Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
AiH480 mij! want ik ben, alsH3588 wanneer de zomervruchtenH7019 zijnH1961 ingezameldH625; als wanneer de nalezingenH5955 in den wijnoogstH1210 geschiedH369 zijn; er is geen druifH811 om te etenH398; mijn zielH5315 begeertH183 vroegrijpe vruchtH1063.
Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.
KJV
Woe1
is me! for I am as when they have gathered5
the summer fruits,6
as the grapegleanings7
of the vintage:8
there is no cluster10
to eat:11
my soul14
desired13
the firstripe fruit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
De goedertiereneH2623 is vergaanH6 uitH4480 het landH776, en er is niemandH369 oprechtH3477 onder de mensenH120; zij loerenH693 altemaal op bloedH1818, zij jagenH6679, een iegelijk zijn broederH251, met een jachtgarenH2764.
De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren altemaal op bloed, zij jagen, een iegelijk zijn broeder, met een jachtgaren.
KJV
The good2
man is perished1
out of the earth:4
and there is none upright5
among men:6
they all lie in wait10
for blood;9
they hunt14
every man11
his brother13
with a net.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Om met beide handenH3709 wel dapperH3190 kwaadH7451 te doen, zo eistH7592 de vorstH8269, en de rechterH8199 oordeelt om vergeldingH7966; en de groteH1419 spreektH1696 de verdervingH1942 zijner zielH5315, en zijH1931 draaienH5686 ze dicht ineen.
Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de grote spreekt de verderving zijner ziel, en zij draaien ze dicht ineen.
KJV
That they may do evil2
with both hands3
earnestly,4
the prince5
asketh,6
and the judge7
asketh for a reward;8
and the great9
man, he uttereth10
his mischievous11
desire:12
so they wrap it up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
De besteH2896 van hen is als een doornH2312; de oprechtsteH3477 is scherper dan een doornhegH4534; de dagH3117 uwer wachtersH6822, uw bezoekingH6486, is gekomenH935; nuH6258 zal hunlieder verwarringH3998 wezen.
De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is scherper dan een doornheg; de dag uwer wachters, uw bezoeking, is gekomen; nu zal hunlieder verwarring wezen.
KJV
The best1
of them is as a brier:2
the most upright3
is sharper than a thorn hedge:4
the day5
of thy watchmen6
and thy visitation7
cometh;8
now shall be their perplexity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
GelooftH539 een vriendH7453 nietH408, vertrouwtH982 niet op een voornaamsten vriendH441; bewaarH8104 de deurenH6607 uws mondsH6310 voor haar, die in uw schootH2436 ligtH7901.
Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.
KJV
Trust2
ye not in a friend,3
put ye not confidence5
in a guide:6
keep9
the doors10
of thy mouth11
from her that lieth7
in thy bosom.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
WantH3588 de zoonH1121 verachtH5034 den vaderH1, de dochterH1323 staatH6965 op tegen haar moederH517, de schoondochterH3618 tegen haar schoonmoederH2545; eens mansH376 vijandenH341 zijn zijn huisgenotenH582.
Want de zoon veracht den vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijn huisgenoten.
KJV
For the son2
dishonoureth3
the father,4
the daughter5
riseth up6
against her mother,7
the daughter in law8
against her mother in law;9
a man's11
enemies10
are the men
of his own house.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Maar ik zal uitzienH6822 naar den HEEREH3068, ikH589 zal wachtenH3176 op de GodH430 mijns heilsH3468; mijn GodH430 zal mij horenH8085.
Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen.
KJV
Therefore I will look3
unto the LORD;2
I will wait4
for the God5
of my salvation:6
my God8
will hear
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
VerblijdH8055 u nietH408 over mij, o mijn vijandinH341! wanneer ik gevallenH5307 ben, zal ik weder opstaanH6965; wanneer ik in duisternisH2822 zal gezetenH3427 zijn, zal de HEEREH3068 mij een lichtH216 zijn.
Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een licht zijn.
KJV
Rejoice2
not against me, O mine enemy:3
when I fall,6
I shall arise;7
when I sit9
in darkness,10
the LORD11
shall be a light
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Ik zal des HEERENH3068 gramschapH2197 dragenH5375, wantH3588 ik heb tegen Hem gezondigdH2398; totdatH5704 Hij mijn twistH7379 twisteH7378, en mijn rechtH4941 uitvoereH6213; Hij zal mij brengen aan het lichtH216; ik zal mijn lust zienH7200 aan Zijn gerechtigheidH6666.
Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij brengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.
Ook in dit vers
uitbrengenH3318
KJV
I will bear3
the indignation1
of the LORD,2
because I have sinned5
against him, until he plead9
my cause,10
and execute11
judgment12
for me: he will bring me forth13
to the light,14
and I shall behold15
his righteousness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En mijn vijandinH341 zal het zienH7200, en schaamteH955 zal haar bedekkenH3680; die tot mij zegtH559: Waar is de HEEREH3068, uw GodH430? Mijn ogenH5869 zullen aan haar zienH7200; nuH6258 zal zijH1961 worden tot vertredingH4823, als slijkH2916 der stratenH2351.
En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is de HEERE, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.
KJV
Then she that is mine enemy2
shall see1
it, and shame4
shall cover3
her which said5
unto me, Where is the LORD8
thy God?9
mine eyes10
shall behold11
her: now shall she be trodden down15
as the mire16
of the streets.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Ten dageH3117 als Hij uw murenH1447 zal herbouwenH1129, te dien dageH3117 zal hetH1931 besluitH2706 verre heengaanH7368.
Ten dage als Hij uw muren zal herbouwen, te dien dage zal het besluit verre heengaan.
KJV
In the day1
that thy walls3
are to be built,2
in that day4
shall the decree7
be far removed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Te dien dageH3117 zal hetH1931 ook komenH935 tot u toe, vanH4480 AssurH804 af, zelfs tot de vasteH4693 stedenH5892 toe; en vanH4480 de vestingenH4693 tot aan de rivierH5104, en van zeeH3220 tot zeeH3220, en van gebergteH2022 tot gebergteH2022.
Te dien dage zal het ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs tot de vaste steden toe; en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte.
KJV
In that day1
also he shall come4
even to thee from Assyria,6
and from the fortified10
cities,7
and from the fortress
even to the river,12
and from sea13
to sea,14
and from mountain15
to mountain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Maar dit landH776 zal worden tot een verwoestingH8077, zijner inwonersH3427 halveH5921, vanwege de vruchtH6529 hunner handelingenH4611.
Maar dit land zal worden tot een verwoesting, zijner inwoners halve, vanwege de vrucht hunner handelingen.
KJV
Notwithstanding the land2
shall be desolate3
because of them that dwell5
therein, for the fruit6
of their doings.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Gij dan, weidH7462 Uw volkH5971 met Uw stafH7626, de kuddeH6629 Uwer erfenisH5159, die alleen woontH7931, in het woudH3293, in het middenH8432 van een vruchtbaar landH3760; laat ze weidenH7462 in BasanH1316 en GileadH1568, als in de dagenH3117 van oudsH5769.
Gij dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde Uwer erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.
KJV
Feed1
thy people2
with thy rod,3
the flock4
of thine heritage,5
which dwell6
solitarily7
in the wood,8
in the midst9
of Carmel:10
let them feed11
in Bashan12
and Gilead,13
as in the days14
of old.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ik zal haar wonderenH6381 doen zienH7200, als in de dagenH3117, toen gij uit EgyptelandH776 uittoogtH3318.
Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen, toen gij uit Egypteland uittoogt.
KJV
According to the days1
of thy coming2
out of the land3
of Egypt4
will I shew5
unto him marvellous
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
De heidenenH1471 zullen het zienH7200, en beschaamdH954 zijn, vanwege alH3605 hun machtH1369; zij zullen de handH3027 opH5921 den mondH6310 leggenH7760; hun orenH241 zullen doofH2790 worden.
De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op den mond leggen; hun oren zullen doof worden.
KJV
The nations2
shall see1
and be confounded3
at all their might:5
they shall lay6
their hand7
upon their mouth,9
their ears10
shall be deaf.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Zij zullen het stofH6083 lekkenH3897, als de slangH5175; als kruipende dierenH2119 der aardeH776, zullen zij zich beroerenH7264 uitH4480 hun slotenH4526; zij zullen met vervaardheid komenH6342 totH413 den HEEREH3068, onzen GodH430, en zullen voor U vrezenH3372.
Zij zullen het stof lekken, als de slang; als kruipende dieren der aarde, zullen zij zich beroeren uit hun sloten; zij zullen met vervaardheid komen tot den HEERE, onzen God, en zullen voor U vrezen.
KJV
They shall lick1
the dust2
like a serpent,3
they shall move6
out of their holes7
like worms4
of the earth:5
they shall be afraid11
of the LORD9
our God,10
and shall fear
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
WieH4310 is een GodH410 gelijk Gij, Die de ongerechtigheidH5771 vergeeftH5375, en de overtredingH6588 van het overblijfselH7611 Zijner erfenisH5159 voorbijgaatH5674? Hij houdtH2388 Zijn toornH639 nietH3808 in eeuwigheidH5703; wantH3588 Hij heeft lustH2654 aanH5921 goedertierenheidH2617.
Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid.
KJV
Who is a God2
like unto thee, that pardoneth4
iniquity,5
and passeth by6
the transgression8
of the remnant9
of his heritage?10
he retaineth12
not his anger14
for ever,13
because he delighteth16
in mercy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Hij zal Zich onzer weder ontfermenH7355; Hij zal onze ongerechtighedenH5771 dempenH3533; ja, Gij zult alH3605 hun zondenH2403 in de dieptenH4688 der zeeH3220 werpenH7993.
Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.
KJV
He will turn again,1
he will have compassion2
upon us; he will subdue3
our iniquities;4
and thou wilt cast5
all their sins9
into the depths6
of the sea.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Gij zult JakobH3290 de trouwH571, AbrahamH85 de goedertierenheidH2617 gevenH5414, dieH834 Gij onzen vaderenH1 van oudeH6924 dagenH3117 af gezworenH7650 hebt.
Gij zult Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt.
KJV
Thou wilt perform1
the truth2
to Jacob,3
and the mercy4
to Abraham,5
which thou hast sworn7
unto our fathers8
from the days9
of old.
mij
Dit is een weeklacht van den profeet, in naam der kerk, over de algemene boosheid van het volk.
Hertaald:
mij
Dit is een weeklacht van de profeet, in naam van de kerk, over de algemene boosheid van het volk.
want ik ben,
Of, dat ik ben, enz.
Hertaald:
want ik ben,
Of: dat ik ben, enzovoort.
als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld;
Hebr. als de inzamelingen der zomervruchten, [of des zomers] en als de nalezingen van den wijnoogst; dat is, het gaat mij als een reiziger, die na den oogst geen rijpe vruchten vindt om zich te verkwikken, dat hem zeer verdrietig valt; alzo [wil de profeet zeggen] verdriet het mij ten hoogste, dat ik niets goeds onder het volk zie of verneem, gelijk in het volgende verklaard wordt. Verg. hiermede Deut. 32:32 ; Ps. 12:2 , Ps. 12:8 , en Ps. 14:2-3 ; Jes. 24:13 ; Jer. 5:1 ; Ezech. 22:30 ; Hos. 11:7 , enz.
Hertaald:
als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld;
Hebreeuws: als de inzamelingen van de zomervruchten en als de nalezingen van de wijnoogst; dat is: het gaat mij als een reiziger die na de oogst geen rijpe vruchten vindt om zich te verkwikken, wat hem zeer teleurstelt. Zo, wil de profeet zeggen, doet het mij het meeste verdriet dat ik niets goeds onder het volk zie of hoor, zoals in het vervolg verklaard wordt. Vergelijk hiermee Deut. 32:32; Ps. 12:2, Ps. 12:8 en Ps. 14:2-3; Jes. 24:13; Jer. 5:1; Ezech. 22:30; Hos. 11:7, enzovoort.
druif om te eten;
Of, tros van druiven, gelijk Num. 13:23-24 .
Hertaald:
druif om te eten;
Of: tros druiven, zoals Num. 13:23-24.
mijn ziel begeert
Anders: [noch] vroegrijpe vrucht, [die] mijne ziel begeert.
Hertaald:
mijn ziel begeert
Anders: noch vroegrijpe vrucht, die mijn ziel begeert.
vroegrijpe vrucht
Die zeer aangenaam is en waarnaar men zeer verlangt, en verblijd is als men ze vindt. Zie Jes. 28:4 ; Jer. 24:2 ; Hos. 9:10 met de aantekening.
Hertaald:
vroegrijpe vrucht
Die zeer aangenaam is, waarnaar men sterk verlangt en waarover men blij is wanneer men die vindt. Zie Jes. 28:4; Jer. 24:2; Hos. 9:10 met de aantekening.
goedertierene is vergaan
Verg. Ps. 12:2 ; Jes. 57:1 met de aantekening aldaar.
Hertaald:
goedertierene is vergaan
Vergelijk Ps. 12:2; Jes. 57:1 met de aantekening daar.
uit het land,
Anders: van de aarde.
Hertaald:
uit het land,
Anders: van de aarde.
oprecht onder de mensen;
Hebr. recht, of richting. Zie Ps. 7:11 . Hetzelfde woord staat ook in vs.4.
Hertaald:
oprecht onder de mensen;
Hebreeuws: recht, of rechtheid. Zie Ps. 7:11. Hetzelfde woord staat ook in vers 4.
bloed,
Hber. bloeden; dat is, doodslag en moordenarij. Zie Gen. 4:10 , en Gen. 37:26 .
Hertaald:
bloed,
Hebreeuws: bloeden; dat is: doodslag en moord. Zie Gen. 4:10 en Gen. 37:26.
jachtgaren
Om hem met handelingen in het net te krijgen, te vangen, en als een roof te verslinden. Verg. Ps. 10:8-11 , en Ezech. 19:3 , Ezech. 19:6 , enz.
Hertaald:
jachtgaren
Om hem door listen in het net te krijgen, te vangen en als een prooi te verslinden. Vergelijk Ps. 10:8-11 en Ezech. 19:3, Ezech. 19:6, enzovoort.
Om met beide handen wel dapper kwaad te doen,
Of, de handen zijn tot kwaad, om goed te doen, [dat is, iemands zaak te bevorderen] eist de vorst [te weten, geschenken] en de rechter [te weten, eist] tot vergelding. Of, ten kwade zijn de handen zeer kloek, enz. Of, opdat beide handen, enz. kwaad mogen doen. Of, beide handen [zijn er op uit, of zijn bezig], om dergelijk, [of] dapperlijk, meesterlijk, kunstiglijk kwaad te doen, dat is te beschadigen. Zij zijn met al hun verstand leggen zij zich daarop. Van het Hebr. woord, dat hier is overgezet wel dapper, zie Jona 4:4 .
Hertaald:
Om met beide handen wel dapper kwaad te doen,
Of: de handen zijn op het kwaad gericht; om goed te doen — dat is: om iemands zaak te bevorderen — eist de vorst geschenken en de rechter een vergoeding. Of: ten kwade zijn de handen zeer bedreven, enzovoort. Of: opdat beide handen kwaad mogen doen. Of: beide handen zijn ermee bezig om terdege, meesterlijk en kunstig kwaad te doen, dat is: schade toe te brengen; met heel hun verstand leggen zij zich daarop toe. Over het Hebreeuwse woord dat hier met terdege weergegeven is, zie Jona 4:4.
eist de vorst,
Te weten, giften, geschenken. Verg. Hos. 4:18 .
Hertaald:
eist de vorst,
Namelijk giften en geschenken. Vergelijk Hos. 4:18.
vergelding;
Dat is, om geschenken.
Hertaald:
vergelding;
Dat is: om geschenken.
grote spreekt
Zie 2 Kon. 25:9 .
Hertaald:
grote spreekt
Zie 2 Kon. 25:9.
verderving
Dat is, hij durft wel onbeschaamd spreken wat verdriet, schade en jammer hij voorheeft anderen aan te doen; of hetgeen waardoor hij zijn eigen ziel in het verderf brengt.
Hertaald:
verderving
Dat is: hij durft onbeschaamd te zeggen welk verdriet, welke schade en welke ellende hij van plan is anderen aan te doen; of datgene waarmee hij zijn eigen ziel in het verderf stort.
ziel,
Dat is, waar bij lust of begeerte toe heeft, wat hem slechts lust dat durft hij zeggen, bedenken en doen. Zie Ps. 27:12 , en verg. Mi. 2:2 .
Hertaald:
ziel,
Dat is: waar hij lust of begeerte toe heeft; wat hem maar aanstaat durft hij te zeggen, te bedenken en te doen. Zie Ps. 27:12, en vergelijk Micha 2:2.
draaien ze dicht ineen
Te weten, de schenderij. Gelijk men verscheidene kleine koorden of zelen tezamen draait om een dik touw daarvan te maken, alzo draaien zij hun schendige praktijken met elkander vast en dicht ineen, samenspannende met elkander, en zich verbindende, sterkende, om zonder fout hunne boosheid uit te werken. Verg. Pred. 4:12 ; Ps. 129:4 ; Jes. 5:18 .
Hertaald:
draaien ze dicht ineen
Namelijk de schennis. Zoals men verschillende dunne koorden samendraait om er een dik touw van te maken, zo draaien zij hun schandelijke praktijken vast en dicht ineen, spannen zij samen en verbinden en versterken zij elkaar om hun boosheid onfeilbaar uit te voeren. Vergelijk Pred. 4:12; Ps. 129:4; Jes. 5:18.
beste van hen is
Dat is, dien men voor den minste in boosheid zou rekenen.
Hertaald:
beste van hen is
Dat is: degene die men voor de minst boze zou houden.
doorn;
Zie Ezech. 2:6 .
Hertaald:
doorn;
Zie Ezech. 2:6.
doornheg;
Verg. Spr. 15:19 .
Hertaald:
doornheg;
Vergelijk Spr. 15:19.
dag uwer
De bestemde tijd. Zie Joël 1:15 .
Hertaald:
dag uwer
De vastgestelde tijd. Zie Joël 1:15.
wachters,
Dat is, profeten; versta, dien de profeten, u van God toegezonden, geprofeteerd hebben. Zie Ezech. 3:17 .
Hertaald:
wachters,
Dat is: de profeten; versta: de dag die de profeten die God u gezonden heeft geprofeteerd hebben. Zie Ezech. 3:17.
uw
Of, uwer bezoeking; versta den dag uwer bezoeking.
Hertaald:
uw
Of: van uw bezoeking; versta: de dag van uw bezoeking.
bezoeking,
Dat is, straf. Zie Gen. 21:1 .
Hertaald:
bezoeking,
Dat is: straf. Zie Gen. 21:1.
is gekomen;
Dat is, zal zekerlijk komen, het is ophanden, dat u God bezoeken zal.
Hertaald:
is gekomen;
Dat is: zal zeker komen; het staat op het punt te gebeuren dat God u zal bezoeken.
nu zal
Dat is, al haast. Zie Hos. 10:3 .
Hertaald:
nu zal
Dat is: heel spoedig. Zie Hos. 10:3.
hunlieder
Deze booswichten, die boven beschreven zijn.
Hertaald:
hunlieder
Namelijk van deze booswichten die hierboven beschreven zijn.
verwarring wezen
Gelijk zij alle verwarring hebben ingevoerd en alle boosheid samengedraaid, alzo zullen zij nu in de uiterste verwarring en verbijstering wederingewikkeld worden, zulks dat zij van benauwdheid niet zullen weten wat te doen of te laten, waaruit of waarin, gelijk men zegt. Verg. 2Ch 36 ; Jer 39 ; Eze 4 , en Ezech. 24:3-6 , Ezech. 24:9-11 .
Hertaald:
verwarring wezen
Zoals zij alle verwarring ingevoerd en alle boosheid ineengedraaid hebben, zo zullen zij nu in de uiterste verwarring en verbijstering verstrikt raken, zodat zij van benauwdheid niet zullen weten wat zij moeten doen of laten, waar zij het zoeken moeten. Vergelijk 2 Kron. 36; Jer. 39; Ezech. 4 en Ezech. 24:3-6, Ezech. 24:9-11.
Gelooft een vriend niet,
Of, vertrouwt; geloof en trouw is weg, wil de profeet zeggen. Verg. Jer. 9:4-5 . Sommigen nemen het als een heilzamen raad, dien den profeet den vromen geeft van hetgeen zij hadden te vermijden.
Hertaald:
Gelooft een vriend niet,
Of: vertrouwt. Geloof en trouw zijn weg, wil de profeet zeggen. Vergelijk Jer. 9:4-5. Sommigen vatten het op als een heilzame raad die de profeet de vromen geeft over wat zij moesten vermijden.
voornaamsten vriend;
Of, leidsman, voorganger, leraar, die met raad en daad voorgaat en bijstaat. Zie Ps. 55:14 ; Spr. 16:28 , en Spr. 17:9 met de aantekening.
Hertaald:
voornaamsten vriend;
Of: leidsman, voorganger, leraar, die met raad en daad voorgaat en bijstaat. Zie Ps. 55:14; Spr. 16:28 en Spr. 17:9 met de aantekening.
bewaar de deuren uws monds
Dat gij de geheimen van uw hart niet openbaart, om niet bedrogen en verraden te worden.
Hertaald:
bewaar de deuren uws monds
Zodat u de geheimen van uw hart niet prijsgeeft en niet bedrogen en verraden wordt.
haar,
Dat is, uw vrouw; verg. Deut. 13:6 , en zie de aantekening aldaar. Hebr. de liggende, of liggeres van uwen schoot.
Hertaald:
haar,
Dat is: uw vrouw; vergelijk Deut. 13:6 en zie de aantekening daar. Hebreeuws: zij die in uw schoot ligt.
schoot
Of, boezem.
Hertaald:
schoot
Of: boezem.
ligt
Of, slaapt, ligt te slapen; gelijk nederliggen voor slapen genomen wordt, en wijders ook voor sterven, of ontslapen; zie Deut. 31:16 .
Hertaald:
ligt
Of: slaapt, ligt te slapen; zoals neerliggen opgevat wordt als slapen, en verder ook als sterven of ontslapen; zie Deut. 31:16.
veracht den vader,
Of, onteert, acht klein, of gering.
Hertaald:
veracht den vader,
Of: onteert, acht klein of gering.
mans vijanden
Of, eens mensen. Deze plaats heeft de Heere Christus gebruikt, Matt. 10:35-36 ; hoewel tot een ander einde.
Hertaald:
mans vijanden
Of: van een mens. Deze plaats heeft de Heere Christus gebruikt in Matth. 10:35-36, hoewel met een ander doel.
zijn huisgenoten
Hber. mensen, of lieden van zijn huis; dat is, die van zijn eigen huisgezin zijn hem ontrouw, verraden hem.
Hertaald:
zijn huisgenoten
Hebreeuws: mensen of lieden van zijn huis; dat is: zij die tot zijn eigen huisgezin behoren zijn hem ontrouw en verraden hem.
Maar ik zal
Of, daaRom.
Hertaald:
Maar ik zal
Of: daarom.
uitzien naar den HEERE,
Of, wacht houden. Verg. Ps. 5:4 met de aantekening. Dit spreekt de profeet in den naam der kerk, of de kerk zelve, zich oprichtende door geloof op Gods genade en belofte.
Hertaald:
uitzien naar den HEERE,
Of: wacht houden. Vergelijk Ps. 5:4 met de aantekening. Dit spreekt de profeet in naam van de kerk, of de kerk zelf, terwijl zij zich door het geloof opricht aan Gods genade en belofte.
wachten op de God mijns heils;
Of, hopen.
Hertaald:
wachten op de God mijns heils;
Of: hopen.
mij,
Omdat ik in kruis en lijden ben.
Hertaald:
mij,
Omdat ik in kruis en lijden ben.
vijandin
Gij gemeente der goddelozen, mijne vervolgster. De kerk vergelijkt zichzelf bij ene vrouw, en alzo ook hare vijanden.
Hertaald:
vijandin
U, gemeente van de goddelozen, mijn vervolgster. De kerk vergelijkt zichzelf met een vrouw, en zo ook haar vijanden.
gevallen ben,
In kruis en tegenspoed. Zie Spr. 24:16 .
Hertaald:
gevallen ben,
In kruis en tegenspoed. Zie Spr. 24:16.
zal ik weder opstaan;
Of, sta ik, enz. Hebr. eigenlijk, ben ik weder opgestaan, dat is, zal ik zekerlijk weder opstaan, te weten, uit mijn kruis.
Hertaald:
zal ik weder opstaan;
Of: sta ik op, enzovoort. Hebreeuws eigenlijk: ben ik weer opgestaan, dat is: zal ik zeker weer opstaan, namelijk uit mijn kruis.
duisternis
Zie Gen. 15:12 .
Hertaald:
duisternis
Zie Gen. 15:12.
zal gezeten zijn,
Of, zitte, is mij de HEERE een licht.
Hertaald:
zal gezeten zijn,
Of: zit, is de HEERE mij een licht.
licht zijn
Zie Ps. 27:1 .
Hertaald:
licht zijn
Zie Ps. 27:1.
gramschap
Dat is, plagen, kastijden, uit zijne gramschap voortkomende; verg. Ezech. 7:3 .
Hertaald:
gramschap
Dat is: de plagen en kastijdingen die uit Zijn gramschap voortkomen; vergelijk Ezech. 7:3.
dragen,
Met een boetvaardig en geduldig hart, gelijk het volgende uitwijst.
Hertaald:
dragen,
Met een boetvaardig en geduldig hart, zoals het vervolg uitwijst.
twist twiste, en mijn recht uitvoere;
Dat is, mijn rechtzaak, mijn proces, dat ik niet tegen God [voor wien ik mij schuldig ken] maar tegen mijne vijanden open heb staan. Zie Ps. 35:1 .
Hertaald:
twist twiste, en mijn recht uitvoere;
Dat is: mijn rechtszaak, mijn proces, dat ik niet tegen God heb lopen — voor Wie ik mij schuldig weet — maar tegen mijn vijanden. Zie Ps. 35:1.
brengen aan het licht;
Of, hervoorbrengen, uitvoeren, uit de duisternis, gelijk in het voorgaande vers gezegd.
Hertaald:
brengen aan het licht;
Of: tevoorschijn brengen, uitvoeren, uit de duisternis, zoals in het vorige vers gezegd is.
mijn lust
Dit is hier ingevoegd om den zin der Hebr. manier van spreken uit te drukken. Zie Ps. 22:18 ; alzo in het volgende vers. Anders: ik zal zijne gerechtigheid aanzien.
Hertaald:
mijn lust
Dit is hier ingevoegd om de betekenis van de Hebreeuwse manier van spreken weer te geven. Zie Ps. 22:18; zo ook in het volgende vers. Anders: ik zal Zijn gerechtigheid aanschouwen.
gerechtigheid
Door welke Hij mij recht zal geven tegen mijne vijandin, mij verlossende en haar straffende; of aan zijn heil, dat Hij mij, naar zijne beloften, getrouwelijk zal bewijzen. Verg. Mi. 6:5 met de aantekening.
Hertaald:
gerechtigheid
Waardoor Hij mij recht zal verschaffen tegen mijn vijandin, door mij te verlossen en haar te straffen. Of: aan Zijn heil, dat Hij mij naar Zijn beloften trouw zal bewijzen. Vergelijk Micha 6:5 met de aantekening.
mijn vijandin zal het zien,
Anders: Gij [o Heere] zult mijne vijandin aanzien, [te weten, met een toornig aangezicht] en haar [met] schaamte bedekken.
Hertaald:
mijn vijandin zal het zien,
Anders: U, o HEERE, zult mijn vijandin aanzien, namelijk met een toornig gelaat, en haar met schaamte bedekken.
zien;
Te weten, mijne begeerte, verwachting; of Gods rechtvaardige wraak. Zie Ps. 54:9 met de aantekening.
Hertaald:
zien;
Namelijk mijn verlangen en verwachting; of Gods rechtvaardige wraak. Zie Ps. 54:9 met de aantekening.
nu zal zij worden tot vertreding,
Dat is, alhaast, het zal niet lang duren, gelijk in Mi. 4:10 , en Mi. 5:3 .
Hertaald:
nu zal zij worden tot vertreding,
Dat is: heel spoedig, het zal niet lang duren, zoals Micha 4:10 en Micha 5:3.
slijk der straten
Dat is, tot de uiterste schande en versmaadheid gebracht worden. Zie Job 30:19 ; Jes. 41:25 ; Ps. 40:3 , met de aantekening; idem 2 Sam. 22:43 , en Ps. 18:43 .
Hertaald:
slijk der straten
Dat is: tot de uiterste schande en versmading gebracht worden. Zie Job 30:19; Jes. 41:25; Ps. 40:3 met de aantekening, en ook 2 Sam. 22:43 en Ps. 18:43.
uw
Dit is een aanspraak tot de kerk van Christus.
Hertaald:
uw
Dit is een aanspraak tot de kerk van Christus.
muren zal herbouwen,
Versta heiningmuren. Van het Hebr. woord, zie Ps. 62:4 . Dit is een Evangelische belofte van de herstelling en verzameling der kerk ten tijde van het Nieuwe Testament door den Messias. Verg. Am. 9:11 ; idem Mi. 4:1-3 , en Mi. 5:3-5 .
Hertaald:
muren zal herbouwen,
Versta: omheiningsmuren. Over het Hebreeuwse woord, zie Ps. 62:4. Dit is een evangelische belofte over het herstel en de vergadering van de kerk in de tijd van het Nieuwe Testament door de Messias. Vergelijk Amos 9:11, en ook Micha 4:1-3 en Micha 5:3-5.
besluit verre heengaan
Of, inzetting, ordinantie, te weten, Gods, van zijn eniggeboren Zoon, den Messias; dat is, het Evangelie zal wijd en verre uitgebreid worden. Verg. Ps. 2:7 , met de aantekening, en Ps. 110:2 ; Jes. 2:3 , en Mi. 4:1 , enz., en zie hier van de verklaring in vs.14, enz. Anders: de schatting, of het tribuut, of bevel [des vijands tirannie en overlast] zal verre [van u] weggedaan worden. Het Hebr. woord, dat hier en Ps. 2:7 gebruikt wordt van het Evangelische genadebesluit van God, wordt Ezech. 20:25 , gebruikt van goddelijke besluiten, of gezette vonnissen zijner straffen en oordelen, zie aldaar.
Hertaald:
besluit verre heengaan
Of: inzetting, verordening, namelijk van God over Zijn eniggeboren Zoon, de Messias; dat is: het Evangelie zal wijd en zijd verbreid worden. Vergelijk Ps. 2:7 met de aantekening, en Ps. 110:2; Jes. 2:3 en Micha 4:1, enzovoort, en zie de uitwerking hiervan in vers 14, enzovoort. Anders: de schatting of het bevel — de tirannie en overlast van de vijand — zal ver van u weggedaan worden. Het Hebreeuwse woord dat hier en in Ps. 2:7 gebruikt wordt voor Gods evangelische genadebesluit, wordt in Ezech. 20:25 gebruikt voor goddelijke besluiten of vastgestelde vonnissen van Zijn straffen en oordelen; zie daar.
het ook komen tot u toe,
Te weten, het voorgemelde besluit. Of, men zal tot u komen, verstaande zulks van den toeloop der volken tot de kerk Gods. Verg. Jes. 19:23-24 , enz. Anders: Hij [de] Messias zal tot u komen, enz.
Hertaald:
het ook komen tot u toe,
Namelijk het genoemde besluit. Of: men zal tot u komen, waarbij men dat opvat van de toeloop van de volken tot Gods kerk. Vergelijk Jes. 19:23-24, enzovoort. Anders: Hij, de Messias, zal tot u komen, enzovoort.
Assur af,
Noordwaarts van Kanaän gelegen.
Hertaald:
Assur af,
Dat ten noorden van Kanaän lag.
vaste steden toe;
Namelijk Egypte, gelegen in het zuiden, zijnde zeer vast door de natuurlijke gelegenheid van wateren en groten arbeid en kunst der mensen. Hebr. steden der vesting. Hebr. Mazor, dat enige gelijkheid heeft met Mizraïm, dat is Egypte. Verg. Jes. 19:6 met de aantekening.
Hertaald:
vaste steden toe;
Namelijk Egypte, dat in het zuiden ligt en zeer sterk is door de natuurlijke ligging met wateren en door veel arbeid en kunst van mensen. Hebreeuws: steden van de vesting; Hebreeuws Mazor, dat enige gelijkenis vertoont met Mizraïm, dat is: Egypte. Vergelijk Jes. 19:6 met de aantekening.
vestingen
Hebr. vesting, of vastigheid.
Hertaald:
vestingen
Hebreeuws: vesting of vastheid.
rivier,
Eufraat.
Hertaald:
rivier,
Namelijk de Eufraat.
zee tot zee,
Hebr. [tot] zee van zee; dat is, van de ene zee tot de andere, van het ene gebergte tot het andere; van het noorden tot het zuiden, van het oosten tot het westen. Kanaän had gebergten in het noorden, oosten en zuiden, en de Dode zee was in het oosten, de Middellandse in het westen; door welke ligging en grenzen van Kanaän de uitbreiding van het Evangelie door de ganse wereld en de vereniging der Joden en heidenen in Christus wordt afgebeeld.
Hertaald:
zee tot zee,
Hebreeuws: tot zee van zee; dat is: van de ene zee tot de andere, van het ene gebergte tot het andere, van het noorden tot het zuiden en van het oosten tot het westen. Kanaän had bergen in het noorden, oosten en zuiden; de Dode Zee lag in het oosten en de Middellandse in het westen. Met die ligging en die grenzen van Kanaän wordt de uitbreiding van het Evangelie over de hele wereld en de vereniging van Joden en heidenen in Christus afgebeeld.
Maar dit land zal worden tot een verwoesting,
Of, nadat, of als dit land zal geworden zijn, enz., of evenwel, nochtans zal dit land, versta Kanaän. Dit is eerst geschied ten tijde der Babylonische verwoesting, en naderhand bij de tijden van het Nieuwe Testament, en gaat voort nog vast ten huidigen dage. Verg. Dan. 9:26-27 , enz.
Hertaald:
Maar dit land zal worden tot een verwoesting,
Of: nadat dit land tot een verwoesting geworden zal zijn, enzovoort; of: toch zal dit land, enzovoort. Versta: Kanaän. Dit is eerst gebeurd bij de Babylonische verwoesting en daarna in de tijd van het Nieuwe Testament, en het duurt tot op de dag van vandaag voort. Vergelijk Dan. 9:26-27, enzovoort.
zijner inwoners halve,
Of, met zijne inwoners.
Hertaald:
zijner inwoners halve,
Of: met zijn inwoners.
vrucht hunner handelingen
Dat is, verdienste, loon. Zie Spr. 1:31 .
Hertaald:
vrucht hunner handelingen
Dat is: het verdiende loon. Zie Spr. 1:31.
Gij dan,
Hier spreekt de kerk [verheugd zijnde in den geest] den Messias, den oppersten Herder der kerk, Jezus Christus, aan alsof zij Hem zag staan weiden en zijn herdersambt verrichten; verg. Mi. 5:3 ; dit dient tot verklaring en vervolg van vs.11,12.
Hertaald:
Gij dan,
Hier spreekt de kerk, verheugd in de geest, de Messias aan — Jezus Christus, de opperste Herder van de kerk — alsof zij Hem zag staan weiden en Zijn herdersambt zag uitoefenen; vergelijk Micha 5:4. Dit dient ter verklaring en voortzetting van vers 11 en 12.
volk
Dat is, kerk, verstrooid op aarde en gehaat van de kinderen dezer wereld.
Hertaald:
volk
Dat is: Zijn kerk, verstrooid over de aarde en gehaat door de kinderen van deze wereld.
staf,
Dat is, Woord en Geest. Verg. Ps. 23:4 .
Hertaald:
staf,
Dat is: Woord en Geest. Vergelijk Ps. 23:4.
kudde
De schaapskudde, waarbij de gelovigen hier en elders dikwijls worden vergeleken.
Hertaald:
kudde
De schaapskudde, waarmee de gelovigen hier en elders vaak vergeleken worden.
erfenis,
Zie Deut. 32:9 , met de aantekening.
Hertaald:
erfenis,
Zie Deut. 32:9 met de aantekening.
alleen woont,
Als een afgezonderd volk Gods, niet vermengd met de wereld, ketterijen en secten, [waarom zij ook dikwijls vervolgd en in eenzaamheid verdreven wordt] levende nochtans in zekerheid en vertrouwen tegen alle vijanden en de poorten der hel, onder bescherming van haren Herder; zie Num. 23:9 ; Deut. 33:28 ; Joh. 15:19 ; 1 Petr. 2:9 ; 1 Joh. 5:19 , en verg. de manier van spreken met Jer. 49:31 .
Hertaald:
alleen woont,
Als een afgezonderd volk van God, niet vermengd met de wereld, met ketterijen en sekten — waarom zij ook vaak vervolgd en in eenzaamheid verdreven wordt — maar toch levend in zekerheid en vertrouwen tegen alle vijanden en de poorten van de hel, onder de bescherming van haar Herder. Zie Num. 23:9; Deut. 33:28; Joh. 15:19; 1 Petr. 2:9; 1 Joh. 5:19, en vergelijk de manier van spreken met Jer. 49:31.
vruchtbaar land;
Hebr. Karmel. Zie Jer. 2:7 , met de aantekening.
Hertaald:
vruchtbaar land;
Hebreeuws: Karmel. Zie Jer. 2:7 met de aantekening.
Basan en Gilead,
Overvloeiende van schone weiden. Zie Deut. 32:14 ; Ps. 22:13 ; Jer. 50:19 , en van Gilead, Gen. 31:21 ; Jer. 22:6 , met de aantekening.
Hertaald:
Basan en Gilead,
Die overvloeien van mooie weiden. Zie Deut. 32:14; Ps. 22:13; Jer. 50:19; en over Gilead Gen. 31:21; Jer. 22:6 met de aantekening.
haar wonderen doen zien,
Mijne kudde, dat is kerk, waarvan in het voorgaande vers. Dit is Jezus Christus' antwoord op de voorgaande aanspraak der kerk.
Hertaald:
haar wonderen doen zien,
Namelijk Mijn kudde, dat is: Mijn kerk, waarover het vorige vers. Dit is het antwoord van Jezus Christus op de voorgaande aanspraak van de kerk.
gij uit Egypteland uittoogt
O Israël.
Hertaald:
gij uit Egypteland uittoogt
O Israël.
heidenen zullen het zien,
Of, natiën, [te weten, de vijanden der kerk] zullen de heerlijkheid van het koninkrijk van Christus, of van zijne kerk moeten aanschouwen. Sommigen verstaan dit van de uitverkorenen onder de heidenen, die met schaamte en bekentenis hunner zonden tot gemeenschap der kerk zullen aankomen, uit vergelijking met Hos. 3:5 , en Hos. 11:10-11 ; idem Jes. 45:14 .
Hertaald:
heidenen zullen het zien,
Of: de naties, namelijk de vijanden van de kerk, zullen de heerlijkheid van het koninkrijk van Christus of van Zijn kerk moeten aanschouwen. Sommigen verstaan dit van de uitverkorenen onder de heidenen, die met schaamte en met belijdenis van hun zonden tot de gemeenschap van de kerk zullen komen, op grond van de vergelijking met Hos. 3:5 en Hos. 11:10-11, en ook met Jes. 45:14.
vanwege al hun macht;
Omdat al hun woelen en woeden tegen Gods werk en kerk vergeefs is; of [gelijk sommigen] om de geestelijke macht, die God zijne kerk bij de predikatie van het Evangelie zal verlenen. Zie 2 Kor. 10:4-6 , en verg. Mi. 5:5 , Mi. 5:8 , enz.; Ps. 149:6-9 , met de aantekening.
Hertaald:
vanwege al hun macht;
Omdat al hun woelen en woeden tegen Gods werk en kerk tevergeefs is. Volgens sommigen: vanwege de geestelijke macht die God Zijn kerk bij de prediking van het Evangelie zal verlenen. Zie 2 Kor. 10:4-6, en vergelijk Micha 5:5, Micha 5:8, enzovoort; Ps. 149:6-9 met de aantekening.
hand op den mond leggen;
Niet kunnende of durvende tegenspreken. Zie Richt. 18:19 ; Job 21:5 .
Hertaald:
hand op den mond leggen;
Omdat zij niet kunnen of durven tegenspreken. Zie Richt. 18:19; Job 21:5.
doof worden
Van hetgeen zij zullen moeten horen en niet kunnen verdragen; of [gelijk sommigen] de zaken, die zij zullen horen, zullen zo vreemd, wonderlijk en groot zijn, dat hun de oren van het horen, vermits verwondering [om zo te spreken] verdoven zullen.
Hertaald:
doof worden
Van wat zij zullen moeten horen en niet zullen kunnen verdragen. Volgens sommigen: de dingen die zij zullen horen zullen zo vreemd, wonderlijk en groot zijn dat hun de oren, om zo te zeggen, van verbazing zullen doof worden.
stof lekken, als de slang;
Tot een teken van de uiterste vrees en onderwerping, zijnde hun pracht en hoogmoed als ter aarde nedergeworpen, gelijk men in de Oosterse landen zich placht ter aarde neder te buigen, tot een teken van onderwerping en nederigheid. Zie Ps. 72:9 , met de aantekening, en verg. Jes. 49:23 , alwaar desgelijks gezegd wordt van de bekeerde heidenen.
Hertaald:
stof lekken, als de slang;
Als teken van de uiterste vrees en onderwerping, waarbij hun praal en hoogmoed als het ware ter aarde geworpen zijn — zoals men zich in de oosterse landen ter aarde placht te buigen als teken van onderwerping en nederigheid. Zie Ps. 72:9 met de aantekening, en vergelijk Jes. 49:23, waar hetzelfde over de bekeerde heidenen gezegd wordt.
kruipende dieren der aarde,
Of, slangen, wormen der aarde, enz. Zie Deut. 32:24 met de aantekening.
Hertaald:
kruipende dieren der aarde,
Of: slangen, wormen van de aarde, enzovoort. Zie Deut. 32:24 met de aantekening.
zich beroeren uit hun sloten;
Dat is, met beroerte, al vrezende, bevende en kruipende uit hunne sloten, of vaste, besloten plaatsen voortkomende [verg. 2 Sam. 22:46 ; Ps. 18:46 , met de aantekening] gelijk slangen, of andere kruipende dieren, uit hare holen voortkruipen.
Hertaald:
zich beroeren uit hun sloten;
Dat is: met beving, vrezend en kruipend uit hun holen of vaste, gesloten plaatsen tevoorschijn komend (vergelijk 2 Sam. 22:46; Ps. 18:46 met de aantekening), zoals slangen of andere kruipende dieren uit hun holen naar buiten kruipen.
met vervaardheid komen tot den HEERE, onzen God,
Hebr. zij zullen vervaard zijn, of vrezen tot den Heere, enz. gelijk Hos. 3:5 ; zie aldaar, en verg. Hos. 11:10-11 . Anders: zij zullen vrezen, of vervaard zijn voor den Heere, enz.
Hertaald:
met vervaardheid komen tot den HEERE, onzen God,
Hebreeuws: zij zullen vrezen tot de HEERE, enzovoort, zoals Hos. 3:5; zie daar, en vergelijk Hos. 11:10-11. Anders: zij zullen vrezen voor de HEERE, enzovoort.
U vrezen
Versta, [veranderende den persoon, gelijk elders] God zelf, den Messias, dien den profeet met opheffing des harten en verwondering aanspreekt, gelijk in het volgende; of de kerk, met de heerlijkheid en macht van haar Hoofd begenadigd zijnde; verg. Jes. 19:16-18 , enz. met de aantekening.
Hertaald:
U vrezen
Versta — met verandering van persoon, zoals elders — God Zelf, de Messias, Die de profeet met opgeheven hart en verwondering aanspreekt, zoals in het vervolg. Of: de kerk, die met de heerlijkheid en macht van haar Hoofd begenadigd is; vergelijk Jes. 19:16-18, enzovoort, met de aantekening.
vergeeft,
Of, wegneemt; zie Ps. 25:18 .
Hertaald:
vergeeft,
Of: wegneemt; zie Ps. 25:18.
overblijfsel Zijner erfenis
Dat is, zijne uitverkorenen, gelovigen, of kerk; zie vs.14.
Hertaald:
overblijfsel Zijner erfenis
Dat is: Zijn uitverkorenen, gelovigen, of Zijn kerk; zie vers 14.
voorbijgaat?
Dat is, overziet, niet toerekent, niet aanziet naar zijne gerechtigheid, of in toorn; verg. 2 Sam. 12:13 , met de aantekening.
Hertaald:
voorbijgaat?
Dat is: door de vingers ziet, niet toerekent, niet naar Zijn gerechtigheid of in toorn aanziet; vergelijk 2 Sam. 12:13 met de aantekening.
houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid;
Verg. Jer. 3:5 , Jer. 3:12 , en zie het tegendeel ten aanzien van Gods en zijns volks vijanden, Nah. 1:2 .
Hertaald:
houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid;
Vergelijk Jer. 3:5, Jer. 3:12, en zie het tegendeel met betrekking tot de vijanden van God en van Zijn volk in Nah. 1:2.
want Hij heeft lust aan goedertierenheid
Of, maar.
Hertaald:
want Hij heeft lust aan goedertierenheid
Of: maar.
weder ontfermen;
Hebr. Hij zal wederkeren, Hij zal zich onzer ontfermen; verg. Ps. 71:20 , en Ps. 85:7 met de aantekening, idem Num. 11:4 ; Ps. 45:5 .
Hertaald:
weder ontfermen;
Hebreeuws: Hij zal wederkeren, Hij zal Zich over ons ontfermen; vergelijk Ps. 71:20 en Ps. 85:7 met de aantekening, en ook Num. 11:4; Ps. 45:5.
dempen;
Of, tenonderbrengen, onderwerpen, zodat zij niet kunnen opkomen of opstaan tegen ons in het gericht; en voorts door zijne Geest de heerschappij en tirannie der zonden [onder welke wij als dienstknechten en slaven verkocht waren] afschaffen, en ons heilig maken en vernieuwen, hier aanvankelijk, hierna volkomenlijk op welke laatste weldaad dit sommigen alleen duiden. Zie Jes. 52:1 ; Rom. 6:7 .
Hertaald:
dempen;
Of: eronder brengen, onderwerpen, zodat zij niet kunnen opkomen of tegen ons opstaan in het gericht. En verder: door Zijn Geest de heerschappij en tirannie van de zonden — waaronder wij als dienstknechten en slaven verkocht waren — afschaffen en ons heiligen en vernieuwen, hier in beginsel en hierna volkomen. Sommigen betrekken dit alleen op die laatste weldaad. Zie Jes. 52:1; Rom. 6:7.
hun zonden
Der uitverkorenen en gelovigen.
Hertaald:
hun zonden
Namelijk van de uitverkorenen en gelovigen.
diepten der zee werpen
Een schone en zeer troostelijke gelijkenis, betekenende dat onze zonden van God niet aangezien, maar in eeuwige vergetenis gesteld, bedekt en als ongeacht en versmoord zullen zijn; verg. Ps. 103:12 ; Jes. 43:25 ; Jer. 31:34 , Jer. 31:37 , enz.
Hertaald:
diepten der zee werpen
Een mooie en zeer troostrijke vergelijking, die aangeeft dat onze zonden door God niet aangezien zullen worden, maar in eeuwige vergetelheid gesteld, bedekt en als het ware verdronken zullen zijn; vergelijk Ps. 103:12; Jes. 43:25; Jer. 31:34, Jer. 31:37, enzovoort.
Jakob de trouw,
Dat is, Jakobs en Abrahams nakomelingen; zie Rom. 9:6-8 . Of, de trouw, of waarheid van Jakob, de goedertierenheid, of weldadigheid van Abraham, dat is, die Gij hun beloofd hebt. Verg. Jer. 2:2 , en versta hierdoor den Messias, den Middelaar van het genadeverbond, en alles met Hem. Verg. Luc. 1:68-73 ; Rom. 8:32 ; een heerlijk besluit der profetie, vol van geloof en verwachting van den Messias.
Hertaald:
Jakob de trouw,
Dat is: de nakomelingen van Jakob en Abraham; zie Rom. 9:6-8. Of: de trouw of waarheid aan Jakob, de goedertierenheid of weldadigheid aan Abraham, dat is: die U hun beloofd hebt. Vergelijk Jer. 2:2, en versta hieronder de Messias, de Middelaar van het genadeverbond, en alles wat met Hem gegeven wordt. Vergelijk Luk. 1:68-73; Rom. 8:32. Het is een heerlijk slot van de profetie, vol geloof en verwachting van de Messias.
geven,
Of, leveren; dat is, daarstellen, metterdaad bewijzen en volbrengen.
Hertaald:
geven,
Of: leveren; dat is: metterdaad bewijzen en volbrengen.
oude dagen af gezworen hebt
Hebr. van de dagen der oudheid; dat is, voor langen tijd.
Hertaald:
oude dagen af gezworen hebt
Hebreeuws: van de dagen van de oudheid; dat is: sinds lange tijd. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht" (Micha 7:1). Wat er ontbreekt, wordt genoemd: "De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen" (Micha 7:2). Het loopt uit op het gezin zelf: "Want de zoon veracht den vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijn huisgenoten" (Micha 7:6). Bijbelse betekenis: Merk op het beeld waarmee dit klaaglied begint: een oogst die al binnen is, zodat er niets meer te vinden is, terwijl de honger nog blijft. Zo tekent Micha de staat van zijn volk: leeggeplukt van trouw. Let vervolgens op de opbouw van de klacht: eerst het volk in het algemeen (Micha 7:2), dan de leiders (Micha 7:3), en ten slotte, in Micha 7:6, het gezin zelf. De ontrouw begint niet bij vreemden maar dringt door tot in het meest vertrouwde verband dat er is. Let ten slotte op wat dit vers zegt over vertrouwen: als zelfs huisgenoten elkaars vijanden worden, is er nergens meer een vanzelfsprekende veiligheid. Typologie: De Heere Jezus haalt dit vers letterlijk aan wanneer Hij Zijn discipelen waarschuwt wat Zijn komst zal brengen: "Ik ben gekomen, om den mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder" (Matt. 10:35). Het vers erna trekt de conclusie: "En zij zullen des mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn" (Matt. 10:36). Micha 7:1-2,6; Matt. 10:35-36 Na de opsomming van ontrouw komt de wending: "Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen" (Micha 7:7). Tegen de eigen vijandin zegt de profeet: "Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een licht zijn" (Micha 7:8). En zelfs de eigen schuld wordt niet ontkend: "Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere" (Micha 7:9). Bijbelse betekenis: Merk op het woordje maar waarmee Micha 7:7 begint: het staat tegenover de hele klacht die eraan voorafging. Ondanks alles wat er ontbreekt in het land, blijft er één zekerheid over: mijn God zal mij horen. Let vervolgens op Micha 7:8: gevallen, en tóch weer opstaand; in duisternis, en tóch met licht. Het vertrouwen ontkent de nood niet, maar plaatst er iets tegenover. Let ten slotte op Micha 7:9: de profeet erkent zelf schuldig te zijn, en verwacht toch recht — niet omdat hij onschuldig is, maar omdat hij weet dat de HEERE zijn twist zal twisten. Typologie: Habakuk spreekt hetzelfde vertrouwen uit temidden van een land zonder vrucht: "Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils" (Hab. 3:18). Micha 7:7-9; Hab. 3:18 "Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid" (Micha 7:18). Dan volgt een beeld van diepte: "Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen" (Micha 7:19). Het boek eindigt met een beroep op de oude belofte: "Gij zult Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt" (Micha 7:20). Bijbelse betekenis: Merk op de vraag waarmee dit slot opent: wie is een God gelijk Gij. In het Hebreeuws ligt daarin een klank die op de naam van de profeet zelf lijkt — Micha betekent zoveel als: wie is als de HEERE. Het boek sluit dus af met een vraag die de naam van de schrijver zelf weerspiegelt. Let vervolgens op het beeld in Micha 7:19: zonden in de diepten der zee geworpen — niet weggenomen om ergens anders te blijven liggen, maar verdwenen in een diepte waar niemand ze weer opvist. Let ten slotte op Micha 7:20: het laatste woord van het boek is geen nieuwe belofte maar een beroep op een oude — het verbond met Abraham en Jakob, waarop het hele boek uiteindelijk rust. Typologie: Ditzelfde beeld van zonden die uit het zicht verdwijnen, tekent de psalmist met een ander beeld: "Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons" (reeds behandeld bij Ps. 103:12). En Paulus stelt dezelfde vraag als Micha 7:18 in een andere vorm: "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt" (Rom. 8:33). Micha 7:18-20; Ps. 103:12; Rom. 8:33 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het verbond niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Micha eindigt zijn boek na hoofdstukken vol aanklacht: rechters die geschenken aannemen, profeten die voorspellen voor geld, en een volk waarin men zijn eigen huisgenoten niet vertrouwen kan. En juist daar komt de lofprijzing. De profeet vraagt wie er een God is zoals deze — Eén Die de zonde niet alleen vergeeft maar wegdoet waar zij niet terug te halen is. Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? In de naam Micha zit die vraag zelf al opgesloten: wie is als de HEERE. De kanttekening scherpt beide werkwoorden. Vergeven is hier ook: wegnemen. En voorbijgaan wordt uitgelegd als door de vingers zien, niet toerekenen, niet naar Zijn gerechtigheid of in toorn aanzien. Daarna komen twee beelden die elkaar aanvullen. Hij zal onze ongerechtigheden dempen. De kanttekening verklaart dat als eronder brengen en onderwerpen, zodat zij niet meer tegen ons kunnen opstaan in het gericht. Zij ziet er ook het afschaffen in van de heerschappij van de zonde, waaronder wij als slaven verkocht waren. En dan: Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen. Niet aan de kant leggen, niet in een la; in zee, waar niemand ze terugvindt. Het slot verankert dit alles waar het thuishoort: Gij zult Jakob de trouw en Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt. De vergeving hangt dus niet aan de stemming van het ogenblik maar aan een eed van eeuwen her. Hoe die eed wordt waargemaakt, zegt Micha niet. Dat staat in de brief aan de Hebreeën: Hij is Middelaar geworden van een beter verbond, en van hun zonden en ongerechtigheden zegt God dat Hij die niet meer gedenken zal. En in de lofzang van Zacharias klinken beide namen weer: de barmhartigheid aan onze vaderen, en de eed dien Hij Abraham gezworen heeft. In het Nieuwe Testament: Lukas 1:72-73; Hebreeën 8:6-12; Romeinen 11:27; 1 Johannes 1:9
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Deze preek beschrijft hoe de zonde de mens beheerst, verleidt, ontmoedigt, beschuldigt en verontreinigt, maar ook hoe God door Jezus Christus de macht van de zonde overwint en… Mijn God zal mij horen. Micha 7:7 Wat een bekoorlijke zin! Kunt u dat zeggen? Slechts vijf woorden, maar wat een betekenis! Er zijn lijvige gedichtenbundels verschenen, maar… Hij zal zich onzer weder ontfermen. Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen. Micha 7:19 God keert zich nooit… Verblijd u niet over mij, o, mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een… Mijn God zal mij horen. Micha 7:7 Vrienden kunnen ontrouw worden, maar de HEERE zal zich niet afwenden van de begenadigde ziel; integendeel: Hij zal naar al haar verlangens… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Micha 7
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Wie is een God gelijk Gij? — 7:14-20
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
De zonde overwonnen
Een bekoorlijke zin
Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen
Verblijd u niet over mij, o, mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan
God hoort je


Micha 7
Micha 7:1.KruisverwijzingenJesaja 24:13→Jesaja 28:4→Hosea 9:10→Jesaja 17:6→Jesaja 24:16→Jeremia 45:3→Jeremia 4:31→Jesaja 6:5→
— Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.
Het is een verschrikkelijk ding voor een goed mens om te merken dat goede mensen zeer schaars worden, en te zien dat goddeloze mensen goddelozer worden dan ooit. Het doet hem zijn eenzaamheid scherp gevoelen, en de blijdschap lijkt uit zijn hart verbannen.
Micha 7:2.KruisverwijzingenPsalmen 12:1→Jeremia 5:26→Jesaja 57:1→Jesaja 59:7→Spreuken 1:11→Psalmen 14:1→1 Samuël 24:11→1 Samuël 26:20→
— De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren altemaal op bloed, zij jagen, een iegelijk zijn broeder, met een jachtgaren.
Het waren droeve tijden waarin Micha leefde. En toch zou men in zeker opzicht bereid en zelfs blij kunnen zijn in zulke tijden te leven. Want als men ooit nuttig voor zijn medemensen kon zijn, dan toch wel toen. God had een stem nodig als die van de profeet Micha in de dagen dat Zijn eredienst verlaten was en het ware geloof onder de mensen bijna uitgestorven. Had God niet hier en daar een Micha overgelaten, dan zou het land als Sodom geworden zijn en aan Gomorra gelijk gemaakt. Hoe onaangenamer die tijd voor de goede man dus was, hoe noodzakelijker en nuttiger hij voor die tijd was.
Micha 7:3.KruisverwijzingenMicha 3:11→Amos 5:12→Jeremia 8:10→Spreuken 4:16→1 Koningen 21:9→Hosea 4:18→Jeremia 3:5→1 Korinthe 4:5→
— Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de grote spreekt de verderving zijner ziel, en zij draaien ze dicht ineen.
Ik wilde wel dat de belijdende volgelingen van Christus met beide handen goed deden: met elk vermogen, met elke bekwaamheid, op elke manier en bij elke gelegenheid. Zo doen goddeloze mensen immers ernstig kwaad met beide handen.
De eerlijkheid leek uit het volk verdwenen. De hoogsten in het land, die boven de macht van de omkoping verheven hadden moeten zijn, verkochten de rechtsbedeling aan de hoogste bieder. Ach, dat waren werkelijk kwade tijden.
Micha 7:4.KruisverwijzingenJesaja 22:5→Ezechiël 2:6→2 Samuël 23:6→Jesaja 10:3→Ezechiël 12:23→Hebreeën 6:8→Nahum 1:10→Jesaja 55:13→
— De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is scherper dan een doornheg; de dag uwer wachters, uw bezoeking, is gekomen; nu zal hunlieder verwarring wezen.
De zonde brengt droefheid in haar gevolg. En omdat volken als volk geen toekomst zullen hebben, handelt God met de nationale zonde hier op aarde en bezoekt Hij haar met nationale straffen. Nu de zonde in Israël zo welig gegroeid was, zou het de tijd van hun verwarring zijn.
Wanneer de zonden als kippen naar huis komen om te roesten, dan zal het de tijd van de verwarring van de zondaar zijn. Hij laat zijn zonden uitvliegen en denkt dat zij, als de zwervende vogels van de hemel, spoedig weg zullen zijn en dat hij ze nooit terug zal zien. Maar zij zullen allemaal naar hem terugkomen. En hij zal bitter berouw krijgen over de dag waarop hij meende dat hij winst kon maken door de rechtvaardige wet van de HEERE te overtreden.
Micha 7:5.KruisverwijzingenJeremia 9:4→Psalmen 118:8→Richteren 16:5→Mattheüs 10:16→Job 6:14→
— Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.
Het volk was zo doortrokken van oneerlijkheid dat het kwaad zelfs tot in het huiselijk leven doorgedrongen was. Waar alles in een staat van wederzijds gelukkig vertrouwen had moeten zijn, gevoelde de profeet zich gedrongen hun te zeggen dat er geen vertrouwen kon bestaan. Niet tussen mensen die vrienden schenen te zijn, en zelfs niet tussen man en vrouw.
Micha 7:6.KruisverwijzingenMattheüs 10:35→Mattheüs 10:21→Lukas 12:53→Ezechiël 22:7→2 Samuël 16:21→Obadja 1:7→Genesis 49:4→2 Samuël 16:11→
— Want de zoon veracht den vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijn huisgenoten.
En dat is in zekere mate nog altijd waar. Zonder de vreze van God zult u bemerken dat zelfs de nauwste en dierbaarste betrekkingen de onbekeerden er niet van weerhouden de vijanden van de godvruchtigen te zijn. In dat opzicht kan een begenadigd man niet vertrouwen op haar die in zijn schoot ligt, als zij geen waar kind van God is.
Let nu op de grootsheid van het geloof. Zet deze witte plek midden in de zwarte duisternis waarover wij gelezen hebben.
Micha 7:7.KruisverwijzingenJesaja 25:9→Psalmen 37:7→Psalmen 25:5→Jesaja 45:22→Psalmen 62:1→1 Johannes 5:14→Lukas 2:25→Psalmen 40:1→
— Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen.
“Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen.”
Er was voor de profeet nergens anders om naar uit te zien. Naar wat hij ons vertelt, waren alle mensen vals geworden. Daarom, zegt hij, zal ik uitzien naar de HEERE.
En dat is al het licht dat Gods volk nodig heeft. Al is het de duisternis van een zwarte Egyptische nacht waarin onze geest gevallen is: als God ons maar verschijnen wil, zal er spoedig licht voor ons zijn. Dr. Watts zong naar waarheid dat, wanneer Hij in de donkerste schaduwen verschijnt, onze dageraad begonnen is; Hij is de zoete morgenster van onze ziel en Hij onze opgaande zon.
Micha 7:9.KruisverwijzingenPsalmen 37:6→1 Samuël 24:15→1 Korinthe 4:5→2 Thessalonicenzen 1:5→2 Samuël 16:11→Klaagliederen 3:39→1 Samuël 26:10→Psalmen 43:1→
— Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij brengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.
“Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij brengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.”
Luister naar dit getuigenis van de profeet, beproefd kind van God. Ook wanneer u in uw eigen huisgezin vijanden vindt, stel uw vertrouwen op God, want Hij zal nog verschijnen om u te verlossen. Laat dit uw blijdschap zijn.
Zit stil in ootmoedig geduld en draag de gramschap van de HEERE. Want al is er moeite op u gelegd, zij is niet zo zwaar als zij had kunnen zijn. En niet zo streng als zij geweest zou zijn wanneer de HEERE naar strikte gerechtigheid met u gehandeld had. Bezit daarom uw ziel in lijdzaamheid en wacht stil voor uw God. Wees niet zonder hoop; verwacht dat Hij uw twist twisten zal en uw recht uitvoeren. Waak op Zijn licht, dat zeker komen zal, en waarin u niet uw eigen gerechtigheid zult zien, maar de Zijne.
Micha 7:10.KruisverwijzingenJoël 2:17→Zacharia 10:5→Psalmen 18:42→Psalmen 42:10→2 Samuël 22:43→Psalmen 35:26→Micha 4:11→Psalmen 115:2→
— En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is de HEERE, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.
Dit vers gaat over het volk dat Israël in die tijd verdrukte. Ook zij zou haar beurt van lijden krijgen, want zij zou onder de voet van de HEERE verpletterd worden zoals het slijk op de straten vertreden wordt.
Micha 7:11-12.KruisverwijzingenJesaja 19:23→Hosea 11:11→Jesaja 11:16→Jesaja 54:11→Nehemia 2:17→Nehemia 4:3→Nehemia 2:8→Nehemia 3:1→
— Ten dage als Hij uw muren zal herbouwen, te dien dage zal het besluit verre heengaan. Te dien dage zal het ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs tot de vaste steden toe; en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte.
Dit zou hun overkomen die tegen God gezondigd hadden en Zijn volk verdrukt hadden. Hij zou de verdrukkers op hen loslaten, en zij zouden van alle kanten vijanden vinden.
Micha 7:13.KruisverwijzingenJesaja 3:10→Jeremia 25:11→Micha 3:12→Jeremia 17:10→Job 4:8→Spreuken 31:31→Leviticus 26:33→Jeremia 21:14→
— Maar dit land zal worden tot een verwoesting, zijner inwoners halve, vanwege de vrucht hunner handelingen.
Dat is een wonderlijke uitdrukking: de vrucht van hun handelingen. Alle handelingen dragen vrucht van de een of andere soort, en zondige handelingen dragen bittere en dodelijke vrucht. Wee de mens die de vrucht van zijn eigen handelingen eten moet! Wat mensen op aarde eten, zullen zij misschien in de hel moeten verteren. Daar zullen zij voor eeuwig liggen, de verschrikkelijke brokken verterend die zij hier beneden met zoveel smaak aten.
Micha 7:14.KruisverwijzingenMicha 5:4→Amos 9:11→Jeremia 50:19→Psalmen 23:1→Psalmen 95:7→Jesaja 49:10→Psalmen 28:9→Jesaja 40:11→
— Gij dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde Uwer erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.
Soms zijn er weiden midden in de wouden. En Gods volk was in de dagen van Micha als een kleine kudde schapen, voor hun vijanden verborgen in het midden van een woud. Maar God zal hen te zijner tijd uitbrengen in veel ruimere vrijheid. Zij zullen Basan en Gilead nog tot weide hebben, als in de dagen van ouds. Zo zal de kleine tot duizend worden en de geringe tot een machtig volk. En zij die vanwege hun vele vijanden weggeborgen waren, zullen zo’n vrijheid hebben dat zij overal de HEERE hun God zullen aanbidden en prijzen.
Micha 7:15-17.KruisverwijzingenJesaja 26:11→Jesaja 49:23→Jesaja 11:16→Psalmen 72:9→Jesaja 63:11→Jeremia 23:7→Exodus 3:20→Jesaja 51:9→
— Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen, toen gij uit Egypteland uittoogt. De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op den mond leggen; hun oren zullen doof worden. Zij zullen het stof lekken, als de slang; als kruipende dieren der aarde, zullen zij zich beroeren uit hun sloten; zij zullen met vervaardheid komen tot den HEERE, onzen God, en zullen voor U vrezen.
De dag zal komen dat er zo’n vrees voor het volk van God zal zijn bij hen die het vroeger vervolgden. Zij zullen beven voor de HEERE en bang zijn voor juist die mensen die zij eens bespot en verdrukt hebben.
Micha 7:18.KruisverwijzingenJesaja 43:25→Jeremia 50:20→Jeremia 32:41→Micha 2:12→Exodus 15:11→Exodus 34:6→Psalmen 103:8→Micha 4:7→
— Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid.
“Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid.”
Hij heeft nooit behagen in toorn, en zeker niet in toorn tegen Zijn eigen volk. Dat is maar een tijdelijke toorn, en per slot van rekening niet meer dan een andere vorm van liefde. Want de ouderlijke toorn die de zonde in een lief kind haat, is niet anders dan liefde in vuur en vlam.
God geve dat wij nooit zonder meer zondigen mogen zonder dat Hij zo toornig op ons is! Wij zouden Hem haast willen smeken de zonde in ons nooit te dulden. Laat Hij ons liever met de roede slaan dan toelaten dat wij gelukkig zijn te midden van het kwaad. Misschien is de ergste van alle verschrikkingen wel de vrede te midden van de ongerechtigheid, het geluk terwijl de zonde overal om ons heen is.
Micha 7:19.KruisverwijzingenJesaja 38:17→Jeremia 50:20→Hosea 14:4→Jeremia 31:34→Psalmen 103:12→Psalmen 130:8→Jesaja 63:15→Jesaja 43:25→
— Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.
Wij hebben in het eerste deel van dit hoofdstuk over hun zonden gelezen, en wat een afschuwelijke lijst van kwaad was dat! En toch lezen wij hier: “Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft?” Zelfs die bergen van zonden waarover de profeet schrijft, zal de HEERE bij de wortel uitrukken en in de diepten van de zee werpen.
Micha 7:20.KruisverwijzingenLukas 1:72→Genesis 28:13→Genesis 17:7→Deuteronomium 7:8→Handelingen 3:25→Psalmen 105:8→Hebreeën 6:13→Genesis 26:3→
— Gij zult Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt.
Daar ligt onze vertroosting: onze God is de verbondhoudende God, Die elke belofte die Hij gedaan heeft vervullen zal. Zelfs geldt: “Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen.” Geloofd zij Zijn heilige naam.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Vs. 1-20.KruisverwijzingenJeremia 9:4→Jesaja 9:2→Jesaja 22:5→Mattheüs 10:35→Psalmen 112:4→Psalmen 12:1→Ezechiël 2:6→Mattheüs 10:21→
— Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht. De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren altemaal op bloed, zij jagen, een iegelijk zijn broeder, met een jachtgaren. Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de grote spreekt de verderving zijner ziel, en zij draaien ze dicht ineen. De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is scherper dan een doornheg; de dag uwer wachters, uw bezoeking, is gekomen; nu zal hunlieder verwarring wezen. Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt. Want de zoon veracht den vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijn huisgenoten. Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen. Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een licht zijn. Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij brengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid. En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is de HEERE, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.
Op deze bedreiging des Heeren antwoordt nu de Profeet in naam der boetvaardige, gelovige gemeente, welke Hij in de toekomst ziet, in naam van het ware Israël. Het is een gebed, waarin zij haren afval van den Heere en het algemene diepe verderf met berouw belijdt en met droefheid beklaagt, dat de Heere Zijne gerichten over haar heeft moeten brengen (vs. 1-6. Vervolgens wendt zij zich in hartelijk geloof tot den Heere, en spreekt het vaste vertrouwen uit, dat de getrouwe Heere voor de gemeente, welke de verdiende straf gaarne draagt, eens het licht Zijner genade weer zal laten opgaan, en hare vijanden niet over haar zal laten triomferen, maar haar recht verschaffen zal, en de vijanden diep verootmoedigen. Zij spreekt ernstig, dat de Heere weer de vroegere bewijzen van genade zal willen vernieuwen. (vs. 7-14) Op zulk een Kurië en Credo der ware gemeente Gods antwoordt vervolgens de Heere met de belofte, dat Hij voor Zijn volk de wonderen van den voortijd weer wil vernieuwen, waarop de Profeet met den lof der barmhartigheid en der genade Gods eindigt. (vs. 15-20).
Ai mij, zo klaagt de boetvaardige gemeente Gods met het oog op de zware gerichten, die over haar komen; want ik ben als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld in den tijd van den oogst, als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn: er is gene druif om te eten, zo geheel ben ik afgelezen en van alle edele vruchten beroofd; en toch mijne ziel begeert, dat vroegrijpe vrucht aan mij worde gevonden. Israël vergelijkt zich in zijnen door Gods gerichten verstoorden volkstoestand met een oofttuin en een wijnberg, waarin een nalezer slechts hier en daar ene vrucht vindt, welke in ‘t verborgen bleef liggen, of ook niets vindt. Wat onder de wijndruiven en zoete druiven moet worden verstaan, welke Israël niet meer aan zich vindt en toch verlangt, zegt het volgende vers. De vroege vijgen zijn rijp in Juni en de oogsttijd valt in Augustus. Het is dus begrijpelijk, dat er in Augustus geen vroege vijg meer te vinden is. Zo ook vindt men schier geen of weinige druiven, wanneer deze zijn ingehaald. Hier en daar mag nog een klein trosje hangen, maar veel is het niet. Zo spreekt hier ook de Profeet in naam der Kerke. In zijn gebed van boete en berouw wijst hij op den diep droeven toestand, dat de getrouwen zo weinig zijn in den lande. Jesaja spreekt dan ook van een hutje in den hof en van een nachthutje in den komkommerhof.
De goedertierene, de vrome, die nog in oprechtheid wandelt en liefde en trouw bezit (Spr. 12:2), dat is de druif en vijg in mijnen tuin, maar hij is vergaan, verdwenen uit het land (van de aarde), en er is niemand, die oprecht onder de mensen den weg van Gods geboden pest (Ps. 12:2 vv.); zij loeren allemaal op bloed, zij bedenken bedrog en verraad tegen hun naasten, om hun de middelen tot bestaan, al is het ook met geweld, te ontroven; zij jagen, een iegelijk zijnen broeder, met een jachtgaren, een fijn gesponnen net.
Zij zoeken er naar om met beide handen wel dapper kwaad te doen, hoewel zij daaraan een schijn van recht geven, zo eist de vorstbijvoorbeeld de veroordeling van enen onschuldige, en de rechter oordeeltalzo a), om vergelding, om een loon van den vorst te ontvangen; en de grote helpt beiden dien strik spannen, want hij spreekt de) verderving zijner ziel, legt het mede op diens verdrukking toe, en zij draaien, ze, bij dit drietal, den strik hunner boosheid tegen de rechtvaardigen dicht in een, en geven aan hun misdaad den schijn van recht.
(Micha 3:11. b) Micha 2:1.
Zelfs de beste van hen is als een doorn, die steekt en wondt; de oprechtste is scherper dan ene doornheg. Daarom moet het gericht over zulk een volk komen, zij leven nu in gerustheid in hun zonden voort; de dag uwer Profeten van goddelijke waarheid en gerechtigheid, der wachters op Zions muren, uwe bezoeking is gekomen, wanneer gij, o volk! door het gericht Gods wordt bezocht; nu zal hunlieder verwarring wezen; zij die hun boosheid nog onder een goeden schijn zo listig verbergen, zullen dan geheel in verwarring zijn, want hun boosheid zal ontdekt worden. (Jer. 22:5). Wijzende op den gerichtsdag spreekt de spreker tot het volk, terwijl hij in de schildering van het verderf van het volk spreekt. Deze onderscheiding van den spreker over het volk getuigt niet tegen de aanneming, dat de Profeet in naam der gemeente spreekt, evenmin als de woorden: “Uwe wachters, uwe bezoekers, ” een bewijs daartegen leveren, daar toch de Profeet zelf tot de wachters behoorde. Deze onderscheiding bewijst alleen, dat de boetvaardige gemeente niet met de massa des volks identiek, maar van deze onderscheiden is.
Dan zal hare inwendige trouweloosheid zich verheffen tot openbaar verraad. Gelooft enen vriend niet, met wien gij tot hiertoe verkeerdet, vertrouwt niet op enen voornaamsten, enen boezemvriend; bewaar de deuren uws monds zelfs voor haar, die in uwen schoot ligt1), want zij zullen geen van allen de geheimen van uw hart bewaren.
Hiermede wijst de Profeet op den treurigen toestand, dat ook de trouw is vergaan, dat het verraad vrij spel heeft. Niemand kan zijn vriend langer vertrouwen, zelfs de man zijn vrouw niet. Het mocht daarom terecht een zeer boze tijd worden genoemd, dewijl de verstandige moest zwijgen.
Want de heiligste ordeningen Gods in de wereld zullen dan met voeten worden getreden; de innigste banden van liefde en eerbied zullen worden van een gescheurd; de a) zoon veracht den vader als een onwetende, de dochter staat op tegen hare moeder, de schoondochter tegen hare schoonmoeder (Richt. 19:10); eens mans vijanden, zijne heimelijke vervolgers en verraders, zijn zijne huisgenoten, die met hem onder één dak wonen en door liefde nauw verbonden één geheel moesten zijn.
Ezech. 22:8. De Heere haalt in Matth. 10:35 vv. en Luk. 12:53 deze verzen aan, om Zijne Apostelen en gelovigen aan te wijzen, hoe zij zich moesten gedragen, wanneer Zijne toekomst zou naderen en de boosheid der wereld op ‘t hoogst zou stijgen. De tijd, dien Micha beschrijft, als de gerichten en bezoekingen over het volk Gods ten einde lopen en reeds ene boetvaardige gemeente uit de verlorene massa is voortgekomen, is echter natuurlijk geen andere, dan de tijd van de wederkomst des Heeren als Israël zich zal bekeren. De Profeet, een bode van den Goddelijken toorn maar ook van de genade, kan zijne zending niet volbrengen, zonder ten laatste den regenboog der verzoening aan den hemel van zijn Boek te laten opstijgen. Hij stelt zich in de plaats van zijn tot erkentenis gekomen volk, en spreekt in diens naam de heerlijkste woorden van waarheid uit den mond van den bekeerden zondaar, die volhardt en hoopt op den God zijns heils, en in zijn wederverkregen stil geluk met de vijandschap der wereld spot.
Maar ik, de ware gemeente des Heeren, welke zich door de gerichten, tot boete en bekering heeft laten leiden, zal, al verdwijnt ook alle liefde en trouw onder de mensen, met te hartelijker en inniger vertrouwen, uitzien naar den HEERE. Ik zal stil zijn en hopen op Zijne redding, die zeker van Zion zal komen. Ik zal wachten op den God mijns heils, op den oorsprong van mijne redding en zaligheid, dat Hij kome en een einde make aan al het drijven mijner vijanden; mijn God zal mij, waar ik roep om spoedige hulp, horen.
Meen dan niet, dat het reeds met mij gedaan is. Verblijd U niet over mij, o mijne vijandin, gij wereldmacht, die mij haat om de genade Gods aan mij en om mijne goddelijke roeping! wanneer ik nu van wege mijnen God om mijne zonden door u gekastijd, gevallen ben, zal ik door Mijnen God spoedig, als ene boetvaardige zondares begenadigd, weer opstaan, en in de vrijheid en heerlijkheid van Zijn volk ingaan; wanneer ik in duisternis, in den donkeren kerker van ellende en van verbanning voor Zijn aangezicht zal gezeten zijn (Jes. 9:1; 42:7. (Ps. 107:10), zal mij de HEERE ook in deze mijne diepste vernedering een licht zijn 1). De Heere toch kastijdt wel de Zijnen, maar Hij heft Zijne beloften, welke Hij hun gezworen heeft, niet op.
De ervaring van Gods genade in de tegenspoeden wordt zeer eigenaardig vergeleken met het licht even als wanneer iemand in ene diepe groeve geworpen, toch uit de verte het zonnelicht ziet, als hij de ogen opheft. Zo moeten ook wij er ons niet aan stoten, hoe dik en duister ook de donkerheid in de bestrijdingen zij, maar altijd de vonken licht ons lichtende voorhouden, d. i. altijd moet het geloof onze ogen naar boven richten, opdat wij ene ervaring der Goddelijke genade hebben. De Kerk wordt hier geleerd te verwachten, en zich van God te beloven, zelfs dan, wanneer de dingen tot het uiterste gebracht zijn. Wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, verlaten en troosteloos, bedroefd en verslagen, dan nog zal de Heere mij een licht zijn, om mij te vertroosten en te versterken, om mij te bestieren en te leiden, als een licht voor mijne ogen, een licht voor mijne voeten, een licht in een duistere plaats. De Kerk van Christus is ene kruiskerk; zij overwint in het bezwijken. Wanneer zij verootmoedigd wordt, wordt zij groot. Wanneer zij geheel ter aarde valt en het zwakste schijnt, dan is zij het sterkst; als zij in het diepste lijden is, dan is zij ‘t voorspoedigst. Het ongeluk is haar geluk, de nacht haar zon. Zo was het met Christus, haar Hoofd, en zo is het ook steeds met de Kerk gegaan. De gelovige gemeente, als wier mond Micha hier spreekt, ziet het door den Profeet in Hoofdst. 3:12; 6:16 als onafwendbaar aangekondigd gericht van den ondergang des rijks, en van de wegvoering in ballingschap reeds begonnen, en spreekt hier uit de ervaring dezer geschiedenis. Hierbij mag nooit worden vergeten, dat de verwoesting des rijks door de Chaldeën en de Babylonische ballingschap slechts een voorbijgaand, zelf weer voorzeggend karakter bezitten, dat het gehele gebed dus nog meer het gebed is der gelovige leden van Gods volk, die zich door de verwoesting van het rijk door de Romeinen en de verbanning onder alle volken, waarin het nu nog smacht laten verootmoedigen en bekeren. De profetie Gods had echter niet nodig deze brede verwoesting en verbanning nog in ‘t bijzonder te noemen, daar deze toch slechts ene voortzetting en versterking van dat eerste gericht was; want door het terugkeren van het volk uit Babel naar Kanaän hield toch de gevangenis in waarheid niet op, want tussen 436 v. Chr. en 70 n. Chr. heeft het rijk Gods toch nooit zelfstandig, op de wijze als vroeger, bestaan. De Kerk verwacht het hier niet van de bergen en de heuvelen der aarde, evenmin van eigen licht, van eigen pogen en werken, maar enig en alleen van dien God, die in de duisternis had gearbeid. Welk een geloof, welk een verzekerd geloof spreekt zich hier uit! En welk was het licht? Waarom zou de Heere het licht zijn voor Zijn volk? Omdat Zijn Verbond vast staat. De Kerk steunt op de beloften van dien God, die immer een Waarmaker is van Zijn Woord.
Ik zal des HEEREN gramschap, welke nu in de ballingschap op mij rust, gewillig en geduldig dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd, en zulk ene straf overvloedig verdiend. Ik zal die dragen totdat de tijd komt, dat Hij den overmoed en den haat, met welke de vijanden mij behandelen, aan hen bezoeke hen van hun hoogten afstorte, en mijnen twisttegen deze werktuigen van Mijnen toorn a) twiste en mijn recht tegen henuitvoere; Hij zal mij eens uit dezen kerker van ellende weer verheffen, en mij uitbrengen aan het licht der genade en der vrijheid; ik zal mijnen lust zien aan Zijne onwankelbare trouw en gerechtigheid, wanneer Hij mij weer Zijne genade betoont.
Jer. 50:34. In deze woorden is voor alle tijden de ware, Gode welgevallige aard der boete uitgesproken, zo als in de Augsburgse Confessie Art. XII staat: De ware oprechte boete is werkelijk berouw hebben, leed dragen over, en een schrik hebben van de zonden, en toch geloven, aan het Evangelie, dat de zonde vergeven is en door Christus genade is verworven, welk geloot weer het hart vertroost en tevreden doet zijn. De boetvaardige zondaar moet vóór alle dingen erkennen, dat de smarten, in welke hij zucht, Gods toorn over zijne zonde, dus welverdiende straffen van den sterken en ijverigen, rechtvaardigen en heiligen God zijn. Het moet verder duidelijk en met diep leedwezen belijden, dat hij gezondigd heeft, dat hij tegen den Heere, zijnen God heeft misdaan. Hij moet even zo vertrouwend op het licht der genade zien, die ook voor hem is geopenbaard, en bereid is, en eindelijk den tijd tegemoet zien, dat de Heere Zich over alle gebogene, verootmoedigde zondaars zichtbaar zal ontfermen en hen voor de vijandschap der wereld zal rechtvaardigen.
En mijne vijandin, die nu triumferende, vijandige wereldmacht, zal het zien, hoe ik door Hem wordt gered, en alle mijne verwachtingen vervuld worden, en schaamte zal haar bedekken, die honendetot mij a) zegt: Waar is dan nu de HEERE, uw God, op wiens grote macht, genade en trouw gij zozeer roemt? mijne ogen zullen met lust en vreugde aan haar zien, dat zij, die hoogmoedige vijandin van God en van Zijn volk, vernederd wordt; nu zal zij van hare hoogte nedergestort worden ter vertreding als slijk der straten. 1)
Ps. 79:10; 115:2. Joël 2:17.
Wanneer de Heere Zijn volk beproefd heeft, dan wordt de beker gebracht aan de mond der goddelozen en dan zullen de vijanden der Kerk en de bespotters van haar vertrouwen als verachtelijke dingen verdorven worden, want nu zal ze worden tot vertreding, als slijk der straten.
Ten dage als dat zal geschieden en Hij alle geweld en vijandschap tegen Gods volk zal doen eindigen, zal het zijn dat Hij uwe muren zal
herbouwen, o Zion, eeuwige hoofdstad van het rijk Gods (Ps. 51:20), en te dien dage zal het besluit verre heengaan 1).
De Mozaïsche wet in zoverre die scheidsmuur tussen Israël en de volken was, zal, als de Doorbreker van alle banden verschijnt, en met krachtigen arm het boetvaardige volk uit zijnen kerker in het land der zaligheid terugvoert, worden afgeschaft; want Christus is het einde der wet. Daardoor zal echter het woord Gods ene grote speelruimte, nieuw licht en nieuwe kracht verkrijgen; want het is toch de tijd, dat de wet in de harten zal worden ingeschreven, en onder alle volken licht geven zal. De tijd van het einde der wet is de tijd van hare vervulling, van hare ware oprichting, van hare oplossing in de wet van het Evangelie. De wet moet ons een tuchtmeester tot Christus zijn. Wanneer wij echter Hem toebehoren, zijn wij vrij van de wet der dienstbaarheid, om in de vrijheid der kinderen Gods te wandelen. En het is zeker, dat er een tijd komt, wanneer God de zielen van duizenderlei zaken bevrijdt, welke onder de wet behoren, om ze tot inwendige navolging van de wet Zijns Geestes te brengen. Verschillend worden deze laatste woorden verklaard. Luther en in navolging van hem onderscheidene godgeleerden, zoals Keil, Dächsel (zie hierboven) e. a. vatten het besluit op van de Wet, in dezen zin, dat er geen scheiding meer zal zijn tussen Joden en Heidenen. Anderen zoals Hutcheson, in verband met Ps. 2:7, van de uitbreiding van het Evangelie onder alle volken. Calvijn echter, en met hem verenigen we ons volkomen, van het besluit Gods omtrent Israël, waardoor Hij hen overgaf aan de verdrukking der Babyloniërs. Dit besluit ten kwade vanwege de zonde en afval van het volk zal verre henengaan, zal ingetrokken worden en Israël zal weer als vrij en verlost volk heengaan.
Te dien dage, als gij weer in uw land verzameld zijt en uwe muren weer zijn opgebouwd, zal het talrijke leger van heilbegerige heidenen ook komen tot u toe, van Assur af, die tot hiertoe de grootste vijand in het rijk Gods was, zelfs tot de vaste steden toe de steden van Egypte, het andere vijandige wereldrijk; en van de vestingen, van de steden van Egypte tot aan de rivier, den groten stroom, den Eufraat, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte, uit alle volken der gehele aarde (Jes. 19:18-25). Zij zullen komen om zich met u tot een eeuwig heil, tot een volk te verenigen (Hoofdst. 4:1, 2).
Dan zullen zich spoedig vele volken tot u wenden, maar dithun land, de aarde buiten het weer gebouwde en verheerlijkte Zion, den zetel van het rijk Gods, zal dan door het gericht Gods worden getroffen en worden tot ene verwoesting, zijner inwoners halve, daar zij in goddeloosheid en vijandschap volhouden, van wege de a) vrucht hunner handelingen1) van welke zij zich niet willen bekeren.
Jer. 21:14.
Als de roede heeft uitgediend, zal zij niet alleen verbroken, maar ook verbrand worden. Als de Gode vijandige wereldmacht, want Assyrië vertegenwoordigt ook deze, zal hebben volbracht wat God bedoeld heeft, zal zij zelf worden verbroken, zal haar heerschappij een einde hebben. Assyrië heeft het niet gedaan om Gode te believen en te dienen, maar om zich zelf, en al hare vijandschap was in den grond der zaak vijandschap tegen God.
Gij dan, o Heere! trouwe, goede Herder Uws volks, tot wien ik, Uwe gelovige gemeente, door den mond van Uwen Profeet met het oog op zulk een zegen der toekomst bid a), weid Gij zelf door Uwen Gezalfde, dien Gij uit Bethlehem wilt zenden, Uw volk, en leid het tot dat dal met Uwen herdersstaf! Weid door het woord van Uwen mond de kudde Uwer erfenis, die Uw eigendom is en Uwe bescherming tegen hare vijanden nodig heeft, die, zo als ons Bileam (Num. 23:9 en Mozes (Deut. 33:28) geprofeteerd heeft, alleenafgezonderd woont in het woud, onder Uwe bescherming afgezonderd van alle vijandige volken der wereld, in het midden van een vruchtbaar land1), liever, in het midden van Karmel. Laat ze overal op de schoonste weiden, op de vruchtbaarste plaatsen van Uw beloofd erfland weiden? als in Basan en Gilead, in het land ten oosten van den Jordaan, als in de dagen van ouds, toen Gij hen nog onder Mozes en Jozua door Uwen almachtigen arm in het bezit van het beloofde land bracht.
Micha 5:3
In het Hebr. Betoog Karmel, Beter: in het midden van Karmel. Karmel is het bekende gebergte, hetwelk rijk was aan weiden en bossen. Israël neemt hier de toevlucht tot den Heere God, en houdt God aan de voorspellingen omtrent hen gedaan. Israël is een afgezonderd volk, hetwelk veilig woont te midden van overvloed. Hieraan herinnert de Kerk den Heere God en smeekt om de vervulling dier beloften en toezeggingen.
Ja, antwoordt de Heere, die steeds boven bidden en denken geeft, op zulk een gebed van de gelovige gemeente der toekomst: Ik zal haarin den laatsten tijd van volkomen ontferming weer a) wonderen doen zien, als in de dagen, toen gij door Mijne verlossende macht uit Egypteland, dat eerste wereldrijk, dat Mijn volk vijandig bejegende, een voorbeeld van alle wereldmacht, uittoogt. Zo zal Ik ook hun Mijne wondermacht laten zien, wanneer Ik uit de macht der wereld voor altijd red.
Joël 2:26, 30.
De Heidenen, die rondom wonen en in hun ongeloof vijandig zijn, zullen het zien, even als toen, en beschaamd zijn, van wege al hun macht, zij zullen tegenover die daden van den almachtigen God omtrent Zijn volk machteloos staan; zij zullen de hand op den mond leggen, in eerbiedige bewondering; hun oren zullen doof worden 1) van den donder der daden Mijner almacht.
Gelijk God Israël door de wonderen Zijner almacht verlost had uit Egypteland, alzo zou de Heere ook door Zijne wonderdaden Zijn volk verlossen uit deze nieuwe ellende. En dit zou alzo geschieden, dat de Heidenen stom en beschaamd zouden zijn. Zij zullen zwijgen als teken van de hoogste vrees voor de daden Gods.
Zij, de ongelovige heidenen, zullen dan in ootmoedige onderwerping onder Mijne almacht
, het stof lekken als de slangin het paradijs (Gen. 3:14); als kruipende dieren der aarde, wanneer men ze uit hun schuilhoeken uitdrijft, zullen zij zich beroeren uit hun sloten, zullen zij sidderend uit hun verblijfplaatsen te voorschijn komen, om voor Mijne genade, die alleen hulp en bescherming tegen het eeuwige verderf aanbiedt, te ontvluchten. Zij zullen allen te zamen met vervaardheid komen tot den HEERE, onzen God, die zo grote dingen aan Zijn veracht volk heeft gedaan, en bevende tot Hem snellen, en zij zullen voor U, o Heere! en Uwen toorn vrezen.
Ps. 72:9. Jes. 49:23. Het antwoord des Heeren, dat Hij Zijn volk door den mond van Zijnen Profeet geeft, gaat hier ongemerkt over in ene aanspraak aan den Heere zelven, en brengt zo tot het volgende woord van lof en dank, dat, terugziende op de grote heerlijkheid van Gods genade en ontferming over Zijn volk en op de wijsheid van die zo zalig eindigende wegen, het Boek op ‘t liefelijkst sluit. Hier toont de Profeet, dat er geen reden is, waarom de gelovigen zouden wanhopen in hun zwakheid, dewijl zij veeleer zich voor ogen moeten stellen de almachtige kracht Gods. Wel past het, dat zij met wantrouwen vervuld worden, opdat de kinderen Gods gevoelen mogen, dat zij niets zijn en volstrekt geen krachten hebben, maar zij moeten bij hun zwakheid niet blijven volharden, maar veeleer opklimmen tot de kracht Gods, opdat zij er niet aan twijfelen, dat, wanneer deze openbaar wordt, de vijanden terstond verstomd worden.
Wie is onder alle machtigen in hemel en op aarde een God gelijk Gij, zo moet ik, Uw Profeet, uitroepen, met het oog op de beloofde verlossing van Uw volk uit alle zonde en ellende, met degenen, die Uwe vroegere verlossing uit Egypte beleefden (Ex. 15:11 11); een God, die de ongerechtigheid uit louter genade en barmhartigheid om Zijns zelf wil a) vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel, het geredde boetvaardige gedeelte Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijnen toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft geen lust in den dood des zondaars maar aan goedertierenheid; Hij buigt Zich met welgevallen tot den zondaar in zijne armoede neer.
Ex. 34:6, 7. Dat Micha hier op zijne naam zinspeelt, daarvoor spreekt vooral, dat hij het juist op deze plaats doet. Met vs. 18 begint het slot van het gehele Boek. De Profeet kon, als hij op zijnen naam ergens in zijn geschrift wilde zinspelen, dit nauwelijks ergens meer gepast doen, dan aan het begin van het verheven slotwoord. Maar wat nog van veel groter betekenis is: in hetgeen in vs. 18 vv. wordt uitgesproken lag de oplossing der disharmonie, welke ten tijde van Micha tussen Israël en zijnen God was gekomen, en ook in de meer nabijzijnde toekomst als tijd des gerichts zal heersen. Het uitgesprokene in deze verzen vormt het fondament van alle beloften van het Boek over de herstelling van het voor zijnen afval gekastijde Israël, en was het tevens, waarop alle verwachtingen van Gods volk en alle verwachtingen van den profeet voor zijn geliefd volk als op den laatsten en enigen grond rusten. Dat de Heere de Onvergelijkelijke is, dat hij als degene, die getrouw aan den eed, den vaderen gezworen, aan het overblijfsel Zijner erfenis de zonden vergeeft, als de getrouwe Zondendelger de Onvergelijkelijke is, daarop kwam voor Israëls toekomst alles aan, daarin lag alleen de waarborg daarvoor, dat op den donkeren nacht des gerichts, die onveranderlijk noodzakelijk op het treurige heden moest volgen, de morgen van ene heerlijke verlossing zou aanbraken; dat was de rots en het enige steunpunt, waaraan zich ieder hart, dat over het toekomende lot van Gods volk bevreesd was, waaraan zich het daarover diep bekommerde hart van den Profeet moest hechten, en, daaraan zich vasthoudende, kon het getroost den zwaren tijd te gemoet zien, die naderende was. Juist omdat de onvergelijkelijkheid God als van den Getrouwe aan Zijne beloften en daarom Barmhartige jegens het overblijfsel Zijns volk, die plaats tot de beloften van dit boek en tot de verwachtingen van Israël en van Micha innam, stelde de profeet die juist in de slotverzen van zijn Boek voor. In de heerlijke toekomstige verlossing van Israël blijkt het, dat de Heere als degene, die getrouw aan den eed den vaderen gedaan, aan het overblijfsel van Zijn volk zijne zonden vergeeft, de Onvergelijkelijke is, en juist daarin, dat hij dit is, heeft deze verlossing haren grond. De Profeet kon daarom met niets gepaster zijn Boek besluiten, dan met den lof der onvergelijkelijkheid van God, als den trouwen Vergever der zonden; met niets beters op de lippen kon het eindigen, dan met dien eeuwigen onveranderlijken en zekeren grond van alle belofte en verwachting. Terwijl nu Micha bij het uitspreken van hetgeen het fondament van het toekomstig heil van Israël en van zijne eigene verwachtingen voor zijn volk was, op zijnen naam zinspeelde, nam hij dien als enen enigzins profetischen op; hij vond daarin ene soort van voorzegging van de toekomstige verlossing van Israël en een borg daarvoor. Niets was hem voor zijne profetische roeping dood, onverschillig, dat hij daarmee niet in betrekking zou hebben kunnen stellen, niet door hem zou hebben kunnen dienstbaar maken. Hij hield het niet voor zonder betekenis en toevallig, dat hij, een profeet, juist dien naam droeg, integendeel zag hij daarin, dat hij, die als profeet beloften van Israëls toekomstig heil moest uitspreken, juist dien verkregen had, een naam, die datgene uitdrukte, waarop de vervulling van alle deze beloften als op haren grond rustte, en wat voor deze een waarborg was, ene goddelijke leiding, welke ene soort van voorzegging in zich sloot.
Hij zal Zich daarom ook onzer eens weer ontfermen, en gelijk Hij eens den tiran Faraö heeft verslagen, en in de wateren der zee heeft doen zinken, zo zal Hij ook onze ongerechtigheden dempen, de macht en tyrannie onzer zonden, die ons als slaven en gebondenen tot dienstbaarheid en dood hebben medegesleept, onder onze voeten vertreden. Ja Gij zult al hun zonden eindelijk in de diepten der zee werpen, zodat zij daar als Faraö voor eeuwig begraven zijn. Het is dus gene zo geringe zaak, maar een werk der goddelijke almacht, de macht der zonde, welke in het gericht tegen ons opstaat, ons veroordeelt, en ons aan zich wil onderwerpen, te verbreken.
Gij zult Jakob, het volk dat gij verkoren hebt, de trouw, de nauwkeurige vervulling der beloften aan Abraham, in wien Gij een verbond met Uw volk hebt gemaakt, de goedertierenheid geven, welke Gij ze voor eeuwig hebt verkoren, de genade, die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt. De eed van God, waartegen Micha hier aan het einde als tegen ene rots leunt, is die van Gen. 13:16 vv. Hoe God dien heeft gehouden deze men Luk. 1:72-75. Het gehele slot van het Boek (vs. 18-20) is in elk opzicht met Rom. 11:33-36 te vergelijken. Even als Micha deze lofrede uitspreekt, nadat hij de grondeloze barmhartigheid Gods, welke uit het zondenlabyrinth van het volk Israël toch eindelijk een uitweg vol licht vindt, in ‘t voorgaande uit elkaar heeft gelegd, zo houdt ook Paulus, nadat hij het raadsbesluit Gods in Christus Jezus, en Israëls verhouding daartoe naar alle kanten besproken heeft, stil, en roept met het oog op Gods onnavorsbare genade, welke eindelijk alles heerlijk volbrengt, en Zich ook over Israël ontfermt (Rom 11:25 vv.), het lofgezang uit: “O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods!” . De gelovigen bezitten de hoogste kennis, dewijl God bij hen Zijn verbond, wat niet verbroken kan worden, heeft gedeponeerd. En hieruit blijkt zo helder, dat de gelovigen niet uit hun eigen gemoed kunnen opmaken, hoedanig God is, maar het medelijden omhelzen, hetwelk Hij zelf in Zijn Woord aanbiedt. Indien God niet had gesproken derhalve, zouden wij wel iets in onze gemoederen kunnen ontvangen, omtrent Zijne genade, maar dit zou zwak en van geen betekenis zijn. Doch waar Hij nu zelf ons verkondigt, dat Hij barmhartig is, daar is alle twijfel weggenomen. Deze orde houdt nu de Profeet vast. Want, zegt hij, gij zult Jakob de trouw en Abraham het medelijden geven, hetwelk gij aan de vaderen gezworen hebt. Alsof hij wil zeggen: Niet blindelijk verdichten we iets uit ons eigen gemoed, maar wij grijpen aan, wat Gij ons eenmaal hebt betuigd. Uw wil is ons in Uw Woord geopenbaard, steunende op Uw gunst zijn wij overtuigd van Uwe genadige vergiffenis, ook al staan wij op velerlei wijze tegen U schuldig. Zowel door de waarheid als de goedertierenheid te noemen wijst de Profeet, of wilt ge de Kerk, op het Verbond Gods. Want uit kracht van dit Verbond is God niet alleen de Waarachtige en Getrouwe, zodat wij er op aan kunnen, wat Hij zegt en belooft, maar ook de goedertierene en genadige. De Apostel Paulus spreekt er dan ook van, dat de genadegiften en de roepinge God onberouwelijk zijn. SLOTWOORD OP HET BOEK MICHA. Ook Micha neemt onder de Profeten des O. Verbonds een zeer hoge plaats in, dewijl hij wijst, zowel op de zekerheid van Gods oordelen over den afval des volks, als op de komst van den Messias en het heil in Hem besloten, maar ook bepaalt bij de heerlijkheid, die in de toekomst zal geopenbaard worden, als aan de ellende een einde zal gekomen zijn, Israëls volk in genade aangenomen, en de bekering der Heidenen zal plaats grijpen. Hij treedt op in Jeruzalem, inzonderheid in de dagen van Hizkia, een tijd, waarin het wel scheen, dat er voor Juda nog ene schonere toekomst was bereid, dewijl zijn koning, evenals David, den Heere vreesde en waarlijk bedoelde het volk te leiden in de sporen van recht en gerechtigheid. Hij ziet echter, hoe innerlijk het volk verdorven is, en, gedreven door den H. Geest, voorspelt hij op bevel des Heeren de straf, die niet alleen over Israël, maar ook over Juda zal komen. Hij ziet den gruwel der verwoesting komen, waardoor land en volk zal getroffen worden, maar hij weet ook, dat Gods Verbond vast staat, dat Zijne verkiezing onberouwelijk is, en daarom spreekt hij, evenzeer door God ingeleid, van herstel, van de tijden der genade. Hij verkondigt den dag, waarop de Heere God Zijn volk zal bezoeken met den Opgang uit de hoogte, en een blik slaande op het einde der eeuwen, voorspelt hij de lieflijke zegepraal van den Christus Gods en de heerlijke toekomst van de Kerk. En waar hij nu dit alles heeft voorspeld, daar verzamelt hij wat hij gesproken heeft in zijn Boek, opdat de grote hoofdinhoud zijner profetieën voor de toekomst als een heilige erfenis zou bewaard blijven, daar zorgt de H. Geest er voor, dat ook wat Micha sprak, niet verloren ging.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel