Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En gij, Bethlehem EfrathaH672! zijt gij kleinH6810 om te wezen onder de duizendenH505 van JudaH3063? Uit u zal Mij voortkomenH3318, Die een HeerserH4910 zal zijn in IsraelH3478, en Wiens uitgangenH4163 zijn van ouds, van de dagenH3117 der eeuwigheidH5769.
En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
Ook in dit vers
BethlehemH1035
oudsH6924
KJV
Now gather
thyself in troops,
O daughter
of troops:
he hath laid
siege
against us: they shall smite
the judge
of Israel14
with a rod
upon the cheek.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
DaaromH3651 zal Hij henlieden overgevenH5414, tot den tijdH6256 toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigenH3499 Zijner broederenH251 zich bekerenH7725 met de kinderen IsraelsH3478.
Daarom zal Hij henlieden overgeven, tot den tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen Zijner broederen zich bekeren met de kinderen Israels.
Ook in dit vers
kinderenH1121
barenH3205
gebaardH3205
KJV
But thou, Bethlehem
Ephratah,
though thou be little
among the thousands
of Judah,
yet out of thee shall he come forth
unto me that is to be ruler
in Israel;12
whose goings forth
have been from of old,
from everlasting.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En Hij zal staanH5975, en zal weidenH7462 in de krachtH5797 des HEERENH3068, in de hoogheidH1347 van den NaamH8034 des HEERENH3068, Zijns GodsH430, en zij zullen wonenH3427, wantH3588 nuH6258 zal Hij grootH1431 zijn tot aan de eindenH657 der aardeH776.
En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des HEEREN, in de hoogheid van den Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde.
KJV
Therefore will he give them up,
until the time
that she which travaileth
hath brought forth:
then the remnant
of his brethren
shall return
unto the children
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En DezeH2088 zal VredeH7965 zijnH1961; wanneer AssurH804 in ons landH776 zal komenH935, en wanneer hij in onze paleizenH759 zal tredenH1869, zo zullen wij tegenH5921 hem stellen zevenH7651 herdersH7462, en achtH8083 vorstenH5257 uit de mensenH120.
En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen.
Ook in dit vers
stellenH6965
KJV
And he shall stand
and feed14
in the strength
of the LORD,
in the majesty
of the name
of the LORD
his God;
and they shall abide:
for now shall he be great
unto the ends
of the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Die zullen het landH776 van AssurH804 afweidenH7462 met het zwaardH2719, en het land van NimrodH5248 in deszelfs ingangenH6607. Alzo zal Hij ons reddenH5337 van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komenH935, en wanneer hij in onze landpaleH1366 zal tredenH1869.
Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in deszelfs ingangen. Alzo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden.
Ook in dit vers
landH776
landH776
AssurH804
KJV
And this man shall be the peace,
when the Assyrian4
shall come13
into our land:3
and when he shall tread16
in our palaces,
then shall we raise
against him seven
shepherds,1
and eight
principal
men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En JakobsH3290 overblijfselH7611 zal zijnH1961 in het middenH7130 van veleH7227 volkenH5971, als een dauwH2919 vanH854 den HEEREH3068, als droppelenH7241 opH5921 het kruidH6212, datH834 naar geen man wachtH6960, noch mensenkinderenH1121 verbeidtH3176.
En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt.
Ook in dit vers
mensenH120
manH376
KJV
And they shall waste
the land
of Assyria
with the sword,
and the land
of Nimrod
in the entrances
thereof: thus shall he deliver
us from the Assyrian,
when he cometh
into our land,
and when he treadeth
within our borders.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Ja, het overblijfselH7611 van JakobH3290 zal zijnH1961 onder de heidenenH1471, in het middenH7130 van veleH7227 volkenH5971, alsH518 een leeuw onder de beestenH929 des woudsH3293, als een jonge leeuw onder de schaapskuddenH5739; dewelke, wanneer hij doorgaatH5674, zo vertreedtH7429 en verscheurtH2963 hij, dat niemandH369 reddeH5337.
Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde.
Ook in dit vers
leeuwH738
jonge leeuwH3715
KJV
And the remnant2
of Jacob3
shall be in the midst5
of many7
people6
as a dew
from the LORD,
as the showers
upon the grass,
that tarrieth
not for man,
nor waiteth
for the sons
of men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Uw handH3027 zal verhoogdH7311 zijn bovenH5921 uw wederpartijdersH6862, en alH3605 uw vijanden zullen uitgeroeidH3772 worden.
Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
Ook in dit vers
vijandenH341
KJV
And the remnant
of Jacob
shall be among the Gentiles
in the midst
of many
people
as a lion
among the beasts
of the forest,
as a young lion
among the flocks
of sheep:
who, if he go through,
both treadeth down,
and teareth in pieces,
and none can deliver.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En het zal te dien dageH3117 geschiedenH1961, spreektH5002 de HEEREH3068, datH1931 Ik uw paardenH5483 uit het middenH7130 van u zal uitroeienH3772, en Ik zal uw wagenenH4818 verdoenH6.
En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagenen verdoen.
KJV
Thine hand
shall be lifted up
upon thine adversaries,
and all thine enemies
shall be cut off.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En Ik zal de stedenH5892 uws landsH776 uitroeienH3772, en Ik zal alH3605 uw vestingenH4013 afbrekenH2040.
En Ik zal de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken.
KJV
And it shall come to pass in that day,
saith
the LORD,
that I will cut off1
thy horses
out of the midst
of thee, and I will destroy
thy chariots:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En Ik zal de toverijenH3785 uit uw handH3027 uitroeienH3772, en gij zult geenH3808 guichelaarsH6049 hebben.
En Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en gij zult geen guichelaars hebben.
Ook in dit vers
geschiedenH1961
KJV
And I will cut off1
the cities
of thy land,
and throw down
all thy strong holds:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beeldenH4676 uit het middenH7130 van u uitroeienH3772, dat gij u nietH3808 meerH5750 zult nederbuigenH7812 voor het werkH4639 uwer handenH3027.
En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen.
Ook in dit vers
gesneden beeldenH6456
KJV
And I will cut off1
witchcrafts
out of thine hand;9
and thou shalt have no more soothsayers:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Voorts zal Ik uw bossenH842 uit het middenH7130 van u uitroeienH3772, en Ik zal uw stedenH5892 verdelgenH8045.
Voorts zal Ik uw bossen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uw steden verdelgen.
Ook in dit vers
uitroeienH5428
KJV
Thy graven images
also will I cut off,
and thy standing images
out of the midst3
of thee; and thou shalt no more worship
the work
of thine hands.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En Ik zal in toornH639 en in grimmigheidH2534 wrakeH5359 doenH6213 aan de heidenenH1471, dieH834 nietH3808 horenH8085.
En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen, die niet horen.
KJV
And I will pluck up
thy groves
out of the midst
of thee: so will I destroy
thy cities.
Nu
Alsof de Heere zeide: Maar dewijl het voor deze tijd, om uw zonden wil, alzo moet gaan, gelijk vs.10,11 gezegd is, zo zal het al vergeefs zijn, wat gij daartegen met al uw gewoel zoudt mogen voornemen, want gij moet toch naar Babel. Het is een aanspraak tot de inwoners van Jerzualem, met wie de profeet in de volgende woorden zich samenvoegt door het woord ons. Doch sommigen houden het voor een spotachtige aanspraak aan de Babyloniërs, alsof God zeide: Doet vrij uw best, gij krijgers van Babel [gelijk gij dan ook voorzeker doen zult], evenwel zult gij daardoor mijn genadewerk, dat Ik voorheb [waarvan in het volgende hoofdstuk], niet kunnen beletten. anders: nu zult gij met benden samengehoopt, samengepakt worden, te weten, door de belegering, gelijk volgt. Dit vers hechten sommigen aan het volgende hoofdstuk als het eerste vers daarvan.
Hertaald:
Nu
Alsof de HEERE zei: maar omdat het voor deze tijd om uw zonden zo moet gaan als in vers 10 en 11 gezegd is, zal alles wat u daartegen met al uw drukte zou ondernemen tevergeefs zijn, want u moet toch naar Babel. Het is een aanspraak tot de inwoners van Jeruzalem, met wie de profeet zich in de volgende woorden verbindt door het woord ons. Maar sommigen houden het voor een spottende aanspraak tot de Babyloniërs, alsof God zei: doe gerust uw best, u krijgslieden van Babel — en dat zult u ook zeker doen — maar daarmee zult u Mijn genadewerk dat Ik voorheb, waarover het volgende hoofdstuk, toch niet kunnen verhinderen. Anders: nu zult u met benden samengedrongen worden, namelijk door de belegering, zoals volgt. Sommigen voegen dit vers bij het volgende hoofdstuk als het eerste vers daarvan.
rot u met benden,
Dat is, doe uw best, met al uw krijgsmacht.
Hertaald:
rot u met benden,
Dat is: doe uw best, met heel uw krijgsmacht.
dochter der bende,
Dat is, gij krijgers, die gij meent in de krijg zo ervaren en met krijgdsvolk zo voorzien te zijn dat gij geen vijand hebt te vrezen; of gij die gewoon zijt met benden en troepen uit te lopen om, als struikrovers en straatschenders, de reizende lieden te beroven, gelijk Micha 2:8. Zie van het Hebr. woord, betekenende een bende, of troep van soldaten, enz. 2 Sam. 3:22 ; Jer. 18:22 , en verg. Israëls voorbeeld, Hos. 4:2 , en Hos. 6:9 , en Hos. 7:1 . aangaande de manier van spreken, dochter der bende, verg. Job 5:7 , en Zach. 4:14 .
Hertaald:
dochter der bende,
Dat is: u, krijgslieden die menen dat u zo ervaren in de oorlog bent en zo goed van krijgsvolk voorzien dat u geen vijand hoeft te vrezen. Of: u die gewoon bent er met benden en troepen op uit te trekken om als struikrovers en straatrovers de reizigers te beroven, zoals Micha 2:8. Zie over het Hebreeuwse woord dat een bende of troep soldaten aanduidt 2 Sam. 3:22; Jer. 18:22, en vergelijk het voorbeeld van Israël in Hos. 4:2, Hos. 6:9 en Hos. 7:1. Over de manier van spreken dochter van de bende, vergelijk Job 5:7 en Zach. 4:14.
hij zal een belegering tegen ons stellen;
De vijand, de koning van Babel. Dit zijn woorden van de profeet alsof hij zeide: Dit zal ons voorzeker overkomen, gij doet er tegen wat gij wilt of moogt.
Hertaald:
hij zal een belegering tegen ons stellen;
Namelijk de vijand, de koning van Babel. Dit zijn woorden van de profeet, alsof hij zei: dit zal ons zeker overkomen, doe ertegen wat u wilt of kunt.
rechter Israëls met de roede op het kinnebakken slaan
Dat is, de regenten, of gouverneurs openbare schande en smaadheid aandoen. Zie 1 Kon. 22:24 ; Job 16:10 ; Ps. 3:8 ; Klaagl. 3:30 met de aantekening. Dit was een teken dat hun aardse koninkrijk een einde zou nemen; waartegen in het volgende de belofte gedaan wordt van een nieuwe hemelse Koning, de Messias.
Hertaald:
rechter Israëls met de roede op het kinnebakken slaan
Dat is: de bestuurders of gouverneurs openlijk schande en smaad aandoen. Zie 1 Kon. 22:24; Job 16:10; Ps. 3:8; Klaagl. 3:30 met de aantekening. Dit was een teken dat hun aardse koninkrijk zou eindigen; daartegenover wordt in het vervolg de belofte gegeven van een nieuwe, hemelse Koning, de Messias.
gij,
Dat is, u aangaande.
Hertaald:
gij,
Dat is: wat u betreft.
Bethlehem Efratha
Zie Gen. 35:16 , Gen. 35:19 ; Richt. 12:8 , met de aantekening. Hebr. Bethlechem; dat is, broodhuis; gelijk Efrath of Efratha [welke ook de naam was van Kalebs huisvrouw, 1 Kron. 2:19 , 1 Kron. 2:24 ] komt van vruchtbaarheid.
Hertaald:
Bethlehem Efratha
Zie Gen. 35:16, Gen. 35:19; Richt. 12:8 met de aantekening. Hebreeuws: Bethlechem, dat is: broodhuis; zoals Efrath of Efratha — ook de naam van de vrouw van Kaleb, 1 Kron. 2:19, 1 Kron. 2:24 — van vruchtbaarheid komt.
zijt gij klein
Dat is, gij zijt geenszins klein, Matt. 2:6 . Of [hoewel] gij klein zijt, enz. [nochtans] zal, enz. Anders aldus; Het [is wat] kleins, of gerings, een kleine zaak, dat gij zijt onder de duizenden, of voorgangers, vorsten, van Juda. [Verg. de aantekening van deze plaats, gedaan bij de overpriesters en schriftgeleerden voor de koning Herodes, Matt. 2:6 ] . De zin is: Gij zijt wel klein naar het uiterlijk aanzien, maar gij zult tot zeer grote waardigheid verheven worden door de geboorte van de Messias en Zaligmaker Jezus Christus.
Hertaald:
zijt gij klein
Dat is: u bent volstrekt niet klein, Matth. 2:6. Of: hoewel u klein bent, zal er toch, enzovoort. Anders aldus: het is iets kleins of gerings dat u onder de duizenden — of onder de voorgangers, vorsten — van Juda bent. Vergelijk de aanhaling van deze plaats door de overpriesters en schriftgeleerden voor koning Herodes in Matth. 2:6. De betekenis is: u bent naar het uiterlijk wel klein, maar u zult tot zeer grote waardigheid verheven worden door de geboorte van de Messias en Zaligmaker Jezus Christus.
duizenden van Juda?
Dit ziet op de afdeling van de stammen in hun duizenden, hebbende elke duizend zijn hoofd en overste, of leidsman en voorganger, zie Richt. 6:15 ; 1 Sam. 10:19 , met de aantekening. Idem 1 Kron. 12:20 . Daarom staat bij Matt. 2:6 , onder de vorsten, of voorgangers, leidslieden, hertogen; zijnde daarenboven de twee Hebr. woorden, die duizend en een leidsman, of voorganger betekenen, elkander zeer na verwant en van een oorsprong.
Hertaald:
duizenden van Juda?
Dit ziet op de indeling van de stammen in hun duizendtallen, waarbij elk duizendtal zijn hoofd en overste of leidsman had; zie Richt. 6:15; 1 Sam. 10:19 met de aantekening, en ook 1 Kron. 12:20. Daarom staat er in Matth. 2:6: onder de vorsten of leidslieden. Bovendien zijn de twee Hebreeuwse woorden voor duizend en voor leidsman of voorganger sterk aan elkaar verwant en van dezelfde oorsprong.
Uit u zal
Naar zijn menselijke natuur en ten aanzien dat het eeuwig en zelfstandig Woord van de Vader vlees zal worden, zo zal hij in u, o Bethlehem, geboren worden, en alzo uit u voortkomen, of uitgaan.
Hertaald:
Uit u zal
Naar Zijn menselijke natuur, en met het oog erop dat het eeuwige en zelfstandige Woord van de Vader vlees zou worden: zo zal Hij in u, o Bethlehem, geboren worden en dus uit u voortkomen.
Mij voortkomen,
Woorden van God de Vader.
Hertaald:
Mij voortkomen,
Woorden van God de Vader.
Die een Heerser zal zijn in Israël,
Hebr. om een heerser te zijn.
Hertaald:
Die een Heerser zal zijn in Israël,
Hebreeuws: om een heerser te zijn.
uitgangen zijn
Of, hoewel zijn uitgangen, gelijk het woord uitgaan, of voortkomen, in het voorgaande gebruikt is van Christus voortkomst uit Bethlehem naar zijn mensheid, omdat Hij aldaar uit Maria zou geboren worden; alzo wordt hetzelfde Hebr. woord hier nu gebruikt van zijn eeuwige voortkomst of uitgang van de vader, tot betekenis van zijn eeuwige godheid en Goddelijke geboorte van de Vader, en dat in het veelvoudige getal, uitgangen, hetwelk niet vreemd in de Hebr. taal, inzonderheid tot betekenis van iets groots en iets bijzonders, [zie Ob. 1:21 ,enz.], als daar is de eeuwigheid van de Zoon met de Vader en zijn onbegrijpelijke geboorte van dezelve. Zie Hebr. 1:3 .
Hertaald:
uitgangen zijn
Of: hoewel Zijn uitgangen. Het woord uitgaan of voortkomen is hierboven gebruikt van Christus' voortkomst uit Bethlehem naar Zijn mensheid, omdat Hij daar uit Maria geboren zou worden. Hetzelfde Hebreeuwse woord wordt hier gebruikt van Zijn eeuwige voortkomst uit de Vader, ter aanduiding van Zijn eeuwige godheid en goddelijke geboorte uit de Vader. En dat in het meervoud, uitgangen, wat in het Hebreeuws niet vreemd is, vooral ter aanduiding van iets groots en bijzonders (zie Obadja 1:21, enzovoort) — zoals hier de eeuwigheid van de Zoon met de Vader en Zijn onbegrijpelijke geboorte uit Hem. Zie Hebr. 1:3.
van ouds, van de dagen der eeuwigheid
Dat is, vóór het begin der schepping, ja van eeuwigheid, of eeuwige tijden af. Verg. Spr. 8:22-24 , Spr. 8:30-31 ; Joh. 1:1 , en Joh. 17:5 . Dat het Hebr. woord kredem, als het van God gebruikt wordt, somtijds eeuwigheid betekent, zie daarvan Deut. 33:27 met de aantekening.
Hertaald:
van ouds, van de dagen der eeuwigheid
Dat is: vóór het begin van de schepping, ja van eeuwigheid af. Vergelijk Spr. 8:22-24, Spr. 8:30-31; Joh. 1:1 en Joh. 17:5. Dat het Hebreeuwse woord kedem, wanneer het van God gebruikt wordt, soms eeuwigheid betekent, zie daarover Deut. 33:27 met de aantekening.
Hij
God.
Hertaald:
Hij
Namelijk God.
henlieden
De Joden.
Hertaald:
henlieden
De Joden.
overgeven,
Of, laten, onder de heerschappij en macht hunner vijanden, zo Babyloniërs als anderen, totdat hun koning de Messias komt.
Hertaald:
overgeven,
Of: laten, onder de heerschappij en macht van hun vijanden, zowel de Babyloniërs als anderen, totdat hun Koning, de Messias, komt.
baren zal,
Totdat de Israëlietische kerk door de predikatie der apostelen ene menigte van geestelijke kinderen zal voortbrengen, zo Joden als inzonderheid heidenen. Verg. Jes. 54:1 , enz., en Jes. 66:7-8 ; of [gelijk sommigen] totdat de arbeid en kindsnood [dat is, het lijden der Joodse kerk] over is, en blijdschap kome, als wanneer ene vrouw verlost is; verg. Mi. 4:9-10 ; Joh. 16:20-21 . Men kan dit ook eenvoudig duiden op de geboorte van den Messias uit de maagd Maria. Verg. Jes. 7:4 .
Hertaald:
baren zal,
Totdat de Israëlitische kerk door de prediking van de apostelen een menigte geestelijke kinderen zal voortbrengen, zowel Joden als vooral heidenen. Vergelijk Jes. 54:1, enzovoort, en Jes. 66:7-8. Volgens sommigen: totdat de barensnood — dat is: het lijden van de Joodse kerk — voorbij is en de blijdschap komt, zoals wanneer een vrouw verlost is; vergelijk Micha 4:9-10; Joh. 16:20-21. Men kan dit ook eenvoudig betrekken op de geboorte van de Messias uit de maagd Maria. Vergelijk Jes. 7:14.
de overigen
Hebr. het overige zullen, enz.
Hertaald:
de overigen
Hebreeuws: het overige zal, enzovoort.
Zijner broederen zich bekeren
Des Heeren Christus broeders, namelijk de uitverkorenen uit de heidenen, die zich tot de gemeenschap van Christus en zijner kerk zullen begeven, en met de Joden onder een hoofd door een geloof verening worden. Zie Joh. 10:16 ; Ef. 2:11-12 , enz.; Hebr. 2:11-12 .
Hertaald:
Zijner broederen zich bekeren
De broeders van de Heere Christus, namelijk de uitverkorenen uit de heidenen, die zich zullen voegen bij de gemeenschap van Christus en Zijn kerk en die met de Joden onder één Hoofd door één geloof verenigd zullen worden. Zie Joh. 10:16; Ef. 2:11-12, enzovoort; Hebr. 2:11-12.
met de kinderen Israëls
Anders: tot, de zin overeenkomende.
Hertaald:
met de kinderen Israëls
Anders: tot; de betekenis komt op hetzelfde neer.
Hij zal
De voorzeide heerser, de Messias.
Hertaald:
Hij zal
Namelijk de genoemde Heerser, de Messias.
staan,
Dat is, steeds bezig zijn met verrichting van zijn ambt, als een getrouwe herder, die goede wacht houdt over zijn kudde, en altijd op de been is, gelijk men zegt. Verg. Mi. 7:14 ; Zach. 1:8 , en Zach. 3:5, en de manier van spreken met Zach. 14:4, Zach. 14:12. Of, Hij zal staan, dat is bestaan, een bestendige heerschappij hebben.
Hertaald:
staan,
Dat is: voortdurend bezig zijn met de uitoefening van Zijn ambt, als een trouwe herder die goede wacht houdt over zijn kudde en altijd op de been is, zoals men zegt. Vergelijk Micha 7:14; Zach. 1:8 en Zach. 3:5, en de manier van spreken met Zach. 14:4, Zach. 14:12. Of: Hij zal staan, dat is: standhouden, een blijvende heerschappij hebben.
weiden
Als een herder zijn kudde, met den staf van zijn Woord en Geest, of weiden, dat is regeren, in enen zin. Zie 2 Sam. 5:2 , enz. Waarom ook voor heersen, [ vs.1], staat Matt. 2:6 , weiden.
Hertaald:
weiden
Zoals een herder zijn kudde weidt, met de staf van Zijn Woord en Geest. Of: weiden, dat is: regeren, in dezelfde betekenis. Zie 2 Sam. 5:2, enzovoort. Daarom staat er in Matth. 2:6 weiden waar vers 2 heersen heeft.
HEEREN,
Zijns Vaders, die ook zijn eigen kracht is. Zie Joh. 10:38 , en Joh. 14:10 ; waarom hem de hhogheid of voortreffelijkheid van den naam van zijn Vader wordt toegeëigend. Verg. Joh. 5:18 ; Fil. 2:6 ; Hebr. 1:3 , Hebr. 1:5 .
Hertaald:
HEEREN,
Namelijk van Zijn Vader, Die ook Zijn eigen kracht is. Zie Joh. 10:38 en Joh. 14:10; daarom wordt Hem de hoogheid of voortreffelijkheid van de naam van Zijn Vader toegekend. Vergelijk Joh. 5:18; Filipp. 2:6; Hebr. 1:3, Hebr. 1:5.
zij zullen wonen,
Zijne onderdanen of schapen zullen een gerusten, vasten en zekeren staat hebben onder dezen heerser en herder. Verg. Mi. 4:4 , enz.
Hertaald:
zij zullen wonen,
Zijn onderdanen of schapen zullen onder deze Heerser en Herder een rustige, vaste en veilige staat hebben. Vergelijk Micha 4:4, enzovoort.
want
Of, wanneer Hij nu groot zal zijn, enz.
Hertaald:
want
Of: wanneer Hij nu groot zal zijn, enzovoort.
nu zal Hij
Dat is, al haast, ter gezetter tijd. Zie Mi. 4:10 .
Hertaald:
nu zal Hij
Dat is: spoedig, op de gestelde tijd. Zie Micha 4:10.
zijn tot aan de einden der aarde
Of, worden; amders: groot gemaakt worden; dat is, zijne eer en heerlijkheid zal wassen, uitgebreid en vermaard worden, door de predikatie van het Evangelie en de werking van den Heiligen Geest onder de heidenen; of, Hij zal zijne grootheid en heerlijkheid alzo bewijzen, tot aan de uiterste einden der aarde.
Hertaald:
zijn tot aan de einden der aarde
Of: worden; anders: groot gemaakt worden. Dat is: Zijn eer en heerlijkheid zal groeien, zich uitbreiden en vermaard worden door de prediking van het Evangelie en de werking van de Heilige Geest onder de heidenen. Of: Hij zal Zijn grootheid en heerlijkheid zo bewijzen, tot aan de uiterste einden van de aarde.
Vrede zijn;
Dit is een reden, waarom de kerk van Christus zo vast en vredig wonen zal, als in het voorgaande beloofd is; om dat Christus Verde zal zijn; dat is, zijn geestelijken en goddelijken vrede haar onfeilbaar en in alle manieren geven en beschikken, dien haar geen vijand zal kunnen ontnemen, [verg. Richt. 6:24 , en Joh. 14:27 ] , hoewel zij in de wereld veel zal moeten lijden; waartegen zij in het volgende getroost wordt.
Hertaald:
Vrede zijn;
Dit is een reden waarom de kerk van Christus zo vast en vredig zal wonen als in het voorgaande beloofd is: omdat Christus vrede zal zijn. Dat is: Hij zal haar Zijn geestelijke en goddelijke vrede onfeilbaar en op alle manieren geven en beschikken, een vrede die geen vijand haar zal kunnen ontnemen (vergelijk Richt. 6:24 en Joh. 14:27), hoewel zij in de wereld veel zal moeten lijden. Daartegen wordt zij in het vervolg getroost.
wanneer Assur in ons land zal komen,
Hier wordt de kerk ingevoerd, betuigende hare gerustheid en vertrouwen, dat zij op dezen haren Koning heeft, tegen alle vijandelijkheid, die haar zal mogen bejegenen. Verg. Jes. 41:25 , en Jes. 59:19 , met de aantekening. De eenvoudigste zin dezer figuurlijke woorden schijnt te zijn: Wanneer de vijanden der kerk en de kinderen dezer wereld [afgebeeld door de vijandelijke Assyriërs en Nimrods land] haar over last zullen doen, [hetwelk zij van tevoren wel weet dat haar zal wedervaren] dat zij alsdan van haren Koning [die, in vs.5, gezegd wordt] van Assur te redden daartegen genoeg, ja overvloediglijk, met tegenweer en wederwraak voorzien zal zijn, om haar geestelijken staat te handhaven en de vijanden te straffen; [alzo wel, alsof zij] zeven, of acht heirlegers onder zoveel krijgsoversten kon te velde brengen tegen de Assyriërs en Chaldeën]; en dat vooreerst door het zwaard en het goddelijke Woord, en het middel der kerkelijke tucht [welke de geestelijke wapenen der kerk zijn] gebruikt van herders en regeerders der kerk [waarvan sommigen dit alleen verstaan, alsook van de bekering der voorzeide vijanden
Hertaald:
wanneer Assur in ons land zal komen,
Hier wordt de kerk sprekend ingevoerd, terwijl zij haar gerustheid en vertrouwen op deze Koning betuigt tegen alle vijandigheid die haar kan overkomen. Vergelijk Jes. 41:25 en Jes. 59:19 met de aantekening. De eenvoudigste betekenis van deze beeldende woorden lijkt te zijn: wanneer de vijanden van de kerk en de kinderen van deze wereld — afgebeeld door de vijandige Assyriërs en het land van Nimrod — haar overlast aandoen, wat zij tevoren al weet dat haar zal overkomen, dan zal zij door haar Koning, van Wie in vers 6 gezegd wordt dat Hij van Assur redt, ruim voldoende, ja overvloedig van tegenweer en wraak voorzien zijn om haar geestelijke staat te handhaven en de vijanden te straffen — alsof zij zeven of acht legers onder evenzoveel legeraanvoerders tegen de Assyriërs en Chaldeeën te velde kon brengen. En dat allereerst door het zwaard van het goddelijke Woord en door de kerkelijke tucht, die de geestelijke wapens van de kerk zijn, gehanteerd door de herders en bestuurders van de kerk — waar sommigen dit alleen op betrekken, evenals op de bekering van de genoemde vijanden
wanneer Assur in ons land zal komen,
tot de gemeenschap der kerk en haar kerkelijke en geestelijke weiding en regering]. Daarna ook, nu en dan, uiterlijk en lichamelijk [gelijk anderen hier bijvoegen] wanneer het den Zoon Gods believen mag zijne kerk van der vijanden overval door zijne helden, die Hij ten beste van zijn volk verwekken kan, te verlossen en de vijanden te verdelgen, zulks Hij zelf ten laatste eens volkomenlijk zal doen. Verg. vs.8, 14.
Hertaald:
wanneer Assur in ons land zal komen,
tot de gemeenschap van de kerk en tot haar kerkelijke en geestelijke weiding en bestuur. Daarna ook, nu en dan, uiterlijk en lichamelijk, zoals anderen hieraan toevoegen: wanneer het de Zoon van God behaagt Zijn kerk van de overval van de vijanden te verlossen door helden die Hij ten beste van Zijn volk kan verwekken, en de vijanden te verdelgen — wat Hij ten slotte eenmaal volkomen zal doen. Vergelijk vers 9 en 15. De bron verdeelt deze ene noot over twee stukken met hetzelfde kopwoord.
stellen
Of, over hem verwekken, doen opstaan, verkiezen, beroepen, ordineren, te weten, door de regering en het beleid van onzen Koning en zijnen Geest. Zie Hand. 13:2 , enz., idem Hand. 20:28 ; Ef. 4:11 .
Hertaald:
stellen
Of: over hem verwekken, doen opstaan, uitkiezen, roepen, aanstellen, namelijk door het bestuur en het beleid van onze Koning en Zijn Geest. Zie Hand. 13:2, enzovoort, en ook Hand. 20:28; Ef. 4:11.
zeven
Dat is, genoeg, of veel, een zeker getal voor een onzeker. Verg. Pred. 11:2 met de aantekening.
Hertaald:
zeven
Dat is: genoeg, of veel; een bepaald getal voor een onbepaald. Vergelijk Pred. 11:2 met de aantekening.
herders,
Kerkelijke en politieke regenten, ook krijgsoversten, gelijk het krijgsvolk ook kudden genoemd worden. Zie Jer. 49:19-20 met de aantekening.
Hertaald:
herders,
Kerkelijke en burgerlijke bestuurders, en ook legeraanvoerders, aangezien het krijgsvolk ook kudden genoemd wordt. Zie Jer. 49:19-20 met de aantekening.
vorsten
Of, voornamen, geweldigen, stadhouders. Zie Ezech. 32:30 .
Hertaald:
vorsten
Of: aanzienlijken, machtigen, stadhouders. Zie Ezech. 32:30.
uit de mensen
Hebr. des, of een mensen, der mensen; dat is, naar sommigen gevoelen, uit de gemene lieden. Verg. Ps. 4:3 . Zodat de slechtsten van Gods kerk, door wettelijk beroep en den Geest des Heeren Christus, bekwaam zullen worden tot tegenstand; gelijk God Mozes en Aäron, enz., en Christus zijne apostelen, uit de menigte, en voorts de anderen door de apostelen en zijn volk, beroepen en daartoe ingesteld heeft. Zie Hand. 4:13 . Of, men kan het aldus nemen: de vorsten der mensen; dat is, de treffelijksten en dappersten, die in het midden van ons begaafd zijn met den geest der dapperheid. Verg. Ps. 149:6-9 met de aantekening, idem Joh. 16:8-11 , en 2 Kor. 10:4-5 .
Hertaald:
uit de mensen
Hebreeuws: van de mensen; dat is volgens sommigen: uit het gewone volk. Vergelijk Ps. 4:3. Zo zullen de eenvoudigsten van Gods kerk door een wettige roeping en door de Geest van de Heere Christus bekwaam worden tot tegenstand. Zo heeft God Mozes en Aäron, en Christus Zijn apostelen, uit de menigte geroepen en daartoe aangesteld, en verder de anderen door de apostelen en Zijn volk. Zie Hand. 4:13. Of men kan het zo opvatten: de vorsten van de mensen, dat is: de voortreffelijksten en dappersten, die in ons midden begiftigd zijn met de geest van de dapperheid. Vergelijk Ps. 149:6-9 met de aantekening, en ook Joh. 16:8-11 en 2 Kor. 10:4-5.
Nimrod
Zie Gen. 10:8-10 .
Hertaald:
Nimrod
Zie Gen. 10:8-10.
ingangen
Of, openingen, deuren des lands, dat is, frontieren, grenzen, of waar het land open is. Anders: met deszelfs [lands eigen] blote zwaarden, omdat een ander verwant Hebr. woord alzo genomen wordt; zie Ps. 55:22 , met de aantekening.
Hertaald:
ingangen
Of: openingen, deuren van het land, dat is: de grenzen, of de plaatsen waar het land open ligt. Anders: met de blote zwaarden van dat land zelf, omdat een verwant Hebreeuws woord zo opgevat wordt; zie Ps. 55:22 met de aantekening.
Hij ons redden van Assur,
De heerser, die uit Bethlehem zal voortkomen, zal dat doen, gebruikende daartoe en zegenende de voorzeide middelen.
Hertaald:
Hij ons redden van Assur,
De Heerser Die uit Bethlehem zal voortkomen zal dat doen, waarbij Hij de genoemde middelen gebruikt en zegent.
dauw van den HEERE,
Omdat uit Jakobs overblijfsel Christus [naar het vlees] en zijne apostelen, en voorts uit de algemene kerk leraars zouden voortkomen, die door de predikatie van het Evangelie van de zaligmakende genade, vele volken zouden bedruipen en overgieten als met een hemelsen dauw en lieflijke regendroppelen, waarbij de Geest des Heeren [wiens werk dat alleen is] alzo zou werken in de harten der uitverkorenen, dat er menigten van gelovigen ter ere Gods zouden opschieten, of geboren worden, wassen, groeien en bleoien, enz. Verg. Ps. 110:3 ; Jes. 26:19 , en Jes. 66:8-9 ; Ezech. 47:7 met de aantekening, enz.; idem 1 Kor. 3:6-7 .
Hertaald:
dauw van den HEERE,
Uit het overblijfsel van Jakob zouden Christus naar het vlees en Zijn apostelen voortkomen, en verder uit de algemene kerk leraars. Die zouden door de prediking van het Evangelie van de zaligmakende genade veel volken bedruipen en overgieten als met een hemelse dauw en liefelijke regendruppels. Daarbij zou de Geest van de HEERE — Wiens werk dat alleen is — zo in de harten van de uitverkorenen werken dat er menigten gelovigen ter ere van God zouden opschieten, geboren worden, groeien en bloeien. Vergelijk Ps. 110:3; Jes. 26:19 en Jes. 66:8-9; Ezech. 47:7 met de aantekening, enzovoort, en ook 1 Kor. 3:6-7.
geen man wacht,
Dat is, zodat dit gewas louter en alleenlijk een werk Gods zal zijn ven boven. Verg. Job 38:26-27 , met de aantekening.
Hertaald:
geen man wacht,
Dat is: zodat dit gewas louter en alleen een werk van God van boven zal zijn. Vergelijk Job 38:26-27 met de aantekening.
leeuw onder de beesten des wouds,
Vrijmoedig in zijnen weg, en zijnen vijanden vreeslijk, door de onoverwinnelijke kracht van hun Hoofd Christus [den leeuw uit Juda, Openb. 5:5 ] en van zijn Geest. Zie Joh. 16:33 ; 1 Joh. 5:4-5 . Sommigen stellen tegen elkander der kerken dauw, als lieflijk voor de boetvaardigen, en den leeuw, als vreeslijk tegen de onboetvaardigen en hardnekkigen, in het gebruik der sleutels van het hemelrijk.
Hertaald:
leeuw onder de beesten des wouds,
Vrijmoedig op zijn weg en vreselijk voor zijn vijanden, door de onoverwinnelijke kracht van hun Hoofd Christus — de Leeuw uit Juda, Openb. 5:5 — en van Zijn Geest. Zie Joh. 16:33; 1 Joh. 5:4-5. Sommigen stellen de dauw van de kerk, liefelijk voor de boetvaardigen, tegenover de leeuw, vreselijk voor de onboetvaardigen en hardnekkigen, bij het gebruik van de sleutels van het hemelrijk.
verscheurt hij,
Verg. Ps. 7:3 .
Hertaald:
verscheurt hij,
Vergelijk Ps. 7:3.
hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders,
Dat is, macht, o Jakob, uit het voorgaande. Verg. Gen. 49:8 , en zie Gen. 16:6 .
Hertaald:
hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders,
Dat is: uw macht, o Jakob, uit het voorgaande. Vergelijk Gen. 49:8, en zie Gen. 16:6.
al uw vijanden zullen uitgeroeid worden
Niet alleen de geestelijke, maar ook ten laatste alle lichamelijke, gelijk vs.14.
Hertaald:
al uw vijanden zullen uitgeroeid worden
Niet alleen de geestelijke, maar ten slotte ook alle lichamelijke, zoals vers 15.
paarden uit het midden van u zal uitroeien,
De Heere wil hier en in het volgende zeggen dat Hij alles, waarmede zijn volk Hem nu zolang onteerd en vertoorn had, zal wegnemen, te weten den vleselijken arm, allen ijdelen, afgodischen en duivelsen toeverlaat; en zijne kerk alzo heiligen, dat zij zich op Hem alleen verlate, Hem alleen godsdienstig ere en diene, en onder zijne bescherming zeker zijnde, door zijne macht en oordelen over al hare vijanden zegeviere. Verg. Hos. 1:7 , en Hos. 14:4 met de aantekening.
Hertaald:
paarden uit het midden van u zal uitroeien,
De HEERE wil hier en in het vervolg zeggen dat Hij alles zal wegnemen waarmee Zijn volk Hem zo lang onteerd en vertoornd had: de vleselijke arm en alle ijdele, afgodische en duivelse toevluchten. Zo zal Hij Zijn kerk heiligen, opdat zij zich alleen op Hem verlaat, Hem alleen godsdienstig eert en dient, en onder Zijn bescherming veilig door Zijn macht en oordelen over al haar vijanden zal zegevieren. Vergelijk Hos. 1:7 en Hos. 14:4 met de aantekening.
guichelaars hebben
Zie Lev. 19:26 .
Hertaald:
guichelaars hebben
Zie Lev. 19:26.
werk uwer handen
De afgodische beelden.
Hertaald:
werk uwer handen
De afgodsbeelden.
bossen uit het midden van u uitroeien,
Ter ere der afgoden gesticht, en tot afgoderij gebruikt; zie Deut. 12:3 , en Deut. 16:21 , met de aantekening en verg. hiermede Ezech. 43:7-9 .
Hertaald:
bossen uit het midden van u uitroeien,
Die ter ere van de afgoden gesticht en voor afgoderij gebruikt werden; zie Deut. 12:3 en Deut. 16:21 met de aantekening, en vergelijk hiermee Ezech. 43:7-9.
horen
Dat is, gehoorzaam. Verg. Jes. 60:12 ; Jer. 12:17 . Anders: welke [te weten, wraak, dat is, desgelijks] zij niet hebben gehoord; dat is, desgelijks nooit tevoren gehoord is.
Hertaald:
horen
Dat is: gehoorzaam zijn. Vergelijk Jes. 60:12; Jer. 12:17. Anders: welke wraak zij niet gehoord hebben, dat is: waarvan nooit eerder iets dergelijks gehoord is. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid" (Micha 5:1). Er volgt een tussentijd: "Daarom zal Hij henlieden overgeven, tot den tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen Zijner broederen zich bekeren met de kinderen Israels" (Micha 5:2). En dan Zijn werk: "En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des HEEREN, in de hoogheid van den Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde" (Micha 5:3). Bijbelse betekenis: Merk op de tegenstelling in Micha 5:1: klein om te wezen onder de duizenden van Juda, en toch de plaats van herkomst van Wie Zijn uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. De kleinheid van de plaats staat tegenover de eeuwigheid van Degene Die eruit voortkomt. Let vervolgens op het woordje Mij in Micha 5:1: het is de HEERE Zelf Die spreekt, en Hij zegt dat deze Heerser aan Hemzelf zal voortkomen. Let ten slotte op Micha 5:3: Zijn heerschappij wordt getekend als weiden — Hij regeert als een herder, in de kracht van de HEERE. Zijn grootte reikt tot de einden der aarde, verder dan enige aardse koning van Juda ooit reikte. Typologie: Wanneer de wijzen naar de geboorteplaats van de Koning der Joden vragen, halen de schriftgeleerden dit vers aan: "uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israel weiden zal" (Matt. 2:6). Let op het woordverschil: waar Micha "Heerser" heeft, citeert Mattheüs "Leidsman". Lukas noemt Bethlehem uitdrukkelijk "de stad Davids", omdat Jozef uit het huis en geslacht van David was (Luk. 2:4). Micha 5:1-3; Matt. 2:6; Luk. 2:4 "En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen" (Micha 5:4). Wat die herders en vorsten doen, staat in het vers erna: "Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in deszelfs ingangen" (Micha 5:5a). Het vers besluit met het doel ervan: "Alzo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden" (Micha 5:5b). Bijbelse betekenis: Merk op de korte, krachtige zin waarmee Micha 5:4 begint: en Deze zal Vrede zijn. Niet een zegen die Hij brengt, maar een naam die Hij Zelf draagt. Let vervolgens op de spanning met wat er meteen op volgt: Assur die het land binnenvalt. Vrede wordt hier niet getekend als afwezigheid van dreiging, maar als iets dat standhoudt te midden van een vijand die daadwerkelijk komt. Let ten slotte op het getal zeven herders en acht vorsten — een gebruikelijke Hebreeuwse manier om een ruim voldoende aantal aan te duiden; er zal geen gebrek zijn aan wie het land verdedigen. Typologie: Deze naam, Vrede, past bij de andere namen die Jesaja aan dezelfde Persoon geeft: "Vredevorst" (reeds behandeld bij Jes. 9:5). Micha 5:4-5; Jes. 9:5 "En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt" (Micha 5:6). Dan volgt een heel ander beeld: "Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde" (Micha 5:7). Bijbelse betekenis: Merk op wat de twee beelden gemeen hebben: beide beschrijven iets waar de mens part noch deel aan heeft. Dauw ontstaat zonder dat een mens hem maakt of tegenhoudt; een leeuw wacht evenmin op toestemming voordat hij toeslaat. In beide gevallen wordt de kracht van het overblijfsel niet aan zijn eigen inspanning toegeschreven maar aan wat er buiten de mens om gebeurt. Let vervolgens op het contrast tussen de twee beelden zelf: het ene verkwikt (dauw op het kruid), het andere verwoest (een leeuw onder de kudde). Het register laat beide beelden naast elkaar staan zoals de tekst ze geeft, zonder ze tot één les samen te trekken. Typologie: De zegen die niet van mensenwerk afhangt, is dezelfde gedachte die Paulus uitspreekt: "Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven" (1 Kor. 3:6). Micha 5:6-7; 1 Kor. 3:6-7 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het beloofde Zaad niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Micha heeft zojuist de belegering van Jeruzalem aangekondigd en de vernedering van de rechter van Israël. En dan wendt hij zich, midden in dat onheil, tot een dorpje van niets, een paar uur ten zuiden van de stad. De Heerser komt niet uit de hoofdstad maar uit het kleinste dorp — en Zijn uitgangen zijn van de dagen der eeuwigheid. Bethlehem was geen plaats van betekenis. De kanttekening merkt op dat de naam broodhuis betekent, en dat Efratha met vruchtbaarheid te maken heeft — maar de stad zelf telde niet mee onder de duizenden van Juda. En juist daar vandaan komt de Heerser. De kanttekening vat de bedoeling zo samen: u bent volstrekt niet klein, en verwijst daarbij naar de aanhaling in Mattheüs 2. Het tweede deel van het vers is het opzienbarendst. Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Van een mens die geboren wordt zegt men niet dat zijn uitgangen van eeuwigheid zijn. Hier staan de twee naturen naast elkaar in één zin: geboren in een dorp, en van de dagen der eeuwigheid. Wat er in Mattheüs mee gebeurt, is opmerkelijk genoeg om apart te noemen. Wanneer de wijzen naar de pasgeboren Koning vragen, roept Herodes de overpriesters en schriftgeleerden bijeen, en die weten het antwoord meteen: te Bethlehem in Judea, want alzo is geschreven door den profeet. Zij kennen de plaats, zij citeren het vers — en zij gaan niet kijken. De heidenen uit het oosten leggen de reis af; de kenners van de Schrift blijven zitten. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 2:5-6; Lukas 2:4-7; Johannes 8:58; Johannes 1:1
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Christus heeft ons niet pas liefgehad toen wij in de wereld geboren werden; Zijn vermakingen waren al met de mensenkinderen voordat er ook maar één van hen was. HET VERHAAL VAN GODS LIEFDE Met Kerst worden we eraan herinnerd dat God een plan van verlossing klaar had voor Zijn volk; een plan dat draait om de… Hij zal staan en hen weiden in de kracht van de HEERE. Micha 5:3 Christus regeert Zijn kerk als een herder-Koning. Hij heerst over Zijn volk, maar het… ...en Wiens uitgangen zijn vanouds, van de dagen der eeuwigheid. Micha 5:1 Jezus Christus verschijnt niet elke dag aan Zijn gelovigen. Hij kwam niet eerder tot Jakob dan… ... Die een Heerser zal zijn in Israël. Micha 5:1 Waartoe is Jezus gekomen? Hij is gekomen om een Heerser te zijn in Israël. Het is iets heel… En gij, Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël. Micha… Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël. Micha 5:1 Wie heeft Jezus gezonden? ‘Uit u,’ zegt de Heere, sprekende bij monde van Micha,… En gij, Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël. Micha… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Hij zal staan en weiden in de kracht van de HEERE, in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn… En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen. Die een Heerser zal zijn in Israël, en… Een preek uitgesproken op zondagmorgen 23 december 1855, door C.H. Spurgeon, in de New Park Street Chapel, Southwark. En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen… Een preek uitgesproken op zondagmorgen 23 december 1855, door C.H. Spurgeon, in de New Park Street Chapel, Southwark. En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. Micha 5:1 De Heere Jezus was vanaf Zijn oorsprong voor Zijn… En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den Heere, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch… En gij, Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël. Micha… En gij, Bethlehem Efratha... Micha 5:1 Het woord Efratha. Dat was de oude naam van de plaats, en die naam was geliefd bij de Joden. Efratha betekent vruchtbaarheid… En gij, Bethlehem Efratha... Micha 5:1 Het onwetendste kind van God gaat naar Bethlehem om brood te halen, en de krachtigste man, die vaste spijzen nodig heeft, gaat… ...en Wiens uitgangen zijn vanouds, van de dagen der eeuwigheid. Micha 5:1 Jakob worstelde, en dat is een deel van het werk waartoe een christen geroepen is. Toen… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Micha 5
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
En gij, Bethlehem Efratha — 5:1-4
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Het verhaal van Gods liefde
Schapen die hun herder koesteren
Waar we moeten komen om de Heere te ontmoeten
Is Hij uw Heerser?
De Christus van de kleinen
Verbonden met God de Eeuwige
Hemelse Heirscharen
Hij zal staan en weiden in de kracht van de HEERE
Uitgangen van eeuwigheid
Het wonder van Bethlehem
De vleeswording en geboorte van Christus
God heeft een eeuwige liefde voor Zijn volk
Dauwdruppels
Een Heerser in Israël
Vruchtbaar
Brood des levens of het zwaard
Alle verstand te boven


Micha 5
Micha 5:1.KruisverwijzingenKlaagliederen 3:30→Job 16:10→Jesaja 33:22→Joël 3:9→2 Koningen 25:1→Mattheüs 5:39→Jesaja 8:9→Jeremia 4:7→
— En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
“En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.”
Zouden wij vragen of Christus altijd bestaan heeft, dan antwoorden wij: ja, want onze tekst zegt: “Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid”. Christus heeft Zijn uitgangen gehad in Zijn Godheid. Hij is geen verborgen en zwijgend Persoon geweest tot aan Zijn geboorte in Bethlehem; dat pasgeboren Kind had al lang daarvoor wonderen gewrocht.
Dat Kind, sluimerend in de armen van Zijn moeder, was het Kind van die dag, maar Hij was ook de Oude van de eeuwigheid. Hij diende Zijn volk als hun Vertegenwoordiger voor de troon van God, nog voordat zij in de wereld verwekt waren.
Van eeuwigheid af grepen Zijn machtige vingers de pen, de stift van de eeuwen, en schreven zij Zijn eigen naam: de naam van de eeuwige Zoon van God. Van eeuwigheid af tekende Hij het verdrag met Zijn Vader. Hij zou ten behoeve van Zijn volk bloed voor bloed betalen, wonde voor wonde, lijden voor lijden, benauwdheid voor benauwdheid en dood voor dood. Van eeuwigheid af gaf Hij Zichzelf over zonder een mopperend woord. Hij zou van de kruin van Zijn hoofd tot de zool van Zijn voeten bloed zweten. Hij zou bespuwd en doorstoken en bespot en vaneengescheurd worden, en de pijn van de dood en de benauwdheden van het kruis lijden.
Sta stil, mijn ziel, en verwonder u! Wij hadden onze oorsprong in de persoon van Jezus, van eeuwigheid af. Hij dacht dikwijls aan ons; van eeuwigheid tot eeuwigheid had Hij Zijn liefde op ons gezet.
Micha 5:3.KruisverwijzingenHosea 11:8→Micha 4:7→Jesaja 10:20→Micha 4:9→Micha 7:13→Romeinen 9:27→Jeremia 31:7→Romeinen 11:4→
— En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des HEEREN, in de hoogheid van den Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde.
“En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des HEEREN, in de hoogheid van den Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde.”
Er kan geen twijfel over bestaan dat de profeet hier op de Messias doelt, onze Heere Jezus Christus. Dit betekent natuurlijk niet dat Jezus Christus ooit groter zal worden dan Hij wezenlijk en van nature altijd is. Als de Zoon van God is Hij oneindig in heerlijkheid en kan Hij niet groter worden. Als Koning der koningen en Heere der heren vervult Zijn heerlijkheid de onmetelijkheid. Voor Hem brengen alle verstandelijke geesten die God gehoorzamen hun gedurige hulde. Hij is zo groot dat wij ons, terwijl wij tot Hem opzien, in Hem verblijden kunnen als onze Broeder. En dat wij tegelijk voor Zijn aangezicht verootmoedigd worden wanneer wij bedenken dat Hij onze Gód is.
Jezus Christus zal dus niet wezenlijk groter worden dan Hij nu is. De grootheid waarvan hier sprake is, is niet die van Zijn wezen maar die van Zijn openbaarwording. Christus zal groot gemaakt worden in het oordeel, in het hart en in het verstand van de mensen, zoals Hij te allen tijde groot is in Zichzelf.
Lezen wij in de tekst dat Hij nu groot zal zijn tot aan de einden van de aarde, dan mogen wij bedenken dat Hij in de hemel al groót is. De mens verwerpt Hem. En hoe pijnlijk is de gedachte dat menigten in deze wereld Zijn naam niet eens gehoord hebben! Nog veel meer menigten kennen die naam alleen om haar te lasteren. En toch is er een plaats waar Zijn naam groot is.
In elke gouden straat wordt die naam bezongen. De snaren van elke heilige harp in de hemel zijn gestemd op de melodieën van Zijn lof. Alle welluidende gezangen die de engelenscharen daarboven zingen, zijn er om Hem te verheffen en groot te maken. Zij verlustigen zich erin Hem te dienen.
Met die gedachte mogen wij ons vertroosten wanneer de godslastering overhandneemt en de liefde van velen verkoudt. Er is tenminste één heiligdom waar Hij altijd aangebeden wordt. Er is één gelukkiger en beter land waar het geluid van de lastering Hem nooit ontheiligt, en waar Hij door elk schepsel bemind en aangebeden en geëerbiedigd wordt.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IV. Vs. 1-14.KruisverwijzingenMattheüs 2:6→Johannes 7:42→Jesaja 11:1→Jesaja 9:6→Zacharia 9:9→Lukas 1:31→Genesis 49:10→Micha 7:14→
— En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Daarom zal Hij henlieden overgeven, tot den tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen Zijner broederen zich bekeren met de kinderen Israels. En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des HEEREN, in de hoogheid van den Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde. En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen. Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in deszelfs ingangen. Alzo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden. En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt. Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde. Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden. En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagenen verdoen. En Ik zal de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken.
In de beide vorige afdelingen is reeds de heerlijkheid, welke het doel van het rijk Gods is, in hare gehele hoogte en grootte geschilderd, doch zonder nauwkeurig Hem aan te wijzen, door wien het rijk Gods tot dat punt zou worden gebracht. Thans voegt de Profeet dit er bij: “Juist in den tijd der diepste vernedering van Zion en zijnen rechter wordt uit het onbeduidende Bethlehem de grote Beheerser van Goddelijken oorsprong geboren. Deze zal door Zijn goddelijk bestuur Israël en daarmee het rijk Gods tot zijne reeds voorgestelde Goddelijke heerlijkheid verheffen, en het voor alle vijandige volken vrede verschaffen. Want Hij zal Zijn volk niet alleen beschermen en redden voor de aanvallen der Gode vijandige wereldmacht, maar het ook de kracht verlenen om zijne vijanden uitwendig en inwendig te overweldigen. Na overwinning van alle vijanden van het rijk Gods zal echter de Heere alle middelen van bloedvergieten en van krijg, en allen afgodendienst verdelgen, Zijn gericht des toorns over alle volken, die tegenstreven, houden, en daardoor over Zijn volk en Zijn rijk den volkomensten vrede brengen.
En gij, Bethlehem (= broodhuis, met uwen ouderen naam Efratha(=” de vruchtbare, ” dus te zamen “het vruchtbare broodhuis”) 1), gij zult op nieuw uwen naam waar maken! Zijt gij klein) om te wezen onder de duizenden van Juda, onder de grotere, uit ongeveer 1000 families bestaande afdelingen, in welke Juda en de overige stammen Mijns volks verdeeld worden (Num. 2:34 (Ex. 18:25)? Uit u, waaruit Mijn grote voorvader David, de man naar Mijn hart is voortgekomen, juist uit u en niet uit het koninklijk Jeruzalem, zalten tijde van dien diepsten smaad Mijns volks Mij, tot volvoering Mijner raadsbesluiten en tot wederopbouwing van mijn rijk voortkomen, die een Heerser zal zijn in (= over) Israël, een algebiedend Koning; in den volsten zin des woords, en wiens uitgangen Zijn van ouds, van voor ondenkbare tijden, van de dagen der eeuwigheid. Zijne afkomst in aardsen zin moge arm en gering zijn, Hij is van boven uit den schoot der eeuwigheid 3).
Juist te Bethlehem wordt Christus geboren; want Hij zelf zegt: Ik ben het brood des levens, dat van den hemel nederdaalt. Evenzo wordt de plaats, waar de Heere geboren wordt, vooraf broodhuis genoemd, omdat Hij daar in het vlees moest verschijnen, die de zielen der uitverkorenen inwendig verzadigen zou. (GREGORIUS DE GROTE).
O Bethlehem! gij zijt klein, maar nu hoog verheven door den Heere! U heeft Hij verheerlijkt, die in u uit de hoogte in geringheid werd geboren. Welke stad zou u niet benijden om dien kostelijken stal en om den roem dier kribbe? Op de ganse aarde is nu uw naam beroemd, en u prijzen gelukkig alle geslachten der aarde; want heerlijke dingen worden van u gezegd, o stad Gods! gelijk geschreven staat. (ST. BERNHARD). In duidelijke overeenstemming met zijnen tijdgenoot en geestelijken broeder Jesaja ziet hier Micha de Goddelijke natuur van den toekomstigen Verlosser. De eerste noemt Hem (Jes. 9:5) “wonderlijk en sterke God. ” Deze wil niet van den hogen ouderdom van het geslacht van David of van iets dergelijke spreken; maar plaatst tegenover de geringheid van den aardsen oorsprong van Christus de grootheid van Zijne hemelse afkomst. Wel ligt in deze plaats geen bewijs voor het eeuwige Zoonschap van Christus, of de duidelijke erkentenis van de eeuwige betrekking tot God den Vader, zo als dat in Joh. 1:1 wordt uitgesproken, want de volle erkentenis van de Godheid en de eeuwige generatie des Zoons uit den Vader kon eerst door de menswording Gods in Christus worden geopenbaard. Matth. 2:5 en Joh. 7:43 wijzen aan, dat de oud Joodse synagoge deze voorzegging eenparig zo verstond, dat de Messias te Bethlehem zou worden geboren. Mattheüs haalt den tekst niet nauwkeurig woordelijk aan, maar vrij naar zijne herinnering, waarbij hij er zich tevens op toelegt, om den zin der profetie te verduidelijken, en het zien der woorden op David meer bepaald op den voorgrond te stellen. De hoofdgedachte van ons vers is zeker deze, dat de Heere Christus uit Bethlehem, dat is uit het vernederde en verarmde huis van David, de plaats van den armen Herder der schapen, die voor God tot een Herder der volken verhoogd werd, zou voortkomen, en een scheut uit den omgehouwen krachtigen boom van het Davidische koningsgeslacht zou zijn (Jes. 11:1). Bovendien is het ook het koninklijk ambt van den Heere Christus, dat hier voorzegd wordt. De bedenkingen des ongeloofs, dat ook deze voorzegging niet op Jezus wil toepassen, rusten :”op ene miskenning van het koninklijk ambt van Christus, dat niet een dichterlijk beeld, maar onder alle koninkrijken het reëelste is, ja dat, wat hun realiteit verleent, op de onkunde omtrent de eindgeschiedenis van het Messiaanse rijk. Men kent van de geschiedenis van Christus slechts een enkel fragment, Zijne verschijning in nederigheid, en ook dit, gelijk niet anders mogelijk is, slechts zeer onvolkomen. Zijne heerschappij die reeds nu onzichtbaar bestaat, erkent men niet, omdat die alleen met de ogen des geloofs aanschouwd wordt, en het latere zichtbaar te voorschijn treden gelooft men niet, omdat men de onzichtbare kracht van Christus, welke dit zichtbare gevolg waarborgt, niet aan zijn hart heeft ervaren. Maar waarom moest Christus uit de armoede, uit een niet voortkomen? Opdat alle roem en alle verdiensten te niet zou worden gedaan, en de zaligheid zou voortkomen uit enkel genade. En waarom toch uit Davids geslacht? Opdat Gods trouw en waarheid zich heerlijk zouden betonen, en Zijne beloften door het geloof Ja en Amen zijn. Zou echter Christus in het arme Bethlehem en niet te Jeruzalem in de verheven koningsstad worden geboren, zo moest het geslacht van David, waaruit Hij zou voortkomen, te voren Zijn troon verliezen, en in de armoede van Zijn oorsprong terugzinken. Dit leidt den Profeet tot de gedachte in het volgende vers.
Daarom, omdat de grote hemelse Koning en enige Verlosser des volks uit de armoede en geringheid van Bethlehem en het huis Davids moet voortkomen, zal Hij, de Heilige Gods, die Zijn volk voor alles uit de zonde en den eeuwigen dood wil verlossen, henlieden, die Hij zich als een volk des eigendoms en tot Zijne eeuwige heerlijkheid heeft verkoren, aan de heidenen als Zijne werktuigen tot straf voor hunnen afval overgeven(Hoofdst. 4:9 vv.). Dit zal zijn tot den tijd toe, dat zij, de maagd, van welke Jesaja voorzegd heeft (Jes. 7:14), die baren zal, den Redder en Verlosser volgens Gods raadsbesluit gebaard hebbe. Met Zijne geboorte zal een tijd van rijken zegen en van genade voor Gods volk aanbreken. Dan zullen de overige, de uit de gerichten overgeblevene en door het geloof geredde zijner broederen, de broederen van den uit Bethlehem geboren hemelsen Koning, die Zijne broeders in bijzonderen zin zijn, namelijk die van Juda, die op Hem als de vertroosting Israëls zullen hopen, zich bekeren met de kinderen Israëls, met de overgeblevenen en geredden uit het rijk der tien stammen.
Hier wordt genoemd zijn eeuwig bestaan als God, Zijne uitgangen, als de uitgangen van de stralen der zon, waren of zijn geweest van ouds, van eeuwigheid, hetwelk zulk een duidelijke beschrijving is van Christus eeuwige generatie, of van Zijn uitgang als Zoon van God, van den Vader gegenereerd, voor alle de werelden dat deze Profetie alleen tot Hem moest behoren en nooit van iemand anders kan bewaarheid worden. Maar wat betekent dan ten derde de wonderspreukige aanwijzing dat Israël (vs. 2) wordt overgeven in de hand zijner vijanden, tot zij, die baren zal, gebaard hebbe? Het is niet mogelijk, dat hier aan de dochter Zions, de kerk des Ouden Verbonds, wordt gedacht, en deze alzo als moeder van den aanstaanden Messias getekent. Reeds kort te voren had de Profeet zich van dezelfde beeldspraak bediend (Hoofdst. 4:10), en misschien is het ene schoonheid te meer dat zij, die eerst is voorgesteld als in barensnood van allerlei smarte en moeite, nu wordt aangeduid als reeds zwanger van Hem, die aan alle moeite voor altijd een einde zal maken. Maar wat hindert ons toch in den eigenlijksten zin van het woord hier aan de moeder van den Messias te denken, en het daarvoor te houden, dat haar beeld onwillekeurig den ziener voor den geest zweeft, die pas zinspeelde op de plaats der geboorte? Waarom zouden wij niet mogen aannemen, dat de geest der voorspelling zijnen tolk voorlopig nog slechts met een vluchtigen wenk heeft gewezen op haar, uit wie het heil der wereld zou voortkomen? De vermelding in hetzelfde verband van zijn “broederen, ” doet het ons te lichter vermoeden, en Jesaja’s uitspraak zal volkomen ophelderen, wat nog raadselachtig mocht overblijven. En vraagt men nu eindelijk, naar het gewin, dat voor onze kennis van Christus in het Oude Verbond, uit deze profetie wordt verkregen, het antwoord kan niet moeilijk zijn. Wij treffen hier de eerste van vele kleine bijzonderheden uit de geschiedenis van Davids groten Nakomeling aan, die door den Profeet aangeduid worden. Op ondubbelzinnige wijze wordt de plaats Zijner geboorte voorspeld, en slechts door de onnatuurlijke kunstgrepen kon het den Joodsen uitleggers van later dagen schijnbaar gelukken om de kracht van dit bewijs voor Jezus Messiaswaardigheid in twijfelachtige schaduw te plaatsen. Tevens wordt de aard van het Christusrijk, helderder dan door een der tot dusver beschouwde kleine Profeten, door de hand van Micha getekend, en zijne eigenaardige schildering der gouden eeuw, waarin de lang verwachte Davidszoon als een tweede Salomo optreedt, bevat niet weinig trekken, die wij later uitgebreid en ontwikkeld weer zullen vinden. Aangaande den tijd Zijner komst moge hij nog slechts in het algemeen kunnen zeggen, dat hij eerst na de aanstaande ballingschap dagen zal, die algemene bepaling maakt weer in zeker opzicht de grondslag van latere, meer bijzondere uit, die ons niet onbekend zullen blijven. En behoeven wij er nog bij te voegen, dat wij tot dusver in geheel dit hoofdstuk geen zo duidelijken wenk aangaande het bovenmenselijke in den Messias gehoord hebben. Een persoon, die reeds lang vóór Zijne geboorte Zich van tijd tot tijd had geopenbaard aan Zijn volk, moest voor het oog van Israël treden, met bovenaardsen lichtgloed omstraald. Zulk een Koning-men moest het aanstonds gevoelen-was niet slechts in macht, maar ook in natuur oneindig ver verheven boven zijne meest roemrijke voorzaten. En vermoeden wij ook na al het gezegde, Zijne heerlijkheid nog meer dan wij die volkomen helder aanschouwen, met dubbele opgewektheid beginnen wij een oor aan een Godsman te lenen, die men voorwaar niet ten onrechte den Evangelist van het O. V. heeft genoemd. Micha doet ons naar Jesaja verlangen. Aan de geboorte van den beloofden Messias verbindt Micha, even als de overige Profeten, den tijd der heerlijkheid van het rijk Gods. De tijd tussen de hemelvaart en de wederkomst des Heeren, de tijd van het ingaan der heidenen in het rijk Gods, blijft door hem onaangeroerd, zo als ook de tijd der verstokking van Gods volk ten gevolge van de verwerping van zijnen Heiland. De natuurlijke geboorte hielp toch het volk ook niets, wanneer Hij niet tevens in het hart werd geboren. Eerst wanneer het volk uit den grond des harten zal uitroepen: Geloofd zij Hij, die daar komt in den naam des Heeren, zal daarvoor de tijd van zegen, welke in ‘t volgende beschreven is, aanbreken. De Heere Jezus had uitgangen voor Zijn volk, als hun Vertegenwoordiger voor den troon, lang voor dat zij op het toneel des tijds verschenen. Het was van de eeuwigheid, dat Hij het verbond met Zijn Vader tekende, om te betalen bloed voor bloed, lijden voor lijden, angst voor angst, dood voor dood, ten behoeve van Zijn volk; het was van eeuwigheid, dat Hij Zich overgaf, zonder een woord van murmurering, om van Zijn hoofdschedel af tot aan Zijne voetzolen toe grote druppelen bloeds te zweten, bespogen, doorstoken, bespot, verscheurd en vernietigd te worden onder de smarten des doods. Zijne uitgangen als onze Borg waren van eeuwigheid. Wees stil, o mijne ziel! en denk hierover aanbiddend na. Gij hebt uitgangen gehad in den persoon van Jezus van alle eeuwigheid. Niet slechts toen gij in de wereld geboren waart, had u Christus lief, maar Zijne vermakingen waren met de kinderen der mensen, voor er nog mensenkinderen waren. Dikwijls dacht Hij aan hen; van eeuwigheid had Hij Zijne liefde op hen gevestigd. Hoe, mijne ziel! heeft Hij Zich zo lang met uwe zaligheid bezig gehouden, en zal Hij die niet bewerken? Is Hij van eeuwigheid af uitgegaan om mij te redden, en zal Hij mij laten verloren gaan? Hoe, heeft Hij mij als Zijn kostbaar juweel in de hand gedragen, en zal Hij mij nu aan Zijne vingeren laten ontglippen? Heeft Hij mij verkoren eer de bergen geboren, eer de afgronden der diepten, de kolken gegraven waren, en zal Hij mij nu verwerpen? Onmogelijk! Ik ben verzekerd, dat Hij mij zo lang niet zou liefgehad hebben, ware Hij geen onveranderlijke minnaar? Indien Hij mij moede had kunnen worden, dan zou Hij dat reeds lang geweest zijn. Zo Hij mij niet had liefgehad met ene liefde, diep als de hel en sterker dan de dood, dan zou Hij Zich reeds lang voor dezen van mij hebben afgewend. O! vreugde boven alle vreugde, te weten, dat ik Zijn eeuwig en onvervreemdbaar eigendom ben, Hem gegeven door Zijnen Vader, eer de wereld was! Die eeuwige liefde zal elken dag mijne hoofdpeluw zijn.
En Hij, de Heiland en Koning Jezus Christus, die uit de geringheid van den herder David zal worden geboren, zal staan, en zal, als een goed Herder van Zijn verlost volk, weiden 1) in de kracht des HEEREN, met de kracht, waarmee Jehova zelf Hem bekleedt, opdat Hij Zijne kudde voor wolven en rovers zou kunnen beschermen (Joh. 10:11 vv.), in de hoogheid, de majesteit van den hoogheiligen, aan Hem en door Hem eerst recht geopenbaarden naam) des HEEREN, Zijns Gods, die van eeuwigheid in bijzonderen zin met Hem nauw verbonden is; want Hij is zelf sterke God (Jes. 9:5), en uitgerust met den Geest der sterkte (Jes. 11:2); en zij, die zich tot God hebben bekeerd, en zich onder Zijn bestuur hebben onderworpen, zullenonder Zijnen herdersstaf in vollen, zaligen vrede ongestoord wonen; want, wanneer van enige zijde een vijand zich zou willen indringen, zou Hij dien afweren; nu ter zelfder tijd dat Hij Zijn volk weidt door macht en aanzien, zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde (Ps. 72:8, 17).
De uitdrukking weiden geeft te kennen, hoe Christus omtrent de Zijnen, de Hem toevertrouwde kudde, is. Hij heerse niet over haar als een verschrikkelijk tiran, die de Zijnen met vrees onderdrukt, maar Hij is een Herder; en behandelt Zijne schapen met gewenste zachtheid. Omdat wij echter rondom door vijanden omringd zijn, voegt de profeet er bij: “in de kracht, ” d. i. zo veel macht is in God, zo veel bescherming is er bij Christus, zodra het nodig is de kerk te beschermen. Wij moeten dus leren van Christus even zo veel heil te verwachten, als er kracht in God is.
Hierin ligt uitgesproken, dat eerst door dezen toekomstigen Herder de volkomene openbaring van het wezen Gods wordt gegeven. “De grote Koning is zo nauw met God verbonden, dat de gehele volheid der goddelijke kracht en majesteit Hem toebehoort. Iets dergelijks komt van enen aardsen koning nooit voor. Deze heeft in den Heere sterkte (Jes. 45:24), de Heere geeft sterkte aan Zijnen koning, en verhoogt den hoorn van Zijnen Gezalfde (1 Sam 2:10), maar niet is de gehele sterkte en majesteit Gods diens bezitting.
En deze, die Davids zoon, die ons in de majesteit Gods weidt, zal Vrede 1), zal de ware Salomo (Ps. 72:7)zijn; Hij draagt den vrede in Zich, en verleent dien den Zijnen als de Vredevorst (Jes. 9:5. (Joh. 14:27. (Efeze. 2:14). Wanneer Assur 2), het voorbeeld van de antichristelijke wereldmacht en van alle geestelijke vijanden van Gods volk, in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, 3) leidslieden in den dienst van den oppersten Herder, en acht vorsten, onderbevelhebbers uit de mensen, om hen onder de opperleiding van den hemelsen Koning uit te drijven.
Deze, de Christus Gods, die in de kracht en Majesteit Gods zal optreden, zal Vrede zijn, d. w. z. niet alleen de bewerker van den vrede, maar dezelfde, die de vrede in eigen persoon is, den vrede in zich draagt, de zijnen zet in een toestand van vrede met God en ze verlost uit den toestand van onvrede, waarin zij door de zonde verkeren. Men merkt dat de Profeet den Zaligmaker verkondigt schier met denzelfden naam als Jesaja, wanneer dezen den Heere Vredevorst noemt. (Jes. 9:5).
Assur komt hier alleen voor, in zijne typische betekenis beschouwd als vertegenwoordiger van alle vijandige wereldrijken van het begin af tot aan het rijk van den Antichrist, gelijk men daaruit ziet, dat het later “het land van Nimrod” wordt genoemd. De Profeet noemt deze macht der toekomst “Assur, ” omdat deze de wereldmacht was, te zijner tijd gevaarlijk voor het rijk van God; want ieder profeet noemt de trekken van den Antichrist naar den hoofdvijand van zijnen tijd.
Door het getal zeven moesten deze vorsten worden voorgesteld als volkomen machtig, door God zelven toegerust. Door het grotere getal acht moet, even als steeds door de bij elkandervoeging van twee op elkaar volgende getallen uitgedrukt worden, dat het getal der leidslieden van Gods volk bijzonder groot zal zijn, en ook uitwendig eerbied zal eisen.
Die zullen het land en het rijk van Assur, de macht van de vijanden der verloste gemeente afweiden met het zwaard, en het land van Assur of Nimrod, die aanvang en dat beeld van de vijandschap der wereldrijken tegen God, in deszelfs ingangen (met het ontblote zwaard). Alzo zal Hij, onze Heiland en Koning, ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden. Deze strijd der verloste en geheiligde gemeente Gods van den laatsten tijd tegen de boosheid en vervolging der Gode vijandige wereldmacht is niet te beperken tot een strijd met enkel geestelijke wapenen. Integendeel zal de gemeente Gods, vóór de Heere haar tot eeuwige heerseres op aarde maakt, en alle moordtuigen uitroeit, zo als in vs. 9 gezegd wordt, niet alleen geestelijke krijgen voeren, maar wanneer de vijandschap ten toppunt is gestegen, en de tijd van het oordeel nadert, ook met geweld van wapenen voor hun geloof en voor het bestaan van het rijk Gods tussen beide treden. Hoe weinig het tegenwoordig ook den schijn moge hebben, zo gaan wij toch, wanneer de laatste tijd nadert, bloedige godsdienstoorlogen te gemoet, die wel van anderen aard dan de 30-jarige oorlog zullen zijn, oorlogen, bij welke de tegenstelling God en wereld, majesteit van Christus en autonomie van den mens bestaan zal. De voorzegging van dezen strijd en deze overwinning staat ook niet in tegenspraak met de verkondiging Hoofdst. 4:2 vv. dat in den Messiaansen tijd alle volken naar Zion zullen heengaan, en de opname in het rijk Gods zullen zoeken. Vele volken, d. i. grote scharen uit alle volken zullen den Heere en Zijn Evangelie zoeken, en in Zijn rijk ingaan; maar ene grote menigte uit alle volken zal ook in hare vijandschap tegen den Heere en Zijn rijk en volk volharden, en alle macht in ‘t werk stellen, om het te bestrijden en te onderdrukken. Hoe meer het Evangelie zich onder de volken uitbreidt, des te meer zal ook de vijandschap des ongeloofs en der goddeloosheid toenemen, en een strijd ontbranden, welke zal toenemen, totdat de Heere ten laatsten oordeel zal verschijnen en alle vijanden zal vermorzelen. Ook hier wordt onder Assur Nimrod, de wereldmacht verstaan, die immer tegen Christus Rijk optreedt. Nimrod was de eerste bekende, die zich op bijzondere wijze verzette tegen de macht Gods en tegen de ordinantiën Gods. Wanneer derhalve hier na Assur Nimrod wordt genoemd, dan bedoelt de Profeet daarmee dat niet gedeeltelijk, maar geheel de macht zal vernietigd worden, die zich tegen God en Zijn gezalfden koning stelt.
En nog groteren zegen zal de tijd aanbrengen, die met de verschijning van den hemelsen Koning aanbreekt, Jakobs overblijfsel, het uit ‘t gericht geredde en waarlijk heilig geworden overblijfsel van het gehele volk Gods, zal zijn in het midden van vele volken onder de menigte van hen, die nog niet tot Gods volk behoren, maar zich ook nog niet vijandig verstokt hebben, als een verfrissende dauw van den HEERE afdruipt en nieuw, krachtig leven wekt, en als droppelen rijk en verkwikkend op het kruid, het gras, van den hemel nedervallen, dat (namelijk de dauw) naar genen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt, zich dus zonder hun toedoen rijkelijk uitstort. Alzo zal ook dan door de gemeente Gods nog een rijke stroom van geestelijk leven over velen worden uitgestort zonder enige verdienste van hen, boven alle verwachting, en zullen zich dus nog velen uit hen tot den enigen Redder Christus bekeren.
Maar tegenover hen, die hun hart verharden tegen dien Goddelijken zegen des nieuwen levens, zal Gods volk ene even grote macht van verwoesting betonen. Ja het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen van dien laatsten tijd, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw toorn snuivende rondjaagt onder de schaapskudden, dewelke wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde. Alzo zal ook gene menselijke macht, hoe groot die ook zij, de overwinnende hand van het geheiligd volk Gods kunnen tegenhouden, want de macht van God en Zijnen Christus zal met hen zijn. Het volk van Christus is overal een volk van zegen. Maar waar men zich tegen dat volk verzet, daar wordt het tot een leeuw, dien niemand kan weerstaan. Het volk van Christus wordt een volk der overwinning. In grootheid en heerlijkheid blinkt de nieuwe gemeente des Heeren onder de vele volken, die haar omgeven. De Profeet woont haar aan in twee zeer verschillende, bijna tegenovergestelde, maar treffende beelden, waarvan het ene haar in vrede, en het andere haar in strijd voorstelt. Zij is in hare hemelse, vrije roeping, en hare onafhankelijkheid van de gunst van mensen, de dauw, die van God in verkwikkende droppels op het kruid der aarde drupt-alzo werkt zij vruchtbaarmakend op de rijke plantenwereld der volken rondom. Maar zij is ook een leeuw onder de dieren des wouds, een jonge leeuw onder de kudde der schapen-zie daar hare zegerijke macht in den strijd met de rechtmatige machten der wereld. Zo heeft de Profeet de betekenis en de macht van de strijdende en triumferende kerk in een krachtig beeld vooraf getekend. Zij is de dauw der wereld, die in de donkere, geheimnisvolle stilte van de vruchtbaarmakende nachten op de aarde valt, en haar met hemelse krachten doordringt. Zij wil niets van de wereld; “zij wacht niet op mannen en op mensenkinderen, ” zij is ook niet door mensen voortgebracht en gevormd, die wel plantingen kunnen aanleggen, maar tot haren wasdom den verfrissenden dauw van boven moeten verwachten. Wij horen den dauw niet van den hemel vallen, maar wij zien zijne hemelse werking op de velden der aarde. Doch wee der wereld, wanneer zij zich verzet tegen de hemelse zegeningen der kerk, welke rust in de vrede der wereld! Dan bruist hare stem als het majestueus gebrul van den leeuw in het woud, die, een geboren Koning, onwederstaanbaar in den strijd gaat.
Uwe hand, o Mijn volk! zal in de kracht van uwen God en Heiland zeker verhoogd zijn boven uwe wederpartijders, die toch ook vijanden Gods zijn, en alle uwe vijanden zullen eindelijk uitgeroeid worden.
En het zal te dien dage, als gij al uwe vijanden zegerijk zult hebben bestreden, geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uwe a) paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uwe wagenen, met welke gij den strijd des Heeren hebt gevoerd, verdoen 1), want alsdan zal alle krijg op aarde ophouden.
Hos. 14:4.
Hier zegt God dat zij van alle vleselijk-vertrouwen zullen afgebracht worden, waarop zij gesteund hadden, dat zij door Gods Voorzienigheid zulk een veiligheid zullen genieten, dat zij die niet zouden nodig hebben, en door de genade van God daartoe gebracht worden, dat zij de waarheid daarvan zouden zien en daarvan zouden afhouden.
En Ik zal de steden uws lands, achter welker muren gij bescherming moest zoeken, uitroeien, en Ik zal al uwe vestingen, met welke gij u tegen Gods vijanden verdedigdet, afbreken, en eeuwigen vrede over u en de gehele aarde brengen (Jes. 6:4-6).
En ter zelfder tijd zal Ik u inwendig geheel heilig en rein maken, zodat Ik in u en gij in Mij alleen leeft. Ik zal de toverijen, al de overblijfselen van den vroegeren goddelozen tijd vóór uwe bekering, uit uwe hand uitroeien, en gij zult gene guichelaars hebben, die in plaats van Mijn heilig woord te raadplegen en naar de stem Mijns Heiligen Geest te horen, de sterren en wolken om raad vragen (Lev. 19:26. Deut. 18:10, 14).
En Ik zal dan verder uwe houten en metalen afgoden, uwe gesnedene beelden en uwe opgerichte beelden, de opgerichte en gezalfde stenen, uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen en enig maaksel van uwe eigene macht.
Voorts zal Ik uwe bossen waarin gij de afgoden heiligdet uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uwe steden verdelgen: Ik wil alles wegdoen wat maar binnen of naar buiten tegenover God of de mensen uwen vrede Gods verstoort. De naam der zonde van heidensen afgodendienst is de oud-Testamentische vorm voor alle goddeloosheid en afgoderij, van welke de Heere Zijne gemeente nog ten laatste wil reinigen. De grove afgodendienst in het O. T. was toen slechts een andere vorm voor den even zwaren fijnen afgodendienst, waarin de Christenheid hoe langer hoe meer wegzinkt. De vleselijke lust, de begeerlijkheid der ogen, het welgevallen in den glans en de heerlijkheid van de dingen der vergankelijke wereld, de grootsheid des levens, het heidens vertrouwen op menselijke grootheid, op de vrucht van wapengeweld, van kunst, wetenschap, nijverheid vertegenwoordigen waarlijk gene geringere afgoden, welke men onder de Christenen wierookt, dan de Baäl. de Astarte en de Moloch der oude Semieten. Het zijn sterke woorden, welke de Profeet gebruikt; op het uitroeien, uitrukken, verdelgen, komt het aan, wanneer Christus Zijnen intocht houdt in het gemoed des mensen; dan komen er brandende wonden en snijdende smarten voor het vlees van den natuurlijken mens, wanneer hij moet laten varen de liefelijke schijngoederen des levens, waaraan hij zijn hart met alle draden heeft gebonden. Daar kan geen gezegende verlossing van de ellende zijn, dan wanneer er een volkomen reformatie wordt betracht en een uitroeien zelfs van gedenktekenen van de afgoderij. Want zij zullen niet alleen zich niet meer nederbuigen voor het werk hunner handen, maar hun beelden en bossen zullen uitgeroeid worden en zo zal Hij hun vijanden verdelgen.
En Ik zal daarna eindelijk in toorn en in grimmigheid, zonder genade en ontferming, als laatste gericht wrake doen aan diegenen onder de heidenen, die het woord van den Heere en Zijnen Christus niet willen horen, en zich niet van harte tot Hem bekeren, opdat dan het rijk alleen des Heeren zij, en Zijn volk in eeuwigen, zaligen vrede wone. Dat zijn de beloften, welke onze Profeet aan zijn volk verkondigt, en hoe geheel anders luiden zij, dan het woord dier leugenprofeten. Ernstig genoeg klinkt zijn woord, en toch steeds vol genade en ontferming. Het was genoeg om een volk tot den Heere te lokken, opdat het liever zich in zijnen beloofden Koning verheugen, en na ernstige tuchtiging het beloofde heil zou wachten. Maar wat was de weg, op welken des Heeren volk tot zaligheid kon komen? .
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel