar ook het gehele koninkrijk van Assyrië.
Hertaald:
van Nineve
Dat is: over of aangaande de stad Ninevé, die vroeger de hoofdstad van Assyrië geweest is. Versta hier onder Ninevé niet alleen de stad zelf, maar ook het hele koninkrijk Assyrië.
boek des gezichts van Nahum,
Dat is, het boek, waarin het gezicht of de profetie, die Nahum geopenbaard is, beschreven staat.
Hertaald:
boek des gezichts van Nahum,
Dat is: het boek waarin het gezicht of de profetie beschreven staat die aan Nahum geopenbaard is.
den Elkosiet
Dat is, die te Elkos geboren is, een dorp gelegen in Galilea, of zo anderen schrijven, in den stam van Simeon, nog in wezen zijnde ten tijde van Hieronymus. Nergens wordt aan deze plaats gedacht in de Heilige Schrift dan hier alleen. Anderen menen dat Elkos is de naam van het geslacht van Nahum.
Hertaald:
den Elkosiet
Dat is: die in Elkos geboren is, een dorp in Galilea, of volgens anderen in de stam van Simeon, dat in de tijd van Hieronymus nog bestond. Nergens anders dan hier wordt in de Heilige Schrift aan deze plaats gedacht. Anderen menen dat Elkos de naam van het geslacht van Nahum is.
ijverig God
Dat is, God is jaloers, te weten, over zijn eer; zie Jes. 9:6 , niet kunnende lijden dat nevens Hem enig afgod geëerd en aangeroepen wordt.
Hertaald:
ijverig God
Dat is: God is jaloers, namelijk over Zijn eer; zie Jes. 9:6. Hij kan niet verdragen dat naast Hem enige afgod geëerd en aangeroepen wordt.
een wreker is de HEERE, een wreker
Die niet ongestraft laat de zonde tegen zijn heilige majesteit begaan, noch de tirannie tegen zijn uitverkoren volk.
Hertaald:
een wreker is de HEERE, een wreker
Hij laat de zonde tegen Zijn heilige majesteit niet ongestraft, en evenmin de tirannie tegen Zijn uitverkoren volk.
zeer grimmig;
Zich zeer vertoornende over degenen, die zijn volk mishandelen of vervolgen. Hebr. enen Heere, meester of bezitter der grimmigheid, of, van den hittigen ttorn; zie Gen. 14:13 .
Hertaald:
zeer grimmig;
Hij vertoornt Zich hevig over hen die Zijn volk mishandelen of vervolgen. Hebreeuws: een heer, meester of bezitter van de grimmigheid, of van de hete toorn; zie Gen. 14:13.
Hij behoudt den toorn
Zie de aantekening bij Ps. 103:9 ; Jer. 3:5 .
Hertaald:
Hij behoudt den toorn
Zie de aantekening bij Ps. 103:9; Jer. 3:5.
Zijn vijanden
Maar over zijne uitverkorenen ontferm Hij zich als een Vader over zijne kinderen. Zie Ps. 103:8-10 , enz.
Hertaald:
Zijn vijanden
Maar over Zijn uitverkorenen ontfermt Hij Zich als een vader over zijn kinderen. Zie Ps. 103:8-10, enzovoort.
lankmoedig,
Zie Ex. 34:6 , en Num. 14:18 .
Hertaald:
lankmoedig,
Zie Ex. 34:6 en Num. 14:18.
Hij houdt den schuldige
Zie Ex. 34:7 . Anders: Hij zal [die, te weten vijanden] niet onschuldig houden.
Hertaald:
Hij houdt den schuldige
Zie Ex. 34:7. Anders: Hij zal hen — namelijk de vijanden — niet onschuldig houden.
Des HEEREN weg is in wervelwind,
De zin is, de Heere vertoont zichzelven verschrikkelijk en geweldig; zie Ps. 18:8 .
Hertaald:
Des HEEREN weg is in wervelwind,
De betekenis is: de HEERE vertoont Zich verschrikkelijk en geweldig; zie Ps. 18:8.
de wolken zijn het stof Zijner voeten
Verg. Ps. 104:3 .
Hertaald:
de wolken zijn het stof Zijner voeten
Vergelijk Ps. 104:3.
scheldt de zee,
Dat is, bestraft. De profeet beschrijft de macht, die God heeft over de zee, rivieren en velden. Waarvan zie voorbeelden, Ex. 14:22 ; 2Ki 2 , Ps. 66:6 , en Ps. 106:9 , en Psa 107 , Isa 4 , Luc. 8:24 . De zin is: die zulke grote dingen doen kan in de wateren en op de aarde, die kan ook wel, als het Hem belieft, het rijk der Assuriërs veranderen.
Hertaald:
scheldt de zee,
Dat is: bestraft. De profeet beschrijft de macht die God heeft over de zee, de rivieren en de velden. Zie daarvan voorbeelden in Ex. 14:22; 2 Kon. 2; Ps. 66:6, Ps. 106:9 en Ps. 107; Jes. 4; Luk. 8:24. De betekenis is: Die zulke grote dingen kan doen in de wateren en op de aarde, kan ook, als het Hem behaagt, het rijk van de Assyriërs veranderen.
maakt ze droog,
Dat is, Hij kan ze droogmaken als het Hem belieft.
Hertaald:
maakt ze droog,
Dat is: Hij kan ze droogmaken wanneer het Hem behaagt.
Basan en Karmel kwelen,
Zie van Basan Ps. 22:13 , en van Karmel 2 Kon. 19:23 .
Hertaald:
Basan en Karmel kwelen,
Zie over Basan Ps. 22:13 en over Karmel 2 Kon. 19:23.
kweelt
Te weten, van zijnen toorn, of vanwege de grote en langwijlige droogte, weshalve de aarde geen vruchten kan voortbrengen. Verg. Joël 1:10 , Joël 1:12 .
Hertaald:
kweelt
Namelijk van Zijn toorn, of vanwege de grote en langdurige droogte waardoor de aarde geen vruchten kan voortbrengen. Vergelijk Joël 1:10, Joël 1:12.
de bloem van Libanon
Dat is, de bloemen die op den berg Libanon wassen.
Hertaald:
de bloem van Libanon
Dat is: de bloemen die op de berg Libanon groeien.
beven voor Hem,
Of, schudden van Hem.
Hertaald:
beven voor Hem,
Of: schudden vanwege Hem.
versmelten;
Verg. Mi. 1:4 ; Am. 9:13 .
Hertaald:
versmelten;
Vergelijk Micha 1:4; Amos 9:13.
licht zich op voor Zijn aangezicht,
Gelijk in de aardbevingen pleegt te geschieden. Anders: de aarde brandt voor zijn aangezicht. De zin is, indien het God den Heere beliefde, Hij kon wel de ganse wereld met vuur verbranden, gelijk Hij eertijds Sodom en Gomorra gedaan heeft; of, Hij kan de aarde van droogte en van dorheid doen verbranden en tot as worden. Zie 2 Sam. 5:20 .
Hertaald:
licht zich op voor Zijn aangezicht,
Zoals dat bij aardbevingen pleegt te gebeuren. Anders: de aarde brandt voor Zijn aangezicht. De betekenis is: als het God behaagde, zou Hij de hele wereld met vuur kunnen verbranden, zoals Hij vroeger met Sodom en Gomorra gedaan heeft; of: Hij kan de aarde door droogte en dorheid doen verbranden en tot as maken. Zie 2 Sam. 5:20.
zal
Of, kan.
Hertaald:
zal
Of: kan.
goed,
Te weten, over degenen, die Hem vrezen en dienen.
Hertaald:
goed,
Namelijk over hen die Hem vrezen en dienen.
Hij kent hen,
Dat is, Hij heeft hen lief, Hij zorgt voor hen, Hij neemt zich hunner aan, gelijk Ps. 1:6 .
Hertaald:
Hij kent hen,
Dat is: Hij heeft hen lief, Hij zorgt voor hen, Hij neemt het voor hen op, zoals Ps. 1:6.
die op Hem betrouwen
Of, die op Hem hopen, die hunne toevlucht tot Hem nemen, die zich op Hem verlaten.
Hertaald:
die op Hem betrouwen
Of: die op Hem hopen, die hun toevlucht tot Hem nemen, die zich op Hem verlaten.
met een doorgaanden vloed
Dat is, door een vijandelijken inval, die overal lopen zal, zal Hij hare plaats teniet maken. Of, en met den doorgaanden vloed zal Hij hare [te weten Nineve's] plaats ten verderve, [of tot vernieling] maken; dat is, Hij zal maken dat de plaats van Nineve het verderf zelf zij, en tot niet gebracht worde, te weten, door de Meden en Chaldeën.
Hertaald:
met een doorgaanden vloed
Dat is: door een vijandelijke inval die overal doorheen zal trekken, zal Hij haar plaats tenietdoen. Of: met de doorgaande vloed zal Hij haar plaats — namelijk die van Ninevé — tot verderf maken; dat is: Hij zal maken dat de plaats van Ninevé het verderf zelf is en tot niets gebracht wordt, namelijk door de Meden en Chaldeeën.
Hij
Te weten, God de Heere.
Hertaald:
Hij
Namelijk God de HEERE.
haar plaats te niet maken;
Dat is, de stad Nineve zelve. Het is een gemene wijze van spreken in de Heilige Schrift, dat de plaats van enig ding wordt gezegd te vergaan als het ding zelf vergaat. Alzo Dan. 2:35 ; Openb. 12:8 .
Hertaald:
haar plaats te niet maken;
Dat is: de stad Ninevé zelf. Het is een gebruikelijke manier van spreken in de Heilige Schrift dat van de plaats van iets gezegd wordt dat zij vergaat wanneer dat ding zelf vergaat. Zo Dan. 2:35; Openb. 12:8.
duisternis zal
Duisternis betekent hier allerlei grote jammeren en ellende, gelijk Joël 2:2 ; Mi. 7:8 , en elders.
Hertaald:
duisternis zal
Duisternis duidt hier allerlei grote jammer en ellende aan, zoals Joël 2:2; Micha 7:8 en elders.
Zijn vijanden vervolgen
Te weten, des Heeren, of van het volk Gods, en versta hier door vijanden de Assyriërs. Anders: en Hij zal de duisternis zijne vijanden doen vervolgen.
Hertaald:
Zijn vijanden vervolgen
Namelijk van de HEERE, of van het volk van God; en versta hier onder de vijanden de Assyriërs. Anders: en Hij zal de duisternis Zijn vijanden doen vervolgen.
Wat denkt
Of, wat beeld gij u in tegen den Heere? De zin is: God zal u, o gij koning van Assyrië, en u, gij machtige stad Nineve, niet altijd zo laten woeden.
Hertaald:
Wat denkt
Of: wat beeldt u zich in tegen de HEERE? De betekenis is: God zal u, o koning van Assyrië, en u, machtige stad Ninevé, niet altijd zo laten woeden.
gijlieden
Gij Assyriërs.
Hertaald:
gijlieden
U, Assyriërs.
tegen den HEERE?
Of, van den Heer.
Hertaald:
tegen den HEERE?
Of: van de HEERE.
Hij zal
Hebr. Hij maakt ene voleinding. Dikwijls wordt de tegenwoordige tijd gesteld voor den tijd, die haast volgen zal, gelijk Gen. 13:15 , en Gen. 19:13-14 , em Gen. 48:21 , en Gen. 50:5 , Gen. 50:24 ; Ex. 12:33 ; Jona 1:3 ; Matt. 3:10 , en Matt. 17:11 ; Hand. 27:6 , en 1 Kor. 15:35 .
Hertaald:
Hij zal
Hebreeuws: Hij maakt een voleinding. Vaak wordt de tegenwoordige tijd gebruikt voor wat spoedig zal volgen, zoals Gen. 13:15, Gen. 19:13-14, Gen. 48:21 en Gen. 50:5, Gen. 50:24; Ex. 12:33; Jona 1:3; Matth. 3:10 en Matth. 17:11; Hand. 27:6 en 1 Kor. 15:35.
zelf een voleinding maken;
Zie de aantekening bij Jer. 4:27 .
Hertaald:
zelf een voleinding maken;
Zie de aantekening bij Jer. 4:27.
zal niet tweemaal op rijzen
Of, zal de tweede reis niet komen. De zin is: God zal u, o Nineve, met dezen tocht zo onderdrukken, dat Hij niet ten tweeden male zal behoeven te komen, Hij zal u eens vooral ten enenmale uitroeien. Anderen nemen het in dezen zin: Hij zal zijn volk niet ten enenmale laten plagen.
Hertaald:
zal niet tweemaal op rijzen
Of: zal de tweede keer niet komen. De betekenis is: God zal u, o Ninevé, met deze veldtocht zo onderdrukken dat Hij geen tweede keer hoeft te komen; Hij zal u voorgoed volkomen uitroeien. Anderen vatten het zo op: Hij zal Zijn volk niet volkomen laten plagen.
zij in elkander gevlochten zijn als doornen,
Te weten, de Assyriërs, met andere koningen en volken. De zin is: Het zal hun gaan als de in elkander verwarde doornen, welke, als als de landman ze niet uit elkander trekken of scheiden kan, zo werpt hij ze tezamen in het vuur, en verbrandt ze den een met den ander. Anders, want tot de doornen toe zijn zij benouwd; dat is, zo verward dat zij hunne toevlucht tot de doornen nemen, om zich daar te verbergen. Het is een teken van grote verwardheid en benauwdheid, als iemand daarheen vlucht, waar hij zich voorzeker kwetsen of bezeren zal. Verg. 1 Sam. 13:6 .
Hertaald:
zij in elkander gevlochten zijn als doornen,
Namelijk de Assyriërs, met andere koningen en volken. De betekenis is: het zal hun vergaan als de in elkaar verwarde doornen, die de landman, wanneer hij ze niet uit elkaar kan trekken, samen in het vuur werpt en de een met de ander verbrandt. Anders: want tot de doornen toe zijn zij benauwd; dat is: zo in het nauw gedreven dat zij hun toevlucht tot de doornen nemen om zich daarin te verbergen. Het is een teken van grote verwarring en benauwdheid wanneer iemand daarheen vlucht waar hij zich zeker zal kwetsen of bezeren. Vergelijk 1 Sam. 13:6.
en dronken zijn,
Hebr. en verzopen zijn na hunnen wijn, of zuiperij. Of, en als [van] hunnen wijn dronken zijn; dat is, zij worden door een verkeerden geest gedreven, die hen doet zwijmelen alsof zij dronken waren, dewijl het hun nu lang alles naar hunnen wens en wil gegaan is.
Hertaald:
en dronken zijn,
Hebreeuws: en verzopen zijn in hun wijn of hun zuiperij. Of: en als van hun wijn dronken zijn; dat is: zij worden door een verkeerde geest gedreven die hen doet zwijmelen alsof zij dronken waren, omdat het hun nu lang allemaal naar wens gegaan is.
zo worden zij volkomen verteerd,
Of, zo zullen zij verteerd [ Hebr. ] opgegeten worden, als geheel, of volkomenlijk droge stoppenlen.
Hertaald:
zo worden zij volkomen verteerd,
Of: zo zullen zij verteerd — Hebreeuws: opgegeten — worden als geheel droge stoppels.
Van u
Of, uit u, o Nineve.
Hertaald:
Van u
Of: uit u, o Ninevé.
is een uitgegaan,
Voor, zal in het kort uitgaan. Zie Hag. 1:9 .
Hertaald:
is een uitgegaan,
In plaats van: zal binnenkort uitgaan. Zie Hag. 1:9.
die kwaad denkt tegen den HEERE,
Dat is, die vuur en vlam uitspuwt tegen het volk Gods.
Hertaald:
die kwaad denkt tegen den HEERE,
Dat is: die vuur en vlam uitspuwt tegen het volk van God.
een Belialsraadsman
Versta hier Sanherib en Rabsake, dat God hen niet uit hunne hand zou kunnen verlossen. Zie 2 Kon. 18:35 ; 2Ch 32 en Isa 36 . En van het woord Belial, zie Deut. 13:13 .
Hertaald:
een Belialsraadsman
Versta hier Sanherib en Rabsake, die zeiden dat God hen niet uit hun hand zou kunnen verlossen. Zie 2 Kon. 18:35; 2 Kron. 32 en Jes. 36. Over het woord Belial, zie Deut. 13:13.
Alzo zegt de HEERE
Nu wendt de profeet zijne rede tot die in Jeruzalem, welken hij troost met de profetie van de nederlaag en den ondergang der Assyriërs.
Hertaald:
Alzo zegt de HEERE
Nu richt de profeet zijn woord tot hen die in Jeruzalem zijn, die hij troost met de profetie over de nederlaag en de ondergang van de Assyriërs.
voorspoedig,
Hebr. volkomen, of vrede hebbende; dat is, volkomen in kracht, of voorspoedig, God wil zeggen, of zij wel machtig en menigvuldig zijn, dat zij desniettegenstaande door zijn goddelijke hand zullen nedergeveld en vernield worden.
Hertaald:
voorspoedig,
Hebreeuws: volkomen, of: vrede hebbend; dat is: volkomen in kracht, of voorspoedig. God wil zeggen dat zij, hoe machtig en talrijk zij ook zijn, toch door Zijn goddelijke hand neergeveld en vernietigd zullen worden.
geschoren worden,
De profeet Jesaja gebruikt deze zelfde gelijkenis, Jes. 7:20 .
Hertaald:
geschoren worden,
De profeet Jesaja gebruikt dezelfde vergelijking in Jes. 7:20.
hij zal doorgaan;
Te weten, Sanherib. Zie 2 Kon. 19:35-37 .
Hertaald:
hij zal doorgaan;
Namelijk Sanherib. Zie 2 Kon. 19:35-37.
Maar nu zal Ik
In dit vers spreekt God de Heere nog zijn volk aan, gelijk in Hab. 1:12 .
Hertaald:
Maar nu zal Ik
In dit vers spreekt God de HEERE opnieuw Zijn volk aan, zoals in Hab. 1:12.
zijn juk
Te weten, het juk van den koning van Assyrië; dat is slavernij, of dienstbaarheid. Zie van het Hebr. woord Jer. 27:2 .
Hertaald:
zijn juk
Namelijk het juk van de koning van Assyrië; dat is: de slavernij of dienstbaarheid. Zie over het Hebreeuwse woord Jer. 27:2.
van u breken,
Hebr. van op u breken; dat is, Ik zal het u van den hals nemen, en u daarvan verlossen.
Hertaald:
van u breken,
Hebreeuws: van op u breken; dat is: Ik zal het u van de hals nemen en u daarvan verlossen.
uw banden
Dat is, de banden, met welke u de koning van Assyrië is bindende en in dienstbaarheid houdende.
Hertaald:
uw banden
Dat is: de banden waarmee de koning van Assyrië u bindt en in dienstbaarheid houdt.
verscheuren
Alzo dat gij den koning van Assyrië niet meer zult onderworpen zijn. Verg. Ps. 2:3 , en zie de vervulling 2 Kron. 36:22 ; Ezra 1:1 .
Hertaald:
verscheuren
Zodat u niet langer aan de koning van Assyrië onderworpen zult zijn. Vergelijk Ps. 2:3, en zie de vervulling in 2 Kron. 36:22; Ezra 1:1.
Doch tegen
Of, doch van u heeft de Heere bevoelen.
Hertaald:
Doch tegen
Of: maar van u heeft de HEERE bevolen.
u heeft de HEERE
O gij Ninevieten, of, o gij koning van Assyrië.
Hertaald:
u heeft de HEERE
O Ninevieten, of: o koning van Assyrië.
bevolen,
Te weten, aan den koning der Meden en van Babylonië, u met uw volk ten enenmale uit te roeien; dit heeft God alzo over u besloten te zullen geschieden.
Hertaald:
bevolen,
Namelijk aan de koning van de Meden en van Babylonië, om u met uw volk volkomen uit te roeien; dat heeft God zo over u besloten.
dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden;
Dat is, gij zult zo ganselijk en geheellijk onderdrukt worden, dat er na dezen niemand meer uwen naam voeren zal; of dat men niet meer van u spreken zal, gelijk men tot nog toe gedaan heeft.
Hertaald:
dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden;
Dat is: u zult zo volkomen onderdrukt worden dat er hierna niemand meer uw naam zal dragen; of: dat men niet meer over u zal spreken zoals men tot nu toe gedaan heeft.
de gesneden en gegoten beelden;
Dat is, uwe goden, die gij aldaar pleegt te aanbidden.
Hertaald:
de gesneden en gegoten beelden;
Dat is: uw goden, die u daar placht te aanbidden.
daar een graf maken,
Te weten, in het huis van uw god Nisroch. Zie de voltrekking dezer profetie. 2 Kon. 19:37 , en Jes. 37:38 .
Hertaald:
daar een graf maken,
Namelijk in het huis van uw god Nisroch. Zie de vervulling van deze profetie in 2 Kon. 19:37 en Jes. 37:38.
als gij zult veracht zijn geworden
Te weten, badat gij met schande en met schade uit het land Juda zult gevlucht zijn, waarover gij in grote verachtzaamheid zult komen bij alle natiën.
Hertaald:
als gij zult veracht zijn geworden
Namelijk nadat u met schande en schade uit het land Juda gevlucht zult zijn, waardoor u bij alle volken zeer veracht zult raken.
op de bergen de voeten
Of, op deze bergen; dat is, in het land Juda, hetwelk een bergachtig land is.
Hertaald:
op de bergen de voeten
Of: op deze bergen; dat is: in het land Juda, dat een bergachtig land is.
desgenen,
Of, van een die goede tijding brengt, of, van een Evangelist; versta dit van de blijde tijding aangaande de slachting van het leger der Assyriërs, en kort daarna van den dood van hunnen koning. Doch dit past ook op de geestelijke verlossing der Joden door Christus.
Hertaald:
desgenen,
Of: van iemand die goede tijding brengt, van een evangelist. Versta dit van de blijde tijding over de slachting van het leger van de Assyriërs en kort daarna over de dood van hun koning. Maar het past ook op de geestelijke verlossing van de Joden door Christus.
vrede doet horen;
Dat is, overwinning en welstand.
Hertaald:
vrede doet horen;
Dat is: overwinning en welstand.
vier uw vierdagen, o Juda
Alsof Hij zeide: Nu moogt gij, volk van Juda, vrij en frank uw heiligen godsdienst oefenen en uwen God loven en danken, hetwelk u een langen tijd herwaarts van de Assyriërs is verhinderd geweest.
Hertaald:
vier uw vierdagen, o Juda
Alsof Hij zei: nu mag u, volk van Juda, vrij en ongehinderd uw heilige godsdienst uitoefenen en uw God loven en danken, wat u lange tijd door de Assyriërs belet is.
de Belials- man
Zie Hag. 1:11 .
Hertaald:
de Belials- man
Zie Hag. 1:11.
door u doorgaan,
Dat is, hij zal met zijn verderfelijk heirleger niet meer in, noch door uw land trekken, gelijk Joël 3:17 .
Hertaald:
door u doorgaan,
Dat is: hij zal met zijn verderfelijke leger niet meer in of door uw land trekken, zoals Joël 3:17.
hij is gans uitgeroeid
Te weten, zijn leger, waaruit 185.000 man, van den engel, en hij van zijne zonen Adramelech en Sarefar verslagen is.
Hertaald:
hij is gans uitgeroeid
Namelijk zijn leger, waaruit honderdvijfentachtigduizend man door de engel verslagen zijn, en hijzelf door zijn zonen Adramelech en Sarezer. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een profeet uit Elkos, wiens korte profetie de aankondiging is van de val van Nineve, de hoofdstad van het machtige Assyrische rijk, als vertroosting voor Juda dat lange tijd onder Assyrische dreiging had geleefd (Nah. 1-3). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Zie het artikel bij Jona 1. Geschiedenis: Waar Ninevé zich, meer dan een eeuw eerder, in Jona's dagen nog bekeerde, is de stad ten tijde van Nahum teruggevallen in wreedheid en hoogmoed — "de stad der bloedschulden" (Nah. 3:1). De profeet kondigt haar definitieve, onherroepelijke val aan en vergelijkt haar spottend met het eerder al gevallen No-Amon/Thebe (reeds bestaand, zie Jer. 46), dat evenmin aan Gods oordeel ontkwam ondanks zijn onneembare ligging tussen de rivierarmen: "zijt gij beter dan No-Amon...? Nochtans is zij tot gevangenis gegaan" (Nah. 3:8-10). Nog geen twintig jaar na Nahums profetie viel Ninevé in 612 v.C. definitief in handen van de Babyloniërs en Meden. Bijbelse betekenis: Het contrast tussen Jona's tijd (bekering en genade) en Nahums tijd (hardnekkigheid en oordeel) leert dat aangeboden genade nooit vanzelfsprekend blijft: een volk of stad die zich eerder bekeerde, kan later, in hernieuwde ongehoorzaamheid, alsnog aan het definitieve oordeel van de HEERE overgegeven worden. Nah. 1:1; 2:1-3:19 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas "Een ijverig God en een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE, en zeer grimmig; een wreker is de HEERE aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt den toorn Zijn vijanden" (Nah. 1:2). Onmiddellijk daarna volgt de andere kant: "De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig" (Nah. 1:3). Bijbelse betekenis: Merk op hoe vaak het woord wreker in Nah. 1:2 terugkeert: drie keer in één vers. Dat is geen overdrijving maar nadruk — dit boek gaat over een God Die recht zal doen aan een volk dat al zijn geduld had uitgeput. Let vervolgens op Nah. 1:3, waar "lankmoedig" en "Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig" in één adem staan. Gods geduld is geen onverschilligheid; het stelt het oordeel uit, maar het schrapt het niet. Let ten slotte op de laatste zin van Nah. 1:3: Des HEEREN weg is in wervelwind, en in storm. Wat volgt in de rest van het hoofdstuk — bergen die beven, de zee die droogt — is de uitwerking van diezelfde weg. Typologie: Dezelfde twee zijden van Gods karakter — lankmoedig, en toch de schuldige niet ongestraft latend — staan al bij de openbaring van Zijn Naam aan Mozes: "HEERE, HEERE God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid" (Ex. 34:6). In het vers erna staat de andere kant: "Die den schuldige geenszins onschuldig houdt" (Ex. 34:7, reeds behandeld). Nah. 1:2-3; Ex. 34:6-7 Na de beschrijving van bevende bergen en een aarde die zich voor Gods aangezicht oplicht (Nah. 1:5-6), volgt: "De HEERE is goed, Hij is ter sterkte in den dag der benauwdheid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen" (Nah. 1:7). Direct daarna keert het boek terug naar het oordeel: "En met een doorgaanden vloed zal Hij haar plaats te niet maken" (Nah. 1:8). Bijbelse betekenis: Merk op waar dit vers staat: niet aan het begin, als een aparte inleiding, maar midden tussen twee beschrijvingen van oordeel in. Het boek onderbreekt zijn eigen aankondiging van toorn om deze ene zin te laten staan. Let vervolgens op het woord kent. Het gaat niet om algemene kennis, maar om een persoonlijke verhouding — hetzelfde woord dat elders in de Schrift voor Gods bijzondere omgang met wie Hem toebehoren gebruikt wordt. Let ten slotte op de plaats waar Zijn goedheid zich toont: "in den dag der benauwdheid" (Nah. 1:7). Niet wanneer alles goed gaat, maar juist wanneer het moeilijk is, blijkt Hij sterkte voor wie op Hem vertrouwt. Typologie: Dezelfde toevlucht in de nood bezingt de psalmist: "God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden" (reeds behandeld bij Ps. 46:2). Nah. 1:5-8; Ps. 46:2 "Wat denkt gijlieden tegen den HEERE? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal op rijzen" (Nah. 1:9). Bijbelse betekenis: Merk op de vraag waarmee dit vers begint: "wat denkt gijlieden tegen den HEERE?" Ninevé had kennelijk plannen, verwachtingen, misschien zelfs spot; het vers doorbreekt dat met een simpele vaststelling. Let vervolgens op het woord voleinding. Het duidt niet op een gedeeltelijke of tijdelijke maatregel, maar op iets dat af is, voltooid. Let ten slotte op de laatste zin: de benauwdheid zal niet tweemaal oprijzen. Er is geen tweede ronde nodig; wat komt, is genoeg. Typologie: Dezelfde eindigheid van het oordeel klinkt in het laatste boek over de grote stad: "Zij is gevallen, zij is gevallen" (Op. 18:2) — geen herhaling, maar een val die voorgoed is. Nah. 1:9; Op. 18:2 "Ziet op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die vrede doet horen; vier uw vierdagen, o Juda! betaal uw geloften; want de Belials-man zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is gans uitgeroeid" (Nah. 1:15). Bijbelse betekenis: Merk op wat hier het goede nieuws is: niet een algemene zegen, maar het einde van een specifieke onderdrukker — de Belials-man, hier waarschijnlijk Assyrië zelf, zal niet meer door Juda heentrekken. Let vervolgens op de oproep die erbij hoort: vier uw vierdagen, betaal uw geloften. Het goede bericht vraagt om een reactie: feestvieren en beloften inlossen die eerder in nood gedaan waren. Let ten slotte op het beeld van de bergen. Een boodschapper die van ver over de bergen komt aanrennen, is al van verre te zien; het nieuws wordt zichtbaar voordat het hoorbaar is. Typologie: Vrijwel dezelfde woorden gebruikt Jesaja voor de terugkeer uit ballingschap: "Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet horen" (reeds behandeld bij Jes. 52:7). Paulus haalt dat vers weer aan om de prediking van het Evangelie te beschrijven: "Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!" (Rom. 10:15). Nah. 1:15; Jes. 52:7; Rom. 10:15 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Ninevé had zich in de dagen van Jona bekeerd. Ruim een eeuw later is daar niets van over: de stad is de hoofdstad van een rijk dat Israël heeft weggevoerd. Nahum krijgt de last om haar val aan te zeggen. Midden in een boek vol oordeel staat één vers over een bode die over de bergen komt met goed nieuws. Het boek opent niet zacht: een ijverig God en een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE en zeer grimmig. Maar meteen daarna komt de tegenhanger, en die staat er even stellig: de HEERE is lankmoedig en groot van kracht. De verzen erna beschrijven wat er gebeurt als Hij komt: de bergen beven, de heuvelen versmelten, de aarde licht zich op. En dan, midden in dat geweld, staat een zin die op adem laat komen: de HEERE is goed, Hij is ter sterkte in den dag der benauwdheid, en Hij kent hen die op Hem betrouwen. Het oordeel geldt dus niet iedereen, en het treft niet blind. Aan het slot van het eerste hoofdstuk staat het vers dat dit boek zijn plaats geeft: ziet op de bergen de voeten desgenen die het goede boodschapt, die vrede doet horen. Het beeld is dat van een hardloper die na een veldslag over de heuvels komt aanzetten. Aan zijn voeten alleen al ziet men dat het goed is afgelopen. De kanttekening zegt waar de tijding over ging: de slachting van het leger der Assyriërs, en kort daarna de dood van hun koning. Zij voegt eraan toe dat het ook past op de geestelijke verlossing door Christus. Jesaja gebruikt bijna dezelfde woorden, en Paulus haalt die aan wanneer hij vraagt hoe men horen zal zonder die predikt: hoe lieflijk zijn de voeten dergenen die vrede verkondigen, dergenen die het goede verkondigen. Zo staat er in het boek van Ninevé's ondergang een vers dat in Romeinen gaat over het brengen van het Evangelie. Wat voor Juda goed nieuws was over een verslagen leger, wordt daar goed nieuws over een verslagen macht. In het Nieuwe Testament: Romeinen 10:14-15; Jesaja 52:7; Efeze 2:17; Lukas 2:10-11 Hoever dit reikt: Niveau 2. Nahum spreekt over de val van Ninevé. Paulus haalt het parallelle vers uit Jesaja 52 aan; de kanttekenaars betrekken deze tijding ook op de verlossing door Christus.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Hij zal de boom die de grond in beslag neemt niet omhouwen voordat Hij eromheen gegraven en hem bemest heeft. Hij zal de mens wiens karakter het verdorvenste is niet meteen doden voordat Hij hem eerst door de profeten gehouwen heeft; Hij zal hem niet met oordelen vellen. Hij zal de zondaar waarschuwen voordat Hij hem veroordeelt. Hij zal de stad niet slaan zonder waarschuwing. God is eeuwig en onveranderlijk goed. Hij kan niet beter worden en Hij kan niet slechter worden; Hij is volstrekt volmaakt. In Hem kan geen verbetering en geen achteruitgang zijn. De HEERE is goed, een sterke Vesting in benauwdheid; wie op Hem vertrouwen, kent Hij en bewaart Hij in elke nood. De HEERE is geduldig, maar groot van kracht. Nahum 1:3 Jehova is een God die “niet snel boos” wordt. Hij vindt er geen vreugde in als iemand verloren… De Heere is goed, Hij is ter sterkte in de dag van de benauwdheid en Hij kent hen, die op Hem vertrouwen. Nahum 1:7 Hier komen wij… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Een na-ijverig God en een Wreker is de HEERE. Nahum 1 vers 2 Gelovige, de Heere is heel jaloers op jouw… De HEERE is goed, Hij is ter sterkte in de dag der benauwdheid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen. Nahum 1:7 Deze morgen gaan onze verlangens… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" De Heere is lankmoedig doch van grote kracht. Nahum 1:3 Jehova is ‘lankmoedig’. Wanneer de genade in de wereld komt, rijdt… Maar nu, zal ik zijn juk van u breken en zal uw banden verscheuren. Nahum 1:13 De Assyriër mocht het volk van God voor een periode onderdrukken, maar… Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal u niet meer drukken. Nahum 1:12 Er is een grens aan het leed. God zendt het en God neemt het weg.… Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal u niet meer drukken. Nahum 1:12 Soms, op momenten van ontmoediging, lijkt het haast alsof er nooit een einde komt… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Nahum 1
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De voeten desgenen die het goede boodschapt — 1:1-15
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
De Vesting
De HEERE is geduldig
Nah. 1:7 - Ter sterkte
Een na-ijverig God en een Wreker is de HEERE.
Hij kent ons
God is groot van kracht
Onmiddellijke vrijheid
Een korte verdrukking
Geduldig wachten op God


Nahum 1
Nahum 1:3.KruisverwijzingenNehemia 9:17→Psalmen 104:3→Psalmen 147:5→Exodus 34:6→Jakobus 1:19→Zacharia 9:14→Psalmen 103:8→1 Koningen 19:11→
— De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig. Des HEEREN weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten.
“De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig. Des HEEREN weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten.”
Misschien vragen wij ons verwonderd af: hoe kan het dat Hij lankmoedig is en de schuldige toch nooit ongestraft laat? Omdat Zijn karakter volmaakt is, zien wij niet waar deze twee dingen in elkaar overvloeien. Aan de ene kant de onfeilbare gerechtigheid en gestrengheid van de Bestuurder van de wereld; aan de andere kant Zijn goedertierenheid, Zijn geduld en Zijn tedere barmhartigheden. Zou ook maar één van deze dingen in het karakter van God ontbreken, dan zou het onvolmaakt geweest zijn.
Dat God lankmoedig is, betekent dat Hij nooit slaat zonder eerst te dreigen. Mensen die driftig en snel tot toorn zijn, geven een woord en een slag — soms eerst de slag en daarna het woord. Wanneer onderdanen tegen de koning in opstand kwamen, heeft hij hen vaak eerst verpletterd en pas daarna met hen geredeneerd. Zij gaven geen tijd van dreiging, geen ruimte van berouw. Zij lieten geen ruimte om tot hun gehoorzaamheid terug te keren, maar verpletterden de opstandelingen meteen in hun hete misnoegen en maakten volkomen een einde aan hen.
Zo doet God niet. Sodom zal niet vergaan voordat Lot erin geweest is. De wereld zal niet verdronken worden voordat er acht predikers in gepredikt hebben en Noach, de achtste, komt profeteren van de komst van de HEERE. Hij zal Ninevé niet slaan voordat Hij er een Jona heen gezonden heeft. Hij zal Babel niet verbrijzelen voordat Zijn profeten door zijn straten geroepen hebben.
Hij zal een mens niet doden voordat Hij hem menige waarschuwing gegeven heeft: door ziekten, door de kansel, door de voorzienigheid en door de gevolgen. Hij slaat niet meteen een zware slag. Hij dreigt eerst. In de natuur komt de bliksem eerst en de donder daarna. In de genade doet Hij het andersom: Hij zendt eerst de donder van Zijn wet, en de bliksem van de voltrekking volgt daarop.
Dat Hij “den schuldige geenszins onschuldig” houdt, betekent dat God de goddeloze niet vrijspreekt omdat Hij goed is. Gods goedheid eist dat zondaars gestraft worden. De rechter móét de moordenaar veroordelen, omdat hij zijn volk liefheeft. De vriendelijkheid van een koning eist de straf van hen die schuldig zijn. Het is niet toornig van een wetgever om strenge wetten tegen grote zondaars te maken; het is juist liefde jegens de overigen dat de zonde bedwongen wordt. De goedheid van God eist dat mensen omkomen als zij willen zondigen.
En verder eist ook Gods rechtvaardigheid het. God is oneindig rechtvaardig, en Zijn rechtvaardigheid eist dat mensen gestraft worden, tenzij zij zich met hun hele hart tot Hem keren.
Nahum 1:7.KruisverwijzingenJeremia 33:11→2 Timotheüs 2:19→Psalmen 1:6→Johannes 10:27→Johannes 10:14→Galaten 4:9→Jesaja 25:4→Psalmen 18:1→
— De HEERE is goed, Hij is ter sterkte in den dag der benauwdheid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen.
“De HEERE is goed, Hij is ter sterkte in den dag der benauwdheid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen.”
Hier is een man van God, staande midden in de overweldigende vloed, die zegt: de HEERE is goed. De HEERE is goed.
Er zijn mensen die zelfs in hun godgeleerdheid niet geloven dat God goed is. Het kan niet zo zijn, zeggen zij, dat de goddelozen in de hel geworpen worden als God goed is. Volgens hen zullen de goddelozen niet gestraft worden. Maar het kind van God zegt dat zij zeker in de hel geworpen zullen worden en dat God ondanks dat alles goed is. Het is waar dat Hij de zonde straffen zal en haar eeuwig straffen zal — en toch is God goed.
Nee, zeggen anderen, als Hij goed is, dan kán Hij dat niet doen. U mag uzelf een andere god maken en die God noemen; maar de christen zegt: de HEERE is goed.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
De last, de rechterlijke uitspraak van God (Jes. 13:1), dien Hij Zijnen Profeet in een gezicht heeft meegedeeld van Ninevé, over den ondergang van de hoofdstad van het goddeloze, vijandige wereldrijk Assyrië. Het Boek des gezichts van Nahum, d. i. den troostvolle, zo als hij dan ook aan het volk Gods in de verdrukking door de wereldmacht waren troost bracht, den Elkosiet, (= God mijn boog), uit een dorpje in het noordelijk rijk, het latere Galilea. Nog ten tijde van den kerkvader Hiëronymus (400 n. C.) bestond het, en werd het door hem bezocht. Van daar was Nahum na de verwoesting van het rijk door Salmanassar heengegegaan, en had te Jeruzalem de nu volgende openbaringen ontvangen. Vele uitleggers nemen aan, dat onder Elkos moet worden verstaan het aanzienlijke Christendorp Alkusch, dat aan gene zijde van den Tiger, twee dagreizen van Mozul gelegen is, zodat Nahum een onder Salmanassar verbannen burger van het rijk van Israël is geweest, en hier in Assyrië de openbaring over Ninevé’s ondergang ontvangen heeft. Het grafteken van Nahum echter, dat men daar in Alkusch nog toont, is zeker even zo onecht als dat van Jona bij Ninevé. Daarentegen is waarschijnlijk, dat het eerst in de 16de eeuw vermelde dorp zijn naam uit het eerste vers van ons Boek heeft ontvangen, vooral daar het grafteken niets ouds aan zich draagt. Veel geloofwaardiger daarentegen is het bericht, door Hiëronymus meegedeeld. Nahum is dus een burger van het rijk van Samaria, en heeft zich na de verwoesting daarvan waarschijnlijk te Jeruzalem nedergezet, daar zijne troostwoorden steeds tot Juda, maar nooit tot de verbannenen van het noordelijk rijk in Assyrië gericht zijn. Even oneens als over de ligging van Nahum’s geboorteplaats zijn de uitleggers ten opzichte van den tijd, in welken hij zijne voorzegging heeft uitgesproken. Velen, voor wie voorzegging niet veel meer dan politiek vermoeden en menselijke scherpzinnigheid is, beweren dat deze zo bepaalde, bijzondere voorzegging van Ninevé’s val niet langer dan 30 jaren vóór die gebeurtenis plaats had, omstreeks het jaar 630 v. C. toen reeds de oorlogen der Meden en Babyloniërs tegen het Assyrische rijk begonnen, zou kunnen zijn ontstaan. Voor ons is echter alle profetie, ook deze, ene onmiddellijke openbaring Gods: wij kunnen daarom den tijd van den oorsprong niet daarvan afhankelijk maken, dat reeds de beginselen van alles, wat voorzegd is, zichtbaar moeten zijn, zodat een helder verstand reeds in staat kon zijn, daaruit besluiten omtrent de toekomst te maken. Daar dat vreselijk lot van Juda door den koning Sanherib van Assyrië, die het rijk aan den rand des afgronds bracht, en de merkwaardige nederlaag van het Assyrische leger voor Jeruzalems muren, welke aan dat lot een einde maakte, onzen Profeet in zijne profetie nog vers in het geheugen ligt, en door hem als reeds geschied verondersteld wordt, zo is het waarschijnlijkst, dat Nahum juist tengevolge van dien Assyrischen inval tot vertroosting der ware gemeente Gods en van den vromen koning Hizkia zijne profetie van God heeft ontvangen, en dus in de tweede helft van Hizkia’s regering (tussen 710 en 699 v. C.) zijn Boek geschreven heeft (2 Kon. 19:37). De gehele indruk, dien het Boek in den voortdurenden stroom van hoog verhevene taal en van zijne klassieke, krachtige, heldere en zuivere spraak maakt, doet denken, dat Nahum zijne profetie niet in ééne rede openlijk heeft voorgedragen, maar alleen ter nedergeschreven en als boek openbaar gemaakt heeft. Tot beter verstaan der voorzegging van ons Boek is het nodig, dat wij ons nog kortelijk den geschiedkundigen toestand voorstellen. Meer dan 500 jaren was Ninevé onder zijne machtige heersers de schrik van geheel West-Azië geweest. Assyrië was het eerste wereldrijk, dat tegenover het rijk Gods als zodanig ene vijandige houding aannam, welke de Heere in Zijn plan daartoe ten nutte maakte, dat het Hem ten stok voor Zijn volk diende. Reeds was het rijk van Israël door Salmanasser in 722 v. C. verwoest, toen spoedig daarop zijn opvolger Sanherib zich ook tegen Juda keerde, om daarvoor hetzelfde lot te bereiden. Hier was echter op den verschrikkelijken Achaz zijn voortreffelijke zoon Hizkia gevolgd; deze had met heiligen ernst het gehele land van afgodendienst gereinigd en des Heeren dienst weer als vroeger hersteld. De tijd van het gericht was voor Juda nog niet aanwezig. Hizkia ondervond het integendeel, dat, zodra Gods volk zich aan zijnen God vasthield, de wereldmacht er niets tegen kon uitrichten; integendeel de boeien, die het reeds waren aangebonden, verbroken werden. Hizkia weigerde in stouten geloofsmoed den groten koning der Assyriërs, die op het toppunt van macht stond, de schatting, welke hij sedert Achaz had moeten betalen. Toen nu de legers van Sanherib naderden, om den geringen koning tot gehoorzaamheid te dwingen, werd Hizkia eerst zwak; hij onderwierp zich en kocht voor grote schatten een ogenblikkelijken vrede. Maar de Assyriër gaf zijn voornemen, om Juda eveneens te behandelen als Samaria, niet op, en spoedig verscheen een machtig leger voor Jeruzalem. De lasteringen van den naam des Heeren uit den mond van den koning Sanherib wekten eerst Hizkia op, en hij wendde zich met zijne ganse ziel tot den Heere, wiens hulp hij ook rijkelijk ondervond. De Engel des Heeren zelf sloeg het leger der Assyriërs zo, dat des morgens rondom Jeruzalem de lijken gezaaid lagen, en de koning zo spoedig mogelijk naar Ninevé vluchtte. De Heere zelf had gericht tussen Zijn rijk en volk, en het wereldrijk, en met deze wonderbare gebeurtenis begon het gericht over Assyrië, welks einde door de verwoesting van Ninevé in het jaar 606 v. C. plaats had, en door Nahum duidelijk werd voorzegd. Assyrië zou het gericht niet over Juda uitoefenen, want het was zelf rijp ten gerichte. Reeds onder Sardanapalus I had de Heere het door den profeet Jona Zijn gericht der verwoesting laten aankondigen, en alleen de bekering van koning en volk ten gevolge van Jona’s zending had den tijd van zijn ondergang verschoven. Nu was echter de maat zijner zonden vol. Tegen het midden van de 8ste eeuw, toen in het uiterste westen de Romeinen aan het strand van den Tiber den grond legden voor hun stad en wereldheerschappij, verhieven zich de krachtige Meden en Perzen, tot hiertoe Assur vazallen, tegen hun onderdrukkers, en vonden in die nederlaag van Sanherib voor Jeruzalem ene aanmoediging, om het gehate juk af te schudden. Spoedig voegde zich bij de overige vijanden van het steeds meer zinkende Assur ook Babel, dat tot hiertoe steeds vergeefs geworsteld had, om zijne vroegere heerschappij weer te verkrijgen, en steeds weer door Assyrië was neergeworpen. Steeds werd de stoutheid der spoedig met elkaar verbondene Babyloniërs, Meden en Perzen groter, en eindelijk zonk de machtige stad na ene belegering van drie jaren in puin, het koninklijk paleis met den koning Sardanapalus II, zijne familie en zijne schatten ging in vlammen op, om Babel als zijn erfgenaam in de wereldheerschappij achter te laten. De betekenis van Nahum’s profetie is echter geenszins bloot ene geschiedkundige. Ook is het niet, dat daarin alleen de rechterlijke werkzaamheid van God, den Heere der heirscharen wordt geschilderd. Juist zegt Staudt daaromtrent: “God is voorgesteld als de Heilige, die elke zelfverheffing, eigene macht en geweld met brandenden ijver vernietigt, en daartoe de elementen van hemel en aarde in beweging brengt, die echter Zijne majesteit gebruikt om de Zijnen onder de stormen te beschermen, en het gericht der vijanden tot redding van Zijn volk te laten dienen. Wanneer de vijanden onder hun eigene afgoden, op welke zij steunen, als onder een puinhoop begraven zijn, dan stijgen de boden des vredes op de bergen om Israël zegen te prediken. ” Wij mogen niet vergeten, dat voor Gods ogen Assur slechts vertegenwoordigster is van de Gode vijandige wereldmacht. Wat dus hier Nahum van Assur zegt, is van ieder wereldrijk waar, zal zich eens in den volsten zin omtrent het rijk van den Antichrist herhalen, en dan volkomen vervuld worden. Nahum ziet den volledigen val van de wereldmacht, die verdrukster van het rijk Gods, en de bevrijding van het laatste van alle tirannie. Daarom behoudt Nahum voor alle tijden van het Godsrijk zijne grote betekenis, en de vervulling zijner profetie duurt, even als alle profetie, tot aan het einde, wanneer het rijk geheel geworden is Godes en Zijne Christus. Eerst van hier is recht te begrijpen hoe Nahum zijnen naam van trooster niet alleen voor Hizkia en zijnen tijd, maar voor het volk Gods van alle tijden met volle recht draagt. 2.
I. Vs. 2-14.KruisverwijzingenExodus 20:5→Jeremia 33:11→2 Timotheüs 2:19→Psalmen 1:6→Johannes 10:27→Psalmen 33:10→Zacharia 8:2→Psalmen 94:1→
— Een ijverig God en een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE, en zeer grimmig; een wreker is de HEERE aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt den toorn Zijn vijanden. De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig. Des HEEREN weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten. Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon. De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen. Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld. De HEERE is goed, Hij is ter sterkte in den dag der benauwdheid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen. En met een doorgaanden vloed zal Hij haar plaats te niet maken; en duisternis zal Zijn vijanden vervolgen. Wat denkt gijlieden tegen den HEERE? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal op rijzen. Dewijl zij in elkander gevlochten zijn als doornen, en dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn, zo worden zij volkomen verteerd, als een dorre stoppel. Van u is een uitgegaan, die kwaad denkt tegen den HEERE, een Belialsraadsman.
De Profeet gaat, om aan de Assyrische wereldmacht het gericht Gods aan te kondigen niet uit van ene geschiedkundige gebeurtenis, maar van de wet des Heeren, waarin Hij Zich als een ijverig God en een Wreker van alle goddeloosheid geopenbaard heeft. Vooraan plaatst hij de schildering der rechterlijke gerechtigheid en heiligheid Gods, welke wel lankmoedig is, maar de tegenpartijders verteert en het koude ijs der vermetele zondaars versmelt, opdat het iedereen duidelijk worde, dat de vernietiging van Assur en Ninevé ene noodzakelijkheid voor God en zijn goddelijk wezen, en daarom ontwijfelbaar zeker is. (vs. 1-6). Terwijl echter de toorn en het gericht van God, die ook over alle elementen des hemels en der aarde gebied voert Zijne vijanden treft zal Zich de Heere betonen aan allen, die Op Hem vertrouwen, ene toevlucht in nood en vervolging. Wee daarentegen den hoogmoed dezer wereld! Tegen haar zendt Hij de verwoestende macht van enen overstromenden watervloed, en verdelgt ze met de verschrikkingen der duisternis. Tegen Hem baat geen verstand, voor altijd zal Hij aan Ninevé, de stad der zonde een einde maken, en haar door vuur en water verwoesten. (vs. 7-11). Te vergeefs zal Assur zich verheffen op de zo talrijke schaar van helden; die zal door Hem worden weggemaaid. Dat alles doet de Heere, om Zijn volk Israël, dat genoeg is verdrukt, vrij te maken van het juk zijns benauwers (vs. 12-14).
De wet van Mozes zegt (Ex. 20:5; 34:14. Deut. 4:24): Een ijverig God over iedere schending van Zijne eer, een God, die in heilige liefde voor de Zijnen over Zijn volk waakt, en een wreker over alle werken der boosheid tegen Hem en de Zijnen, is de HEERE; een wreker is de HEERE, en zeer grimmig, hoewel de oppervlakkige wereld het niet wil geloven, zo lang zij Zijne straffende gerechtigheid niet zelf gevoelt, een wreker is de HEERE aan Zijne wederpartijders, en Hij behoudt den toorn Zijner vijanden: Hij vergeet niet hoe zij Hem en Zijn volk met boosheid en haat hebben tegengestaan, maar laat de maat van hun zonden vol worden. God is ijverzuchtig omtrent zijne eigene eer en des mensen hart. Hij kan niet dulden, dat een van beide Hem wordt ontnomen. Het hart moet Hem geheel zijn overgegeven en Zijne eer volkomen hersteld worden. God wreekt zeer grimmig, wanneer aan den een of anderen een roof wordt begaan. Gods wezen is licht, verwarmend en zegenend voor degenen, die Hem liefhebben, die op Hem vertrouwen; verterend voor Zijne wederpartijders. Beide gaan zamen in den ijver Gods, die allen gloed der liefde en allen gloed des toorns in zich sluit; ook de ijverzucht heeft haar wortel in de liefde. Het niet vergeten Gods komt niet voort uit ene gezindheid van achterhoudendheid, zo als bijv. een wraakzuchtig mens zich God naar eigene gedachten zou kunnen voorstellen, maar uit de gerechtigheid, die, wanneer zij vergeet, zichzelve opheft. Des mensen onrechtvaardig oordeel berust op zijne vergeetachtigheid. God onthoudt niet, omdat Hij boos is, maar omdat Hij traag tot toorn is, en veel laat opeenhopen, voordat Hij tot het gericht besluit; Hij weet dat Zijn gericht vreselijk is. Het niet vergeten heeft denzelfden wortel als het kennen der Zijnen; Hij is geheel Geest, dus geheel inzicht, geheel wijsheid en ook geheel geheugen. Het vergeven en vergeten behoort tot de zelfontledigingen Gods. Gelovige, uw Heere is zeer jaloers op uwe liefde. Verkoos Hij u, Hij kan niet verdragen, dat gij een ander zoudt verkiezen. Kocht Hij u met Zijn bloed, Hij kan niet gedogen dat gij zoudt menen uzelven of deze wereld toe te behoren. Hij had u lief met zulk een liefde, dat Hij zonder u niet in den hemel blijven kon; Hij wilde liever sterven, dan dat gij zoudt verloren gaan, en Hij kon niet gedogen, dat iets tussen de liefde uws harten en Hem zou staan. Hij is reeds jaloers op uw vertrouwen. Hij zal u niet toelaten op een vlesen arm te vertrouwen. Hij kan niet verdragen, dat gij u gebroken bakken zoudt uithouwen, daar de overlopende bron altijd voor u openstaat. Hij is verheugd, als wij op Hem leunen, maar wanneer wij ons van een ander afhankelijk stellen, wanneer wij ons op onze eigene wijsheid of op die van een vriend verlaten, en het ergste van alles, wanneer wij ons vertrouwen op onze eigene goede werken stellen, is Hij beledigd, en zal Hij ons kastijden om ons tot zich terug te brengen. Hij is zeer jaloers op ons gezelschap. Wij behoren met niemand zoveel te verkeren als met den Heere Jezus. Alleen in Hem te blijven, ziedaar waarachtige liefde; maar met de wereld te verkeren, genoegzamen troost in de aangenaamheden des levens te vinden, zelfs het gezelschap onzer mede-Christenen te verkiezen boven den verborgen omgang met Hem, dit smart onzen naijverigen Heere. Hij wenst dat wij in Hem blijven, en in gedurige gemeenschap met Hem leven zullen, en vele der beproevingen, die Hij ons toezendt, strekken om onze harten van het schepsel af te trekken, en inniger aan Hem te hechten. Laat deze jaloersheid, die ons dicht bij Christus moet houden, ook een troost voor ons zijn; want indien Hij ons zo lief heeft, om dermate over onze liefde bezorgd te zijn, kunnen wij ons verzekerd houden, dat Hij niets zal toelaten ons te schaden, en dat Hij ons tegen onze vijanden beschermen zal. Och dat wij heden de genade mochten ontvangen, om onze harten in heilige reinheid voor onzen Liefste alleen open te stellen, en met heiligen ijver onze ogen te sluiten voor de betoveringen der wereld! .
De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht. Hij wacht wel lang naar de bekering van den zondaar, maar Hij talmt niet uit zwakheid met de bestraffing der goddelozen, maar uit liefde en ontferming. Toch ziet Hij van de straf niet af, als Hij die niet dadelijk over Zijne vijanden brengt, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig; Hij laat niemand ongestraft (Ez. 20:7; 33:7). Rustig ziet Hij de boosheid aan, tot hare maat is vol geworden en Zijn toorn ten volle ontstoken, dan spreekt Hij als rechtvaardig Rechter het oordeel, en wat Hij spreekt, dat geschiedt. Zo heeft Hij altijd gedaan, want Hij is de Heere, de hoogste majesteit, van wien alles is, voor wien alles leeft. Des HEEREN wegonder de volken is in wervelwind, en in storm, Zijn toorn openbaart zich door geweldige gerichten, die de wereld bewegen, en die toch ook bij het gericht in ene onbereikbare hoogte de ongenaakbare God blijft, de wolken zijn het stof Zijner voeten; wanneer Hij ten gerichte komt als op den Sinaï, verbergt het duistere der wolken Zijne nabijheid. Jehovah is lankmoedig. Wanneer de genade in de wereld komt, rijdt zij met gevleugelde paarden, de assen harer raderen zijn rood van de hitte door haren spoed, maar wanneer de toorn voorttrekt gaat hij met loomen tred; want God heeft geen lust in des zondaars dood. Gods genadige scepter is altijd in zijne handen uitgestrekt; Zijn zwaard der gerechtigheid wordt in de schede terug gehouden door de doorboorde liefdehand, eenmaal voor de zonde aller mensen aan het kruis genageld. De Heere is lankmoedig, omdat Hij groot is van kracht. Hij toch is waarlijk groot van kracht, die macht heeft over zich zelven; wanneer Gods macht hem inbindt, dan is Hij machtig; voorwaar de macht die het alvermogen bindt overtreft nog de almacht. Een die sterk is van geest, kan lang de belediging verduren, en hij wreekt het kwaad eerst dan, wanneer een besef van recht van hem eist om te handelen. Een zwakke geest ergert zich over nietigheden, de sterke geest verduurt als de rots, die niet wordt bewogen, al slaan er ook duizend golven tegen, die haar niets beduidende woede al schuimend op haar kruin verspillen. God tekent Zijne vijanden; evenwel houdt Hij Zijnen toorn in. Ware Hij niet God, dan zou Hij lang voor dezen al Zijne donderen hebben geslingerd, en ‘s hemels wapenkamer hebben geledigd; de aarde zou Hij hebben verschroeid met de geheimzinnige vlammen harer onderste delen, en de mens zou ganselijk verdelgd zijn: maar de grootheid Zijner macht brengt ons genade aan.
Hij scheidt de zee, als Hij, tot bescherming der Zijnen, Zijnen toorn uitstort, en maakt ze droog, zo als Israël aan de Rode zee ondervond (Ex. 14:15), en Hij verdroogt als ten tijde van Elia en Joël alle rivieren, al de waterfonteinen des lands, de vruchtbaarste bosrijkste streken van een land, waarover Zijn gericht komt als Basanin het oosten van Kanaän, en Karmel in het westen kwelen 1) versmachten voor den gloed Zijns toorns; ook kweelt de bloem van Libanonin het noorden. Zo is alle macht en heerlijkheid voor het vuur van Zijnen toorn als niets.
In het Hebr. Umlal. Beter: kwijnen. De Profeet wil zeggen, dat alles, ook het machtigste en vruchtbaarste kwijnt, verwelkt. Basan’s gebergte is het beeld van trotsheid en vermetelheid. Karmel dat van vruchtbaarheid, en de bloem van Libanon, dat van schoonheid en frisheid.
a) De bergen beven voor Hem, wanneer Hij Zijnen voet daarop zet om gericht te houden (Amos 8:8), en de heuvelen versmelten als was in de hitte (Micha 1:4)en de aarde licht zich op en zinkt weer, is in golvende beweging voor Zijn aangezicht, wanneer zich Zijne heerlijkheid openbaart, om de goddelozen uit te roeien, en de wereld, en allen, die daarin wonen, beven, want zij gevoelen allen, dat Zijn onwederstaanbaar gericht hen allen moet nederwerpen.
Ex. 19:18. Ps. 18:8; 29:5, 6; 68:8; 97:4, 5; 114:4. Eveneens wordt ook in de Psalmen en door de andere Profeten de verschijning van den heiligen God ten gerichte onder het zinnebeeld van aardbeving en onweder geschilderd: deze zijn slechts “ene kleine proef, die de schepselen wel doet sidderen, maar tevens doet denken, dat God in Zijn gericht de wereld nog geheel anders kan laten beven. ” De gehele schepping geraakt onder Gods gerichten in een smartelijk oproer. Zij is geschapen met het oog op den mens, en door God met den mens tot ene onoplosbare eenheid zaamverbonden. Daarom is het land in het lijden des gerichts van de bewoners verenigd, en ook het schepsel verlangt uit den dienst van het nietige naar de openbaring der heerlijkheid van Gods kinderen, welke ook voor haar een land der belofte is. (Gen. 3. Rom. 8. Jes. 11:6. Even als de door de zonde der Adams kinderen bevlekte aarde door het vernietigende zuiveringsbad van den zondvloed heen moest, zo moesten de plaatsen van Ninevé door de reinigende golven van het nieuwe Godsgericht.
Wie, die in zonde ontvangen en geboren is, zal voor Zijne gramschap staan? en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan(Jer. 10:10)? Zijne grimmigheid, wanneer die zich over den zondaar ontlast, is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld. Er is niets vast voor Hem, dat Hem zou kunnen weerstaan. Hij alleen is de vaste en zekere; voor Hem is alles als wolken en rook. Welk ene majesteit! Nu, die dezen kent als Nahum, en weet, dat Hij voor hem is, die kan getroost zijn, en over Ninevé en Babel en de gehele wereld zich hoog verheffen. Dat kan echter alleen een mens, wanneer hij te voren Gods toorn aan zijne ziel heeft leren kennen, en alles, aardbeving en vuurstromen ervaren heeft, en daarna door God is begenadigd. Heeft men dezen God voor zich, zo hebben wij de gehele wereld, die tegen ons en boven ons was, en uitwendig nog is, onder ons. Zie, hoe verschrikkelijk Gods toorn en majesteit is. En gij, zondaar! zondigt dagelijks voort, en vreest niet voor dezen toorn van uwen Schepper, en wilt niet weten, dat deze lichaam en ziel kan verderven in de hel. Onder sommige der uitwerkingen van Gods mishagen, mag een mens het uithouden in deze wereld, maar de hittigheid van Zijn toorn, wanneer zij onmiddellijk op de ziele hecht, wie kan die verdragen? Laat ons daarom voor Hem vrezen, laat ons achting voor Hem hebben en niet zondigen.
De HEERE is bij deze schrikwekkende heerlijkheid der openbaring Zijner heiligheid en gerechtigheid omtrent Zijne vijanden toch goed, Hij is ter sterkte, tot een veilig toevluchtsoord voor de Zijnen in den dag der benauwdheid, der verdrukking door de goddelozen, of gedurende de gerichten over deze, en Hij kent, verzorgt en beschermt hen, die op Hem van harte betrouwen. Dit is een heerlijke troost in allen angst en in elke wederwaardigheid, dat, hoewel alles schijnt in elkaar te storten en alles gedaan ware, en er geen menselijke raad, hulp of redding meer ware, wij toch dezen troost kunnen vasthouden. Want Hij is goed en getrouw, en houdt, wat Hij toegezegd heeft, en staat ons bij in den nood, en kent ons, en noemt ons bij onzen naam, en kan ons niet vergeten; want Hij heeft ons in Zijne hand geschreven, en met het bloed van Zijnen teder beminden Zoon opgeschreven, en slaapt en sluimert niet, hoewel het soms schijnt, alsof Hij Zich had verborgen. Hij weet wel wanneer het beste is, en pleegt aan ons gene boze list, daarom moeten wij op Hem vertrouwen. Verschrik niet, als het zich laat aanzien, alsof Hij niet wilde, want Hij zal u openbaren, wat u het beste is. Laat Zijn woord u zeker zijn; al zei uw hart neen, zo vrees toch niet. Tot hiertoe heeft de Profeet in ‘t algemeen Gods heiligheid, de schrik Zijner rechtvaardige gerichten, en Zijne daarin steeds doorblinkende goedheid geschilderd. Nu maakt hij de toepassing op Ninevé, en gaat van hier straks tot zijn eigenlijk thema, het gericht Gods over de vijandige wereldstad Ninevé over. Het is in de profetie niet te doen om voorzegging van bijzondere facta, maar om voorstelling der wetten en leidingen der Goddelijke wereldregering, die openbaar worden uit het heilige wezen Gods, en daaruit, dat Hij de wereld regeert met het oog op Zijn rijk. Daarom begint ook onze Profeet zijne werkzaamheid, met het licht Gods te laten schijnen onder hetwelk hij zijne voorzegging aangezien en verstaan wil hebben. Het is te doen om vernietiging van enen vijand Gods, en wel van zulk enen, die op de ware en onbedriegelijke weegschaal Gods te licht is bevonden. Hij stelt het gericht van Ninevé in samenhang met het ééne Goddelijke wereldgericht, dat van de vernietiging der Egyptenaren aan de Rode zee tegelijk met de openbaring aan Zijn volk heeft plaats gehad, en eens eindigen zal met het laatste gericht van allen, die niet gehoord hebben. Hier spreekt de Heere het weer door den Profeet uit, dat waar Hij een verzengende gloed is voor Zijne vijanden, Hij een toevlucht en sterkte is voor al degenen, die op Hem vertrouwen en tot Hem de toevlucht nemen. In den dag der benauwdheid, als Gods gerichten op aarde zijn, zal Hij een toevlucht zijn voor al degenen, die door het geloof tot Hem de toevlucht nemen. Wie God voor de Zijnen erkent, die worden door den Heere gered in de ure des gevaars.
Juist daarom zal Hij aan de verdrukster van Zijn volk, Ninevé, de Hoofdstad der Assyrische wereldmacht, geheel en al een einde maken. En met enen doorgaanden vloed van het gericht Gods met Zijne machtige volkenmenigten, zal Hij hare plaats te niet maken, zal Hij die goddeloze stad, waarvan mijne voorzegging spreekt (vs. 1) vernietigen, zodat men ook hare plaats niet meer zal kennen; en met duisternis zal Hij Zijne vijanden, de bewoners dier stad van zonde vervolgen1), zodat zij in den nacht van wanhoop en ongeluk zullen omkomen.
Juist omdat God voor Zijne gelovigen een God van redding en verlossing is, zal Hij Ninevé vernietigen. Met een vloed van vijanden zal de Heere Ninevé overstromen Ninevé zal verwoest worden en in duisternis zullen hare inwoners ten ondergaan.
Alle tegenstand tegen Zijne gerichten zal te vergeefs zijn. Wat denkt gijlieden tegen den HEERE, den Almachtige te doen, die deze dingen over u zal brengen? Welke verdedigingsmiddelen zullen u tegen Hem beschermen? Hij zal zelfs, bij dit besluit blijft het, ene voleinding maken; de benauwdheid, welke gij nog onlangs onder uwen koning Sanherib over Mijn volk gebracht hebt, zal niet tweemaal oprijzen, u niet ten tweede male gelukken (of de benauwdheid zal zo geheel verdelgend zijn, dat gene tweede meer behoeft te komen).
Dewijl of, ofschoon zij in elkaar gevlochten zijn als scherpe, ongenaakbare doornen 1), want dezulken zijn de sluwe, arglistige Assyriërs, gelijk ook gij zult samenrotten om listige, onfeilbare oorlogsplannen te beramen, en zij dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn, in hun weelderig leven, bij dagelijks wijngelag 2), zo worden zij toch door den aangeblazen gloed des vuurs volkomen verteerd, als een dorre stoppel.
Hij noemt ze doornen, die in elkaar groeien, d. i. zij verenigen hun macht en hun geweld, maken verbonden en vriendschap, zijn zeer weerspannig en trots. Maar het zijn toch doornen, die moeten omkomen, hoe zij zich ook opeenstapelen.
Diodorus van Sicilië, een beroemd geschiedschrijver ten tijde van den keizer Augustus, verhaalt bij zijne beschrijving van Ninevé’s verwoesting, dat Sardanapalus, nadat hij de vijanden, die Ninevé belegerden, driemalen had teruggeslagen, in het vertrouwen op zijn geluk ene zwelgerij aanlegde. De vijanden, die hiervan bericht hadden gekregen, deden een nieuwen aanval en veroverden de stad. Van de ontzettende weelderigheid en zwelgerij van het Assyrische hof, waardoor hij de schutten, den volken afgeperst, verspilden, spreken ook de andere oude schrijvers.
Van u, o Ninevé! is een uitgegaan, die kwaad denkt tegen den HEERE, even als Sanherib en Rabsake (Jes. 36:14-20), een Belials raadsman. In misdadigen hoogmoed was zijn voornemen het rijk Gods in Juda te vernielen, zoals die Rabsake in zijne godslasterlijke rede uitsprak. Om deze uwe nietswaardige gezindheid, o Assur! wordt gij nu door Mij verdelgd.
Alzo zegt de HEERE, het is mijn vast en onveranderlijk raadsbesluit: Zijn zij voorspoedig
en alzo velen, hoe machtig de Assyriërs met hun legers zich ook mogen wezen, en hoe velen zij ook mogen zijn, alzo zullen zij ook geschoren worden, toch zullen zij als het gras der weide worden afgemaaid, en hij, Assur, zal doorgaan, zal te niet gaan. Ik heb u, o Mijn uitverkoren volk in Juda, wel eenmaal door Assur gedrukt, toen Ik u onder Achaz en Hizkia in zijne macht overgaf, maar Ik zal u niet meer drukken door hem.
Betere vertaling is: Ofschoon zij voorspoedig (of, onverlet) zijn en alzo talrijk, zo zullen zij toch weggemaaid worden en hij zal teniet gaan. De Heere God verzekert hier aan Zijn volk tot bemoediging en tot vertroosting, dat de roede des drijvers zal verbroken worden, dat Juda niet meer zal benauwd worden door Assur. Wel scheen Assur nog op het toppunt zijner macht te verkeren, maar straks zou de tijd komen, dat Ninevé verwoest en aan de wereldmacht van Assur een einde zou gemaakt worden.
Maar nu zal Ik zijn juk, de smaadvolle onderwerping, die gij, hoewel Hizkia die later gedeeltelijk heeft afgeschud, draagt zolang gij Assur’s macht met zorg moet beschouwen, van u breken, en Ik zal uwe banden, waarmee Assur u aan zich heeft gekluisterd, verscheuren, daar Ik zijne eigene hoofdstad verwoest. Even als het gericht van Ninevé slechts ene straalbreking van het ene eeuwige gericht en dien tijd was, zo is ook het gevolg, de verlossing der gemeente van Ninevé’s juk, slechts een keten der verlossingen Gods, die in den grond ook ééne verlossing zijn. Want zij komen alle uit het hart van den éénen goeden God, die degenen kent, die op Hem vertrouwen. Ieder voorafgaand gericht bevat profeterend de trekken van het laatste gericht. Elke der voorafgaande verlossingen ontvangt haar volkomen licht eerst van de laatste verlossing.
Doch tegen u, o volk van Assur! heeft de HEEREvast besloten, en bevolen, 1) dat er van uwen naam niemand meer gezaaid zal worden, maar uw volk en zijne gedachtenis verdelgd zal worden; uit het huis uws gods zal Ik uitroeien de gesnedene en gegotene beelden; Ik zal u daar een graf maken, gij zult met al uwe goden en met al uw volk wegzinken, als gij zult veracht zijn geworden, als gij te licht zult zijn bevonden (gewogen op de weegschaal Mijner gerechtigheid).
God heeft het aldus besloten, wil hij zeggen, dat er geen herinnering aan uw naam overblijve. Want van iemands naam zaaien, is zijn gerucht verbreiden Wanneer dus God enig zaad geheel doet verdwijnen van de aarde, of ook, wanneer Hij enig volk vernietigt, dat is dan, opdat er geen verbreiding van zijn naam meer zou plaats hebben. God beveelt over u, opdat, wat over u komt, niet toevallig kome, en door enen anderen rechter, maar opdat gij het na aankondiging van God ondergaat.
De zeer verbreide mening dat Nahum hier het vermoorden van koning Sanherib in den afgodstempel te Ninevé (Jes. 37:38. 2 Kon. 19:37 voorzegt, is met den Hebr. grondtekst onverenigbaar, ook zinspeelt de Profeet niet op deze gebeurtenis. De zes laatste Profeten hebben hoofdzakelijk ten deel, het volk Gods onder het werkelijk komen en den druk der gerichten nog op te richten en hun te tonen, hoe de ijver Gods over hen wel groot is, maar Zijn toorn over de vijanden nog veel zwaarder zou zijn, en hoe God, nadat de tuchtiging haar doel bereikt heeft, het hunnen vijanden zal vergelden, daarentegen hun ten goede aan Zijn verbond zal denken. 15.
II. Vs. 15KruisverwijzingenRomeinen 10:15→Jesaja 52:7→Jesaja 29:7→Jesaja 40:9→Lukas 2:14→Psalmen 116:17→Jesaja 52:1→Psalmen 107:21→
— Ziet op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die vrede doet horen; vier uw vierdagen, o Juda! betaal uw geloften; want de Belials- man zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is gans uitgeroeid.
-Hoofdst 2:13. Nadat de Profeet in het vorige hoofdstuk de nabijzijnde verwoesting van Ninevé als ene daad van den Goddelijken ijver tegen de vijanden van Zijn rijk, en van Goddelijke goedheid en barmhartigheid jegens de Zijnen heeft aangekondigd, ziet hij nu in den geest de stad reeds verwoest, en schildert hij de toedracht der katastrofe tot aan het ontzaglijk einde van de gehele verwoesting der plaatsen op de levendigste wijze. De schildering begint met ene vertroostende aanspraak, een lichtstraal voor het volk Gods midden in den naderenden nacht des gerichts voor Ninevé. Hij ziet vreugdeboden van Ninevé over de bergen ijlen, om aan het volk van God te verkondigen, dat zijne verlossing van de Gode vijandige wereldmacht is gekomen, en het nu ongehinderd zijnen God kan dienen. De Heere zal nu de heerlijkheid van Zijn rijk weer herstellen. Vervolgens begint de Heere Ninevé’s verwoesting van het begin af voor te stellen. Hij ziet een machtig, strijdlustig leger tegen de stad aantrekken, waaraan zij geen weerstand kan bieden, omdat de Heere besloten heeft aan de onderdrukking van Zijn volk een einde te maken. (vs. 1-5). Wel beproeven de Assyriërs den bestormenden aanval der vijanden tegen te houden; maar het is alles te vergeefs, de stad wordt veroverd, de menigte harer bewoners vliedt vol smart en schaamte, en de rijkste buit valt in handen der plunderende vijanden (vs. 6-11). De plaatsen, waar Ninevé eens stond, waarheen eens zijne roofzuchtige beheersers, als leeuwen, de geroofde schatten der volken zamensleepten, is nu woest en ledig geworden (vs. 12-14).
a) Ziet, o Zion! op de bergen 1) rondom u de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die vrede doet horen, die u redding en hulp van den Heere verkondigt (Jes. 52:7) 2) vier nu weer ongestoord uwe vierdagen, o Juda! Dank op uwe feesten den Heere voor Zijne grote daden in vroegeren tijd, dank Hem ook voor de tegenwoordige verlossing, en betaal uwe geloften 3), welke gij in het uur uwer verlossing hebt gedaan, want de Belialsman 4), de nietswaardige Assyriër, zal voortaan niet meer door u doorgaan, om uw land en uwe steden te veroveren en te plunderen, en den naam uws Gods te lasteren, zo als Salmanassar, Sanherib en Rabsake hebben gedaan; hij is voor het oog mijns geestes door Gods gericht gans uitgeroeid.
Rom. 10:15
Wederom leert de Profeet, dat wat geprofeteerd is over het verderf van de stad Ninevé, dit tot doel heeft, dat God door een zo zichtbaar bewijs getuigt, dat Hij voor Zijn volk zorg draagt en niet ongedachtig is aan het Verbond, wat Hij met Abraham’s geslacht heeft opgericht. Anders zou deze godsspraak haar kracht gemist hebben, zouden zij gemeend hebben, dat dit toevallig geschied was, of door een fatale revolutie, of om ene andere oorzaak, dat Ninevé was verwoest. De Profeet toont derhalve, dat de ondergang der stad en van de monarchie van Ninevé een bewijs was van de Vaderlijke liefde Gods jegens Zijn uitverkoren volk en Hij ten gunste van één volk zodanige verandering had gemaakt, dewijl God, ofschoon Hij voor een tijd straffen over de Israëlieten had gebracht enig zaad dus wilde doen overblijven, dewijl het ongerijmd was geweest, dat Zijn Verbond geheel was vernietigd, wat toch onvernietigbaar was. De boden (want van velen is in den grondtekst sprake) verschijnen op de bergen, omdat van daar hun stem verre kan worden gehoord. Jesaja verbindt de boodschap des vredes met den val van Babel. Nahum verbindt die boodschap met den val van Ninevé, ongeveer 70 jaar vroeger. Ziet men slechts op de geschiedenis, zo baatte Ninevé’s ondergang Israëls weinig, vermits de verderfelijke heerschappij van Babel daarop volgde, door welke de verwoesting van het rijk van Juda werd volbracht. Maar de kracht der Profeten is daarin gelegen, dat zij elk gericht over de vijanden van God en van Zijn volk als type van het jongste oordeel plegen te beschouwen. Zo lang het volk Gods zelf zich aan den Heere bezondigt, zo lang zal het wel altoos weer ene vijandelijke tuchtroede moeten gevoelen; doch den bekeerden, die het echte zaad Israëls zijn, is ook elke verlossing uit zulke vijandelijke macht, weer een beeld en onderpand van de laatste volkomene bevrijding, en, de Profeten, van den Geest des Heeren vervuld, spreken zó, dat den vromen altijd het uitzicht op de laatste volkomene verlossing geopend wordt.
Daar de volgende woorden ene oproeping van den Profeet aan Zion, niet den inhoud van de prediking der vreugdeboden bevatten, zou hier beter een punt dan een dubbele punt staan. Wat de boden moeten verkondigen, blijkt van zelf daaruit, dat zij boden des vredes zijn.
De hoofdzaak bij het gericht over Ninevé was, dat daardoor het geloof aan den God van Israël krachtig werd opgewekt, en de harten tot het wachten op de belofte gesterkt werden.
Dit is hier in de eerste plaats van toepassing gemaakt op den koning van Ninevé en van Assur; en, zo opgevat, moest Nahums belofte, vooral voor zijne bedrukte tijdgenoten, zeer welkom worden. Voor ons is echter de waarheid, die er aan ten grondslag ligt, veel belangrijker: dat voor het volk Gods ene volkomene verlossing is weggelegd, en in Christus reeds verschenen is, waardoor de Belial, van welken ten allen tijde een Belials-geest uitgaat, voor eeuwig verstoten wordt.
De last, de voorzegging van het zware oordeel en de verwerping van Juda en Jeruzalem (Jes. 13:1), welken Habakuk (= omarmer), de Profeet, de Leviet, die het ambt van enen Profeet of mond Gods vervulde (Hoofdst. 3:19). gezien heeft in den laatsten tijd van den koning Manasse en onder den koning Josia tussen 650 en 628 v. Chr. Dit vers is het opschrift over het gehele Boek, ook over het 3de hoofdstuk, dat wel nog een bijzonder opschrift draagt, maar daarom toch een gedeelte is, dat nauw met het geheel samenhangt. Over den persoon en den naam van onzen Profeet is reeds in 2 Kon. 21:15 genoeg gezegd. Habakuk was een van die Profeten, die, zo als 2 Kon. 21:10 vv. mededeelt, onder den koning Manasse aan het goddeloze volk van Juda en zijnen verleider Manasse het gericht en de verwerping door de Chaldeën moesten aankondigen. Nog waren deze nooit in Juda ingevallen, nog stond het gericht op zulk een onbekenden afstand, dat de Profeet zegt, als het kwam, zou het ieder, die het hoorde, ongehoord en ongelooflijk voorkomen, en toch zouden het zijne tijdgenoten beleven (Hoofdst. 1:5). Tussen den dood van Manasse en den 1sten inval der Chaldeën na den slag bij Circesium in het jaar 606 zijn 38 jaren. Wanneer nu de Profeet in de laatste jaren van Manasse zijne profetie uitsprak, zo konden zijne tijdgenoten de vervulling daarvan nog zeer goed beleven. Met deze aanneming van het optreden van den Profeet komt ook de omstandigheid overeen, dat het op- en na-schrift van Hoofdst. 3 de herstelling van den tempeldienst veronderstelt, en het geheel toch vol klachten over het vreselijke verderf in het land is. Want Manasse schafte toch na zijn terugkeren uit de ballingschap den afgodendienst af, en richtte den tempeldienst in, terwijl de toestand des volks dezelfde bleef, Wat kon ook na ene zo lange regering, waarin de afgoden gediend waren, ene zo late bekering van enen koning in zijn ouderdom nog veranderen. De tijd dus, in welken Habakuk optrad, was een zulke, dat misdaad en geweldenarij openlijk in het land plaats hadden, en de stem der Profeten en der andere mannen Gods verloren was. Wat verder de betrekking van de volken der wereld tot zijnen tijd betreft, zo hebben wij reeds bij den Profeet Nahum gezien, dat toen meer en meer de macht van Assur begon te zinken, daarentegen reeds kon worden opgemerkt, dat het krachtige, krijgszuchtige volk der Chaldeën in Assurs plaats zou treden. Terwijl de later op onzen Profeet volgende Profeten Jeremia en Zefanja reeds duidelijk ene vermindering van de hoog dichterlijke vlucht en van de oude Profetische kracht lieten bespeuren, zo is de voorzegging van Habakuk nog geheel in den geest der oude Profetie, uit den bloeitijd van het Profetisme geboren, vol originaliteit, kracht en schoonheid; zij vormt daarbij een fijn afgedeeld en kunstig afgerond geheel. Nergens houdt hij zich bij bijzondere geschiedkundige omstandigheden op, maar zijne gehele Profetie toont een verren, verheven blik, en draagt een ideaal, universeel karakter. Niet eens zijn daarin Juda en Jeruzalem genoemd, en ook de met name genoemde Chaldeën komen alleen voor als de toenmalige dragers der wereldmacht, welke de vernietiging van het Godsrijk bedoelt, of als de misdadigers, die de rechtvaardigen verslinden. De gehele aankondiging des gerichts is slechts ene ontwikkeling der gedachte, dat de onrechtvaardige en misdadige omkomen, daarentegen de rechtvaardige door zijn geloof zal leven. 2. Het Boek Habakuk is gene verzameling van reden, ook gene samenvatting van den hoofdinhoud ener reeks van gehoudene redevoeringen, het bestaat uit ene enkele profetie, welke in twee delen verdeeld is. In het eerste deel (Hoofdst. 1 en 2) wordt in den vorm van ene zamenspraak tussen God en den Profeet eerst het gericht over het ontaarde volk Gods door de Chaldeën, vervolgens de val van deze zich zelven verheffende werktuigen van Gods toorn verkondigd. In het tweede deel (Hoofdst 3) volgt een geheel gebed van den Profeet, waarin hij met de wonderbare verhevenheid der oude Psalmen de komst des Heeren in de ontzaglijke glorie des Almachtigen, voor wiens aangezicht het heelal verschrikt, tot vernietiging der misdadigers en tot redding van Zijn volk en van Zijnen Gezalfde schildert, en de gevoelens uitspreekt, welke dit gericht in de harten der gelovigen zal werken.
I. Vs. 2-17.KruisverwijzingenExodus 20:5→Jeremia 33:11→2 Timotheüs 2:19→Psalmen 1:6→Johannes 10:27→Psalmen 33:10→Zacharia 8:2→Psalmen 94:1→
— Een ijverig God en een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE, en zeer grimmig; een wreker is de HEERE aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt den toorn Zijn vijanden. De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig. Des HEEREN weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten. Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon. De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen. Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld. De HEERE is goed, Hij is ter sterkte in den dag der benauwdheid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen. En met een doorgaanden vloed zal Hij haar plaats te niet maken; en duisternis zal Zijn vijanden vervolgen. Wat denkt gijlieden tegen den HEERE? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal op rijzen. Dewijl zij in elkander gevlochten zijn als doornen, en dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn, zo worden zij volkomen verteerd, als een dorre stoppel. Van u is een uitgegaan, die kwaad denkt tegen den HEERE, een Belialsraadsman.
In de eerste afdeling van het eerste deel, dat een gesprek met den Heere inhoudt, klaagt de Profeet zijnen Heere, dat in het land rondom misdaad en geweld heerst. De Heere antwoordt hem, dat Hij de Chaldeën zal verwekken, opdat zij als een ontzaglijk wereld-veroverend volk het gericht aan het verdorven volk zouden volvoeren. Deze zouden echter hun macht tot hunnen god maken, en ten gevolge daarvan zelf verworpen worden. Daarop spreekt de Profeet de verwachting uit, dat de Heere, die Zich aan Zijn volk van ouds geopenbaard heeft, dit gericht door de Chaldeën niet tot verderf des volks zal laten dienen, te minder daar de heilige God onmogelijk de goddeloosheid rustig zou kunnen aanzien, dat dit volk der Chaldeën de mensen als vissers in zijn net vergadert, en volk op volk meedogenloos vernielt.
De Profeet: HEERE! hoe lang schreeuw Ik nog met alle gelovigen onder uw volk in ernstig gebed, en Gij hoort niet, Gij treedt niet met Uwe straffen tussen beide! hoe lang roep ik geweld, tot U, roep ik over de misdaad, die onder Uw volk is, waaronder de rechtvaardigen moeten zuchten, en Gij verlost Uw waar Israël niet. Als wilde hij zeggen: ik predik veel en het helpt niets; mijn woord is veracht; niemand bekeert zich, zij worden steeds erger. Daarom weet ik nergens heen te gaan, dan dat ik het U klage; maar Gij houdt U, alsof Gij mij niet hoordet, en Gij ziet ze niet. Dit doet echter de Profeet niet, opdat hij met God richte, zo als de woorden klinken, maar opdat hij daardoor het volk verschrikke, en tot bekering dringe, en aanwijze, hoe rechtvaardig de last en de toorn over hen zullen komen, omdat zij zich aan geen prediken, dreigen en vermanen, ook aan geen gebed, dat tegen hen geschiedt, storen. God hoort echter altijd, ook wanneer wij geen ogenblik ondervinding daarvan hebben. Houdt daarom aan in het gebed. Het is ook niet altijd goed, om bespoediging Zijner hulp te bidden. De toekomstige hulp, welke Hij bereid heeft, is misschien voor het ogenblik zwaarder om te dragen, dan de tegenwoordige last, onder welken gij zucht. Ik twijfel er niet aan of de Profeet heeft zich bij God beklaagd, dat Hij zo geduldig het goddeloze volk toegaf. Want ofschoon het zeker is, dat de Profeten altijd getrouwelijk zorg hebben gedragen voor het heil van het volk, zo is het toch ook niet twijfelachtig, of zij hebben gebrand van ijver voor de ere Gods, en waar zij zagen, dat Hij strijd had met de onbuigzame mensen, daar gloeiden zij van heiligen toorn en namen de zaak Gods op en smeekten om Zijn hulp, opdat Hij een geneesmiddel aanbracht voor de bedorven toestanden. Ik derhalve leg de Profetie zo uit, dat hij hier met God handelt, dat de Profeet zovele misdaden voor Hem brengt, waar het volk zich verhardt. En hieruit maken wij op, dat hij zonder oogmerk het ambt om te leren heeft uitgeoefend, dewijl het ongerijmd zou geweest zijn een begin te maken met die klacht en eis, Een grote hardnekkigheid had hij in het volk ervaren. Waar hij nu zag dat er geen hoop op verbetering was en de zaken dagelijks al slechter worden, dewijl hij van ijver brandde voor zijn God, brengt hij deze zijne gemoedsaandoening voor den Heere.
Waarom laat Gij, die toch heilig en rechtvaardig zijt, die gene goddeloosheid kunt verdragen, mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt Gij de kwelling, 1) allerlei ellende door de goddeloosheid, welke toch verre van uw volk moest zijn, en Gij ziet het rustig aan (Num. 23:21)? want verwoesting en geweld is tegen mij over, en Gij bestraft die niet, en er is twist, en men neemt gekijf op; 2) de armen en zwakken moeten luide klagen over de geledene schade en ongerechtigheid, en overal ontstaat onenigheid.
Deze vraag van den Profeet slaat terug op wat Bileam heeft gezegd (Num. 23:21). Nu aanschouwt God zoveel ongerechtigheid en zoveel moeite. Dit schijnt met de heiligheid Gods in strijd, en de Profeet kan het niet verstaan, dat een heilig en rechtvaardig God zoveel ongerechtigheid ongestraft laat. Hij klaagt er over. Niet dat hij God aanklaagt, dat zij verre, maar hij wijst er op, opdat de ere Gods toch helder moge schitteren tegenover de gruwelijke zonden van de goddelozen. De Heere zal het straks echter getuigen, dat Hij geduld heeft, maar dan toch op Zijn tijd komt, om de zonde te straffen.
Dit is ons geschreven tot troost en vermaning, opdat wij ons niet verwonderen en het ons niet vreemd toeschijne, als ten gevolge onzer prediking weinigen zich bekeren. Gewoonlijk denken de predikers, vooral wanneer zij jong zijn en pas tot hun ambt komen, dat het in een ogenblik klaar zal zijn en spoedig alles zal veranderd worden. Maar dat is er ver vandaan. De Profeet verwijt den Joden niet hun afgoderij en andere zonden, maar alleen de zonden, welke tegen de naasten geschieden. Het moeten dus in dien tijd toch vrome mensen zijn geweest, die den godsdienst goed hebben waargenomen, maar met gierigheid, onrecht en woeker vervuld waren. Zulk een dienen is echter Gode niet welgevallig, wie hij ook zij, wanneer men den naaste leed aandoet. (Hos. 6:6. Matth. 5:25).
Daarom, omdat Gij het onrecht zo zonder straffen aanziet, wordt de wet onderlaten, 1) de kracht en de verhevenheid van Uwe wet verdwijnt en verkoelt dagelijks meer onder de mensen, en het recht komt nimmermeer voort; de onschuldig aangeklaagden en mishandelden behalen de overwinning niet; want de goddeloze omringt den rechtvaardigeongehinderd met zijne boosheid en geweldadigheid; daarom komt het recht verdraaid voor, wordt het omgekeerde ten gunste der machtigen en goddelozen, uit den mond der vorsten en rechters. De wet wordt koud, welke toch naar hare natuur vuur en vlam is, en in gericht de zondaars verteert. Maar waar de rechter niet deugt, daar is de wet koud en dood. Het is niet het genieten van Gods Woord en Ordinantiën, maar derzelver kracht en autoriteit in onze harten en praktijk, dat de genieting van dezelve voor ons gezegend zullen doen zijn. Want dit volk had de Wet, maar Gods twist was, dat dezelve onderlaten werd of dood was in hare autoriteit. De Wet werd onderlaten of verzwakt. De gelijkenis is genomen van de zwakke of levenloze pols van een stervend mens.
De HEERE: Ik heb niet werkeloos de goddeloosheid aangezien, zo als gij meent, ziet, gij leden van Mijn volk! onder de Heidenen, en aanschouwt hoe daar de lawine loskomt, die de goddeloosheid met de goddelozen zal bedekken, en verwondert u over het vreselijke van de straf, welke u wacht; verwondert u, want a) Ik werk een werk in ulieder dagen, hetwelk gij niet geloven zult, als het verteld zal worden (’ t welk als het verhaald werd men niet zou geloven).
Hand. 13:41. God heeft grote macht om te verwoesten. Daartegen beschermt geen eigendomstitel noch geërfd recht. Hij ontneemt aan wien Hij wil, en geeft aan wien Hij wil. Maar Hij heeft nog groter lust en macht om op te bouwen. Het verwoeste is in een ogenblik, het bouwen voor de eeuwigheid. En in Zijn verwoesten is altijd het bouwen mede vervat. Met de ondergeploegde stoppelen wordt het veld voor den nieuwen oogst gemest, en de ploeg oogst niet, maar de ploeger. Dat alles is ook tot ons gezegd, die den naam en het uiterlijke van Christenen hebben, die op den doop roemen, op geestelijken stand en ambt boven Heidenen en Joden, en toch zonder geloof en Geest zijn, even als zij, dat wij ook ten laatste moeten omkomen door degenen, die wij nu verachten en lager houden dan ons zelven, even als den Joden door de Chaldeën is overkomen. De Heere antwoordt hier, dat indien de mensen geen ontzag hebben voor Zijn Woord, en Zijne verdraagzaamheid aanmerken als een bewijs van goedheid of niet zien, Hij ten slotte komt met de roede Zijner verbolgenheid. Hij zal dan oordelen zenden, die Hij als de Zijne zal erkennen en waarin Hij zal openbaar worden als een rechtvaardig en heilig God.
Want ziet, Ik verwek de Chaldeën als vijanden, opdat zij in Mijnen naam u straffen, een bitter en snel, onstuimig voortstormend volk, trekkende door de breedten der aarde, om oorlogen te voeren, om erfelijk te bezitten woningen, de landen en mensen, die de zijne niet zijn.
Schrikkelijk en vreselijk is hetzelve in zijne ganse verschijning, dat volk, hetwelk vele volken onderwerpt; zijn recht en zijne hoogheid gaat van hem zelven uit, het kent geen ander recht dan dat zijn eigen hoogmoed hem voorschrijft.
Want zijne paarden zijn lichter dan de snelle luipaarden, en zij zijn scherper, vuriger dan de avondwolven 1), die, na des daags honger te hebben geleden, des nachts op roof uitgaan, en zijne ruiters, de hoofdmassa’s in ‘t leger, verspreiden zich snel, om Mijne straffen aan de volken te volvoeren; ja zijne ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een arend, zich spoedende om te eten, gelijk een adelaar zich nederstort op zijn buit.
De avond-wolf, vermoeid door een dag van honger, was woedender en verslindender dan hij des morgens zou zijn geweest. Zou het woedende ondier niet onzen twijfel en vrees kunnen voorstellen na een dag van verstrooiing des gemoeds, van verlies in onze bezittingen en wellicht van onverdiende verwijtingen onzer medemensen? Hoe huilen onze gedachten ons in de oren: “waar in nu uw God?” hoe verscheurend en verslindend zijn zij, al de verstrooiingen verzwelgende, en dan nog even hongerig als tevoren. Grote herder! versla deze avond-wolven, en doe uwe schapen nederliggen in grazige weiden, ongestoord door het onverzadelijk geloof. Hoe gelijken de boze geesten der hel op avond-wolven, immers, wanneer de kudde Christus onder een bewolkten donkeren hemel verkeert, en hun zon schijnt onder te gaan, dan haasten zij zich om te verscheuren en te verslinden. Zij zullen den Christen zelden aantallen in het daglicht des geloofd, maar in de schemering van zielestrijd overvallen zij hem. O! Gij, die Uw leven hebt afgelegd voor de schapen! bewaar hen tegen de slagtanden van den wolf. Valse leraars, die listig en onvermoeid het kostbare leven zoeken te verderven, door hun leugentaal de mensen verslindende, zijn even gevaarlijk en verfoeielijk als avond-wolven. De duisternis is hun element, bedrog hun karakter, verderf hun doel. Wij staan aan het grootste gevaar van hun zijde bloot, wanneer zij zich in een schapenvacht hullen. Gezegend hij, die tegen hen in veiligheid wordt gesteld, want duizenden worden de prooi der grijpende wolven, die zich indringen tot binnen de kerk des Heeren. Welk een wonder van genade wanneer felle vervolgers worden bekeerd; want dan verkeert de wolf met het lam, de mensen van woeste, ontembare neigingen worden minzaam en volgzaam. O Heere, bekeer velen van dezen aard; voor dezulken willen wij bidden.
Het zal geheellijk tot geweld komen, als een enig man zullen zij hun kwaad volbrengen; wat zij inslorpen zullen met hun aangezichten zullen zij brengen naar het oosten, 1) met begerig oog zien zij uit naar allen, en het zal onder de overwonnen volken de gevangenen verzamelen zo talloos en zo gemakkelijk als zand.
In het Hebr. Megammath penechem kadimah. Beter: het streven van hun aangezicht is vooruit, n. l. om alles te vernietigen, om niet eerder op te houden, dan wanneer zij hun doel volkomen hebben bereikt. Hier wordt dus bedoeld, dat de vijand, dat is, Babel niet zal rusten, aleer Juda als balling is weggevoerd.
En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem ene belaching zijn, zij zullen die met hoon van hun tronen afstoten en hun landen veroveren, hij zal alle vesting, waardoor de koningen aan hun voortrukken een einde zoeken te maken, hoe sterk zij ook door natuurlijke ligging of door bevestiging zijn, belachen; zij zullen er in hun overmoedig gevoel van overmacht mede spotten; want hij zal stofvergaderen, met gemakkelijkheid en allen spoed een wal ontwerpen tot aanval, en hij zal ze innemen.
Dan, als hij ze alle zal hebben veroverd, zal hij den geest veranderen, 1) dan zal zijn overmoed ten toppunt stijgen, en hij zal doortrekken, met de snelheid en kracht van den storm zijn veroveringtocht voortzetten, en zich schuldig maken, 2) daar hij overmoedig op zijn geluk zich verheft, en alles met moordlust en zucht tot verwoesting vervult, ja zijn overmoed zal ten toppunt stijgen, houdende deze zijne kracht voor zijnen God, waaraan hij alles toeschrijft en waarvan hij alles verwacht. (Job 12:6. (Jes. 10:13).
Dit vers, waarin wij het Chaldeeuwse leger in van zege dronken moed naar Jeruzalem zien voorwaarts rukken, vormt het toppunt van de gehele dreiging des gerichts, en moet diensvolgens nog geenszins een woord van troost, maar een woord van schrik voor de Judeërs zijn, wien deze dreigende profetie aangaat. Geen menselijk hart is in staat zich niet te verheffen noch te roemen als het hem wel gaat, en hij voorspoed heeft, gelijk dat niet alleen de Schrift zegt, maar ook de heidenen bij ervaring betuigen, zo als Virgilius, zegt: nescia mens hominum servare modum rebus sublata secundis. Zo zegt men: een mens kan alle dingen verdragen, behalven goede dagen.
In deze woorden geeft de Heere de reden aan, waarom deze macht ook niet zal blijven staan. In plaats van Zich als een werktuig Gods te beschouwen, als een uitverkorene in Zijn dienst, zal Babel aan eigen kracht toeschrijven, wat het heeft uitgevoerd, De zelfroem zal ten onder gaan in vernietiging. De hovaardij zal gestraft worden met verwoesting.
De Profeet, in naam van het gelovige Israël op deze dreigende gerichtsaankondiging met vertrouwend geloof biddende en smekende: Zijt Gij, Jehovah, niet van ouds af de HEERE, die zich steeds in Zijn woord en handelen gelijk blijft, mijn God, de God van het ganse verbondsvolk, dat Gij tot Uw eigendom hebt gekozen, en waarvoor Gij U een getrouw God hebt betoond. Zijt Gij niet mijn Heilige, 1) die het kwaad niet kunt aanzien, noch dulden, dat de goddeloze den rechtvaardige verslinde? Wij zullentoch niet sterven, niet geheel en al door U worden verworpen; O HEERE! tot een oordeel, tot een werktuig van Uwen toorn over Uw volk hebt Gij hem gesteld, en o Rots! op wien wij ons heil en vertrouwen vast onverandelijk vestigen, om te straffen hebt Gij hem, den Chaldeër, gegrondvest. Hoe vreselijk en ter neer slaande de goddelijke bedreiging ook luidde, zo put de Profeet toch uit de heiligheid van den getrouwen Verbondsgod, den troost en de hoop, dat Israël niet zal ten onder gaan, maar het gericht alleen ene zware kastijding zal zijn. De gebedsvraag, waarmee hij zich tot deze geloofsverwachting verheft, sluit zich nauw aan de goddelijke bedreiging (vs. 11) aan. De god van den Chaldeër is zijn eigene kracht, maar Israëls God is Jehova, de Heilige. Hij spreekt vragenderwijze met God, of Hij ook alleen zou straffen; niet dat hij er aan twijfelde, maar zo dat hij toonde, hoe het geloof onder de bestrijdingen was, dat hij zo zwak scheen, als geloofde hij niet, en op het punt was te zinken en te wanhopen voor het grootste ongeluk, dat hem drukt. Want hoewel het geloof vast blijft, zo kraakt het toch en spreekt geheel anders, wanneer het in den strijd staat, dan het doet, wanneer het heeft gewonnen. Hoewel de Profeet in den diepsten grond der ziel voor de toekomst het geloofsvertrouwen vasthoudt, dat Israël als volk niet zal omkomen, en dat de Chaldeën slechts een tijdelijk werktuig der Goddelijke gerechtigheid waren, zo wordt dat hem toch weer door de raadselachtige verschijning in het tegenwoordige, waarin het zich verplaatst gevoelt, verduisterd, bij het zien dat God, de Heilige, wien de aanblik der zonde onverdraaglijk is, het meedogenloos roofzuchtig handelen der Chaldeën kon aanzien zonder te straffen, en bij den ondergang der rechtvaardigen door de goddelozen kon zwijgen en niet redden. Derhalve wie dapperlijk met de goddelozen wil strijden, moet eerst met God het afmaken en als het ware bevestigen en heiligen dat verbond, wat God met ons heeft besloten, n. l. dat wij zijn Zijn volk, en dat Hij wederkerig ons altijd tot een God zal zijn. Dewijl dus op deze wijze God met ons een verbond sluit, is het noodzakelijk, dat ons geloof goed standvastig blijft, opdat wij vuriglijk voortschrijden tot den strijd tegen alle goddelozen.
Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade, het onreine en misdadige, zoudt zien, en de kwelling, die men anderen bereidt, kunt Gij niet aanschouwen zonder die boosheid te straffen; waarom zoudt Gij aanschouwen, rustig toezien die trouwelooslijk handelen? waarom, zoudt Gij zwijgen als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij? Natuurlijk is niet geheel Israël tegenover de Chaldeën bedoeld, maar alleen de vromen onder Israël, die de zonden der goddelozen mede moesten boeten, en de bestraffing mede dragen. De scherpziendste heiligen kunnen wel eens zo duister zijn, dat zij Gods bedoelingen met Zijn natuur en eigenschappen niet kunnen overeenbrengen, maar integendeel gereed zijn, om een strijdigheid tussen dezelve te begrijpen; want hier kan de Profeet Gods heiligheid niet wel overeenbrengen met zijn verdraging van de Chaldeën. Wij zijn zo zwak en zelfzoekend, dat, wanneer de voorzienigheid niet naar onzen zin of bevattingen werkt, wij dan gereed zijn, om onder de verzoekingen te bezwijken, en om aan de Goddelijke Voorzienigheid te twijfelen. De Profeet in verzoekingen en duisternis zijnde gaat toch den enigen goeden weg op, om er van verlost te worden, n. l. om ze God voor te leggen, opdat Hij zelf daarop enig antwoord moge geven.
En waarom zoudt Gij de mensen maken als de vissen der zee? als het kruipend gedierte, dat genen heerser heeft, die het onder zijne bescherming neemt, en tegen vijanden beschermt en verdedigt.
Zo hebt Gij ook ons zonder bescherming in hun macht gegeven, als hadt Gij opgehouden onze koning te zijn. Hij trekt ze allen, ieder volk, met den angel op, hij vergadert ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net; daarom verbindt en verheugt hij zich. Deze angels, net en garen, zijn niets anders dan grote, machtige legers, waarmee hij alle landen en mensen overwon, en de goederen, kleinoden, zilver en goud, schatting en woeker mede naar Babylon voerde.
Daarom offert hij aan zijn garen, en rookt aan zijn net; want door dezelve is zijn deel vet geworden, en zijne spijze smoutig. Wie zich op iets beroemt, en vrolijk en blij daarover is, maar den waren God niet dankt, die maakt zich zelven tot een afgod, geeft zich zelven de eer, verheugt zich niet in God, maar in eigen kracht en werk.
Zal hij dan daarom, omdat hij in zijne roverij zo gelukkig is, en door niemand wordt gehinderd, altoos zijn garen ledig maken? en zal hij niet verschonen met altoos de volken te doden? Deze vraag komt met die in vs. 13 overeen waarom God toch slechts toezie, waarom Hij zwijgt? Beide te zamen bevatten het duistere raadsel, welke oplossing de Profeet verwacht en ontvangt. Dat heet echt godsdienstige vaderlandsliefde, den dag des kwaads niet te verbergen, wanneer hij in aantocht is, en te spreken, wat de Heere wil, dat men zeggen zal, al is het ook dat men zo doende de aankondiger wordt van den vreselijksten dag des kwaads. Maar dan ook, vergeten wij eindelijk niet, in Habakuk’s voorbeeld op te merken, dat de ware godsdienstige vaderlandsliefde zich daarin vooral kenbaar maakt, dat men het kwaad niet zoekt, niet verlangt over de natie, zo als ene verblinde wereld dit dikwijls lasterende van Gods volk en knechten zegt, het veeleer afbidt, al is het ook dat de hand des Heeren reeds bedreigende is opgeheven. Habakuk pleit niet op de rechtvaardigheid zijns volks, niet op het onrecht der Chaldeën, niet op enigen zwakken, wankelenden grondslag, maar op Jehova zelven, als den Onveranderlijke, die was, die is en die zijn zal, en die trouwe houdt tot in eeuwigheid; hij pleit op Jehova, als op den God zijns volks, en op zijnen God, tot wien hij en zijne natie in zulk ene nauwe betrekking stond; hij pleit op de heiligheid des Heeren, die onmogelijk onrecht in de wereld dulden kan, en dat zulk een God de rotssteen des heils alleen en in eeuwigheid was. Hij die op zulke grondslagen zijne bede nederlegt, in zulk een licht den Regeerder der wereld beschouwt, en in het midden zijns volks met zulke denkwijze optreedt en werkzaam is, behoort gewis tot het zout der aarde, Gode en mensen moet hij welgevallig zijn, en zijn gebed blijft niet onverhoord. Het is toch geenszins de kastijding zijns volks, die zo nuttig en nodig is, welke hij afbidt, ook zelfs niet de zwaarste kastijding, die naar den wille Gods komen moest, maar het is alleen de gehele verdelging en vernietiging der natiën, welke hij verlangt te voorkomen, dewijl de Kerke Gods in haar midden was, en de eer van Jehova dit niet gedoogde; daarom sprekende tot den Heere, en schreiende voor Zijnen troon, geeft hij tegen, het godvruchtige gemoed sterkte in God, door het te wijzen op de heiligheid des Heeren, welke de trotsheid der Chaldeën en hun onrecht niet duurzaam gedogen kon, maar gewis eens zou opstaan, om het recht in eeuwigheid te beslissen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel