Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Hebt achtG4337, dat gijG4771 uw aalmoesG1654 niet doetG4160 voor de mensenG444, om van henG846 gezien te worden; andersG1490 zoG1487 hebtG2192 gijG4771 geen loonG3408 bijG4314 uw VaderG3962, Die inG1722 de hemelenG3772 is.
Hebt acht, dat gij uw aalmoes niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt gij geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.
KJV
Take heed1
that ye do6
not5
your
alms3
before7
men,9
to be seen10
of them:13
otherwise16
ye have19
no18
reward17
of20
your
Father22
which2
is in25
heaven.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Wanneer gij dan aalmoesG1654 doetG4160, zo laat voor u nietG3361 trompettenG4537, gelijk de geveinsdenG5273 inG1722 de synagogenG4864 enG2532 opG1722 de stratenG4505 doenG4160, opdat zij vanG5259 de mensenG444 geeerdG1392 mogen worden. VoorwaarG281 zegG3004 Ik uG4771: Zij hebben hunG846 loonG3408 wegG568.
Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geeerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg.
KJV
Therefore2
when1
thou doest3
thine alms,4
do6
not5
sound a trumpet
before7
thee,
as9
the hypocrites11
do12
in13
the synagogues15
and16
in17
the streets,19
that20
they may have glory21
of22
men.24
Verily25
I say26
unto you,
They have28
their31
reward.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
MaarG1161 als gijG4771 aalmoesG1654 doetG4160, zo laat uw linkerG710 hand nietG3361 wetenG1097, watG5101 uw rechterG1188 doetG4160;
Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linker hand niet weten, wat uw rechter doet;
KJV
But2
when thou
doest3
alms,4
let6
not5
thy
left hand8
know
what10
thy
right hand13
doeth:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Opdat uw aalmoesG1654 inG1722 het verborgenG2927 zij; enG2532 uw VaderG3962, Die inG1722 het verborgenG2927 ziet, Die zal het uG4771 inG1722 het openbaarG5318 vergeldenG591.
Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.
KJV
That1
thine
alms5
may be
in6
secret:8
and9
thy
Father11
which4
seeth14
in15
secret17
himself18
shall reward19
thee
openly.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
EnG2532 wanneer gij bidtG4336, zo zult gij nietG3756 zijnG1510 gelijk de geveinsdenG5273; wantG3754 die plegen gaarneG5368, inG1722 de synagogenG4864 enG2532 opG1722 de hoekenG1137 der stratenG4113 staandeG2476, te biddenG4336, opdat zij van de mensenG444 mogenG5316 gezien worden. VoorwaarG281, Ik zegG3004 uG4771, datG3754 zij hunG846 loonG3408 wegG568 hebben.
En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.
KJV
And1
when2
thou prayest,3
thou shalt
not4
be
as6
the hypocrites8
are: for9
they love10
to pray21
standing20
in11
the synagogues13
and14
in15
the corners17
of the streets,19
that22
they may23
be seen24
of men.26
Verily27
I say28
unto you,30
They have31
their34
reward.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
MaarG1161 gijG4771, wanneer gijG4771 bidtG4336, gaat in uw binnenkamerG5009, en uw deurG2374 geslotenG2808 hebbende, bidtG4336 uw VaderG3962, Die in het verborgenG2927 is; en uw VaderG3962, Die in het verborgenG2927 ziet, zal het uG4771 in het openbaarG5318 vergeldenG591.
Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
KJV
But2
thou,1
when3
thou prayest,4
enter5
into6
thy
closet,8
and10
when thou hast shut11
thy
door,13
pray15
to thy
Father17
which7
is in20
secret;22
and23
thy
Father25
which12
seeth28
in29
secret31
shall reward32
thee
openly.34
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG1161 als gij bidtG4336, zo gebruiktG945 geenG3361 ijdel verhaal van woordenG945, gelijk de heidenenG1482; want zij menenG1380, datG3754 zij doorG1722 hun veelheid van woorden zullen verhoordG1522 worden.
En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden.
Ook in dit vers
veelheid woordenG4180
KJV
But2
when ye pray,1
use4
not3
vain repetitions,
as5
the heathen7
do: for9
they think8
that10
they shall be heard15
for11
their14
much speaking.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Wordt danG3767 hun nietG3361 gelijk; wantG1063 uw VaderG3962 weetG1492, watG3739 gijG4771 van nodeG5532 hebtG2192, eerG4253 gijG4771 HemG846 bidtG154.
Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.
KJV
Be3
not1
ye
therefore2
like
unto them:4
for6
your
Father8
knoweth5
what things10
ye have12
need of,11
before13
ye
ask16
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
GijG4771 danG3767 bidtG4336 aldusG3779: Onze VaderG3962, Die inG1722 de hemelenG3772 zijt! Uw NaamG3686 worde geheiligdG37.
Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.
KJV
After this manner1
therefore2
pray3
ye:
Our
Father5
which7
art in8
heaven,10
Hallowed be11
thy
name.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Uw KoninkrijkG932 komeG2064. Uw wilG2307 geschiedeG1096, gelijkG5613 inG1722 den hemelG3772 alzo ookG2532 op de aardeG1093.
Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.
KJV
Thy
kingdom3
come.1
Thy
will7
be done5
in13
earth,15
as12
it is in10
heaven.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
GeefG1325 ons hedenG4594 ons dagelijksG1967 broodG740.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
KJV
Give6
us
this day8
our
daily5
bread.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
EnG2532 vergeefG863 ons onze schuldenG3783, gelijkG5613 ookG2532 wij vergevenG863 onzen schuldenarenG3781.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
KJV
And1
forgive2
us
our
debts,5
as8
we
forgive10
our
debtors.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG2532 leidG1533 ons nietG3361 inG1519 verzoekingG3986, maarG235 verlosG4506 ons vanG575 den bozeG4190. WantG3754 Uw isG1510 het KoninkrijkG932, enG2532 de krachtG1411, enG2532 de heerlijkheidG1391, inG1519 der eeuwigheidG165, amenG281.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.
KJV
And1
lead3
us
not2
into5
temptation,6
but7
deliver8
us
from10
evil:12
For13
thine
is
the kingdom,17
and18
the power,20
and21
the glory,23
for24
ever.26
Amen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
WantG1063 indien gijG4771 den mensenG444 hunG846 misdadenG3900 vergeeftG863, zoG1437 zal uw hemelseG3770 VaderG3962 ookG2532 uG4771 vergevenG863.
Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.
KJV
For2
if1
ye forgive3
men5
their8
trespasses,7
your
heavenly16
Father13
will also10
forgive9
you:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
MaarG1161 indien gijG4771 den mensenG444 hunG846 misdadenG3900 nietG3361 vergeeftG863, zoG1437 zal ook uw VaderG3962 uw misdadenG3900 niet vergevenG863.
Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.
KJV
But2
if
ye forgive4
not
men6
their9
trespasses,8
neither10
will your
Father12
forgive14
your
trespasses.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
EnG1161 wanneer gij vastG3522, toontG1096 geenG3361 droevigG4659 gezicht, gelijk de geveinsdenG5273; want zij mismakenG853 hun aangezichtenG4383, opdat zijG846 van de mensenG444 mogenG5316 gezien worden, als zij vastenG3522. VoorwaarG281, Ik zegG3004 uG4771, datG3754 zij hun loonG3408 wegG568 hebben.
En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht, gelijk de geveinsden; want zij mismaken hun aangezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.
KJV
Moreover2
when1
ye fast,3
be5
not,4
as6
the hypocrites,8
of a sad countenance:9
for11
they disfigure10
their14
faces,13
that15
they may appear16
unto men18
to fast.19
Verily20
I say21
unto you,23
They have24
their27
reward.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
MaarG1161 gijG4771, als gijG4771 vastG3522, zalftG218 uw hoofdG2776, en wastG3538 uw aangezichtG4383;
Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht;
KJV
But2
thou,1
when thou fastest,3
anoint4
thine
head,7
and8
wash12
thy
face;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Opdat het van de mensenG444 nietG3361 gezien worde, als gij vastG3522, maarG235 van uw VaderG3962, Die inG1722 het verborgenG2927 is; enG2532 uw VaderG3962, Die inG1722 het verborgenG2927 ziet, zal het uG4771 inG1722 het openbaarG5318 vergeldenG591.
Opdat het van de mensen niet gezien worde, als gij vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
KJV
That1
thou appear3
not2
unto men5
to fast,6
but7
unto thy
Father9
which4
is in12
secret:14
and15
thy
Father,17
which8
seeth20
in21
secret,23
shall reward24
thee
openly.26
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
VergadertG2343 uG4771 geenG3361 schattenG2344 opG1909 de aardeG1093, waar ze de motG4597 enG2532 de roestG1035 verderftG853, enG2532 waar de dievenG2812 doorgravenG1358 enG2532 stelenG2813;
Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen;
KJV
Lay2
not1
up
for yourselves
treasures4
upon5
earth,7
where8
moth9
and10
rust11
doth corrupt,12
and13
where14
thieves15
break through16
and17
steal:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
MaarG1161 vergadertG2343 uG4771 schattenG2344 inG1722 den hemelG3772, waar ze noch motG4597 noch roestG1035 verderftG853, en waar de dievenG2812 nietG3756 doorgravenG1358 noch stelenG2813;
Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen;
KJV
But2
lay up1
for yourselves
treasures4
in5
heaven,6
where7
neither8
moth9
nor10
rust11
doth corrupt,12
and13
where14
thieves15
do17
not16
break through
nor18
steal:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WantG1063 waar uw schatG2344 isG1510, daar zal ookG2532 uw hartG2588 zijnG1510.
Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
KJV
For2
where1
your
treasure5
is,
there7
will
your
heart11
be
also.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
De kaarsG3088 des lichaamsG4983 isG1510 het oogG3788; indienG1437 danG3767 uw oogG3788 eenvoudigG573 isG1510, zo zal uw gehele lichaamG4983 verlichtG5460 wezenG1510;
De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen;
KJV
The light2
of the body4
is
the eye:7
if8
therefore9
thine
eye11
be
single,13
thy
whole15
body17
shall be
full of light.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
MaarG1161 indien uw oogG3788 boosG4190 isG1510, zo zal geheelG3650 uw lichaamG4983 duisterG4652 zijnG1510. Indien dan het lichtG5457, dat inG1722 uG4771 is, duisternisG4655 isG1510, hoeG4214 groot zal de duisternisG4655 zelve zijn!
Maar indien uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn!
KJV
But2
if1
thine
eye4
be
evil,6
thy
whole8
body10
shall be
full of darkness.12
If14
therefore15
the light17
that is
in19
thee
be darkness,21
how great25
is that darkness!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
NiemandG3762 kanG1410 tweeG1417 herenG2962 dienenG1398; wantG1063 ofG2228 hij zal den enenG1520 hatenG3404 enG2532 den anderen liefhebbenG25, ofG2228 hij zal den enenG1520 aanhangenG472 enG2532 den anderen verachtenG2706; gij kuntG1410 nietG3756 GodG2316 dienenG1398 enG2532 den MammonG3126.
Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.
KJV
No man1
can2
serve5
two3
masters:4
for7
either6
he will hate10
the one,9
and11
love14
the other;13
or else15
he will hold17
to the one,16
and18
despise21
the other.20
Ye cannot22
serve25
God24
and26
mammon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Daarom zegG3004 Ik uG4771: Zijt nietG3361 bezorgdG3309 voor uw levenG5590, watG5101 gijG4771 etenG5315, enG2532 watG5101 gij drinkenG4095 zult; noch voor uw lichaamG4983, waarmede gij u kledenG1746 zult; isG1510 het levenG5590 niet meer dan het voedselG5160, enG2532 het lichaamG4983 dan de kledingG1742?
Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding?
KJV
Therefore1
I say3
unto you,
Take no5
thought6
for your
life,8
what10
ye shall eat,11
or12
what13
ye shall drink;14
nor yet for15
your
body,17
what19
ye shall put on.20
Is
not21
the life23
more than
meat,27
and28
the body30
than raiment?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
AanzietG1689 de vogelenG4071 des hemelsG3772, datG3754 zij nietG3756 zaaienG4687, noch maaienG2325, noch verzamelenG4863 inG1519 de schurenG596; enG2532 uw hemelseG3770 VaderG3962 voedtG5142 nochtans dezelveG846; gaat gijG4771 dezelveG846 nietG3756 zeer veelG3123 te boven?
Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven?
KJV
Behold1
the fowls4
of the air:6
for7
they sow9
not,8
neither10
do they reap,11
nor12
gather13
into2
barns;15
yet16
your
heavenly21
Father18
feedeth22
them.23
Are27
ye
not24
much26
better than
they?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
WieG5101 toch van uG4771 kanG1410, metG1537 bezorgdG3309 te zijn, eenG1520 elG4083 totG1909 zijn lengteG2244 toedoenG4369?
Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?
KJV
Which3
of you
by taking thought5
can6
add7
one13
cubit12
unto8
his11
stature?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
En watG5101 zijt gij bezorgdG3309 voor de kledingG1742? AanmerktG2648 de lelienG2918 des veldsG68, hoeG4459 zij wassenG837; zij arbeidenG2872 niet, en spinnenG3514 niet;
En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelien des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet;
KJV
And1
why4
take ye thought5
for2
raiment?3
Consider6
the lilies8
of the field,10
how11
they grow;12
they toil14
not,13
neither15
do they spin:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
EnG1161 Ik zegG3004 uG4771, dat ook SalomoG4672, inG1722 alG3956 zijn heerlijkheidG1391, niet is bekleedG4016 geweest, gelijkG5613 eenG1520 van dezeG3778.
En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze.
KJV
And yet2
I say1
unto you,
That4
even5
Solomon6
in7
all8
his11
glory10
was12
not
arrayed
like13
one14
of these.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
IndienG1487 nuG1161 GodG2316 het grasG5528 des veldsG68, dat hedenG4594 isG1510, en morgenG839 inG1519 den ovenG2823 geworpenG906 wordt, alzoG3779 bekleedtG294, zal Hij u nietG3756 veelG4183 meer kleden, gijG4771 kleingelovigenG3640?
Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen?
KJV
Wherefore,2
if1
God15
so16
clothe17
the grass4
of the field,6
which to day7
is,
and9
to morrow10
is cast13
into11
the oven,12
shall he not18
much19
more20
clothe you,
O ye of little faith?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Daarom zijt nietG3361 bezorgdG3309, zeggendeG3004: WatG5101 zullen wij etenG5315, ofG2228 watG5101 zullen wij drinkenG4095, ofG2228 waarmede zullen wij ons kledenG4016?
Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?
KJV
Therefore2
take no1
thought,3
saying,4
What5
shall we eat?6
or,7
What8
shall we drink?9
or,10
Wherewithal11
shall we be clothed?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Want al deze dingen zoekenG1934 de heidenenG1484; want uw hemelseG3770 VaderG3962 weetG1492, dat gijG4771 al dezeG3778 dingen behoeftG5535.
Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft.
KJV
(For2
after6
all1
these things
do the Gentiles5
seek:)
for8
your
heavenly13
Father10
knoweth7
that14
ye have need15
of all17
these things.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
MaarG1161 zoektG2212 eerstG4412 het KoninkrijkG932 GodsG2316 en Zijn gerechtigheidG1343, en alG3956 dezeG3778 dingen zullen uG4771 toegeworpenG4369 worden.
Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.
KJV
But2
seek ye1
first3
the kingdom5
of God,7
and8
his11
righteousness;10
and12
all14
these things
shall be added15
unto you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Zijt danG3767 nietG3361 bezorgdG3309 tegen den morgenG839; wantG1063 de morgenG839 zal voor het zijne zorgenG3309; elke dagG2250 heeft genoegG713 aanG1519 zijn zelfsG846 kwaadG2549.
Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.
KJV
Take3
therefore2
no1
thought10
for4
the morrow:6
for8
the morrow9
shall take thought
for the things5
of itself.12
Sufficient13
unto the day15
is the evil17
thereof.
aalmoes niet doet voor de mensen,
Het Griekse woord eleemosyne waar aalmoes van komt, betekent in het algemeen een werk der barmhartigheid, en in het bijzonder de weldadigheid jegens de armen, omdat die uit medelijden moeten voortkomen, 1 Kor. 13:3 . Sommige Griekse boeken hebben: gerechtigheid.
Hertaald:
aalmoes niet doet voor de mensen,
Het Griekse woord eleemosyne, waar aalmoes van komt, betekent in het algemeen een werk van barmhartigheid, en in het bijzonder de weldadigheid jegens de armen, omdat die uit medelijden moet voortkomen, 1 Kor. 13:3. Sommige Griekse handschriften hebben: gerechtigheid.
geveinsden in de synagogen
Gr. hypocriten; welk woord de personaadjes in een kamerspel betekent, die een anderen persoon vertonen dan zij inderdaad zijn.
Hertaald:
geveinsden in de synagogen
Grieks: hypocrieten. Dat woord duidt de personages in een toneelstuk aan, die een andere persoon voorstellen dan zij in werkelijkheid zijn.
zij hebben hun loon weg
Want de eer, die zij zoeken bij de mensen, is hun loon.
Hertaald:
zij hebben hun loon weg
Want de eer die zij bij de mensen zoeken is hun loon.
zo laat uw linker- hand
Dat is, doet het op het allerheimelijkste, zonder roem daardoor te zoeken.
Hertaald:
zo laat uw linker- hand
Dat is: doe het in het diepste verborgene, zonder daarmee roem te zoeken.
in het openbaar vergelden
Namelijk dikwijls hier, maar inzonderheid hiernamaals in het uiterste oordeel. Zie Matt. 25:34 .
Hertaald:
in het openbaar vergelden
Namelijk vaak hier al, maar vooral hierna in het laatste oordeel. Zie Matth. 25:34.
bidt,
Namelijk in het bijzonder. Want ook de gewone gebeden in de vergaderingen zijn God aangenaam en hebben bijzondere beloften: Matt. 18:19 .
Hertaald:
bidt,
Namelijk in het bijzonder. Want ook de gemeenschappelijke gebeden in de samenkomsten zijn God aangenaam en hebben bijzondere beloften: Matth. 18:19.
synagogen
Namelijk buiten de tijd van de gemene gebeden.
Hertaald:
synagogen
Namelijk buiten de tijd van de gemeenschappelijke gebeden.
opdat zij van de mensen mogen gezien worden
Of, opdat zij den mensen schijnbaar zijn.
Hertaald:
opdat zij van de mensen mogen gezien worden
Of: opdat zij bij de mensen in het oog lopen.
binnenkamer,
Het Griekse woord betekent een plaats of kamer, waar men iets weglegt of opsluit.
Hertaald:
binnenkamer,
Het Griekse woord duidt een plaats of kamer aan waar men iets wegbergt of opsluit.
ijdel verhaal van woorden,
Grieks, Battlogia; dat is, wanneer enige woorden of rede zonder nood of ernst dikwijls herhaald worden.
Hertaald:
ijdel verhaal van woorden,
Grieks: battologia; dat is: wanneer bepaalde woorden of zinnen zonder noodzaak of zonder ernst telkens herhaald worden.
aldus
Dat is, richt al uw gebeden naar dit formulier. Niet dat wij aan deze woorden alleen of altijd zouden gehouden zijn, want in voorvallende noden is het ook wel geoorloofd enige beden verder uit te breiden, en ook met andere woorden uit te drukken. Zie Joh 17 , en Hand. 4:24 .
Hertaald:
aldus
Dat is: richt al uw gebeden naar dit formulier. Niet dat wij alleen of altijd aan deze woorden gebonden zouden zijn, want in voorkomende nood is het ook geoorloofd sommige beden verder uit te werken en ook met andere woorden te verwoorden. Zie Joh. 17 en Hand. 4:24.
in de hemelen zijt,
Dat is, in den derden hemel, 2 Kor. 12:2 , waar Hij zijne majesteit en heerlijkheid allermeest openbaart: Ps. 103:19 .
Hertaald:
in de hemelen zijt,
Dat is: in de derde hemel, 2 Kor. 12:2, waar Hij Zijn majesteit en heerlijkheid het meest openbaart: Ps. 103:19.
geheiligd
Dat is, van ons met woorden en werken groot gemaakt.
Hertaald:
geheiligd
Dat is: door ons met woorden en werken grootgemaakt.
koninkrijk
Namelijk zo der genade in deze wereld, als der heerlijkheid in de hemel.
Hertaald:
koninkrijk
Namelijk zowel het koninkrijk van de genade in deze wereld als dat van de heerlijkheid in de hemel.
in den hemel
Namelijk van de heilige engelen, Ps. 103:20-21 , en van de zalige en volmaakte zielen; Hebr. 12:23 .
Hertaald:
in den hemel
Namelijk door de heilige engelen, Ps. 103:20-21, en door de zalige en volmaakte zielen; Hebr. 12:23.
dagelijks
Dat is genoegzaam en nodig tot onderhoud van ons leven voor deze dag, of ons bescheiden deel; Spr. 30:8 .
Hertaald:
dagelijks
Dat is: genoeg en nodig voor het onderhoud van ons leven voor deze dag, of: ons toegemeten deel; Spr. 30:8.
brood
Dat is, alle nooddruft des lichaams; Gen. 3:19 .
Hertaald:
brood
Dat is: alles wat het lichaam nodig heeft; Gen. 3:19.
schulden,
Dat is, zonden, Luc. 11:4 , die ons schuldig maken aan de straf. Zie Matt. 18:24 .
Hertaald:
schulden,
Dat is: zonden, Luk. 11:4, die ons schuldig maken aan de straf. Zie Matth. 18:24.
leid ons niet
Of, breng ons niet; dat is, geef ons niet over.
Hertaald:
leid ons niet
Of: breng ons niet; dat is: geef ons niet over.
verzoeking,
Namelijk des satans, der wereld en van ons vlees, om ons te brengen tot zondigen, of tot kwaad. Zie Jak. 1:13-14 .
Hertaald:
verzoeking,
Namelijk van de satan, de wereld en ons eigen vlees, om ons tot zondigen of tot het kwade te brengen. Zie Jak. 1:13-14.
Amen
Het is een Hebreeuws woord, en zoveel te zeggen als: het zij of worde alzo; of, het is zekerlijk alzo. Zie Deut. 27:15 ; Neh. 8:7 .
Hertaald:
Amen
Het is een Hebreeuws woord en betekent zoveel als: zo zij het, of: zo gebeure het; of: het is zeker zo. Zie Deut. 27:15; Neh. 8:7.
misdaden niet vergeven
Grieks, misvallen; waardoor allerlei zonden verstaan worden.
Hertaald:
misdaden niet vergeven
Grieks: misslagen, waarmee allerlei zonden bedoeld worden.
vast,
Namelijk in het bijzonder. Want in gemeente noden of vasten is het geoorloofd een droevig gelaat te tonen, als het zonder geveinsdheid geschiedt.
Hertaald:
vast,
Namelijk in het bijzonder. Want bij algemene nood of vasten is het geoorloofd een bedroefd gezicht te tonen, mits het zonder huichelarij gebeurt.
mismaken hun aangezichten,
Of, verdonkeren, verderven.
Hertaald:
mismaken hun aangezichten,
Of: verduisteren, ontsieren.
zalft uw hoofd
Christus spreekt hier naar het gebruik der Joden, die in tijden van vrolijkheid zich zalfden en wiesen; Ps. 23:5 ; Am. 6:6 ; Luc. 7:46 .
Hertaald:
zalft uw hoofd
Christus spreekt hier naar de gewoonte van de Joden, die zich in tijden van vreugde zalfden en wasten; Ps. 23:5; Amos 6:6; Luk. 7:46.
Vergadert u geen schatten op de aarde,
Namelijk voornamelijk, of alzo dat gij daarvan uw werk zoudt maken, zonder de hemelse recht te betrachten. Zie 1 Tim. 6:8 .
Hertaald:
Vergadert u geen schatten op de aarde,
Namelijk in de eerste plaats, of zo dat u daarvan uw levenswerk zou maken zonder de hemelse schatten naar behoren na te jagen. Zie 1 Tim. 6:8.
roest verderft,
Grieks, eting, ineting.
Hertaald:
roest verderft,
Grieks: aanvreting, invreting.
De kaars des lichaams is het oog;
Dat is, gelijk het lichaam door het oog, zo wordt des mensen doen en laten door het verstand geleid en gericht.
Hertaald:
De kaars des lichaams is het oog;
Dat is: zoals het lichaam door het oog geleid wordt, zo wordt het doen en laten van de mens door het verstand geleid en gericht.
boos is,
Dat is, verblind of verdorven.
Hertaald:
boos is,
Dat is: verblind of verdorven.
twee heren dienen;
Namelijk die elkander tegen zijn.
Hertaald:
twee heren dienen;
Namelijk twee heren die tegenover elkaar staan.
aanhangen
Of, zich aan den enen houden.
Hertaald:
aanhangen
Of: zich aan de een houden.
mammon
Het is een Syrisch woord en betekent rijkdom, winst of schatten, die de mensen dikwijls als een god eren en dienen.
Hertaald:
mammon
Het is een Syrisch woord en betekent rijkdom, winst of schatten, die de mensen vaak als een god eren en dienen.
Zijt niet bezorgd
Namelijk met angstige en onmatige zorg, spruitende uit kleingelovigheid en verhinderende de zorg der zaligheid. Anders zo zijn wij ook schuldig voor deze dingen te zorgen; 1 Tim. 5:8 .
Hertaald:
Zijt niet bezorgd
Namelijk met angstige en overmatige zorg, die voortkomt uit kleingelovigheid en de zorg voor de zaligheid verhindert. Overigens zijn wij ook verplicht voor deze dingen te zorgen; 1 Tim. 5:8.
leven,
Grieks, ziel; waardoor het leven betekent wordt. Zie Job 2:6 ; Matt. 2:20 .
Hertaald:
leven,
Grieks: ziel, waarmee het leven aangeduid wordt. Zie Job 2:6; Matth. 2:20.
hemels,
Dat is, der lucht. Zie Ps. 8:9 .
Hertaald:
hemels,
Dat is: van de lucht. Zie Ps. 8:9.
gaat gij dezelve niet zeer veel teboven?
Grieks, verschilt gij niet zeer veel van dezelve?
Hertaald:
gaat gij dezelve niet zeer veel teboven?
Grieks: verschilt u niet zeer veel van hen?
een el tot zijn lengte toedoen?
Grieks, een cubit; dat is, de lengte des arms van den elleboog of tot het uiterste van den middensten vinger, of anderhalve voet.
Hertaald:
een el tot zijn lengte toedoen?
Grieks: een cubitus; dat is: de lengte van de arm van de elleboog tot het uiterste van de middelvinger, ofwel anderhalve voet.
Sálomo, in al zijn heerlijkheid
Lees van dezelve 1Ki 4 .
Hertaald:
Sálomo, in al zijn heerlijkheid
Lees daarover 1 Kon. 4.
morgen in den oven geworpen wordt,
Dat is, dat kort daarna verdroogd zijnde, bijna nergens anders toe dient, dan om daarmede de ovens te heten.
Hertaald:
morgen in den oven geworpen wordt,
Dat is: dat kort daarna verdroogd is en dan bijna nergens anders meer toe dient dan om er de ovens mee te stoken.
zoeken de heidenen;
Namelijk met angst en bekommernis, alsof hunne gelukzaligheid daarin gelegen ware.
Hertaald:
zoeken de heidenen;
Namelijk met angst en bekommernis, alsof hun geluk daarin gelegen was.
en Zijn gerechtigheid,
Namelijk Gods, gelijk uit den Grieksen tekst blijkt; dat is, die God aangenaam is, voor Hem bestaat en in het Evangelie ons geopenbaard is.
Hertaald:
en Zijn gerechtigheid,
Namelijk van God, zoals uit de Griekse tekst blijkt; dat is: de gerechtigheid die God aangenaam is, die voor Hem standhoudt en die ons in het Evangelie geopenbaard is.
toegeworpen worden
Grieks, toegelegd, of toegegeven; namelijk als een toemaat of toegift. Zie Ps. 127:2 .
Hertaald:
toegeworpen worden
Grieks: toegelegd, of toegegeven; namelijk als toemaat of toegift. Zie Ps. 127:2.
zijn eigen kwaad
Dat is, kwelling, bekommernis en zwarigheid, die op elken dag voorvalt.
Hertaald:
zijn eigen kwaad
Dat is: de kwelling, bekommernis en moeite die op elke dag voorkomt. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het is de uitdrukking waarmee zowel Johannes de Doper als Christus Zelf begint: "Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Matt. 3:2; 4:17). Mattheüs gebruikt haar meer dan dertig maal. Zij duidt niet een gebied aan maar een heerschappij: God die regeert, en mensen die zich onder die regering stellen. De Bergrede opent en sluit met dat Koninkrijk (Matt. 5:3,10). Het staat ook in het middelpunt van het gebed dat de Heere Zijn discipelen leert — "Uw Koninkrijk kome" (Matt. 6:10) — en het is de zaak die men eerst zoeken moet (Matt. 6:33). In hoofdstuk 13 legt Christus met zeven gelijkenissen uit hoe het zich in deze wereld gedraagt. Het begint klein als een mosterdzaad, het werkt verborgen als zuurdeeg, en het groeit op tussen onkruid dat pas bij de oogst gescheiden wordt (Matt. 13:24-33,47-50). Bijbelse betekenis: Het Koninkrijk is in Mattheüs tegelijk nabij en nog niet voleindigd, en die spanning is geen onduidelijkheid maar de zaak zelf. Het is nabij gekomen in de Koning die er staat, het wordt ingegaan door bekering en niet door afkomst of prestatie, en het wordt pas bij de oogst van alle vermenging gezuiverd. Vandaar dat het geweld aangedaan wordt (Matt. 11:12) en tegelijk gegeven wordt aan wie als een kind wordt (Matt. 18:3; 19:14). En vandaar dat de eis om het eerst te zoeken niet zwaar valt: wie het zoekt, ontvangt de rest toe. Typologie: Daniël zag reeds dat de God des hemels een Koninkrijk zou oprichten dat in eeuwigheid niet verstoord zal worden (Dan. 2:44). Hij zag ook dat de Zoon des mensen heerschappij, eer en het koninkrijk ontving (Dan. 7:13-14) — de woorden waarmee Christus Zich voor de hogepriester bekende (Matt. 26:64). Paulus zegt dat de Zoon het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgeven wanneer Hij alle vijanden onder Zijn voeten gesteld heeft (1 Kor. 15:24-25). En Openbaring bezingt dat de koninkrijken der wereld de koninkrijken van onze Heere geworden zijn (Op. 11:15). Matt. 3:2; Matt. 4:17; Matt. 5:3,10; Matt. 6:10,33; Matt. 13:24-33,47-50; Matt. 18:3; Matt. 26:64; Dan. 2:44; Dan. 7:13-14; 1 Kor. 15:24-25; Op. 11:15 Het woord loopt als een draad door Mattheüs. Christus laat Zich dopen om alle gerechtigheid te vervullen (Matt. 3:15); zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid (Matt. 5:6); en zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil (Matt. 5:10). Dan volgt de eis die de hele Bergrede beheerst: "Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij" dan die van de Schriftgeleerden en de Farizeeën, zal men het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan (Matt. 5:20). Hoofdstuk 6 waarschuwt vervolgens tegen het doen van de gerechtigheid vóór de mensen om gezien te worden (Matt. 6:1), en hetzelfde hoofdstuk sluit met de opdracht eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid te zoeken (Matt. 6:33). Bijbelse betekenis: De eis van Matt. 5:20 is geen oproep tot méér van hetzelfde. De Farizeeën waren nauwgezet; wie hen alleen wil overtreffen in nauwgezetheid, blijft in hun stelsel. De Bergrede snijdt dieper: bij de doodslag hoort de toorn, bij het echtbreken de begeerlijke blik (Matt. 5:21-28). Daarmee wordt duidelijk dat een gerechtigheid die overvloediger is dan die van de nauwgezetste mens, niet uit de mens kan komen. Juist daarom staat er vlak vóór die eis dat men naar haar hongeren en dorsten moet als naar iets dat men niet heeft. Typologie: Paulus geeft de ontknoping: er is een gerechtigheid Gods geopenbaard buiten de wet, namelijk door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven (Rom. 3:21-22). Van Christus wordt gezegd dat God Hem tot zonde gemaakt heeft voor ons, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5:21). Zelf begeerde hij niet zijn eigen gerechtigheid uit de wet maar die uit het geloof van Christus (Fil. 3:9). Zo is de gerechtigheid die overvloediger is dan die der Farizeeën niet een hogere prestatie maar een geschonken stand — en de honger van Matt. 5:6 wordt in Christus verzadigd. Matt. 3:15; Matt. 5:6,10,20-28; Matt. 6:1,33; Rom. 3:21-22; 2 Kor. 5:21; Fil. 3:9 In de Bergrede onderwijst Christus het gebed eerst negatief. Het moet niet zijn zoals bij de huichelaars, die staande in de synagogen en op de hoeken der straten bidden om van de mensen gezien te worden. Het moet ook niet met een overvloed van woorden als bij de heidenen, want de Vader weet wat men nodig heeft voordat men bidt (Matt. 6:5-8). Daarop volgt het gebed zelf, met een aanspraak en zes beden: de eerste drie voor Gods Naam, Koninkrijk en wil, de laatste drie voor brood, vergeving en bewaring (Matt. 6:9-13). Onmiddellijk erna staat de enige bede die Hij uitlegt, en het is de moeilijkste: wie de mensen hun misdaden niet vergeeft, wordt ook zelf niet vergeven (Matt. 6:14-15). Elders leert Hij volharding in het gebed — bidt, en u zal gegeven worden (Matt. 7:7-11) — en dat waar twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn, Hij in het midden is (Matt. 18:19-20). Bijbelse betekenis: De orde van de beden is het onderwijs. Er wordt niet begonnen bij de nood van de bidder maar bij de eer van God, en het brood komt pas op de vierde plaats. Het meervoud valt eveneens op: ons, onze, wij — het is een gebed dat men niet alleen bidt. En de aanspraak zelf is het grootste: dat een mens God "onze Vader" mag noemen, is in het Oude Testament nauwelijks gehoord en hier het uitgangspunt. Typologie: Dat dit geen aangeleerde formule maar een geschonken vrijmoedigheid is, legt Paulus uit: wij hebben niet ontvangen de geest der dienstbaarheid tot vrees, maar de Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader (Rom. 8:15; vgl. Gal. 4:6). En omdat wij niet weten wat wij bidden zullen, pleit de Geest Zelf voor ons (Rom. 8:26). Daarbij komt de voorbede van Christus: Hij leeft altijd om voor hen te bidden (Hebr. 7:25), en door Hem hebben wij de toegang tot de Vader in één Geest (Ef. 2:18). Het Onze Vader is dus niet de prestatie van de bidder maar de vrucht van het werk van de Middelaar. Matt. 6:5-15; Matt. 7:7-11; Matt. 18:19-20; Rom. 8:15,26; Gal. 4:6; Ef. 2:18; Hebr. 7:25 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas 'Uw Vader weet wat u nodig hebt, voordat u tot Hem bidt.' Mattheüs 6:8 In de vorige verhalen heb je gehoord over arme mensen die hulp nodig hadden,… Uw hemelse Vader. Mattheüs 6:26 Wist je dat je op twee manieren Gods kind bent? Hij heeft je gemaakt – je bent Zijn schepsel – en in Christus… Uw wil geschiede, zoals in de hemel zo ook op de aarde. Mattheüs 6:1 Let op het woord ‘geschiede’, want daarin ligt de kern van deze tekst. Gods… Verzamel schatten voor u in de hemel… Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. Mattheüs 6:20–21 Hecht je niet aan zekerheden in het hier… Verzamel schatten voor u in de hemel. Mattheüs 6:20 Zoals je ongetwijfeld weet was de Metropolitan Tabernacle een heel groot gebouw. Aan de voorkant stond een grote preekstoel,… Geef ons heden ons dagelijks brood. Mattheüs 6:11 Spurgeon was zo bezorgd en geïnteresseerd in de kinderen van het weeshuis dat hij hen vaak bezocht, en zij waren erg… Vlucht voor uw leven… U hebt Uw grote goedertierenheid aan mij bewezen door mijn ziel in leven te houden. (Genesis 19:17,19) Lees verder Lukas 17:28–33. Dit alarm vraagt van… Men zal voortdurend voor Hem bidden, de hele dag zal men Hem zegenen.(Psalm 72:15) Lees verder Mattheüs 6:9—13. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot… Ze kwamen bij de koning van Israël en zeiden: Uw dienaar Benhadad zegt: Laat mij toch in leven. En hij zei: Leeft hij dan nog? Hij is mijn… Och, wist ik maar dat ik Hem zou vinden, dan zou ik naar Zijn woonplaats toe komen. Ik zou de rechtszaak voor Zijn aangezicht uiteenzetten, en ik zou… Toen kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden, toen zij alleen waren: Waarom konden wij hem niet uitdrijven? Jezus zei tegen hen: Vanwege uw ongeloof, want voorwaar, Ik… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Bidt u dan alzo: Onze Vader, Die in de hemelen zijt… Mattheüs 6 vers 9 Dit gebed wordt gebeden vanuit de… En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Mattheüs 6:13 Wat ons in het gebed geleerd wordt te zoeken of te mijden, moeten we… Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt… Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; Maar vergadert u schatten in den hemel,… Zie dan toe, dat niet het licht hetwelk in u is, duisternis zij. Lukas 11:35 Indien dan het licht dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Uw hemelse Vader… Mattheüs 6 vers 26 De gelovigen worden ook wel Gods kinderen genoemd; en dit heeft een dubbele betekenis.… Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; Maar vergadert u schatten in den hemel,… Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. Mattheüs 6:33 Let er eens op hoe de Bijbel begint; ‘In… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Mattheüs 6
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
De Juiste Maat
Abba Vader
Gods wil geschiede in de hemel
Houd het niet te stevig vast
Tijd en eeuwigheid
Een kleine jongen genaamd Bob
Het schip vergaat — een waarschuwing
Uw Naam, Uw Koninkrijk, Uw wil
Laat mij leven
Spreken met God
Bidden en vasten
Leer ons bidden
Verzoekingen
Koper en goud?
De woonplaats van het hart
Een heldere blik
Uw hemelse Vader
Wees rijk in God
God eerst, dan de extra's


Mattheüs 6
Mattheüs 6:1.KruisverwijzingenMattheüs 23:5→Hebreeën 6:10→Galaten 6:12→Johannes 12:43→Mattheüs 16:27→Mattheüs 25:40→Lukas 11:35→Mattheüs 23:28→
— Hebt acht, dat gij uw aalmoes niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt gij geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.
“Hebt acht, dat gij uw aalmoes niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt gij geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.”
Onze gezegende Heere zegt Zijn discipelen niet dat zij aalmoezen moeten geven; Hij neemt aan dat zij dat dóen. Hoe konden zij Zijn discipelen zijn als zij dat niet deden? Maar Hij zegt hun te zorgen dat zij het niet doen om er eer en aanzien mee te krijgen.
Och, hoeveel wordt er in deze wereld gedaan dat zeer goed zou zijn, maar dat in het doen bedorven wordt door het motief: om door de mensen gezien te worden. U kunt niet verwachten twee keer betaald te worden. Neemt u uw loon dus in de toejuiching van mensen die u een hoge naam voor mildheid geven, dan kunt u geen loon van God verwachten.
Wij behoren enkel het oog gericht te hebben op de vraag of God aanneemt wat wij geven. En wij behoren weinig of niet te denken aan wat de mensen over onze gaven zeggen.
Mattheüs 6:2.KruisverwijzingenMattheüs 6:5→Mattheüs 6:16→Prediker 11:2→Jakobus 2:15→Efeze 4:28→Jesaja 9:17→Lukas 12:33→Handelingen 11:29→
— Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geeerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg.
En meer zullen zij niet hebben. Bij hen wordt er geen schat van goede werken voor God weggelegd. Wat zij ook gedaan hebben, zij hebben er de volle eer voor genomen in de lof van de mensen. Zij zijn er eenmaal voor betaald door de goedkeuring van hun medemensen, en zij zullen nooit enig verder loon ontvangen.
Mattheüs 6:3-4.KruisverwijzingenJeremia 17:10→Mattheüs 6:18→Mattheüs 6:6→Johannes 7:4→Psalmen 44:21→Jeremia 23:24→Openbaring 2:23→Hebreeën 4:13→
— Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linker hand niet weten, wat uw rechter doet; Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.
“Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linker hand niet weten, wat uw rechter doet;”
Doe het zo in het verborgen dat u het zelf nauwelijks weet. Denk er wat uzelf betreft zo weinig over, dat u nauwelijks weet dat u het gedaan hebt. Doe het voor God; laat Híj het weten.
Er ligt een gezegende nadruk op dat woord “Zelf”. Want zal God ons vergelden, wat een vergelding zal dat zijn! Elke lof van Zijn lippen, elk loon uit Zijn handen, zal onschatbaar zijn. Och, om met het oog dáárop alleen te leven!
Mattheüs 6:5.KruisverwijzingenMattheüs 6:2→Lukas 18:10→Markus 11:25→Lukas 14:12→Lukas 18:1→Mattheüs 7:7→Spreuken 15:8→Jesaja 1:15→
— En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.
Hij zegt Zijn discipelen ook niet dat zij bidden moeten; opnieuw neemt Hij aan dat zij het doen. En hij kan geen christen zijn die niet bidt. Een gebedloze ziel is een Christusloze ziel.
Wij behoren in de gemeente te bidden, en wij mogen ook op de hoeken van de straten bidden. Het verkeerde is het te doen om door de mensen gezien te worden. Dat wil zeggen: uit te zien naar een tegenwoordig loon in de lof die van menselijke lippen valt.
Dat is alles wat zij ooit zullen krijgen. Mensen zeggen: wat een wonderlijk godvruchtig man is dat, die op de straathoek staat te bidden. Ja, maar dát is het loon. Het gebed sterft waar het gedaan werd.
Ik heb wel grote lof horen toekennen aan mensen in het oosten. Waar zij ook zijn, zij stellen zich in de houding van het gebed. En dat op het uur van de zonsopgang, of op het uur dat het geluid van de top van de moskee komt. God verhoede dat ik hun de eer zou ontnemen die zij verdienen. Maar het zij ver van ons hen ooit na te volgen. Wij hoeven ons niet over onze gebeden te schamen, maar zij zijn geen dingen voor de openbare straat. Zij zijn bedoeld voor Gods oog en Gods oor.
Mattheüs 6:6.Kruisverwijzingen2 Koningen 4:33→Jesaja 26:20→Jesaja 65:24→Mattheüs 6:18→Psalmen 34:15→Mattheüs 26:36→Romeinen 8:5→Handelingen 9:40→
— Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
“Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.”
Zoek een stil hoekje op, een verborgen plaats, waar het ook is. Doe de deur toe, zodat niemand u horen kan — en wens zelfs niet dat iemand weet dat u aan het bidden bent.
Mattheüs 6:7-8.KruisverwijzingenPrediker 5:2→Mattheüs 6:32→Prediker 5:7→Psalmen 38:9→1 Koningen 18:26→Filippenzen 4:6→Lukas 12:30→Johannes 16:23→
— En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden. Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.
Sommigen schijnen aan een bepaalde vorm van woorden een soort kracht toe te schrijven, alsof het een tovermiddel was, en zij herhalen die telkens en telkens weer. Niet alleen de arme mohammedanen en de heidenen gebruiken zulke ijdele herhalingen. De leden van de kerk van Rome en van andere kerken die ik zou kunnen noemen doen hetzelfde. Zij herhalen telkens weer woorden waaraan zij maar een zeer geringe betekenis toekennen en waarin zij weinig of geen hart leggen. Het is alsof er in de woorden zelf een kracht kon zitten.
Laat het bij u niet zo zijn, geliefden. Bid in het verborgen zo lang als u wilt. Maar bid niet lang met de gedachte dat God u horen zal alleen omdat u lange tijd aan uw gebeden bezig bent.
Het is niet zo gemakkelijk dezelfde woorden vaak te herhalen zonder dat het een ijdele herhaling wordt. Een herhaling is trouwens niet verboden, maar een íjdele herhaling. En hoe zeer dwalen zij die gebeden bij de el meten! Zij menen zoveel gebeden te hebben omdat zij zo lang gebeden hebben. Terwijl het het werk van het hart is — het werkelijke uitgieten van het verlangen voor God — waarnaar gekeken moet worden.
Hoedanigheid, niet hoeveelheid; waarheid, niet lengte. Dikwijls zit er in de kortste gebeden het meeste gebed. In de hemel worden gebeden nooit bij de el gemeten; zij worden op hun gewicht geschat. Is er ernst in, en waarheid en oprechtheid, dan neemt God ze aan, hoe kort zij ook zijn. Ja, kortheid is in het gebed vaak een uitnemendheid.
God hoeft niet ingelicht te worden en zelfs niet overreed. Louter woorden hebben in Zijn oren geen waarde. Moet u veel woorden gebruiken, vraag dan de mensen u hun oren te leen te geven, want die hebben er misschien weinig anders mee te doen. Maar God geeft niet om woorden alleen; het is de gedachte, het verlangen van het hart waar Hij altijd op ziet.
Mattheüs 6:9-13.KruisverwijzingenSpreuken 30:8→Exodus 16:16→1 Korinthe 10:13→Ezechiël 36:23→Mattheüs 3:2→1 Thessalonicenzen 5:18→1 Petrus 2:15→Mattheüs 12:50→
— Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.
Hier is een voorbeeldgebed voor u om na te volgen, zover als het op uw geval past. Het kan nooit overtroffen worden en het bevat alle delen van de godsvrucht. Zij doen goed die hun gebeden naar dit gebed vormen.
Elk onderdeel ervan is in een leerzame hoofdgedachte te vatten. “Onze Vader, Die in de hemelen zijt” — ik ben een kind ver van huis. “Uw Naam worde geheiligd” — ik ben een aanbidder. “Uw Koninkrijk kome” — ik ben een onderdaan. “Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde” — ik ben een knecht. “Geef ons heden ons dagelijks brood” — ik ben een bedelaar. “En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren” — ik ben een zondaar. “En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze” — ik ben een zondaar die gevaar loopt een nog groter zondaar te worden.
Nadat iemand bekeerd is en vergeving van zonden ontvangen heeft, zal hij spoedig door de duivel verzocht worden. Want de satan kan het niet verdragen zijn onderdanen te verliezen. En ziet de satan iemand de grens over gaan en aan zijn hand ontkomen? Dan verzamelt hij al zijn krachten en gebruikt hij al zijn listigheid om hem meteen te doden.
Om die bijzondere aanval te ontmoeten maakt de HEERE het hart waakzaam. Dit is dus een gebed van waakzaamheid, en dat is nodig van het begin van het christenleven tot aan het einde ervan. Er is geen uur waarin een gelovige zich slaap kan veroorloven. En naast de waakzaamheid mag een gelovige nooit met overleg de verzoeking binnengaan. Wie dat doet, is een leugenaar voor God.
Mattheüs 6:14-15.KruisverwijzingenEfeze 4:32→Markus 11:25→Kolossenzen 3:13→Mattheüs 7:2→Mattheüs 18:35→Spreuken 21:13→Jakobus 2:13→Mattheüs 6:12→
— Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.
“Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.”
Er zijn er die dit veranderd hebben en zo bidden: vergeef ons onze schulden, gelijk wij onze schuldenaren wensen te vergeven. Dat gaat niet op. U zult God om vergeving moeten vragen, en tevergeefs vragen, als u zo bidt.
Het moet komen tot dit punt van letterlijke, onmiddellijke, volledige vergeving van elke belediging die u aangedaan is, als u verwacht dat God u vergeeft. Daar valt niet onderuit te wringen. Wie weigert te vergeven, weigert vergeven te worden.
God geve dat niemand van ons boosaardigheid in het hart duldt. De toorn schiet ook wel door de boezem van wijze mensen, maar hij brándt alleen in het hart van de dwaze. Mochten wij hem uitblussen en gevoelen dat wij vrij en volledig en van hart vergeven, wetend dat wij vergeven zijn.
Om in het gebed te slagen moeten wij dus een hart hebben dat gezuiverd is van een geest van wraak en van alle onvriendelijkheid. Wij moeten zelf liefhebbend en vergevend zijn, of wij kunnen niet verwachten dat God onze smekingen hoort wanneer wij Zijn vergeving komen vragen.
Mattheüs 6:16.KruisverwijzingenJesaja 58:3→Mattheüs 6:2→Psalmen 35:13→Psalmen 69:10→Lukas 18:12→Mattheüs 6:5→1 Koningen 21:27→Zacharia 7:3→
— En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht, gelijk de geveinsden; want zij mismaken hun aangezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.
Eenvoudige mensen prijzen die huichelaars en denken hoog over hen. En zij pronken daarmee en houden zich voor de allerbeste mensen. Zij hebben hun loon — en een armzalig loon is het.
Zij schenen tegen ieder die naar hen keek te zeggen: wij zijn zo in onze godsvrucht verdiept geweest dat wij zelfs geen tijd gevonden hebben ons gezicht te wassen. Maar de Zaligmaker zegt tegen Zijn volgelingen: volg die huichelaars niet na; maak onze verborgen godsdienstige oefeningen niet openbaar, doe ze voor God en niet voor de mensen.
Mattheüs 6:17-18.KruisverwijzingenRuth 3:3→Mattheüs 6:4→Mattheüs 6:6→Prediker 9:8→Daniël 10:2→2 Samuël 14:2→2 Samuël 12:20→1 Petrus 1:7→
— Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht; Opdat het van de mensen niet gezien worde, als gij vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
En toch heb ik mensen over zekere uitgemergelde geestelijken horen spreken als zulke wonderlijk heilige mannen. Hoe moeten zij gevast hebben! Zij zien er ook naar uit; u kunt het aan hun gezicht zien.
Waarschijnlijk komt dat veel eerder van een gebrek in hun spijsvertering dan van iets anders. En zo niet — moeten wij aannemen dat de magerheid van iemand het teken van zijn heiligheid is? Dan was het wandelende skelet een heilige in volmaaktheid. Maar door zulke dwaasheden laten wij ons niet misleiden.
De christen vast wel, maar hij zorgt ervoor dat niemand het weet. Hij draagt geen ring en geen teken, ook niet wanneer zijn hart zwaar is. Heel vaak zet hij een blij gezicht op, opdat hij niemand nodeloze smart meedeelt. En hij zal in gezelschap naar het uiterlijk vrolijk en gelukkig zijn, om te voorkomen dat de anderen bedroefd worden. Want het is hem genoeg dat hij zelf bedroefd is, en bedroefd voor het aangezicht van zijn Vader.
God geve ons die bescheiden, onzelfzuchtige geest die voor Hem leeft en niet in het schijnlicht van de achting van mensen wil wandelen! Wat doet het uiteindelijk toe wat mensen van ons denken? De huichelaar beroemt zich hoogmoedig als hij een beetje lof van zijn medemensen wint. Maar wat is dat anders dan zoveel wind?
Mattheüs 6:19-21.KruisverwijzingenHebreeën 13:5→Jakobus 5:1→Kolossenzen 3:1→Lukas 12:33→1 Johannes 2:15→Lukas 12:21→1 Timotheüs 6:8→Spreuken 4:23→
— Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen; Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
“Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen; Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.”
Christus leert ons hier eerst hoe wij bidden moeten, en dan hoe wij werkelijk leven moeten. Hij keert onze gedachten af van dat doel in het leven dat zo velen verlokt en schaadt, en dat uiteindelijk toch een doel is dat ons zoeken niet waard is. En Hij gebiedt ons iets hogers en beters te zoeken.
Er is meer dan één manier om uw schat voor u uit naar de hemel te zenden. Gods armen zijn Zijn geldkisten, Zijn schatkamer; door hun middel kunt u uw schat naar de hemel overmaken. En ook het werk van de wereld te evangeliseren door de arbeid van Gods knechten in de dienst van het evangelie — ook daaraan kunt u helpen. Zo kunt u uw schat in de schatkamer van de Koning overbrengen, en uw hart zal die volgen.
Ik heb gehoord van iemand die zei dat zijn godsdienst hem geen gulden per jaar kostte. En er werd opgemerkt dat die godsdienst tegen die prijs waarschijnlijk nog duur was. U zult merken dat mensen een tamelijk nauwkeurige schatting van de waarde van hun eigen godsdienst geven met de verhouding waarin zij bereid zijn er iets voor op te geven.
Het is zeker zo: uw hart zal uw schat volgen. Zend hem daarom weg naar de eeuwige heuvelen; leg schat in dat gezegende land voordat u er zelf komt.
Mattheüs 6:22-23.KruisverwijzingenLukas 11:34→1 Korinthe 1:18→Romeinen 2:17→Mattheüs 6:22→Jesaja 5:20→Jeremia 4:22→Jesaja 44:18→1 Johannes 2:11→
— De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen; Maar indien uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn!
Is uw motief enkelvoudig — hebt u maar één motief, en dat een recht motief, het hoofdmotief van God te verheerlijken — dan is uw oog eenvoudig.
Wanneer iemands hoogste motief zichzelf is, wat een duistere en zelfzuchtige natuur heeft hij dan. Maar wanneer zijn hoogste motief zijn God is, wat een helderheid van licht zal er dan over alles schijnen.
Is uw oog verstopt met gouddeeltjes, of leeft u voor uzelf en voor deze wereld? Dan zal uw hele leven een duister leven zijn, en dan zal uw hele wezen in duisternis wonen. Maar, zegt iemand, mag ik niet voor deze wereld en voor de volgende tegelijk leven? Hoor dan wat er volgt.
Mattheüs 6:24.KruisverwijzingenLukas 16:13→1 Johannes 2:15→Jakobus 4:4→Galaten 1:10→Lukas 16:11→1 Timotheüs 6:9→2 Koningen 17:33→Lukas 16:9→
— Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.
“Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.”
Iemand kan heel gemakkelijk twee personen dienen. Wat dat aangaat kan hij er twintig dienen — maar geen twee méésters. Er kunnen in iemands hart geen twee hoofdbeginselen zijn, en in iemands ziel geen twee hoofddriften.
Hij kan twee mensen dienen wier belangen met elkaar botsen, maar zij kunnen niet beide zijn meester zijn. Of de een of de ander zal meester zijn. Zij staan zo tegenover elkaar dat zij nooit tot een verdeelde dienst zullen instemmen. Het is de Heere Jezus Christus Die dit zegt; probeer dus niet te doen wat Hij onmogelijk verklaart. Al is het leven van sommige mensen één lange proefneming op de vraag hoe ver zij die twee kunnen dienen.
Mattheüs 6:25-26.KruisverwijzingenMattheüs 6:31→Psalmen 147:9→Filippenzen 4:6→Job 38:41→Lukas 12:24→1 Petrus 5:7→Mattheüs 6:34→Psalmen 104:27→
— Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven?
Het moest zijn: neemt geen afleidende zorg voor uw leven. U bent verplicht uw leven aan God te laten; waarom dan niet ook alle zorg over uw voedsel en uw kleding aan Hem gelaten?
Gelooft u dat God u, na al uw ernstige arbeid en uw vlijt, van honger zal laten omkomen, terwijl deze schepselen die niet arbeiden toch gevoed worden?
Mattheüs 6:27-29.KruisverwijzingenPrediker 3:14→Lukas 12:25→Mattheüs 5:36→Mattheüs 6:25→Mattheüs 6:31→2 Kronieken 9:20→Psalmen 39:5→Lukas 12:27→
— Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen? En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelien des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet; En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze.
Christus vraagt of zij door zorg te dragen één el aan hun leven kunnen toevoegen. Ik vat Zijn vraag zo op: of zij op enige manier de maat van hun bestaan langer konden maken dan hij was. Dat konden zij niet. Korter maken konden zij hem wél, en heel vaak heeft de knagende zorg mensen in hun graf gebracht.
Daarna gebood Christus hun op te merken hoe de lelies groeien — zo mooi dat zelfs Salomo hen in schoonheid niet overtreffen kon.
Mattheüs 6:30-33.KruisverwijzingenMattheüs 5:6→Lukas 12:31→Johannes 6:27→Markus 10:29→Psalmen 34:9→Spreuken 3:9→Psalmen 84:11→Spreuken 2:1→
— Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen? Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.
“Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.”
Hebt u touw en pakpapier nodig, dan hoeft u daarvoor geen winkel binnen te gaan. Maar koopt u bepaalde artikelen, dan krijgt u het touw en het pakpapier op de koop toe. Zo is het ook wanneer u tot God gaat en eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid zoekt. Die andere dingen zijn als het ware maar de verpakking, en die worden u op de koop toe gegeven. Die u de gouden schatten van de hemel geeft, zal u de koperen schatten van de aarde niet laten missen.
Mattheüs 6:34.KruisverwijzingenMattheüs 6:25→Johannes 14:27→Hebreeën 13:5→Klaagliederen 3:23→Johannes 16:33→Exodus 16:18→Lukas 11:3→Deuteronomium 33:25→
— Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.
U kunt niet in de dag van morgen leven, dus maak u over de dag van morgen niet ongerust. U leeft in de dag van vandaag. Denk dus aan vandaag, besteed vandaag aan Gods eer, en laat de zorg over morgen liggen tot morgen komt.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-18.KruisverwijzingenMattheüs 23:5→2 Koningen 4:33→Mattheüs 6:5→Prediker 5:2→Mattheüs 6:32→Mattheüs 6:2→Jesaja 26:20→Jesaja 65:24→
— Hebt acht, dat gij uw aalmoes niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt gij geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is. Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geeerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg. Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linker hand niet weten, wat uw rechter doet; Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden. En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden. En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden. Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.
C. Vs. 1-18. Tot hiertoe heeft Christus de valse leer en schriftverklaring bestraft, waardoor de mensen daartoe gekomen zijn, dat zij met de vuist niet zondigen, maar het hart inwendig geheel onrein is gebleven. Hij heeft daar tegenover het juiste begrip van de Schrift en de wet aangewezen en verklaard. Na de leer grijpt Hij nu ook het leven aan en bestraft Hij hun goede werken, omdat Hij verklaart, wat wezenlijk goede werken zijn. Hij laat niets goed blijven, noch van leer noch van werk, hoewel zij toch in de mening heilige mensen te zijn, dagelijks leerden en goede werken deden, zodat men hen ook voor de heiligsten op aarde hield.
Die drie soorten van goede werken worden besproken, waarop zich de Farizese vroomheid, evenals later de Roomse kerk bijzonder beroemde: de aalmoezen, het gebed en het vasten.
Hebt acht, dat de huichelarij niet de worm in uw tuin zij: 1. Hebt acht op uw aalmoezen, of de werken van uw liefde tot de naaste; 2. Hebt acht op uw bidden, op de werken van uw kindschap van God; 3. Hebt acht op uw vasten of de werken van uw zelfverloochening! – Het beste in het Christelijk leven behoort tot de binnenkamer en niet in het openbaar; in het bijzonder. 1. De edelste werken van liefde, 2. De zaligste uren van overdenking, 3. De meest innige zielenstrijd.
Hebt acht, dat gij uw aalmoes, (volgens een andere lezing: uw gerechtigheid) niet doet voor de mensen, voor hun ogen en in hun aanwezigheid, met het bepaalde doel, om door hen gezien te worden, en om door hen voor de grote dingen, die gij gedaan hebt, geprezen te worden; anders wanneer gij niet, in plaats van met uw goede werken zo te pronken, u integendeel daarmee in het verborgen houdt, zo hebt gij geen loon bij uw Vader, die in de hemelen is, maar gij hebt uw loon weg.
Uw gerechtigheid wilde gezien worden en is gezien; zij wilde de mensen behagen en zij heeft hun behaagd; zij heeft het loon ontvangen, dat zij zocht, de beloning die zij niet zocht, zal zij ook niet verkrijgen.
De andere lezing schijnt de voorrang te verdienen (evenzo Lachman, Griesbach, Tischendorf); zij is die van verreweg de meeste handschriften van het oosten, terwijl de andere, die van de recepta, die onze vertalers gevolgd hebben (elehmosunhn in plaats van dikaiosunhn) meer tot het westen behoort. Leest men “aalmoezen”, dan begint de waarschuwing van de Verlosser aanstonds met de eerste klasse van die goede werken; leest men daarentegen “gerechtigheid”, zo kan dat ook wel zo veel als aalmoezen zijn (gerechtigheid, die zich in het geven van de aalmoezen openbaart) (Tob. 2: 14; 12: 9), het kan echter ook de algemene betekenis hebben, zodat het “dan” in het volgende vers de overgang vormt tot de verschillende soorten van gerechtigheid, en “uw gerechtigheid” ware dan die, welke de Heere van Zijn discipelen vordert (hoofdstuk 5: 20), of die, welke zij in praktisch opvolgen van de wet, in het werkelijke leven zich beijveren te openbaren. “Eerst had de Heere Zijn discipelen betere begrippen van gerechtigheid ingeprent, dan Farizeeën en Schriftgeleerden die hadden; nu toont Hij hun ook aan, hoe hun gerechtigheid in de uitoefening zelf zo veel beter, hoger en reiner moet zijn dan gerechtigheid van de Farizeeën, in het bijzonder daarin, dat zij uit een geheel andere grond voortkomen, dat daarbij een geheel andere drijfveer, een ander doel en een andere wijze van handelen moest plaats hebben, als bij hen. Farizeeën en Schriftgeleerden deden veel, dat op zichzelf goed was, maar zij deden het zo, dat het ophield goed te zijn, zoals zij het deden. De discipelen van de Heere moeten niet alleen het goede doen, maar ook toezien, hoe zij het doen, en zich wachten, dat het niet door verkeerde ten uitvoerlegging ophoude, goed te zijn.”
a) Wanneer gij dan aalmoes (Tob. 4: 1-5 Aanm. ) doet, zo laat voor u niet trompetten, opdat de mensen eerst samenlopen, voordat gij aan een arme iets geeft, en zij ook zien, wat gij geeft, zoals de geveinsden, wie het erom te doen is, dat de wereld weet, hoe dikwijls en hoe veel zij geven, in de synagogen en op de straten doen, de beide plaatsen, waar zij het meest opgemerkt kunnen worden, opdat zij door de mensen geëerd mogen worden. Dit doel bereiken zij dan ook. Voorwaar zegIk u: zij hebben met dat geprezen worden van de mensen hun loon weg.
Rom. 12: 8
Maar als gij aalmoes doet, zo laat om juist het tegenovergestelde van die schijnheiligen te doen, uw linkerhand niet weten, wat uw rechter- doet;
Opdat uw aalmoes in het verborgene zij, zowel voor uzelf als voor de mensen; zo geeft gij in eenvoudigheid (Rom. 12: 8), en uw Vader, in de hemel (hoofdstuk 5: 48), die in het verborgen ziet, ook datgene kent, dat in het verborgen gebeurt, zonder dat het Hem eerst door iemand geopenbaard zou hoeven te worden (Ps. 139: 12 Jer. 23: 24; 32: 19 Hebr. 4: 13) die zal het u in het a) openbaar vergelden, gedeeltelijk reeds in dit leven (Ps. 37: 26; 41: 2vv. ; 112: 5vv. Jes. 58: 7vv. ), maar voornamelijk in het jongste gericht (hoofdstuk 25: 34vv. ; 1 Kor. 4: 5 Jak. 2: 13).
Luk. 14: 14
De Farizeeën en Schriftgeleerden schijnen tweeërlei middel te hebben aangewend, om zich met hun weldoen recht te doen zien, behalve dat zij openbare plaatsen, de synagogen en straten daartoe kozen. Wanneer in de synagogen of scholen nog vóór het begin van de gebeden het inleggen in de aalmoezenschaal gebeurde, maakten zij hun pronkziek, theatraal gedrag daardoor bekend, dat zij de in de linkerhand genomen gave met de rechter eerst nog telden, voordat zij die inlegden, om zo de opmerkzaamheid van de omstanders een poos bezig te houden en met hun milddadigheid te pronken. Vandaar heeft de Heere de uitdrukking ontleend bij wijze van gelijkenis, die eerst door Hem tot een spreekwoord geworden is, maar niet als zodanig reeds bestond: “laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter- doet. ” Men kan deze verklaren, zoals Tholuck doet: Wat staat in nadere betrekking tot elkaar, dan de leden van het lichaam en voornamelijk die bij elkaar horen, die bij de Grieken en Romeinen “broeders” genoemd worden. De rechterhand geeft de aalmoezen; mag nu de hier zo nabijzijnde verwante linkerhand er niet eens van weten, zo geeft dit op een mooie, aanschouwelijke wijze te kennen, dat zelfs niet de naaste en meest vertrouwde vriend onder de mensen, maar alleen de Vader in de hemel daarvan mag getuige zijn. Men moet echter hierbij niet blijven staan, maar nog dieper ingrijpen en aan onze eigen inwendige mens een rechter- en een linkerhand onderscheiden, en dan heeft de vroeger reeds vermelde oude uitlegging van onze Evangelist er reeds op gewezen, dat de linkerhand de ene tot ijdelheid en zelfzucht geneigde zijde aan de mens betekent, de rechter die zijde, die lust heeft in de wet van God naar de inwendige mens (Rom. 7: 15vv. ). De linker in deze zin mag niet weten wat de rechter voor heeft, opdat zij noch met haar zelfzuchtige berekening daarin spreke, wanneer de gave rijkelijk wordt toegedeeld, noch een krans van eigen lof vlechte, wanneer de gave ook werkelijk, ondanks haar tegenspreken en haar gierigheid, rijkelijk wordt uitgedeeld. Hetzelfde geldt onder omstandigheden ook in betrekking tot het huwelijksleven, waar ten minste in het begin, zo lang een verhinderen of moeilijker maken mogelijk is, de linker- menigmaal niet mag weten wat de rechterhand doet; toch moet deze zoeken het hart van gene tot zich te bekeren. Nog herinneren wij hier aan een woord van een Engelse schrijver: “Schrijf niet in uw uitgavenboek, wat gij aan armen en hulpbehoevenden geeft; het zal hier boven wel worden opgeschreven. Wat nu verder het geven op de straten betreft, zo schijnen de Farizeeën en Schriftgeleerden daar van tijd tot tijd verschenen te zijn, om bedelingen onder de armen te houden. Deze lieten zij werkelijk tezamen blazen, en nu werd hun aalmoezen geven des te meer in het oogvallend en openbaar, omdat de straten en Oosterse steden (tot afwering van de grote hitte van de zon) zeer nauw plegen te zijn. Vandaar heeft Christus de andere uitdrukking bij wijze van een gelijkenis ontleend: “gij zult niet voor u laten trompetten, bazuinen, ” waarvoor wij de spreekwijze “uitbazuinen” of “aan de grote klok hangen” (in het Engels: to sound ones own trompet, in het Frans: faire quelque chose tambour battant) hebben. “Oprechtheid in de Christelijke wandel te betonen, alzo tot een goed voorbeeld te wezen voor anderen, die in hun zondige toestand geheel gerust zijn, is de Christen om de getuigenis voor Christus en om het heil van de naaste een dure plicht; maar dit heeft ook van wege de eigen zondigheid zeer bepaalde grenzen. De Christen heeft op ieder ogenblik van zedelijk goede wandel met de zonde van zijn hart te strijden, om de trots op zijn deugd en zijn verdiensten te onderdrukken, om de ware ootmoed te bewaren. Hij mag weliswaar zijn Christelijk handelen nooit verloochenen, hij mag geen valse schijn van zonde geven, maar hij mag zijn Christelijke deugd niet als een roem voor de mensen beschouwen, waarop hij trots zou kunnen zijn, en in het bijzonder zijn zodanige handelingen, waarbij de glans voor menselijke ogen betrekkelijk helderder is, dan bij het weldoen, of waar deze werken minder op de mensen dan op God zelf betrekking hebben, als bij het gebed, liever in het verborgen te verrichten, dan in het openbaar, om geen voedsel te geven aan verwaandheid en zelfbehagen. Het gebod van Christus in vs. 1 is dus niet in tegenspraak met Zijn woord in hfdst. 5: 16 : “laat uw licht schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, ” maar wel een wijze beperking van de openbaring van zichzelf, die hier geëist wordt, voor een bepaald gebied van het zedelijk handelen. De waarachtige openbaring van het Christen-zijn mag niet ontaarden in een te koop lopen met eigen deugd; het goede mag niet daarom worden gedaan, opdat het door de mensen gezien wordt; de Christelijke heiligheid mag niet willen glinsteren en schitteren, anders wordt zij dadelijk tot schijnheiligheid. Schijnheilig nu is niet slechts hij, die de gerechtigheid huichelt, slechts haar schijn zoekt, zonder haar werkelijkheid, die de schijn van godzaligheid heeft, maar haar kracht verloochent (2 Tim. 3: 5), maar ook hij, die haar werkelijkheid slechts om de schijn zoekt, met de goede werken pronkt (hoofdstuk 23: 5), en ze daardoor tot middelen van begeerten maakt.
Maar wie gelooft, dat zo’n zonde en ondeugd zo algemeen is in de wereld, en het allermeest bij de allerbesten, en hoe weinig er van dezen zijn, die zonder wereldse eer of gunst te zoeken, goede werken doen? Ja, de wereld komt er nooit toe, dat zij ervare, wat het is, waarlijk aalmoes te geven; want wij zijn toch van dien aard dat, wanneer ons de mensen nooit begonnen te prijzen, of eer, dank en gunst te betonen, een ieder de hand spoedig zou terugtrekken. Dit merkt men daarbij wel op, wanneer men de mensen op het sterkste dringt tot goede werken, dat het God en alle engelen zeer welgevallig is, en Hij daarenboven honderdvoudig wil vergelden, dat nog niemand daaraan wil; vervolgens hebt gij ook dit, dat zulke heiligen spoedig toornig worden en zich terugtrekken, wanneer zij ondank of verachting ondervinden. Daarom kan niemand enig goed werk doen, tenzij hij een Christen zij; want doet hij het als een mens, zo doet hij het niet om Gods wil, maar omwille van eigen eer en genot; hoewel hij de eer van God voorgeeft, zo is het toch gelogen en gehuicheld.
Merken wij hier op, dat de Heere het voor een uitgemaakte zaak houdt, dat allen, die zich Zijn discipelen noemen, aalmoezen geven. Hij neemt het aan als iets, dat vanzelf spreekt, dat zij het voor een dure plicht houden, om naar vermogen te geven tot leniging van andermans gebrek. Het enige punt, waarover Hij handelt, is de wijze waarop de plicht vervuld moet worden. Dit is een zwaarwichtige leer. Zij veroordeelt de zelfzuchtige gierigheid van menigeen in het stuk van geld geven, Hoe velen zijn “rijk bij zichzelf”, maar arm voor God! Hoe menigeen, die nooit een penning geeft, om aan de lichamen en zielen van mensen goed te doen! En hebben zulke personen in hun tegenwoordige gemoedstoestand enig recht om Christenen genoemd te worden? Een gevende Zaligmaker behoort ook gevende discipelen te hebben.
De Heere heeft klaarblijkelijk tot doel de mensenharten tot de hemel te verheffen. Het einde van het Evangelie en van alle prediking is, dat de mensen mogen leren in al hun daden meer acht op God te slaan en minder op de mensen, om minder ijverig en zorgvol voor de aarde en meer voor de hemel te zijn. Wat een groot en duurzaam goed is Gods goedkeuring en welbehagen! Hoe arm en ijdel is de goede gedachte van de mensen.
En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn zoals de geveinsden, 1) want die plegen graag, in de synagogen en op de hoeken van de straten staande, te bidden, daar waar verscheidene wegen samenlopen, opdat zij door de mensen gezien mogen worden. Voorwaar Ik zeg u, dat zij met dat gezien worden hun loon weg hebben.
Het Griekse woord, waarvan ons woord “hypocriet” afkomstig is, betekent een toneelspeler, die een ander persoon voorstelt, dan hij werkelijk is. Dit woord is dus zeer geschikt, om een huichelaar te beduiden, die zich geheel anders vertoont dan hij waarlijk gesteld is, die de bedriegelijke schijn heeft van een godsdienstig mens, maar met dit al een ondeugend hart in zijn boezem draagt.
Maar gij, die u geheel anders dan de geveinsde moet gedragen, wanneer gij bidt, a) ga in uw binnenkamer, waar gij met God kunt alleen zijn, en uw deur gesloten hebbende, opdat niemand u daarbij zou kunnen overvallen, bidt uw vader, die in het verborgen is, zoals Elisa deed in het huis van de Sunamitische (2 Kon. 4: 33), en uw Vader, die in het verborgen ziet (Ps. 38: 10; 44: 22 Luk. 12: 30), zal het u in het openbaar vergelden; wat uitsluitend met het oog op Hem gedaan is, zal ook de uitwerking niet missen hier tijdelijk en daar eeuwig zal de zegen volgen (1 Tim. 4: 8).
Hand. 10: 4
Hoe gewichtiger, edeler en hoger een zaak in zichzelf is, des te nauwgezetter moet een mens daarmee omgaan, des te meer alle ostentatie (vertoning) daarbij vermijden; zoveel te slechter en gruwelijker is het, als hij de schijn en de vorm van zo’n zaak aangrijpt en vertoont, om zich gezien te maken onder de mensen, om bewonderd en geëerd te worden. Was dat reeds bij de aalmoezen het geval, zo is het dit nog meer bij het gebed, en juist omdat de zaak van het gebed zoveel gewichtiger, edeler en hoger in zichzelf is, dan die van het aalmoezen geven, werd hij slechts nog meer dan deze tot ostentatie pralen en onwaarheid misbruikt. Alles, wat het geloof in het algemeen zo gewichtig maakt, en zo edel en groot, dat is ook bij het gebed, ja het bidden is eerst het werkelijke in toepassing gebrachte, werkzame geloof. Bidden veronderstelt niet alleen, dat iemand in de openbaringen en beloften van God gelooft, het vordert een gemoed, dat de indrukken van het zichtbare en zinnelijke overwint, zich boven het zichtbare en aardse tot het onzichtbare en hemelse verheft; met het onzichtbare, als met de levende God, met de hemelse Vader in gemeenschap staat, en voor goddelijke invloeden en krachten vatbaar is. Daarom hebben de mensen van alle tijden en volken grote gedachten gehad van het gebed en van de biddende mens, zij hebben de biddende mens, als iemand, tot wie zich de hemel neerbuigt, die in de onzichtbare wereld van licht en leven inzag en met de onzichtbare Godheid gemeenschap had, meer bewonderd, dan hem, die aalmoezen gaf, dan de held en wonderdoener, en zo heeft het ook in alle tijden en onder alle volken niet aan mensen ontbroken, die deze grote, heilige zaak tot onwaardige ostentatie misbruikten, om zich groot te maken in het oog van de mensen.
Hoe hoger de zedelijke waarde van een overtuiging en een handelwijze is, des te meer wordt zij gehuicheld; en het is een eer voor zo iemand, als de zondaars om harentwil huichelen en een eer voor de algemene geest van het volk, waar de zede- en godsdienstloze mens het voor nodig houdt, om zedelijkheid en vroomheid te huichelen; niets is verkeerder, dan dat men de Christelijke godsdienst gering acht, omdat zij gehuicheld wordt. Hoe rijper en ernstiger de zedelijk-godsdienstige geest van een volk is, des te meer heeft de onzedelijke en onvrome de huichelarij nodig. Wanneer de zondaar geen aanleiding tot huichelarij heeft, dan is het slecht gesteld met de geest van het volk, en wel de huichelaar, maar niet het volk, in wiens midden gehuicheld wordt, is te beklagen; het goud wordt het meest nagebootst, omdat het het edelste metaal is.
In de synagogen bidden ook de ware bidders, en dat is niet ten onrechte; maar die graag bidden in de bijeenkomst, in plaats van in de binnenkamer, dat zijn de huichelaars – vooral, wanneer daar ook nog bijkomt: op de straten, waar met zeldzame uitzonderingen het bidden in zijn uiterlijke vorm in het geheel niet behoort, ja zelfs op de hoeken, waar de grootste samenvloeing van de lopenden is. Daar staan zij, de bozen, die het heiligste werk van stille, innerlijke gemeenschap met God tot een werk van schijn voor de mensen maken; daar zoeken zij het listig uit, om op een door de Farizeeën voorgeschreven gebedsuur op een hoek te zijn, en zij blijven nu staan, alsof zij zeer nauwgezet waren om het uur niet te verzuimen. Want zonder zo’n voorwendsel zich juist tot het gebed op de straat te plaatsen, schijnt ook aan de wereld waanzin toe. Daarom zou zich ook zelfs het onuitdelgbaar waarheidsgevoel van de gruwelijkste huichelaar nog schamen, zo duidelijk is het, dat bidden niet op de straat behoort, zo heeft de huichelarij zelfs nog weer een dekmantel nodig, over haar eigen haar aanklevende schande.
Er is een onbeschaamde vroomheid, die over alle, ook over de tederste en heiligste geheimen van het Christelijke leven praat, zoals men over wind en weer spreekt, maar de ware vroomheid is beschaamd en vreest om hetgeen haar het heiligste en zaligste is voor mensen uit te spreken. Leer iets van uw rozen buiten in de tuin, de half gesloten is de mooiste en gewichtigste, die geheel open is verdort spoedig. Uw hart moet een half open roos zijn, ten hemel bloeiende en geurende, maar voor de wereld in het inwendig leven verborgen. Tot innige vriendschap behoort het kunnen zwijgen, en ook tot de vriendschap tussen ons en God behoort ook enigermate zo’n zwijgen, dat de ziel niet met zelfbehagen alles uitkraamt wat tussen het hart en haar in heilige uren van genade voorvalt, maar ootmoedig en vol eerbied weet te zwijgen van datgene, dat toch geen woord uitdrukken, geen tong uitspreken kan, en genoeg heeft aan de zekerheid: mijn Vriend is de mijne, en ik ben de Zijne.
Het gebed vordert de eenzaamheid, ten minste van het hart; het allerverborgenste plaatsje in het huis van God, dat in ons is; zo moet men ook bij het openbare gebed en midden onder de mensen afgesloten zijn.
Velen komen in de kerk en zeggen duizend gebeden op, gaan weg en weten niet wat zij gezegd hebben; zij bewegen de lippen en horen zichzelf niet. Gij hebt uw eigen gebed niet gehoord en verlangt gij, dat God u zou horen? Ik heb er mijn knieën om gebogen, ja, maar uw gemoed was buiten de kerk; uw lichaam was wel daarbinnen, maar uw gedachten zwierven buiten rond. Uw mond zei het gebed op, maar uw ziel berekende uw renten, uw woeker, uw koopmanschap, uw huizen en akkers, uw goederen en uw vrienden. Omdat de duivel weet, dat ons het gebed het meeste nut aanbrengt, daarom vervolgt hij ons bij het gebed het meest. Dikwijls liggen wij op ons bed uitgestrekt en denken aan niets; maar wanneer wij ons tot het gebed gereed maken, dan wekt hij duizend vreemde gedachten in ons op, opdat wij van het gebed maar geen nut zouden hebben!
Mijn gedachten stijgen zo zelden ten hemel op, omdat het aardse mij vervult en ik daarvan niet los ben gemaakt. Ik ben gelijk aan de zieke, die de heilzame maar bittere drank niet durft aan de lippen zetten, zoals ook aan de luiaard, wiens bezigheden hem roepen, terwijl hij zich omwendt op de legerstede; eigenlijk is het met mij erger gesteld, want werkzaamheid, bittere teugen, alles zou mij minder kosten dan gebed; gebed is een zware last, die ik niet durf aanroeren; het is als sloot helse macht mij hart en lippen beide. Zou de satan zelf, vijand van mijn ziel, mijn voorrecht van het gebed benijdende, op die wijze mijn val willen bewerken?
Ja, hij is het, want zo handelende, doe ik niet mijn wil, maar die van een ander. Ik wil de handen tot U uitsteken, maar ik kan het niet; een benauwende droom verlamt mijn geestelijk leven; ik wil mijn ziel opheffen, maar de ziel laat zich niet opvoeren; maar Heere! als Uw liefde die tovercirkel breekt, als de duivelse banden verbroken worden, als het gebed waarlijk een bidden wordt, als de Heilige Geest terugkeert in het hart, dan hervind ik de kalme, hemelse vreugde, die de aarde niet geeft; het gebed, waar ik een ogenblik te voren tegen opzag, is mij vreugde; ik zou veel, lang, altijd willen bidden; ik versta de volheid van het lied van de Serafijnen, dat zij en eeuwig zingen: “Heilig, heilig, heilig is de Heere, de Almachtige!” Heere! doe de bron van de ware geestelijke goederen rijkelijk vloeien. Uw vrede, liefde, heiligheid mogen op mij neerdalen – leer mij bidden.
Ook door de vorm tracht men God op gelijke wijze te bedriegen, als men het mensen doet door de zo-even genoemde wijze van bidden. En als gij dan bidt, gebruikt geen zinloos verhaal van woorden, zoals de heidenen, die menen, dat zijhun vele aardse behoeften (vs. 32) elk in het bijzonder moeten optellen, die ook vele goden hebben en menen, dat zij door een over te slaan die zouden beledigen, en die menen, dat zij door gedurig herhalen van dezelfde woorden de godheid zullen vermoeien en bewegen (1 Kon. 18: 26 Hand. 19: 34). Zij gebruiken vele woorden zonder erbij te denken, zoals ook wel doorhuichelaars (vs. 2 en 5) gebeurt (hoofdstuk 23: 14 Jes. 1: 15), want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden verhoord zullen worden, dat men het de godheid vele malen moet voorzeggen, dat zij dan eindelijk zal verstaan wat men wil, en geven wat men begeert.
Wordt dan, in zo verre in zo’n voorstelling dezelfde heidense dwaling verborgen ligt, waardoor zij de heerlijkheid van de onverderfelijke God hebben veranderd in de gelijkenis van de verderfelijke mens (Rom. 1: 23), hun niet gelijk, maar gebruikt integendeel bij uw gebeden slechts weinige woorden (Pred. 5: 1 Sir. 7: 15); want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt; het is dus niet nodig Hem eerst wijdlopig te onderrichten omtrent uw belangen, maar Hij wil in u een ootmoedig hart, een gelovig verlangen en een geheel tot Hem en Zijn rijk verheven gezindheid; bezit gij dit, zo is één woord meer dan anders duizend.
Tot bidden is meer het hart dan de tong nodig, meer zuchten dan woorden, meer geloof dan verstand (Mark. 11: 23).
Men moet kort bidden, maar dikwijls en ernstig (Luk. 18: 1vv. ), want God vraagt er niet naar, hoeveel en hoe lang men bidt, maar hoedanig het is en of het van harte gebeurt. De wijze, waarop wij moeten bidden, is dat men weinig woorden gebruikt, maar vele en diepe meningen of bedoelingen. Hoe minder woorden hoe beter gebed; vele woorden en weinig inhoud is heidens.
Juist dat misbruiken van het gebed, dat Christus hier voornamelijk voor ogen heeft, heeft in Zijn kerk het burgerrecht verkregen, namelijk door de rozenkrans van de Rooms Katholieke kerk, en toch is juist dat gebed, dat Hij in vs. 9 tegenover het “ijdel verhaal van woorden” stelt, in dienst van deze verkeerdheid gebruikt.
Het gedachteloze rozenkrans-bidden kwam in zwang door de heilige Dominicus, die van degenen, die de 150 Psalmen niet konden opzeggen, eiste, dat zij 15 maal 10 Ave Maria’s en voor elk van deze 15 tientallen een “Vader ons” zouden bidden en dit op de rozenkrans zouden aftellen.
Gij dan, wanneer gij uit een voorbeeld wilt zien, hoe in weinig woorden oneindig veel kan gebeden worden, ja alles, wat gij naar lichaam en ziel voor u en anderen, voor tijd en eeuwigheid nodig hebt, bidt aldus: a) Onze Vader, die in de hemelen zijt! Uw naam worde geheiligd.
Luk. 11: 2
Een koning, zo schrijft hier Quesnel, die zelfs het supplicaat of het verzoek opstelt, moet grote lust tot geven hebben (Jes. 65: 24 Joh. 16: 23).
Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven onze schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de a) boze. Want Uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen.
MATTHEUS. 13: 19
Over de samenhang van de verschillende delen van dit gebed onder elkaar, en de verklaring van de woorden in het bijzonder, zullen wij pas bij Luk. 11: 2vv. 11: 2), waar wij het “Onze Vader” weer vinden, nader spreken; hier hebben wij allereerst slechts met algemene gezichtspunten te doen. Wij willen ons niet al te lang bezig houden met de vragen, die veel behandeld zijn door de geleerden, of het gebed des Heren hier bij Mattheus of Lukas op zijn oorspronkelijke plaats staat, en of de Heere het geheel vrij uit Zijn eigen binnenste heeft voortgebracht, of uit verschillende reeds aanwezige gebedsformules van de joden heeft samengesteld. Wat de tweede van deze vragen aangaat worden in Rabbijnse en Talmoedische geschriften voorzeker vele stellingen en gedachten, die aan de afzonderlijke beden verwant zijn, gevonden: “Onze Vader in de hemel – Uw naam worde geheiligd en Uw gedachtenis verheerlijkt. Kome het rijk van de Messias, het rijk van God, de verlossing van Israël. Geheiligd worde Uw naam in deze wereld, zoals deze in de hemel geheiligd wordt; de Israëlieten zijn engelen op aarde, de engelen heiligen de naam van God in de hemel, de Israëlieten op de aarde. De behoeften van Uw volk zijn vele; moge het U, o God, behagen, aan ieder van hen zoveel te geven als tot hun voeding nodig is, en aan ieder volk wat zij behoeven. HEERE, onze God, maak dat wij Uw wetten volgen; leid ons niet in de hand van de zonde, niet in de hand van de overtreding, niet in de hand van de verzoeking, niet in verachting; verwijder ons van de boze neiging, verbind ons met de goede neiging. “
Nu kan het niet meer nauwkeurig bepaald worden, hoeveel daarvan werkelijk vóór Christus bij de joden voorhanden was, en hoeveel eerst later van het Christendom tot hen overgegaan is; ook ten opzichte van het eerste zou altijd nog daarop van toepassing zijn wat Stier zegt: dat was nog slechts “een voorbereidend streven tot deze allerlevendigste formule vol geest in de letter, waarvan thans de Heere, de Meester met de zeer wonderbaarlijke kortheid alles samenvat voor de Zijnen, wat behoorde tot het: “gij dan bidt aldus. ” Wat nu de eerste van die beide vragen aangaat, zo heeft klaarblijkelijk pas bij Mattheus het gebed des Heren zijn juiste plaats, die volkomen in de samenhang past, terwijl de Heere, nadat Hij het valse en vergeefse bidden bestraft had, niet kon nalaten een vrije, korte vorm op te stellen, van de wijze waarop en van wat wij moeten bidden; maar ook hij Lukas wordt de herhaalde mededeling van het gebed door de daar genoemde aanleiding geheel vanzelf verklaard, zoals wij te zijner tijd uitvoeriger zullen aanwijzen. Van niet veel groter belang is een derde vraag, waarover de geleerden veel heen en weer gesproken hebben, of namelijk Christus met dit gebed een bepaalde formule heeft willen opstellen, door de Christen vast te houden, en dikwijls en woordelijk te gebruiken, of slechts een algemeen schema van hetgeen de Christenen altijd en onder alle omstandigheden moesten bidden. In het eerste geval zou Zijn woord: “Gij dan, bidt aldus” betekenen: “in deze vorm en met deze woorden”; in het tweede zou het slechts willen zeggen: “in zo’n zin als in de volgende gebeden uitgesproken is, zo kort en toch zo rijk van inhoud, zo geestelijk en tevens zo broederlijk. Naar onze mening is Zijn woord hier in de tweede betekenis bedoeld, zoals dan ook niet kon verwacht worden, dat de discipelen het gebed aanstonds volledig zouden bewaren en voortaan ook werkelijk zouden gebruiken. In Lukas 11: 1vv. is het daarentegen niet slechts te doen om een algemeen schema, maar ook om een bepaalde formule, en de Christelijke kerk heeft zeer juist gehandeld, wanneer zij beide doet, zich volgens het voorbeeld van Christus en de apostelen (Joh. 17: 1vv. Hand. 1: 24vv. ; 4: 24vv. ), niet tot deze formule beperkt, maar integendeel door Gods Geest ook andere gebeden in het hart van haar leden laat opwekken, daarbij echter het gebed des Heren voor haar voornaamste en heiligste gebed houdt, dat gedurig bij haar godsdienst en haar heilige handelingen en gedurig in het gewone leven van de Christenen behoort voor te komen. Over de doxologie (lofprijzing) aan het slot: “want van U is het koninkrijk enz. , ” hebben wij reeds gesproken 29: 12). Over de aanspraak: “Onze Vader, ” zij alleen opgemerkt, dat de dikwijls door Rooms Katholieken gebruikte naam “Vader ons, ” zoals ook van de Duitsers, naar Luthers vertaling: “Vater unser” ontstaan is, omdat de woordschikking genomen is van het Griekse pater en het Latijnse Pater noster.
Eindelijk is nog te spreken over het getal van beden. De Lutherse kerk rekent zeven beden, de Gereformeerde slechts zes, omdat deze de woorden: “leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze, ” (Luth. het boze) samenvoegt. De laatste heeft echter zeker een andere en sterkere betekenis dan de eerste, terwijl bovendien het zestal, indien het een zinnebeeldige betekenis heeft, toch slechts een zodanige heeft, die hier niet thuis hoort. Wij volgen daarom de telling van zeven. Overzien wij nu deze in betrekking tot elkaar, zo merken wij het volgende op: a. in de 4 eerste beden bidden wij ons alle goeds te schenken; in de 3 laatste om afwending van alle kwaad; b. in de 3 eerste is het te doen om Gods eer, in de vier laatste om onszelf; c. de vierde bede om het dagelijkse brood is door 3 voorafgaande en 3 volgende beden, die allen op het geestelijke betrekking hebben, ingesloten, omdat het rijk van God en de zaligheid van de zielen ons grootste belang is (Luk. 10:41vv. ) en daarom ook ons eerste en ons laatste gebed moet zijn (vs. 33); d. de 1e en 4e bede hebben betrekking op God als Schepper en Onderhouder; de 2e en 5e op God als Verlosser; de 3e en 6e, de laatste in betrekking met het 7e, staan in betrekking tot het werk van de Heilige Geest.
Bekend is de uitlegging van het gebed, die Matthias Claudius, (een schrijver voor het volk onder de naam van “Wansbecker Bote, ” geb. 1740 in het Holsteinse, gestorven te Hamburg op 21 januari 1815), in een brief aan Andreas geeft: “Ziet, wanneer ik het wil bidden, dan denk ik eerst aan mijn zalige vader, hoe goed die was en mij zo graag iets wilde geven, en dan stel ik mij de gehele wereld als mijn vaders huis voor, en alle mensen in Europa, Azië, Afrika en Amerika zijn dan in mijn gedachten mijn broeders en zusters; en God zit in de hemel op een gouden stoel en heeft Zijn rechterhand over de zee en tot aan het einde der wereld uitgestrekt, Zijn linker- is vol zegen en goede gaven. De bergtoppen rondom roken – en dan begin ik: “Onze Vader, die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd!” Reeds dat versta ik niet. De Joden moeten bijzondere geheimen van de naam van God geweten hebben; ik heb daar vrede mee en wens slechts, dat het aandenken aan God, en alles, waaruit wij Hem kunnen kennen, mij en alle mensen boven alles groot en heilig moge zijn. “Uw koninkrijk kome, ” hierbij denk ik aan mijzelf, hoe het in mijzelf heen en weer geslingerd wordt en nu eens dit, dan dat de bovenhand heeft, en dat dit alles kwellingen van het hart zijn en ik daarbij geen rust vind. En dan denk ik hoe goed het voor mij zou zijn, wanneer toch God aan al die twist een einde maakte en mij zelf wilde regeren. “Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo op aarde; ” hierbij stel ik mij de hemel met de heilige engelen voor, die met vreugde Zijn wil doen; geen kwelling raakt hen aan, zij weten niet van liefde en zaligheid, wat zij zullen doen, en zingen dag en nacht, en dan denk ik: Och, dat het zo ook op aarde was! “Geef ons heden ons dagelijks brood. ” Ieder weet wat dagelijks brood is en dat men eten moet zo lang men hier in de wereld is, en dat het ook goed smaakt. Daaraan denk ik dan, ook komen mij mijn kinderen in de gedachte, hoe graag die eten, en hoe handig en vrolijk zij bij de schotel zijn. En dan bid ik, dat de lieve God ook toch iets te eten wil geven. “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. ” Het is smartelijk wanneer men beledigd wordt en de wraak is de mensen zoet. Dat komt mij ook zo voor, en ik zou er wel lust in hebben; dan komt mij echter de onbarmhartige dienstknecht uit de gelijkenis voor de geest, en het hart ontzinkt mij, en ik neem mij voor mijn dienstknecht te vergeven, en hem geen woord van de 100 penningen te zeggen. “Leid ons niet in verzoeking; ” hier denk ik aan allerlei voorbeelden, hoe er mensen onder deze en gene omstandigheden van het goede zijn afgeweken en gevallen zijn, en dat het mij niet beter zou gaan. “Maar verlos mij van het boze, ” nog zijn mij hier de verzoekingen in de gedachte, en dat de mens zo makkelijk kan verleid worden en van de effen baan kan komen. Tevens denk ik ook aan alle moeite van het leven, aan tering en ouderdom, aan barensnood, koudvuur en krankzinnigheid en de duizendvoudige ellenden en zielesmarten, die er in de wereld zijn en de arme mensen martelen en kwellen, terwijl er niemand is, die helpen kan. Gij zult ondervinden, Andries, wanneer de tranen niet vroeger zijn gekomen, hier komen zij zeker, en men kan zo hartelijk verlangen en in zich zo bedroefd en neergeslagen worden, alsof er in het geheel geen hulp ware. Maar dan moet men ook weer moed scheppen, de hand op de mond leggen en als in triomf voortgaan: “Want Uwer is het koninkrijk en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen!”
Geen gedeelte van de Schrift is zo volkomen en tevens zo eenvoudig als dit. Het is het eerste gebed, dat wij, kleine kinderen zijnde, leerden stamelen. Hierin bestaat zijn eenvoudigheid. Het bevat de kern van alles wat de verst gevorderde heilige kan begeren, ziedaar zijn volkomenheid. Hoe meer wij ieder woord daarvan wegen, des te meer zullen wij voelen: “dit gebed is van God. “
a) Want, om hier nog nader terug te komen op de bede in vs. 12 , waarom die nog een bijvoeging heeft, die een eis aan u bevat, zo gij u met de verhoring van zo’n bede wilt vertroosten, indien gij de mensenhun misdaden, die zij tegen u bedreven hebben, vergeeft, dan zal uw hemelse Vader ook u vergeven, wat gij tegen Hem gezondigd hebt.
Mark. 11: 25 Kol. 3: 13
a) Maar indien gij de mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.
MATTHEUS. 18: 35 Jak. 2: 18 Sir. 28: 1vv.
God om vergeving bidden als om een veelbetekenend goed en het anderen weigeren, die ons daarom bidden, dat is met God de spot drijven.
Het is opmerkelijk, dat noch de verlossing noch de vergeving der zonden afhankelijk gemaakt wordt van een middelaar (Christus) en hetgeen die teweegbrengt, niet van diens dood, zoals ook de komst van het Godsrijk niet aan de persoon van de Messias verbonden wordt – een bewijs, dat het Onze Vader van de Heere Jezus zelf afkomstig is, die er toen deze persoonlijke betrekkingen nog niet kon bijvoegen.
In vs. 12 wordt gesproken van ofeilhmata = schulden, in deze verzen van paraptwmata = overtredingen, misslagen. Hierbij zegt Luther: Opdat Christus ons des te meer tot vergeving opwekke, heeft Hij ook vriendelijker woorden gebruikt, Hij zegt niet “hun boosheid en misdaad”, maar “hun misslagen”, hun misslag is zo’n zonde, die meer uit gebrekkigheid of onwetendheid gebeurt, dan uit boosheid. Dit doet de Heere om uw toorn te stillen en u te bewegen graag te vergeven. Want voor God is en moet de zonde zo groot zijn, dat zij de eeuwige verdoemenis verdiend heeft, hoewel het een geringe zonde en slechts een gebrek is, wanneer hij het niet erkent of u niet om vergeving vraagt; maar door mij en u wil Hij de zonde niet zo hebben aangezien, als wie het niet toekomt de zonde te straffen maar te vergeven, zoals ook Christus zelf gebeden heeft (Luk. 23: 34): “zij weten niet, wat zij doen.”
a) En wanneer gij, vrijwillig tot geestelijk bepeinzen vast, zoals dit bijv. de Farizeeën tweemalen elke week doen (Luk. 18: 12), toont geen droevig gezicht, trachtniet door uiterlijke gebaren van droefheid uw vroomheid te tonen, zoals de geveinsden, die Farizeeën en Schriftgeleerden, wie het overal slechts om de schijn van godsdienst te doen is, terwijl zij haar kracht verloochenen; want zij mismaken hun aangezichten, omdat zij het haar van hoofd en baard wild laten en met as bestrooien, en met neerhangend hoofd daar heengaan 14: 2″), opdat zij door de mensen mogen gezien worden, als zij vasten, 1) zij aanstonds in het oog vallen als hen, die zichzelf uit vroomheid een zwaar juk hebben opgelegd. Voorwaar Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben in de bewondering van de grote menigte, die zij ontvangen.
Jes. 58: 3 MATTHEUS. 9: 14 Mark. 2: 18 Luk. 5: 33
Grieks: opdat zij aan de mensen voorkomen als vastende, d. i. opdat de mensen zien, dat zij vasten.
Maar gij, mijn discipelen, van wie Ik eis, dat gij geestelijke dingen ook geestelijk volbrengt, en dat uw verootmoediging een innerlijke en niet zozeer een uiterlijke zij, als gij vast, doet het tegenovergestelde, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht, alsof gij naar een maaltijd gaat (2 Sam. 12: 20 Jes. 61: 3 Ps. 23: 5 Luk. 7: 46).
Opdat het door de mensen niet gezien worde, als gij vast, 1) maar door uw Vader, die in het verborgen is, waar men zich voor het menselijk oog probeert te verbergen (vs. 4 en 6); en uw Vader, die in het verborgen ziet, en dat het liefste heeft wat tussen u en Hem alleen voorvalt, zal het u in het openbaar vergelden, als die lof en eer en onvergankelijkheid dengenen toedeelt, die met volharding in goeddoen het eeuwige leven zoeken (Rom. 2: 7).
Opdat gij aan de mensen niet voorkomt als een vastende d. i. opdat de mensen niet zien, dat gij vast.
De goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzaken, en matig, rechtvaardig en godzalig in deze wereld te leven, dat is het vasten, dat wij onszelf moeten opleggen, niet slechts op zondag of op vrijdag, maar op alle dagen. Dan moeten wij menige zoete beet laten liggen, hoe de wereld ook lokt, menigen kelk van vreugde laten voorbijgaan, hoe vlees en bloed ook daarnaar haken. Daarbij schrijft de hemelse Vader de Zijnen nog menige bijzondere vastentijd voor, wanneer Hij ons huis een kruis toezendt, of er een misoogst op onze akkers is, wanneer Hij ons een dierbaar bezit ontneemt, waaraan onze ziel hangt en spreekt: “Mijn genade zij u genoeg. ” Dat is uw vasten, lieve ziel, en nu heb acht op uw vasten, dat ook daar geen huichelarij, geen Farizeïsme opkome. Er zijn mensen, die menen, dat een neerhangend hoofd, een neergeslagen oog, een droevig gelaat, een klagende toon, een bestendig wee en ach over de boze wereld, de ware Christen maakt, en dientengevolge oefenen zij zich in zulke droevige gebaren. Kon men echter achter dat masker zien, zo zou men dikwijls daarachter bedriegerij, zeer onheilige gedachten en wereldse lusten vinden. Een treurig gezicht betekent niets, maar een verslagen hart (Hos. 2: 13 Ps. 51: 19); slaat acht op uw vasten, dat er geen hoogmoed mede onderlope. Ik weet niet, of er heden ten dage en hier te lande ook nog zulke Farizeeën zijn, die zich op hun zelfverloochening en wereldverachting zeer verheven en trots neerzien op tollenaars en zondaars; wanneer er dezen waren, die er iets verdienstelijks in stelden, dat zij beter zijn dan andere mensen, omdat zij wegblijven van menig werelds vermaak, dezen, die voor kinderen van de wereld niets hebben dan verachting en verdoemenis en menen, dat zij reeds de heilige krans om het hoofd droegen, de anderen daarentegen het Kaïns-teken op het voorhoofd, tot hen zou ik zeggen: “Niet zo, lieve broeders! Wij willen er geen verdienste in stellen, wanneer wij de begeerlijkheden van de wereld ontvluchten, maar laat ons ootmoedig de Heere danken, dat Hij ons bewaard heeft voor grote zonde. Wij willen onze dwalende medemensen niet verdoemen, maar hen broederlijk sparen en priesterlijk voor hen bidden. Geeft eindelijk acht op uw vasten, dat geen verborgen boosheid u het hart vergiftige. Wanneer God ons laat vasten, ons een kruis oplegt -hoe dikwijls gebeurt het dan, dat een geheime boosheid op God en de wereld, een stille nijd tegen degenen, die het beter hebben dan wij, een teruggehouden begeerte naar de verboden vrucht zich in ons hart nestelt. Daarvoor behoede ons God! Maar wanneer gij vast, zalf uw hoofd en was uw aangezicht; draag uw kruis met geduld, strijd uw strijd in stilte; de wereld echter zie in uw aangezicht de vrede van de kinderen van God en in uw oog de overwinning van het geloof, dat de wereld overwint.
Vasten, of het zich bij gelegenheid onthouden van voedsel, ten einde het lichaam in onderwerping aan de geest te brengen, is een verrichting, waarvan dikwijls in de Bijbel gesproken wordt, en gewoonlijk in verband met bidden. David vastte, toen zijn kind ziek was. Paulus en Barnabas vastten, toen zij ouderlingen aanstelden. Esther vastte, voordat zij naar Ahasveros ging. Het is een onderwerp, waaromtrent wij geen rechtstreeks gebod in het Nieuwe Testament vinden. Het schijnt aan een ieders bescheidenheid te zijn overgelaten, of hij wil vasten of niet. In dit gemis van rechtstreeks gebod kunnen wij grote wijsheid opmerken. Menig arme heeft nooit genoeg te eten, en het zou een kwelling zijn hem te zeggen, dat hij vasten moet. Menig ziekelijk mens kan ternauwernood staande gehouden worden met de nauwlettendste zorg voor diëet en zou zonder wezenlijk nadeel niet kunnen vasten. Het is een punt, waaromtrent ieder in zijn eigen gemoed verzekerd moet zijn en niet haastig anderen veroordelen, die daarin niet met hem overeenstemmen. Een ding moet niet vergeten worden. Wij moeten niet voor de mensen maar voor God vasten.
Ook hierin is van het vasten van de enkele, tot bijzondere kastijding van het vlees sprake (2 Sam. 12: 16 Ps. 35: 13 Dan. 9: 3 MATTHEUS. 4: 2 Luk. 2: 37 Hand. 10: 30; 2 Kor. 11: 27 MATTHEUS. 27: 21; 1 Kor. 7: 5). Er wordt hier niet gesproken van openlijke vastendagen, zoals niet slechts de Joden, maar ook de oudste Christelijke kerk er velen hield (Richt. 20: 26; 1 Sam. 7: 6; 2 Sam. 1: 12 Jud 20. 26 1Sa Ezra 8: 2 Esth. 4: 3, 16 Jon. 3: 5, 8 Hand. 13: 2, 3; 14: 23 2 Kor. 6: 4, 5 13. 2, 3 Deze zijn daarom hier evenmin verboden, als vs. 6 het gemeenschappelijk gebed, indien slechts in het oog gehouden wordt, dat alles moet gebeuren uit aandrang van ons hart, dat worstelt naar heiligmaking. Het vasten moet daartoe dienen, om ons los te maken van de macht, die het vlees en de wereld over ons uitoefenen, maar wanneer wij ons nu juist daarvan bedienen, om in de wereld hoger te stijgen, hoeveel verder verwijderen wij ons dan van God, in vergelijking met hetgeen wij vroeger zijn geweest.
II. Vs. 19-34.KruisverwijzingenLukas 16:13→Mattheüs 6:31→Hebreeën 13:5→Psalmen 147:9→Jakobus 4:4→Jakobus 5:1→Lukas 11:34→Filippenzen 4:6→
— Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen; Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen; Maar indien uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn! Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon. Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven? Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen? En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelien des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet;
D. De Heere wilde Zijn discipelen een betere gerechtigheid dan die van de Schriftgeleerden en Farizeeën leren (hoofdstuk 5: 20); en Hij heeft hun getoond, dat Hij een gerechtigheid bedoelde, die dieper wortelde, verder reikte, hoger streefde (hoofdstuk 5: 21-48), een gerechtigheid, die niet met oppervlakkige schijn, met het werk van ogendienst, met loonzuchtig drijven zich tevreden stelt, maar berust op een in God verborgen leven (hoofdstuk 6: 1-18). Nu zegt Hij hun ook, onder welke voorwaarde alleen zo’n gerechtigheid de hunne kon zijn, uit welke grond van hart deze ontspruit (vs. 19-21), en wat voor een oog zij in de geest van hun gemoed moeten hebben, om overal het juiste te zien en te treffen (vs. 22 en 23). Nu grijpt Hij, om den grond van hun hart van alle onkruid te reinigen, in dit hart in, en dringt bij hen aan op zo’n gehele en onverdeelde overgave aan God, dat alles, wat in de wereld is, hun of tot een voorwerp van verachting of geringschatting (vs. 24), of ten minste tot niet meer dan een bijzaak wordt, waarom zij zich niet bekommeren (vs. 25-34). De mens zoals hij van nature is, is vol zorgen en draagt liever een bezwaard, dan een licht hart; hij is echter ook een kind van de lichtzinnigheid en zet zich juist over datgene heen, wat hem werkelijk ter harte moet gaan. Nu wordt ons aan de andere zijde de vrolijke onbezorgdheid van de wedergeboren kinderen van God getoond, maar aan de andere zijde ook die zorg, die al hun denken en peinzen, al hun tijd en kracht bezig moet houden.
Gij, Mijn discipelen, van wie Ik niet alleen een hogere gerechtigheid eis, maar die Ik ook daartoe leiden wil, zult niet zijn als de Schriftgeleerden en Farizeeën, die even hebzuchtig zijn (hoofdstuk 23: 14 Luk. 16: 14), als zij naar ijdele eer begerig zijn (vs. 2 en 5). Vergadert u a) geen schatten op de aarde, waar ze, indien zij in een rijke voorraad van kostbare klederen bestaan 14: 19″), de mot die er zich van buiten aan hecht en, als ze van edele metalen zijn (Jak. 5: 3), de roest, een verderf dat van binnen voortkomt, verderft, en waar, als men van goud en zilver zou kunnen zeggen, dat noch mot noch roest ze verteert, de dieven doorgraven en stelen, wier bezit dus zeer onzeker en met vele zorgen en verdriet verbonden is.
Spr. 23: 4 Hebr. 13: 5
Maar a) vergadert u, in plaats van zulke schatten, die aan verderf of verlies onderworpen zijn, schatten in de hemel, waar ze, die andere schatten, die gij u zou verzamelen, noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen; want de schatten, die men in de hemel verbergt, kunnen door geen enkele verwoestende macht, noch van buiten, noch van binnen, vernietigd of verminderd worden.
Luk. 12: 33; 1 Tim. 6: 19
Zijn nu deze schatten in de hemel het deel, dat zich uw hart verkiest, zo zal ook al uw denken en peinzen, al uw doen en zoeken hemels worden, overeenkomstig het doel van uw zoeken en verlangen; want waar uw schat is, die gij najaagt, daar zal ook uw hart zijn, met al zijn neigingen en begeerten, en dit hart neemt nu vanzelf de natuur en de aard van de goederen aan, die het met zijn liefde omvat (Luk. 12: 33vv. ). Dit geldt van de beide soorten van goederen, zowel van die van de hemel als vandie van de aarde.
Wat een buitengewone weelde in de oude tijd in kleren werd gedreven, daartoe vormt het bewijs, wat Horatius (Epp. I, 6, 43 v. ) vertelt. De bijzonder ijdele koningin Elizabeth van Engeland (zij regeerde van 1558-1603 na Chr. ) liet in haar garderobe 3000 verschillende kledingstukken achter. Door de Heere is nu hier niet het bezit van rijkdommen, niet het aannemen daarvan verboden, wanneer zij ons volgens Gods beschikking ten deel vallen, maar wel het “verzamelen” d. i. het onophoudelijk streven ernaar, waarbij men zich de vermeerdering van bezit tot zijn voornaamste bezigheid, tot het hoogste doel, tot hoofdzaak maakt (Ps. 62: 11). Dit begerig verzamelen is onchristelijk; het is niet alleen dwaasheid, omdat de schatten niet alleen niets vast, zeker blijvends zijn, maar integendeel door de natuur en door menselijke macht ons spoedig ontrukt kunnen worden; het verraadt ook een onheilige zin, een lust tot vertoning, en dooft het vatbare voor goddelijke en geestelijke zaken uit. Een heilige gave van de Geest is daarbij niet denkbaar; de gierigheid is de macht die al het edeler gevoel verdrijft. Het behoort intussen tot de raadselen van het menselijk hart, aardse schatten tot zijn God te maken, zelfs dikwijls in de ouderdom daarmee te beginnen, wanneer men op zijn afreizen bedacht mocht zijn.
De schatten, die wij ons in de hemel moeten verzamelen, bestaan niet in geldsommen, die wij voor weldadige doeleinden aangewend, of tot het bouwen van kerken gegeven hebben; indien dat zo was, zou het zijn: “Zalig zijn de rijken, die vele zaken van dien aard kunnen doen, maar wee u armen!” De hemelse schatten zijn de zodanige, die ook de armste mens kan verzamelen, namelijk toeneming in geloof, hoop en liefde, in kennis van de Heere, in gaven van de Heilige Geest.
Een schat van goede werken, van werken van liefde zijn een kapitaal, dat in de hemel gedeponeerd is, daar zeker staat en onmetelijke renten opbrengt; hij is arm, die in de hemelse bank niets heeft staan.
Waar uw hoogste goed is, het doel van uw willen, zoeken en streven, daar is uw verlangen, uw denken, uw neiging heengericht, die hangt gij aan, daar bemint en leeft gij, daar zijt gij met het innerlijke van uw wezen meer waarachtig dan ergens anders. En zoals de wereld is, waar gij uw schat, uw goed, uw doel hebt, waar gij met uw verlangen, uw lust en uw neiging zijt, zo wordt gij zelf; het geliefde en gezochte vormt uw innerlijk wezen naar zichzelf, en gij wordt aards, wanneer gij naar aardse zorgen streeft en die aanhangt, en hemels, wanneer uw schat in de hemel is.
Hoe de valse geestelijkheid, waarvan de Heere (in vs. 1-18) gesproken heeft, van begin af aan met de valse wereldgezindheid, waarover wij in deze afdeling spreken, samenhangt (de wereldse gezindheid met het vasten, de hebzucht en heerschappij met lange gebeden, het gierig zijn met het aalmoezen geven), heeft de geschiedenis van de middeleeuwen van de kloosters en van de hiërarchie voldoende geopenbaard. De wereldzin in het najagen van de wereld is de meest eigenaardige karaktertrek in de hiërarchie van de monniken. (P. w LANGE).
Heere! Gij hebt ons naar Uw beeld geschapen en het is onrustig in ons, zolang het niet rust in u.
Zoals tot verkrijging van de ware gerechtigheid uw hart in de juiste verhouding moet komen tot de schatten van de hemel en tot die op de aarde, dat het zich gene en niet deze verkiest, zo moet ook uw oog, namelijk dat van de Geest, het juiste aanzien en inzien hebben, zodat het de dingen ziet, zoals zij zijn en naar hun ware waarde beoordeelt. Het is op geestelijk gebied evenals op het stoffelijke (vgl. Luk. 11: 34-36). De kaars van het lichaam is het oog; daardoor wordt het van buiten ons omgevende licht in ons opgenomen en alles waargenomen wat om en naast, boven en onder ons is. Hoeveel komt dan niet op zijn gesteldheid aan. Indien dan uw oog, eenvoudig, onverdorven is, d. i. recht ziende, niet voor de helft of verkeerd, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen; het is dan, alsof het gehele lichaam slechts oog of licht ware, hand en voet bewegen zich zo zeker, dat zij nergens misgrijpen.
Maar indien uw oog boos is, dubbel ziende, zodat het de dingen niet geheel, niet in de ware gesteldheid of gedaante, niet in de wezenlijke nabijheid of op de werkelijke afstand, niet in de eigenlijke grootte of de ware vorm, ofwel zelfs het voorwerp dubbel ziet, zo zal geheel uw lichaam duister zijn, al het doen en voornemen richt zich dan naar het verkeerde licht, waarin het oog de dingen gezien heeft, zodat men naast de brug in het water, en door heggen en struiken in het vuur loopt. Indien dan, om de toepassing van het lichamelijke op het geestelijke te maken, het licht, dat in u is, de zichzelf bewuste geest (1 Kor. 2: 11), het u door God tot een licht gegeven verstand (Spr. 20: 27), het geweten, dat goed en kwaad onderscheidt (Rom. 2: 15), duisternis is, als de aan God verwante geest het bewustzijn van zijn oorsprong en zijn waarde verloren heeft, hetverstand niet begrijpen kan, wat van Gods Geest is, maar zich door vleselijke inblazingen in zijn oordeel laat bepalen, als het geweten het goede kwaad en het kwade goed heet, hoe groot zal de duisternis zelf, het van nature zo duistere of blinde gebied van uw hartstochten en neigingen, van uw voornemens en begeerten zijn; deze moest toch eersttot licht worden, door het licht, dat in u is; wanneer dat nu niet alleen meer duister of blind blijft, maar zelfs door het dwaallicht wordt beschenen, hoe verwoest en verward zal het zijn; ziet het in het Farizese Jodendom!
Het verband tussen dit en het voorgaande is niet zo dadelijk te zien, hoewel het onmiskenbaar bestaat; het zoeken naar aardse schatten, dat zo geheel en al tegen het innerlijk geestelijke is, veronderstelt innerlijke onreinheid.
De juiste gesteldheid van het hart en de juiste gesteldheid van het oog staan wederkerig met elkaar in verband. Zal het hart recht gesteld zijn op de hemelse goederen, zo moet het oog juist gericht zijn op het licht.
Zonder reinheid van hart bestaat geen helderheid van geest.
Het woord “eenvoudig” komt soms voor in nadelige zin, om een onervaren, lichtgelovig persoon aan te wijzen; het heeft echter hier en elders in de Heilige Schrift een edele betekenis; het is het tegenovergestelde 1) van alle veelvoudigheid, verdeeldheid van hart en gezindheid, 2) van elke verberging van de ware gezindheid en betekent dus oprechtheid. Voor God gebruikt, wijst het Zijn zuivere liefde aan, Zijn oprechte wil, om mee te delen, waardoor Hij slechts ziet op het verlangen van hem, die naar Zijn gaven verlangt, en niet op het een of ander, wat hij zou schuldig zijn, of wat als gebrek aan waardigheid zou kunnen beschouwd worden (Jak. 1: 5). De ervaring van zo’n waarachtige liefde van God in het geven en vergeven verwekt een verwante gezindheid in de mens, die ze ontvangt, een gezindheid, die zich openbaart in eenvoudig mededelen (Rom. 12: 8), dat evenzo ootmoedig, van elke zelfroem en zoeken van lof en dank of loon verwijderd is (2 Kor. 8: 2; 9: 11, 13). Evenals zich hierin de richting van het hart alleen in betrekking tot God en Christus openbaart, zo ook in de oprechtheid en reinheid, die aan de andere zijde (2 Kor. 1: 12; 11: 3 Efe. 6: 5) door eenvoudigheid bedoeld wordt.
Er is in het binnenste een gezindheid om het hemelse licht in zich op te nemen, zoals het lichamelijk oog het zintuig is voor de waarneming van het natuurlijk licht; in het binnenste van elke mens is zo’n punt, )waardoor het licht van de waarheid bij hem ingang moet vinden. Het ligt in het geweten, in de geschiktheid, om het recht van het onrecht, de waarheid van de leugen te onderscheiden. De mens kan weliswaar van zichzelf God niet ontdekken, maar komt God hem tegemoet, zo ontsluit de voorkomende genade een oog in de mens, waardoor hij haar licht kan opnemen, zoals de zon door haar werking een tot hiertoe nog gesloten en onopgemerkte knop opent. Is dit gebeurd, heeft de mens een indruk van de waarheid, van de ernst en de liefde van God ontvangen, zo komt alles daarop aan, dat de mens dit innerlijk oog open en zuiver beware; dan zal het goddelijk licht de gehele mens doordringen en de krachten van zijn geest, van wil, verstand, gevoel en verbeeldingskracht worden verhelderd en in het rijk van het licht ingeleid. Daartoe behoort eenvoudigheid en beslistheid, overgave en streven naar het onvergankelijke. Wanneer daarentegen de mens de edelste kracht van zijn geest van God afkeert en zich in de dienst van beuzelingen en van zonde, in tegenspraak met het ontvangen licht overgeeft, zo wordt zijn innerlijk oog boos, het begint naar de afgoden te lonken; daardoor wordt het verduisterd en onbruikbaar, eindelijk neemt de mens niets meer waar van het goddelijk licht; hij wil niets meer van God horen en in geheel zijn binnenste neemt de duisternis van het ongeloof en van de zonde de overhand. Geen verstand, geen scherpzinnigheid kan het verloren licht vergoeden; de mens raakt in de buitenste duisternis van de afgodendienst (denk aan het voorbeeld van Judas Iskariot).
) Wij wilden aan het bovenstaande woord van Thiersch geen plaats weigeren, hoewel wij niet als Dächsel zonder meer dit kunnen opnemen. Is werkelijk hetgeen men noemt een sensus communis, een algemeen waarheidsgevoel, een aansluitingspunt in de mens aan te nemen, wij zijn weinig daarmee gevorderd; dan is dat waarheidsgevoel zeker zeer verschillend bij de verschillende mensen, daaronder dezelfde middelen bij de een het woord zich aansluit, bij anderen niet. Naar onze mening is er geen aansluitingspunt voor Gods Geest dan hetgeen Hij pas in de mens schept, en als er iets is in ons, waarover God zich zou ontfermen, dan is het over onze zonde, die evenals de mest is, waarin het zaad wordt uitgebroeid en opschiet. De kleine overblijfselen van het beeld van God, waarvan onze geloofsbelijdenis spreekt, zijn niet anders dan de puin, die eerst moet worden opgeruimd, voordat een nieuw gebouw op die plaats gesticht kan worden. Het geweten ontwikkeld, zal op geen wijze anders dan tot brave mensen vormen, nooit tot godvrezende, en noodzakelijk moet die richting, die van het geweten verwacht, wat het niet geven kan en enkel op het geweten aandringt, eindigen in eigengerechtigheid. Deze verzen staan in verband met vs. 19-21 , zo merkt Klinkenberg op: “Wanneer gij de aardse schatten als uw hoogste goed beschouwt, is uw verstand beneveld, en het kan niet anders zijn, of uw wilsneigingen en handelingen zullen verkeerd wezen. ” Het natuurlijk hart vraagt naar niets dan naar het aardse, slechts de wedergeboorte opent het oog voor het koninkrijk Gods. Dat natuurlijke hart is het blinde oog, het is dood door zonden en misdaden. Er is niets in de mens, dat op Christus’ lijden als verzoening het “amen” zeggen kan. Het Evangelie is tegen de mens, en vindt alzo bij de natuurlijke mens niets, waarbij het zich aansluiten kan. De bekering is een nieuwe geboorte, de herborene een nieuw, niet een verbeterd schepsel, God zet geen oude lap op een nieuw kleed. Het zuurdesem is iets geheel onderscheiden van de maten meel. De Heer wil ons dan ook weer hier leren, dat wij duisternis zijn, opdat wij tot Hem de toevlucht nemen, die het licht der wereld is.
(Evangelie op de 15e zondag na Trinitatis).
Uit de rechtvaardiging (vgl. de Evang. op 13 en 14 Zondag na Trinitatis) komt de heiligmaking voort. Wie door Christus’ bloed zo duur gekocht is van zonde, dood en de macht van de duivel, die moet zich ook beschouwen als een eigendom van de Heere en Hem zijn gehele leven tot bestendige dienst en gehoorzaamheid toewijden; wie door het zoenoffer van Christus verlost is, diens gehele leven moet een heilig dankoffer worden. Tot de heiligmaking nu behoort een volledige overgave aan God; het hangen aan de wereld, en in het bijzonder de wereldse zorgen doen schade aan de heiligmaking; daarom is het bovenal nodig de zorgen te verbannen, die op de Heere te werpen, en met alle ernst naar het rijk van God te trachten.
De Farizeeën menen wel, dat het verzamelen van schatten (vs. 19) aan hun zaligheid geen schade doet, zij verzamelden zich deze met de goede werken, die zij deden (vs. 2, 5, 16), immers ook in de hemel (vs. 20). Dit is een ontzettend zelfbedrog; juist in deze waan van hen openbaart zich het dubbelziendevan hun oog, waardoor hun gehele zijn in de vreselijkste duisternis geraakt is (vs. 22vv. ). Niemand kan twee heren dienen, die niet onder elkaar één hart en één ziel zijn, zodat zij in de grond slechts één heer zijn, maar elk voor zichzelf heer willen zijn, en een geheel ander gebied beheersen. Niemand kan dat op dezelfde tijd en met gelijke lust; wie het beproeft zal spoedig tot een beslissing voor de een of ander gedreven worden: want of hij zal de ene, die hij eerst niet met zijn hart toegedaan was, maar die hij uiterlijk tevreden wilde stellen, hoe meer hij voelt, dat deze zich met geen uiterlijke dienst tevreden laat stellen, des te meer inwendig haten en de andere, naar wie eigenlijk de neiging van zijn hart is, met steeds krampachtiger begeerte liefhebben, of hij zal de ene, die eerste, als zich zijn hart in het begin het meest tot deze getrokken voelde, wanneer hij bemerkt, dat hij een vriendelijk heer is, en zijn dienst alleen reeds genoeg voor leven en genot geeft, hoe langer hoe meer met zijn gehele gemoed en met alle krachten van de ziel aanhangen, en de ander, die hem niets kan geven, dat hem waarlijk bevredigde, verachten. Gij kunt, om het nog duidelijker te zeggen, welke twee heren Ik in deze gelijkenis op het oogheb, niet God dienen met de ene helft van uw hart en de Mammon, met de andere helft; het gehele hart (vs. 21), moet zich of tot de Heere God of tot de ander, de Mammon wenden (1 Kon. 18: 21 Luk. 16: 13).
Het woord Mammon heeft oorspronkelijk de betekenis van vermogen, winst, los geld, en omdat volgens Spr. 10: 15; 18: 11 de have, het vermogen, de rijkdom, voorwerp van vertrouwen in het leven is, zo werd in het Rabbijnsch-Talmoedisch spraakgebruik het woord gebruikt voor rijkdom en gehechtheid daaraan. Deze uitdrukking maakt nu de Heere met opzet door personificatie tegenover God tot de naam van een afgod, om de Farizeeër, de huichelaar, daarmee ernstig toe te roepen: “Gij zijt toch nog afgodendienaar, gij dient een ander naast God – wilt gij horen, hoe hij heet? Mammon! en daarachter ligt de wenk naar de vorst en god van deze wereld, de afgod, die zich in bekoringen en misleidingen van de schepselen verbergt.
Mammon is een Syrisch woord, dat “winst” betekent, zodat al wat in deze wereld is, of door ons voor een winst wordt gehouden (Filip. 3: 7) mammon is. Voor de een is zijn eetlust zijn mammon en hij dient de buik (Filip. 3: 19), voor anderen hun gemak; hun slaap, hun spelen, hun tijdkortingen zijn hun mammon (Spr. 6: 9); voor anderen wereldse rijkdommen (Jak. 4: 11); voor anderen eerbewijzen en ambten. De lof en toejuiching van de mensen was de mammon van de Farizeeën; in één woord het zinnelijke ik, het wereldse ik is de mammon, die niet tegelijk met God gediend kan worden; want indien hij gediend wordt, is het in mededinging met Hem en in tegenspraak met Hem. Christus zegt niet: wij moeten niet, of wij zullen niet, maar wij kunnen niet God en de mammon dienen, wij kunnen niet beide beminnen (1 Joh. 2: 15 Jak. 4: 4). Laat ons dan op deze dag kiezen, wie wij willen dienen en bij onze keuze blijven.
Leren wij uit de woorden van onze Heere aangaande het “eenvoudig oog” het ware geheim van de schipbreuk, die zo vele Christenen in hun godsdienst lijden. Daar zijn schipbreuken allerwege. Duizenden in onze kerk zijn niet op hun gemak en onvoldaan met zichzelf, en nauwelijks weten zij hoe dat komt. De reden wordt ons hier geopenbaard. Zij pogen twee heren te dienen. Zij trachten God en de mens te behagen, Christus te dienen en de wereld tegelijkertijd. Laat ons deze misslag niet begaan. Laat ons beslist en recht doorgaande volgers van Christus zijn. Laat onze leuze die van Paulus zijn: “Eén ding doe ik” (Fil. 3: 13). Dan zullen wij gelukkige Christenen zijn. Wij zullen de zon op ons gelaat voelen schijnen. Hart, hoofd en geweten zullen alle verlicht zijn. Beslistheid is het geheim van het geluk in de godsdienst. Wees beslist voor Christus, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen.”
a) Daarom, opdat gij in tegenstelling tot degenen, die de ene haten en de ander liefhebben, de zodanigen zijt, die de ene aanhangt en de ander veracht, zeg Ik u, omdat dat verachten niet zo’n gemakkelijke zaak is wegens de vele aardse behoeften, waardoor de Mammon de schijn wekt, dat een mens niet anders kan en mag, of hij moet hem in een zekere mate dienen: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmee gij u kleden zult. Is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding. Die nu het meerdere, lichaam en leven, gegeven heeft, zal het ook zeker niet aan het mindere laten ontbreken, niet aan voedsel en kleding.
Ps. 37: 5; 55: 23 Luk. 12: 22 Filippenzen . 4: 6; 1 Tim. 6: 8; 1 Petrus . 5: 7 4. 6
a) Aanziet, opdat gij van de zorgen omtrent uw voeding los wordt, de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren, zoals gij mensenkinderen dat doet, en met de ingezamelde voorraad reeds middelen en onderpand van uw voeding in handen krijgt, en uw hemelse Vader voedt nochtans hen, hoewel Hij hun het vermogen niet verleend heeft voorzorgen te nemen voor die tijden, wanneer er niets meer op de velden groeit: gaat gij hen niet zeer veel te boven, gij, die toch Zijn kinderen zijt en tot het eeuwige leven geroepen.
Job 39: 8 Ps. 147: 9
Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el aan zijn lenge toevoegen?
Bij dit vers komt aanstonds de vraag op, aan welke lengte hier te denken valt, of aan die van lichaamsgrootte (Luk. 19: 3; 2: 52) of aan die van levensduur? Luther heeft, zoals uit zijn vertaling van Luk. 12: 25 blijkt, aan de eerste gedacht: “Een zeer dwaze zaak zou het zijn, wanneer een klein mannetje zich in een hoek wilde plaatsen en daar wilde bezorgd zijn en erover nadenken, hoe hij groter zou kunnen worden. Even zo zegt Christus, doet de wereld, wanneer zij er over bezorgd is, hoe zij geld en goed zou kunnen voortbrengen; niemand zal zich rijk maken met bezorgd zijn, maar alles is eraan gelegen of God Zijn zegen wil geven, en niet aan zorgen. ” Omdat intussen een el 19: 37) reeds een aanzienlijke maat is voor de lichaamsgrootte, volgens Luk. 12: 26 de Heere echter integendeel iets zeer gerings met de el bedoelt, hebben wij waarschijnlijk aan de levensduur te denken, die hier als een loopbaan van bepaald afgemeten lengte (Hand. 13: 25; 2 Tim. 4: 7) wordt voorgesteld, en dan is een el zeker slechts ene kleine maat (Ps. 39: 6). Verder is de vraag, hoe dit vers met het vorige samenhangt. Nu heeft te voren de Heere ons herinnerd: “Kan het vogeltje vrij zijn van zorgen en zich in zo’n geval als een levende heilige houden, hoewel hij noch akker, noch schuren, noch kasten, noch kelder heeft, waarom doen wij het dan ook niet, die toch het voordeel hebben, dat wij kunnen werken, het veld bebouwen, de vruchten inzamelen en tegen de tijd van nood kunnen bewaren?” Dan verheft echter het verstand zijn bedenkingen. Er kunnen toch misoogsten en jaren van honger komen. Vuur en water, oorlog en andere ongelukken kunnen de voorraad vernietigen, en nu zijn wij toch integendeel er veel erger aan toe dan de vogels onder de hemel; hoe vele mensen, ook godzalige, zijn reeds omgekomen in ellende en gebrek. Tegen zulke gedachten wil de Heere ons beschermen door de andere: dan is ook voor degenen, die omkomen het levenseinde juist door God bepaald; dat overschrijdt niemand (Job 14: 5) hoeveel zorgen hij ook daarover mocht hebben.
De el (lengte van de onderarm, twee spannen) is hier figuurlijk overeenkomstig het algemene beeld, waarnaar de levensduur als een bepaalde maat gedacht wordt.
Ook wij zijn gewend van de levensdraad te spreken, van daar, dat de Heere spreekt van een el, voor een klein gedeelte.
En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Bemerkt de lelies in het veld, bijv. de prachtige Keizerskronen (corona imperialis; Hoogl. 2: 1), hoe zij, ook zonder door mensenhand verzorgd te worden, zo fris en vrolijk vanzelf groeien: zij werken niet, om vlas voor hun kleding te bouwen, en spinnen niet;
En Ik zeg u, dat ook Salomo, de koning, die door zijn pracht en grootheid tot een spreekwoord is geworden 10: 29″), in al zijn heerlijkheid, wanneer hij zich in al zijn glans vertoonde, niet zo kostelijk en wonderschoon bekleed is geweest, zoals een van deze.
Indien nu God het gras op het veld, dat heden is, en morgen, nadat de verzengende oostenwind in één nacht het in dor hooi veranderd heeft, in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen, die met uw zorgen voor de kleding (vs. 28) zo weinig vertrouwen op Gods macht en goedheid, op Zijn vaderlijke trouw en wijze zorg betoont?
Hij, die zorg draagt voor vergankelijke bloemen, zal voorwaar niet de lichamen verwaarlozen, waarin onsterfelijke zielen wonen.
Daarom, omdat gij door zulk kleingeloof tegen God, uw hemelse Vader zondigt, zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten? of wat zullen wij drinken? of waarmee zullen wij ons kleden?
Want al deze dingen, die slechts op het tijdelijke leven en zijn behoeften betrekking hebben, zoeken de heidenen, die van God niet weten (1 Thes. 4: 5), en voor niets anders dan voor het tegenwoordige van de wereld leven (Efe. 2: 12); maar gij, als kinderen van God en erfgenamen van het leven, behoeft u daarover niet bijzonder te bekommeren: want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft, en Hij zal het waarlijk Zijn kinderen niet aan verzorging laten ontbreken.
Maar zoekt eerst, voordat gij u over iets anders bekommert, het koninkrijk Gods, deelachtig te worden, en Zijn, namelijk Gods gerechtigheid, zoals Ik u die in hoofdstuk 5: 20-6: 18 heb voorgesteld, terwijl ik u in vs. 9-15 geleerd heb, hoe gij om dat rijk moet bidden, en al deze dingen, die gij voor uw aardse leven en zijn behoeften nodig hebt (vs. 31) zullen u als een toegift tot hetgeen gij met dat eerste zoeken verkrijgt, vanzelf toegeworpen worden (1 Kon. 3: 13 Ps. 37: 4vv. ), zodat een verder zoeken daarnaar geheel onnodig is.
Hoe hangt dat samen? Zeer natuurlijk? Want die naar het rijk van God (en zijn gerechtigheid) zoekn, zijn geen mensen, die hun plicht vergeten, geen trage, liederlijke, verkwistende, leugenachtige mensen, maar waarachtige, eerlijke, eenvoudige, kuise, matige, vlijtige mensen, en die het niet zijn worden het, zodra het rijk van God hun zoeken wordt. Daarbij komt, en het blijft niet uit, dat degenen, die Hem tonen, voor hoe dierbaar zij Hem houden, Hij die ook toont, hoe dierbaar zij Hem zijn. Hij laat hun dienst niet onbeloond, zoals in Ps. 37: 25 geschreven staat: “Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar ik heb niet gezien de rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.”
Evenals Alexander de Grote, toen hij de veldtocht naar Indië ondernam, al zijn overbodig krijgsgereedschap liet verbranden, zo wil ik die gehele menigte van nodeloze zorgen voor dit leven hoe langer hoe meer van mij zetten, en mij op het ene nodige (Luk. 10: 42) houden.
Velen keren het woord van de Heere om en lezen het zo: Zoekt het eerst de mammon en zijn heerlijkheid, zo zal het rijk van God u worden toegeworpen. Dat is de voornaamste leefregel van de wereld, zo handelt zij en dientengevolge ontvangt zij haar loon; dat is de zorgen planten, maar niet uitroeien; dat is ze nat maken, maar niet verbranden.
Zijt dan niet bezorgd, odmat u alles, wat gij behoeft, zal toekomen op zijn tijd, tegen de morgen, van waar alles zal komen, wat gij de volgende dag nodig zult hebben; want de morgen zal voor het zijne zorgen, zal elke nood vanzelfaanbrengen, ook zonder dat gij ze heden reeds in de geest doorleeft, maar ook de hulp van God, ook zonder dat gij nu nog weet door welk middel; elke dag heeft bij deze bovendien reeds moeilijke toestand van uw aardse leven, genoeg aan zijn eigen kwaad, en wanneer gij dan nog dat van de volgende bij uw zorgen neemt, wordt de last te zwaar, dan dat gij die zou kunnen dragen.
Voor de huidige dag wordt het minst gezorgd; bijna alle zorgen strekken zich uit tot de toekomst, en de zorg voor hetgeen nog niet aanwezig is, vernietigt dikwijls veel goeds, verblijdends, dankenswaardigs, dat aanwezig is, het belemmert de werkzaamheid voor het tegenwoordige en verbittert het genot, dat het tegenwoordige aanbiedt.
De kinderen van God en de armen leven, zoals men zegt, bij de dag, uit de hand in de mond; zij hebben altijd juist zoveel als zij voor het ogenblik nodig hebben, niet meer en niet minder. Stel dan al uw geloof, al uw liefde, al uw trouw op het werk van de huidige dag: laat uw gehele aardse leven een getrouw, vlijtig, in geloof doorgebracht heden zijn, en wacht stil totdat de dag van morgen komt.
Ons is opgelegd in het zweet onzes aangezichts ons brood te eten, en wij moeten dagelijks veel jammer, tegenspoed, tegenstand en gevaar zien en wachten; verdraag zulk leed en neem het aan met vreugde, maar laat het ook daarbij blijven, want gij hebt daaraan genoeg te dragen. Wat wilt gij voor de dag van heden zorgen en het ongeluk van twee dagen op u nemen? Laat het bij datgene blijven, wat u de dag van heden oplegt, opdat gij het ongeluk niet meer en zwaarder maakt, dan het reeds op zichzelf is.
Waarom heeft elke dag enig kwaad? Omdat wij zondaars zijn en God ons wil verbeteren en tot Zich wil terugbrengen. Gelukkig zijn degenen, die de Heere tot hun God hebben en op de zorg van Zijn voorzienigheid vertrouwen en zich geheel aan Zijn wijze beschikking overgeven. Laat Uw Geest ons overtuigen van onze zonde wanneer die gesteldheid ons ontbreekt, leer ons een welaangename gerechtigheid, en reinig ons van de wereldzin van onze harten, zodat wij onder een diep gevoel van Uw heiligheid, al onze werken mogen doen als voor U, die in het verborgene ziet, en wil ons in het openbaar vergelden, niet omwille van onze onvolkomen en bezoedelde diensten, maar om de verdiensten van de Heere Jezus Christus alleen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel