Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG2532 JezusG2424 ging uit en vertrokG4198 vanG575 den tempelG2411; enG2532 Zijn discipelenG3101 kwamen bij HemG846, om HemG846 de gebouwenG3619 des tempelsG2411 te tonenG1925.
En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen.
KJV
And1
Jesus4
went out,2
and departed5
from6
the temple:8
and9
his13
disciples12
came10
to him for to shew14
him15
the buildings17
of the temple.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EnG1161 JezusG2424 zeideG2036 tot henG846: Ziet gijG4771 niet alG3956 dezeG3778 dingen? VoorwaarG281 zegG3004 Ik: Hier zal niet een steenG3037 opG1909 den anderen steenG3037 gelatenG863 worden, die niet afgebrokenG2647 zal worden.
En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.
KJV
And2
Jesus3
said
unto them,5
See ye7
not6
all8
these things?
verily10
I say4
unto you,
There shall15
not
be left
here16
one stone17
upon18
another,19
that20
shall23
not
be thrown down.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En als Hij op den OlijfbergG3735 gezetenG2521 was, gingenG4334 de discipelenG3101 totG1909 Hem alleen, zeggendeG3004: ZegG2036 ons, wanneer zullen dezeG3778 dingen zijnG1510, en welk zal het tekenG4592 zijn van Uw toekomstG3952, en van de voleindingG4930 der wereldG165?
En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?
KJV
And2
as he3
sat1
upon4
the mount6
of Olives,8
the disciples12
came9
unto him10
privately,13
saying,15
Tell
us,
when18
shall
these things
be?
and21
what22
shall be the sign24
of thy26
coming,27
and28
of the end30
of the world?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG2532 JezusG2424, antwoordendeG611, zeideG2036 tot henG846: Ziet toe, dat uG4771 niemandG3361 verleideG4105.
En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide.
KJV
And1
Jesus4
answered2
and said
unto them,6
Take heed7
that no8
man9
deceive11
you.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantG1063 velenG4183 zullen komenG2064 onder Mijn NaamG3686, zeggendeG3004: IkG1473 benG1510 de ChristusG5547; enG2532 zij zullen velenG4183 verleidenG4105.
Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.
KJV
For2
many1
shall come3
in4
my
name,6
saying,8
I7
am10
Christ;12
and13
shall deceive15
many.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En gij zult horenG191 van oorlogenG4171, en geruchtenG189 van oorlogenG4171; zietG3708 toe, wordt nietG3361 verschriktG2360; wantG1063 alG3956 die dingen moetenG1163 geschiedenG1096, maar nogG3768 isG1510 het eindeG5056 niet.
En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.
KJV
And2
ye shall1
hear3
of wars4
and5
rumours6
of wars:7
see8
that ye be10
not9
troubled:
for12
all13
these things must11
come to pass,14
but15
the end19
is
not yet.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantG1063 het ene volkG1484 zal tegen het andere volkG1484 opstaanG1453, enG2532 het ene koninkrijkG932 tegen het andere koninkrijkG932; enG2532 er zullen zijnG1510 hongersnodenG3042, enG2532 pestilentienG3061, enG2532 aardbevingenG4578 in verscheidene plaatsenG5117.
Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentien, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.
KJV
For2
nation3
shall rise1
against4
nation,5
and6
kingdom7
against8
kingdom:9
and10
there shall be
famines,12
and13
pestilences,14
and15
earthquakes,16
in divers17
places.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Doch alG3956 dieG3778 dingen zijn maarG1161 een beginselG746 der smartenG5604.
Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten.
KJV
All2
these
are the beginning4
of sorrows.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
AlsdanG5119 zullen zijG1510 u overleverenG3860 inG1519 verdrukkingG2347, enG2532 zullen u dodenG615, enG2532 gij zult gehaatG3404 worden vanG5259 alleG3956 volkenG1484, om Mijns NaamsG3686 wil.
Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.
KJV
Then1
shall they deliver2
you
up
to4
be afflicted,5
and6
shall kill7
you:
and9
ye shall be
hated11
of12
all13
nations15
for16
my
name's sake.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En dan zullen er velenG4183 geergerdG4624 worden, enG2532 zullen elkander overleverenG3860, enG2532 elkanderG240 hatenG3404.
En dan zullen er velen geergerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.
KJV
And1
then2
shall many4
be offended,3
and5
shall betray7
one another,6
and8
shall hate9
one another.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
EnG2532 veleG4183 valse profetenG5578 zullen opstaanG1453, enG2532 zullen er velenG4183 verleidenG4105.
En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden.
KJV
And1
many2
false prophets3
shall rise,4
and5
shall deceive6
many.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
EnG2532 omdat de ongerechtigheidG458 vermenigvuldigdG4129 zal worden, zo zal de liefdeG26 van velenG4183 verkoudenG5594.
En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden.
KJV
And1
because2
iniquity6
shall abound,4
the love9
of many11
shall wax cold.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
MaarG1161 wie volhardenG5278 zal totG1519 het eindeG5056, dieG3778 zal zaligG4982 worden.
Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
KJV
But2
he that shall endure3
unto4
the end,5
the same6
shall be saved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En ditG3778 EvangelieG2098 des KoninkrijksG932 zal in de gehele wereldG3625 geprediktG2784 worden totG1519 een getuigenisG3142 allenG3956 volkenG1484; enG2532 dan zal het eindeG5056 komenG2240.
En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.
KJV
And1
this
gospel5
of the kingdom7
shall be preached2
in8
all9
the world11
for12
a witness13
unto all14
nations;16
and17
then18
shall the end21
come.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Wanneer gij danG3767 zult zienG1492 den gruwelG946 der verwoestingG2050, waarvan gesprokenG4483 is door DanielG1158, de profeetG4396, staandeG2476 inG1722 de heiligeG40 plaatsG5117; (die het leestG314, die merkeG3539 daarop!)
Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)
KJV
When1
ye therefore2
shall see
the abomination5
of desolation,7
spoken of
by10
Daniel11
the prophet,13
stand15
in19
the holy21
place,20
(whoso readeth,23
let him understand:)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Dat alsdanG5119, die inG1722 JudeaG2449 zijn, vliedenG5343 op de bergenG3735;
Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen;
KJV
Then1
let them which be in3
Judaea5
flee6
into7
the mountains:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Die opG1909 het dakG1430 is, komeG2597 nietG3361 af, om ietsG5100 uitG1537 zijn huisG3614 weg te nemen;
Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen;
Ook in dit vers
weg nemenG142
KJV
Let him which is on2
the housetop4
not5
come down6
to take7
any thing8
out of9
his12
house:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
EnG2532 die opG1722 den akkerG68 is, kereG1994 nietG3361 weder terugG3694, om zijn klederenG2440 weg te nemen.
En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen.
Ook in dit vers
weg nemenG142
KJV
Neither6
let him which is in3
the field5
return7
back8
to take9
his12
clothes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
MaarG1161 weeG3759 de bevruchtenG2192, en den zogendenG2337 vrouwen inG1722 dieG1565 dagenG2250!
Maar wee de bevruchten, en den zogenden vrouwen in die dagen!
KJV
And2
woe1
unto them that are6
with4
child,5
and7
to them that give suck9
in10
those11
days!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
DochG1161 bidtG4336, datG2443 uw vluchtG5437 nietG3361 geschiedeG1096 des wintersG5494, noch opG1722 een sabbatG4521.
Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat.
KJV
But2
pray ye1
that
your
flight7
be5
not
in the winter,9
neither10
on11
the sabbath day:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WantG1063 alsdanG5119 zal groteG3173 verdrukkingG2347 wezen, hoedanigeG3634 niet is geweestG1096 vanG575 het beginG746 der wereldG2889 tot nu toe, en ook niet zijn zal.
Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.
KJV
For2
then3
shall be
great5
tribulation,4
such as6
was8
not7
since9
the beginning10
of the world11
to this12
time,14
no,15
nor ever
shall be.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En zoG1487 die dagenG2250 niet verkortG2856 werden, geen vleesG4561 zou behoudenG302 worden; maarG1161 omG1223 der uitverkorenenG1588 wilG1565 zullen die dagenG2250 verkortG2856 worden.
En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.
KJV
And1
except
those7
days6
should be shortened,4
there8
should9
no11
flesh12
be saved:10
but14
for13
the elect's sake16
those20
days19
shall be shortened.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
AlsdanG5119, zoG1437 iemandG5100 tot ulieden zal zeggenG2036: ZietG3708, hier is de ChristusG5547, ofG2228 daar, gelooftG4100 het nietG3361.
Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet.
KJV
Then1
if2
any man3
shall say
unto you,
Lo,
here7
is Christ,9
or10
there;11
believe13
it not.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
WantG1063 er zullen valse christussenG5580 enG2532 valse profetenG5578 opstaanG1453, enG2532 zullen groteG3173 tekenenG4592 enG2532 wonderhedenG5059 doen, alzo dat zij (indienG1487 het mogelijkG1415 ware) ookG2532 de uitverkorenenG1588 zouden verleidenG4105.
Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.
KJV
For2
there shall arise1
false Christs,3
and4
false prophets,5
and6
shall shew7
great9
signs8
and10
wonders;11
insomuch that,12
if14
it were possible,15
they shall deceive13
the very16
elect.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
ZietG3708, Ik heb het uG4771 voorzegdG4280!
Ziet, Ik heb het u voorzegd!
KJV
Behold,
I have told
you
before.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Zo zij danG3767 tot uG4771 zullen zeggenG2036: Ziet, hij is inG1722 de woestijnG2048; gaat nietG3361 uit; ZietG3708, hij is inG1722 de binnenkamerenG5009; gelooftG4100 het nietG3361.
Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet.
KJV
Wherefore2
if1
they shall say
unto you,
Behold,
he is
in6
the desert;8
go11
not10
forth:
behold,
he is in13
the secret chambers;15
believe17
it not.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
WantG1063 gelijk de bliksemG796 uitgaatG1831 vanG575 het oostenG395, enG2532 schijntG5316 tot het westenG1424, alzoG3779 zal ookG2532 de toekomstG3952 van den ZoonG5207 des mensenG444 wezenG1510.
Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen.
KJV
For2
as1
the lightning4
cometh5
out of6
the east,7
and8
shineth9
even unto10
the west;11
so12
shall
also14
the coming16
of the Son18
of man20
be.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
WantG1063 alwaar het dode lichaamG4430 zal zijnG1510, daar zullen de arendenG105 vergaderdG4863 worden.
Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.
KJV
For2
wheresoever3
the carcase6
is,
there7
will8
the eagles10
be gathered together.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
En terstondG2112 naG3326 de verdrukkingG2347 dier dagenG2250, zal de zonG2246 verduisterdG4654 worden, en de maanG4582 zal haarG846 schijnselG5338 nietG3756 gevenG1325, en de sterrenG792 zullen vanG575 den hemelG3772 vallenG4098, en de krachtenG1411 der hemelenG3772 zullen bewogenG4531 worden.
En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.
KJV
Immediately2
after3
the tribulation5
of those8
days7
shall the sun10
be darkened,11
and12
the moon14
shall16
not15
give
her19
light,18
and20
the stars22
shall fall23
from24
heaven,26
and27
the powers29
of the heavens31
shall be shaken:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
EnG2532 alsdanG5119 zal inG1722 den hemelG3772 verschijnenG5316 het tekenG4592 van den ZoonG5207 des mensenG444; enG2532 dan zullen alG3956 de geslachtenG5443 der aardeG1093 wenenG2875, enG2532 zullen den ZoonG5207 des mensenG444 zienG3700, komendeG2064 op de wolkenG3507 des hemelsG3772, met grote krachtG1411 enG2532 heerlijkheidG1391.
En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.
KJV
And1
then2
shall appear3
the sign5
of the Son7
of man9
in10
heaven:12
and13
then14
shall15
all16
the tribes18
of the earth20
mourn,
and21
they shall see
the Son24
of man26
coming27
in28
the clouds30
of heaven32
with33
power34
and35
great37
glory.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
En Hij zal Zijn engelenG32 uitzendenG649 metG3326 een bazuinG4536 van grootG3173 geluidG5456, enG2532 zij zullen Zijn uitverkorenenG1588 bijeenvergaderenG1996 uitG1537 de vierG5064 windenG417, vanG575 het ene uitersteG206 der hemelenG3772 tot het andere uitersteG206 derzelve.
En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.
KJV
And1
he shall send2
his5
angels4
with6
a great9
sound8
of a trumpet,7
and10
they shall gather together11
his14
elect13
from15
the four17
winds,18
from19
one end20
of heaven21
to22
the other.23
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En leertG3129 vanG575 den vijgeboomG4808 deze gelijkenisG3850: wanneer zijn takG2798 nuG1161 tederG527 wordtG1096, en de bladerenG5444 uitspruitenG1631, zo weet gij, datG3754 de zomerG2330 nabijG1451 is.
En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.
KJV
Now2
learn5
a parable7
of1
the fig tree;4
When8
his12
branch11
is13
yet9
tender,14
and15
putteth forth18
leaves,17
ye know19
that20
summer23
is nigh:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Alzo ookG2532 gijlieden, wanneer gij alG3956 dezeG3778 dingen zult zienG1492, zoG3779 weet, dat het nabijG1451 isG1510, voor de deurG2374.
Alzo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur.
KJV
So1
likewise2
ye,
when4
ye shall see
all6
these things,
know8
that9
it is
near,10
even at12
the doors.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
VoorwaarG281, Ik zegG3004 uG4771: Dit geslachtG1074 zal geenszinsG3364 voorbijgaanG3928, totdat alG3956 dezeG3778 dingen zullen geschiedG1096 zijn.
Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
KJV
Verily1
I say2
unto you,
This9
generation8
shall not
pass,6
till11
all12
these things
be fulfilled.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
De hemelG3772 en de aardeG1093 zullen voorbijgaanG3928, maarG1161 Mijn woordenG3056 zullen geenszinsG3364 voorbijgaanG3928.
De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
KJV
Heaven2
and3
earth5
shall pass away,6
but8
my
words9
shall13
not
pass away.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
DochG1161 vanG4012 dien dagG2250 en die ureG5610 weetG1492 niemandG3762, ookG2532 nietG3361 de engelenG32 der hemelenG3772, dan Mijn VaderG3962 alleen.
Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.
KJV
But2
of1
that5
day4
and6
hour8
knoweth10
no9
man, no, not11
the angels13
of heaven,15
but
my
Father19
only.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
En gelijk de dagenG2250 van NoachG3575 waren, alzoG3779 zal ookG2532 zijn de toekomstG3952 van den ZoonG5207 des mensenG444.
En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.
KJV
But2
as1
the days4
of Noe6
were, so7
shall
also9
the coming11
of the Son13
of man15
be.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
WantG1063 gelijk zij waren in de dagenG2250 voor den zondvloedG2627, etendeG5176 enG2532 drinkendeG4095, trouwendeG1060 enG2532 ten huwelijk uitgevendeG1547, totG1519 den dagG2250 toe, in welkenG3739 NoachG3575 in de arkG2787 ging;
Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;
KJV
For2
as1
in4
the days6
that were
before8
the flood10
they were eating11
and12
drinking,13
marrying14
and15
giving in marriage,16
until17
the day19
that18
Noe21
entered20
into22
the ark,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
EnG2532 bekendenG1097 het nietG3756, totdat de zondvloedG2627 kwamG2064, enG2532 hen allen wegnamG142; alzoG3779 zal ookG2532 zijnG1510 de toekomstG3952 van de ZoonG5207 des mensenG444.
En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen.
KJV
And1
knew3
not2
until4
the flood7
came,5
and8
took9
them all10
away;
so11
shall
also13
the coming15
of the Son17
of man19
be.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
AlsdanG5119 zullen er tweeG1417 opG1722 den akkerG68 zijnG1510, de een zal aangenomenG3880, enG2532 de anderG1520 zal verlatenG863 worden.
Alsdan zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
KJV
Then1
shall
two2
be
in4
the field;6
the one8
shall be taken,9
and10
the other12
left.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
Er zullen tweeG1417 vrouwen malenG229 inG1722 den molenG3459, de eneG1520 zal aangenomenG3880, enG2532 de andere zal verlatenG863 worden.
Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.
KJV
Two1
women shall be grinding2
at3
the mill;5
the one
shall be taken,7
and8
the other
left.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
WaaktG1127 danG3767; wantG3754 gijG4771 weetG1492 nietG3756, in welke ureG5610 uw HeereG2962 komenG2064 zal.
Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.
KJV
Watch1
therefore:2
for3
ye know5
not4
what6
hour7
your
Lord9
doth come.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
MaarG1161 weet dit, datG3754 zoG1487 de heer des huizesG3617 gewetenG1492 had, in welke nachtwakeG5438 de diefG2812 komenG2064 zou, hijG846 zou gewaaktG302 hebben, en zou zijn huisG3614 nietG3756 hebben latenG1439 doorgravenG1358.
Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.
KJV
But2
know3
this,1
that4
if5
the goodman of the house8
had known6
in what9
watch10
the thief12
would come,13
he would15
have watched,14
and16
would18
not17
have suffered19
his23
house22
to be broken up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44
Daarom, zijt ookG2532 gijG4771 bereidG2092; wantG3754 in welkeG3739 ureG5610 gij het nietG3756 meentG1380, zal de ZoonG5207 des mensenG444 komenG2064.
Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.
KJV
Therefore1
be5
ye
also3
ready:6
for7
in such8
an hour9
as ye think11
not10
the Son13
of man15
cometh.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45
Wie isG1510 dan de getrouweG4103 enG2532 voorzichtigeG5429 dienstknechtG1401, denwelken zijn heerG2962 overG1909 zijn dienstbodenG2322 gesteldG2525 heeft, om hunlieder hunG846 voedselG5160 te gevenG1325 ter rechter tijdG2540?
Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd?
KJV
Who1
then
is
a faithful5
and7
wise8
servant,6
whom9
his13
lord12
hath made ruler10
over14
his17
household,16
to give19
them20
meat22
in23
due season?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46
ZaligG3107 is die dienstknechtG1401, welkenG3739 zijn heerG2962, komendeG2064, zal vindenG2147 alzoG3779 doendeG4160.
Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer, komende, zal vinden alzo doende.
KJV
Blessed1
is that4
servant,3
whom5
his9
lord8
when he cometh6
shall find10
so12
doing.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47
VoorwaarG281, Ik zegG3004 uG4771, datG3754 hij hem zal zettenG2525 overG1909 alG3956 zijn goederenG5224.
Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.
KJV
Verily1
I say2
unto you,
That4
he shall make10
him9
ruler
over5
all6
his11
goods.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
48
MaarG1161 zoG1437 dieG1565 kwadeG2556 dienstknechtG1401 inG1722 zijn hartG2588 zou zeggenG2036: Mijn heerG2962 vertoeftG5549 te komenG2064;
Maar zo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen;
KJV
But and2
if1
that7
evil5
servant6
shall say
in8
his11
heart,10
My
lord14
delayeth12
his coming;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
49
En zou beginnenG756 zijn mededienstknechtenG4889 te slaanG5180, en te etenG2068 en te drinkenG4095 metG3326 de dronkaardsG3184;
En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards;
KJV
And1
shall begin2
to smite3
his fellowservants,5
and7
to eat6
and8
drink9
with10
the drunken;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
50
Zo zal de heerG2962 van dezenG1565 dienstknechtG1401 komenG2240 ten dageG2250, inG1722 welkenG3739 hij hem nietG3756 verwachtG4328, enG2532 ter ureG5610, dieG3739 hij nietG3756 weet;
Zo zal de heer van dezen dienstknecht komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet;
KJV
The lord3
of that6
servant5
shall come1
in7
a day8
when9
he looketh11
not10
for him, and12
in13
an hour14
that15
he is17
not16
aware of,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
51
En zal hemG846 afscheidenG1371, enG2532 zijn deelG3313 zettenG5087 metG3326 de geveinsdenG5273; daar zal weningG2805 zijn enG2532 knersingG1030 der tandenG3599.
En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
KJV
And1
shall cut2
him3
asunder,
and4
appoint11
him his7
portion6
with8
the hypocrites:10
there12
shall be
weeping15
and16
gnashing18
of teeth.
de gebouwen des tempels
Van de grootheid, sterkte en heerlijheid dezer gebouwen, zie den historieschrijver Josefus Antiq. lib. 15, cap. 14.
Hertaald:
de gebouwen des tempels
Zie over de grootte, sterkte en pracht van deze gebouwen de geschiedschrijver Josefus, Antiquitates boek 15, hoofdstuk 14.
tonen
Dewijl Christus voorzegd had in het voorgaande Matt. 23:38 , de verwoesting der stad en des tempels, zo schijnt, dat de discipelen daarom deze gebouwen Hem getoond hebben om te kennen te geven dat het hun docht òf onmogelijk òf jammer te wezen, dat zulk een heerlijk gebouw zou verwoest worden.
Hertaald:
tonen
Omdat Christus in het voorgaande, Matth. 23:38, de verwoesting van de stad en de tempel voorzegd had, lijkt het erop dat de discipelen Hem deze gebouwen toonden om te kennen te geven dat het hun onmogelijk of jammer leek dat zo'n prachtig gebouw verwoest zou worden.
niet een steen op den anderen steen gelaten worden,
Grieks, steen op steen niet gelaten worden.
Hertaald:
niet een steen op den anderen steen gelaten worden,
Grieks: steen op steen niet gelaten worden.
afgebroken zal worden
Grieks, losgemaakt.
Hertaald:
afgebroken zal worden
Grieks: losgemaakt.
deze dingen zijn,
Namelijk die Gij hier en op het einde van het voorgaande Mat 23 , gezegd hebt, zo van de verwoesting der stad en des tempels van Jeruzalem, als van uw laatste toekomst ten oordeel.
Hertaald:
deze dingen zijn,
Namelijk de dingen die U hier en aan het einde van het voorgaande hoofdstuk 23 gezegd hebt, zowel over de verwoesting van de stad en de tempel van Jeruzalem als over Uw laatste komst ten oordeel.
onder mijnen naam,
Of, in, op mijnen naam; dat is, zich uitgevende voor den beloofden Messias, gelijk omtrent dien tijd en daarna verscheidene opgestaan zijn. Zie Hand. 5:36-37 , en JosEf. Antiq. lib.18, cap.12. lib.20 cap.2, enz. en de bello Iud. lib.2, cap.12.
Hertaald:
onder mijnen naam,
Of: in of op Mijn naam; dat is: terwijl zij zich uitgeven voor de beloofde Messias, zoals er in die tijd en daarna verscheidenen opgestaan zijn. Zie Hand. 5:36-37, en Josefus, Antiquitates boek 18 hoofdstuk 12 en boek 20 hoofdstuk 2, enzovoort, en De bello Iudaico boek 2 hoofdstuk 12.
nog is het einde niet
Namelijk van al de ellenden en uiterste straffen, die den Joden zouden overkomen.
Hertaald:
nog is het einde niet
Namelijk van alle ellende en uiterste straffen die de Joden zouden overkomen.
het ene volk
Grieks, volk tegen volk.
Hertaald:
het ene volk
Grieks: volk tegen volk.
het ene koninkrijk
Grieks, koninkrijk tegen koninkrijk.
Hertaald:
het ene koninkrijk
Grieks: koninkrijk tegen koninkrijk.
smarten
Grieks, weeën; gelijk der vrouwen die in barensnood zijn. Van al deze oorlogen en ellenden zie JosEf. Antiq. lib.20, en de bello ludic. lib.3, enz.
Hertaald:
smarten
Grieks: weeën, zoals van vrouwen die in barensnood zijn. Zie over al deze oorlogen en rampen Josefus, Antiquitates boek 20, en De bello Iudaico boek 3, enzovoort.
geërgerd worden,
Dat is, door vrees voor vervolging van mij afwijken.
Hertaald:
geërgerd worden,
Dat is: uit vrees voor vervolging van Mij afwijken.
ongerechtigheid
Grieks, overtreding der wet.
Hertaald:
ongerechtigheid
Grieks: overtreding van de wet.
liefde van velen verkouden
Namelijk zo tot de waarheid des Evangelies als tot den naaste.
Hertaald:
liefde van velen verkouden
Namelijk zowel de liefde tot de waarheid van het Evangelie als die tot de naaste.
gehele wereld
Grieks, bewoonde wereld. Zie hiervan de vervulling Rom. 10:18 ; Kol. 1:6 .
Hertaald:
gehele wereld
Grieks: bewoonde wereld. Zie hiervan de vervulling in Rom. 10:18; Kol. 1:6.
het einde komen
Namelijk der stad Jeruzalem en der Joodse regering.
Hertaald:
het einde komen
Namelijk van de stad Jeruzalem en van het Joodse staatsbestel.
gruwel der verwoesting,
Dat is, het gruwelijk verwoestende leger der Romeinen, gelijk verklaard wordt Luc. 21:20 .
Hertaald:
gruwel der verwoesting,
Dat is: het gruwelijk verwoestende leger van de Romeinen, zoals verklaard wordt in Luk. 21:20.
heilige plaats
Dat is, in het heilig Joodse land rondom Jeruzalem.
Hertaald:
heilige plaats
Dat is: in het heilige Joodse land rondom Jeruzalem.
op de bergen
Namelijk om zich aldaar te verbergen voor de straf.
Hertaald:
op de bergen
Namelijk om zich daar voor de straf te verbergen.
dak is,
De Joden waren veel op de daken der huizen, omdat zij boven plat waren. Zie hiervoren Matt. 10:27 .
Hertaald:
dak is,
De Joden waren veel op de daken van de huizen, omdat die van boven plat waren. Zie Matth. 10:27.
kere niet weder
Dat is, verlieze geen tijd om te vluchten.
Hertaald:
kere niet weder
Dat is: verlies geen tijd om te vluchten.
wee den bevruchten en den zogenden
Namelijk omdat zij onbekwaam zullen zijn om haastelijk te vluchten, met hare vrucht of kleine kinderen beladen zijnde.
Hertaald:
wee den bevruchten en den zogenden
Namelijk omdat zij niet snel zullen kunnen vluchten, belast als zij zijn met hun ongeboren of kleine kinderen.
des winters,
Omdat in den winter het vluchten ondoenlijk is, en de Joden op den sabbat niet ver mochten reizen; zie Hand. 1:12 , noch zich van dingen tot de reis nodig, voorzien.
Hertaald:
des winters,
Omdat vluchten in de winter ondoenlijk is, en omdat de Joden op de sabbat niet ver mochten reizen, zie Hand. 1:12, en zich ook niet van het nodige voor de reis mochten voorzien.
hoedanige niet is geweest
Want gelijk Josefus getuigt, de bello Judas lib. 4,5,6 en 7, cap. 17, zijn door het zwaard, den honger en de pest vergaan, alleen binnen Jeruzalem elf honderd duizend mensen, en boven de zeven en negentig duizend tot slaven verkocht. Dergelijke verwoesting wordt in geen andere historiën gelezen.
Hertaald:
hoedanige niet is geweest
Want zoals Josefus getuigt in De bello Iudaico boek 4, 5, 6 en 7, hoofdstuk 17, zijn alleen al binnen Jeruzalem elfhonderdduizend mensen omgekomen door het zwaard, de honger en de pest, en zijn er meer dan zevenennegentigduizend als slaven verkocht. Zo'n verwoesting wordt in geen enkele andere geschiedenis gelezen.
die dagen niet verkort werden,
Dat is, ten ware dat God de plagen van die tijden, die de Joden nog zwaarder hadden verdiend, had doen ophouden, er zou niemand uit het Joodse volk overgebleven zijn geweest.
Hertaald:
die dagen niet verkort werden,
Dat is: als God de plagen van die tijd — die de Joden nog zwaarder verdiend hadden — niet had laten ophouden, zou er van het Joodse volk niemand overgebleven zijn.
der uitverkorenen wil
Namelijk die God onder het Joodse volk had, en altijd behouden wilde.
Hertaald:
der uitverkorenen wil
Namelijk de uitverkorenen die God onder het Joodse volk had en altijd wilde behouden.
Alsdan
Namelijk na de verwoesting van Jeruzalem tot de voleinding der wereld, van welke Hij begint te spreken in vs.29.
Hertaald:
Alsdan
Namelijk na de verwoesting van Jeruzalem tot aan het einde van de wereld, waarover Hij in vers 29 begint te spreken.
daar,
Grieks, hier.
Hertaald:
daar,
Grieks: hier.
tekenen
Gelijk van den Antichrist getuigd wordt, 2 Thess. 2:9 ; Openb. 13:11 , enz.
Hertaald:
tekenen
Zoals van de antichrist getuigd wordt, 2 Thess. 2:9; Openb. 13:11, enzovoort.
(indien het mogelijk ware)
Dit wordt gezegd niet mogelijk te zijn, niet ten aanzien van den wil of kracht der uitverkorenen in henzelven. Maar ten aanzien van de onveranderlijkheid van het besluit Gods over hen en van zijn krachtige bewaring tegen de verleiding, volgens zijne beloften, die Hem niet kunne berouwen. Zie Joh. 10:28 ; Rom. 8:29-30 ; 1 Petr. 1:5 .
Hertaald:
(indien het mogelijk ware)
Dat het niet mogelijk is, wordt niet gezegd met het oog op de wil of de kracht van de uitverkorenen in zichzelf, maar met het oog op de onveranderlijkheid van Gods besluit over hen en op Zijn krachtige bewaring tegen de verleiding, overeenkomstig Zijn beloften, waarvan Hem geen berouw kan hebben. Zie Joh. 10:28; Rom. 8:29-30; 1 Petr. 1:5.
van het oosten
Grieks, van den opgang; namelijk der zon.
Hertaald:
van het oosten
Grieks: van de opgang, namelijk van de zon.
tot het westen,
Grieks, ondergang.
Hertaald:
tot het westen,
Grieks: de ondergang.
alzo zal ook
Namelijk met grote snelheid en klaarheid.
Hertaald:
alzo zal ook
Namelijk met grote snelheid en helderheid.
alwaar het dode lichaam zal zijn,
Van dit spreekwoord, bij de Hebreën gebruikelijk, zie Job 39:33 , en wordt hiermede geleerd dat waar Christus met zijn lijden en sterven oprecht gepredikt wordt de gelovigen zich aldaar zullen vergaderen, gelijk zij ook in het laatste oordeel tot Christus zullen vergaderd worden om altijd bij Hem te blijven; 1 Thess. 4:16-17 ; Joh. 17:24 . Sommigen verstaan dit spreekwoord van de verwoesting des Joodse volks, hetwelk door het aas zou verstaan worden, en de Romeinen door de arenden; gelijk de Chaldeën bij Hab. 1:8 .
Hertaald:
alwaar het dode lichaam zal zijn,
Zie over dit spreekwoord, dat bij de Hebreeën gebruikelijk was, Job 39:33. Hiermee wordt geleerd dat de gelovigen zich zullen verzamelen waar Christus met Zijn lijden en sterven oprecht gepredikt wordt, zoals zij ook in het laatste oordeel tot Christus vergaderd zullen worden om altijd bij Hem te blijven; 1 Thess. 4:16-17; Joh. 17:24. Sommigen betrekken dit spreekwoord op de verwoesting van het Joodse volk, dat dan met het aas bedoeld zou zijn, en de Romeinen met de arenden, zoals de Chaldeeën in Hab. 1:8.
de verdrukking dier dagen
Namelijk die de tirannen en de Antichrist de kerk Gods zullen hebben aangedaan.
Hertaald:
de verdrukking dier dagen
Namelijk de verdrukking die de tirannen en de antichrist de kerk van God aangedaan zullen hebben.
de krachten der hemelen
Dat is, de krachtige of sterke hemelen.
Hertaald:
de krachten der hemelen
Dat is: de krachtige of sterke hemelen.
bewogen worden
Namelijk gelijk de zee op en neder gedreven wordt.
Hertaald:
bewogen worden
Namelijk zoals de zee op en neer bewogen wordt.
het teken van den Zoon des mensen;
Dat is, de tekenen zijner heerlijkheid, waarmede Hij in de woken verschijnen zal; zie Marc. 13:26 ; Luc. 21:27 .
Hertaald:
het teken van den Zoon des mensen;
Dat is: de tekenen van Zijn heerlijkheid, waarmee Hij in de wolken zal verschijnen; zie Mark. 13:26; Luk. 21:27.
wenen,
Of, weeklagen. Grieks, van benauwdheid op de borst slaan.
Hertaald:
wenen,
Of: weeklagen. Grieks: van benauwdheid op de borst slaan.
geluid,
Grieks, stem. Anders, met een bazuin en groot geluid.
Hertaald:
geluid,
Grieks: stem. Anders: met een bazuin en groot geluid.
bijeenvergaderen uit de vier winden,
Dat is, uit alle vier hoeken of gewesten der wereld bijeenbrengen, die zij uit hun verheerlijkte lichamen en anderszins zullen onderkennen.
Hertaald:
bijeenvergaderen uit de vier winden,
Dat is: uit alle vier hoeken of streken van de wereld bijeenbrengen; zij zullen hen herkennen aan hun verheerlijkte lichamen en op andere wijze.
teder wordt
Of, sappig, wanneer het sap of groeisel daarin komt.
Hertaald:
teder wordt
Of: sappig, wanneer het sap of het groeivocht erin komt.
het nabij is,
Of, Hij, namelijk Christus met zijne toekomst.
Hertaald:
het nabij is,
Of: Hij, namelijk Christus met Zijn komst.
dit geslacht zal
Namelijk des Joodse volks, of deze eeuw.
Hertaald:
dit geslacht zal
Namelijk van het Joodse volk, of: deze eeuw.
voorbijgaan,
Of, vergaan.
Hertaald:
voorbijgaan,
Of: vergaan.
voorbijgaan,
Of, vergaan. Hoe dit geschieden zal, wordt verklaard 2 Petr. 3:10 .
Hertaald:
voorbijgaan,
Of: vergaan. Hoe dat zal gebeuren wordt verklaard in 2 Petr. 3:10.
etende en drinkende,
Dat is, zorgeloos en vleselijk levende zonder vreze Gods, Jud. 1:12 .
Hertaald:
etende en drinkende,
Dat is: zorgeloos en vleselijk levend, zonder vreze van God, Judas 1:12.
aangenomen
Namelijk van God onder zijne uitverkorenen.
Hertaald:
aangenomen
Namelijk door God, onder Zijn uitverkorenen.
ander zal
Grieks, de een.
Hertaald:
ander zal
Grieks: de een.
verlaten worden
Namelijk met de verworpenen in de eeuwige verdoemenis.
Hertaald:
verlaten worden
Namelijk samen met de verworpenen, in de eeuwige verdoemenis.
malen in den molen
Of, malen in het molenhuis. Het malen en bakken placht in die landen veel gedaan te worden door de vrouwen of slavinnen, die daartoe karnen of handmolens gebruikten.
Hertaald:
malen in den molen
Of: malen in het molenhuis. Het malen en bakken werd in die landen vaak gedaan door de vrouwen of slavinnen, die daarvoor karnen of handmolens gebruikten.
de heer des huizes
Of, huisvader.
Hertaald:
de heer des huizes
Of: huisvader.
in welke nachtwake de dief komen zou,
Dat is, in welk deel des nachts, die in vier nachtwaken gedeeld werd. Zie Matt. 14:25 .
Hertaald:
in welke nachtwake de dief komen zou,
Dat is: in welk deel van de nacht, die in vier nachtwaken verdeeld was. Zie Matth. 14:25.
dienstknecht,
Bij dezen dienstknecht worden voornamelijk vergeleken de apostelen en dienaars des Evangelies, die de geestelijke spijs der zielen uitdelen.
Hertaald:
dienstknecht,
Met deze dienstknecht worden vooral de apostelen en de dienaars van het Evangelie vergeleken, die de geestelijke spijs voor de zielen uitdelen.
alzo doende
Namelijk gelijk hij hem bevolen heeft.
Hertaald:
alzo doende
Namelijk zoals zijn heer hem bevolen heeft.
over al zijn goederen
Of, over al wat hij heeft.
Hertaald:
over al zijn goederen
Of: over alles wat hij heeft.
Slaan, en te eten en te drinken
Dat is, overlast aan te doen.
Hertaald:
Slaan, en te eten en te drinken
Dat is: overlast aan te doen.
afscheiden,
Anders, in tweeën houwen. Sommigen menen dat hier gezien wordt op zulke zware straffen, waarvan men leest 1 Sam. 15:33 , en Dan. 3:29 ; doch uit hetgeen volgt schijnt, dat het verstaan wordt van de afscheiding van zijn huisgezin, om daarna gestraft te worden.
Hertaald:
afscheiden,
Anders: in tweeën houwen. Sommigen menen dat hier gezien wordt op zulke zware straffen als men leest in 1 Sam. 15:33 en Dan. 3:29. Maar uit het vervolg lijkt het erop dat het gaat om de afscheiding van zijn huisgezin, om daarna gestraft te worden.
de geveinsden;
Dat is, die wel voor de ogen hunner meesters zich schijnen te kwijten, maar in hun afwezen het tegendeel doen.
Hertaald:
de geveinsden;
Dat is: zij die zich voor de ogen van hun meesters van hun taak lijken te kwijten, maar in hun afwezigheid het tegendeel doen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Op de vraag van de discipelen naar het teken van Zijn toekomst en van de voleinding der wereld (Matt. 24:3) volgt de langste rede van Mattheüs. Zij waarschuwt eerst tegen misleiding: velen zullen komen onder Zijn Naam, er zullen oorlogen en hongersnoden zijn, maar dat alles is nog niet het einde (Matt. 24:4-8). Daarna spreekt zij van verdrukking, van valse profeten met tekenen, en van de komst van de Zoon des mensen die zo onmiskenbaar zal zijn als de bliksem van het oosten tot het westen (Matt. 24:23-27,30-31). Twee dingen worden nadrukkelijk gezegd: het Evangelie moet eerst in de gehele wereld gepredikt worden (Matt. 24:14), en van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen (Matt. 24:36). Daarop volgen drie gelijkenissen die alle op één woord uitkomen: waakt (Matt. 24:42-51; 25:1-13,14-30). Bijbelse betekenis: De rede is met opzet zo gebouwd dat zij nieuwsgierigheid ontmoedigt en waakzaamheid wekt. Elke poging de dag te berekenen loopt stuk op Matt. 24:36, en elke poging het uit te stellen loopt stuk op de gelijkenis van de dienstknecht die zegt dat zijn heer vertoeft. Het teken dat wél gegeven wordt, is er één van arbeid en niet van sensatie: het Evangelie gepredikt onder alle volken. En de maatstaf in de laatste gelijkenis is opvallend gewoon — wat men aan de geringste van Zijn broeders gedaan heeft (Matt. 25:40). Typologie: Paulus geeft dezelfde twee dingen. De dag des Heeren komt als een dief in de nacht, maar de gelovigen zijn geen kinderen der duisternis en worden daarom tot waakzaamheid geroepen (1 Thess. 5:2-6). En de Heere Zelf zal met een geroep en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel (1 Thess. 4:16). Petrus voegt de reden van het uitstel toe: de Heere is lankmoedig, niet willende dat enigen verloren gaan (2 Petr. 3:9). Zo eindigt de Schrift met een gebed en niet met een berekening: Amen, ja, kom, Heere Jezus (Op. 22:20). Matt. 24:3-51; Matt. 25:1-46; 1 Thess. 4:16; 1 Thess. 5:2-6; 2 Petr. 3:9; Op. 22:20 De uitdrukking komt in Mattheüs ruim dertig maal voor en altijd uit Zijn eigen mond. Zij klinkt het eerst in armoede: de vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge (Matt. 8:20). Zij klinkt in gezag: de Zoon des mensen heeft macht op de aarde de zonden te vergeven (Matt. 9:6), en Hij is een Heere ook van de sabbat (Matt. 12:8). Zij klinkt in het lijden: driemaal kondigt Hij aan dat de Zoon des mensen overgeleverd zal worden en ten derden dage opstaan (Matt. 17:22-23; 20:18-19). En zij klinkt in heerlijkheid: men zal Hem zien komen op de wolken des hemels, en voor Hem zullen alle volken vergaderd worden (Matt. 24:30; 25:31-32). Bijbelse betekenis: De aanduiding is met opzet dubbelzinnig. In het gewone Aramees betekent zij niet meer dan "mens", en juist daarom kon Christus haar gebruiken zonder Zich vóór de tijd bloot te geven. Maar bij Daniël is zij een titel van hemelse waardigheid, en dáár grijpt Hij naar terug op het beslissende ogenblik. Voor de hogepriester zegt Hij onder ede dat men de Zoon des mensen zal zien zitten ter rechterhand der kracht en komen op de wolken des hemels (Matt. 26:64). Daarop volgt het vonnis. De laagheid en de hoogheid zitten dus in één woord. Typologie: Daniël zag in de nachtgezichten "Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon", en Hem werd heerschappij, eer en het koninkrijk gegeven, een eeuwige heerschappij die niet vergaan zal (Dan. 7:13-14). Stefanus ziet die Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods (Hand. 7:56). De Hebreeënbrief past Psalm 8 op Hem toe: wij zien nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn, maar wij zien Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond vanwege het lijden des doods (Hebr. 2:6-9). De weg van Matt. 8:20 naar Matt. 25:31 is dus geen omslag maar één weg. Matt. 8:20; Matt. 9:6; Matt. 12:8; Matt. 17:22-23; Matt. 20:18-19; Matt. 24:30; Matt. 25:31-32; Matt. 26:64; Dan. 7:13-14; Hand. 7:56; Hebr. 2:6-9 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe De discipelen hebben Hem de stenen van de tempel gewezen, en Hij heeft gezegd dat er geen steen op de andere gelaten zal worden. Op de Olijfberg vragen zij wanneer dat gebeurt en wat het teken van Zijn komst is. Dit hoofdstuk is het antwoord. Hij beschrijft Zijn eigen komst met de woorden waarmee Daniël de troonzaal beschreef. **Hoe het niet gaat.** Eerst wordt elke aanwijzing onbruikbaar gemaakt: is Hij in de woestijn, ga er niet heen; is Hij in de binnenkamers, geloof het niet. En dan: “Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen.” Wat aangewezen moet worden, is het niet. **De aanhaling.** “en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.” Dat is Daniël 7, bijna woordelijk: er kwam Eén met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen. En Hem werd heerschappij gegeven, en een koninkrijk dat niet vergaan zal. Daniël zag die gang van de aarde naar de troon. Hier wordt dezelfde weg in omgekeerde richting beschreven. **Waar de kanttekening bij stilstaat.** Bij het teken van de Zoon des mensen: dat zijn de tekenen van Zijn heerlijkheid, waarmee Hij in de wolken verschijnen zal. **Wat er dan gebeurt.** De engelen worden uitgezonden met een bazuin, en zij vergaderen de uitverkorenen uit de vier winden. Dat is het werk van een koning die zijn volk thuisbrengt — de profeten spraken zo over het verzamelen van de verstrooiden van Israël. **En wat Hij er meteen bij zegt.** Twee dingen naast elkaar, en men neemt ze zelden allebei. Het eerste: “De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.” Wat het vastst lijkt gaat voorbij; wat gesproken is niet. Het tweede: “Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.” De zekerheid is volstrekt en de datum is dicht. Wie het ene aanneemt en het andere overslaat, gaat rekenen — en dat is precies wat er verboden wordt. In het Nieuwe Testament: Daniël 7:13-14; Jesaja 27:13; Handelingen 1:11; Openbaring 1:7; Jesaja 40:8; Zacharia 14:5 Hoever dit reikt: Dit hoofdstuk verweeft het oordeel over Jeruzalem en de laatste dingen; hoe die twee zich verhouden, wordt verschillend uitgelegd en deze post spreekt zich daarover niet uit. Wat vaststaat is dat Christus hier de woorden van Daniël 7 op Zichzelf toepast, en dat de dag en de ure uitdrukkelijk niet gegeven worden.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Een preek uitgesproken op donderdagavond 5 maart 1868, In The Metropolitan Tabernakel, Newington Totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam. Mattheüs 24:39 We zeggen vaak dat 'er… Weest ook u daarom bereid, want op een uur waarop u het niet zou denken, zal de Zoon des mensen komen. Mattheüs 24:44 Een andere keer zal ik wat… Ons burgerschap is echter in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus. (Filippenzen 3:20) Lees verder 2 Timotheüs 4:1—8. Je weet dat ik… Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Johannes 15:22Verder lezen: Mattheüs 24:29-31… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des… Zalig zijn die dienstknechten welke de heer als hij komt, zal wakende vinden. Voorwaar Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en… Maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden. Mattheus 24:22 Terwille van Zijn uitverkorenen voert de Heere veel oordelen niet uit en verkort Hij andere. In… Beste vrienden, Ik had jullie al veel eerder moeten schrijven, maar mijn reis verliep erg snel en ik voelde me niet erg productief toen ik 's avonds laat… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Mattheüs 24
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Komende op de wolken des hemels — 24:27-31, 35-36
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
De zondvloed van Noach
Verdrietig nieuws van het weeshuis
De Zaligmaker verwachten
Menselijke verantwoordelijkheid
Buiten Christus geen leven
Waakzaam uitzien naar de wederkomst
Vanwege ons
De gevolgen van een gezonde leer


Mattheüs 24
Mattheüs 24:1-2.KruisverwijzingenLukas 19:44→Markus 13:1→Mattheüs 23:39→Lukas 21:5→Jeremia 6:8→Ezechiël 8:6→Johannes 2:20→Mattheüs 21:23→
— En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen. En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.
“En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen. En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.”
De Koning had Zijn eerste rede in de tempel beëindigd en verliet die, om er nooit terug te keren. Zijn dienst daar was afgelopen.
Toen Zijn discipelen met Hem naar de Olijfberg liepen, wezen zij Hem op de grote stenen waaruit de tempel opgetrokken was en op de kostbare versieringen van dat prachtige gebouw. Voor hen was de aanblik heerlijk, maar voor hun Heere was het een droevig gezicht. Het huis van Zijn Vader, dat een huis van gebed voor alle volken had moeten zijn, was een moordenaarskuil geworden en zou spoedig geheel verwoest worden.
De stenen van de tempel waren zo uitzonderlijk groot als mensen ze zelden zien. Zij zagen eruit alsof zij, eenmaal op hun plaats, daar tot in eeuwigheid zouden blijven staan. En toch zijn zij alle verdwenen, naar de profetie van onze Heere.
Josephus vertelt ons dat Titus eerst nog geprobeerd heeft de tempel te sparen, zelfs nadat die al in brand gestoken was, maar zijn pogingen waren vergeefs. Ten slotte gaf hij bevel dat de hele stad en de tempel met de grond gelijkgemaakt zouden worden, op een klein deel na dat voor de bezetting bewaard bleef. Dat is zo grondig gedaan dat de geschiedschrijver zegt dat er niets over was waaraan bezoekers konden zien dat de plaats ooit bewoond was geweest.
Wij verheugen ons soms in de uiterlijke voorspoed van de gemeente alsof die iets is dat zeker blijven zal. Maar alles wat uiterlijk is zal voorbijgaan of verwoest worden. Laten wij alleen dát voor wezenlijk houden wat van God komt en Gods werk is. De dingen die men ziet zijn tijdelijk.
Mattheüs 24:3.KruisverwijzingenMattheüs 21:1→Handelingen 1:7→Mattheüs 24:27→Mattheüs 24:43→Hebreeën 9:26→Mattheüs 15:12→Lukas 21:7→Mattheüs 28:20→
— En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?
“En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?”
De kleine stoet klom verder de Olijfberg op, tot Jezus een rustplaats bereikte vanwaar Hij de tempel kon zien. Daar zette Hij Zich neer, en de discipelen kwamen alleen tot Hem met hun vraag.
Dit zijn de vragen die in elke eeuw sinds de dagen van onze Zaligmaker gesteld zijn. Er staan er hier twee, misschien drie. De discipelen vroegen eerst naar de tijd van de verwoesting van de tempel, en daarna naar het teken van de komst van Christus en van de voleinding van de eeuw.
De antwoorden van Jezus bevatten veel dat verborgen was en dat pas ten volle verstaan kon worden toen gebeurde wat Hij voorzegd had. Hij zei Zijn discipelen sommige dingen die op de belegering van Jeruzalem sloegen, sommige die Zijn tweede komst betroffen, en sommige die onmiddellijk aan het einde van de wereld voorafgaan. Krijgen wij helderder licht, dan zullen wij misschien zien dat alle voorzeggingen van onze Zaligmaker bij deze gedenkwaardige gelegenheid met alle drie deze grote gebeurtenissen samenhingen.
Mattheüs 24:4-6.KruisverwijzingenMattheüs 24:24→1 Johannes 2:18→Mattheüs 24:11→Jeremia 29:8→Jeremia 14:14→Lukas 21:9→Markus 13:7→2 Thessalonicenzen 2:3→
— En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide. Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden. En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.
“En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide. Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden. En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.”
Jezus was altijd praktisch. Het belangrijkste voor Zijn discipelen was niet dat zij wisten wannéér deze dingen zouden zijn, maar dat zij bewaard werden voor de bijzondere kwaden van die tijd.
Zij moesten oppassen dat geen van de valse messiassen hen op een dwaalspoor bracht, zoals die velen zouden verleiden. Vóór de verwoesting van Jeruzalem traden er heel wat bedriegers naar voren die zich voor de gezalfde van God uitgaven. Bijna elke bladzijde van de geschiedenis is met hun namen bevlekt. En ook in onze eigen dagen hebben wij er gezien die in de Naam van Christus komen en zeggen dat zij de Christus zijn. Zulke mensen verleiden velen, maar wie op de waarschuwing van hun Heere letten laten zich niet door hen misleiden.
De woorden van onze Zaligmaker, dat zij horen zullen van oorlogen en geruchten van oorlogen, laten zich op vrijwel elke tijd van de wereldgeschiedenis toepassen. De aarde heeft zelden een lange tijd van rust gehad; er waren bijna altijd zowel oorlogen als geruchten van oorlogen. Er waren er vele voordat Jeruzalem omvergeworpen werd, en er zijn er vele geweest sindsdien. En er zullen er vele zijn tot die heerlijke tijd waarvan Jesaja spreekt: “het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren”.
Ziet toe, wordt niet verschrikt: dat is een woord op zijn tijd voor de discipelen van Christus in elke eeuw. Al deze dingen moeten geschieden — laten wij er dus niet verbaasd of ontsteld over zijn — maar nog is het einde niet. De verwoesting van Jeruzalem was het begin van het einde. Zij was het grote voorbeeld en de vooruitloop van alles wat gebeuren zal wanneer Christus in de laatste dag op de aarde staan zal. Het was een einde, maar niet hét einde: nog is het einde niet.
En zo is het ook gegaan. De legers van Rome waren kort hierna al op weg naar de ten ondergang gedoemde stad.
Mattheüs 24:7-8.Kruisverwijzingen2 Kronieken 15:6→Joël 2:30→Jesaja 19:2→Handelingen 11:28→1 Thessalonicenzen 5:3→1 Petrus 4:17→Lukas 21:11→Openbaring 6:8→
— Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentien, en aardbevingen in verscheidene plaatsen. Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten.
“Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentien, en aardbevingen in verscheidene plaatsen. Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten.”
Men zou denken dat er in hongersnoden, pestilentiën en aardbevingen op verscheidene plaatsen droefheid genoeg was. Maar onze Heere zei dat dit alles nog maar het begin van de smarten was. Het zijn de eerste weeën van de barensnood die aan Zijn komst voorafgaan moet, hetzij tot Jeruzalem, hetzij tot de hele wereld.
Zijn hongersnoden, pestilentiën en aardbevingen nog maar het begin van de smarten, wat mogen wij het einde dan wel niet verwachten? Deze profetie moet de discipelen van Christus waarschuwen voor wat zij te wachten hebben. En zij moet hen spenen van een wereld waarin al deze en nog groter smarten ondervonden zullen worden.
Mattheüs 24:9.KruisverwijzingenJohannes 15:19→Johannes 16:2→Openbaring 2:10→Lukas 21:16→Markus 13:9→1 Thessalonicenzen 2:14→Lukas 21:12→Openbaring 7:14→
— Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.
“Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.”
Onze Heere voorzegde niet alleen de algemene beproeving die over de Joden en over de wereld komen zou. Hij voorzegde ook de bijzondere vervolging die het deel van Zijn uitverkoren volgelingen zijn zou.
Het Nieuwe Testament geeft overvloedig bewijs dat deze woorden vervuld zijn. Al in de dagen van Paulus werd deze sekte overal tegengesproken. Is er sindsdien ook maar één land geweest dat niet met het bloed van de martelaren bevlekt is? Overal waar het evangelie van Christus gepredikt is, zijn er mensen opgestaan die de boodschappers van de barmhartigheid te lijf gingen en hen verdrukten en doodden waar zij konden.
Mattheüs 24:10.KruisverwijzingenMattheüs 11:6→Micha 7:5→Markus 4:17→Mattheüs 26:31→2 Timotheüs 4:16→Mattheüs 13:21→Mattheüs 10:35→Markus 13:12→
— En dan zullen er velen geergerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.
“En dan zullen er velen geergerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.”
Dit zou een bittere beproeving zijn voor de volgelingen van Christus, en toch hebben zij die altijd moeten doorstaan. De vervolging zou de verraders binnen de gemeente evengoed aan het licht brengen als de vijanden erbuiten. Midden onder de uitverkorenen zouden er navolgers van Judas gevonden worden, die bereid waren de discipelen te verraden zoals hij zijn Heere verried. Het droevigst van alles is het verraad van goede mensen door hun eigen verwanten, maar ook dat hebben velen van hen om Christus’ wil moeten dragen.
Mattheüs 24:11-12.KruisverwijzingenMattheüs 7:15→Mattheüs 24:24→Openbaring 2:4→Jakobus 4:1→Openbaring 3:15→Mattheüs 24:5→Markus 13:22→1 Timotheüs 4:1→
— En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden. En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden.
“En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden. En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden.”
Wat de vervolgers buiten en de verraders binnen de gemeente niet konden bereiken, zou door de leraars van de dwaling geprobeerd worden. Vele valse profeten zullen opstaan en zullen er velen verleiden.
Zij zijn in alle eeuwen opgestaan, en in deze nieuwere tijd zijn zij bij wolken opgekomen, tot de lucht dik van hen is als van een leger verslindende sprinkhanen. Dit zijn de mannen die nieuwe leringen uitvinden. Zij schijnen te menen dat de godsdienst van Jezus Christus iets is dat men in elke vorm en gedaante kan wringen die men verkiest.
Helaas dat zulke leraars ook nog volgelingen hebben! Het is dubbel droevig dat zij vélen op een dwaalspoor kunnen brengen. En toch, gebeurt het zo, laten wij dan bedenken dat de Koning gezegd heeft dat het zo gaan zou.
Is het een wonder dat, waar zulke ongerechtigheid vermenigvuldigd wordt, de liefde van velen verkoudt? Bedriegen de leraars het volk en geven zij hun een ander evangelie dat geen evangelie is, dan is het geen wonder dat het aan liefde en ijver ontbreekt. Het wonder is eerder dat er nog enige liefde en ijver over is. Zij zijn immers onderworpen geweest aan het koude en dodelijke werk dat de voorstanders van de hedendaagse afbrekende kritiek verrichten. Die naam draagt zij terecht, want zij breekt vrijwel alles af wat het bewaren waard is.
Mattheüs 24:13.KruisverwijzingenMattheüs 10:22→Markus 13:13→Romeinen 2:7→Mattheüs 24:6→Hebreeën 3:14→1 Korinthe 1:8→Hebreeën 3:6→Hebreeën 10:39→
— Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
“Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.”
Opnieuw herinnerde onze Zaligmaker Zijn discipelen aan de persoonlijke verantwoordelijkheid van ieder van hen in zo’n tijd van beproeving en toetsing als hun te wachten stond. Hij wilde dat zij bedachten dat niet wie aan de wedloop begint de prijs wegdraagt, maar wie tot het einddoel doorloopt.
Werd deze leer niet door een andere aangevuld, dan zou er in zulke woorden weinig blijde boodschap liggen voor arme, verzochte, beproefde en worstelende heiligen. Wie van ons zou in de hemelse loopbaan volharden als God ons niet voor struikelen bewaarde en ons geen volhardende genade gaf? Maar Zijn Naam zij geloofd. De rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en Hij Die in u een goed werk begonnen heeft zal het voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.
Mattheüs 24:14.KruisverwijzingenKolossenzen 1:6→Romeinen 10:18→Openbaring 14:6→Kolossenzen 1:23→Romeinen 16:25→Mattheüs 9:35→Ezechiël 7:10→Mattheüs 10:7→
— En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.
“En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.”
De wereld is voor de gemeente wat een steiger is voor een gebouw. Is de gemeente gebouwd, dan wordt de steiger afgebroken. De wereld moet blijven staan tot de laatste uitverkorene behouden is, en dan zal het einde komen.
Vóór de verwoesting van Jeruzalem was dit evangelie van het Koninkrijk waarschijnlijk in de hele wereld gepredikt, voor zover die toen bekend was. Maar er moet nog een vollediger verkondiging ervan komen, tot een getuigenis voor alle volken, vóór de grote voleinding van alle dingen. Dan zal het einde komen, en dan zal de Koning zitten op de troon van Zijn heerlijkheid en het eeuwige lot van heel het menselijk geslacht beslissen.
Mattheüs 24:15-18.KruisverwijzingenDaniël 9:27→Daniël 12:11→Markus 13:14→Lukas 21:20→Daniël 11:31→Openbaring 1:3→Daniël 9:25→Daniël 9:23→
— Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen; Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen; En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen.
“Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen; Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen; En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen.”
Dit deel van de woorden van onze Zaligmaker schijnt alleen op de verwoesting van Jeruzalem te slaan. De discipelen van Christus zagen “den gruwel der verwoesting” staan in de heilige plaats. Dat waren de Romeinse veldtekens met hun afgodische zinnebeelden. Zodra zij die zagen, wisten zij dat de tijd om te vluchten gekomen was, en zij vluchtten naar de bergen.
Misschien zegt iemand: maar er waren toch al eerder Romeinen. Ja, de Romeinen hadden het land in bezit, maar de adelaars en de andere afgodische zinnebeelden werden nooit in Jeruzalem getoond. De Romeinen waren dikwijls heel toegeeflijk tegenover de volken die zij onderworpen hadden, en die zinnebeelden werden buiten het gezicht gehouden tot de laatste oorlog kwam. Maar toen konden de Joden en de christenen overal de beelden van de keizer en van de Romeinse staat zien, die door de soldaten aanbeden werden. En toen moesten de gelovigen naar de bergen vluchten.
Het is opmerkelijk dat er bij de belegering van Jeruzalem geen enkele christen is omgekomen. De volgelingen van Christus vluchtten naar de bergstad Pella in Perea, waar zij bewaard bleven voor de algemene verwoesting die over de ongelovige Joden kwam.
De christenen in Jeruzalem en in de omliggende steden en dorpen in Judea grepen de eerste gelegenheid aan om aan de Romeinse legers te ontkomen. Er was geen tijd te verliezen vóór de stad definitief ingesloten werd. Wie op het dak was kon niet afkomen om iets uit zijn huis te halen, en wie op de akker was kon niet terugkeren om zijn klederen te halen. Zij moesten met de grootste haast naar de bergen vluchten op het ogenblik dat zij Jeruzalem van legers omsingeld zagen.
Mattheüs 24:19-21.KruisverwijzingenDaniël 12:1→Joël 2:2→Zacharia 14:2→Lukas 21:24→Deuteronomium 28:53→Maleachi 4:1→Mattheüs 24:29→2 Samuël 4:4→
— Maar wee de bevruchten, en den zogenden vrouwen in die dagen! Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat. Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.
“Maar wee de bevruchten, en den zogenden vrouwen in die dagen! Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat. Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.”
Het moet een bijzonder zware tijd geweest zijn voor de vrouwen die van huis moesten vluchten juist wanneer zij rust en stilte nodig hadden. Wat was onze meelijdende Zaligmaker bedachtzaam en teder, dat Hij zo met lijdende moeders in hun uur van nood meevoelde!
Een vlucht in de winter of op de sabbat zou met bijzondere moeilijkheden gepaard gaan, en daarom werden de discipelen aangespoord te bídden dat een andere tijd beschikbaar zou zijn. De HEERE wist precies wanneer zij zouden kunnen ontkomen, en toch beval Hij hun te bidden dat hun vlucht niet in de winter en niet op de sabbat zou zijn.
De wijzen van deze tijd zouden gezegd hebben dat bidden onder zulke omstandigheden geen zin heeft. Zo niet de grote Leraar en het Voorbeeld van Zijn biddend volk: Hij leerde dat juist zo’n tijd de tijd voor bijzondere smeking is.
De reden voor dit bevel gaf de Zaligmaker er Zelf bij: “alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal”. Lees het verslag dat Josephus van de verwoesting van Jeruzalem geschreven heeft. Dan ziet u hoe letterlijk de woorden van onze Heere vervuld zijn.
Wij zouden dit alles ook zonder enige bevestiging uit de wereldse geschiedenis geloofd hebben. Maar het is heel opmerkelijk dat God de Jood Josephus verwekte en het hem ingaf een bericht van de belegering te schrijven. Dat verslag doet het bloed stollen van ieder die het leest, en het komt precies uit met de uitspraak van de Meester.
De Joden hebben over de dood van Christus goddeloos gezegd: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen. Nooit heeft enig ander volk zo’n ontzettende vloek over zichzelf ingeroepen, en over geen enkel ander volk is ooit zo’n oordeel gekomen. Wij lezen van Joden die gekruisigd werden tot er geen hout meer was om kruisen van te maken. Wij lezen van duizenden die elkaar in hun felle partijstrijd binnen de stad doodden. Wij lezen van zovelen die als slaaf verkocht werden dat zij op de markt onverkoopbaar en bijna waardeloos werden. En wij lezen van de vreselijke slachting toen de Romeinen ten slotte de gedoemde hoofdstad binnentrokken. Dat bloedstollende verhaal komt precies uit met de uitspraak van de Zaligmaker, bijna veertig jaar voor de verschrikkelijke gebeurtenissen gedaan.
Mattheüs 24:22.KruisverwijzingenMarkus 13:20→Jesaja 65:8→Mattheüs 24:24→Mattheüs 24:31→2 Timotheüs 2:10→Romeinen 11:25→Mattheüs 22:14→Zacharia 13:8→
— En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.
“En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.”
Dit waren de woorden van de Koning zowel als van de Profeet, en als zodanig waren zij zowel echt als gezaghebbend. Jezus sprak over wat gebeuren zou, niet alleen als de Ziener Die in de toekomst blikken kan, maar als de Soeverein Die alle gebeurtenissen beschikt.
Hij wist welke vurige beproeving het ongelovige volk wachtte, en dat er geen vlees behouden zou worden als die dagen niet verkort werden. De Koning had de macht die kwade dagen te verkorten, en Hij gaf Zijn reden om die macht te gebruiken: “om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden”.
Zij die door hun eigen landgenoten gehaat en vervolgd waren, werden zo het middel om hen voor volslagen ondergang te bewaren. Zo is het sindsdien dikwijls gegaan: om Zijn uitverkorenen heeft de HEERE menig oordeel ingehouden en andere verkort. De goddelozen hebben aan de godvrezenden meer te danken dan zij weten of willen erkennen.
Mattheüs 24:23-26.Kruisverwijzingen2 Thessalonicenzen 2:9→Mattheüs 24:11→Openbaring 13:13→Openbaring 19:20→Lukas 21:8→2 Petrus 3:17→Markus 13:22→Mattheüs 7:15→
— Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Ziet, Ik heb het u voorzegd! Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet.
“Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Ziet, Ik heb het u voorzegd! Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet.”
Het is een groot goed zo’n geloof in Christus te hebben dat u er niets van over hebt voor bedriegers. Het is belangrijk uw geloof niet te wijd uit te delen. Wie een beetje van alles gelooft, zal ten slotte niets van iets geloven. Oefent u vol geloof op wat zeker en vast is, dan zullen valse christussen en valse profeten u niet tot hun slachtoffer kunnen maken.
In één opzicht hebben de hedendaagse leraars van de dwaling meer succes dan hun Judese voorgangers. Zij verleiden werkelijk ook de uitverkorenen, hoewel zij geen grote tekenen en wonderen kunnen doen. Een van de droevigste tekenen van deze tijd is het gemak waarmee zelfs de uitverkorenen misleid worden. De gladde tongen van de valse christussen en valse profeten zijn onder ons in menigte.
Toch heeft onze Zaligmaker Zijn volgelingen er uitdrukkelijk voor gewaarschuwd: ziet, Ik heb het u voorzegd. Gewaarschuwd is gewapend. Laat het bij ons zo zijn. Het veelzeggende bevel van onze Zaligmaker mag op heel dat stelsel van het moderne denken toegepast worden dat tegen het ingegeven Woord van God indruist: gelooft het niet.
Mattheüs 24:27.KruisverwijzingenMaleachi 4:5→Mattheüs 24:37→Job 37:3→Lukas 17:24→Mattheüs 24:39→Maleachi 3:2→Jakobus 5:8→Zacharia 9:14→
— Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen.
“Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen.”
Wanneer Híj komt, zullen wij weten Wie Hij is en waarom Hij gekomen is. Dan zal er over de toekomst van de Zoon des mensen geen verborgenheid en geen geheim meer zijn. Dan hoeven er geen vragen meer gesteld te worden; niemand zal zich in Zijn verschijning vergissen wanneer die werkelijk plaatsvindt. Alle oog zal Hem zien.
De komst van Christus zal plotseling zijn, opschrikkend, voor allen zichtbaar en voor de goddelozen verschrikkelijk: gelijk de bliksem uitgaat van het oosten en schijnt tot het westen. Zijn eerste komst ten oordeel bij de verwoesting van Jeruzalem had verschrikkingen die tot dan toe op aarde nooit ondervonden waren; Zijn laatste komst zal nog vreselijker zijn.
Mattheüs 24:28.KruisverwijzingenLukas 17:37→Job 39:27→Deuteronomium 28:49→Jeremia 16:16→Amos 9:1→
— Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.
“Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.”
Het Jodendom was een dood lichaam geworden, dood en bedorven, een geschikte prooi voor de gieren van Rome. Er zal na verloop van tijd nog een andere dag komen. Dan zal er een dode kerk in een dode wereld zijn. En dan zullen de arenden van Gods oordeel vergaderd worden om hen te verscheuren die door niemand verlost kunnen worden.
De roofvogels verzamelen zich overal waar dode lichamen te vinden zijn. En zo worden de oordelen van Christus uitgestort wanneer het staatkundige of godsdienstige lichaam onverdraaglijk bedorven raakt.
Mattheüs 24:42.KruisverwijzingenMattheüs 25:13→Lukas 21:36→1 Korinthe 16:13→1 Thessalonicenzen 5:6→Openbaring 16:15→Mattheüs 24:36→Mattheüs 26:38→1 Petrus 5:8→
— Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.
“Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.”
Dát Hij komen zal, staat vast. Dat Zijn komst op elk ogenblik kan zijn, staat even vast. En daarom behoren wij altijd gereed te zijn voor Zijn verschijning. De HEERE make ons zo!
Mattheüs 24:43-44.KruisverwijzingenMattheüs 25:10→Lukas 12:39→Mattheüs 25:13→Openbaring 19:7→Filippenzen 4:5→Mattheüs 24:42→Jakobus 5:9→Lukas 12:40→
— Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.
“Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.”
U kunt zich misschien voorstellen hoe gespannen de heer des huizes waakt wanneer hij dieven verwacht. Elk klein geluid maakt hem ongerust. Hij denkt dat hij iemand aan de deur hoort, en dan verbeeldt hij zich dat er iemand bij het raam is. Maar hij is op zijn hoede, met oog en oor en heel zijn wezen klaarwakker.
Zo behoren ook wij te zijn ten aanzien van de komst van de Heere: zo waakzaam alsof wij wisten dat Christus vannacht komen zal. Wij weten niet dat Hij zo spoedig komen zal, en toch kan het zo zijn: “in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen”.
Mattheüs 24:45-46.KruisverwijzingenMattheüs 25:21→Mattheüs 25:23→2 Timotheüs 2:2→Hebreeën 3:5→Openbaring 16:15→Mattheüs 25:35→1 Korinthe 4:1→Openbaring 2:13→
— Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd? Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer, komende, zal vinden alzo doende.
“Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd? Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer, komende, zal vinden alzo doende.”
Zo’n dienstknecht doet wat de Meester hem opgedragen heeft. Is hij een voorganger, dan predikt hij de waarheid met heel zijn hart. Is hij een onderwijzer, dan doet hij zijn best de jonge gemoederen met gezonde leer te voeden.
Wat zijn roeping ook is, hij tracht die tot voldoening van de grote Werkmeester te vervullen. Hij werkt alsof Die plotseling het werk kon binnenvallen om het ter plekke te bezien en Zijn knecht eraan te beoordelen. Dát is de manier om te leven.
Mattheüs 24:47.KruisverwijzingenMattheüs 25:23→Mattheüs 25:21→Openbaring 3:21→Lukas 19:17→1 Petrus 5:4→Daniël 12:3→Lukas 12:37→2 Timotheüs 2:12→
— Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.
“Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.”
Er zijn beloningen voor trouwe dienst — niet uit schuld maar uit genade, niet naar de wet maar naar de huisorde van het huis van God. Och, dat wij zulke trouwe dienstknechten mogen zijn dat onze Heere ons over al Zijn goederen zet!
Mattheüs 24:48-51.KruisverwijzingenMattheüs 8:12→2 Petrus 3:3→Johannes 13:2→Markus 7:21→Jesaja 32:6→Mattheüs 18:32→2 Petrus 2:13→Mattheüs 25:26→
— Maar zo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards; Zo zal de heer van dezen dienstknecht komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet; En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
“Maar zo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards; Zo zal de heer van dezen dienstknecht komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet; En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.”
Het gaat hier over een dienstknecht, ziet u. Dit is dus geen waarschuwing aan de wereld daarbuiten, maar aan u die binnen de naamchristelijke kerk staat en die belijdt knechten van God te zijn. En het is in het bijzonder een waarschuwing aan ons die dienaars van het evangelie zijn.
Och, dat wij nooit onze mededienstknechten gaan slaan! Met de vuist zullen wij het natuurlijk niet doen, maar met de tong kan het heel goed. En mogen wij nooit gerekend worden bij hen die voor de genoegens van het vlees leven. Gebeurt dat toch, ziet dan wat er van ons komen moet.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
X. Vs. 1 KruisverwijzingenMarkus 13:1→Mattheüs 23:39→Lukas 21:5→Jeremia 6:8→Ezechiël 8:6→Johannes 2:20→Mattheüs 21:23→Hosea 9:12→
— En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen.
– Hoofdstuk 25:46. Nu scheidt de Heere van de tempel, waar Hij de vreselijk bedreigende woorden, die toch nog tot hoop ruimte geven en die in het vorige hoofdstuK vermeld staan, Israël als een erfenis overgegeven heeft. Het is reeds avond, als Hij Jeruzalem verlaat, om de gewone weg over de Olijfberg naar Bethanië te reizen. Terwijl de discipelen Hem hij het heengaan uit de tempel reeds op zijn pracht en heerlijkheid hebben gewezen en uit Zijn mond de bevestiging ontvangen hebben van hetgeen Hij reeds vroeger gezegd had, dat van deze tempel geen steen op de andere gelaten zal worden, kwamen er vier van hen tot Hem. Hij had Zich op de Olijfberg neergezet, alsof het Hem niet mogelijk was, die berg over te gaan, zonder eerst nog een peinzende blik over de stad te werpen. Daar vragen zij Hem om nog een langere profetische rede over de verwoesting van Jeruzalem en de tekenen van Zijn toekomst (vgl. Mark. 13: 1-37. Luk. 21: 5-38).
a. Vers 1-28KruisverwijzingenJohannes 15:19→Johannes 16:2→Openbaring 2:10→Lukas 21:16→Mattheüs 24:24→Markus 13:9→Lukas 19:44→1 Johannes 2:18→
— En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen. En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld? En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide. Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden. En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet. Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentien, en aardbevingen in verscheidene plaatsen. Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten. Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil. En dan zullen er velen geergerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.
De vraag, die de discipelen tot Jezus richten, is drievoudig: (wanneer zal datgene gebeuren, waarvan U zo even gesproken heeft, namelijk de verwoesting van de tempel en het gericht over Jeruzalem? 2) wat zal het teken zijn van Uw toekomst? 3) en wat dat van het einde van de wereld? Het antwoord van de Heere volgt nu ook drievoudig. Hij spreekt in het eerste gedeelte, dat hier volgt, eerst van de verwoesting van Jeruzalem en wel om een antwoord te geven op de vraag: “wanneer”, van de tijd, die de verwoesting voorafgaat. Maar toch spreekt Hij zó, dat in dit gericht, dat zelf reeds een toekomst van de Mensenzoon en een teken is, dat daarop wijst, de beide volgende catastrofen, die Hij nog in de gedachte heeft, de meer verwijderde zowel als de meer nabij zijnde, reed, voorlopig te zien zijn.
En Jezus ging dadelijk na het voorval, in Joh. 12: 20-36 bericht, uit en vertrok van de tempel, om die niet weer te betreden (Hoofdstuk 23: 39); en Zijn discipelen kwamen bij Hem, nog voordat Hij de buitenste voorhof had verlaten, om Hem de gebouwen van detempel te tonen. Een onder hen zei: Meester, zie, wat een stenen en wat een gebouwen (Mark. 13: 1) en met wat een begiftigingen versierd! (Luk. 21: 5).
En Jezus, die hun bedoeling wel verstond, zei tot hen: Ziet u niet al deze dingen! Is die pracht, die uw verwondering verwekt, zo groot, dat u zich in Mijn woord (Hoofdstuk 23: 38) niet weet te vinden?Voorwaar zeg Ik: a) hier aan dit gehele gebouw, zal niet een steen op de anderen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden, uit zijn voegen gerukt en weggeslingerd zal worden.
1 Kon. 9: 7, 8. Micha. 3: 12. Luk. 19: 44.
Het is aan geen twijfel onderhevig, of de ernstige voorspelling: “Zie uw huis wordt u woest gelaten”, lag nog in hun gemoed. Zij wensten nadere verklaring vooral daarover, of dan ook het heerlijke tempelgebouw (Slotwoord op 1 Makk. Nr. 11. d. ) in die voorspelde verwoesting ook was opgesloten. Het scheen hun onmogelijk, dat zo’n gebouw door God aan de verwoesting kon worden overgegeven. Omdat zij echter vreesden, het tedere en voor hen heilige voorwerp door een open vraag aan te roeren, proberen zij, door bewonderend te wijzen op de pracht en vastheid van het tempelgebouw, de Heere daartoe te brengen, dat Hij Zich over dat punt uitspreekt.
Zien wij de heerlijkheid van de vaste en sierlijke bouw in steden en kerken, laat ons dan aan het woord van Christus gedenken, dat vervuld is, tot een preservatief (behoedmiddel) tegen elk vals bewonderen en aanhangen, omwille van aardse macht en heerlijkheid (Openbaring . 18). Laat ons de gehele wereld beschouwen in het licht van dit ook haar (2 Petrus . 3: 10 v. ) vooraf gezegde: “niet één steen op de andere!”
En toen Hij, na uit de stad en over de Kedron gegaan te zijn, op de Olijfberg gezeten was recht tegenover de tempel, gingen de discipelen tot Hem alleen. Om het rondom staande volk hadden zij niet verder dat onderwerp willen behandelen, nu de Heere alleen was namen voornamelijk Petrus, Jakobus I, Johannes en Andreas het onderwerp van het gesprek weer op en zeiden: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen, die U gezegd heeft: er zal niet een steen op de andere gelaten worden zijn? En wat zal het aankomend teken zijn zowel van deze verwoesting van de tempel, als van uw toekomst, die daarmee toch in onmiddellijk verband staat? Wanneer zal Uw rijk in heerlijkheid worden opgericht? En wat zal het teken zijn van de voleinding van de wereld, van de opheffing van de tegenwoordige wereldorde.
Er zijn volgens de woorden drie vragen, maar volgens hun bedoeling slechts een; want de discipelen hebben de verwoesting van Jeruzalem, de terugkomst van Christus en het einde van de wereld niet als drie afzonderlijke feiten onderscheiden, zoals wij het wel kunnen doen. Hen komen deze drie dingen in de gedachte, als de drie hoofdgebeurtenissen van het een grote drama van het gericht, aan het einde van alle dingen. Want zo zag het er volgens het Oude Testament uit: door vele profetieën, in het bijzonder de merkwaardige in Zach. 14 , kondigden de profeten van het Oude Testament het gericht over Jeruzalem aan, waarmee echter de heerlijke en krachtige openbaring van de Heere tot redding van Zijn gelovigen en tot het laatste oordeel over de vijandige wereld verbonden zou zijn. Zo stelden de discipelen het zich voor en in deze zin vroegen zij: “Wanneer zullen deze dingen zijn?” namelijk het door U verkondigde gericht over Jeruzalem, de door de profeten voorzegde grote verdrukking over het uitverkoren volk “En wat is het teken van Uw toekomst”, waaraan men kan zien, wanneer Gij komt?” Want aan die grote verdrukking zal zich toch dadelijk de dag van de Heere, zoals die genoemd wordt volgens het Oude Testament, d. i. volgens het Nieuwe Testament de openbaring van Christus, aansluiten. Met hare komt ook het einde van de gehele tegenwoordige loop van de geschiedenis, “het einde van de wereld”, verenigd met de openbaring van de macht van de Heere, die op de tijd van de genade zal volgen. In deze zin antwoordt de Heere nu ook; Hij scheidt de verschillende stukken nu niet naar het uiterlijke, zodat Hij eerst van het een en dan van het andere spreekt, maar Hij neemt ze steeds tezamen, zodat Hij altijd van het geheel spreekt, zonder de bijzondere gebeurtenissen zo uit elkaar te houden, als een geschiedschrijver het zou doen. Want dat is de aard van de bijbelse profetie, zoals de Heere die ook in acht neemt; altijd het ene en gehele einde te voorzeggen en al het andere en voorbijgaande slechts in zoverre in de profetie op te nemen, als het daarmee in verband staat en als een gedeelte daarvan voorkomt. Moge het volgens de tijd nog zeer ver daarvan gescheiden zijn, zoals het zakelijk tezamen behoort, daar komt het op aan. Deze aard van de bijbelse profetie heeft een goede praktische grond; want zij moet geen waarzegging zijn, die de nieuwsgierigheid, of ook wel de weetgierigheid van de mensen wil bevredigen; zij moet de kinderen van God dienen, om deze te beveiligen tegen de gevaren, die hen van de vijanden van God en van Zijn gelovigen, van buiten en van binnen bedreigen. Daarom heeft zij niet te doen met bijzondere gebeurtenissen van de geschiedenis, maar met het einde daarvan, dat even vol van dreigende ernst, evenals van versterkende troost is.
Wat in deze profetie van Christus op het gericht over Jeruzalem en wat op het einde betrekking heeft, vloeit alles door elkaar: het eerste is de voorgrond. het laatste de achtergrond, dat het eigenlijke onderwerp van de gehele profetie vormt. In het voorbeeld van het einde, dat Jeruzalem zal hebben, ziet de Heere het einde van de wereld zodanig, dat de trekken van hetgeen aan het einde gebeuren zal in het lot van de stad openbaar worden en op elk punt daardoor heen schemeren.
De discipelen hebben in onbepaalde samenhang een teken verlangd: de Heere geeft hun ten eerste velerlei voortekenen, totdat in vs. 30 een laatste teken voor de zichtbare komst van de Zoon des mensen (overeenkomende met de voorlopige nog niet persoonlijke toekomst van het gericht komt. In vs. 4-15 hebben wij dus de voortekenen van de naderende verwoesting van Jeruzalem, maar met zulke sterk gekozen kleuren, dat deze eerste periode meteen slechts als een type van de latere voorkomt. Voortgaande van het meer algemene tot het meer bijzondere, zien wij die voortekenen, die, evenals het einde van de wereld, juist daarom ook het einde van het Joodse volk zullen en moeten voorafgaan, namelijk in het vervallen, woeste en verwarde Israël zijn valse Christussen of verlossers; in Israël en in de heidenwereld rondgaande gevaren van oorlog, met rampen in de natuur, die daarmee gepaard gaan; dan zelfs in de eigenlijke gemeente van God, die daar als de reddende kern staat, ergernis aan de vervolging en afvalligheid en eveneens valse profeten; desniettegenstaande bij dit alles de voortdurende prediking van het Evangelie in de gehele wereld; en dan het meer onmiddellijke, eerste teken van het toekomende einde volgens Daniël.
En Jezus, in plaats van op hun vraag wanneer bescheid te geven, antwoordende met de vermaning om over zichzelf te waken, opdat zij gered mochten worden, wanneer die tijd werkelijk kwam, zei tot hen: a)Zie toe, blijf na Mijn heengaan steeds op uw hoede, dat u niemand door valse leer en profetie verleidt.
Jes. 29: 8. Efeziers . 5: 6. Kol. 2: 18. 2 Thess. 2: 3. 1 Joh. 4: 1.
a)Want velen zullen, vooral in de laatste tijd, die aan Mijn toekomst en aan het einde van de wereld voorafgaat, gedeeltelijk ook reeds in die, die het gericht over Jeruzalem voorgaat, komen onder Mijn Naam (eigenlijk: op Mijn naam, zodat hun optreden op Mijn naam, op de Messias naam, die zij zichzelf geven, berust (Hoofdstuk 18: 5) en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden, zodat die hun voorgeven geloof schenken en zich aan hun kant plaatsen.
Jer. 14: 14; 23: 25.
De natuurlijke en eerste straf van Israël voor de verwerping van de ware Messias was dat God hen overgaf aan leugenachtige redders en bevrijders, zoals reeds vroeger in Joh. 5: 43 gezegd was; in iedere tijd van het verderf en van de verdrukking herhaalt zich het teken van leugenachtige vertroostingen en beloften, waarom ook reeds in de tijd van de Babylonische ballingschap de valse profeten zich vermenigvuldigden.
In de geschiedenis is het optreden van valse messiassen vóór de verwoesting van Jeruzalem niet aan te wijzen; want Simon de Magiër, Theudas, de Egyptenaar (Hand. 8: 9; 5: 36; 21: 38) en andere dwepers speelden slechts de rol van profeten, die de Messias voorafgingen.
Sinds de tijden van Christus telt men daarentegen meer dan 50 messiassen onder de Joden.
Intussen zijn toch allen naar hun bestaan valse messiassen, die de plaats, die Jezus in het rijk van God toekomt, wilden innemen; dus ook de dwepers, die vóór de verwoesting van Jeruzalem als volksleiders optraden.
Evenals de volgende profetie ver boven het tijdpunt van de verwoesting van Jeruzalem reikt, die toen zo nabij was, zo ook het gewicht en de toepasselijkheid van de aan haar voorafgaande waarschuwing.
De Heere begint met Zijn eigen terugkomst en scheidt deze af van de verwoesting van Jeruzalem. Hij waarschuwt Zijn discipelen, om zich niet door een vals gerucht van Zijn komst te laten verleiden. De geschiedenis heeft geleerd, hoe nodig deze waarschuwing was. Immers aan een valse messias heeft het Israël niet ontbroken. Bar-Cochba wierp zich op als de messias van de ongelovige Joden, die omwille van hem de laatste dodelijke slag van de Romeinen ontvingen. De ware Messias verlost Zijn volk van hun ongerechtigheden en maakt hen zalig van hun zonden, maar verlost Zijn vijanden (het ongelovig Israël) niet van het juk van de Romeinen.
En u zult, om na deze voorlopige waarschuwing nu tot uw vraag naar het voorteken over te gaan, horen van oorlogen in de onmiddellijke nabijheid, zodat u zelf het geraas en de drukte daarvan verneemt en van geruchten van oorlogen, dienog in de verte worden gevoerd. Zie toe, wordt niet verschrikt, zoals u ten opzichte van de valse messiassen op uw hoede moet zijn, om niet verleid te worden. Weest hiervoor niet bevreesd, maar behoudt uw tegenwoordigheid van geest; want al die dingen moeten gebeuren voordat kan volgen wat ten zegen worden zal. Maar nog is het einde niet; er komen nog andere moeilijkheden en om deze te doorstaan is nodig, dat u kalm bent en in juiste erkentenis van het goddelijk raadsbesluit gemoedigd wacht.
Want die uitbarstingen van de oorlog zullen steeds heviger worden; het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, om met geweld de bestaande orde omver te werpen en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk (Jes. 19: 2). De ontzettende bewegingen onder de volken zullen door dergelijke in de natuur worden vergezeld en er zullen zijn hongersnoden en pestilentiën en aardbevingen in verscheidene plaatsen, omdat de ene plaats na de andere bezocht wordt.
Maar al die dingen zijn maar een beginsel van de smarten. Al die genoemde dingen zullen wel grote plagen zijn, maar de grootste nood, waaruit ten slotte de zegen voortspruit, zal daarna komen.
Dit is een met profetische kleuren geschilderde voorstelling van de zich meer en meer verheffende oorlogen, die de lange gisting vóór het laatste drama van de Joodse oorlog van de verwoesting van Jeruzalem voorafgingen. Zo is de profetie in het algemeen ten volle bewaarheid in de geschiedenis, die ons bijzonder uit Josefus bekend is; maar voor de bijzondere trekken van deze profetische en voorstelling zijn naar de aard van de ware profetie geen woordelijk overeenkomende vervullingen van de geschiedenis in concreto te veronderstellen, noch aan te wijzen.
Oorlog in de nabijheid, onrust verwekkend, schrikkelijke geruchten van oorlog, onrust en opstand van volken tegen elkaar: dat is in het klein reeds de schildering van de tijd, die met elk jaar steeds meer en meer toeneemt, die de Joodse geschiedschrijver ons beschrijft; zelfs aan verschrikkingen en tekenen van de hemel ontbreekt het niet (Luk. 21: 11) vóór de verwoesting van Jeruzalem; het bericht van Josefus over dergelijke dingen (b. Jud VI, 5, 3 : een komeet die een jaar lang over de stad zweefde; een licht in de nacht rondom altaar en tempel, een offerkoe, die dan een jong werpt, beide in de tijd van het Paasfeest; opening van een vaste poort van de tempels vanzelf; wagens en krijgslegers in de wolken; de nachtelijke stem in de tempel, als van een grote menigte: “laat ons van hier gaan!” tegen pinksteren; ten slotte het wee over Jeruzalem van een landman, 4 jaar vóór het uitbreken van de oorlog aangevangen en vervolgens meer dan 7 jaren volgehouden – vgl. Tac. hist, V, 13) verkrijgt door het woord van Christus een geloofwaardigheid, die niet te verachten is. Maar dat zijn allen slechts voortekenen, zegt de Heere, dat alles is het einde nog niet, het laatste en eigenlijke, omdat toch het einde van Jeruzalem zelfs slechts een voorteken van het einde van de wereld is, dat alles zal nog eens in de laatste tijd geheel anders komen. Men vergelijke ook de bijzonder merkwaardige profetie van Asarja, de zoon van Oded, aan koning Asa, in 2 Kron. 15: 5-7 die blijkbaar van een ver verwijderde toekomst spreekt.
Niet als voorteken van de terugkomst van de Heere moet het aangezien worden, wanneer men van oorlogen en geruchten van oorlogen zal horen; zulke strafgerichten van God hebben van de vroegste tijden af de volken getuchtigd, zonder dat daarmee ook het einde gekomen is. Maar wanneer eens de gesel van de oorlog niet meer alleen enige landen, maar de gehele wereld doortrekt; wanneer een algemene onveiligheid, een ontbinding van het algemene systeem van de staat begint en wanneer zich met zo’n verwoesting de drie andere tuchtroeden van God: pestilentie, hongersnood en aardbeving verbinden, dan is dat ontwijfelbaar een voorteken. Het is het begin van die barensweën, waaruit een nieuwe wereldorde tevoorschijn treedt. Toen eens in het eerste nachtgezicht, dat Zacharia (1: 11) zag, de Heere Zijn engelen uitzond, om de tegenwoordige stand van zaken op aarde te onderzoeken, brachten zij de boodschap terug: “wij zijn door het land getrokken en zie, alle landen zitten stil!” Maar eens wil God, zoals Hij door de mond van Haggai (2: 22 vv. ) verkondigt, hemel en aarde bewegen; Hij zal de stoelen van de koninkrijken omkeren en de machtige koninkrijken van de heidenen verdelgen, zal beide, wagen en ruiter omkeren, dat paard en man zullen vallen, een ieder door het zwaard van de andere. Dan zal het bewegelijke veranderd worden, opdat het onbeweeglijke blijft en de gemeente van Christus haar onbeweeglijk koninkrijk ontvangt (Hebr. 12: 27). Deze verschrikkelijke verwoestingen, die het wezen van de wereld beginnen te ontbinden, zijn een laatste krachtige roepstem tot haar, of zij zich nog mocht bekeren, voordat grote en verschrikkelijke dag van de Heere komt; maar zij wil zich niet bekeren en betuigt daarmee, dat zij terzelfder tijd, waar zij zichzelf in bloedige oorlogen ontvleest, haar hand keert tegen de gemeente van Jezus.
a) Dan, wanneer vervuld wordt wat Ik heb gezegd en gedeeltelijk nog vroeger (Luk. 21: 12) zullen zij doen wat Ik u in Hoofdst. 10: 17 vv. reeds heb aangekondigd; zij zullen u overleveren in drukking en zullen u doden (Hand. 12: 1 vv. ; 21: 27 vv. ) en u zult, evenals uw Meester overkomen is, die men de heidenen heeft overgeleverd, om Hem te bespotten, te geselen en te kruisigen (Hoofdstuk 20: 19), gehaat worden door alle volken, die vertegenwoordigd zullen zijn in de macht van de Romeinen, omwille van Mijn naam, zodat ook plaats heeft, wat in Hoofdstuk 10: 22 is aangekondigd.
Joh. 15: 20. Openbaring . 2: 10.
En dan, wanneer over de Christenen in Jeruzalem en Judea de haat en de vervolging van de ongelovig gebleven Joden losbarst (Hebr. 10: 32 vv. 12: 4; 13: 7), zullen er velen geërgerd worden, zich door verloochening aan het gevaar proberen te onttrekken (Hebr. 10: 25) en zullen om zelfs de blikken van de vervolgers van zich af en op anderen te richten, elkaar overleveren, zelf in de vervolging ook behulpzaam zijn en elkaar haten (MATTHEUS. 10: 35 vv. ), wat vooral in de tijd van de Antichrist veel zal voorkomen (Openbaring . 13: 3 vv. ).
a) En vele valse profeten zullen reeds bij het naderen van de Joodse catastrofe (Hebr. 13: 9), maar in het bijzonder in de tijd van de Antichrist (Openbaring . 13: 11 vv. 2 Thessalonicenzen. 2: 9 vv. ), in de gemeente opstaan en zullen door hun vreemde of zelfs duivelse leer velen verleiden.
2 Petrus . 2: 1.
En a) omdat de ongerechtigheid in dat tucht- en wetteloos wezen van de tijdgeest vermenigvuldigd zal worden, zal de liefde, die men vroeger zijn Heer en Heiland betoond heeft (Hebr. 6: 10), van velen verkouden (Hebr. 10: 24; 13: 16) en ook in de gemeente zal een zekere tucht- en wetteloosheid indringen (Hebr. 12: 16; 13: 4 vv. en 17).
2 Tim. 3: 1 vv.
a) Maar wie volharden zal, wie in geloof tegenover de valse leer en in liefde tegenover de bandeloosheid vast blijft staan Hebr. 3: 14; 10: 22 vv. Openbaring . 13: 10; 14: 12), wie dat doet tot het einde, wanneer de tijd van de verademing begint (Hand. 3: 20), die zal zalig (woordelijk: gered) worden (Hoofdstuk Openbaring . 7: 9 vv. ).
MATTHEUS. 10: 22. Mark. 13: 13. Luk. 21: 19. Openbaring . 2: 7, 10; 3: 10.
De in altijd toenemende mate zich verpestende geestelijke atmosfeer, waardoor de gemeente rondom omgeven is, het toenemen van wetteloosheid, van het ontuchtige, ongebonden bestaan, zal ook op haar een verlammende, betoverende invloed uitoefenen. Daarom heeft men nodig de gave van de genade, van de standvastigheid van het wachten tot aan het einde.
Dit “einde” ziet wel reeds op het laatste einde, dat in vs 14 nog beslister uitgedrukt wordt, maar bedoelt ten eerste het einde van de grote verdrukking van Jeruzalem (vs. 21 vv. ), voor de tot hiertoe overgeblevenen; bij de verwoesting van de stad kwam, voor zover wij weten, geen Christen om.
En dit Evangelie van het koninkrijk, waarvan deze profetie een gedeelte is, zal, evenals reeds gedurende de tijd tussen Mijn hemelvaart en Mijn onzichtbare komst ten gerichte, nog in veel wijdere omvang tot aan Mijn terugkomst voor het laatste oordeel, in de gehele wereld (Hoofdstuk 26: 13; 28: 19) gepredikt worden tot een getuigenis aan alle volken. Allen zullen het hebben gehoord voordat de beslissing plaats heeft (Ezechiël. 2: 5); en dan, of zij het hebben aangenomen of niet, zullen alle voorwaarden vervuld zijn en zal het einde van de wereld (vs. 3) komen, evenals heteinde van Jeruzalem ook te zijner tijd komen zal, wanneer deze voorwaarde in de daarmee overeenkomende mate is verwezenlijkt (Rom. 10: 18).
Reeds in de apostolische tijd, zelfs voordat het einde over Jeruzalem kwam, hebben alle heidenen in het toenmalige wereldrijk de getuigenis van het Evangelie vernomen; zo hebben de apostelen het zelf gezien, dat door de prediking voor de keizer alle heidenen hoorden (2 Tim. 4: 17) en het Evangelie in de gehele wereld, tot alle schepselen onder de hemel gekomen is (Kol. 1: 6, 23). Toch toont ons het voorbeeld in het klein, hoe ook voor de laatste toekomst niet de algemene bekering van alle volken, maar slechts een prediking tot getuigenis, zodat overal de boodschap vernomen wordt, te wachten is; ja, deze uitdrukking staat zelfs gewoonlijk daar, waar de getuigenis niet aangenomen wordt. Wanneer de twee met elkaar verenigde voortekenen in hun wonderbaar tegensprekende overeenkomst voorhanden zijn -verval van de Christenheid en uitbreiding van de zending – dan komt het einde.
EVANGELIE OP DE 25e ZONDAG NA TRINITATIS
De zalige hoop op de opstanding (vgl. de inleiding tot het Evangelie op de 24e Zondag na Trinitatis (Hoofdstuk 9: 18 vv. ) wordt vervuld, wanneer de Heere terugkomt; van Zijn terugkomst en van de tekenen, die deze terugkomst voorafgaan, handelt het Evangelie van deze zondag. Een Christen moet op alle tekenen van de tijden acht geven en zich elken dag door de Heilige Geest laten voorbereiden en bekwamen tot de dag van de heerlijke verschijning van Jezus Christus.
Dit Evangelie handelt blijkbaar over het gericht over Jeruzalem. Zoals Jezus het voorspeld heeft, zo is het vervuld geworden, maar met de vervulling van deze profetie is voor die van alle overigen ingestaan en daardoor is die voor alle tijden belangrijk. Maar ook nog in een ander opzicht heeft het Evangelie een voortgaande betekenis. Jeruzalems verwoesting is ook een beeld van onze eigen verwoesting in de dood en dan hebben wij te leren 1) in hoeverre beide met elkaar overeenkomen en 2) wat wij te doen hebben, om midden in zo’n ondergang onszelf te redden voor de eeuwigheid.
Maar als er nu sprake is van het einde van de wereld, waarvan het einde van Jeruzalem de voorgrond en het voorbeeld is, zo moeten wij onszelf afvragen: waarom zullen wij bidden in de laatste tijd? 1) om verlichte ogen, 2) om vlugge voeten, 3) om sterke harten.
Ik wil u ook over het wanneer, waarnaar u vroeg (vs. 3) enige mededeling geven, voor zoverre het tot uw redding kan nuttig zijn (vs. 13). Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, de gruwel, die de verwoesting van het heiligdom ten gevolge heeft, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet (in Dan. 9: 27, vgl. Dan. 11: 31 en Dan. 12: 11), staande in de heilige plaats, wanneer die gruwel aan de heilige plaats zich bevindt (of over de gruwelijke vleugel, vgl. Hand. 6: 13; 21: 28 en Mark. 13: 14); (die het leest, die merke daarop, die make zich de aanwijzing ten nutte, dat hij zich niet door valse verwachtingen van anderen laat bedriegen).
Dat dan, die in Judea zijn, vluchten op de bergen (Gen. 19: 17. 1 Makk. 2: 28), want het gericht, dat deverwoesting van de heilige plaats veroorzaakt, zal zich pas vreselijk over het land uitstorten, voordat het Jeruzalem zelf bereikt.
Die op dat ogenblik, dat hij het bericht ontvangt vande gruwel van de verwoesting, die zich op de heilige plaats heeft gesteld, op het dak is van zijn huis, komt niet af langs de naar binnen leidende trap om iets uit zijn huis weg te nemen, opdat hij het op zijn vlucht meedraagt, maar gaat langs de naar buiten leidende trap, of ga over de daken van andere huizen naar beneden (Hoofdstuk 9: 2), om zo snel mogelijk in de ruimte te zijn.
En die op de akker is in zijn werkpak, keert niet weer terug in het huis, om zijn betere kleren weg te nemen. Hij vlucht zoals hij is, want het zijn de dagen van de wraak, waarin alles vervuld zal worden, wat geschreven is: Luk. 21: 20-22; 17: 30 vv.
Maar wee de bevruchte en de zogende vrouwen, die niet snel genoeg zich uit de weg kunnen maken, in die dagen, wanneer het erop aan komt om zich geheel onbezwaard en zonder dralen in veiligheid te begeven!
Maar bid Hem, die de macht heeft de tijden te beschikken, zodat zij het geschiktste zijn om het lichaam te redden en voor nauwgezette gewetens het minst bezwaarlijk. Bid Hem, dat uw vlucht niet gebeurt in de winter, wanneer de regen van boven de doorweekte wegen van onder een hindernis zijn, noch op een sabbat, wanneer volgens de bepaling van de wetgeleerden niemand verder dan 2000 ellen buiten de grenzen van zijn woonplaats zich mag verwijderen.
Na het loofhuttenfeest van het jaar 66 na Christus rukte de Syrische stadhouder, Cestius Gallus, reeds op Jeruzalem aan, verbrandde de nieuwe stad Bezetha en begon de Joden, die zich daar hadden teruggetrokken, te belegeren. Reeds was hij op het punt die van de noordkant stormenderhand in te nemen, toen hij plotseling de onderneming staakte, op de terugtocht naar Bethoron grote schade door de opstandelingen leed, ten slotte een groot gedeelte van zijn leger in de engten daar verloor en ternauwernood naar Antipetris ontkwam. Deze gebeurtenis is zonder twijfel het keerpunt in de geschiedenis van de laatste Joodse oorlog, waarop de voorspelling van Christus hier doelt. De gruwel van de verwoesting was daardoor, dat de Joodse Zeloten de oorlog met zijn gruwelen naar het heiligdom hadden overgebracht, tot de heilige plaats gekomen, om daar voor al de volgenden tijd tot aan de gehele verwoesting zijn ontzettend werk te verrichten. Zolang nog de tempel, de woonplaats van God onder Zijn volk, onaangetast staat door de gruwel van de verwoesting en onontwijd -zo is de bedoeling van de Heere – is het uur nog niet gekomen om naar de bergen te vluchten, want het heiligdom van het land met de tegenwoordigheid van God verbindt nog het volk van God, om onverstrooid te blijven en te wachten in zijn woonplaatsen in het land. Is echter eerst de heilige tempelplaats door de gruwel van de verwoesting ontwijd, dan is daardoor het teken gegeven om uit het land te vluchten, waaruit God zelf als geweken moet voorkomen, omdat Zijn heiligdom geschonden is. De erkentenis van die waarheid wordt ook bij Josefus gevonden, die over de belegering, die door Cestius op onverklaarbare manier was opgegeven, opmerkt: “Had deze nog slechts een korte tijd de storm voortgezet, dan was de stad in zijn handen geweest; maar ik geloof, God had Zich reeds om die zonden van Zijn heiligdom afgekeerd en liet daarom de oorlog nog niet ten einde komen. ” Zo waren er zelfs velen onder de betergezinde Joden, die na de nederlaag van de Romeinen de hoofdstad verlieten, “evenals men uit een zinkend schip zich door zwemmen probeert te redden”. Hoewel in Luk. 21: 20 staat: “wanneer u zien zult, dat Jeruzalem door legers omsingeld wordt, weet dan, dat haar verwoesting nabij gekomen is”, zo heeft men toch op onze plaats en in Mark. 13: 14 niet aan het Romeinse krijgsleger met zijn veldtekenen te denken, maar, zoals tevoren is aangewezen, aan de ontheiliging van de heilige plaats, die van de oproerige Joden zelf is uitgegaan. Bij Lukas is met het oog op hem, voor wie het Evangelie in de eerste plaats bestemd was (Luk. 1: 3) het heen wijzen op Daniël’s profetie vervallen; het tijdpunt voor de vlucht kon daar alleen nog worden aangegeven naar een uitwendige, in het oog vallende omstandigheid. Maar hoe komt het, zo moeten wij vragen, dat de Heere de oproeping om te vluchten voor de Zijnen zo stelt, als was hen daartoe slechts een enkele, bepaalde dag gelaten? Deze moesten zij voor de dag van de redding erkennen, door niets zich laten terughouden om die zonder dralen aan te grijpen, zoals een vluchtende bevolking, die door de vijand wordt voortgejaagd en waarin de zwangeren en zuigenden met anderen, die niet snel genoeg kunnen lopen, in groot gevaar zijn, hun tocht volbrengen en om het te kunnen, God bidden dat Hij het jaargetijde en de dag daarnaar bepaalt. Geschiedkundig schijnt dat niet juist: want na die nederlaag van Cestius Gallus kwam een tussenpoos van 2-3 maanden; de Joden waren voor al die tijd van de Romeinse opperheerschappij vrij en van deze verlieten nu deze, dan anderen, die zich niet lieten bedwelmen door het triomfgeroep, maar erkenden wat later gebeuren moest, dus in verschillende afdelingen en op verschillende dagen, het land. Hoe komt het dan, dat Christus de Zijnen niet hetzelfde toestaat, maar hen tot een enkel ogenblik beperkt, dat niet eens toelaat, dat men zich van de nodige kleding en overige reisbenodigdheden voorziet? Zonder twijfel heeft de Heere ook hier Zijn rede zo ingericht, dat tevens een vlucht in de laatste tijd daarbij in het oog is gehouden. Wij vinden de plaats daarvoor in Openbaring . 12: 13 vv, naar de uitlegging, die wij daar ter plaatse zullen geven. Het is het tot de Heiland nu ten slotte bekeerde en in het land van zijn vaderen terugkerende Israël, waarover daar wordt gesproken en het in elkaar stortende Jeruzalem, waaruit het vlucht, is de grote stad, die geestelijk heet Sodom en Egypte, waar ook onze Heere gekruisigd is (Openbaring . 11: 8), de van Christus nu geheel afvallig geworden Christenheid. Aan de vrouw worden dan twee vleugelen gegeven als van een grote adelaar, opdat zij in de woestijn vlucht en daar gevoed wordt een tijd en twee tijden en een halve tijd voor het aangezicht van de slang. De slang zal uit haar mond spuwen een water als een stroom, opdat zij verdrinkt; het komt er dus op aan de vlucht met de grootste snelheid ten einde te brengen. Nog slechts 25 jaar geduld, zo zeggen wij op grond van de berekening, bij Jer. 29: 14; 30: 17 en 31: 37 gegeven en de geschiedkundige feiten zullen de bedoeling van de Heere volkomen duidelijk maken! Toch moet Zijn rede ook haar bepaalde toepassing hebben op de vlucht van de Joods- Christelijke gemeente uit Jeruzalem in het jaar 66 na Christus. De Heere wil duidelijk, dat de gemeente daar tezamen blijft, als ware zij één enkele familie en zich bepaald onderscheidt van de eveneens vluchtende Joden, dat haar aftocht op een bepaalde dag met achterlating van alles en zonder enig oponthoud, zonder enigszins de geschiktheid in aanmerking te nemen, plaats zou hebben. Hij wil, dat deze aftocht zich voor het nu aan zichzelf overgelaten Israël vertoont als een uitwendig zichtbaar worden van die stem, op het pinksterfeest gehoord: “Laat ons van hier trekken!” die volgens Tacitus (zie bij vs. 8) vergezeld ging van een vreselijk gedruis van wegtrekkenden. Terwijl Hij echter de bede ten plicht maakt, dat de vlucht niet gebeurt op de sabbat, denkt de Heere nog aan de ene kant aan velen in de gemeente, die van de vreesachtigheid om de sabbat te overtreden, nog niet vrij waren geworden. Die nauwgezetheid moest worden verschoond (vgl. Hoofdstuk 23: 3). Aan de andere kant geeft Hij ook te kennen, dat Zijn gemeente uit het Jodendom uitgaat, niet door oplossing maar krachtens de vervulling van wet en profeten. Terwijl de onder het Jodendom achtergeblevene opstandelingen zich integendeel over alle sabbatsbezwaren heen zetten en bijvoorbeeld hun aanval op Cestius juist op die sabbat ondernomen hadden, die anders zo nauwgezet werd gevierd: Joh. 7: 37 (dezelfde woede, die hen over de grenzen van de eerbied voor het heilige dreef, schrijft Jozefus b. Ind, II 19. 2, deed hen ook de slag winnen). Wat de Heere daarmee te kennen geeft, dat Hij spreekt: bid, dat uw vlucht niet gebeurt in de winter” wordt door de latere geschiedenis bevestigd. Het was reeds oktober toen Cestius de boven vernielde nederlaag leed. Zijn aftocht van Jeruzalem was het juiste tijdstip voor de gemeente, want zij had nu Jeruzalem belegerd gezien door een leger (volgens Lukas) en had de gruwel van de verwoesting gezien op de heilige plaats (volgens Mattheus en Markus). Maar nu moest zij ook de pauze, die na de nederlaag van de Romeinen te Bethoron begon en die door de Joden werd gehouden voor het begin van een nieuw tijdvak, voor een begin van verheffing van de natie, integendeel beschouwen als een haar geschonken zeer korte tijd van genade; zij moest niet eens de regentijd laten komen, maar meteen vluchten. Op de achtergrond staat daarbij de Heere reeds voor ogen, dat op die tijd reeds tot voortzetting van de krijg benoemd zou zijn die in Dan. 9: 26 als vorst voorkomt en met zijn volk zal komen, om Christus, de Vorst (Dan. 9: 25) te dienen als werktuig ter volvoering van Zijn gericht. Wanneer wij het tweede gedeelte van de voorgeschrevene bede: “of op de sabbat” nog eens in het oog vatten, menen wij de gedachte te mogen voorstellen, dat de vlucht van de gemeente naar Pella, dat, wanneer men het in het tegenwoordige Tabakat-Fuhil weer herkent 4: 25) zeker onder de “bergen” (vs. 16) kan worden verstaan (het ligt op de vlakte van een heuvel, die zich ongeveer 600 voeten boven de Jordaan verheft), op een zondag heeft plaats gehad en wel op die, waarop Johannes de Openbaring ontving (Openbaring . 1: 10). Daartoe geeft ons aanleiding de overeenkomst met Ezechiël. 24: 1 v. , die zeker in het Nieuwe Testament niet mag ontbreken en de vaste overtuiging, dat de zes zegels in Openbaring 6 niets anders bevatten dan de loop van de Joodse oorlog van de benoeming van Vespasianus als veldheer tot aan het einde. Dit laatste zullen wij ter plaatse tegen de daar tegenoverstaande opvattingen nader moeten aantonen en verder tevens moeten aanwijzen, dat Johannes niet eerst onder Dominatius, maar reeds onder Nero naar Patmos is verbannen. Bij het “wee” over de zwangere en zogende, dat in de eigenlijke zin meer als een retorische figuur voorkomt, om het “snel, snel!” met nadruk uit te spreken en het groot gevaar voor diegenen, die achterblijven, voor te stellen, heeft Hieronymus reeds willen toepassing maken op die zielen, die haar spruiten nog niet hebben gebracht tot een volkomenen man (Efeze. 4: 13), maar slechts de beginselen van het geloof hebben. De gedachte is vol geest en inderdaad was de Christelijke gemeente te Jeruzalem juist in de laatste tijd vóór het uitbreken van de Joodse oorlog zó, dat de schrijver van de brief aan de Hebreeën (5: 12) haar moest schrijven: “daar u leraars behoorde te zijn vanwege de tijd heeft u weer nodig, dat men u leert, die de eerste beginselen zijn van de woorden van God; en u bent geworden, als die melk nodig hebben en niet vaste voedsel. ” Zij hing met bijzondere vasthoudendheid aan het Oud- Testamentische verbondsvolk en de Joodse tempel met zijn dienst. Het was haar buitengewoon moeilijk die voor altijd te laten varen en niet door valse liefde en hoop aan de plaats van het verderf te worden vastgehouden. Pas deze opmerking leidt tot een volkomen bevredigend begrip van deze gehele waarschuwing en vermaning van Christus, aan welke een profetisch-symbolische kleur niet te miskennen is. Wij hebben reeds bij Hoofdstuk 19: 2 opgemerkt, dat het waarschijnlijk de Evangelist Lukas is geweest, die de gemeente eerst inwendig door de brief aan de Hebreeën over de haar dreigende gevaren verhief en vervolgens ook uitwendig haar overbrenging naar Pella bewerkte.
a) Want dan, wanneer de dagen van de wraak werkelijk komen, waaraan u zich door een tijdige vlucht moet onttrekken, zal in Jeruzalem en het Joodse land grote verdrukking wezen, die niet is geweest van het begin van dewereld tot nu toe en ook niet zijn zal, ten minste niet vóórdat die komt, die in deze haar voorbeeld heeft en waarop Mijn woorden in de tweede plaats doelen (Openbaring . 13: 7, 10, 15 vv. ).
Dan. 12: 1.
En als die dagen van die ontzaglijke verdrukking niet verkort werden, zodat hun duur bepaald was afgemeten in Gods raadsbesluit, geen vlees, niemand onder het door de goddelijke toorn bezochte volk van de Joden, zou behouden worden; allen tot de laatste man toe zouden omkomen en zo zou er voor de vervulling van een hoop, als in Rom. 11: 26 vv. is uitgesproken, geen mogelijkheid zijn; maar omwille van de uitverkorenen, om de 144. 000 verzegelden, zoals die in Openbaring . 7: 1-8; 14: 1-5 voorkomen, als bestemd om de Zionsgemeente te vormen en voor welke in alle 12 geslachte van Israël een stam moet overblijven, waaruit zij kunnen voortkomen, zullen die dagen verkort worden, zodat hun duur niet meer bedraagt dan een tijd en tijden en een gedeelte van een tijd.
Van de verwoesting van Jeruzalem af 3 1/4 jaar terug gerekend, zou de hier aangevoerde tijdsbepaling ons in februari van het jaar 67 na Christus brengen. Over deze tijd kwam dan ook inderdaad Titus, die in Openbaring . 6 als de eerste ruiter met drie anderen in zijn gevolg voorkomt, te Ptolemaïs aan (Jos. b. Jud. III 4, 2). In de geschiedenis van de Christenvervolgingen onder de Romeinse keizers zou eveneens kunnen worden aangewezen, dat de eigenlijke verdrukking, ten minste op de afzonderlijke plaatsen, zo niet ook in de omvang van het gebied van de kerk, de door het profetische woord eens vastgestelde tijd niet heeft overschreden. Zo zal dan ook de tirannie van de Antichrist, die wij vóór het einde van de 20ste eeuw verwachten 31: 37) slechts 3 ½ jaar = 42 maanden duren (Openbaring . 12: 14; 13: 5). In deze laatste tijd verliest het gered worden van de uitverkorenen geheel de zin van stoffelijk levend blijven; zij, die het kenteken of de naam van het van die of het getal van zijn naam niet aannemen, zullen tezamen gedood worden (Openbaring . 13: 15 vv. ), maar juist dat is de weg, dat zij niet worden ingewikkeld in het gericht, dat over de Antichrist en zijn aanhang (Openbaring . 19: 11 vv. ) zal komen.
Dan, in die droefheid, wanneer, zoals natuurlijk is, het verlangen naar verlossing het sterkst is, zal er gevaar bestaan, dat men aan diegenen gehoor geeft, die voorgeven haar te zullen schenken. Als dan iemand, wijzend op de een of andere, die hij zelf voor de gewenste redder aanziet, tot jullie zal zeggen: Zie, hier is de Christus, of daar, geloof het niet, maar denkt aan Mijn waarschuwing in Hoofdstuk 7: 15 vv U weet toch wie de enige Redder is.
a) Want er zullen reeds in die tijd, waarover hier in de eerste plaats gesproken wordt, ten tijde van het oordeel over Jeruzalem, maar in de ergste mate eerst aan het einde der tijden (Openbaring . 16: 13 vv. ; 13: 11 vv. 2 Thessalonicenzen. 2: 9 vv. ), valse Christussen of Messiassen en valse profeten, die voor de eerste de weg bereiden, opstaan en zullen ter bevestiging van hun voorgewende zending grote tekenen en wonderheden doen, zodat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden, alsof werkelijk deze of gene onder hen de ware Redder was. Het zal echter niet mogelijk zijn, want God zal door krachtige tegengetuigenissen de indruk van die tekenen en wonderen bij hen, die aan Zijn woord nog geloven, krachteloos maken (Openbaring . 13: 18). Hij zal door de kracht van Zijn genade hun zielen bewaren ter zaligheid (Openbaring . 14: 12 vv. ), dat ook reeds gedeeltelijk in die dagen van de wraak (Luk. 21: 22) zal worden gezien.
Deut. 13: 1.
Zie, Ik heb door het zo-even gesprokene het u voorspeld, hoe alles komen zal, zodat het u niet onverwacht zal overkomen, noch u in het onzekere hoeft te zijn, hoe u daarover moet denken.
Velen zouden door de valse woorden van de valse Christussen en profeten verleid en meegesleept worden en zelfs de uitverkorenen zouden in dit opzicht in groot gevaar staan; maar zij zouden als uitverkorenen door onzichtbare banden vastgehouden worden, om bij hun weifeling niet af te wijken, maar volstandig te blijven in de leer van de apostelen. Nochtans moesten zij daarom niet zorgeloos zijn en niet zeggen: “Ik ben uitverkoren en ga dus niet verloren!” Nee, zij moesten toezien en onophoudelijk het woord van de Heere lezen en daarmee zich altijd de voospellingen en waarschuwingen van de Heere, ook ten aanzien van de valse Christussen en profeten, herinneren. Immers niemand kan zeggen: “Ik ben uitverkoren”, dan die van ganser harte gelooft, dat Jezus de Christus is en die dit van ganser harte gelooft kan niet zorgeloos, niet roekeloos zijn, noch God verzoeken.
a) Als zij, die u tot een valse Christus willen trekken, dan tot u zullen zeggen: Zie, hij is in de woestijn, komt met ons tot hem, ga niet uit. Of wanneer zij op een andere tijd tot u zeggen: Zie, hij is in de binnenkamers; hij houdt zich nog voor een tijd verborgen, maar zal snel te voorschijn treden en zegen aanbrengen, geloof het niet, erken dat meteen voor enkel bedrog.
Luk. 17: 23.
Want zoals de bliksem in grote flikkerende stralen uitgaat van het oosten en schijnt tot westen, zodat hij plotseling en onverwacht zich vertoont en zich aan ieder te aanschouwen geeft en niemand hem hoeft te zoeken, zo zal ook de toekomst van de Zoon des mensen zijn. Als Hij van de hemel verschijnt, zal Hij Zijn vijanden met één slag vernietigen en in Israël Zijn rijk van de heerlijkheid oprichten (Openbaring . 19: 11-20: 6). Dat in de woestijn of in de binnenkamer is daarom reeds een duidelijk teken, dat wat van zo’n Christus gezegd wordt, niets dan leugen is.
a) Want – om van de werkelijke oprichting van het rijk der heerlijkheid weer terug te komen op het gericht over dat Jeruzalem, dat de profeten doodt en het verstokte volk van de Joden – waar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden. Voor dit gericht is Mijnpersoonlijke verschijning niet nodig, er zijn onder de kinderen van de mensen nog adelaars, die het avondmaal van de groten van God (Openbaring . 19: 17) aan het dode lichaam zullen volvoeren (Dan. 9: 26).
Job 39: 33. Luk. 17: 37.
Wat de Joden het meest tot oproer dreef, was een dubbelzinnig orakel in hun Heilige Schriften: “In die dagen zal een van hun grenzen uitgaan en de wereld beheersen”, dit dachten zij dat betrekking had op een ingeborene en vele schriftgeleerden dwaalden in de verklaring (Josefus, b. Jud. VI, 5, 4). De valse profeten zijn degenen, die zich voor door God gezonden en geïnspireerde sprekers uitgeven in de tijd van de verdrukking, evenals ook in vroegere tijden van een algemeen ongeluk zulke bedriegers; in tegenstelling tot de ware profeten hun spel gedreven hadden (Jer. 14: 14; 5: 13; 6: 13; 8: 13 enz). Josefus schrijft daarvan (II 13: 4) “Naast de Sicariërs verhief zich een andere zwerm van booswichten, wier handen weliswaar reiner, maar wier gezindheden echter nog goddelozer niet waren en die niet minder dan die moordenaars het welzijn van de staat in gevaar brachten. Dit waren verleiders en bedriegers, die onder de schijn van goddelijke geestvervoering op nieuwigheden en veranderingen werkten, het volk tot dweperij verleidden en het in eenzame plaatsen lokten, waar God hun wondertekenen tot hun bevrijding zou laten verschijnen.
Wij kunnen in het bijzonder ook aan die Egyptenaar denken, die Josefus als een goochelaar schildert, die zich het aanzien van een profeet wist te verschaffen en die Eusebius naar recht met de Egyptenaar in Hand. 21: 38 in verband brengt. Verder zou men nog naar een andere plaats kunnen verwijzen (VI: 5, 2), waar staat: “de oorzaak van de ondergang van deze (in een portaal verbrande) 6000 mensen was een vals profeet, die op die dag (van de brand van de tempel) aan de inwoners van de stad verkondigde: “heden beveelt de Heere op de tempel te stijgen, om de tekenen van de verlossing te aanschouwen. ” De woestaards hadden bovendien vele valse profeten onder het volk verdeeld, die het overhaalden, op Gods hulp te bouwen, omdat zij er niet vandaan zouden lopen. ” Hoe gemakkelijk kon zo’n pseudo profeet aan het volk, dat zo graag een teken van de hemel wilde hebben, een geval van die aard, zoals het in vs. 8 gemeld is, als zijn werk voorstellen. Door Joh. Gerhard wordt naar recht het in de woestijn” van Christus op die valse profeten toegepast, die, evenals Simon van Gerasa (IV. 9, 3) in de woestijn een leger tegen de Romeinen verzamelden, het “in de kamer” van Christus daarentegen op die, die heimelijk op listige aanvallen peinsden, evenals Eleazar en Johannes.
De uitdrukkingen vormen echter ook een veelvoudig betekenisvolle tegenstelling van mogelijke verleiding; deze wijzen ons in het algemeen op de grote verwoeste kerk, anderen in het bijzonder op velerlei sekten en afscheidingen.
Dat zijn de sekten en orden, die een goed leven in uiterlijke dingen of met goede werken zoeken, in het bijzonder zijn nu de kamers alle geestelijke kloosters, maar de woestijnen zijn de kluizenaarswoningen.
Ik heb geen reden mij te rekenen onder hen, die lofredenaars van verlopen tijden en blinde verachters zijn van hetgeen de genadige, barmhartige God in onze tijden geeft en doet; ik heb gelegenheid gehad om de verlopen tijden wat nauwkeuriger te leren kennen en ik kan niet zeggen, dat ik de vroegere tijd de voorkeur boven de onze zou geven. Is er ergens een voorkeur, dan strijdt daarbij ook een groot nadeel met het betere om de voorrang en ten slotte kan het de strijd opgeven. De wereld is altijd wereld geweest en het getal van degenen, die Jeruzalem verlaten, omdat de gruwel van de verwoesting aan de heilige plaats staat, was ten allen tijde klein; de meesten hebben zich toch in de wereld goed kunnen schikken, zo goed als het ging en evenzo is het nog. Nochtans kan ik dat ene niet overwinnen; het komt mij altijd weer in de gedachte, ofschoon ik weet, dat ik niets te zorgen heb en dat de Heere aan het einde toch het bestuur heeft en Hij, niettegenstaande het overwinningsgeschrei van Zijn vijanden en het noodgeschrei van de Zijnen, alles heerlijk volbrengen zal. Dat ene, dat mij treurig maakt over de tijd, waarin ik leef, is de algemene, ongebondene vrijheid in het oordelen over goddelijke dingen, de tuchteloosheid van de zielen in het heiligdom, de vermetelheid, waarmee een ieder het lasterlijkste en afschuwelijkste over God, Zijn Christus en Zijn heilige spreekt. Ik weet niet, of zich de grote afval voorbereidt, die vóór de laatste overwinning komt, of, hetgeen wij van deze aard beleven, het begin of het einde van een boze tijd is; maar het herinnert aan de afval, bij velen is het de verlichte afval en mijn ziel beeft, wanneer ik er aan denk hoe velen in die vervloekte dwaling vervallen zijn, die zich tot een Rechter maakt over al het heilige en nooit vraagt, of het verstand of de wil tot een oordeel daar is, of niet het gehele drijven een door God vervloekte verkering van de zinnen en van de geest is. Wat zal er van dit geslacht, door deze gezindheid, wat zal er van de jeugd worden, die zich snel, tot verbazing toe de helse taal van de afval in alle uitdrukkingen en wendingen gewoon maakte en die met een boze in het minst niet onderdrukte lust uitoefent en aanwendt? De geest, die hun die taal leert, beheerst niet alleen de tong, maar dringt door in het gebeente en verderft bloed en merg. Het volk wordt dus een bedorvene massa – “waar een aas is, daar verzamelen zich de arenden” – dat staat evenals een vliegend opschrift boven de dronken, dolle hoofden van deze tijd. Daarom op weg uit Jeruzalem! Dat is de gruwel van de verwoesting, zelfverwoesting en verwoesting brengende. Op naar Pella, wie een trouw hart heeft en de woorden van Jezus gelooft, die vergadert zich tot de heilige belijdenis van de waarheid en trekt onder haar banieren, afgezonderd van het verloren rot, Jezus na. Weliswaar is Pella niet meer op aarde, maar naar de hemel verplaatst, omdat de ganse aarde verdorven in en het is daarom niet volbracht door het verlaten van enige plaats hier op aarde; maar omdat wij naar de hemel reizen en Hem tegemoet gaan, die daar komen zal, omdat het een levenslange pelgrimstocht gelast, omdat wij Judea niet achter ons hebben, zolang er levenskracht in onze voeten is en de Jordaan niet bereiken vóór de dood, zo willen wij ons aan elkaar sluiten en in gesloten rijen, met het wapen in de hand, met het lied van het Nieuwe Verbond op de lippen voorwaarts trekken. Wie de Heere Jezus liefheeft, die verheft zijn stem, die doet belijdenis, die staat in het leger en vreest noch strijd noch terugtocht! Hoe lang zal het duren, dan zijn al die jaren voorbij, evenals dit jaar en wat is dan onze moeite geweest? Hoe gemakkelijk zal ons dan de overwinning van de trouw voorkomen; hoe zullen wij dan vrolijk en onze mond vol lachen en roemen zijn? De Heere zendt ons hulp van het heiligdom en sterkt ons uit Zion – Halleluja Amen!
Waar het aas, het dode lichaam is, daar vergaderen zich de arenden, of zoals wij ook kunnen zeggen: “Waar de prooi is, zal zich de roofvogel laten vinden. ” Wij zien deze woorden van de Heere schitterend vervuld in het oordeel over Jeruzalem, dat het toonbeeld van de laatste oordelen van God moest zijn. Toen Jeruzalem tot een aas was geworden, streken de Romeinse adelaren op haar neer en verslonden het. Zo zal het ook in de laatste tijd zijn. Zodra de wereld door haar ongeloof tot een dood lichaam geworden zal zijn voor God, hoe levensvol, levenskrachtig en levenslustig het ook in eigen schatting wezen mag – zullen de adelaren van God neerstrijken en haar verslinden.
b. Vers 29KruisverwijzingenAmos 8:9→Jesaja 24:23→Joël 3:15→Openbaring 6:12→Jesaja 13:10→2 Petrus 3:10→Openbaring 8:12→Joël 2:10→
— En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.
-Hoofdstuk 25: 30
Op de tweede vraag van de discipelen: “Wat zal het teken zijn van Uw toekomt; ” waarmee zij blijkbaar op de terug oprichting van het rijk van Israël doelden, geeft de Heere nu in dit middelste gedeelte van Zijn profetie antwoord en verkondigt Zijn komst tot verzameling van Zijn uitverkorenen in het rijk van God, dat nu in het openbaar optreedt. Hij spreekt echter daarmee nog niet van Zijn laatste verschijning aan het einde van de wereld, evenals Hij ook nog niet de eeuwige pijn noemt, maar slechts verlaten worden, uitwerpen en buiten blijven. Nadat het vorige gedeelte in de hoofdzaak over Jeruzalems verwoesting en Israël’s verstrooiing gesproken heeft (vgl. Mark. 13: 1-23. Luk. 21: 5-24) zo is nu in de volgende afdeling (Mark. 13: 24-37. Luk. 21: 25-36) Israël’s herstelling in heerlijkheid de eigenlijke kern van Zijn rede en de drie gelijkenissen staan daarmee ook in verband, waarin Hij op gedurige waakzaamheid en bereid zijn aandringt.
En a)meteen na de verdrukking van die dagen, wanneer die 6: 4″) met het eindigen van de tijd van de heidenen (Luk. 21: 24) zijn einde bereikt, zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen, waaraan zij tot hiertoe schitterden en de krachten van de hemelen, de krachten, die de hemel dragen en in stand houden, zullen bewogen worden, zodat de orde van de dingen, die tot hiertoe bestond, in elkaar stort.
Jes. 13: 10. Ezechiël. 32: 7. Joël 2: 31; 3: 15.
De verdrukking, die de Heere bedoelt, is die, die over het Joodse volk in de verwoesting van Jeruzalem en de tempel en de verstoting van Gods aangezicht en de gevankelijke wegvoering onder alle volken besloten is. Deze catastrofe had ten opzichte van Israël zelf onmiddellijk ten gevolge, wat in Openbaring . 6: 12-14 gezegd wordt: “Er kwam een grote aardbeving en de zon werd zwart als een haren zak en de maan werd als bloed. En de sterren van de hemel vielen op de aarde, zoals een vijgenboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij door een grote wind geschud wordt. En de hemel is weggeweken als een boek, dat toegerold wordt en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. ” De woorden zijn als een beeld op te vatten van geestelijke gebeurtenissen in het rijk van God, zoals wij later zullen aanwijzen. Zij karakteriseren die grote veranderingen, die dat gericht in het bestuur van God op aarde heeft teweeg gebracht. Zij bestaan voor de overige volken daarin, dat deze, die tot hiertoe zonder God in de wereld waren en vreemdelingen omtrent de verbonden van de belofte, door de Heere tot Zijn koninklijke zetel, tot woonplaats voor zijn Kerk verkoren zijn en Israël daarentegen gemaakt werd tot dat volk, dat geen koning en geen vaderland, geen altaar en geen priester en eigenlijk ook geen God heeft. Wanneer het toch de God van Abraham, Izaäk en Jakob aanroept, heeft Hij Zijn aangezicht in toorn voor Hem verborgen. Nu is voor het eertijds uitverkoren volk de zon, die tot hiertoe aan zijn geestelijke hemel stond, wel niet ondergegaan, maar wel zwart geworden als een haren zak. Van het vaste profetische woord, van zijn helder schijnsel, is in het Rabbinisme niets meer te ontdekken. Sinds men Christus, de kern en de ster van alle profetie, heeft verworpen, hangt het als een donker punt vol diepe treurigheid aan de hemel van het ongelukkige volk. Zijn maan, namelijk de wet, is geworden als bloed; alle vloeken zijn verwezenlijkt, sinds men over Jezus geroepen heeft: “Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen; ” van een vreugde van de wet, al viert men jaarlijks daarvan feest, kan toch in waarheid geen sprake zijn. De twaalf geslachten, die tevoren de kroon vormden boven het hoofd van de vrouw, bekleed met de zon (Openbaring . 12: 1 vv. ), zijn nu de van de hemel gevallen sterren, wier licht niet meer glinstert, wanneer duisternis de volken bedekt. Zij zijn vijgen, die door de wind op de weg zijn geworpen en door de voeten van de voorbijgangers worden vertreden. Het Oude Verbond, die hemel van de oude wereld, is geworden tot een dichtgeslagen boek; het is uitgelezen. Israël is opzij gelegd en een andere wereld, de Christenheid, die uit de heidenen verzameld is, is in de plaats getreden. Nu verheft ons echter de profetie van de Heere boven deze verdrukking, die met die dagen van Jeruzalems verwoesting begonnen is en tot in onze tijd reeds meer dan 18 eeuwen geduurd heeft. Hij zegt: “meteen na de verdrukking” en wil ons zeggen, wat dadelijk, wanneer Israël’s straftijd zijn einde bereikt heeft en gelijktijdig met diens bekering zal geschieden. Dan zal de tegenwoordige Christenheid aan de beurt komen, dat zon en maan het schijnsel voor haar verliezen, dat Wet en Evangelie geen licht en geen warmte, geen kracht en geen leven, ten minste niet in haar openbaar wezen, in haar maatschappelijke en staatkundige toestanden meer hebben. De sterren zullen voor haar van de hemel vallen. Men zal bereiken wat men wil, de kerkelijke hemel met zijn lichten zal ineen storten, de krachten van de hemel, die het leven van de volken tot hiertoe hebben gedragen en in goede gang hebben gehouden, zullen geschokt worden en door een beweging uit de laagte, voor geheel andere krachten en machten het veld moeten ruimen, Nog slechts 2-3 eeuwen en de toestanden, die zich tot op die tijd hebben ontwikkeld, zullen een goed verstaanbare verklaring zijn van hetgeen wij op onze plaats lezen: de grote stad van de Christelijke volkenwereld is in de plaats getreden van het Jeruzalem, dat de Messias moordde en door de Heere is overgegeven in de gerichten van Zijn toorn zonder het schijnsel van zon en maan, zonder de lichtende glans van de sterren, komende tot een gehele oplossing. Zo zou zij te gronde moeten gaan, was haar niet tijd gegeven tot nadenken en bekering, om nog eens de God van de hemel de eer te geven, voordat de eigenlijke tijd van de Antichrist begint (Openbaring . 11: 13), daarentegen Israël, zo ver het tot zaligheid verkoren is, als herstelde van Zion gemeente de ware bruid van Christus, die op de dag van de bruiloft of van de verschijning van Zijn heerlijkheid van de hemel, zich bereidt met een innigheid van de liefde, waarvan die van de eerste apostolische gemeenten slechts een voorafgaand schijnsel zijn geweest en met een heiligheid van wandel, zoals de Kerk van de Christelijke wereld uit de heidenen op het hoogst als ideaal zich voorstelde, maar nooit kan bereiken (Openbaring . 14: 1 vv. ). Intussen ziet het profetisch oog van de Heere in de woorden van ons vers meteen verder: met het begin van de honderdjarige periode, zoals wij die zo-even gekarakteriseerd hebben, is meteen het einde verbonden en verplaatst Hij ons in de tijd van de heerschappij van de persoonlijke Antichrist, wanneer het nog veel erger met de Christelijke volken van het westen gesteld is, zon en maan geheel haar schijnsel hebben verloren en met het doden van allen, die het dier niet aanbidden en zijn beeld en zijn kenteken niet aannemen, of het getal van zijn naams, de sterren werkelijk van de hemel vallen en de krachten van de hemel geheel door de machten van de hel verslonden zijn (Openbaring . 13). Hoe de zee en de watergolven zullen bruisen (Luk. 21: 25) zullen wij pas bij de uitlegging van de Openbaring van Johannes ons duidelijk kunnen maken. Hiertoe behoort de gehele afdeling in Hoofdstuk 16: 13-19: 10 van dit boek; maar wij moeten ook daarbij nemen het gezicht in Hoofdstuk 14: 14-20 waarin in de hemel wordt voor afgebeeld en voorbereid, wat naar hetgeen volgt – op aarde moet worden tot stand gebracht.
a) En, wanneer hetgeen in het vorige vers geprofeteerd is niet alleen voorlopig aan het slot van de 19de, maar na een eerst nog geschonken tijd van genade geheel en al aan het einde van de 20ste eeuw vervuld is en in het bijzonder de golven van de zee van de volken in het grote bruisen zijn opgenomen door de vergadering tot de krijg van die grote dag van de almachtige van God (Openbaring . 16: 13 vv. ), dan zal in (aan) de hemel verschijnen het teken van de Zoon des mensen, namelijk een wit paard met een wonderbare ruiter daarop (Openbaring . 19: 11vv. ). En dan, wanneer zij dit teken zien, zullen al de geslachten van de aarde wenen, in een grote weeklacht van schrik en ontzetting uitbreken (Openbaring . 1: 7), omdat zij de betekenis van dat teken wel zullen begrijpen. En zij zullen in die wonderbaren ruiter, wie het hemelse leger volgt op witte paarden, bekleed met witte en reine kant, de Zoon des Mensen zien, komend op de wolken van de hemel (Dan. 7: 13), zoals Hij tevoren op een wolk ten hemel gevaren is (Hand. 1: 9 vv. ), met grote kracht en heerlijkheid, om het gericht van God te houden (Joh. 5: 27).
MATTHEUS. 16: 27; 25: 31; 26: 64. Mark. 13: 26; 14: 62 Luk. 21: 27. Hand. 1: 11. 2 Thessalonicenzen. 1: 10.
Niet het teken zelf, zoals de uitleggers menen, blijft onzeker tot aan de vervulling, maar alleen in hoeverre het in Openbaring . 19 uitdrukkelijk genoemde teken een werkelijk zó in het oog vallende verschijning, of alleen een zinnebeeldige figuur is. Het geheel gelijke teken bij het naderen van Jeruzalems verwoesting in Openbaring . 6: 2, is ten minste een zinnebeeldige figuur, die op de Romeinse veldheer Titus doelt. In Lukas 21: 26 is het huilen van alle geslachten op aarde als een versmachten van vrees en van wachten op de dingen, die op aarde zullen komen, aangewezen en nog in die tijdsomstandigheden geplaatst, die de verschijning van het teken voorafgaan. Deze tijdsomstandigheden zullen dus zelf een vrees en siddering, een versmachten van vrees door het kwaad geweten veroorzaken; maar het zal iets in het onbepaalde zijn, men heeft wel enig donker vermoeden, maar men wil het zichzelf niet bekennen, dat de Mensenzoon werkelijk komt, zoals Hij tevoren gezegd heeft, totdat het teken verschijnt en de mensen nu moeten geloven.
En Hij zal, vóórdat Hij op deze manier en met dat doel komt, Zijn engelen uitzenden met a)een bazuin van groot geluid en zij zullen daarheen, waar Hij hen wil hebben tot redding uit het gericht en waar Hij na het gericht Zijn rijkwil oprichten, namelijk naar Jeruzalem en het heilige land (Deut. 30: 4 vv. Jes. 11: 11 vv. ; 43: 5 vv. Zach. 2), Zijn uitverkorenen, om wie de dagen van de verdrukking verkort worden (vs. 22), bijeen vergaderen uit de vier winden, van Noorden en Oosten, uit het Zuiden en Westen, waar zij zich ook bevinden, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste daarvan.
1 Kor. 15: 52. 1 Thessalonicenzen. 4: 16.
En leer van de vijgenboom, ten opzichte van de vraag, wanneer het rijk van God door de toekomst van de Zoon des mensen zal worden voleindigd (Luk. 17: 20. Hand. 1: 6), deze gelijkenis. Wanneer, nadat het tot hiertoe winter was en alle leven in de natuur als verdwenen was, zijn tak nu teder wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u volgens het gewoon menselijk inzicht, dat de zomer nabij is.
Zo ook jullie op geestelijk gebied, waarop het juiste inzicht wel niet ieders gave is, maar waarin u boven anderen een voorrecht heeft, wanneer u al deze dingen zult zien, dat aan de ene kant zon en maan haar schijnsel verliezen voor dat grote gebied, dat zij tot hiertoe hebben beschenen (vs. 29) en aan de andere kant de Mensenzoon Zijn engelen uitzendt met de schel klinkende bazuinen en Zijn uitverkorenen vergaderen uit de vier winden (vs. 31), weet dan dat het rijk van God in Zijn volkomenheid (Luk. 21: 31) en zo ook Hij, die het brengt en op de in vs. 30 beschreven manier Zich openbaart, nabij is, voor de deur (Jak. 5: 9).
Wij kunnen niet evenals de uitleggers meestal doen, de engelen, die de Zoon des mensen zendt, om Zijn uitverkorenen van de vier winden te vergaderen, verstaan van hetgeen naar 1 Thessalonicenzen. 4: 16 en 1 Kor. 15: 52 gebeuren zal en bij deze verzameling van de uitverkorenen aan de opstanding van de doden denken. Integendeel wijst de gelijkenis, die aan de vijgenboom ontleend is, daarop, dat de Heere enen geestelijken vijgenboom, die gedurende de winter van de goddelijke straftijd als verstorven stond, op het oog heeft, die op zijn tijd weer sappen verkrijgen en groeien zal. Maar wanneer dat begint zal ook het beslissende keerpunt in de geschiedenis gekomen zijn, waarmee Zijn toekomst zich verbindt. Wij kunnen er nu geen ogenblik aan twijfelen dat Israël deze vijgenboom is. In Hoofdstuk 21: 19 heeft Jezus over een wezenlijke vijgenboom, waaraan Hij op de morgen van de vorigen dag bij Zijn reis over de Olijfberg slechts bladeren, maar geen vruchten vond, de vloek van de verdorring uitgesproken en de discipelen hebben op de morgen van deze dag de werking van Zijn vloek bemerkt, al begrepen zij de betekenis van de zinnebeeldige handeling ook niet.
Zou Hij nu op deze avond, nu Hij over de Olijfberg voor de laatste maal naar Bethanië terugreist, maar de top niet kan overschrijden, zonder Zich eerst nog eens neer te zetten en Zich met de heilige stad daarboven en met Zijn volk, dat daar Zijn tempel heeft, bezig te houden, in Zijn profetie ook niet gelet hebben op de wederopheffing van de vloek, op de verlevendiging van de verdorde geestelijke vijgenboom? Zo zeker als Israël’s eindelijke bekering tot zijn Heiland een wezenlijk stuk van de Oud-Testamentische profetie bij Mozes en de profeten is, zo zeker als zij de apostel Paulus tot troost geweest is in zijn grote smart over zijn ongelovig gebleven en door God verstoten volk (Rom. 11), zo zeker heeft ook de Heere in dit uur dit hoofdgedeelte van de laatste dingen niet kunnen voorbijgaan. Zijn verschijning in heerlijkheid hangt toch daarvan af, dat Israël nog eerst zalig wordt en wanneer Hij de discipelen antwoord wilde geven op hun vraag: “Wat zal het teken zijn van Uw toekomst?” zou Hij hun met alle andere tekenen, zoals die in vs. 29 aangegeven zijn, slechts zulke genoemd hebben, die moeilijk te erkennen zijn, wanneer ook daarmee niet een verbonden was, dat even gemakkelijk waar te nemen is als dat, waarmee de zomer zich aan de vijgenboom aanmeldt. In Luk. 21: 29 wordt tegelijk van de andere bomen gesproken; dat is een zinspeling op het rijkere gevolg van de zending onder de heidenen, die zonder twijfel eveneens op de nabijheid van de verschijning van Christus wijst; maar het beslissende keerpunt is toch de bekering en terugkeer van Israël (wanneer de vervloekte dorre vijgenboom opnieuw sap en groeikracht krijgt, weet dan dat de beslissing komt. ” Riggenbach), waarom ook bij Lukas de vijgenboom nog vóór de andere bomen genoemd wordt, ofschoon hij het laatst van allen bladeren krijgt. Daarom hebben de engelen met helder klinkende bazuinen, die uitgezonden worden om de uitverkorenen van het ene einde van de hemel naar het andere te roeren en op een bepaalde plaats te vergaderen, in elk geval betrekking op die dienaars van Christus, die Israël’s bekering en terugkeer in zijn vaderland, door de kracht van de evangelie-prediking, die nu ontvankelijke harten vindt en door de macht van de Geest van God, die in henzelf regeert, werktuigelijk bemiddelen. Het zullen zeker naar de uiterlijke werkelijkheid menselijke persoonlijkheden zijn, maar toch zijn de menselijke persoonlijkheden opzettelijk terzijde gesteld en evenals Johannes de Doper in Hoofdstuk 11: 10 als engel aangeduid is engelen genoemd, omdat er dan van meer dan gewone zendingen onder de Joden sprake zal zijn. Naar onze berekening, die op Openbaring . 11: 2 en 3 rust, begint de bekering van Israël met het jaar 1897; uit Openbaring . 13: 5 maken wij op, dat de Antichrist van het jaar 1992 zijn werk zal doen, totdat hij 3 ½ jaar later door de verschijning van Christus omkomt. Deze beide tijdpunten, het begin en het einde van het laatste grote tijdstip vóór de oprichting van het duizendjarig rijk aanwijzend, heeft de Heere hier gelijktijdig in het oog en vat die in een gemeenschappelijk beeld tezamen, waarom Hij Zich ook nu eens met dit, dan eens met dat punt in Zijn rede bezig houdt.
Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht van de tegenwoordige tijd zal geenszins voorbijgaan, zodat allen, die ertoe behoren, reeds gestorven zouden zijn, totdat al deze dingen, die Ik u tot hiertoe verkondigd heb, ten minste in hun begin, gebeurd zullen zijn. Is het begin gemaakt met Jeruzalem’s verwoesting en de verstrooiing van Israël in de gehele wereld, zo is daarmee ook vanzelf reeds begonnen het einde, of de toekomst van de Mensenzoon in heerlijkheid tot wederoprichting van het rijk van Israël, dat ook in de vloek onverwoestbare en in alle verstrooiing onvernietigbare geslacht, evenals in de ontvangenis van een kind ook zijn latere geboorte besloten ligt.
Ook onder u zullen (Hoofdstuk 16: 28) enigen zijn, die de dood niet zullen smaken, voordat de Mensenzoon op voorlopige wijze komen zal. Zo is voor Zijn komst ter voleinding van alles, wat Hij gesproken heeft, in uw eigen kring, werkelijk een borgtocht, een duidelijk onderpand gesteld. De gehele strijd van de Kerk heeft dus zijn verloop tussen een begin, dat Mijn woorden in beginsel en voorbeeld vervult en een einde, waarin de letterlijke vervulling van Mijn profetie wordt gezien. Die vervulling zal zeker komen. a) De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, wanneer de tijd van de opheffing van deze tegenwoordige wereldloop (Hoofdstuk 5: 18) komt, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. Nooit zal de tijd komen, dat zij geen betekenis meer hebben, of slechts een klank zouden zijn, die geen werking achterlaat.
Ps. 102: 27. Jes. 51: 6. Mark. 13: 31. Hebr. 1: 11.
a) Maar van die dag en uur, zowel wanneer het begin van de vervulling in Jeruzalems verwoesting gebeuren zal, alsook wanneer het einde komt, in het begin van de laatste dingen, weet niemand, ook niet de engelen van de hemelen, die als wachters (Dan. 4: 13) toch van menig uur weten, ook niet de Zoon hier op aarde, dan Mijn Vader alleen, en die zal pas dan, als het nodig is, nadere mededeling daarover geven.
Mark. 13: 32, Hand. 1: 7.
Wanneer bij Mark 13: 32 uitdrukkelijk daarbij staat: “ook niet de Zoon”, zo is dat bij Mattheus in “alleen de Vader”, evenzo ingesloten, als in Hoofdstuk 20: 23 de daarmee overeenkomende tegenstelling voorkomt. De Heere zegt niet: “dat heb Ik u niet te zeggen, Ik weet het niet voor u”, maar, “de Zoon weet het niet; ” dus Hij staat daardoor eenvoudig naast de Vader en de engelen. Om hier te knoeien en te scheiden: als mens weet Hij het niet, maar als God wel – zo’n tegelijk weten en niet weten verscheurt de eenheid van de persoon als Godmens; het is onmogelijk in de Mensenzoon, die wel de Zoon is, maar de ontledigde. Voor Zichzelf en Zijn geloofsweg, terwijl Hij als onze Voorganger ons gelijk moest worden (Hebr. 12: 2) kon en mocht Hij veel en niet name dit niet weten.
Karakteristiek is in dit woord de vereniging van majesteit aan de ene en van ootmoed aan de andere kant. De majesteit blijkt daaruit, dat Hij Zich boven de engelen plaatst – een ladder van drie sporten en die van de Zoon boven die van de engelen. Hij kon het eerder weten dan zij; de ootmoed blijkt daaruit, dat Hij ook van Zichzelf het niet weten van dag en uur bekent. Vele uitleggers verklaren het zou zó: dit weten heeft in Hem gesluimerd, maar Hij heeft het opzettelijk in deze slaap gelaten, heeft er niet over nagedacht; als deze wending zo gemeend is, dat het weten in Hem zou gelegen zijn, evenals iemand, die zich van nader onderzoek van een zaak onthouden wil, maar bij wie het weten daarvan in de grond toch voorhanden is, zo zou zij het woord wederspreken, dat geheel duidelijk het wezenlijke niet weten uitspreekt.
Dat behoort ook tot Zijn ontlediging, dat Hij het weten van dag en uur afgestaan heeft, want dit behoorde niet tot Zijn beroep, naar welks grenzen zich toch al Zijn vermogen en weten richtte; Hij verkondigt de zaken, voor zover wij het nodig hebben, de tijd is de zaak van de Vader, in wiens handen het bestuur van de wereld ligt.
Op de parallelle plaats Hand. 1: 7 , waar de Heiland na Zijn opstanding en onmiddellijk vóór de hemelvaart zegt, dat het voor de discipelen niet past tijd en uur van Zijn verschijning te kennen, mag uit deze plaats niet besloten worden, dat de Heere deze ook daar niet kende; omdat de Vader nu in Hem verheerlijkt was (Joh. 13: 31) zo kan nu Zijn weten niet anders zijn, dan dat van hen Vader zelf.
Uit Openbaring . 1: 1 leren wij, dat ook voor de discipelen en knechten van de Heere de tijd kwam, wanneer het “weet niemand”, zal eindigen; in de voortzetting van Zijn profetisch ambt van de hemel, deelt daar de verheerlijkte Christus de openbaring, die Hij van Zijn Vader voor dat doel ontvangen heeft, om aan Zijn knechten te tonen wat binnenkort gebeuren zou, aan Johannes op Patmos mee en deze openbaring bevat nu vaker tijdsbepalingen en wel eensdeels, hoe lang de dag van de verdrukking (vs. 21), die omwille van de uitverkorenen verkort zal worden, zal duren, waarvoor de reeds in Dan. 7: 25 en 12: 7 aangegeven bepaling vastgehouden wordt; ten andere voor de duur van de “tijden van de heidenen”, wanneer zij de heilige stad zullen vertreden, waar de twee getuigen intussen zullen profeteren en de vrouw op haar plaats in de woestijn gevoed wordt. Daarbij wordt tegelijk een aanwijzing over de tijd van de ontwikkeling van die wereldmacht, waaruit eens de Antichrist voortkomen zal, gegeven en daarmee voor het optreden van de laatsten zelfs de tijd aangewezen (Openbaring . 11: 2, 3, 9; 12: 6, 14; 13: 5). Intussen zijn deze tijdsbepalingen altijd nog zo gehouden, dat ze voor de Kerk pas dan juist duidelijk kunnen worden, wanneer het voor deze heilzaam is om tijd en uur te weten, om zich van hetgeen daar gebeurt een juist inzicht te verschaffen. Men zou echter zeker het doel van de Heere miskennen, als men alle pogingen, om tot enig begrip te komen, dadelijk voor een verwerpelijke voorbarigheid wilde verklaren. Wanneer er gebeurtenissen in de ontwikkeling van het kerkelijke en staatkundige leven komen, die het de wachters op Zions muren tot een onafwijsbare plicht maken om te onderzoeken hoe laat het is in de loop van het rijk van God op aarde, dan kunnen deze er zich niet van ontslaan het boek van de profetie voor zich te nemen en te beginnen aan de ontraadseling van zijn geheimen en aan de ontcijfering van zijn tijdsopgaven. Beiden zijn nauw met elkaar verbonden: de profetie, zoals Baco van Verulam zo treffend zegt, is de goddelijke beschrijving van de geschiedenis, die de voorkeur heeft boven de menselijke; bij haar gaat het verhalen van die feiten, die zij ontsluieren wil, vooraf, terwijl daarentegen de menselijke slechts verhalen kan, wat reeds gebeurd is; en evenals het menselijke schrijven van de geschiedenis in het geheel niet bestaan kan zonder tijdsorde, zonder jaartallen en data, zo kan ook deze goddelijke beschrijving van de geschiedenis, die profeteert, niet volstrekt zonder enige opgave van tijd zijn en wie, waar zulke opgaven voor ons liggen, versmaden wil om er zich behoorlijk mee bekend te maken, die zou ook nooit tot de juiste kennis van de profetie zelf komen. Men kan er niet aan twijfelen, of juist deze tegenwoordige tijd is in een zeer betekenisvol ontwikkelingstijdperk van de wereldgeschiedenis ingetreden, maar welke betekenis deze heeft, in welk licht wij haar naar Gods Woord zullen beoordelen, of zij ons voor een nieuw teken van de vooruitgang en de vrijheid, de eenheid en de versterking, of voor het begin van de eeuw van de Antichrist moet gelden, wie wil daarover een zekere uitspraak doen, daar zich in de grond voor de ene opvatting evenveel laat bijbrengen als voor de andere en de harten van de verlichte en geleerde mannen zelf verdeeld zijn, terwijl sommigen het beste van de toekomst verwachten en anderen het ergste vrezen? Hier moet Gods vinger ons juist, evenals de wijzer op een uurwerk, op een bepaald uur wijzen, dat geslagen heeft, opdat wij achterwaarts en voorwaarts ons goed terecht zullen bevinden en noch van een gedroomde toekomst dwepen, noch van verdriet vergaan over een verleden, dat niet meer terug te halen is. Inderdaad bewijst de Heere ons in Zijn profetisch woord deze dienst; het kan namelijk in het geheel niet meer twijfelachtig zijn, dat die “tijden van de heidenen”, gedurende welke Jeruzalem vertreden en Israël in de gevangenis is, met zó snelle stappen ten einde gaan, dat, zoals reeds meer is aangeduid, nu nog 25 jaar daarvan over zijn. Men nemen eerst slechts eenvoudig de woorden in Openbaring . 11: 2 voor zich: “en zij (de heidenen) zullen de heilige stad vertreden tweeenveertig maanden” en laat zich niet door de uitleggers in verwarring brengen, die onder de “heidenen” de wereld of de uiterlijke christenen, maar onder de heilige stad de Kerk in haar echte ware leden willen verstaan. Men erkenne hier de nadere opheldering van de Heere van Zijn woorden in Luk. 21: 24 : “En Jeruzalem zal door de heidenen vertreden worden (beter: zal een van de heidenen vertreden zijn), totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn; ” hij geeft voor deze toestand van de vertreding als tijdruimte 42 maanden op, hetgeen, wanneer gewone maanden bedoeld waren, slechts 3 ½ jaar zou bedragen: maar juist daardoor is deze opvatting meteen weerlegd en zien wij ons tot de andere gebracht, dat hier slechts sprake kan zijn van profetische maanden, d. i. van zulke, waar, evenals bij de jaarweken in Dan. 9: 24 vv. 1 dag = 1 jaar, een maand dus 30 jaren is, zodat wij voor 42 maanden de som van 1260 jaren krijgen. Evenals het nu bij de jaarweken van Daniël daarop aankom, om het tijdpunt of het juiste jaartal te vinden, vanwaar ze te rekenen zijn, om zich dan van de juiste vervulling van de profetie te overtuigen, zo ook hier bij de 42 maanden of 1260 jaren. Van het jaar van de verwoesting van Jeruzalem af kunnen wij niet rekenen, de heilige stad was in de volgende tijd ook eigenlijk niet vertreden door de heidenen, maar veeleer hooggeëerd door de Christenen; pas de inneming van de stad door de Kalif Omar, in het jaar 637 na Christus, heeft deze vertreding doen beginnen en zij heeft eeuw op eeuw voortgeduurd, niettegenstaande de pogingen van de kruistochten om de stad aan de ongelovigen te ontrukken. Wat men hiermee bedoelde, moest een vrome misleiding blijven, omdat volgens het woord van de openbaring pas na 1260 jaren van het begin af de vertreding een einde zou nemen. d. i. omstreeks het jaar 1897. Met dit einde van de vertreding van Jeruzalem zullen echter naar de uitdrukkelijke getuigenis van Christus bij Lukas ook de tijden van de heidenen vervuld worden, d. i. die tijden, gedurende welke het rijk van God van Israël genomen en de heidenen gegeven is, omdat zij geen vruchten voortbrengen. De vrouw, die 1260 profetische dagen of evenveel gewone jaren in de woestijn gevoed is op de door God haar bereide plaats, in hetgeen tot hiertoe de Christenwereld geweest is (Openbaring . 12: 6) -zij is nu ontbonden van de vloek van de verbanning en in de plaats van het eigenlijke verbondsvolk teruggetreden. Wat daarentegen met de uit de heidenen geroepene Christenheid geschiedt, dat zegt ons de profetie van de twee getuigen (Openbaring . 11: 3 vv). Zij, door wie het Christelijk getuigen geschiedt, waarin de stem en de invloed van de Kerk voorgesteld wordt en wel in die tijd, waarin aanzien en macht van de Kerk het grootst geweest zijn, zo dat vuur uit hun mond ging en hun vijanden verteerde en zij met hun ban de hemel honden sluiten en met hun ingrijpen in de loop van de wereld de aarde konden slaan met allerlei plagen, zo vaak zij wilden – zij, deze twee getuigen, waarin zich langzamerhand tegelijk de splitsing van de Kerk van het westen in twee delen (Mozes en Elia – Katholieke en Evangelische kerk) aanduidt, hebben nu hun getuigenis geëindigd. Men zal een strijd met hen voeren en zal hen overwinnen en zal hen doden, maar men zal hun dode lichamen niet laten begraven, maar ze laten liggen op de straten van de grote stad en zal zich verheugen over hen en geschenken onder elkaar zenden – want deze twee profeten kwelden degenen, die op de aarde wonen. Wanneer de 19de eeuw het feest van zijn overgang houdt tot de 20ste, in die Sylvesternacht, hoe heerlijk zal dan het gejuich zijn over de “machtige overwinning van de geest en het grote werk” van de scheidende eeuw, hoe zal men zich verheugen dat zich het pausdom uit het gehele gebied van het openbare en huiselijke leven gedrongen heeft, de ene Kerk gebonden en de andere aan zich geheel dienstbaar gemaakt heeft! Hoe zal men de nieuwe eeuw tegen juichen, die nu pas dit “grote en heerlijke” zal brengen, nadat de “geesten” vrij geworden zijn! Wie zal beweren, dat wij “razen”, dat onze grote geleerdheid ons brengt tot “razernij” (Hand. 26: 24), omdat wij zo profeteren? Zelfs zij, die niets van Gods woord willen weten en onze bijbeluitlegging verachten, moeten zeggen: ja, het zal en moet zo komen, zoals het hier gezegd is; de wind blaast reeds lustig door de zeilen en tot aan de twee laatste jaren van het tegenwoordige Jeruzalem zal ons schip het land, waarheen wij sturen, zeker bereikt hebben; wij kunnen ons de Sylvesternacht zo rijk aan vreugde tussen 1899 en 1900 toch niet laten ontgaan; zij zal een te heerlijk feest brengen! Maar ziedaar, wat zal het dan geven, wanneer men ook 1900 geschreven heeft en voor de poort van het jaar 1901 staat? Een jaar en twee jaren van de nieuwe Aera, wanneer de grote stad, die Sodom en Egypte heet, nu ook geestelijk tot een stad geworden is, omdat onze Heere gekruisigd is, heeft men in het algemeen de toestand van de bloei van koophandel en industrie gelukkig achter zich; en evenals de een zich reeds tot twee verdubbeld heeft, dan zal, zo zou men denken, de twee zich wel tot een vier verdubbelen, dat 1 + 2 + 4 = 7 is en ook het rijk van de anti-christelijke tijdgeest zijn jaarweken viert, evenals het rijk van Christus de zijne telt. Nu, men zal het wel denken, maar het boek van God rekent anders, dat heeft voor de heerschappij van de Antichrist eens voor altijd deze regel: 1 + 2 + ½ en dan is het uit met de heerlijkheid, dan zal ook het jaar 1901 midden doorgebroken worden. Men leze slechts Openbaring . 11: 11 : “En na drie dagen en een halve is een geest van het leven uit God in hen gegaan”, namelijk in die van de gedode getuigen, wier lichamen nog op de straten liggen. Het zijn zeker allereerst anderen, van wie het gezegde geldt; allereerst worden die verdorde beenderen weer levend, waarvan in Ezechiël. 37 geschreven staat, dat de Heere op Zijn tijd een adem in hen zal brengen en dat het onder hen zal ruisen en zich bewegen; eerst worden de takken van de vijgenboom sappig en krijgen bladeren, waaraan de discipelen van de Heere, die zich in de dagen van de verdrukking niet tot dwaling hebben laten verleiden, kunnen bemerken, dat de zomer nabij is. Maar wanneer nu de gedode getuigen op hun voeten staan, wanneer de stem van de hemel klinkt: “Komt herwaarts op!” en zij varen werkelijk op naar de hemel in een wolk, of, om de profetie van haar zinnebeeldige bedekking te ontdoen, het aan Christus gelovig wordende Israël verenigt zich met zijn Bruidegom en Koning en trekt naar Kanaän, om de beloften te beërven – zal er dan niet een vrees vallen over diegenen, die het zien? Zullen niet hun vijanden, die de historische Christus over boord geworpen hebben, om de Christus van de verbeelding daarvoor in te ruilen, zich verwonderen dat deze historische Christus, niettegenstaande alle machtspreuken van het wetenschappelijk onderzoek toch nog leeft? Zullen niet de hoge geesten, die het nieuwe huis van menselijke werken met de stenen en de kalk van de beschaving gebouwd hebben, elkaar vragend aanzien, hoe het toch mogelijk is dat het oude in het beschaafde Europa geheel vernietigde huis van de heilige Christelijke kerk zo opeens nieuw daar staat boven in Azië, op heilige grond? En zal dat niet de eerste bres schieten in alle systemen en theorieën, volgens welke de Bijbel niets is, maar de onderzoeken en uitvindingen van de menselijke geest juist van waarheid en van bestaan op haar kant hebben, wanneer de Nazarener juist nu, waar Zijn nederlaag voor altijd scheen te zijn beslist, de sterkste vesting inneemt en het bijna tweeduizend jaar tegen Hem oproerige Israël zich overwonnen aan Zijn voeten legt? “Geef mij met één enkel woord een zeker bewijs voor de waarheid en onomstotelijkheid van hetgeen in de Bijbel staat”, zei een bekende vorst eens tot een van zijn vrome en Christelijk gelovige officieren; het antwoord daarop was: “Sire, de Joden!” Dit zeker bewijs zal dan nog eens een meer algemeen en dieper verstommen opwekken, wanneer men nu voor ogen ziet: “De hemelen en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. ” Hoeveel geleerde commentaren, hoeveel in duizenden en nog eens duizenden exemplaren verbreide boeken zullen dan verder niets waard zijn, dan dat men ze in het vuur werpt; hoe zal men zich schamen, om van de uitkomsten van de bijbelse kritiek, waarvan men nu zoveel ophef maakt, ook nog slechts een woord te gewagen, omdat zij nu zijn gebleken slechts voortbrengselen van menselijke wetenschap te zijn. De bolwerken en vestingen, de ontwerpen en hoogten, die zich nu zo machtig verheffen tegen de kennis van God, zodat de gelovige theologie geheel tevergeefs aan haar verwoesting werkt, evenals stro voor de wind worden zij verdreven, wanneer Christus Zijn gevangen volk zal verlossen. Maar er komt ook nog iets achter aan; met de stoot, die de wetenschap geleden heeft, is het niet genoeg; er behoort ook een grote aardbeving bij, ten gevolge waarvan een tiende deel van de stad zal vallen en de doding van de zevenduizend namen van mensen. Dan zullen ook hier in Europa, op het gebied van de oude Christenheid, de mensen de schellen van de ogen vallen; zij zullen verschrikken over het huis, dat zij zich gebouwd hadden en dat zo velen en zoveel bij zijn val in as en puin begraven heeft en zullen beginnen de God van de hemel weer de eer te geven, nadat de goden van de aarde hen zo smadelijk bedrogen hebben. Zo weten wij dus voor welke tijd wij staan en hoe wij ons te houden hebben omtrent hetgeen hij ons brengt; wij dwepen niet met een nieuwe staatsregeling, alsof van daar al het heil van de Kerk zou komen en schreeuwen ons de keel daarover niet moe, omdat het zolang uitgesteld schijnt te worden; wij worden echter ook niet moedeloos, wanneer, nadat de Lutherse Kerk haar belijdenis en haar rechten heeft moeten afgeven, ook de verenigde Kerk aan de beurt komt, tot ten slotte het begrip van de Kerk zelf opgelost wordt en het grote huis in de plaats komt. Het is alles in Gods voorbedachte raad besloten; maar nu zien wij naar de vijgenboom en maken onze rekening daarnaar, wanneer zijn takken sappig worden en bladeren krijgen, dan weten wij, dat de zomer nabij is. Wij zullen naderhand ook nog van een eeuw latere tijd te spreken hebben; maar reeds voor de hier voorgestelde periode hebben de volgende woorden van de Heere hun betekenis en wij beginnen meteen aan de verklaring.
a) En zoals de dagen van Noach waren, toen God zo uitdrukkelijk gezegd had: nog 120 jaar (Gen. 6: 3), zo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen, wat zorgeloosheid en onbedachtzame gerustheid van de mensen omtrent hetgeen hen wacht, aangaat.
Luk. 17: 26. 1 Petrus . 3: 20. 2 Petrus . 2: 5.
Want zoals zij waren in de dagen vóór de zondvloed, onbekommerd over hun zielenheil, alleen bedacht op het aardse en bij de dag voortlevend, alsof het nooit anders kon worden, etend en drinkend, alsof hun niets kon overkomen, trouwend, wat de mannelijke personen betreft en de vrouwelijke ten huwelijk uitgevend, alsof nog een lang leven hen wachtte, tot de dag toe, waarin Noach in de ark ging, het reeds 7 dagen te voren begonnen intrekken voleindigd had (Gen. 7: 13).
En bekenden het niet, noch wat hun met dat uitstel van 120 jaren gezegd was, noch wat het bouwen van de ark en het intrekken van Noach daarin hun voor ogen schilderde, totdat de zondvloed kwam en hen allen als een gericht van God wegnam; zo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen. Het gericht, dat begint, blijft de mensen verborgen tot aan het laatste beslissende ogenblik. Al is het nog zo duidelijk voorgesteld en voorspeld, het overvalt hen midden in hun dagelijkse gewoonten en bezigheden (Luk. 17: 26-30).
Is het dan niet de orde van de natuur, te eten, te drinken, te huwelijken? Zeker, maar er is nog een hogere orde dan die van de natuur; er is ook een zedelijke geestelijke orde van God voor de naar Gods beeld geschapen en tot zonde vervallen mens, voor de mens met zijn redelijke geest, met zijn zedelijk geweten en deze mens moet de mens van de natuur beheersen. Leeft de mens dus alleen naar de orde van de natuur, dan zaait hij alleen op het vlees en zal uit het vlees de verderfenis maaien; hij moet zaaien in de geest: ook door zijn natuurlijk leven zal hij uit de geest het eeuwige leven maaien.
Ook bij de toekomst van de Heere zullen de mensen zorgeloos voortleven, enig en alleen zich met hun aardse behoeften en genietingen bemoeiend, totdat de Zoon des mensen komen zal en hen, die er niet aan dachten, herinneren, hen, die het niet geloofden, overtuigen dat Zijn woorden waarheid zijn.
Het oordeel was algemeen, rijk noch arm ontkwam; geleerden en ongeleerden, gevierden en verachten, godsdienstigen en goddelozen, ouden en jongen, allen ondergingen een algemene ondergang. Sommigen hadden ongetwijfeld de aartsvader bespot; waar bleef nu hun vrolijke scherts? Anderen hadden hem om zijn ijver gedreigd, die zij als krankzinnig aanmerkten; waar bleven nu hun snoeverijen en harde woorden? De criticus, die het werk van de oude man veroordeelde, is in dezelfde zee verdronken, die zijn spottende makkers bedekt. Zij, die medelijdend over de getrouwheid van de goede man aan zijn overtuiging spraken, maar haar niet deelden, zijn weggezonken om niet meer te verrijzen en de arbeiders, die om loon de wonderlijke ark hielpen bouwen, zijn ook allen omgekomen. De vloed nam allen weg en maakte geen enkele uitzondering. Zo is er ook buiten Christus, voor allen, die uit vrouwen geboren zijn, een zekere verwoesting te wachten. Maar, God zij geprezen, allen, die in de ark waren, waren veilig, geen verderf kwam daarbinnen. Allen waren veilig, van de grote olifant tot aan het kleine muisje toe. De schuchtere haas was evenzeer beschut als de moedige leeuw, het hulpeloze konijn even zeker als de werkzame os. Allen zijn veilig in Jezus. Mijn ziel, bent u in Hem?
a)Dan, wanneer met het gericht tevens de scheiding plaats heeft tussen hen, die naar dit leven nog met elkaar verbonden waren, zullen er twee mannelijke personen met elkaar op de akker zijn, om tezamen veldarbeid te verrichten; de een zal aangenomen, de ander zal als niet daartoe behorend verlaten worden; hij zal worden overgegeven aan zijn zoeken van enkel aardse dingen en aan het lot, dat daarvan het gevolg is.
Luk. 17: 34. 1 Thessalonicenzen. 4: 17.
Er zullen twee vrouwen malen in de molen 16: 24″); de ene zal aangenomen de andere zal verlaten worden (Luk. 17: 34-36).
Hoe vaak moeten Christenen in het maatschappelijke samenwerken met degenen, die geen Christenen zijn. Hoevelen staan lijnrecht tegenover elkaar in beginselen en zijn toch geroepen om hetzelfde werk te doen. Dan zal alle samenwerking ophouden, die niet op een gemeenschappelijke grondslag rust. Eenmaal komt de Christen in zijn vol levenselement, waaruit hij niet meer getrokken zal worden.
a) Waak dan, aanhoudend biddend, opdat u ten allen tijde bereid bent (Mark. 13: 33), want u weet zelfs bij hetgeen er over de laatste dingen geopenbaard is, niet op welke dag en in welk uur, overdag of ‘s avonds, om middernacht of bij het hanengekraai (Mark. 13: 35) uw Heere komen zal.
MATTHEUS. 25: 13. Luk. 12: 40; 21: 36.
Is ons sterven niet voor ons in de wezenlijkste zin van het woords een komst van de Heere, een einde van de wereld, een ontzagwekkende oordeelsdag? Zal met onze dood niet alles onherroepelijk zijn beslist? Stellen wij ons dan getrouwer ons laatste uur voor ogen en werpen wij van dat hoogste punt van ons leven een blik neerwaarts op de ellendige hartstochten en de nietige belangen van deze wereld! Wat is de aarde klein, als zij van de hoogten van de hemel gezien wordt! Wat is het leven kort, naar de eeuwigheid afgemeten! Wat zijn onze genoegens van grove aard, vergeleken bij de liefde van God? Hoe licht te achten zijn onze smarten, in vergelijking met een eeuwig gewicht van de heerlijkheid en hoe beklagenswaardig is de staat van een zondaar voor ons, die hem blindelings zijn eeuwig verderf tegemoet ziet treden!
a) Maar leidt uit een voorbeeld uit het dagelijkse leven af, hoe de onwetendheid over uur noodzakelijk bestendige waakzaamheid nodig maakt. Weet dit, dat als de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake, op welk nachtelijk uur de dief komen zou om bij hem in te breken, hij zou gewaakt hebben op dat uur en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Omdat echter de dief zowel op het ene als het andere uur van de nacht kan komen, blijft hem niets over dan de gehele nacht te laten waken, als hij niet bestolen wil zijn.
Luk. 12: 39.
Dit voorbeeld van een voorzichtige huisvader moet op uw geestelijke aangelegenheden worden overgebracht. Daarom bent ook u bereid op ieder ogenblik, want in welke uur u het niet meent, zal de Zoon des mensen komen, die ten opzichte van zijn dag als een dief zal komen (1 Thessalonicenzen. 5: 2. 2 Petrus . 3: 10. Openbaring . 3: 3; 16: 15).
Om deze woorden van de Heere houdt men het voor verboden om de tijdsbepalingen van de Openbaring, waarvan wij boven melding maakten, voor het forum van de chronologie te brengen en daaruit bepaalde jaartallen te berekenen, zoals wij hebben gedaan. Die tijdsbepalingen zouden alleen in het bereik van de symboliek behoren en men zou er zich alleen mee moeten bezig houden om de geestelijke, zinnebeeldige betekenis daarvan te onderzoeken en duidelijk te maken. Zo zou het woord van de Heere, dat de dag van de Heere zal komen als een dief in de nacht, onaangeroerd kunnen blijven en de daarmee samenhangende vermaning tot bestendige waakzaamheid, in haar gehele ernst kunnen blijven bestaan. Wij hebben veel daartegen in te brengen: 1) Juist dat algemeen maken van de tijdsopgaven van de Openbaring doet schade aan het ware bereid zijn, omdat het aan de mening voedsel geeft: “mijn Heer vertoeft te komen” (vs. 48); “van die dag dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen zo, zoals van het begin van de schepping. ” (2 Petrus . 3: 4). De Christen moet ergens zijn berekeningen voor de toekomst maken. Zoekt hij nu daarvoor niet zijn steun in de chronologie van de Schrift, dan is hij in gevaar, om evenals vóór de schepping van de wereld, duizenden jaren te stellen ten einde de vermeende zekere resultaten van het onderzoek van de aarde met de bijbel in overeenstemming te brengen, evenzo achter de ontwikkeling van de kerkgeschiedenis nog eeuwen te plaatsen, voordat het einde van de dingen begint, om de grote vooruitgang, waarvan het geslacht van deze tijd droomt, ruimte te geven. 2) Als het ons, zoals wij geloven, gelukt was, de tijdsbepalingen van de Openbaring juist te verklaren en onze verklaring met een zekere overtuiging te vestigen, zou nooit inbreuk zijn gemaakt op bovenstaande woorden van de Heere. Onze berekening en uitlegging zal op zijn hoogst een ogenblik sensatie wekken, misschien ook hier en daar tegenspraak opwekken, maar ten slotte zal niemand er zich meer aan storen en enkele zielen slechts zal het tot troost en opwekking dienen. Het was toch in Noach’s dagen de mensen ook gezegd, dat God nog een uitstel van 120 jaren gegeven had. Het bouwen van de ark en het intrekken daarin predikte luider nog dan het woord van de openbaring, maar het verhinderde niet dat men at en dronk, trouwde en ten huwelijk uitgaf, alsof de wereld eeuwig zou bestaan. Ja men ging pas juist zijn gang, om te tonen hoe weinig men zich door Noach’s dweepachtige uitvallen liet verontrusten. 3) Staan de tijdsopgaven nu eenmaal in de Bijbel, zo moeten ook deze, evenals alles wat de Schrift bevat, nuttig zijn tot lering, tot bestraffing, tot verbetering, tot onderwijzing in de rechtvaardigheid. Evenmin als het enkel een symbool is geweest, wanneer God in Jer. 25: 11 en 29: 10 de tijd van de Babylonische ballingschap op 70 jaren bepaalde en in Dan. 9: 24 vv. de tijd tot op Christus tot 70 jaarweken beperkte, evenmin hebben wij ons bij de apocalyptische tijdsbepalingen, alhoewel zij een zeker uitvloeisel zijn van de heilige symboliek en zich nauwkeurig binnen de grenzen daarvan houden, te beperken tot de zinnebeeldige betekenis. De Heere rekent werkelijk met ons naar jaargetijden, evenals ook de geschiedenis van Zijn Kerk niet anders dan in gewone, menselijke perioden van tijd ten einde kan lopen. 4) Het is zeer duidelijk en onweersprekelijk, dat, nadat met Dan. 9: 24 vv. een bepaalde profetische chronologie voor de tijd van Christus begonnen is, de tijdsbepalingen in Openbaring . 11-13 een voortzetting van dit begin moeten zijn; dit kan reeds uitwendig opgemerkt worden. Evenals namelijk die chronologie van Daniël zich uit een kluwen van 70 jaren bij Jeremia ontwikkeld heeft (vgl. Dan. 9: 1 vv. ) en de 70 jaarweken slechts een verdere ontwikkeling zijn van de goddelijke mening in die 70 jaren vervat, dan bevatten de 70 jaarweken weer een kluwen, omdat de laatste van deze slechts tot op haar midden is vervolgd, het slot van de profetie van de verwoesting van stad en heiligdom en van het woest blijven tot op het einde van de strijd zich niet in de enge beperking van de tweede helft van deze eeuw laat insluiten. Deze tweede helft, die een tijdruimte van 3 ½ jaar = 42 maanden, of 1260 dagen omvat, moet nu eveneens tot 42 profetische maanden, of 1260 dagen worden uitgebreid, evenals de 70 jaren van Jeremia tot 70 jaarweken of 7×70 jaren bij Daniël zich hebben ontwikkeld, om de verdere toekomst aan te vullen. Tot bijzondere verklaring van de afdeling, van de rede van Christus, die voor ons ligt, zij nog opgemerkt, dat vs. 37-41 van bijzonder gewicht zal zijn bij de bekering van de Joden; de volgende verzen daarentegen zullen vooral betekenis hebben voor de Christenheid en de gebeurtenissen, in Openbaring . 11: 13 voorspeld, waarin, hoewel niet zichtbaar en eindelijke oordeel, toch de Zoon des mensen komt en door de Zijnen moet verwacht worden, opdat zij zich voor Zijn toekomst bereid en wakend zullen tonen. Daarmee moet echter natuurlijk het beslissend gewicht en de ernstige betekenis van de afdeling voor de laatste en allerlaatste tijd niet worden ontkend. Het komt er slechts op aan, dat wij niet alles toeschrijven aan het geslacht van de tijd van Christus’ wederkomst tot het laatste oordeel, alsof zij, die die tijd niet beleven, alleen een indirect aandeel daaraan hadden.
a) Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, die overeenkomstig het zo-even uitgesproken voorschrift: bent bereid handelt in het ambt van de prediking (Hand. 6: 4. 1 Kor. 4: 1), die zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hun het woord van de waarheid recht toe te delen (2 Tim. 2: 15), om hen hun voedsel te geven op de juiste tijd? Zonder twijfel hij, die zich daarin een rechtschapen en onbestraffelijk arbeider betoont en zijn roeping onafgebroken en nauwkeurig waarneemt.
MATTHEUS. 25: 21. Luk. 12: 42.
Zalig is die dienstknecht, die zijn heer, op het onverwacht in zijn huis komend, zal vinden, zo doende, geheel en alleen bezig, om het gezin op de juiste tijd voedsel te geven en al het andere terzijde stellend, waardoor hij zichzelf zou zoeken.
Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem van de geringste post tot de hoogste, die hij te begeven heeft, zal verheffen, dat hij hem zal zetten tot een rentmeester (Luk. 16: 1) over al zijn goederen, omdat hij ook daartoe trouw en nauwgezetheid verwachten mag.
Deze eerste gelijkenis van de trouwe en voorzichtige knecht doelt voornamelijk op de tot een ambt geroepen dienaars van de Heere in Zijn huis of Zijn gemeente. Ten eerste wordt beschreven de plicht van de ware knecht, zoals hij zelf die erkent, vervolgens zijn getrouwheid, die hij in de waarneming betoont en ten slotte zijn loon, dat hij daarvoor ontvangt. Wie is die getrouwe en voorzichtige knecht, die ik nu wil schilderen? zo vraagt de Heere opwekkend en vermanend, opdat ieder zichzelf vraag: “ben ik het wel?” Tevens betekent de vraag, zoals Luther 12: 42) zeer juist heeft omschreven: (wat een grote zaak is zo een!) zullen er wel velen van zulke gevonden worden als de Heere komt? “Getrouw en voorzichtig; ” het eerste staat vooraan, omdat de juiste voorzichtigheid van het hart, dat eenvoudig op dat ene ziet (Luk. 12: 34), alleen uit de trouw voortkomt, met haar één is. Toch mogen wij, voor zover het ons nog ontbreekt, ons omgekeerd door voorzichtigheid tot getrouwheid laten dringen. Het voedsel, dat de dienstknecht, die over het gehele gezin is gesteld, moet uitdelen, is het woord van Christus; en daarin komt het hierop aan, dat men het onverminderd en onvervalst, met wijsheid en trouw, naar behoefte en juist op de juiste tijd uitreikt, zó, dat noch karig wordt voorgehouden, noch zonder overleg wordt uitgesproken. Die de Heere zo vindt, die prijst Hij zalig; in de eerste plaats reeds, omdat hij zalig is in zijn doen (Jak. 1: 25); vervolgens omdat het hem nieuwe zaligheid wordt door zijn heer zo te worden gevonden; ten slotte belooft de Heere hem daarmee een grote promotie van het weinige tot het vele, 1 Tim. 3: 13.
Door deze verheffing tot de hoogste post van bestuurder is afgebeeld het medeheersen in het Messiasrijk naar de mate, die overvloedig de getrouwheid en voorzichtigheid in dienen vergeldt.
Maar als die andere kwade dienstknecht, wie zijn plicht niet ter harte gaat en die er slechts op bedacht is om zoveel mogelijk voor zichzelf te winnen, in zijn hart zou zeggen: Mijn Heer vertoeft te komen, zodat ik voor een verrassing niet hoef te vrezen.
En dan, menend dat hij nog tijd genoeg zou hebben om alles in orde te brengen tegen de regentijd, zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, zowel de meer getrouwe en voorzichtige ambtgenoten, opdat zij hem niet in de weg zouden treden, als de knechten en dienstmaagden van het huis zelf, die hij op de juiste tijd hun voedsel moest geven – en zo hij zou beginnen te eten en te drinken met de dronkaards, zodat hij het hem toevertrouwde goed verzwelgt:
Zo zal de heer van deze dienstknecht komen op de dag, waarop hij hem niet verwacht, waarin hij meent, dat hij nog in lange tijd de wederkomst niet heeft te vrezen en op het uur, dat hij niet weet, die niet overeenkomstig zijn berekening is (vs. 48).
En hij zal hem afscheiden, als voorwerp van de zwaarste toorn met de zaag midden van elkaar snijden en, wat zijn lot voor de toekomst aangaat, zijn deel zetten met de geveinsden. Hij zal hem daar een plaats aanwijzen, waar de huichelaars zijn, als waarvan hij getoond heeft een te zijn, omdat hij bij zijn aanstelling het goede beloofde, ook bij de aankomst van de heer zich dacht voor te stellen als een, die zijn plicht betrachtte, terwijl toch dadelijk zijn hart verkeerd was en hij spotte met zijn heer als met een, die men gemakkelijk kon bedriegen. Daar, waar hij dan zijn deel ontvangt, namelijk in de hel, zal het wenen en tandengeknars zijn (Hoofdstuk 8: 12; 13: 42; 22: 13. Luk. 12: 35-48.
Zeer juist is wat v. Oosterzee opmerkt, dat de gehele kerkgeschiedenis de beelden van zulke onwaardigen vertoont en de geest van deze gehele waarschuwing reeds in de brieven van de apostel Petrus doorstraalt (vgl. 1 Petrus . 5: 3; 2 Petrus . 3: 3). Evenzo kan niet ontkend worden wat P. Lange aantoont, dat de grote historische tegenstelling van inquisities en aflaten hier vrij nabij ligt en de kwade dienstknecht aan een herinnert, wiens gezindheid naast spottend ongeloof de zelfmisleiding is, dat hij bij het uitblijven van de Heer het gehele bestuur van het huis in handen moet nemen. Evenals nu in onze tijd in de Katholieke kerk het pausdom in vereniging met diegenen, die het beheersen, door overweldiging van het episcopaat tot doorzetten van de Vaticaanse decreten en door onderwerping van de gewetens onder zijn absolute autoriteit door middel van provocatie en mogelijke excommunicatie het “slaan van de mededienstknechten” in de volle zin van het woord uitoefent, zo ontbreekt het daaraan ook thans niet in de Evangelische kerk. De beul, waarvan men zich ten eerste nog bedient, is de teugelloze pers, totdat de zozeer begeerde nieuwe inrichting zelf de middelen en wegen aan de hand geeft, om alle ware getuigen de mond te stoppen, diegenen, die op aarde wonen en zich door de twee profeten gekweld voelen, tot de heerschappij te brengen en de tijd, die wij boven volgens Openbaring . 11: 7-10 karakteriseerden, naderbij te brengen. Een voorgevoel, dat het zo zal worden, is vooral de beweegreden geweest van het terughouden, waarmee men het vaker in uitzicht gestelde toch weer steeds heeft vertraagd. Wanneer het ten slotte zal komen, zal het ten eerste geen vrede en heil aanbrengen, maar leiden tot oplossing van de Kerk. Is echter Openbaring 11: 13 vervuld, dan zal het zeker een zegen voor de herboren Kerk zijn.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel