Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1In dienG1565tijdG2540 ging JezusG2424, op een sabbatdagG4521, door het gezaaideG4702, en Zijn discipelenG3101 hadden hongerG3983, en begonnenG756arenG4719 te plukkenG5089, en te etenG2068.In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.
KJVAt1that2time4Jesus7went5on the sabbath day9through10the corn;12and14his16disciples15were an hungred,17and18began19to pluck20the ears of corn,21and22to eat.
1ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)2εκεινωG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those3τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4καιρωG2540tijd, tijden, gelegenhedenX always, opportunity, (convenient, due) season, (due, short, while) time, a while5επορευθηG4198reisde, reizen, reisden--depart, go (away, forth, one's way, up), (make a, take a) journey, walk6οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7ιησουςG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus8τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9σαββασινG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week10διαG1223door, om, vanwegeafter, always, among, at, to avoid, because of (that), briefly, by, for (cause) … fore, from, in, by occasion of, of, by reason of, for sake, that, thereby, therefore, X though, through(-out), to, wherefore, with (-in)11τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12σποριμωνG4702gezaaidecorn(-field)13οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)15μαθηταιG3101discipelen, discipel, discipelsdisciple16αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which17επεινασανG3983hongerde, hongerig, hongerenbe an hungered18καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet19ηρξαντοG756begon, begonnen, beginnen(rehearse from the) begin(-ning)20τιλλεινG5089plukken, pluktenpluck21σταχυαςG4719aren, aarear (of corn)22καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet23εσθιεινG2068eet, eten, atendevour, eat, live
2En de Farizeen, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2EnG1161 de FarizeenG5330, dat ziendeG1492, zeidenG2036 tot HemG846: ZieG2400, Uw discipelenG3101doenG4160, watG3739nietG3756geoorloofdG1832 is te doenG4160opG1722 den sabbatG4521.En de Farizeen, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat.
KJVBut2when the Pharisees3sawit, they saidunto him,6Behold,thydisciples9do11that which12is14not13lawfulto do15upon16the sabbath day.
1οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3φαρισαιοιG5330Farizeen, Farizeer, FarizeersPharisee4ιδοντεςG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed5ειπονG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter6αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7ιδουG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed8οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9μαθηταιG3101discipelen, discipel, discipelsdisciple10σουG4771u, gij, gijliedenthou11ποιουσινG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield12οG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc13ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but14εξεστινG1832geoorloofdbe lawful, let, X may(-est)15ποιεινG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield16ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)17σαββατωG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
3Maar Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3MaarG1161 Hij zeideG2036 tot hen: Hebt gij nietG3756gelezenG314, watG5101DavidG1138gedaanG4160 heeft, toen hem hongerdeG3983, en hun, die metG3326 hem waren?Maar Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren?
KJVBut2he saidunto them,4Have ye6not5readwhat7David9did,8when10he12was an hungred,11and13they15that were with him;
1οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter4αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but6ανεγνωτεG314gelezen, leest, lezenread7τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why8εποιησενG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield9δαβιδG1138David, DavidsDavid10οτεG3753toen, wanneerafter (that), as soon as, that, when, while11επεινασενG3983hongerde, hongerig, hongerenbe an hungered12αυτοςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which13καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet14οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15μετG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)16αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
4Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar den priesteren alleen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4HoeG4459 hij gegaanG1525 is inG1519 het huisG3624GodsG2316, enG2532 de toonbrodenG740gegetenG5315 heeft, dieG3739 hem niet geoorloofdG1832warenG1510 te etenG5315, noch ook hun, die metG3326hemG846 waren, maar den priesterenG2409 alleen.Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar den priesteren alleen.
KJVHow1he entered into2the house5of God,7and8did eat13the shewbread,10which14wasnot15lawful16for him18to eat,19neither for20them which22were with him,23butonly28for the priests?
1πωςG4459hoe?, op welke wijzehow, after (by) what manner (means), that2εισηλθενG1525ingaan, ingegaan, inkomenX arise, come (in, into), enter in(-to), go in (through)3ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with4τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5οικονG3624huis, huize, huizenhome, house(-hold), temple6τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7θεουG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10αρτουςG740brood, broden, Brood(shew-)bread, loaf11τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12προθεσεωςG4286voornemen, toonbrodenpurpose, shew(-bread)13εφαγενG5315eten, gegeten, eeteat, meat14ουςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc15ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but16εξονG1832geoorloofdbe lawful, let, X may(-est)17ηνG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was18αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which19φαγεινG5315eten, gegeten, eeteat, meat20ουδεG3761ook niet, nochneither (indeed), never, no (more, nor, not), nor (yet), (also, even, then) not (even, so much as), + nothing, so much as21τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc22μετG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)23αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which24ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether25μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without26τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc27ιερευσινG2409priester, priesters, priesteren(high) priest28μονοιςG3441alleen, enigalone, only, by themselves
5Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5OfG2228 hebt gij nietG3756gelezenG314inG1722 de wetG3551, datG3754 de priestersG2409 den sabbatG4521ontheiligenG953 in den tempelG2411, op de sabbatdagenG4521, enG2532 nochtans onschuldigG338zijnG1510?Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn?
KJVOr1have ye3not2readin4the law,6how that7on the sabbath days9the priests11in12the temple14profane17the sabbath,16and18areblameless?
1ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea2ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but3ανεγνωτεG314gelezen, leest, lezenread4ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)5τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6νομωG3551wet, wetten, Wetlaw7οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why8τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9σαββασινG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week10οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11ιερειςG2409priester, priesters, priesteren(high) priest12ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)13τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14ιερωG2411tempel, tempels, heiligetemple15τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16σαββατονG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week17βεβηλουσινG953ontheiligenprofane18καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet19αναιτιοιG338onschuldig, onschuldigenblameless, guiltless20εισινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was
6En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En Ik zegG3004uG4771, datG3754 Een, meerderG3187 dan de tempelG2411, hier isG1510.En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is.
KJVBut2I say1unto you,That4in this place9is onegreater thanthe temple.
1λεγωG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3υμινG4771u, gij, gijliedenthou4οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why5τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6ιερουG2411tempel, tempels, heiligetemple7μειζωνG3173grote, groot, groten(+ fear) exceedingly, great(-est), high, large, loud, mighty, + (be) sore (afraid), strong, X to years8εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was9ωδεG5602hier, op deze plaatshere, hither, (in) this place, there
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
7Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7DochG1161zoG1487 gij gewetenG1097 hadt, watG5101 het zijG1510: Ik wilG2309barmhartigheidG1656 en nietG3756offerandeG2378, gij zoudt de onschuldigenG338nietG3756veroordeeldG302 hebben.Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
KJVBut2if1ye had known3what4this meaneth,I will have7mercy,6and8not9sacrifice,10ye would12not11have condemned13the guiltless.
1ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3εγνωκειτεG1097gekend, weten, kentallow, be aware (of), feel, (have) know(-ledge), perceived, be resolved, can speak, be sure, understand4τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why5εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was6ελεονG1656barmhartigheid, Barmhartigheid(+ tender) mercy7θελωG2309wil, wilt, willendesire, be disposed (forward), intend, list, love, mean, please, have rather, (be) will (have, -ling, - ling(-ly))8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but10θυσιανG2378offerande, offeranden, slachtofferensacrifice11ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but12ανG302drukt voorwaardelijkheid uit; blijft meestal onvertaald(what-, where-, wither-, who-)soever13κατεδικασατεG2613veroordeeld, verdoemd, verdoemtcondemn14τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15αναιτιουςG338onschuldig, onschuldigenblameless, guiltless
8Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8WantG1063 de ZoonG5207 des mensenG444isG1510 een HeereG2962ookG2532 van den sabbatG4521.Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.
KJVFor2the Son8of man10isLord1even4of the sabbath day.
1κυριοςG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir2γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet3εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was4καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet5τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6σαββατουG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week7οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8υιοςG5207Zoon, zoon, kinderenchild, foal, son9τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10ανθρωπουG444mensen, mens, Menscertain, man
9En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9EnG2532 van daar voortgaandeG3327, kwamG2064 Hij inG1519 hun synagogeG4864.En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge.
KJVAnd1when he was departed2thence,3he went4into5their8synagogue:
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2μεταβαςG3327overgegaan, Vertrek, gegaandepart, go, pass, remove3εκειθενG1564vandaar, van die plaatsfrom that place, (from) thence, there4ηλθενG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set5ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with6τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7συναγωγηνG4864synagoge, synagogen, vergaderingassembly, congregation, synagogue8αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
10En ziet, er was een mens, die een dorre hand had, en zij vraagden Hem, zeggende: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen).
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En zietG3708, er wasG1510 een mensG444, die een dorreG3584handG5495hadG2192, enG2532 zij vraagdenG1905HemG846, zeggendeG3004: Is het ook geoorloofdG1832 op de sabbatdagenG4521 te genezenG2323? (opdatG2443 zij HemG846 mochten beschuldigenG2723).En ziet, er was een mens, die een dorre hand had, en zij vraagden Hem, zeggende: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen).
KJVAnd,1behold,there wasa man3which had7his hand6withered.8And9they asked10him,11saying,12Is it lawful13to heal17on the sabbath days?16that18they might accuse19him.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ιδουG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed3ανθρωποςG444mensen, mens, Menscertain, man4ηνG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was5τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6χειραG5495handen, handhand7εχωνG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use8ξηρανG3584dorre, dor, drogedry land, withered9καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet10επηρωτησανG1905vraagde, vraagden, vragenask (after, questions), demand, desire, question11αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which12λεγοντεςG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter13ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether14εξεστινG1832geoorloofdbe lawful, let, X may(-est)15τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16σαββασινG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week17θεραπευεινG2323genezen, genas, genezendecure, heal, worship18ιναG2443opdat, dat, wilalbeit, because, to the intent (that), lest, so as, (so) that, (for) to19κατηγορησωσινG2723beschuldigen, beschuldigd, beschuldigdenaccuse, object20αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
11En Hij zeide tot hen: Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo datzelve op een sabbatdag in een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En Hij zeideG2036 tot hen: Wat mensG444 zal er zijnG1510onderG1537uG4771, die een schaapG4263heeftG2192, en zoG1437 datzelve op een sabbatdagG4521inG1519 een grachtG999valtG1706, die hetzelveG846 niet zal aangrijpenG2902 en uitheffenG1453?En Hij zeide tot hen: Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo datzelve op een sabbatdag in een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen?
KJVAnd2he saidunto them,4What5man9shall there beamong7you,that10shall have11one13sheep,12and14if15itfall16into20a pit21on the sabbath day,19will he23not22lay holdon it,24and25lift it out?
1οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter4αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5τιςG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why6εσταιG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was7εξG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)8υμωνG4771u, gij, gijliedenthou9ανθρωποςG444mensen, mens, Menscertain, man10οςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc11εξειG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use12προβατονG4263schapen, schaapsheep(-fold)13ενG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some14καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet15εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)16εμπεσηG1706vallen, valle, gevallenfall among (into)17τουτοG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who18τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19σαββασινG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week20ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with21βοθυνονG999grachtditch, pit22ουχιG3780neen, geenszinsnay, not23κρατησειG2902grepen, houdt, vangenhold (by, fast), keep, lay hand (hold) on, obtain, retain, take (by)24αυτοG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which25καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet26εγερειG1453opgewekt, opgestaan, Staawake, lift (up), raise (again, up), rear up, (a-)rise (again, up), stand, take up
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
12Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Hoe veelG4214 gaat nuG3767 een mensG444 een schaapG4263 te boven? Zo is het dan op de sabbatdagenG4521geoorloofdG1832 wel te doenG4160.Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen.
KJVHow much1then2is a man4better than3a sheep?5Wherefore6it is lawful7to do11well10on the sabbath days.
1ποσωG4214hoeveel, Hoeveel, hoevelehow great (long, many), what2ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore3διαφερειG1308verschilt, verschillen, droegbe better, carry, differ from, drive up and down, be (more) excellent, make matter, publish, be of more value4ανθρωποςG444mensen, mens, Menscertain, man5προβατουG4263schapen, schaapsheep(-fold)6ωστεG5620zodat, daarom(insomuch) as, so that (then), (insomuch) that, therefore, to, wherefore7εξεστινG1832geoorloofdbe lawful, let, X may(-est)8τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9σαββασινG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week10καλωςG2573wel, goed, recht(in a) good (place), honestly, + recover, (full) well11ποιεινG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield
13Toen zeide Hij tot dien mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Toen zeideG3004 Hij tot dien mensG444: StrekG1614 uw handG5495 uit; enG2532 hij strekteG1614 ze uit, enG2532 zij werd hersteldG600, gezondG5199gelijkG5613 de andere.Toen zeide Hij tot dien mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.
KJVThen1saith2he to the man,4Stretch forth5thinehand.7And9he stretched it forth;10and11it was restored12whole,13like as14the other.
1τοτεG5119toen, daarnathat time, then2λεγειG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4ανθρωπωG444mensen, mens, Menscertain, man5εκτεινονG1614strekte, Strek, uitstrekkendecast, put forth, stretch forth (out)6τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7χειραG5495handen, handhand8σουG4771u, gij, gijliedenthou9καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet10εξετεινενG1614strekte, Strek, uitstrekkendecast, put forth, stretch forth (out)11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12αποκατεσταθηG600hersteld, oprichten, wedergegevenrestore (again)13υγιηςG5199gezond, genezensound, whole14ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed15ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16αλληG243ander, andersmore, one (another), (an-, some an-)other(-s, -wise)
14En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14EnG1161 de FarizeenG5330, uitgegaanG1831 zijnde, hieldenG2983 te zamen raadG4824tegenG2596 Hem, hoeG3704 zij Hem dodenG622 mochten.En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.
15Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze allen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15MaarG1161JezusG2424, dat wetendeG1097, vertrokG402 van daar, en veleG4183scharenG3793volgdenG190 Hem, en Hij genasG2323 ze allenG3956.Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze allen.
KJVBut2when Jesus3knew4it, he withdrew himself5from thence:6and7great11multitudes10followed8him,9and12he healed13them14all;
1οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ιησουςG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus4γνουςG1097gekend, weten, kentallow, be aware (of), feel, (have) know(-ledge), perceived, be resolved, can speak, be sure, understand5ανεχωρησενG402vertrok, vertrokken, gegaandepart, give place, go (turn) aside, withdraw self6εκειθενG1564vandaar, van die plaatsfrom that place, (from) thence, there7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8ηκολουθησανG190volgde, gevolgd, volgdenfollow, reach9αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which10οχλοιG3793schare, scharen, volkcompany, multitude, number (of people), people, press11πολλοιG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13εθεραπευσενG2323genezen, genas, genezendecure, heal, worship14αυτουςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which15πανταςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever
16En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16EnG2532 Hij geboodG2008hunG846scherpelijkG2008, datG2443 zij Hem nietG3361openbaarG5318makenG4160 zouden;En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden;
17Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Opdat vervuldG4137 zou worden, hetgeen gesprokenG4483 is doorG1223JesajaG2268, den profeetG4396, zeggendeG3004:Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:
KJVThat1it might be fulfilled2which3was spokenby5Esaias6the prophet,8saying,
1οπωςG3704opdat, zodatbecause, how, (so) that, to, when2πληρωθηG4137vervuld, vervullen, vervultaccomplish, X after, (be) complete, end, expire, fill (up), fulfil, (be, make) full (come), fully preach, perfect, supply3τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4ρηθενG2046zeggen, gezegd, gesprokencall, say, speak (of), tell5διαG1223door, om, vanwegeafter, always, among, at, to avoid, because of (that), briefly, by, for (cause) … fore, from, in, by occasion of, of, by reason of, for sake, that, thereby, therefore, X though, through(-out), to, wherefore, with (-in)6ησαιουG2268JesajaEsaias7τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8προφητουG4396profeten, profeet, Profeetprophet9λεγοντοςG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
18Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18ZietG3708, Mijn KnechtG3816, WelkenG3739IkG1473verkorenG140 heb, Mijn BemindeG27, inG1519WelkenG3739 Mijn zielG5590 een welbehagenG2106 heeft; IkG1473 zal Mijn GeestG4151 op Hem leggenG5087, enG2532HijG846 zal het oordeelG2920 den heidenenG1484verkondigenG518.Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.
KJVBeholdmyservant,3whom5I have chosen;6mybeloved,8in10whom11mysoul14is well pleased:12I will put16myspirit18upon20him,21and22he shall shew26judgment23to the Gentiles.
1ιδουG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed2οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc3παιςG3816knecht, Kind, kindchild, maid(-en), (man) servant, son, young man4μουG1473mij, ikI, me5ονG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc6ηρετισαG140verkorenchoose7οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8αγαπητοςG27geliefden, geliefde, Geliefden(dearly, well) beloved, dear9μουG1473mij, ikI, me10ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with11ονG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc12ευδοκησενG2106welbehagen, behaagd, behagenthink good, (be well) please(-d), be the good (have, take) pleasure, be willing13ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14ψυχηG5590ziel, leven, zielenheart (+ -ily), life, mind, soul, + us, + you15μουG1473mij, ikI, me16θησωG5087gelegd, gesteld, gezet+ advise, appoint, bow, commit, conceive, give, X kneel down, lay (aside, down, up), make, ordain, purpose, put, set (forth), settle, sink down17τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18πνευμαG4151Geest, geest, Geestesghost, life, spirit(-ual, -ually), mind19μουG1473mij, ikI, me20επG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with21αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which22καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet23κρισινG2920oordeel, oordeels, gerichtaccusation, condemnation, damnation, judgment24τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc25εθνεσινG1484heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people26απαγγελειG518boodschapten, boodschapte, verkondigenbring word (again), declare, report, shew (again), tell
19Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19HijG846 zal nietG3756twistenG2051, noch roepenG2905, noch zal er iemandG5100 Zijn stemG5456opG1722 de stratenG4113horenG191.Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.
KJVHe shall2not1strive,nor3cry;4neither5shall any man7hear6his13voice12in8the streets.
1ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but2ερισειG2051twistenstrive3ουδεG3761ook niet, nochneither (indeed), never, no (more, nor, not), nor (yet), (also, even, then) not (even, so much as), + nothing, so much as4κραυγασειG2905riepen, riep, roepencry out5ουδεG3761ook niet, nochneither (indeed), never, no (more, nor, not), nor (yet), (also, even, then) not (even, so much as), + nothing, so much as6ακουσειG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand7τιςG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)8ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)9ταιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10πλατειαιςG4113straten, straatstreet11τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12φωνηνG5456stem, stemmen, stemmenoise, sound, voice13αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
20Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Het gekrookteG4937rietG2563 zal Hij nietG3756verbrekenG2608, enG2532 het rokendeG5188lemmetG3043 zal Hij nietG3756uitblussenG4570, totdat Hij het oordeelG2920 zal uitbrengenG1544totG1519overwinningG3534.Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21EnG2532inG1722 Zijn NaamG3686 zullen de heidenenG1484hopenG1679.En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen.
KJVAnd1in2his5name4shall7the Gentiles6trust.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)3τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4ονοματιG3686Naam, naam, namecalled, (+ sur-)name(-d)5αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which6εθνηG1484heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people7ελπιουσινG1679hoop, hoopt, hopen(have, thing) hope(-d) (for), trust
22Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Toen werd tot Hem gebrachtG4374 een van den duivel bezetenG1139, die blindG5185enG2532stomG2974 was; enG2532 Hij genasG2323hemG846, alzo dat de blindeG5185enG2532stommeG2974 beide sprakG2980enG2532zagG991.Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.
KJVThen1was brought2unto him3one possessed with a devil,4blind,5and6dumb:7and8he healed9him,10insomuch that11the blind13and14dumb15both16spake17and18saw.
1τοτεG5119toen, daarnathat time, then2προσηνεχθηG4374brachten, geofferd, gebrachtbring (to, unto), deal with, do, offer (unto, up), present unto, put to3αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4δαιμονιζομενοςG1139duivel bezeten, bezetene, bezetenenhave a (be vexed with, be possessed with) devil(-s)5τυφλοςG5185blinden, blind, blindeblind6καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet7κωφοςG2974stom, doven, stommedeaf, dumb, speechless8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9εθεραπευσενG2323genezen, genas, genezendecure, heal, worship10αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which11ωστεG5620zodat, daarom(insomuch) as, so that (then), (insomuch) that, therefore, to, wherefore12τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13τυφλονG5185blinden, blind, blindeblind14καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet15κωφονG2974stom, doven, stommedeaf, dumb, speechless16καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet17λαλεινG2980spreken, gesproken, sprakpreach, say, speak (after), talk, tell, utter18καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet19βλεπεινG991zien, zie, ziendebehold, beware, lie, look (on, to), perceive, regard, see, sight, take heed
23En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23En alG3956 de scharenG3793ontzettenG1839 zich, enG2532zeidenG3004: IsG1510 niet DezeG3778 de ZoonG5207 van DavidG1138?En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David?
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2εξισταντοG1839ontzetten, oud ontzetten, buiten zinnenamaze, be (make) astonished, be beside self (selves), bewitch, wonder3παντεςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever4οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5οχλοιG3793schare, scharen, volkcompany, multitude, number (of people), people, press6καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet7ελεγονG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter8μητιG3385toch niet?not (the particle usually not expressed, except by the form of the question)9ουτοςG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who10εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was11οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12υιοςG5207Zoon, zoon, kinderenchild, foal, son13δαβιδG1138David, DavidsDavid
24Maar de Farizeen, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beelzebul, den overste der duivelen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24MaarG1161 de FarizeenG5330, dit gehoordG191 hebbende, zeidenG2036: Deze werptG1544 de duivelenG1140 niet uit, dan doorG1722BeelzebulG954, den oversteG758 der duivelenG1140.Maar de Farizeen, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beelzebul, den overste der duivelen.
KJVBut2when the Pharisees3heard4it, they said,This6fellow doth8not7cast outdevils,10butby13Beelzebub15the prince16of the devils.
1οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3φαρισαιοιG5330Farizeen, Farizeer, FarizeersPharisee4ακουσαντεςG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand5ειπονG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter6ουτοςG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who7ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but8εκβαλλειG1544werpt, wierpen, uitgeworpenbring forth, cast (forth, out), drive (out), expel, leave, pluck (pull, take, thrust) out, put forth (out), send away (forth, out)9ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10δαιμονιαG1140duivelen, duivel, duivelsdevil, god11ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether12μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without13ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)14τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15βεελζεβουλG954BeelzebulBeelzebub16αρχοντιG758oversten, overste, Overstechief (ruler), magistrate, prince, ruler17τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18δαιμονιωνG1140duivelen, duivel, duivelsdevil, god
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
25Doch Jezus, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25DochG1161JezusG2424, kennendeG1492hunG846gedachtenG1761, zeideG2036 tot henG846: Een ieder koninkrijkG932, dat tegenG2596zichzelfG1438verdeeldG3307 is, wordt verwoestG2049; en een iedereG3956stadG4172, ofG2228huisG3614, dat tegenG2596zichzelfG1438verdeeldG3307 is, zal nietG3756bestaanG2476.Doch Jezus, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan.
KJVAnd2Jesus4knew1their7thoughts,6and saidunto them,9Every10kingdom11divided12against13itself14is brought to desolation;15and16every17city18or19house20divided21against22itself23shall25not24stand:
1ειδωςG1492weet, zag, ziendebe aware, behold, X can (+ not tell), consider, (have) know(-ledge), look (on), perceive, see, be sure, tell, understand, wish, wot2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4ιησουςG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus5ταςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6ενθυμησειςG1761gedachten, bedenkingdevice, thought7αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter9αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which10πασαG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever11βασιλειαG932Koninkrijk, koninkrijk, Koninkrijkskingdom, + reign12μερισθεισαG3307verdeeld, deelde, gedeelddeal, be difference between, distribute, divide, give participle13καθG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with14εαυτηςG1438zichzelven, zich, onszelvenalone, her (own, -self), (he) himself, his (own), itself, one (to) another, our (thine) own(-selves), + that she had, their (own, own selves), (of) them(-selves), they, thyself, you, your (own, own conceits, own selves, -selves)15ερημουταιG2049verwoest, woest(bring to, make) desolate(-ion), come to nought16καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet17πασαG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever18πολιςG4172stad, stedencity19ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea20οικιαG3614huis, huizen, huizehome, house(-hold)21μερισθεισαG3307verdeeld, deelde, gedeelddeal, be difference between, distribute, divide, give participle22καθG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with23εαυτηςG1438zichzelven, zich, onszelvenalone, her (own, -self), (he) himself, his (own), itself, one (to) another, our (thine) own(-selves), + that she had, their (own, own selves), (of) them(-selves), they, thyself, you, your (own, own conceits, own selves, -selves)24ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but25σταθησεταιG2476stond, staande, staanabide, appoint, bring, continue, covenant, establish, hold up, lay, present, set (up), stanch, stand (by, forth, still, up)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
26En indien de satan den satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26EnG2532indienG1487 de satanG4567 den satanG4567uitwerptG1544, zo is hijG846tegenG1909zichzelfG1438verdeeldG3307; hoeG4459 zal danG3767 zijn rijkG932bestaanG2476?En indien de satan den satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?
KJVAnd1if2Satan4cast out7Satan,6he is divided10against8himself;9how11shall13then12his16kingdom15stand?
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4σαταναςG4567satan, satanas, satansSatan5τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6σατανανG4567satan, satanas, satansSatan7εκβαλλειG1544werpt, wierpen, uitgeworpenbring forth, cast (forth, out), drive (out), expel, leave, pluck (pull, take, thrust) out, put forth (out), send away (forth, out)8εφG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with9εαυτονG1438zichzelven, zich, onszelvenalone, her (own, -self), (he) himself, his (own), itself, one (to) another, our (thine) own(-selves), + that she had, their (own, own selves), (of) them(-selves), they, thyself, you, your (own, own conceits, own selves, -selves)10εμερισθηG3307verdeeld, deelde, gedeelddeal, be difference between, distribute, divide, give participle11πωςG4459hoe?, op welke wijzehow, after (by) what manner (means), that12ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore13σταθησεταιG2476stond, staande, staanabide, appoint, bring, continue, covenant, establish, hold up, lay, present, set (up), stanch, stand (by, forth, still, up)14ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15βασιλειαG932Koninkrijk, koninkrijk, Koninkrijkskingdom, + reign16αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
27En indien Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27EnG2532indienG1487IkG1473 door BeelzebulG954 de duivelenG1140uitwerpG1544, door wien werpenG1544 ze dan uw zonenG5207 uit? Daarom zullen dieG3778 uw rechtersG2923zijnG1510.En indien Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.
KJVAnd1if2I3by4Beelzebub5cast out6devils,8by12whom13do yourchildren10cast them out?14therefore15they17shall beyourjudges.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether3εγωG1473mij, ikI, me4ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)5βεελζεβουλG954BeelzebulBeelzebub6εκβαλλωG1544werpt, wierpen, uitgeworpenbring forth, cast (forth, out), drive (out), expel, leave, pluck (pull, take, thrust) out, put forth (out), send away (forth, out)7ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8δαιμονιαG1140duivelen, duivel, duivelsdevil, god9οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10υιοιG5207Zoon, zoon, kinderenchild, foal, son11υμωνG4771u, gij, gijliedenthou12ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)13τινιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why14εκβαλλουσινG1544werpt, wierpen, uitgeworpenbring forth, cast (forth, out), drive (out), expel, leave, pluck (pull, take, thrust) out, put forth (out), send away (forth, out)15διαG1223door, om, vanwegeafter, always, among, at, to avoid, because of (that), briefly, by, for (cause) … fore, from, in, by occasion of, of, by reason of, for sake, that, thereby, therefore, X though, through(-out), to, wherefore, with (-in)16τουτοG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who17αυτοιG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which18υμωνG4771u, gij, gijliedenthou19εσονταιG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was20κριταιG2923rechter, Rechter, rechtersjudge
28Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28Maar indien IkG1473doorG1722 den GeestG4151GodsG2316 de duivelenG1140uitwerpG1544, zo is dan het KoninkrijkG932GodsG2316totG1909uG4771 gekomen.Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.
29Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29OfG2228hoeG4459kanG1410iemandG5100inG1519 het huisG3614 eens sterkenG2478inkomenG1525, enG2532 zijn vatenG4632ontrovenG1283, tenzijG3362 dat hijG846eerstG4412 den sterkeG2478gebondenG1210 hebbe? enG2532alsdanG5119 zal hijG846 zijn huisG3614berovenG1283.Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven.
KJVOr1else how2can3one4enter5into6a strong man's10house,8and11spoil15his14goods,13excepthe first18bind19the strong man?21and22then23he will spoil27his26house.
1ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea2πωςG4459hoe?, op welke wijzehow, after (by) what manner (means), that3δυναταιG1410kan, kunt, konbe able, can (do, + -not), could, may, might, be possible, be of power4τιςG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)5εισελθεινG1525ingaan, ingegaan, inkomenX arise, come (in, into), enter in(-to), go in (through)6ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with7τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8οικιανG3614huis, huizen, huizehome, house(-hold)9τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10ισχυρουG2478sterke, sterken, sterkerboisterous, mighty(-ier), powerful, strong(-er, man), valiant11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13σκευηG4632vat, vaten, huisraadgoods, sail, stuff, vessel14αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which15διαρπασαιG1283beroven, ontrovenspoil16εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)17μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without18πρωτονG4412eerst, eerste, Eerstelijkbefore, at the beginning, chiefly (at, at the) first (of all)19δησηG1210gebonden, binden, verbondenbind, be in bonds, knit, tie, wind20τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21ισχυρονG2478sterke, sterken, sterkerboisterous, mighty(-ier), powerful, strong(-er, man), valiant22καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet23τοτεG5119toen, daarnathat time, then24τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc25οικιανG3614huis, huizen, huizehome, house(-hold)26αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which27διαρπασειG1283beroven, ontrovenspoil
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
30Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30Wie metG3326 Mij nietG3361 is, die is tegenG2596 Mij; enG2532 wie metG3326 Mij nietG3361vergadertG4863, die verstrooitG4650.Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.
KJVHe that isnot2with4meisagainst6me;and9he that gathereth12not11with13mescattereth abroad.
1οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without3ωνG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was4μετG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)5εμουG1473mij, ikI, me6κατG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with7εμουG1473mij, ikI, me8εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was9καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet10οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without12συναγωνG4863vergaderd, vergaderden, vergadert+ accompany, assemble (selves, together), bestow, come together, gather (selves together, up, together), lead into, resort, take in13μετG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)14εμουG1473mij, ikI, me15σκορπιζειG4650verstrooit, gestrooid, verstrooiddisperse abroad, scatter (abroad)
31Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31Daarom zegG3004 Ik uG4771: AlleG3956zondeG266 en lasteringG988 zal den mensenG444vergevenG863 worden; maarG1161 de lasteringG988 tegen den GeestG4151 zal den mensenG444nietG3756vergevenG863 worden.Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden.
KJVWherefore1I say3unto you,All manner of5sin6and7blasphemy8shall be forgiven9unto men:11but13the blasphemy16against the Holy Ghost15shall18not17be forgivenunto men.
1διαG1223door, om, vanwegeafter, always, among, at, to avoid, because of (that), briefly, by, for (cause) … fore, from, in, by occasion of, of, by reason of, for sake, that, thereby, therefore, X though, through(-out), to, wherefore, with (-in)2τουτοG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who3λεγωG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter4υμινG4771u, gij, gijliedenthou5πασαG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever6αμαρτιαG266zonde, zonden, zondigenoffence, sin(-ful)7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8βλασφημιαG988lastering, lasteringenblasphemy, evil speaking, railing9αφεθησεταιG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up10τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11ανθρωποιςG444mensen, mens, Menscertain, man12ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)14τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15πνευματοςG4151Geest, geest, Geestesghost, life, spirit(-ual, -ually), mind16βλασφημιαG988lastering, lasteringenblasphemy, evil speaking, railing17ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but18αφεθησεταιG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up19τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20ανθρωποιςG444mensen, mens, Menscertain, man
32En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32En zo wieG3739 enig woordG3056gesprokenG2036 zal hebben tegenG2596 den ZoonG5207 des mensenG444, het zal hemG846vergevenG863 worden; maarG1161 zo wieG3739tegenG2596 den HeiligenG40GeestG4151 zal gesprokenG2036 hebben, het zal hemG846nietG3756vergevenG863 worden, noch inG1722dezeG3778eeuwG165, noch inG1722 de toekomendeG3195.En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.
KJVAnd1whosoever2speaketha word5against6the Son8of man,10it shall be forgiven11him:12but13whosoever14speakethagainst17the Holy21Ghost,19it shall23not22be forgivenhim,24neither25in26thisworld,29neither30in31the world to come.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2οςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc3ανG302drukt voorwaardelijkheid uit; blijft meestal onvertaald(what-, where-, wither-, who-)soever4ειπηG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter5λογονG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work6καταG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with7τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8υιουG5207Zoon, zoon, kinderenchild, foal, son9τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10ανθρωπουG444mensen, mens, Menscertain, man11αφεθησεταιG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up12αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which13οςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc14δG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)15ανG302drukt voorwaardelijkheid uit; blijft meestal onvertaald(what-, where-, wither-, who-)soever16ειπηG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter17καταG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with18τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19πνευματοςG4151Geest, geest, Geestesghost, life, spirit(-ual, -ually), mind20τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21αγιουG40heiligen, Heiligen, Heilige(most) holy (one, thing), saint22ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but23αφεθησεταιG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up24αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which25ουτεG3777noch, ook nietneither, none, nor (yet), (no, yet) not, nothing26ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)27τουτωG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who28τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc29αιωνιG165eeuwigheid, wereld, eeuwage, course, eternal, (for) ever(-more), (n-)ever, (beginning of the , while the) world (began, without end)30ουτεG3777noch, ook nietneither, none, nor (yet), (no, yet) not, nothing31ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)32τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc33μελλοντιG3195toekomende, toekomenden, komenabout, after that, be (almost), (that which is, things, + which was for) to come, intend, was to (be), mean, mind, be at the point, (be) ready, + return, shall (begin), (which, that) should (after, afterwards, hereafter) tarry, which was for, will, would, be yet
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
33Of maakt den boom goed en zijn vrucht goed; of maakt den boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33OfG2228maaktG4160 den boomG1186goedG2570enG2532 zijn vruchtG2590goedG2570; ofG2228maaktG4160 den boomG1186kwaadG4550enG2532 zijn vruchtG2590kwaadG4550; wantG1063uitG1537 de vruchtG2590 wordt de boomG1186gekendG1097.Of maakt den boom goed en zijn vrucht goed; of maakt den boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.
34Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? want uit den overvloed des harten spreekt de mond.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34Gij adderengebroedselsG1081! hoeG4459kuntG1410 gij goedeG18 dingen sprekenG2980, daar gij boosG4190zijtG1510? wantG1063uitG1537 den overvloedG4051 des hartenG2588spreektG2980 de mondG4750.Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? want uit den overvloed des harten spreekt de mond.
KJVO generation1of vipers,2how3can ye,4beingevil,7speak6good things?5for10out of9the abundance12of the heart14the mouth16speaketh.
1γεννηματαG1081adderengebroedsels, vrucht, gewasfruit, generation2εχιδνωνG2191adderviper3πωςG4459hoe?, op welke wijzehow, after (by) what manner (means), that4δυνασθεG1410kan, kunt, konbe able, can (do, + -not), could, may, might, be possible, be of power5αγαθαG18goede, goed, goedenbenefit, good(-s, things), well6λαλεινG2980spreken, gesproken, sprakpreach, say, speak (after), talk, tell, utter7πονηροιG4190boze, boos, bozenbad, evil, grievous, harm, lewd, malicious, wicked(-ness)8οντεςG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was9εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)10γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet11τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12περισσευματοςG4051overvloed, overschotabundance, that was left, over and above13τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14καρδιαςG2588hart, harten, harte(+ broken-)heart(-ed)15τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16στομαG4750mond, monde, mondenedge, face, mouth17λαλειG2980spreken, gesproken, sprakpreach, say, speak (after), talk, tell, utter
35De goede mens brengt goede dingen voort uit den goede schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit den boze schat.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35De goedeG18mensG444brengtG1544goedeG18 dingen voortG1544uitG1537 den goedeG18schatG2344 des hartenG2588, enG2532 de bozeG4190mensG444brengtG1544bozeG4190 dingen voortG1544uitG1537 den bozeG4190schatG2344.De goede mens brengt goede dingen voort uit den goede schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit den boze schat.
36Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36MaarG1161 Ik zegG3004uG4771, dat van elkG3956ijdelG692woordG4487, hetwelkG3739 de mensenG444 zullen gesprokenG2980 hebben, zij vanG4012hetzelveG846 zullen rekenschapG3056 geven inG1722 den dagG2250 des oordeelsG2920.Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.
37Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37WantG1063uitG1537 uw woordenG3056 zult gijG4771gerechtvaardigdG1344 worden, enG2532uitG1537 uw woordenG3056 zult gijG4771veroordeeldG2613 worden.Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden.
KJVFor2by1thywords4thou shalt be justified,6and7by8thywords10thou shalt be condemned.
1εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)2γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet3τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4λογωνG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work5σουG4771u, gij, gijliedenthou6δικαιωθησηG1344gerechtvaardigd, rechtvaardigen, rechtvaardigtfree, justify(-ier), be righteous7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)9τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10λογωνG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work11σουG4771u, gij, gijliedenthou12καταδικασθησηG2613veroordeeld, verdoemd, verdoemtcondemn
38Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeen, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38Toen antwoorddenG611sommigenG5100 der SchriftgeleerdenG1122enG2532FarizeenG5330, zeggendeG3004: MeesterG1320! wij willenG2309vanG575UG4771 wel een tekenG4592zienG1492.Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeen, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien.
KJVThen1certain3of the scribes5and6of the Pharisees7answered,2saying,8Master,9we would10seea sign13from11thee.
1τοτεG5119toen, daarnathat time, then2απεκριθησανG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer3τινεςG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)4τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5γραμματεωνG1122Schriftgeleerden, Schriftgeleerde, schriftgeleerdescribe, town-clerk6καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet7φαρισαιωνG5330Farizeen, Farizeer, FarizeersPharisee8λεγοντεςG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter9διδασκαλεG1320Meester, leraars, meesterdoctor, master, teacher10θελομενG2309wil, wilt, willendesire, be disposed (forward), intend, list, love, mean, please, have rather, (be) will (have, -ling, - ling(-ly))11αποG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with12σουG4771u, gij, gijliedenthou13σημειονG4592teken, tekenen, krachtenmiracle, sign, token, wonder14ιδεινG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
39Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39MaarG1161 Hij antwoorddeG611 en zeideG2036 tot henG846: Het boosG4190 en overspeligG3428geslachtG1074verzoektG1934 een tekenG4592; en hunG846 zal geen tekenG4592gegevenG1325 worden, dan het tekenG4592 van JonasG2495, den profeetG4396.Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.
1οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3αποκριθειςG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer4ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter5αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which6γενεαG1074geslacht, geslachten, tijdenage, generation, nation, time7πονηραG4190boze, boos, bozenbad, evil, grievous, harm, lewd, malicious, wicked(-ness)8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9μοιχαλιςG3428overspelig, overspeelster, overspeladulteress(-ous, -y)10σημειονG4592teken, tekenen, krachtenmiracle, sign, token, wonder11επιζητειG1934verzoekt, zoeken, zoekdesire, enquire, seek (after, for)12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13σημειονG4592teken, tekenen, krachtenmiracle, sign, token, wonder14ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but15δοθησεταιG1325gegeven, geven, gafadventure, bestow, bring forth, commit, deliver (up), give, grant, hinder, make, minister, number, offer, have power, put, receive, set, shew, smite (+ with the hand), strike (+ with the palm of the hand), suffer, take, utter, yield16αυτηG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which17ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether18μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without19τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20σημειονG4592teken, tekenen, krachtenmiracle, sign, token, wonder21ιωναG2495Jonas, JonaJonas22τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc23προφητουG4396profeten, profeet, Profeetprophet
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
40Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40WantG1063 gelijk JonasG2495drieG5140dagenG2250enG2532drieG5140nachtenG3571wasG1510inG1722 den buikG2836 van den walvisG2785, alzoG3779 zal de ZoonG5207 des mensenG444drieG5140dagenG2250enG2532drieG5140nachtenG3571wezenG1510inG1722 het hartG2588 der aardeG1093.Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.
KJVFor2as1Jonas4wasthree10days11and12three13nights14in5the whale's9belly;7so15shall the Son18of man20bethree26days27and28three29nights30in21the heart23of the earth.
1ωσπερG5618gelijkerwijs, geschiedt(even, like) as2γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet3ηνG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was4ιωναςG2495Jonas, JonaJonas5ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)6τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7κοιλιαG2836buik, lijf, buikenbelly, womb8τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9κητουςG2785walviswhale10τρειςG5140drie, Driethree11ημεραςG2250dag, dagen, dageage, + alway, (mid-)day (by day, (-ly)), + for ever, judgment, (day) time, while, years12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13τρειςG5140drie, Driethree14νυκταςG3571nacht, nachts, nachten(mid-)night15ουτωςG3779alzo, aldus, zoafter that, after (in) this manner, as, even (so), for all that, like(-wise), no more, on this fashion(-wise), so (in like manner), thus, what16εσταιG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was17οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18υιοςG5207Zoon, zoon, kinderenchild, foal, son19τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20ανθρωπουG444mensen, mens, Menscertain, man21ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)22τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc23καρδιαG2588hart, harten, harte(+ broken-)heart(-ed)24τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc25γηςG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world26τρειςG5140drie, Driethree27ημεραςG2250dag, dagen, dageage, + alway, (mid-)day (by day, (-ly)), + for ever, judgment, (day) time, while, years28καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet29τρειςG5140drie, Driethree30νυκταςG3571nacht, nachts, nachten(mid-)night
41De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41De mannenG435 van NineveG3536 zullen opstaanG450 in het oordeelG2920 met ditG3778geslachtG1074, enG2532 zullen hetzelve veroordelenG2632; wantG3754zijG846 hebben zich bekeerdG3340 op de predikingG2782 van JonasG2495; enG2532zietG3708, meer dan JonasG2495 is hier!De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!
42De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen, de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42De koninginG938 van het zuidenG3558 zal opstaanG1453inG1722 het oordeelG2920metG1537ditG3778geslachtG1074, enG2532hetzelveG846veroordelenG2632; wantG3754 zij is gekomenG2064 van de eindenG4009 der aardeG1093, om te horenG191, de wijsheidG4678 van SalomoG4672; enG2532zietG3708, meer dan SalomoG4672 is hier!De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen, de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!
KJVThe queen1of the south2shall rise up3in4the judgment6with7thisgeneration,9and11shall condemn12it:13for14she came15from16the uttermost parts18of the earth20to hear21the wisdom23of Solomon;24and,25behold,a greater thanSolomon28is here.
1βασιλισσαG938koninginqueen2νοτουG3558Zuiden, zuiden, zuidenwindsouth (wind)3εγερθησεταιG1453opgewekt, opgestaan, Staawake, lift (up), raise (again, up), rear up, (a-)rise (again, up), stand, take up4ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)5τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6κρισειG2920oordeel, oordeels, gerichtaccusation, condemnation, damnation, judgment7μεταG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)8τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9γενεαςG1074geslacht, geslachten, tijdenage, generation, nation, time10ταυτηςG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12κατακρινειG2632veroordeeld, veroordelen, verdoemdcondemn, damn13αυτηνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which14οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why15ηλθενG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set16εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)17τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18περατωνG4009einde, eindenend, ut-(ter-)most participle19τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20γηςG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world21ακουσαιG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand22τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc23σοφιανG4678wijsheid, Wijsheidwisdom24σολομωντοςG4672Salomo, SalomonSolomon25καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet26ιδουG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed27πλειονG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly28σολομωντοςG4672Salomo, SalomonSolomon29ωδεG5602hier, op deze plaatshere, hither, (in) this place, there
43En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43En wanneer de onreineG169geestG4151vanG575 den mensG444uitgegaanG1831 is, zo gaat hij doorG1223dorreG504plaatsenG5117, zoekendeG2212rustG372, en vindtG2147 ze nietG3756.En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.
44Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44Dan zegtG3004 hij: Ik zal wederkerenG1994inG1519 mijn huisG3624, van waar ikG1473uitgegaanG1831 ben; enG2532komendeG2064, vindtG2147 hij het ledigG4980, met bezemen gekeerdG4563enG2532versierdG2885.Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.
KJVThen1he saith,2I will return3into4myhouse6from whence8I came out;9and10when he is come,11he findeth12it empty,13swept,14and15garnished.
1τοτεG5119toen, daarnathat time, then2λεγειG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3επιστρεψωG1994bekeren, bekeerd, keerdecome (go) again, convert, (re-)turn (about, again)4ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with5τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6οικονG3624huis, huize, huizenhome, house(-hold), temple7μουG1473mij, ikI, me8οθενG3606Waaruit, waaruitfrom thence, (from) whence, where(-by, -fore, -upon)9εξηλθονG1831uitgegaan, gingen, uitgaandecome (forth, out), depart (out of), escape, get out, go (abroad, away, forth, out, thence), proceed (forth), spread abroad10καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet11ελθονG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set12ευρισκειG2147gevonden, vinden, vondenfind, get, obtain, perceive, see13σχολαζονταG4980ledig, verledigenempty, give self14σεσαρωμενονG4563bezemen gekeerd, gekeerdsweep15καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet16κεκοσμημενονG2885versierd, versieren, bereiddenadorn, garnish, trim
45Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45Dan gaat hij heen enG2532neemtG3880metG3326zichG1438zevenG2033 andere geestenG4151, bozerG4191 dan hijzelf, en ingegaanG1525 zijnde, wonenG2730 zij aldaar; enG2532 het laatsteG2078 van denzelven mensG444 wordt ergerG5501 dan het eersteG4413. AlzoG3779 zal het ookG2532 met ditG3778boosG4190geslachtG1074 zijn.Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.
KJVThen1goeth he,2and3taketh4with5himself6seven7other8spirits9more wickedthan himself,11and12they enter in13and dwell14there:15and16the last19state of that22man21is17worse than23the first.25Even so26shall it bealso28unto thiswicked10generation.
1τοτεG5119toen, daarnathat time, then2πορευεταιG4198reisde, reizen, reisden--depart, go (away, forth, one's way, up), (make a, take a) journey, walk3καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet4παραλαμβανειG3880nam, aangenomen, ontvangenreceive, take (unto, with)5μεθG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)6εαυτουG1438zichzelven, zich, onszelvenalone, her (own, -self), (he) himself, his (own), itself, one (to) another, our (thine) own(-selves), + that she had, their (own, own selves), (of) them(-selves), they, thyself, you, your (own, own conceits, own selves, -selves)7επταG2033zeven, Zeven, zevendeseven8ετεραG2087ander, anders, zoekealtered, else, next (day), one, (an-)other, some, strange9πνευματαG4151Geest, geest, Geestesghost, life, spirit(-ual, -ually), mind10πονηροτεραG4190boze, boos, bozenbad, evil, grievous, harm, lewd, malicious, wicked(-ness)11εαυτουG1438zichzelven, zich, onszelvenalone, her (own, -self), (he) himself, his (own), itself, one (to) another, our (thine) own(-selves), + that she had, their (own, own selves), (of) them(-selves), they, thyself, you, your (own, own conceits, own selves, -selves)12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13εισελθονταG1525ingaan, ingegaan, inkomenX arise, come (in, into), enter in(-to), go in (through)14κατοικειG2730wonen, woont, woondendwell(-er), inhabitant(-ter)15εκειG1563daar, aldaarthere, thither(-ward), (to) yonder (place)16καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet17γινεταιG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought18ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19εσχαταG2078laatste, laatsten, Laatsteends of, last, latter end, lowest, uttermost20τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21ανθρωπουG444mensen, mens, Menscertain, man22εκεινουG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those23χειροναG5501erger, ergere, ergerssorer, worse24τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc25πρωτωνG4413eerste, eersten, eerstbefore, beginning, best, chief(-est), first (of all), former26ουτωςG3779alzo, aldus, zoafter that, after (in) this manner, as, even (so), for all that, like(-wise), no more, on this fashion(-wise), so (in like manner), thus, what27εσταιG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was28καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet29τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc30γενεαG1074geslacht, geslachten, tijdenage, generation, nation, time31ταυτηG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who32τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc33πονηραG4190boze, boos, bozenbad, evil, grievous, harm, lewd, malicious, wicked(-ness)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
46En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46En als Hij nog tot de scharenG3793sprakG2980, zietG3708, Zijn moederG3384 en broedersG80stondenG2476buitenG1854, zoekendeG2212HemG846 te sprekenG2980.En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken.
KJVWhile1he3yet2talked4to the people,6behold,his mother9and10his13brethren12stood14without,15desiring16to speak18with him.
47En iemand zeide tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders staan daar buiten, zoekende U te spreken.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47En iemandG5100zeideG2036 tot HemG846: ZieG2400, Uw moederG3384 en Uw broedersG80staanG2476 daar buitenG1854, zoekendeG2212UG4771 te sprekenG2980.En iemand zeide tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders staan daar buiten, zoekende U te spreken.
1ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3τιςG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)4αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5ιδουG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed6ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7μητηρG3384moeder, moedersmother8σουG4771u, gij, gijliedenthou9καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet10οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11αδελφοιG80broeders, broeder, broederenbrother12σουG4771u, gij, gijliedenthou13εξωG1854buiten, weg, uitgedrevenaway, forth, (with-)out (of, -ward), strange14εστηκασινG2476stond, staande, staanabide, appoint, bring, continue, covenant, establish, hold up, lay, present, set (up), stanch, stand (by, forth, still, up)15ζητουντεςG2212zoekt, zochten, zoekenbe (go) about, desire, endeavour, enquire (for), require, (X will) seek (after, for, means)16σοιG4771u, gij, gijliedenthou17λαλησαιG2980spreken, gesproken, sprakpreach, say, speak (after), talk, tell, utter
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
48Maar Hij, antwoordende, zeide tot dengene die Hem dat zeide: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
48MaarG1161 Hij, antwoordendeG611, zeideG2036 tot dengene die HemG846 dat zeideG2036: WieG5101isG1510 Mijn moederG3384, en wieG5101zijnG1510 Mijn broedersG80?Maar Hij, antwoordende, zeide tot dengene die Hem dat zeide: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders?
KJVBut2he answered3and saidunto him that toldhim,7Who8ismymother?11and13who14aremybrethren?
1οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3αποκριθειςG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer4ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter5τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6ειποντιG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter7αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8τιςG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why9εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was10ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11μητηρG3384moeder, moedersmother12μουG1473mij, ikI, me13καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet14τινεςG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why15εισινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was16οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17αδελφοιG80broeders, broeder, broederenbrother18μουG1473mij, ikI, me
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
49En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
49EnG2532 Zijn handG5495uitstrekkendeG1614overG1909 Zijn discipelenG3101, zeideG2036HijG846: ZietG3708, Mijn moederG3384enG2532 Mijn broedersG80.En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2εκτειναςG1614strekte, Strek, uitstrekkendecast, put forth, stretch forth (out)3τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4χειραG5495handen, handhand5αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which6επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with7τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8μαθηταςG3101discipelen, discipel, discipelsdisciple9αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which10ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter11ιδουG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed12ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13μητηρG3384moeder, moedersmother14μουG1473mij, ikI, me15καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet16οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17αδελφοιG80broeders, broeder, broederenbrother18μουG1473mij, ikI, me
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
50Want zo wie den wil Mijns Vaders doet Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder, en zuster, en moeder.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
50WantG1063 zo wie den wilG2307 Mijns VadersG3962doetG4160 Die inG1722 de hemelenG3772 is, dezelveG846 is Mijn broederG80, enG2532zusterG79, enG2532moederG3384.Want zo wie den wil Mijns Vaders doet Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder, en zuster, en moeder.
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Mattheüs 12:1— In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.Deuteronomium 23:25→Markus 2:23→Lukas 6:1→
Mattheüs 12:2— En de Farizeen, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat.Mattheüs 12:10→Exodus 20:9→Lukas 14:3→Markus 3:2→Exodus 31:15→Jesaja 58:13→Numeri 15:32→Lukas 23:56→
Mattheüs 12:3— Maar Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren?1 Samuël 21:3→Lukas 6:3→Markus 2:25→Markus 12:26→Mattheüs 21:16→Mattheüs 22:31→Lukas 10:26→Mattheüs 19:4→
Mattheüs 12:4— Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar den priesteren alleen.Exodus 25:30→Leviticus 24:5→Leviticus 8:31→Exodus 29:32→
Mattheüs 12:5— Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn?Numeri 28:9→Johannes 7:22→Ezechiël 24:21→
Mattheüs 12:6— En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is.Mattheüs 12:41→2 Kronieken 6:18→Maleachi 3:1→Hagai 2:7→Johannes 2:19→Kolossenzen 2:9→1 Petrus 2:4→Mattheüs 23:17→
Mattheüs 12:7— Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.Mattheüs 9:13→Hosea 6:6→Micha 6:6→Jesaja 1:11→Job 32:3→Jakobus 5:6→Psalmen 94:21→Psalmen 109:31→
Mattheüs 12:8— Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.Lukas 6:5→Mattheüs 9:6→Markus 2:28→Mattheüs 8:20→1 Korinthe 16:2→1 Korinthe 9:21→Johannes 5:17→Markus 9:4→
Mattheüs 12:9— En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge.Lukas 6:6→Markus 3:1→
Mattheüs 12:10— En ziet, er was een mens, die een dorre hand had, en zij vraagden Hem, zeggende: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen).Lukas 13:14→Johannes 9:16→1 Koningen 13:4→Johannes 5:10→Mattheüs 22:17→Zacharia 11:17→Johannes 8:6→Mattheüs 12:2→
Mattheüs 12:11— En Hij zeide tot hen: Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo datzelve op een sabbatdag in een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen?Lukas 14:5→Exodus 23:4→Deuteronomium 22:4→Lukas 13:15→
Mattheüs 12:12— Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen.Mattheüs 6:26→Mattheüs 10:31→Lukas 12:24→Markus 3:4→Lukas 6:9→
Mattheüs 12:13— Toen zeide Hij tot dien mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.Lukas 13:13→Handelingen 3:7→
Mattheüs 12:14— En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.Johannes 11:53→Lukas 6:11→Johannes 5:18→Markus 3:6→Johannes 10:39→Mattheüs 27:1→Mattheüs 26:4→Johannes 11:57→
Mattheüs 12:15— Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze allen.Mattheüs 10:23→Mattheüs 19:2→Johannes 9:4→Lukas 6:17→Johannes 10:40→1 Petrus 2:21→Lukas 6:12→Markus 3:7→
Mattheüs 12:16— En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden;Mattheüs 17:9→Mattheüs 8:4→Mattheüs 9:30→Lukas 5:14→Markus 7:36→
Mattheüs 12:17— Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:Jesaja 42:9→Jesaja 42:1→Lukas 24:44→Johannes 10:35→Handelingen 13:27→Johannes 12:38→Jesaja 44:26→Johannes 19:28→
Mattheüs 12:18— Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.Lukas 4:18→Jesaja 42:1→Johannes 3:34→Jesaja 32:15→Jesaja 49:5→Jesaja 61:1→Romeinen 15:9→Handelingen 10:38→
Mattheüs 12:19— Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.Johannes 18:36→2 Timotheüs 2:24→Zacharia 9:9→2 Korinthe 10:1→Lukas 17:20→Mattheüs 11:29→
Mattheüs 12:20— Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.Jesaja 42:3→Lukas 4:18→Jesaja 61:1→Psalmen 147:3→Ezechiël 34:16→Hebreeën 12:12→Psalmen 51:17→2 Korinthe 10:3→
Mattheüs 12:21— En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen.Jesaja 11:10→Kolossenzen 1:27→Jesaja 42:4→Efeze 1:12→Romeinen 15:12→
Mattheüs 12:22— Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.Jesaja 35:5→Jesaja 29:18→Handelingen 26:18→Markus 3:11→Jesaja 32:3→Mattheüs 9:32→Markus 7:35→Lukas 11:14→
Mattheüs 12:23— En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David?Mattheüs 9:27→Johannes 4:29→Johannes 7:40→Mattheüs 21:9→Mattheüs 22:42→Mattheüs 9:33→Mattheüs 15:22→Mattheüs 15:30→
Mattheüs 12:24— Maar de Farizeen, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beelzebul, den overste der duivelen.Mattheüs 9:34→Markus 3:22→Lukas 11:15→
Mattheüs 12:25— Doch Jezus, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan.Mattheüs 9:4→Jeremia 17:10→Psalmen 139:2→Hebreeën 4:13→Galaten 5:15→Openbaring 17:16→Jesaja 19:2→Markus 3:23→
Mattheüs 12:26— En indien de satan den satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?Kolossenzen 1:13→1 Johannes 5:19→Johannes 14:30→2 Korinthe 4:4→Johannes 12:31→Openbaring 12:9→Mattheüs 4:10→Openbaring 16:10→
Mattheüs 12:27— En indien Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.Lukas 9:49→Markus 9:38→Lukas 11:19→Handelingen 19:13→Mattheüs 12:41→Lukas 19:22→Romeinen 3:19→
Mattheüs 12:28— Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.Lukas 11:20→Handelingen 10:38→Mattheüs 21:43→Mattheüs 12:18→Kolossenzen 1:13→Mattheüs 21:31→Markus 11:10→Lukas 17:20→
Mattheüs 12:29— Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven.Markus 3:27→Jesaja 53:12→Jesaja 49:24→Openbaring 20:1→Lukas 11:21→1 Johannes 4:4→Openbaring 20:7→Openbaring 12:7→
Mattheüs 12:30— Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.Lukas 11:23→Markus 9:40→Lukas 9:50→1 Johannes 2:19→2 Korinthe 6:15→Jozua 24:15→Mattheüs 6:24→1 Kronieken 12:17→
Mattheüs 12:31— Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden.Lukas 12:10→Markus 3:28→1 Johannes 5:16→Hebreeën 6:4→Hebreeën 10:26→1 Timotheüs 1:13→Hebreeën 10:29→Mattheüs 12:31→
Mattheüs 12:32— En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.Markus 3:29→Mattheüs 11:19→Efeze 1:21→Titus 2:12→Hebreeën 10:26→Johannes 7:12→1 Timotheüs 1:13→Hebreeën 6:4→
Mattheüs 12:33— Of maakt den boom goed en zijn vrucht goed; of maakt den boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.Lukas 6:43→Mattheüs 7:16→Lukas 11:39→Ezechiël 18:31→Jakobus 4:8→Amos 5:15→Mattheüs 3:8→Johannes 15:4→
Mattheüs 12:34— Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? want uit den overvloed des harten spreekt de mond.Lukas 6:45→Mattheüs 15:18→Efeze 4:29→Jakobus 3:5→1 Samuël 24:13→Jesaja 32:6→Mattheüs 12:35→Johannes 8:44→
Mattheüs 12:35— De goede mens brengt goede dingen voort uit den goede schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit den boze schat.Kolossenzen 4:6→Spreuken 25:11→Kolossenzen 3:16→Mattheüs 13:52→Spreuken 10:20→Spreuken 15:23→Spreuken 12:17→Spreuken 15:4→
Mattheüs 12:36— Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.Prediker 12:14→Judas 1:14→Openbaring 20:12→Romeinen 2:16→
Mattheüs 12:37— Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden.Spreuken 13:3→Jakobus 2:21→
Mattheüs 12:38— Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeen, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien.1 Korinthe 1:22→Johannes 2:18→Markus 8:11→Lukas 11:16→Lukas 11:29→Johannes 4:48→Johannes 6:30→Mattheüs 16:1→
Mattheüs 12:39— Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.Mattheüs 16:4→Lukas 11:29→Jakobus 4:4→Markus 8:38→Jesaja 57:3→
Mattheüs 12:40— Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.Jona 1:17→Mattheüs 16:21→Mattheüs 17:23→Johannes 2:19→Mattheüs 27:63→Mattheüs 8:20→Mattheüs 27:40→Psalmen 63:9→
Mattheüs 12:41— De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!Mattheüs 12:42→Hebreeën 11:7→Mattheüs 12:6→Ezechiël 16:51→Jeremia 3:11→Jona 1:2→Jesaja 54:17→Romeinen 2:27→
Mattheüs 12:42— De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen, de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!Hebreeën 1:2→2 Kronieken 9:1→1 Koningen 10:1→Filippenzen 2:6→1 Koningen 5:12→Johannes 1:14→Mattheüs 3:17→Mattheüs 17:5→
Mattheüs 12:43— En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.Psalmen 63:1→Job 2:2→Amos 8:11→1 Petrus 5:8→Ezechiël 47:8→Jesaja 35:6→Jesaja 41:18→Mattheüs 8:29→
Mattheüs 12:44— Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.Judas 1:4→1 Johannes 2:19→Johannes 13:27→Psalmen 81:11→Johannes 13:2→Hosea 7:6→Openbaring 13:3→2 Thessalonicenzen 2:9→
Mattheüs 12:45— Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.Hebreeën 6:4→Markus 5:9→Hebreeën 10:26→Lukas 11:26→Lukas 11:49→Lukas 19:41→Hebreeën 10:39→Mattheüs 23:24→
Mattheüs 12:46— En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken.Handelingen 1:14→Galaten 1:19→Johannes 2:12→Mattheüs 13:55→Johannes 7:3→1 Korinthe 9:5→Johannes 7:5→Markus 6:3→
Mattheüs 12:48— Maar Hij, antwoordende, zeide tot dengene die Hem dat zeide: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders?Lukas 2:52→Lukas 2:49→Markus 3:32→Mattheüs 10:37→2 Korinthe 5:16→Deuteronomium 33:9→Johannes 2:3→
Mattheüs 12:49— En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.Johannes 17:20→Johannes 20:17→Johannes 17:8→Mattheüs 28:7→Markus 3:34→
Mattheüs 12:50— Want zo wie den wil Mijns Vaders doet Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder, en zuster, en moeder.Johannes 15:14→Markus 3:35→Mattheüs 7:20→1 Timotheüs 5:2→Mattheüs 28:10→Jakobus 1:21→Lukas 8:21→Hebreeën 2:11→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Mattheüs 12 vers 1— In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.
sabbatdag
Grieks, sabbaten.
Hertaald:sabbatdag
Grieks: sabbatten.
Mattheüs 12 vers 2— En de Farizeen, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat.
den sabbat
De Farizeën bestraften de discipelen van Christus, niet omdat zij uit eens anders gezaaide aren plukten, want het was door de wet geoorloofd, Deut. 23:25 , maar dat zij zulks deden op den sabbat.
Hertaald:den sabbat
De Farizeeën bestraften de discipelen van Christus niet omdat zij aren plukten uit wat een ander gezaaid had, want dat was door de wet toegestaan, Deut. 23:25, maar omdat zij dat op de sabbat deden.
Mattheüs 12 vers 4— Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar den priesteren alleen.
het huis Gods
Dat is, de tabernakel, die toen ter tijd te Nob was. Zie 1 Sam. 21:6 .
Hertaald:het huis Gods
Dat is: de tabernakel, die in die tijd in Nob stond. Zie 1 Sam. 21:6.
toonbroden gegeten heeft,
Grieks, broden der voorlegging; Hebr. des aangezichts, namelijk des Heeren. Wat dit voor broden geweest zijn en wat men er mee deed, zie Lev. 24:5 , enz.
Hertaald:toonbroden gegeten heeft,
Grieks: broden van de voorlegging; Hebreeuws: van het aangezicht, namelijk van de HEERE. Wat dat voor broden waren en wat men ermee deed, zie Lev. 24:5, enzovoort.
Mattheüs 12 vers 5— Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn?
ontheiligen in den tempel
Dat is, zulke werken doen, die den sabbat ontheiligen zouden, indien God die tot zijn dienst niet bevolen had.
Hertaald:ontheiligen in den tempel
Dat is: zulke werken doen die de sabbat zouden ontheiligen als God ze niet voor Zijn dienst bevolen had.
onschuldig zijn?
Dat is, daaraan niet misdoen.
Hertaald:onschuldig zijn?
Dat is: daarmee geen kwaad doen.
Mattheüs 12 vers 6— En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is.
meerder dan de tempel,
Want Christus was de Heere des tempels, en de zaak zelve door den tempel afgebeeld en betekend; Mal. 3:1 ; Joh. 2:19 .
Hertaald:meerder dan de tempel,
Want Christus was de Heere van de tempel, en de zaak zelf die door de tempel afgebeeld en aangeduid werd; Mal. 3:1; Joh. 2:19.
Mattheüs 12 vers 7— Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
niet offerande,
Zie hiervoor Matt. 9:13 en Matt. 23:23 .
Hertaald:niet offerande,
Zie hiervoor Matth. 9:13 en Matth. 23:23.
Mattheüs 12 vers 8— Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.
Heere ook van den sabbat
Dat is, heeft macht om orde te stellen over de werken van den sabbat.
Hertaald:Heere ook van den sabbat
Dat is: Hij heeft de macht om te bepalen wat er op de sabbat gedaan mag worden.
Mattheüs 12 vers 12— Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen.
gaat nu een mens een schaap teboven?
Grieks, verschilt van een schaap.
Hertaald:gaat nu een mens een schaap teboven?
Grieks: verschilt van een schaap.
wel te doen
Dat is, werken der liefde te oefenen.
Hertaald:wel te doen
Dat is: werken van liefde te doen.
Mattheüs 12 vers 14— En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.
doden mochten
Grieks, verderven, of vernielen.
Hertaald:doden mochten
Grieks: verderven, of vernietigen.
Mattheüs 12 vers 18— Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.
knecht,
Christus wordt een knecht des Vaders genaamd, omdat Hij de gedaante van een dienstknecht aangenomen heeft, Fil. 2:7 , en de raad des Vaders van onze verlossing door Hem uitgevoerd is, Jes. 53:10-11 . Zie ook de aantekening bij Jes. 42:1 .
Hertaald:knecht,
Christus wordt een knecht van de Vader genoemd, omdat Hij de gedaante van een dienstknecht aangenomen heeft, Filipp. 2:7, en omdat de raad van de Vader over onze verlossing door Hem uitgevoerd is, Jes. 53:10-11. Zie ook de aantekening bij Jes. 42:1.
oordeel den heidenen verkondigen
Dat is, zaligmakende leer, of ware godsdienst, en wat daartoe behoort.
Hertaald:oordeel den heidenen verkondigen
Dat is: de zaligmakende leer, of de ware godsdienst en wat daarbij hoort.
Mattheüs 12 vers 19— Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.
roepen,
Namelijk uit eergierigheid of twistgierigheid.
Hertaald:roepen,
Namelijk uit eerzucht of twistzucht.
Mattheüs 12 vers 20— Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.
Het
Dat is, Hij zal de verslagen gemoederen en de zwakgelovigen niet verstoten, maar met alle toegenegenheid ontmoeten.
Hertaald:Het
Dat is: Hij zal de verslagen gemoederen en de zwakgelovigen niet verstoten, maar hun met alle genegenheid tegemoet komen.
gekrookte riet
Of, gepletterde.
Hertaald:gekrookte riet
Of: geplette.
lemmet
Grieks, vlas; omdat de lemmeten of wieken daarvan gemaakt werden.
Hertaald:lemmet
Grieks: vlas, omdat de pitten of wieken daarvan gemaakt werden.
het oordeel zal
Dat is, zal met de waarheid zijner leer krachtig doordringen, totdat deze de overhand behoude.
Hertaald:het oordeel zal
Dat is: Hij zal met de waarheid van Zijn leer krachtig doordringen, totdat die de overhand behoudt.
uitbrengen tot overwinning
Of, tevoorschijn brengen. Grieks, uitstoten, uitwerpen.
Hertaald:uitbrengen tot overwinning
Of: tevoorschijn brengen. Grieks: uitstoten, uitwerpen.
Mattheüs 12 vers 22— Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.
blind en stom was ;
Dat is, wien de duivel het gebruik der ogen en tong benomen had.
Hertaald:blind en stom was ;
Dat is: iemand aan wie de duivel het gebruik van de ogen en de tong ontnomen had.
Mattheüs 12 vers 24— Maar de Farizeen, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beelzebul, den overste der duivelen.
Beëlzebul,
Zie hierboven Matt. 10:25 .
Hertaald:Beëlzebul,
Zie Matth. 10:25.
Mattheüs 12 vers 27— En indien Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.
zonen uit?
Hierdoor worden verstaan òf de discipelen van Christus, die in zijn naam duivelen uitwerpen, Luc. 10:17 , òf enige andere Joden, die ook somwijlen zulk deden. Zie Luc. 9:49 .
Hertaald:zonen uit?
Hieronder worden verstaan óf de discipelen van Christus, die in Zijn naam duivelen uitwerpen, Luk. 10:17, óf enkele andere Joden die dat soms ook deden. Zie Luk. 9:49.
Mattheüs 12 vers 29— Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven.
vaten ontroven,
Dat is, huisraad of goed. Want de Hebreën noemen vaten allerlei gereedschap, waar het huis mede voorzien wordt.
Hertaald:vaten ontroven,
Dat is: huisraad of goed. Want de Hebreeën noemen alle gereedschap waarmee het huis is uitgerust vaten.
Mattheüs 12 vers 31— Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden.
vergeven worden;
Namelijk indien zij zich bekeren.
Hertaald:vergeven worden;
Namelijk als zij zich bekeren.
tegen den Geest
Deze zonde tegen den Heiligen Geest is wanneer iemand, niet uit zwakheid of vrees gelijk Petrus, noch uit onwetendheid gelijk Paulus, de Evangelische waarheid verzaakt of bestrijdt, maar dezelve uit enkel haat en moedwil, tegen de overtuiging des Heiligen Geestes, wederstaat, lastert en vervolgt.
Hertaald:tegen den Geest
Deze zonde tegen de Heilige Geest is er wanneer iemand de evangelische waarheid verzaakt of bestrijdt — niet uit zwakheid of vrees zoals Petrus, en niet uit onwetendheid zoals Paulus, maar uit louter haat en moedwil, tegen de overtuiging van de Heilige Geest in, terwijl hij haar weerstaat, lastert en vervolgt.
niet vergeven worden
Namelijk omdat zij zich niet bekeren, noch door het rechtvaardig oordeel Gods bekeerd kunnen worden. Zie Hebr. 6:4 .
Hertaald:niet vergeven worden
Namelijk omdat zij zich niet bekeren en zich door het rechtvaardig oordeel van God ook niet kunnen bekeren. Zie Hebr. 6:4.
Mattheüs 12 vers 32— En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.
Noch in deze eeuw
Dat is, nimmermeer, gelijk het verklaard wordt, Marc. 3:29 , noch hier noch hiernamaals in het uiterste oordeel, hetwelk ook de toekomende eeuw genaamd wordt, zie Luc. 18:30 .
Hertaald:Noch in deze eeuw
Dat is: nooit, zoals het verklaard wordt in Mark. 3:29 — niet hier en niet hierna in het laatste oordeel, dat ook de toekomende eeuw genoemd wordt, zie Luk. 18:30.
Mattheüs 12 vers 33— Of maakt den boom goed en zijn vrucht goed; of maakt den boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.
maakt den boom goed
Dat is, houdt en oordeelt.
Hertaald:maakt den boom goed
Dat is: houd en beoordeel hem zo.
kwaad en zijn vrucht kwaad;
Grieks, verrot.
Hertaald:kwaad en zijn vrucht kwaad;
Grieks: verrot.
Mattheüs 12 vers 36— Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.
ijdel woord,
Grieks, ledig. Dat is, wat geen nuttigheid heeft tot stichting, Ef. 4:29 , hoeveelmeer dan de lasterwoorden.
Hertaald:ijdel woord,
Grieks: leeg. Dat is: wat geen nut heeft voor de stichting, Ef. 4:29 — hoeveel te meer dan de lasterwoorden.
Mattheüs 12 vers 37— Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden.
gerechtvaardigd worden,
Dat is, voor rechtvaardig erkend en verklaard worden.
Hertaald:gerechtvaardigd worden,
Dat is: als rechtvaardig erkend en verklaard worden.
Mattheüs 12 vers 39— Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.
overspelig geslacht
Of, ontaard en verbasterd. Zie Joh. 8:39 .
Hertaald:overspelig geslacht
Of: ontaard en verbasterd. Zie Joh. 8:39.
Mattheüs 12 vers 40— Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.
drie dagen en drie nachten
Voor een deel der dagen worden hier genomen gehele dagen en nachten, gelijk dat bij de Hebreën gebruikelijk is. Zie 1 Sam. 30:12 , verg. met vs.13, en Est. 4:16 , verg met Est. 5:1 . En zo men het neemt naar de Romeinse rekening, die de dagen op de middernacht begonnen en eindigden, zo valt het nog duidelijker.
Hertaald:drie dagen en drie nachten
Hier worden gedeelten van dagen genomen voor hele dagen en nachten, zoals dat bij de Hebreeën gebruikelijk is. Zie 1 Sam. 30:12, vergeleken met vers 13, en Est. 4:16, vergeleken met Est. 5:1. En als men het volgens de Romeinse tijdrekening neemt, waarbij de dagen om middernacht begonnen en eindigden, komt het nog duidelijker uit.
hart der aarde
Dat is, binnen in de aarde, naar de Hebreeuwse wijze van spreken. Zo wordt Tyrus gezegd te liggen in het hart der zee; Ezech. 27:4 .
Hertaald:hart der aarde
Dat is: binnen in de aarde, naar de Hebreeuwse manier van spreken. Zo wordt van Tyrus gezegd dat het in het hart van de zee ligt; Ezech. 27:4.
Mattheüs 12 vers 41— De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!
veroordelen,
Namelijk door hun voorbeeld.
Hertaald:veroordelen,
Namelijk door hun voorbeeld.
Mattheüs 12 vers 42— De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen, de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!
zuiden zal opstaan
Dat is, van Saba, 1 Kon. 10:1 , hetwelk zuidwaarts van Judea gelegen was.
Hertaald:zuiden zal opstaan
Dat is: uit Scheba, 1 Kon. 10:1, dat ten zuiden van Judea lag.
einden der aarde
Dat is, van vergelegen plaatsen.
Hertaald:einden der aarde
Dat is: uit ver afgelegen plaatsen.
Mattheüs 12 vers 43— En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.
dorre plaatsen,
Dat is, droge of waterloze plaatsen.
Hertaald:dorre plaatsen,
Dat is: droge of waterloze plaatsen.
Mattheüs 12 vers 44— Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.
versierd
Of, opgeschikt.
Hertaald:versierd
Of: opgesierd.
Mattheüs 12 vers 45— Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.
zeven andere geesten,
Dat is, vele. Een Hebreeuwse wijze van spreken.
Hertaald:zeven andere geesten,
Dat is: veel. Een Hebreeuwse manier van spreken.
Alzo zal het ook
Met deze gelijkenis leert Christus dat, wanneer een mens door de kennis des evangelies verlost is van zijn natuurlijke onwetendheid, en nochtans deze kennis niet beleeft maar onderdrukt, hij veel erger wordt dan tevoren. Zie 2 Petr. 2:20-21 .
Hertaald:Alzo zal het ook
Met deze vergelijking leert Christus dat een mens die door de kennis van het Evangelie verlost is van zijn natuurlijke onwetendheid, maar die kennis niet in praktijk brengt en onderdrukt, veel slechter wordt dan hij tevoren was. Zie 2 Petr. 2:20-21.
Mattheüs 12 vers 46— En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken.
broeders stonden buiten,
Dat is bloedverwanten, die bij de Hebreën ook broeders genaamd worden. Zie Gen. 13:8 , Gen. 13:11 .
Hertaald:broeders stonden buiten,
Dat is: bloedverwanten, die bij de Hebreeën ook broeders genoemd worden. Zie Gen. 13:8, Gen. 13:11.
Mattheüs 12 vers 48— Maar Hij, antwoordende, zeide tot dengene die Hem dat zeide: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders?
Wie is mijn moeder
Christus spreekt hier niet uit verachting van zijn moeder, maar prijst alleen de geestelijke maagdschap boven de vleselijke.
Hertaald:Wie is mijn moeder
Christus spreekt hier niet uit verachting van Zijn moeder, maar prijst alleen de geestelijke verwantschap boven de vleselijke.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Zoon des mensen — Grieks: ho huios tou anthropou, naar het Aramese bar enasj — de aanduiding die Christus in de Evangeliën vrijwel uitsluitend van Zichzelf gebruikt
De uitdrukking komt in Mattheüs ruim dertig maal voor en altijd uit Zijn eigen mond. Zij klinkt het eerst in armoede: de vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge (Matt. 8:20). Zij klinkt in gezag: de Zoon des mensen heeft macht op de aarde de zonden te vergeven (Matt. 9:6), en Hij is een Heere ook van de sabbat (Matt. 12:8). Zij klinkt in het lijden: driemaal kondigt Hij aan dat de Zoon des mensen overgeleverd zal worden en ten derden dage opstaan (Matt. 17:22-23; 20:18-19). En zij klinkt in heerlijkheid: men zal Hem zien komen op de wolken des hemels, en voor Hem zullen alle volken vergaderd worden (Matt. 24:30; 25:31-32).
Bijbelse betekenis: De aanduiding is met opzet dubbelzinnig. In het gewone Aramees betekent zij niet meer dan "mens", en juist daarom kon Christus haar gebruiken zonder Zich vóór de tijd bloot te geven. Maar bij Daniël is zij een titel van hemelse waardigheid, en dáár grijpt Hij naar terug op het beslissende ogenblik. Voor de hogepriester zegt Hij onder ede dat men de Zoon des mensen zal zien zitten ter rechterhand der kracht en komen op de wolken des hemels (Matt. 26:64). Daarop volgt het vonnis. De laagheid en de hoogheid zitten dus in één woord.
Typologie: Daniël zag in de nachtgezichten "Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon", en Hem werd heerschappij, eer en het koninkrijk gegeven, een eeuwige heerschappij die niet vergaan zal (Dan. 7:13-14). Stefanus ziet die Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods (Hand. 7:56). De Hebreeënbrief past Psalm 8 op Hem toe: wij zien nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn, maar wij zien Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond vanwege het lijden des doods (Hebr. 2:6-9). De weg van Matt. 8:20 naar Matt. 25:31 is dus geen omslag maar één weg.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Profeet, priester en koningniveau 1Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toeambt
Meer dan de tempel, meer dan Jona, meer dan Salomo — 12:1-8, 38-42
Het verzet tegen Hem wordt in dit hoofdstuk hard. Eerst gaat het over de sabbat, dan over een genezing, dan over de vraag door welke macht Hij dit doet. Middenin en aan het slot zegt Hij drie keer hetzelfde over Zichzelf, met hetzelfde woord.
Drie keer stelt Hij Zich boven iets wat Israël heilig was: de tempel, een profeet en een koning. Dat zijn precies de drie ambten waarin men in Israël gezalfd werd.
De aanleiding is klein. De discipelen plukken aren op de sabbat, en de Farizeeën zien het. Zijn antwoord is niet dat het meevalt, maar dat er iets aan de hand is dat groter is dan de kwestie.
Hij noemt eerst David, die de toonbroden at die alleen de priesters toekwamen. Hij noemt vervolgens de priesters zelf, die in de tempel op de sabbat werken en toch onschuldig zijn — de dienst gaat immers door. En dan zegt Hij: “En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is.”
Dat is de eerste van de drie. De kanttekening vat samen waarom dat gezegd kan worden: Hij was de Heere van de tempel, en tegelijk de zaak zelf die door de tempel werd afgebeeld. Wie het gebouw eerbiedigt en Hem verwerpt, houdt het beeld en laat de zaak lopen.
Daarop volgt een woord uit Hosea: “Ik wil barmhartigheid en niet offerande.” Ook dat gaat over de tempel. God had de offerdienst zelf ingesteld, en toch zegt Hij bij monde van Hosea dat Hij lust heeft tot weldadigheid, en niet tot offer. De dienst was nooit bedoeld als een middel om mensen mee te veroordelen.
Aan het slot van het hoofdstuk vragen zij een teken. Hij weigert er een te geven, op één na: “Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.” Daar zet Hij alles op. Wie een profeet wilde toetsen, moest volgens de wet zien of zijn woord uitkwam; Hij geeft één woord op, en dat woord is Zijn eigen opstanding.
En dan komen de tweede en de derde: meer dan Jona is hier, en meer dan Salomo is hier. Jona was een profeet, en heidenen bekeerden zich op zijn prediking. Salomo was een koning, en een koningin kwam van de einden der aarde om zijn wijsheid te horen. Beiden waren gezalfden in het klein.
Zo staan er in dit ene hoofdstuk drie dingen naast elkaar: de tempel, waar de priester dienst deed; de profeet; en de koning. In Israël waren dat drie ambten, gedragen door drie soorten mensen, en niemand droeg er meer dan één tegelijk. Hier staat Eén Die van alle drie zegt dat Hij meer is.
En dan het zinnetje dat de sabbatkwestie besluit: “Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.” Wie de dag mag ordenen, heeft hem gegeven.
Deuteronomium 18:15 — Een profeet zou er komen, gelijk Mozes, naar wie men horen moest.
Exodus 28:1 — En een priesterschap, om in de tempel voor het volk te dienen.
2 Samuël 7:13 — En een koning, met een troon tot in eeuwigheid.
Mattheüs 12:6 — Meerder dan de tempel: het beeld wijkt voor de zaak zelf.
Mattheüs 12:41 — Meer dan Jona: de Profeet Die op Zijn eigen opstanding wijst.
Mattheüs 12:42 — Meer dan Salomo: de Koning bij Wie de wijsheid thuishoort.
In het Nieuwe Testament: Hosea 6:6; 1 Samuël 21:6; 1 Koningen 10:1; Jona 1:17; Deuteronomium 18:15; Hebreeën 7:11
Hoever dit reikt: Dat deze drie uitspraken samen op de drie ambten wijzen, is een gevolgtrekking uit hun onderlinge samenhang; Mattheüs zegt dat niet met zoveel woorden. Wel is elk van de drie afzonderlijk uitdrukkelijk zo bedoeld: over de tempel, over Jona en over Salomo spreekt Hij Zelf. Over de uitdrukking drie dagen en drie nachten merkt de kanttekening op dat bij de Hebreeën een deel van een dag voor een hele dag en nacht geteld werd.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Mattheüs 12:38-39.Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:22→Mattheüs 16:4→Johannes 2:18→Markus 8:11→Lukas 11:16→Lukas 11:29→Johannes 4:48→Johannes 6:30→ — Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeen, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien. Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet. “Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeen, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien. Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.”
De farizeeën veranderen van manier van doen, maar zij jagen hetzelfde doel na. Hoe hopeloos waren de godsdienstige mensen van die eeuw geworden! Niets kon hen overtuigen. Zij toonden hun haat tegen de Heere Jezus door alle wonderen die Hij gedaan had eenvoudig te negeren.
Welke verdere tekenen konden zij nog zoeken dan die Hij al gegeven had? Fraaie onderzoekers waren dat! Zij behandelen alle wonderen van onze Heere alsof zij nooit gebeurd waren. De HEERE mocht hen met recht boos en overspelig noemen, want zij waren zo aan hun eigen lusten overgegeven en geestelijk zo ontrouw aan God.
Wij hebben er ook nu die zo onoprecht zijn dat zij alles wat de rechtzinnige leer tot stand gebracht heeft behandelen alsof het niets was. Zij spreken tegen ons alsof er op de prediking van het evangelie nooit enig gevolg gekomen was. Er is veel geduld nodig om met zulke mensen wijs om te gaan.
De koningin van Scheba vroeg niet om een teken. Zij verwachtte niet dat Salomo een wonder zou doen. Maar zij ging voor hem zitten, legde hem haar raadsels voor en wachtte ootmoedig zijn antwoorden af. Zo hadden deze schriftgeleerden en farizeeën het met de Heere Jezus moeten doen.
Mattheüs 12:40.KruisverwijzingenJona 1:17→Mattheüs 16:21→Mattheüs 17:23→Johannes 2:19→Mattheüs 27:63→Mattheüs 8:20→Mattheüs 27:40→Psalmen 63:9→ — Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde. “Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.”
Het grote teken van de zending van onze Heere is Zijn opstanding, en dat Hij een evangelie van zaligheid voor de heidenen gereedmaakt. Zijn levensgeschiedenis wordt treffend afgebeeld in die van Jona.
Zij wierpen onze Heere overboord, net zoals de zeelieden dat met de man van God deden. Het offer van Jona bracht de zee tot rust voor de schepelingen; de dood van onze Heere maakte vrede voor ons. Onze Heere was een tijd in het hart van de aarde zoals Jona in de diepte van de zee. Maar Hij is opgestaan, en Zijn dienst was vol van de kracht van Zijn opstanding.
Zoals de dienst van Jona bekrachtigd werd door zijn terugkeer uit de zee, zo wordt de dienst van onze Heere bevestigd door Zijn opstanding uit de doden. De man die uit de dood en uit een graf in de zee teruggekomen was, eiste de aandacht van heel Ninevé op. Zo eist en verdient de opgestane Zaligmaker het gehoorzame geloof van allen tot wie Zijn boodschap komt.
Mattheüs 12:41.KruisverwijzingenMattheüs 12:42→Hebreeën 11:7→Mattheüs 12:6→Ezechiël 16:51→Jeremia 3:11→Jona 1:2→Jesaja 54:17→Romeinen 2:27→ — De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier! “De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!”
De heidenen van Ninevé werden overtuigd door het teken van een profeet die uit zijn graf in de zee hersteld was. En door die overtuiging bewogen bekeerden zij zich op zijn prediking. Zonder tegenwerping en zonder uitstel brachten zij de hele stad in de rouw en pleitten zij bij God of Hij Zich van Zijn toorn afkeren wilde.
Jezus kwam met een duidelijker bevel tot bekering en een helderder belofte van verlossing. Maar Hij sprak tot verharde harten. Onze Heere herinnert de farizeeën hieraan. En zij waren de meest Joodse van alle Joden. Dus werden zij in het hart geraakt door het feit dat héidenen doorzagen wat Israel niet begreep, en dat Ninevieten zich bekeerden terwijl Joden zich verhardden.
Het leven van boetvaardigen zal hen veroordelen die zich niet bekeerden. De Ninevieten zullen de Joden veroordelen, omdat zij zich bekeerd hebben op de prediking van Jona en de Joden niet. Wie Jona hoorden en zich bekeerden, zullen snelle getuigen zijn tegen wie Jezus hoorden en Zijn getuigenis verwierpen.
Jona was een knecht; Jezus was de Meester. Jona predikte maar één preek; Jezus predikte er vele. Die preek was kort; Jezus arbeidde lang om zielen. Jona was een man vol zwakheden en met een liefdeloos hart; Jezus was teder en vol medelijden. Jona haastte zich alleen door de straten met de roep dat Ninevé over veertig dagen omgekeerd zou worden, zonder één woord van barmhartigheid. Jezus leefde lang onder het volk en gaf hun aanwijzingen, waarschuwingen en nodigingen om de zaligheid te zoeken en te vinden. Ziet, meer dan Jona is hier!
Het blijvende getuigenis over onze Heere is Zijn opstanding uit de doden. God geve dat ieder van ons, dat onbetwistbare feit gelovend, zo van Zijn zending verzekerd mag zijn dat wij ons bekeren en het evangelie geloven.
Mattheüs 12:42.KruisverwijzingenHebreeën 1:2→2 Kronieken 9:1→1 Koningen 10:1→Filippenzen 2:6→1 Koningen 5:12→Johannes 1:14→Mattheüs 3:17→Mattheüs 17:5→ — De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen, de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier! “De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen, de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!”
Het tweede teken van de zending van onze Heere is Zijn koninklijke wijsheid. De vermaardheid van Salomo deed de koningin van het zuiden van de uiterste einden van de aarde komen. Zo eist de leer van onze Heere de aandacht op van de verste eilanden van de zee.
Ziet Israel Zijn heerlijke wijsheid niet, dan zullen Ethiopië en Scheba ervan horen en zich voor Hem komen buigen. De koningin van Scheba zal weer opstaan, en zij zal opstaan als een getuige tegen de ongelovige Joden. Want zij reisde ver om Salomo te horen, terwijl zij de Zoon van God Zelf niet wilden horen toen Hij in hun midden kwam.
De allerhoogste uitnemendheid van Zijn wijsheid staat voor onze Heere als een teken dat nooit werkelijk te betwisten valt. Welk ander onderwijs voorziet in alle noden van de mensen? Wie anders heeft zulke genade en waarheid geopenbaard? Hij is oneindig groter dan Salomo, die zedelijk gezien een treurige kleinheid vertoonde. Wie anders dan de Zoon van God had de Vader kunnen bekendmaken zoals Hij gedaan heeft?
Mattheüs 12:43.KruisverwijzingenPsalmen 63:1→Job 2:2→Amos 8:11→1 Petrus 5:8→Ezechiël 47:8→Jesaja 35:6→Jesaja 41:18→Mattheüs 8:29→ — En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet. “En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.”
Let erop: niet wanneer hij door een sterkere macht uitgeworpen wordt, maar wanneer hij uit eigen beweging weggegaan is.
De duivel was van ouds in de Joden, maar hij ging uit hen weg ten tijde van de Babylonische gevangenschap; die zware straf genas hen van de afgoderij. Maar de duivel kon in heidense harten nooit een rustplaats vinden die hem zo aangenaam was als onder Gods eigen volk.
Mattheüs 12:44.KruisverwijzingenJudas 1:4→1 Johannes 2:19→Johannes 13:27→Psalmen 81:11→Johannes 13:2→Hosea 7:6→Openbaring 13:3→2 Thessalonicenzen 2:9→ — Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd. “Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.”
Ik zal naar die Joden teruggaan, zegt de duivel. En wanneer hij terugkomt, vindt hij hen zonder enige ware liefde tot God: ledig, met bezemen gekeerd en versierd.
Zie hoe keurig de farizeeer gekleed gaat, en let met wat een schijnheilige zalving hij zijn geveinsde gebeden opzegt. Hij vast twee keer in de week en geeft tienden van zijn munt, dille en komijn. De duivel vindt het huis ledig, gekeerd en versierd. En omdat het hem niet uitmaakt of hij in een vuil hart woont of in een schoon, zolang hij er maar in wonen kan, neemt hij daar zijn intrek weer.
Mattheüs 12:45.KruisverwijzingenHebreeën 6:4→Markus 5:9→Hebreeën 10:26→Lukas 11:26→Lukas 11:49→Lukas 19:41→Hebreeën 10:39→Mattheüs 23:24→ — Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn. “Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.”
Al kwam de afgoderij niet bij de Joden terug, de duivel van de hoogmoed en de eigenwaan kwam wél terug, en nog veel meer duivelen met hem. Zij streden tegen de Zoon van God, zodat zij erger werden dan zij tevoren waren. De eerste duivel van het Joodse volk was niets vergeleken bij de zeven duivelen die hen daarna bezaten.
Wij hebben zulke mensen wel gezien. Onder een tijdelijke overtuiging hebben zij bepaalde uiterlijke zonden opgegeven, maar daarna zijn zij tienmaal erger geworden dan zij eerst waren.
Wij hebben iemand gekend die een dronkaard was, en wij hebben ons verheugd toen hij zijn bekers liet staan. Maar toen maakte hij van zijn matigheid een eigengerechtigheid en keerde hij zich tegen God en Zijn waarheid. En toen hebben wij werkelijk geloofd dat er zeven duivelen in hem waren die erger waren dan de eerste.
Een mens kan zichzelf hervormen tot zwartere vlekken. Hij kan zich met het water van zijn eigengerechtigheid wassen tot hij moeilijker te reinigen is dan hij in het begin geweest zou zijn.
Och, om de machtige hand van Hem Die sterker is dan de vorst van de hel, om de duivel uit te werpen! Dan zal hij nooit meer terugkomen. Maar gaat hij alleen door menselijke overreding uit, of door onze eigen wil en wens, dan zal hij zeker bij ons terugkomen. Drijft de Heilige Geest hem uit, dan zal hij nooit meer toegang krijgen.
I. Vs. 1-8.KruisverwijzingenDeuteronomium 23:25→1 Samuël 21:3→Markus 2:23→Mattheüs 12:10→Mattheüs 12:41→Mattheüs 9:13→Hosea 6:6→Lukas 6:1→ — In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten. En de Farizeen, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat. Maar Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren? Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar den priesteren alleen. Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn? En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is. Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben. Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat. De Evangelist slaat hier enige tijd, die op de zending van Johannes onmiddellijk gevolgd is, over en verplaatst ons aanstonds in die voorvallen, die op twee Sabbatten van de paasweek plaatsgevonden hebben, en waaraan zich vervolgens de gebeurtenissen, die daarmee in nauw verband staan, hebben aangesloten. Later komt hij terug op het vroeger overgeslagen (in hoofdstuk 14). Hij heeft daarvoor zijn redenen, die wij later zullen leren kennen: hier legt hij echter de geschiedenis van het plukken van de aren door de discipelen op een Sabbat van de paasweek ter beschouwing voor.
KruisverwijzingenDeuteronomium 23:25→Markus 2:23→Lukas 6:1→— In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.
In die tijd, ongeveer 17 dagen later dan de in de vorige afdeling meegedeelde gebeurtenis, nadat intussen Johannes de Doper onthoofd was, de twaalven waren teruggekeerd, de Heere met hen Zich aan de oostelijke oever had teruggetrokken, waar Hij de 5000 mannen gespijzigd had, na het terugkeren in de Synagoge te Kapérnaüm geleerd en van daar een tocht in het omliggende land van Gennesareth had ondernomen (hoofdstuk 14: 1-36), ging Jezus, terwijl Hij, te Chorazin 12: 9″) zijnde, na geëindigde godsdienst een wandeling in de vrije natuur maakte, op een Sabbatdag, 1) op de zaterdag van de in het genoemde jaar van 18-24 april durende feestweek (zie 2 Makk. slotwoord Nr. 4 de tabel), door het gezaaide, door de velden met gerst 2: 17″), die in deze tijd – 23 april van het jaar 29 na Chr. – reeds begon rijp te worden. En Zijn discipelen hadden honger en begonnen, hetgeen het Joodse recht uitdrukkelijk veroorloofde (Deut. 23: 25), aren te plukken en te eten; 2)de met de handen uitgewreven korrels begonnen zij te eten tot het stillen van hun honger.
In de grondtekst staat hier evenals in Mark. 2: 23 : “op de Sabbatten, ” dat ons duidelijk op een tijd wijst, waarin verscheidene dagen na elkaar op de wijze van de Sabbat gevierd moesten worden. Omdat nu aan de ene zijde het koren nog in de halmen staat, aan de andere zijde reeds rijp genoeg is om tot stilling van de honger gebruikt te worden, zo kan alleen aan de paasweek worden gedacht. Deze bevatte in al die jaren, dat de 1ste Paasdag (15 Nisan) noch op een zaterdag, noch op een zondag viel, drie Sabbatdagen, namelijk behalve op de 1ste en 7de Paasdag, die beide een Sabbatskarakter hadden (Ex. 12: 16) ook de daartussen liggende wekelijkse Sabbat. Het jaar 29 na Christus, waarin naar onze berekening de voor ons liggende gebeurtenis plaatsheeft, was zo’n jaar; de 1ste Paasdag (15 Nisan = 18 april) was toen een maandag, en de 7de Paasdag (21 Nisan = 24 april) een zondag; tussen beiden kwam dan 20 Nisan (23 april), een zaterdag, of wekelijkse Sabbat. Dat nu deze laatste, de middelste van de drie Sabbatdagen van de Paastijd, bedoeld is, blijkt duidelijk uit de uitdrukking, die in Luk. 6: 1 gebruikt is: “op de tweede eerste Sabbat. ” Luther heeft dat met “na-Sabbat” vertaald en zegt daaromtrent het volgende: Evenals zij de dinsdag noemen de na-maandag, zo noemden de Joden de dag van de grote Sabbat de na-Sabbat, zoals dit uit MATTHEUS. 28: 1 te zien is. Luther richt zich daar naar de betekenis, die de kerkvaders aan de alleen op die plaats bij Lukas voorkomende uitdrukking hebben gegeven, waarbij echter de bedoelde Sabbat slechts als de tweede van twee onmiddellijk op elkaar volgende Sabbatten wordt opgevat, die daarom ook minder waarde had dan de voorgaande eerste of grote Sabbat; daarmee is echter niet verklaard, waarom hij juist de tweede eerste genoemd wordt. De juiste betekenis heeft eerst later de beroemde chronoloog Scaliger gegeven, die tot de plaats Lev. 23: 15 terugging. Volgens het daar gegeven voorschrift toch moesten de Joden om de dag van het feest van de weken of Pinksteren te bepalen, van de dag na de Sabbat tellen, wanneer zij de beweeggarve brachten, dat is van de 16de Nisan, zeven gehele Sabbatten tot na de zevende Sabbat. De tweede eerste Sabbat is dan de eerste van deze zeven, van de tweede dag van het Paasfeest af getelde Sabbatten, die juist, zoals boven gezegd is, in het jaar na Chr. op 20 Nisan (23 april) viel. Behalve deze verklaring, en bovendien vele andere, is nog een beproefd, die onlangs door Wieseler is verdedigd en veel bijval heeft gevonden: men zou namelijk hieronder hebben te verstaan de eerste Sabbat in het kerkelijk jaar, dat met de maand Nisan begon, zij zou daarom de tweede eerste genoemd zijn, omdat het bedoelde jaar het tweede in de kring van die Sabbat-periode was; de Joden zouden namelijk, zoals reeds de godsspraak van de 70 jaarweken in Dan. 9: 24vv. bewijst, de tijdruimte van elke zeven jaren tot een Sabbatperiode, of jaarweek verbonden hebben, en nu zou de eerste Sabbat in het eerste jaar van zo’n periode de eerst-eerste, de eerste Sabbat in het tweede jaar de tweede-eerste Sabbat zijn genoemd. Passen wij deze verklaring toe op het jaar 29, waarin ook volgens Wieseler deze gebeurtenis voorvalt, zo was, daar met de herfst 26 tot die van 27 een Sabbatperiode eindigde, en met de herfst 27 tot die van 28 een nieuwe jaarweek begon, de tijd van de herfst 28 tot 29 het tweede jaar van deze cyclus, en wij zouden nu bij de tweede-eerste Sabbat aan de eerste Sabbat in de maand Nisan van dit jaar, dat is aan de 6 Nisan (= 9 april) moeten denken. Tegen deze verklaring zijn zeer gewichtige bedenkingen. Wij willen niet drukken wat Ebrard opmerkt: “wie zal bij een deel van een op zichzelf zo groot tijdperk als een jaar is, er bovendien nog op letten, de hoeveelste afdeling in verhouding tot een nog grotere periode dit jaar is?” Want deze geleerde verwisselt daarbij de Sabbatperiode met de jubelperiode, wanneer hij voortgaat: “wie zal, met andere woorden, de rij van de Sabbatten in ‘t bijzonder langer dan een jaar en tot 49 toe voorttellen, zodat men tenslotte de negen en veertigste-twee en vijftigste Sabbat telde?” Bij het zo grote gewicht van een Sabbatkring voor Israël zou het wel denkbaar zijn, dat men om met die bij het begin van elk nieuw kerkelijk jaar het zich opnieuw te herinneren, van de eerste sabbat naar het nummer, dat aan het jaar in deze cyclus toekwam, een nadere aanwijzing toevoegde. Er blijft echter altijd een moeilijke verwisseling van het kerkelijke met het burgerlijke jaar. Het jaar, waarop bij de uitdrukking “tweede-eerste Sabbat” het woord “tweede” doelt, zou dan het van 1 Tisri (9 sept. ) 28 tot in 29 na Chr. zich uitstrekkende burgerlijke jaar zijn, terwijl het tweede gedeelte van de uitdrukking de eerste Sabbat in het kerkelijk jaar van 1 Nisan (4 april) 29 tot dien in 30 bedoelt. Bovendien moeten wij stilstaan bij hetgeen reeds bij hoofdstuk 5: 1 is opgemerkt, dat wegens het verbod in Lev. 23: 14 elke berekening vals is, die deze geschiedenis in een tijd plaatst vóór de 16de Nisan, de dag van de aanbieding van de beweeggarve. Wanneer men beweert, dat de uitdrukking, daar in de grondtekst gebezigd en door ons met “groene aren” vertaald, van twijfelachtige betekenis is, zodat men uit die plaats geenszins zou mogen besluiten, dat aren plukken en genieten van de korrels voor die dag geenszins zou zijn verboden geweest, zo is dit slechts een ontgaan van de moeilijkheid, anderen proberen zich daardoor te helpen, dat zij in Luk. 6: 1 het “tweede-eerste” geheel uit de tekst wegdoen, omdat het in enige handschriften ontbreekt. Tegen de boven door ons gegeven verklaring verheft zich echter een niet geringe moeilijkheid in zoverre, als bij alle drie Evangelisten de geschiedenis van het aren plukken aanmerkelijk eerder verteld wordt dan de spijziging van de vijfduizend, die volgens Joh. 6: 1vv. op het laatst op de dag voor het feest van de ongezuurde broden (14 Nisan) voorgevallen is. Hiermee, zo schijnt het, zijn wij in openbare tegenspraak, wanneer wij de geschiedenis, waarover wij spreken, pas op de 20ste Nisan, dus 6 dagen later plaatsen. Dat intussen de Evangelisten in dit gehele gedeelte niet naar de strengste tijdorde verhalen, blijkt reeds daaruit, dat volgens Mark. 6: 30vv. en Luk. 9: 10vv. het terugkeren van de twaalven van hun gezantschap pas onmiddellijk vóór de spijziging van de vijfduizend, dus op 13 of 14 Nisan heeft plaatsgehad. Evenwel zijn zij in deze geschiedenis weer bij Jezus, en zo verkeerd zullen wij toch de loop van de gebeurtenissen niet chronologisch willen rangschikken, als Wieseler heeft gedaan, volgens wie de discipelen slechts één dag met de voltooiing van hun zending zouden hebben doorgebracht. Bij geen van de drie Evangelisten is de geschiedkundige tijdorde de onvoorwaardelijke maatstaf voor hun wijze van vertellen, maar ieder heeft zijn eigen gang, zoals die met het plan van zijn werk overeenkwam. Welke gang Markus en Lukas volgen, zullen wij te zijner tijd bij de verklaring van hen ons moeten duidelijk maken. Voor het tegenwoordige hebben wij slechts te doen met de volgorde van de gebeurtenissen bij Mattheüs. Juist van deze Evangelist kunnen wij het eerst veronderstellen, dat hij, bij alle vrijheid in het bijzonder, toch in het groot en in het geheel zich aan de chronologische orde heeft gebonden, zoals ook Johannes dit in het vierde Evangelie heeft gedaan. Mattheüs en Johannes toch zijn oog- en oorgetuigen van hetgeen zij vertellen, geweest, terwijl de twee middelsten, Markus en Lukas, slechts berichten, wat zij van anderen vernomen hebben; niet tevergeefs heeft het ook de Heere der kerk zo beschikt, dat deze beide Evangelisten in de rij van de Canonieke boeken de beide anderen in hun midden nemen, en nu zeker ook voor deze het richtsnoer geven, hoe wij de opvolging van de bijzondere gebeurtenissen hebben te rangschikken. Zo vertelt dan ook werkelijk Mattheüs in de gehele afdeling, die van hoofdstuk 12: 1-14: 36 loopt, in hoofdzaak chronologisch juist, met deze uitzondering, dat bij een strenge chronologie hoofdstuk 14 vooraf zou moeten gaan en daarna pas hoofdstuk 12 en 13 zou volgen, en verder in hoofdstuk 13: 1-52 twee gelijkenisredenen van Jezus, die chronologisch van elkaar gescheiden zijn, in een geheel zijn bewerkt. Over het laatste hebben wij ons reeds elders uitgesproken, en zullen later daarop terugkomen; wat het plaatsen van hoofdstuk 12 en 13 voor 14 aangaat, zodat de inhoud van het laatste, in plaats van, zoals de chronologie het gevorderd had, met zijn begin aan hoofdstuk 11 gevoegd te zijn, integendeel met zijn einde in de onmiddellijke nabijheid van hoofdstuk 15 geplaatst is, zo schijnt dit in de volgende omstandigheden zijn reden te hebben. In hoofdstuk 15: 1vv. komen de Schriftgeleerden en Farizeeën van Jeruzalem tot Jezus om Hem daarover aan te spreken, dat Hij met Zijn discipelen de instellingen van de ouden overtrad. Dit, dat juist nu een commissie van Jeruzalem naar Galilea tegen de Heere wordt afgezonden, nadat vóór ongeveer een half jaar slechts enige Schriftgeleerden van daar waren gegaan, om de Farizeeën in hun bedoelingen te ondersteunen en te leiden 9: 2), moet zijn bijzondere aanleiding hebben gehad. Die aanleiding ligt zonder twijfel daarin, dat door de feestgenoten, die naar Jeruzalem tot het Paasfeest waren opgekomen, een zekere opwekking onder het volk was ontstaan, te meer doordat de in hoofdstuk 10 uitgezonden discipelen zich voornamelijk met de reizigers naar het feest hadden opgehouden. De opwekking zal een dergelijke geweest zijn als die in Joh. 7: 40vv. ; 9: 16; 10: 19vv. beschreven worden. Die nu tegen Jezus waren hadden zeker ook wel bij het oordeel van hun verwerping voorgesteld, hoe zij aan de discipelen hadden opgemerkt, dat zij met ongewassen handen het brood aten (Mark. 7: 2vv. ), en zich dus aan de instellingen van de ouden niet stoorden. Dit was dan de aanleiding voor de Hoge Raad, om een onderzoek tegen de Galilese profeet te beginnen; tot dat doel moest eerst een deputatie tot onderzoek naar Galilea worden gezonden, omdat Jezus in het jaar 29 Zich niet zelf op het Paasfeest te Jeruzalem bevond, maar intussen Zijn werkzaamheid in Galilea voortzette. In Zijn werkzaamheid nu gedurende het Pascha stelt Hem het 14de hoofdstuk voor in het gedeelte van vs. 13-36 ; en is daarom een betere voorbereiding tot hoofdstuk 15: 1-20 , dan wanneer naar chronologische orde dit hoofdstuk tot het 12de gemaakt ware, en dan hoofdstuk 13 en 14 tussen gekomen ware. Wij kunnen intussen nog een andere, dieper liggende reden voor de wijze van vertellen, door de Evangelist gevolgd, aanvoeren. Met hoofdstuk 15: 1vv. naderen de gebeurtenissen tot het einde van de werkzaamheid van de Heere in Galilea. De Heere wordt van nu af uit de streek, waarin Hij een vol jaar werkzaam is geweest, schrede voor schrede door de Hem vervolgende tegenstanders gedrongen, zodat Hij Zich nu eens in de landstreek van Tyrus en Sidon, dan in het gebied van Filippus aan de overzijde van de Galilese zee moet terugtrekken (hoofdstuk 15: 21-18: 35), en eindelijk Zich geheel en al uit Galilea verwijdert), om daarna naar Jeruzalem te trekken en daar de kruisdood te ondergaan (hoofdstuk 20: 17vv. ). Hij ondergaat daar, op geestelijke meer dan op lichamelijke wijze, het lot van Zijn voorloper Johannes de Doper, wie de viervorst Herodes uit zijn werkzaamheid had uitgerukt, gebonden en in de gevangenis geworpen had, om hem tenslotte met het zwaard om te brengen. Maar het is niet weer de wereldlijke arm van Herodes, die zich ook tegen Jezus verheft, want deze is verlamd door de vrees voor deze Jezus als voor een uit de dood opgestane Johannes; het is integendeel het geestelijk bestuur van Israël, dat zijn werk aan Jezus begint, om na het volbrengen daarvan voor de werkelijke opstanding van de Gekruisigde te vrezen (hoofdstuk 27: 62vv. ). Uit dit gezichtspunt kan het slechts als een zeer doelmatige rangschikking voorkomen, dat hoofdstuk 14, ook wat zijn begin aangaat (vs. 1-12), voorafgaat aan de gebeurtenissen, die met hoofdstuk 15 worden voorbereid, en niet eerst nog door de inhoud van hoofdstuk 12 en 13 daarvan worden gescheiden. Eindelijk verkrijgt nu ook alles, wat in hoofdstuk 12 en 13 gevonden wordt, een recht verband tot de woorden in hoofdstuk 11: 28vv. : “Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, enz. ” Wat een vriendelijke, liefelijk lokkende stem! Waarlijk, men zou geloven, zij had in het hart moeten dringen en geheel Israël had de tijd moeten erkennen, waarin het gezocht werd. Het heeft die echter niet erkend; zijn oversten, de Farizeeën en Schriftgeleerden hielden de harten door hun huichelarij in banden en sloten het koninkrijk der hemelen voor de mensen toe, opdat ook anderen niet zouden binnengaan, zoals zij zelf ook niet daarin wilden. Dit ontsluit zich voor onze ogen in de drie geschiedenissen van hoofdstuk 12. In hoofdstuk 13 horen wij dan verder, waarom zo weinig vrucht gezien wordt van het woord van God, dat toch zo veel wordt gepredikt, en waarom er zo weinig gevolg is te zien van de goddelijke prediking van het heil, zelfs dan, wanneer Gods Zoon zelf de Prediker van de zaligheid is. In gelijkenissen wordt het duidelijk gemaakt, en de ontvangst, die de Heere ook bij Zijn tweede bezoek in Nazareth vindt, geeft een merkwaardige illustratie op hetgeen de gelijkenissen wilden zeggen. Zo, menen wij, heeft het oog op de orde van zaken onze Evangelist ertoe gebracht, om de tijdsorde in een enkel opzicht voorbij te gaan, en aan Zijn verhaal een enigszins andere op elkaar volging te geven dan de chronologie eiste.
KruisverwijzingenMattheüs 12:10→Exodus 20:9→Lukas 14:3→Markus 3:2→Exodus 31:15→Jesaja 58:13→Numeri 15:32→Lukas 23:56→— En de Farizeen, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat.
“Jezus lopen op de sabbat was niet reizen van de ene plaats naar de andere, het was een eigenlijk wandelen met de discipelen, als van de algemene rust van de arbeid en van het stille aanschouwen en genieten van de natuur door Hem werd gebruik gemaakt. Zo’n wandeling door het zaadveld, om vrolijk de sabbat te vieren, is het wellicht geweest, waarvan dit gedeelte melding maakt. ” Gewoonlijk namen de Joden vóór het morgengebed geen voedsel (Hand. 2: 15). Wanneer nu ook op zo’n regel de sabbat een uitzondering maakte, en het zelfs voor verdienstelijk werd gehouden, op die dag driemalen te eten, zo zullen toch de discipelen tot aan de godsdienst nuchter zijn gebleven; onmiddellijk daarop moet de wandeling gevolgd zijn, omdat de Farizeeën volgens het volgende vers dadelijk bij de hand zijn, om hun verwijt tegen het aren plukken op de sabbat voort te brengen. Deze waren naar alle waarschijnlijkheid Jezus nagegaan, toen Hij uit de synagoge op het veld ging. Dat Hij Zijn weg midden door het zaad zou nemen (natuurlijk op een ook door anderen gebruikt, daar doorheen leidend voetpad, niet, zoals sommige uitleggers uit de klank van de woorden in Mark. 2: 23 hebben opgemaakt, zo dat de discipelen pas door plukken van de aren Hem een weg zouden hebben moeten banen) konden zij natuurlijk niet vooruitzien, en was daarom het aren plukken eigenlijk niet de zaak, waarop zij loerden; integendeel zal hun loeren daarop gedoeld hebben, of Jezus verder dan een sabbatsweg (2000 schreden ongeveer 1/4 mijl) zou gaan, waardoor Hij de inzettingen van de ouden zou overtreden en hun aanleiding tot aanklacht zou hebben gegeven. Nu schijnt de Heere, die misschien ten opzichte van de sabbatweg de inzetting van de ouden, omdat zij op de Bijbel steunde (Exod. 16: 19) liet gelden (Hand. 1: 2 Luk. 24: 50), met opzet de weg door de korenvelden genomen te hebben, niet alleen om de hongerige discipelen gelegenheid te geven hun honger te stillen, maar om ook met de tegenstanders de strijd, waartoe zij zich hebben toegerust, werkelijk, hoewel ook op een ander gebied, ten einde te brengen en voor hen een getuigenis van de waarheid af te leggen. Wat het plukken van de aren aangaat, zo zijn de Arabieren nog heden gewoon, wanneer zij hongerig door de velden gaan, het als een vanzelfsprekend recht te beschouwen. Volgens de leer van de Farizeeën verontschuldigde echter zelfs de honger niet het uitwrijven ook maar van een enkele korrel in de beide gevallen, allereerst, wanneer het koren nog kodesch of heilig was, d. i. wegens het nog niet plaatshebben van de aanbieding van de eerstelinggarve voor het gewone gebruik nog niet geoorloofd, en vervolgens wanneer het op de sabbat gebeurde. Maimonides (in sabbat c. 7 en 8) verklaart: “Wie op de sabbat koren oogst, zij het ook maar zoveel, dat het de grootte van een vijg uitmaakt, vervalt in de schuld. Nu is aren afplukken een soort van oogsten; wie daarom iets van de stengel breekt, bezondigt zich alsof hij inoogstte. ” Ook Phïo (vit Mos. II 657) merkt op: “De sabbatsrust moet niet alleen tot de mensen, zowel knechten als vrijen, en tot de dieren, maar ook tot de bomen en gewassen uitgestrekt worden; het is dus volgens de wet niet geoorloofd een plant, een tak of ook maar een blad op de sabbat af te snijden. “
En de Farizeën, die op Hem loerden, dat aren plukken ziende, zeiden tot Hem, met blijdschap die gelegenheid aangrijpende, om Hem Sabbatsschennis te verwijten: Zie, uw discipelen doen wat tot het gebied van de oogst behoort, wat niet geoorloofd is te doen op de Sabbat, waarop alle arbeid verboden is (Exod. 20: 9vv. ).
Kruisverwijzingen1 Samuël 21:3→Lukas 6:3→Markus 2:25→Markus 12:26→Mattheüs 21:16→Mattheüs 22:31→Lukas 10:26→Mattheüs 19:4→— Maar Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren?
Maar Hij beriep Zich op de Schrift, om hun te bewijzen, dat reeds in het Oude Testament de bevrediging van ogenblikkelijke behoefte voor hoger en gewichtiger wasgehouden, dan de uiterlijke overwinning van een uiterlijke instelling, en zei tot hen: Hebt gij niet in 1 Sam. 21: 1-6 gelezen wat David op zijn vlucht voor Saul gedaan heeft, toen hij honger had en zij, die met hem waren, Zijn metgezellen?
KruisverwijzingenExodus 25:30→Leviticus 24:5→Leviticus 8:31→Exodus 29:32→— Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar den priesteren alleen.
Hoe Hij namelijk gegaan is in het huis van God, in de tabernakel, die zich toen te Nob bevond, en hoe hij de toonbroden gegeten heeft niet alleen met toestemming van, maar zelfs op aanwijzing van de Hogepriester, omdat eranders geen brood aanwezig was, die hem toch volgens het voorschrift in Lev. 24: 9) 1) niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar de priesters alleen. Wanneer nu in dit geval de nood van het ogenblik dispensatie gaf van een uitdrukkelijk, op gewone omstandigheden berekend verbod, hoe veel te meer zijn dan Mijn discipelen door dezelfde behoefte vrijgesteld van uwwillekeurige, menselijke inzettingen, die aan de Sabbatswet een zo grote uitbreiding hebben gegeven! Toch wil Ik daarom voor gewone omstandigheden uw instelling niet volstrekt verwerpen (hoofdstuk 23: 3).
In de gewone Bijbels wordt hier ten onrechte Exod. 29: 33 aangehaald, welke plaats niet op de toonbroden betrekking heeft.
KruisverwijzingenNumeri 28:9→Johannes 7:22→Ezechiël 24:21→— Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn?
Of wanneer gij misschien meent, dat hier zo’n grote behoefte niet bestaat, dat Ik met Mijn discipelen thuis had kunnen blijven, of deze weer naar huis hadden kunnen gaan, wanneer de honger zich liet voelen om daar aan hun behoefte te voldoen, zo vraag Ik verder: Hebt gij niet gelezen in de wet, op alle plaatsen, waar van de ambtsverrichtingen van de priesters sprake is, dat de priesters de Sabbat ontheiligen in de tempel, in de onmiddellijke nabijheid van God, wanneer zij op de Sabbatdagen meer dan op alle andere (Num. 28: 9vv. ) te doen hebben met de bezorging van de offeranden en met hun andere bezigheden, en dat zijnochthans onschuldig zijn, juist omdat het voor de tempel is, dat zij werken.
KruisverwijzingenMattheüs 12:41→2 Kronieken 6:18→Maleachi 3:1→Hagai 2:7→Johannes 2:19→Kolossenzen 2:9→1 Petrus 2:4→Mattheüs 23:17→— En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is.
En Ik zeg u, opdat gij begrijpt, hoe Mijn discipelen nog veel minder schuld hebben, ja in hun allerheiligst recht zijn, wanneer zij liever de Sabbat breken, zoals gij meent, dan Mij te verlaten en zich te huis te verzadigen, dat inMijn persoon a) een meerder dan de tempel, de Heer van de tempels (Mal. 3: 1), hier is, en meer aanspraak op Zijn dienaars heeft dan deze.
2 Kron. 6: 18
Had Jezus in vs. 3 uit het meerdere (van de vergunning tot het eten van de toonbroden voor de hongerige David) tot het mindere, de vergunning tot het eten van de aren op de sabbat voor de hongerige discipelen) besloten, zo gaat in vs. 5 Zijn gevolgtrekking van het kleinere (namelijk van de tempel, diens priesterlijke offeranden tot wijding van de sabbat) op het grotere (op Zijn eigen autoriteit, die de heiligheid van de tempel overtrof) over, en geeft Hij daarbij tegelijk de sleutel tot deze gevolgtrekking.
Wat nu de eerste gevolgtrekking betreft, zij is deze: David heeft zelf een uitdrukkelijke wettige inzetting gebroken; Mijn discipelen hebben dat niet gedaan, want geen inzetting in de Pentateuch verbiedt het wrijven van aren op de sabbat. Mocht nu David in de geestelijke opvatting, dat het eigenlijke doel van die inzetting van de toonbroden was, de letter van de wet overtreden, hoe veel te meer mogen Mijn discipelen hun honger op een wijze stillen, die nergens in de wet verboden is.
Wat daarentegen de andere gevolgtrekking betreft, zij geeft ons de volgende gedachten: Wat de priesters op de sabbat in de tempel doen, waar zij hun meeste werk hebben, dat doen zij niet op dispensatie, nee, zij doen het op last en bevel van de wet; en wanneer zij deze werken van de wet niet deden, zouden zij tegen de wet van de sabbat zondigen. De dienst van de tempel maakt hun arbeid noodzakelijk, en het recht van de sabbat machtigt tot hetgeen voor andere soorten van beroep sabbatsschennis zou zijn. De tempel is dus groter en heiliger dan de sabbat. Ja, hij is ook van al het grote het grootste en van al het heilige het heiligste; slechts een uitgezonderd, die groter en heiliger is dan de tempel, de Heer, de Messias, van wie de laatste van uw profeten gezegd heeft: “Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heere, die gij zoekt, te weten de Engel van het Verbond, aan wie gij lust hebt. ” Nu echter zeg Ik u, dat Hij, deze Heer, die groter is dan de tempel, hier is, in eigen persoon onder u staat; Ik ben het, die met u spreek.
Voor Mattheüs is deze verklaring van Jezus van bijzonder gewicht geweest, naar het gehele doel van zijn Evangelie; van daar dan ook, dat hij haar met bijzondere vlijt heeft aangetekend, terwijl het de beide andere evangelisten alleen om een korte en krachtige weerlegging van de Farizeeën te doen was, zoals vs. 3 die reeds behelst. Na deze zo duidelijke getuigenis uit de mond van Jezus, doen de ongelovige Joden een groot onrecht, wanneer zij nog altijd op de Messias wachten; daarentegen hebben diegenen uit de Joden, die Christen geworden zijn, volkomen recht, dat zij zich van de Joodse tempel losgemaakt en tot Christus bekeerd hebben. Wanneer nu de beide andere Evangelisten het alleen bij de eerste rechtvaardiging in vs. 3vv. laten rusten, zo heeft de hier gebruikte bewijsplaats misschien daarom het grootste gewicht gehad, omdat deze plaats misschien de haphtare (aangegeven plaats uit de profeten om te lezen, zoals onze huidige Zon- en feestdags-epistelen) van de sabbat vormde, waarop deze geschiedenis slaat.
Jezus was de Heer van de tempel, en daarom meer dan de tempel. Bovendien, God woonde in de tempel, slechts op een schaduwachtige wijze. Maar in de menselijke natuur van Jezus woonde de volheid van de Godheid lichamelijk, en daarom was Hij oneindig heerlijker, dan de Jeruzalemse tempel.
KruisverwijzingenMattheüs 9:13→Hosea 6:6→Micha 6:6→Jesaja 1:11→Job 32:3→Jakobus 5:6→Psalmen 94:21→Psalmen 109:31→— Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
Maar reeds meer dan eens moest Ik u gebrek aan het verstaan van het hoofdwoord van de Schrift verwijten (hoofdstuk 9: 13), en Ik moet het weer doen. Als gij geweten had, wat het zij, wat God, de Heere, voor wiens eer gij zegt te ijveren, daarmee wil, wanneer Hij in Hosea 6: 6 zegt: a) Ik wil barmhartigheid, van de ene broeder voor de andere, en niet offerande, die men Mij met een koud, zelfzuchtig hart brengt, gij zou de onschuldigen, Mijn discipelen in hun onschuldig gedrag niet veroordeeld hebben, maar het liefhebbende hart, dat zich over de nood van de naaste ontfermt, zou het u vanzelf hebben geleerd, ook zonder lang nadenken, en zonder dat Ik u die plaats uit de Schrift had voorgehouden.
Micha 6: 8
De onwetendheid van de Farizeeën was geen zwakheid van verstand, maar verblinding van hart. De nijd verleidt om alles ten kwade uit te leggen, alles te berispen; het juiste, eenvoudige hart leert ons het wezenlijke en niet-wezenlijke onderscheiden; de liefde leert overal het goede zien, de handelingen van anderen juist verklaren en ze verontschuldigen.
KruisverwijzingenLukas 6:5→Mattheüs 9:6→Markus 2:28→Mattheüs 8:20→1 Korinthe 16:2→1 Korinthe 9:21→Johannes 5:17→Markus 9:4→— Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.
Wanneer Ik nu daardoor nogmaals Mijn discipelen voor onschuldig verklaar, zo merkt op, door welke macht Ik dit doe; want de Zoon des mensen, voor wie Ik Mij bij eenvroegere aanklacht door u reeds verklaard heb (MATTHEUS. 9: 6), is een Heere, evenals over de tempel (vs. 6), zo ook van de Sabbat, en zal die dag, wiens betekenis gij zo misbruikt, alsof de mens om de Sabbat en niet de Sabbat om de mens ware geweest (Mark. 2: 27), geheel ter zijde stellen, om een andere dag, en wel Zijn dag (Openbaring . 1: 10) daarvoor in de plaats te stellen (Dan. 2: 21).
In de regel verstaat men deze uitspraak zo: “De autoriteit van de Messias, waaronder de discipelen gehandeld hebben, staat boven de wet van de sabbat; de laatste is aan Zijn beschikkingen onderworpen en moet voor Zijn wil wijken. ” Of: “Ik ben de Heer, wiens werk op de sabbat gedaan moet worden; wat daarom Mijn discipelen in Mijn dienst op de sabbat doen, is geen sabbatsschennis, maar sabbatsheiliging. ” Wij geven toch de voorkeur aan hetgeen Menken zegt: “Dat de Heere groter was dan de tempel, omdat Hij de waarheid en hoofdzaak van alles, waarvan de tempel met zijn heilige dienst slechts een beeld en afschaduwing was, had en gaf; dus was Hij ook een Heer van de sabbat, omdat Hij in de wereld gekomen was om het beeld en de belofte van een eeuwige zalige rust van God te verwezenlijken om naar die rust heen te voeren – allen, die zich aan Hem overgeven. Zoals het scheuren van het voorhangsel en de uitroeiing van de tempel en de tempeldienst omwille van Zijn bloed en Zijn verlossings, die door Hem gekomen is, van Hem getuigt als van degene, die groter is dan de tempel, heeft Hij ook naderhand betoond een Heere van de sabbat te zijn, die er een goddelijk recht op en een goddelijke macht over heeft, omdat Hij zonder alle wereldlijke macht, zonder alle menselijke autoriteit en hulp het in Zijn gemeente schikte, dat deze eerste, oudste van alle inzettingen van God veranderd werd, zodat de sabbat niet meer op de laatste, maar op de eerste dag van de week, de dag van Zijn opstanding uit de doden, gevierd werd. Nu is de dag van de Heere niet meer de gedenkdag van de wereldschepping, en de herinnering aan het verlorene en de hoop op het eens terug te vinden paradijs, maar veelmeer de dag van viering en vreugde over de verzoening en verlossing van de gevallen, zondige wereld, van het herschapen onverwelkelijke paradijs, dat het paradijs geworden is van al degenen, die deel hebben aan de dood en de opstanding van Christus. ” Vgl. hiermee hetgeen gezegd wordt bij hoofdstuk 28: 1.
II. Vs. 9-21.KruisverwijzingenLukas 4:18→Lukas 6:6→Lukas 13:14→Johannes 9:16→Lukas 14:5→Mattheüs 6:26→Johannes 11:53→Johannes 3:34→ — En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge. En ziet, er was een mens, die een dorre hand had, en zij vraagden Hem, zeggende: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen). En Hij zeide tot hen: Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo datzelve op een sabbatdag in een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen? Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen. Toen zeide Hij tot dien mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere. En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten. Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze allen. En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden; Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende: Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen. Op de volgende dag, een zondag, die als de zevende dag van het paasfeest aan de Sabbat gelijk is, bevindt Jezus Zich op het uur van de godsdienstoefening in de Synagoge van diezelfde stad, op de korenvelden waarvan de in de vorige afdeling vertelde ontmoeting met de Farizeeën plaats heeft gehad. Hier vindt Hij een man, wiens rechterhand verdord is, en nu zijn het de Farizeën zelf, die met hun arglistig bespieden er Hem toe dwingen, den strijd tegen hun verkeerde en onredelijke Sabbatsorde, nadat zij gisteren wel uit het veld geslagen, maar niet innerlijk overwonnen zijn, opnieuw te beginnen. Maar de eenvoudige en verheven wijze, waarop de Heere hun hooghartige dwaling weerlegt, werkt slechts verbittering bij hen, zodat zij beginnen met elkaar te beraadslagen, hoe zij Hem zouden ombrengen.
KruisverwijzingenLukas 6:6→Markus 3:1→— En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge.
En van daar, waar Hij buiten op het veld de samenspraak met de Farizeeën had gehad (vs. 1vv. ) voortgaande, zonder zich te laten terughouden van de eens begonnen wandeling, of de discipelen in het aren plukken testoren, kwam Hij de volgende dag (24 april van 29) in hun synagoge, in de godsdienstige vergaderplaats van dezelfde plaats, waar die Farizeeën woonden.
Wanneer Mattheüs hier zo vertelt, alsof de Heere nog op dezelfde dag in deze synagoge gegaan was, terwijl er toch in Luk. 6: 6 uitdrukkelijk staat: “En het geschiedde ook op een andere sabbat, dat Hij in de synagoge ging en leerde, ” zo ligt voor onze Evangelist het recht tot de vereniging van deze en de vorige gebeurtenis tot een doorlopende geschiedenis innerlijk daarin, dat Jezus de strijd met de Farizeeën tot beslissing wilde brengen en, zoals zij Hem het eerst op het veld opgezocht hadden om voor hun verwijt een gelegenheid te bespieden, Hij van Zijn kant hen in de synagoge wilde zoeken om hun verkeerde inzichten van de juiste viering van de sabbat geheel te vernietigen. De pijnlijke angstvalligheid van de sekte van de Farizeeën ging in dit opzicht alle voorstelling te boven en stond nauwelijks achter bij de godsdienstijver van Indische werkheiligen, die, om niet in te grijpen in de wereldorde van God, zich liever door het ongedierte lieten opeten en wilden sterven; zoals de schriftgeleerden van deze sekte ten opzichte van het wrijven van aren slechts vergunden: “Wie op de avond vóór de sabbat korenaren wrijft, mag ze de volgende morgen van de ene hand in de andere schudden en eten, ” maar beiden tegelijk op de sabbat zelf te doen, verklaarden zij uit hun gezichtspunt voor sabbatsschennis, omdat het wrijven van de aren tussen de handen een verwarmen van de aren en dus een soort van koken is, en zoals zij zeer ernstig de vraag behandelden, of men een ei, dat op een feestdag gelegd was, ook op dezelfde dag mocht eten, zo was het ook naar hun leer geheel verboden op de sabbat in de synagoge aalmoezen uit te delen, huwelijken te sluiten, kinderen te onderwijzen, treurenden en kranken te bezoeken (Jak. 1: 27). Het is er nu de Heere om te doen, omdat Hij eenmaal op deze plaats vertoeft, waarvan wij de naam naderhand zullen trachten te vinden, op dat leerstelsel onmiddellijk achter elkaar twee slagen toe te brengen, ten einde het te vernietigen. Daarom, terwijl Hij anders bij Zijn reizen door het land Zich in de regel slechts korte tijd op een en dezelfde plaats ophield, bleef Hij hier ook de volgende dag en voerde nu de strijd, die Hij gisteren op het korenveld begonnen was, verder in de synagoge. Is dan reeds in deze samenhang de uitdrukking van Mattheüs: “En vandaar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge, ” geheel gerechtvaardigd, zo mogen wij ons herinneren dat in vs. 1 staat: “In die tijd ging Jezus op een sabbatdag door het gezaaide; daarmee wordt duidelijk aangeduid, dat er ten opzichte van het tijdsbestek in beide geschiedenissen van twee onmiddellijk op elkaar volgende sabbatten sprake is, die zich echter om de nauwe vereniging met het voorgaande, als het ware tot een sabbat verbinden. Maar, zo moeten wij nu vragen, wat is dan de plaats in Galilea, in de nabijheid waarvan het wrijven van de aren op de tweede sabbat, en in de synagoge waarvan de hier volgende genezing van de zieke op de volgende dag, die eveneens het karakter van de sabbat had, plaatshadden. Omdat naar Mark. 3: 6 diegenen, met wie de Farizeeën naderhand raadpleegden (vs. 14 bij MATTHEUS. ), hoe zij Jezus zouden ombrengen, dienaren van Herodes zijn, zo kon men aan de residentie van Herodes, aan de Galilese zee, aan de stad Tiberias denken. Omdat de Heere Zich pas sinds kort, nog geen acht dagen geleden opzettelijk uit het bereik van Herodes verwijderd heeft om Zich aan zijn opmerkzaamheid te onttrekken, en ook na de terugkeer van de spijziging van de vijfduizend zich niet in Kapérnaüm gevestigd, maar dadelijk het land Gennezareth bezocht heeft om dit te doorreizen (hoofdstuk 14: 13-36), is het dus niet denkbaar, dat Hij reeds nu naar Tiberias gekomen zou zijn, omdat Hij die stad over het algemeen geheel gemeden schijnt te hebben. Nu lezen wij ook niet, dat Hij Zich ooit in Chorazin, naar het vermoeden van Keith het tegenwoordige Kerazêh, aan de noordzijde van de Galilese zee opgehouden en daar een wonder verricht zou hebben; nochthans is het niet voldoende tot verklaring van het “Wee”, dat Hij in hoofdstuk 14: 21) uitsprak over deze stad als over een van die, waarin de meeste van Zijn daden gebeurd waren, wanneer wij ze geheel in het algemeen mee onder de plaatsen tellen, die door Hem in hoofdstuk 4: 23vv. ; 9: 35vv. bezocht werden; er moet ten minste een in de evangelische geschiedenis voorkomend wonder in haar gebeurd zijn. Wij zijn van mening, dat het in deze afdeling vertelde wonder van de genezing van de man met de verdorde hand datgene is, dat in de synagoge van Chorazin gebeurd is, Jezus komt toch, zoals wij in vs. 1 gelezen hebben, van een tocht door het land Gennesareth (hoofdstuk 14: 34vv. ), dat zich ten noorden van el Medschel, een half uur ver tot Chan Miniyeh uitstrekt, en had slechts omstreeks 1 mijl tot Kerazêh af te leggen om ook deze stad een bezoek van 2-3 dagen te brengen. Daar moet Hij reeds bekend zijn en ook herberg in een hem daar bevriend huis hebben, omdat Hij op de morgen van de tweede Sabbat een wandeling door de velden doet met Zijn discipelen na het bezoek van de godsdienstoefening, daarbij met de Farizeeën van die stad in twist geraakt en de volgende dag Zich weer in hun synagoge bevindt; maar zeker is Kerazêh nu ook de stad, die (behalve Nazareth; hoofdstuk 4: 13) Hem het eerst van alle Galilese steden door aanslagen op Zijn leven verdrijft (vs. 15), en wordt zij daarom onder degenen, waarover Zijn wee weerklinkt, in de eerste plaats genoemd. Nu wordt het ons ook nog van de andere kant duidelijk, waarom Mattheus na het einde van het 11de hoofdstuk niet, zoals hij naar de orde had moeten doen, dadelijk voortgaat met de inhoud van het 15de hoofdstuk te vertellen, maar eerst hetgeen hoofdstuk 12 en 13 behelst, inlast; nadat hij eens in hoofdstuk 11: 20-30 de tijdopvolging verlaten en in het einde van het werk van Christus in Galilea een blik geslagen heeft, moet Hij ook bij het “Wee u, Chorazin, ” die geschiedenis aanhalen, die Heere tot grond dient voor dit Wee van Zijn hart en van Zijn mond.
KruisverwijzingenLukas 13:14→Johannes 9:16→1 Koningen 13:4→Johannes 5:10→Mattheüs 22:17→Zacharia 11:17→Johannes 8:6→Mattheüs 12:2→— En ziet, er was een mens, die een dorre hand had, en zij vraagden Hem, zeggende: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen).
En ziet, er was een mens, die ene dorre hand 1) had, ten gevolge van zenuwverlamming en verdroging van de sappen (1 Kon. 13: 4), en zij, de in de Synagoge zijnde Farizeeën, die Hem daags te voren reeds verwijten hadden gedaan, vroegen Hem, zeggende niet met hoorbare woorden, maar door loerende gebaren, omdat zij het ogenblik afwachtten, dat Hij de mens zou genezen: a) Is het ook geoorloofd op de Sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen, om Hem wegens openbaar verbreken van de Sabbat bij de rechtbank van hun plaats te kunnen aanklagen).
Luk. 14: 3
Volgens de apocriefe bijvoegingen tot de echte Mattheus, zoals Hieronymus die uit het Evangelie van de Nazareners meedeelt, zou deze mens een steenhouwer of metselaar geweest zijn, die zijn levensonderhoud door de arbeid van zijn handen verwierf; hij zou nu uit zichzelf de Heere gebeden hebben, hem zijn gezondheid weer te geven, opdat hij niet meer op smadelijke wijze zich met bedelen zou behoeven te behelpen. Misschien had hij, schrijft Sepp, bezig aan de tempelbouw (slotwoord bij 1 Makkabeeën 6 Nr. 11 d) letsel opgelopen, zijn hand gekwetst of verstuikt, zodat die onbruikbaar was. Hieronymus ziet daarin een beeld van het Jodendom, dat eveneens sap- en krachteloos, tot elk goed werk onbekwaam geworden was, om verder aan de tempel van God voort te bouwen. Het kan echter ook zijn, zoals Menken opmerkt, dat men het met een vijandige bedoeling zó bewerkt heeft, dat Jezus die mens daar zou vinden; de vraag: “is het ook geoorloofd op de Sabbat te genezen?” die zij door een blik op de man deden, met het oogmerk dat zij iets tegen Hem zouden hebben, doet dat vermoeden.
Onder de aanstotelijkheden, die de Farizeeën in het werk en de leer van de Heere vonden, stond naast de niet uitgesproken ergernis, dat Hij geen Messias naar hun zin wilde zijn, de ergernis over het heiligen van de Sabbat bijna bovenaan; het is echter zeer opmerkelijk, dat de Farizese hiërarchie, die de Heere het sabbatwerk tot een misdaad maakte, in het gericht verviel, dat zij op de grote Paassabbat een raadsvergadering konden houden, bij de heiden Pilatus in het heidense onreine huis lopen en vervolgens bij de Hoofdschedelplaats, waarop de ban rustte, de steen op het graf van Jezus verzegelden.
KruisverwijzingenLukas 14:5→Exodus 23:4→Deuteronomium 22:4→Lukas 13:15→— En Hij zeide tot hen: Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo datzelve op een sabbatdag in een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen?
Zo’n vraag waren de Farizeeën volgens hun stellingen gewend met een beslist nee te beantwoorden, zodat zij het genezen op de Sabbat zelfs voor een misdaad hielden. 1) De Heere wilde, echter voordat Hij deed wat zij van Hem verwachtten, eerst de zaak in een duidelijk licht stellen, en Hij zei tot hen, hen herinnerende wat zij in aardse zaken zich op de Sabbat veroorloofden, en wat zij dan voor volkomen gerechtvaardigd door de nood hielden: Welk mens zal er zijn onder u, die een (2 Sam. 12: 3) schaap heeft, en zo dat op een Sabbatdag a) in een gracht valt, die het niet uit de gracht zal aangrijpen en uit heffen zonder te bedenken, dat het een Sabbat is, waarop Hij de reddende daad volbrengt 2) (Luk. 13: 15; 14: 5)?
Ezechiël. 23: 4 Deut. 22: 4
Op de Sabbat, verklaart Maimonides (gest. 1204 A. D. ), moeten de kranken zich van de geneesmiddelen onthouden; wie echter met pijn in de lendenen behebt is, wrijve zich de zieke plaats niet met olie en azijn, maar met olie alleen mag hij het doen, wanneer het geen rozenolie is, en degene, die met tandpijn geplaagd is, neme geen azijn in den mond, om die dan weer uit te spuwen; hij mag hem echter wel inslikken. Slechts wezenlijk levensgevaar hief de sabbatswet op, omdat de rabbijnen zeggen: “wanneer een zieke in gevaar is, mag men vuur voor hem aansteken, slachten, bakken en koken, ” en een van hen zegt: drie dingen mag men op de Sabbat doen: aderlaten, wanneer men niet wateren kan, iemand varkenslever te eten geven, die door een dolle hond gebeten is, en een mondkwaal met specerijen behandelen; de wijzen verzekeren toch, dat hierin niets is, dat tot de geneeskunde behoort.”
Uit het aangehaalde in de vorige aanmerking blijkt het in de Talmoed uitdrukkelijk uitgesproken grondbeginsel van de Farizeeën. “Ieder werk, dat op de dag na de Sabbat gebeuren kan, bevrijdt niet van het sabbatsgebod. ” Dit had men de Heiland kunnen tegenwerpen, dat Hij zeer goed Zijn wondervolle genezing van de zieke tot de volgende dag had kunnen uitstellen. Maar nu was de Levengever aanwezig om de man te redden, die zij allen niet helpen konden; en zou Hij om hun rigoristische stellingen te bekrachtigen, de hulp uitstellen, een goed werk tot morgen verschuiven? Nooit! terwijl de mens in zaken van zijn eigen voordeel in het minst niet bedenkelijk of angstvallig is, zo neemt de Heere hen dadelijk bij die praktijk, die zij toen uitoefenden, namelijk om een schaap op de Sabbat uit de gracht te halen, terwijl hier van levensgevaar sprake is. Naderhand hebben de Joodse schriftgeleerden, om het woord van Christus op deze plaats krachteloos te maken, niet meer toegestaan, het vee uit de gracht te halen, maar slechts de vrijheid gegeven, het te hulp te komen, wanneer men er iets onder legt, opdat het er zelf kan uitstijgen, of voedsel toedient, opdat het tot de volgende dag in het leven blijve. Volgens het meer uitvoerige bericht van Markus moeten wij ons het voorval zó voorstellen dat, nadat de Heere de Farizeeën met de vraag “Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo dat op een sabbatdag in een gracht valt, het niet zal aangrijpen en uitheffen? Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven!” uit het veld geslagen heeft, zodat zij niets wisten te antwoorden, Hij de man met de verdorde hand van zijn plaats deed opstaan en in het midden van de synagoge komen, opdat allen ooggetuigen zouden zijn van hetgeen Hij door een enkel woord (een aanraken en grijpen van de hand schijnt Hij opzettelijk vermeden te hebben, om de mannen van de wet zelfs op dat ogenblik zoveel mogelijk te sparen, waar Hij hen moest trotseren) wilde doen. Eerst richt Hij nog deze vraag tot de tegenstanders: “Zal men op de Sabbat goed doen of kwaad (d. i, een mens wel doen of hem smart veroorzaken), het leven behouden (terwijl men degene, die ziek en ellendig is, weer gezond maakt, wanneer men het kan), of doden (terwijl men hem nog langer in zijn ellende laat)?” Als zij hem op deze vraag hun antwoord schuldig bleven, omdat slechts één antwoord mogelijk was, maar zij zich daaronder niet gevangen wilden geven, zag Hij hen aan met toorn en was bedroefd over hun verstokte harten; Hij gaf dus door Zijn gelaat en Zijn gebaren te kennen, dat niets Hem meer vertoornde, dan zulke in de boosheid van hun hart wortelende onvatbaarheid voor de waarheid, en beveelt thans, van de verstokte vijanden tot de orde van de dag overgaande, aan de zieke zijne hand uit te strekken. Gezworen vijanden van de waarheid kunnen nu eenmaal op geen wijze genezen worden (2 Tim. 2: 13): al kwam men dadelijk met hen in vijandschap op leven en dood, men moet er zich toch niet van laten afhouden, het goede te doen, dat zij haten.
KruisverwijzingenMattheüs 6:26→Mattheüs 10:31→Lukas 12:24→Markus 3:4→Lukas 6:9→— Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen.
a) Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Wanneer het dan reeds geoorloofd is op de Sabbat een schaap, dat in nood verkeert, te hulp te komen, zo is het dan op de Sabbatdagen, zoveel te meer geoorloofd wel te doen door werken van barmhartigheid, die men een mens bewijst (hoofdstuk 5: 44).
Gen. 1: 27
KruisverwijzingenLukas 13:13→Handelingen 3:7→— Toen zeide Hij tot dien mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.
Zo had de Heere de genezing uit de categorie van werken, waartoe de Farizeeën die wilden brengen (vs. 10), weggenomen, en in die van het goeddoen overgebracht, zodat hun alle reden tot de aanklacht, die zijbedoelden, was ontnomen. Toen zei Hij tot die mens, die nu genezen moest worden: Strek uw hand uit in de kracht van het nieuwe leven, dat Ik door dit Mijn woord aan uw verstorven lichaamsdeel toedeel. En hij, het woord van de Mensenzoon met geloof en gehoorzaamheid ontvangende en daarom ook dadelijk die Goddelijke kracht aan Zijn armondervindende, strekte ze uit, zijn verdorde hand (Luk. 6: 6), en zij werd hersteld op hetzelfde ogenblik dat hij in geloof het bevel van Jezus wilde gehoorzamen, gezond als de andere hand.
Deze, evenals andere genezingen door Christus bewerkt, had een geestelijke betekenis. 1. Van nature zijn onze handen verdord, wij zijn uit onszelf geheel onbekwaam om enig goed te doen. 2. Het is Christus alleen, door de kracht van Zijn genade, die ons geneest. Hij geneest de verdorde hand, door leven te brengen in de dode ziel, werkt in ons beide het willen en het werken. Om ons te genezen beveelt Hij ons de handen uit te strekken, zoveel goed te doen als wij kunnen; ze uit te strekken in het gebed tot God, ze uit te strekken om Christus in het geloof aan te grijpen, ze uit te strekken in heilige pogingen. Nu kon deze man zijn verdorde hand zelf niet uitstrekken, evenmin als de zwakke man kon opstaan en zijn bed dragen, of Lazarus uit zijn graf komen; maar Christus beval hem het te doen. Gods bevel aan ons, om onze plicht te doen, waartoe wij uit onszelf niet bekwaam zijn, kan vergeleken worden met dit bevel aan de man met de verdorde hand, om zijn hand uit te strekken: want bij het bevel is door het woord een belofte van genade gegeven. Degenen, die verloren gaan, zijn even onverschoonbaar als deze man zou geweest zijn, indien hij niet geprobeerd had zijn hand uit te strekken, in welk geval hij niet zou genezen zijn. Maar degenen, die behouden worden, zijn evenwel verschuldigd aan de macht en de genade van Christus, als hij.
Er is grote reden omtrent deze zaak ernstig te waarschuwen. De Farizeeën vergrepen zich in het stuk van de Sabbatviering aan de ene zijde. De Christenen overtreden dat gebod aan de andere kant. De Farizeeën beweerden de heiligheid van de dag te moeten verhogen. De Christenen zijn maar al te dikwijls geneigd aan die heiligheid te kort te doen en de dag van de Heere te misbruiken tot allerlei ijdele, godslasterlijke dingen. Wachten wij ons toch voor dit schandelijk misbruik. Het waarachtig Christendom is nauw verbonden met een nauwlettende onderhouding van de Sabbat. Vergeten wij toch niet, dat het steeds onze begeerte moet zijn “de Sabbat heilig te houden. ” Werken van noodzaak mogen verricht worden. “Het is geoorloofd wel te doen, ” en barmhartigheid te bewijzen. Maar de Sabbat te wijden aan ijdelheid, aan zingenot, aan wereldse vermakelijkheden, is volstrekt ongeoorloofd. Dit is geheel en al strijdig met het voorbeeld van Christus en zonde tegen een duidelijk gebod van God.
KruisverwijzingenJohannes 11:53→Lukas 6:11→Johannes 5:18→Markus 3:6→Johannes 10:39→Mattheüs 27:1→Mattheüs 26:4→Johannes 11:57→— En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.
a) En de Farizeeën, verbitterd over de nederlaag, die zij opnieuw van Jezus hadden ontvangen (vgl. vs. 3vv. ), uitgegaan zijnde uit de Synagoge, hielden tezamen raad met de dienaren van Herodes (Mark. 3: 6) tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.
Joh. 5: 18; 10: 39; 11: 53
Volgens het eenparig verhaal van de Synoptici nam na dit wonder de vijandschap tegen de Heere zichtbaar toe. Wat op het Purimfeest een aanvankelijk opwellend voornemen was geweest, wordt hier een ernstig plan, over de uitvoering waarvan de Farizeeën opzettelijk beraadslagen. Inziende dat zij zonder de wereldlijke macht hier niets konden uitrichten, verenigen zij zich daartoe met de Herodianen, de zogenaamde hofpartij, die lichtelijk in de opgang door Jezus verschijning gemaakt, staatkundig gevaar kon vermoeden. Wel terecht mocht Lukas hun uitzinnigheid toeschrijven: zedelijke verblinding was de bron, meerdere verharding het gevolg van hun gedrag. Voor ons daarentegen staat de Heere hier in het licht van Zijn hemelse grootheid. Wij zien niet slechts, hoe Hij ook hier de geest van de wet boven haar letter in acht neemt; hoe Hij met vaste moed de eens gekozen beginselen opvolgt, ook bij de hevigste tegenstand; hoe Hij met vlekkeloze reinheid ontfermende liefde verenigt; maar ook staat Hij hier voor ons in Zijn eigenaardig onderscheid van vroegere gezanten van de Vader. Toen eenmaal een profeet door Jerobeam gehoond werd, verdorde de hand van de vermetele koning. Jezus geneest een verdorde hand, en verlamt de arm van de vijanden niet, die tegen Hem zich verheft. Zijn wonderen zijn geen straffen maar weldaden, en willen de vijanden van het Godsrijk ook verderven, de Koning is gekomen om te behouden.
Deze Herodianen, zoals zij in de grondtekst genoemd worden (hoofdstuk 22: 16), worden door de kerkvaders voor een bijzondere sekte van de Joden, die naast de bekenden van de Farizeeën, Sadduceeën en Essenen bestaan, en die Herodes voor de Messias zouden verklaard hebben, gehouden; nieuwere Schriftuitleggers verstaan daaronder meest de aanhangers van Herodes Antipas, of in het algemeen van het Herodiaanse koningshuis; slechts bestaat er in zo verre verscheidenheid van meningen, dat sommigen hen tevens voor aanhangers van de Romeinse opperheerschappij en voor de staatkundige tegenstanders van de Farizeeën houden, die zich vijandig tegenover deze opperheerschappij gedragen. Anderen daarentegen zien hen ook aan voor tegenstanders van de door het volk niet gewilde Romeinse heerschappij, en houden hen slechts voor de Royalisten van het land, d. i. voor de aanhangers van het koningshuis, dat met Herodes de Grote aan de regering gekomen was. Evenals de mening van de kerkvaders in deze Herodianen meer ziet, dan zij werkelijk waren, zo gingen de nieuwere uitleggers ook te ver, wanneer zij in hen een eigenlijke partij onder het volk zagen. Integendeel hebben wij slechts aan de hovelingen en de beambten, die onmiddellijk in dienst van de koning waren, te denken, aan de personen van zijn naaste omgeving, die geheel en al aanhangers en voorvechters van de Romeinse opperheerschappij waren, terwijl op deze de heerschappij van hun meester steunde; daarbij huldigden zij evenals deze het werelds, heidens-romeinse karakter, en stonden in dit opzicht met de Sadduceeën op gelijke trap; daarom wordt voor “zuurdesem van de Sadduceeën” in hoofdstuk 16: 6 op de gelijkluidende plaats in Mark. 8: 15 : “Zuurdesem van Herodes” gezegd. Wanneer zij in hoofdstuk 22: 16 voorkomen als in Jeruzalem aanwezig, zo wordt dit eenvoudig hierdoor verklaard, dat hun koninklijke gebieder ten tijde van het Paasfeest naar Jeruzalem gekomen was (Luk. 23: 7); wanneer zij echter ook in deze geschiedenis te Chorazin optreden, terwijl de residentie van Herodes toch te Tiberias was, zo wordt dit verklaard uit hfdst. 14: 1vv. Tot zijn verjaardag (11 april 29 n. Chr). namelijk heeft Herodes Antipas zonder twijfel te Livias geresideerd; deels kostte de inrichting en opbouwing van de nieuwe residentiestad Tiberias in het algemeen veel tijd 4: 25), en zou de koning er wel niet lang vóór het jaar 29 mee gereed gekomen zijn, deels had deze stad om haar ongezond klimaat weinig aantrekkelijkheid voor hem. Nadat hij echter Johannes de Doper gedood had, kon hij niet langer in Livias blijven; het slot, waarin het bloedige hoofd van de Doper hem gebracht was, had voortaan iets vreeswekkends voor hem, en hij verliet het hoe eerder hoe liever. Wat een rilling overviel hem, toen hem bij zijn verhuizing naar Tiberias dadelijk de mare van de wonderwerken van Jezus tegenklonk! Tot hiertoe had hij nog niets van de profeet in Galilea gehoord; hij woonde toch in een stad, die meer dan 15 mijl verwijderd was van het toneel van de werkzaamheden van Christus, en zijn hovelingen waren te zeer met andere dingen bezig, dan dat zij bijzonder op het werk van de Nazarener acht geslagen zouden hebben. De goddelijke wijsheid had het echter met opzet zo beschikt, dat het werk van Jezus zich bijna een jaar lang in Galilea, niet gestoord door de tegenspraak van de wereld, kon ontwikkelen, totdat de opbouw van het Godsrijk zó ver voorbereid was, dat deze nu in een nieuwe ontwikkeling moest treden. Dit tijdpunt was nu onmiddellijk na de dood van de Doper gekomen; Herodes echter, toen hij in Tiberias van Jezus hoorde, meende in Hem de weer opgestane Johannes te zien, en in een zekere zin zag hij dat goed. Daarom, was het nu dat zijn hovelingen om het spook, dat hun heer verschrikte, op het spoor te komen, de voetstappen van Jezus nagingen; en omdat deze gedurende de dagen van het Paasfeest, die geen Sabbatskarakter hadden (van 19-22 april, dinsdag tot vrijdag) het land Gennesareth tot Chorazin doorreisde (hoofdstuk 14: 34vv. ), zo was het ook voor hen niet moeilijk, Hem op de laatste plaats in te halen. De Farizeeën wisten misschien van hun aankomst; ja, misschien is het tot het lager gericht van de stad, waarvan de leden zich onder hen bevonden, geweest, waartoe de Herodianen zich wendden, om de Galilese profeet uit de weg te laten ruimen, opdat zij de koning gerust zouden kunnen stellen. De Farizeeën begonnen de zaak en zochten nu zowel op de tweede Sabbat (vs. 1vv. ) als op de volgende dag (23 en 24 april) een aanklacht van Sabbatsschennis tegen Jezus te zoeken; zoals zij het wensten, hadden zij hun doel wel niet bereikt, zij waren met het voorbeeld van David (vs. 3vv. ) en met hun eigen praktijk (vs. 11vv. ) uit het zadel gelicht; des te meer welkom waren hun echter de dienaren van Herodes, omdat zij met hun hulp Jezus konden bestempelen als een mens, die gevaarlijk was voor de Staat en onder hun bescherming hun moorddadig plan zonder verdere verantwoording ten uitvoer konden brengen.
KruisverwijzingenMattheüs 10:23→Mattheüs 19:2→Johannes 9:4→Lukas 6:17→Johannes 10:40→1 Petrus 2:21→Lukas 6:12→Markus 3:7→— Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze allen.
Maar Jezus dat wetende, opmerkende, dat zij een aanslag op Zijn leven wilden doen, a) vertrok van daar. Omdat Zijn tijd om te lijden en te sterven nog niet was gekomen en bovendien Galilea de plaats niet was, waar Hij zou sterven (hoofdstuk 26: 45 Luk. 13: 33), ging Hij van Chorazin 12: 9″) en begaf Hij Zich naar de Galilese zee bij Kapernaüm (Mark. 3: 7), om van daar naar naburige dorpen weer een reis te doen door de omliggende landstreken. En vele scharen volgden Hem op de tocht, evenals op de vorige (hoofdstuk 4: 23vv. ; 9: 35), en Hij genas ze allen, die men ziek en met velerlei kwalen tot Hem bracht.
MATTHEUS. 10: 23
KruisverwijzingenMattheüs 17:9→Mattheüs 8:4→Mattheüs 9:30→Lukas 5:14→Markus 7:36→— En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden;
a) En Hij gebood hun, die Hij genezen had, scherp, nog veel nadrukkelijker dan te voren (hoofdstuk 8: 4; 9: 30), dat zij Hem niet openbaar maken zouden, niet door mededeling van Zijn wonderdaden Hem als Zoon van David en Koning van Israël openbaar zouden maken, omdat Hij elk opzien wilde vermijden.
Luk. 5: 14
KruisverwijzingenJesaja 42:9→Jesaja 42:1→Lukas 24:44→Johannes 10:35→Handelingen 13:27→Johannes 12:38→Jesaja 44:26→Johannes 19:28→— Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:
Opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende in Jes. 42: 1-4 van zijn boek:
KruisverwijzingenLukas 4:18→Jesaja 42:1→Johannes 3:34→Jesaja 32:15→Jesaja 49:5→Jesaja 61:1→Romeinen 15:9→Handelingen 10:38→— Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.
a) Ziet Mijn knecht, die Ik in veel diepere zin dan ten tijde van de Babylonische ballingschap de Medo-Perzische koning Cyrus (Jes. 41: 2vv. ) tot uitvoering van Mijn raadsbesluiten verkoren heb, Mijn beminde, in wie Mijn ziel een welbehagen heeft (hoofdstuk 3: 17; 17: 5); Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, Ik zal Hem tot drager van Mijn Geest maken, in wiens kracht hij Zijn werk zal verrichten (Jes. 11: 2; 61: 1 Isa 11. 2), en Hij zal door verbreiding van de ware godsdienst, die tot nu toe slechts bij Israël bestaat, het oordeel aan de heidenen verkondigen.
Mark. 1: 11 Kol. 1: 13; 2 Petr. 1: 17
KruisverwijzingenJohannes 18:36→2 Timotheüs 2:24→Zacharia 9:9→2 Korinthe 10:1→Lukas 17:20→Mattheüs 11:29→— Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.
Hij zal, omdat Hij op vreedzame weg de volken tot het hoogste goed probeert te brengen, met verloochening van zichzelf, niet twisten noch roepen, zoals valse leraars doen, die voor hun eigen eer ijveren, noch zal er iemand zijn stem op de straten horen, dat Hij als de huichelaars zijn roem zou laten uitbazuinen (hoofdstuk 6: 2).
KruisverwijzingenJesaja 42:3→Lukas 4:18→Jesaja 61:1→Psalmen 147:3→Ezechiël 34:16→Hebreeën 12:12→Psalmen 51:17→2 Korinthe 10:3→— Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.
Het gekrookte, het reeds geknakte en half gebroken riet zal Hij niet verder verbreken door strenge behandeling van de reeds gebogen zielen, en het rokende nog slechts flauw brandende en het uitblussen nabijgekomen lemmet zal Hij niet uitblussen; integendeel de vermoeiden en belasten zal Hij tot Zich roepen, om ze te verkwikken en met nieuwe levenskracht te vervullen (hoofdstuk 11: 28vv. ), totdat Hij door Zijn onvermoeide en rusteloze arbeid, die zo volkomen aan de zondaarsbehoeften voldoet, het oordeel zal uitbrengen tot overwinning, het recht vastmaken en tenslotte alle hinderpalen zegerijk uit de weg ruimende, een toestand van volkomen heerlijkheid aanbrengen.
KruisverwijzingenJesaja 11:10→Kolossenzen 1:27→Jesaja 42:4→Efeze 1:12→Romeinen 15:12→— En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen.
En in Zijn naam zullen de heidenen hopen. Een door Gods voorbereidende genade veroorzaakt verlangen naar verlossing en zaligheid zal bij de volken Zijn werk tegemoet treden, omdat het in Zijn naam besloten heil (hoofdstuk 1: 21) juist dat is, waarnaar hun harten verlangen; Hij zal zo bij hen een aanneming in geloof vinden.
Thans begint het jaar van de vervolging van onze Heere Jezus Christus, die met Zijn kruisdood het toppunt bereikt, maar ook in Zijn opstanding in een altijd grotere verheerlijking voor Hem verandert. Zoals het schijnt, beschouwde het evangelische geschiedverhaal de dood van Zijn voorloper, de Doper, niet als een zelfstandig gedeelte van de geschiedenis van de genade, dat op Johannes zelf betrekking had, maar slechts als een gedeelte van de vervolgings- en lijdensgeschiedenis van de Heere; daarom wordt zij ook bij geen van de drie Evangelisten uitdrukkelijk, maar slechts bij gelegenheid, en door Lukas zelfs niet eens met haar nadere bijzonderheden (Luk. 3: 19vv. ; 9: 9) verteld; Mattheüs haalt haar niet aan, voordat hij in ons hoofdstuk het jaar van de vervolging opent en deze opening tot op de verwerping van Christus van de zijde van Zijn geboortestad voortgezet heeft (hoofdstuk 13: 53vv. ). Het is nu daar ook geheel op zijn plaats, wanneer onze Evangelist, terwijl hij in de vorige afdeling bij de “verbanning en het gedwongen opgaan” begint, zoals P. Lange de nu beginnende periode van het leven van Jezus genoemd heeft, op de voorspelling van de profeet Jesaja van de Knecht van God wijst, en op haar wonderlijke vervulling opmerkzaam maakt. In hoofdstuk 8: 17 heeft hij reeds op een woord van deze voorzegging (Jes. 53: 4) gezinspeeld, en wat na zo’n woord verder van de lijdende Knecht van God gezegd wordt, vindt zijn vervulling in de lijdensgeschiedenis. Er zijn echter voorzeggingen in het Oude Testament, waaraan men daarbij liever zou herinneren. Daarentegen kwam het er hier op aan, het beeld van de Knecht van God, zoals het in Jes. 42: 1vv. getekend wordt, te doen zien in de wijze, waarop de Heere van nu aan werkt en uit de aanwijzing, hoe nauwkeurig daar profetie en vervulling met elkaar overeenkomen, het bewijs te leveren, dat degenen, die uit Israël gelovig geworden zijn, de juiste Messias gevonden hadden, en degenen, die ongelovig gebleven waren, tevergeefs op een andere Messias wachtten; de heidenen zouden integendeel in hun plaats binnentreden, en zich het heil, dat in de Heiland is, tot nut maken.
I. Vs. 22-50.KruisverwijzingenLukas 11:23→Markus 9:40→Lukas 12:10→Markus 3:28→Mattheüs 9:27→Lukas 9:50→Mattheüs 9:4→Lukas 11:20→ — Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag. En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David? Maar de Farizeen, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beelzebul, den overste der duivelen. Doch Jezus, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan. En indien de satan den satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan? En indien Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn. Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen. Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven. Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit. Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden. Bij het gericht van de verharding en voorlopige verwerping, die in de beide vorige afdelingen de Farizeeën met hun vijandelijkheden en vervolgingen Jezus naar de stad Chorazin gebracht hebben, komt nu hier dat over de plaats Bethsaïda, die onmiddellijk over het Galilese meer gelegen is. Als namelijk de Heere enige tijd na die beide voorvallen in de meest ingespannen en onafgebroken werkzaamheden daar aan de zee bezig is, zodat Hij niet eens gelegenheid heeft te eten, wordt een bezetene tot Hem gebracht, die blind en stom tegelijk is. Hij bevrijdt hem van de boze geest, en zodra die bezetenheid een einde neemt, houdt ook dadelijk de lichamelijke kwaal op; degene die tot hiertoe blind en stom was, spreekt nu en kan nu zien. Daar vernieuwt zich de reeds eenmaal uitgesproken lastering van de Farizeeën, dat Jezus Zijn uitwerping van de duivel met hulp van de duivel verricht, en daaraan knoopt zich een lang zeer ernstig gesprek aan van de Gelasterde met Zijn tegenstanders, totdat dan ook Jezus’ moeder en broeders door hun onbehoorlijk ingrijpen in Zijn werk zich een soort van verwerping uit Zijn mond op de hals halen.
KruisverwijzingenJesaja 35:5→Jesaja 29:18→Handelingen 26:18→Markus 3:11→Jesaja 32:3→Mattheüs 9:32→Markus 7:35→Lukas 11:14→— Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.
Toen Jezus na Zijn heengaan van de Farizeeën (vs. 15) Zich aan de Galilese zee had teruggetrokken, ook Zijn in vs. 15-21 beschreven tocht geëindigd had, en nu bij Bethsaïda weer in hoogst moeilijke werkzaamheid Zijn dagelijks werk in leren en genezen verrichtte, zodat Hij niet eens tijd en gelegenheid vond om brood te eten (Mark. 3: 20vv. ), werd tot Hem gebracht een door de duivel bezeten, die niet ten gevolge van natuurlijke gebreken, maar door zijn bezetenheid (vgl. hoofdstuk 9: 32) blind en stom was; en Hij genas hem door uitdrijving van de boze geest, alzo dat de blindeen stomme, die op zichzelf gezonde ogen en goede spraakorganen had, beide sprak en zag.
Het is zeer moeilijk, zich bij deze geschiedenis zowel van tijd en plaats, als ook van de enkele voorvallen, uit de schijnbaar elkaar tegensprekende voorstellingen van de eerste 3 evangelisten een goede voorstelling te maken. Bij Lukas (11: 14vv. ) ziet men zich opeens in een geheel vreemd gebied geplaatst. Jezus is reeds van Galilea vertrokken (Luk. 9: 51vv. ), is Samaria omgereisd, waar men Hem niet heeft willen ontvangen, over Jericho, waar Hij de vooruitgezonden 70 discipelen weer aangetroffen heeft, (10: 1vv. ) tot aan Bethanië gekomen, en heeft waarschijnlijk op de Olijfberg, toen Hij Zich nog in de onmiddellijke nabijheid van Jeruzalem bevond, Zijn discipelen op hun verzoek het onderricht over het gebed gegeven (11: 1vv. ). Jeruzalem zou dus overeenkomstig het verband de plaats en het (in het jaar 29 n. Chr. op de dagen van 12-18 oktober vallende) Loofhuttenfeest de tijd zijn, waaraan wij bij deze geschiedenis hadden te denken. Maar uit Mark. 3: 22 zien wij, dat de Schriftgeleerden, met wie de Heere daarna gehandeld heeft, integendeel van Jeruzalem gekomen zijn in de landstreek aan het Galilese meer, en het “toen”, waarmee Mattheüs in ons hoofdstuk begint te vertellen, plaatst de geschiedenis in een nauw verband met de beide voorafgaande, die op de tweede Sabbat en op de daarop volgende dag (23 en 24 april van het jaar 29) voorvallen. Lukas breekt echter klaarblijkelijk, nadat Hij Jezus op Zijn reis tot het Loofhuttenfeest (Joh. 7: 2vv. ) tot in de onmiddellijke nabijheid van Jeruzalem gebracht heeft, de draden van het doorlopend geschiedverhaal af; hij wil de Heere niet de stad zelf binnenleiden, voordat hij Hem als Israëls Messiaanse Koning kan laten binnentrekken (19: 29vv. ), en gaat nu terug in zijn Galilese werkzaamheid om er enige geschiedenissen uit die tijd bij te voegen, waarom hij ook geheel onbepaald en in het algemeen met een “en” begint te vertellen. Dus moeten wij bij den evangelist Markus opheldering zoeken. Deze heeft in hoofdstuk 2: 23-3: 12 dezelfde gebeurtenissen van het wrijven van aren van de discipelen en van de genezing van de verdorde hand, die wij bij Mattheüs in vs. 1-21 van dit hoofdstuk gelezen hebben, verteld; vervolgens is hij echter in Mar. 3: 13-19 opeens een tijd van 7 maanden teruggegaan en heeft de geschiedenis van het kiezen van de apostelen daarna verteld. Omdat hij nu eenmaal naar het plan, dat hij volgde, en naar de gehele aanleg van zijn werk de geschiedenis niet reeds op de chronologisch juiste plaats (tussen vs. 39 en 40 van het 1ste hoofdstuk ) heeft kunnen meedelen, ook niet daar, waar een verdere rij van verhalen er hem opnieuw de gelegenheid toe geopend heeft (tussen vs. 22 en 23 van het 2de hoofdstuk ), was het thans dringend noodzakelijk wegens het woord van Jezus in Mar. 3: 33vv. : “wie is Mijn moeder en Mijn broeders!” Dit eiste om het te verstaan, dat de lezer eerst met de geestelijke familie van de Heeren, met de kring van de twaalven bekend gemaakt werd. Het later plaatsen heeft ook juist hier zijn tweede reden erin, dat het kiezen van de apostelen in stellige betrekking staat tot de lastering van de Farizeeën: “Deze werpt de duivels niet uit, dan door Beëlzebul, de overste van de duivels. ” Deze beschuldiging, waarvan Markus in 3: 20vv. in chronologische volgorde, na hetgeen hij in Mar. 2: 23-3: 12 verteld heeft, nu begint te spreken, is, zoals wij uit MATTHEUS. 9: 32vv. weten, reeds eenmaal ingebracht; nu heeft Markus deze beschuldiging de eerste maal met geen woord verwaardigd; wel echter, voordat hij de herhaling van dit verwijt tot het voorwerp van het verdere geschiedverhaal in hoofdstuk 3: 20vv. maakt, beschouwt hij eerst in hoofdstuk 3: 13vv. de gevolgen, die de eerste lastering gehad heeft. Het was die geweest, dat de Heiland van Israël toen reeds begon Zijn volk als een geheel op te geven, en hoofdzakelijk Zijn plan in te richten tot verzameling van een begin van een nieuwe gemeente. Zo’n verzameling bewerkt Hij dan in de roeping van de twaalven. Wij hebben er nu echter verder wel op te letten, dat de woorden in Mark. 3: 20 “En zij kwamen in huis” nog tot de geschiedenis van het kiezen van de apostelen behoren; zij gaan over de bergrede heen, die de tweede evangelist overgeslagen heeft, herinneren slechts even aan de genezing van de melaatse, die vroeger (hoofdstuk 1: 40vv. ) reeds meegedeeld is, en nemen de tijdsopvolging van de geschiedenis op naar hetgeen in hoofdstuk 1: 45 gezegd is: “Jezus was buiten in de woeste plaatsen. ” Van dit oponthoud in de wildernis aan de oostelijke oever van het meer van Gennesareth kwam de Heere nu met de twaalven weer naar Kapernaüm terug. Op weg naar Zijn huis echter gebeurt het voorval met de hoofdman van Kapernaüm, dat Markus eveneens overslaat. Er had nu bij hem in hoofdstuk 3: 20 na de zo-even besproken woorden: “En zij kwamen in huis, ” een punt, en niet, zoals in onze Bijbel, een komma-punt moeten volgen; daarop had een nieuw vers moeten beginnen, maar niet, zoals Luther vertaald heeft: “En toen” (van een “toen” staat niets in de grondtekst), maar zoals in onze Statenvertaling: “En er vergaderde wederom een schare, zodat zij zelfs niet konden brood eten, ” De evangelist komt hier weer opnieuw terug in de rij van verhalen, die hij in vs. 12 afgebroken heeft; hij heeft, na het stuk in vs. 13-20vv. Jezus weer naar Kapérnaüm teruggebracht, en nu kan hij Hem opnieuw aan ons voorstellen (vgl. vs. 7-12), zoals Hij na Zijn ontwijking van de Farizeeën aan de oever van het meer van Galilea daar, waar de vissersplaats Bethsaïda 4: 25) ligt, door de menigte van het Hem natrekkende volk als het ware omlegerd wordt, zodat Hij uit deze kring niet uit kan om met de discipelen naar huis te gaan en het middagbrood, waarvoor de tijd reeds gekomen was, daar te gebruiken. De Zijnen, die thuis waren, die met Hem één gezin vormden (Luther: “die rondom Hem waren”), waarbij wij, behalve aan Zijn moeder en aan Zijn broeders, aan Joses, ook wel aan de schoonmoeder en vrouw van Petrus 8: 15) te denken hebben (wij vatten dus de uitdrukking: “Zijn broeders” niet genealogisch, maar in het algemeen, in de zin van verwanten of huisgenoten op (Gen. 31: 23), maken zich beangst over Hem, zij houden deze overmatige inspanning van Zijn lichaams- en zielekrachten, waarbij Hij Zich geen tijd tot eten gunt, voor het teken van een godsdienstig enthousiasme, dat makkelijk een nadelige invloed op Zijn gezondheid en in overspannenheid zou kunnen veranderen, en menen zich geroepen Hem tegen Zijn, naar zij menen, al te grote ijver in bescherming te moeten nemen. Zo gaan zij van het huis te Kapérnaüm naar het zeestrand om Hem vast te houden, of zich van Hem te bemachtigen, wat gedeeltelijk daarin zijn verklaring vindt, dat zij eerst door de menigte, die Hem als een muur omringt, moeten doorbreken, eer zij tot Hem kunnen komen, gedeeltelijk daarmee samenhangt, dat zij het ook aan het noodzaken om met hen naar huis te gaan, niet willen laten ontbreken. Wij zullen ook bij de hier ons voorliggende evangelist Mattheüs naderhand horen, dat Zijn moeder en Zijn broeders zich werkelijk bij Hem laten aanmelden; maar nog voordat de Zijnen buiten aan het zeestrand aankomen, gebeurt daar, hetgeen boven verteld wordt, en knoopt zich het gesprek met de Farizeeën en Schriftgeleerden aan. Houden wij deze opvatting vast, waarnaar de plaats van het gesprek de landstreek aan het meer hij Bethsaïda is, zo komt door deze geschiedenis, nadat wij in vs. 1-21 de verklaring van het “wee” over Chorazin (hoofdstuk 11: 21vv. ) gevonden hebben, de verklaring van het “wee” over Bethsaïda erbij. Hier komt de in hoofdstuk 9: 34 slechts eerst nog in menselijke boosheid tegen Christus gemaakte beschuldiging, alsof Hij met de duivel in verband was, uit een lastering van de Mensenzoon reeds zo nabij aan een lastering van de Heilige Geest, dat er nog nauwelijks een grenslijn tussen beide zou op te merken zijn. De Heere heeft dan nog in de loop van de namiddag de hier behorende gelijkenissen in hoofdstuk 13 uitgesproken; daarop echter die landstreek verlaten (hoofdstuk 13: 53) om, nadat Hij ook in Nazareth geen beter onthaal gevonden had dan vroeger, slechts nog, alsof Hij op de vlucht was, te leven en te werken. Wat echter Kapernaüm (hoofdstuk 11: 23vv. ) aangaat, Hij scheidt Zich van Zijn stad als toneel van Zijn openlijke daden in hoofdstuk 15: 1-21.
Het exorcisme, of de bezwering, waardoor de boze geest uit een door hem bezeten persoon uitgedreven of verbannen werd, is in tegenstelling van de Joodse bezweerders (vs. 27vv. ) doorgaans de wijze, waarop de Heere de bezetenen genezen heeft. Eens (hoofdstuk 15: 28 vgl. Mark. 7: 30) doet Hij het zelfs door werking uit de verte en verklaart het naderhand (vs. 28) zelf, dat het Gods vinger of werk was geweest, die in zulke gevallen de boze geesten noodzaakte diegenen, die zij in bezit genomen hadden, weer vrij te laten. In hoofdstuk 10: 8 hebben wij nu gezien, hoe Jezus ook aan de twaalven de macht gaf, duivels uit te werpen. Diezelfde kracht verleende Hij later (Luk. 9: 1; 10: 17) ook aan de 70 discipelen bij hun uitzending. Niet in alle gevallen konden de twaalven ook werkelijk de genezing volbrengen (hoofdstuk 17: 19). Van een andere zijde wordt echter verhaald, dat iemand in Jezus naam duivels uitwierp zonder tot de discipelen te behoren (Luk. 9: 49), en een nog veel moeilijker geval vinden wij in Hand. 19: 1vv. , waar de 7 zonen van de hogepriester Sceva te Efeze de naam van Jezus misbruiken bij hun bezweringen. Wij kunnen allereerst nog niet in een nader onderzoek van de hier in kwestie komende punten treden, maar wij knopen hier vooraf slechts de nodige opmerkingen over het kerkelijk exorcisme aan. Bij de kerkvaders werd de macht van de duiveluitwerping voor een Charisma, of geschenk van de genade van de Heilige Geest gehouden, dat in het algemeen aan alle Christenen, in het bijzonder aan bisschoppen en leraars beloofd is (Mark. 16: 17), vooral echter aan sommige personen in een geheel buitengewone mate verleend werd. Als een bekende daadzaak voert Origenes (contra Celsum VII. 334) aan, dat niet weinige Christenen, meest eenvoudige, onbeschaafde mensen, alleen door gebed en eenvoudige bezweringen, zonder enige kennis aan tovermiddelen of kunstige bezweringsformulen, bezetenen genazen. Men noemde dergelijke personen, die weliswaar voor hun duiveluitwerpingen de bisschoppelijke goedkeuring nodig hadden, maar bij wie echter vooraf geen wijding door handoplegging van de bisschop plaatsvond, exorcistae per gratiam (duivelbezweerders door een bijzondere goddelijke genade). Daarvan moet men onderscheiden de exorcistae per ordinem, d. i. zulke duivelbezweerders, die bijzonder voor het werk van duiveluitwerping aangesteld waren, en een eigen stand in de rij van de dienaren van de kerk vormden, waarom zij ook tot hun ambt de kerkelijke wijding ontvingen. Aan hun zorgen waren voornamelijk de energumenen, de aan het gebed van de kerk aanbevolen bezetenen, toevertrouwd. Terwijl de bisschop of Presbyteriaan bij iedere openlijke godsdienstoefening het voor deze ongelukkigen bestemde gebed had uit te spreken, moesten zij hun dagelijks onder het gebed de handen opleggen, totdat zij van hun plaag bevrijd waren. Bovendien hadden de duiveluitwerpers hun ambt bij de dopelingen. Naar de stelregel, dat wie Christus nog niet tot zijn Heer heeft, aan de duivel toebehoort, moest ieder volwassen catechisant vóór de doop in het openbaar en plechtig de duivel verzaken (abrenuntiatio); bij kinderen echter, die om de erfzonde als een eigendom van de duivel beschouwd werden, zo lang zij de doop nog niet ontvangen hadden, en toch zelf geen formule van verzaking konden afleggen, scheen het nodig, deels een uitademing (exsufflatio) deels een inademing (insufflatio) door een tweemaal herhaald aanademen te bewerken. Wat dit dubbele ademen betekenen moet, schijnt duidelijk uit die oudere kerkceremonieboeken van de evangelische kerk, die zich aan het doopboekje van Luther houden, wanneer door de geestelijke wordt opgelegd, zich vóór de doop tot het kind te wenden met de woorden: “Vaar uit, gij onreine geest (exsufflatio), en maak plaats voor de Heilige Geest ” Het Pruissische landceremonieboek heeft dit het eerst in het formulier verzwakt: “De onreine geest make plaats voor de Heilige Geest, ” en dan deze aan een weglating naar goeddunken prijsgegeven, terwijl zij zonder twijfel beter gedaan had, dit gehele gebruik, dat op een geheel verwarring van de erfzonde met de bezetenheid berust, geheel te laten vallen, daar men daarop het woord ook niet kan toepassen: “verderf het niet, want er is een zegen in. ” Uit een bezetene kan wel door bezwering een duivel uitgedreven worden, maar het hart van een zondaar wordt niet op zo’n wijze vernieuwd; en waar in de gehele wereld staat geschreven, dat de pasgeboren kinderen zonder uitzondering bezetenen zijn? Anders is het daarentegen gesteld met de duivelverzaking, die in de Lutherse kerkceremonieboeken bij de doop van kinderen zowel als van volwassenen, op het voetspoor van de Katholieke kerk, gehouden is: “Verzaakt gij de duivel en al zijn werken? en geheel zijn wezen?” Die met Pasen, de grootse doopdag voor volwassenen, gedoopt moesten worden, hadden die verklaring op zondag oculi af te leggen, waarom deze zondag ook de zondag van duivelverzaking, of duiveluitwerping genoemd wordt. Daaruit wordt het verklaard, waarom de aan deze geschiedenis parallelle afdeling in Luk. 11: 14-28 daarop als Evangelie voor die dag bepaald is; maar ook de Evangeliën van de beide voorgaande zondagen bereiden op deze handeling voor, terwijl zij op de macht van Christus over de duivel wijzen.
in de bovenzin: hij was blind en stom; b) in de benedenzin: hij sprak en zag.
Een dergelijk chiasme bevindt zich bij voorbeeld in het avondlied van Anton Ulrich, Hertog van Braunschweig Wolfenbüttel (1714): “Nu kom ik weer uit de rust, ” waaraan het slot van het 3de vers staat: “Maar ik heb des avonds wel ondervonden, dat Gij, hoogste God, mij geleid hebt, dat Uw licht en Uwe waardigheid mij op mijnen kruisweg geleid en verlicht heeft. ” Intussen zien wij uit Luk. 11: 14 dat de stomheid in zo verre het overheersende gebrek was hij deze bezetene, als dat klaarblijkelijk aan het licht kwam; dat hij echter niet zien kon, wisten anderen niet nauwkeurig en zeker. Hij had toch voor zichzelf gezonde ogen en hij kon zich van de ene plaats naar de andere bewegen op een wijze, zoals het andere blinden ook wel kunnen. De gehele diepte van zijn vroeger lijden kwam pas aan de dag toen zijn spraakvermogen hem teruggegeven was, omdat hij nu zelf over de oorzaak en de omvang daarvan opheldering gaf, waarom Lukas zoveel te meer slechts gewoon is de éne zijde aan te tonen, omdat bij hem een verwisseling met de geschiedenis van de genezing van de werkelijk enkel stomme van de duivel bezetene in MATTHEUS. 9: 32vv. daarom niet mogelijk was, omdat hij deze geschiedenis niet vertelt. Daarentegen heeft Mattheus alle reden, op het dubbele lijden van de door de duivel bezetene opmerkzaam te maken, omdat hij de vijandschap van de Farizeeën en Schriftgeleerden tegen de Heer tegenover het ontkiemend geloof van het volk zou nauwkeurig in haar ontwikkeling vervolgt; want de grootte, waartoe deze vijandschap reeds geklommen is, wordt vanzelf zichtbaar, wanneer men de grootte van het wonderwerk van Christus goed gevat heeft, en dit kan weer pas dan goed verstaan worden, wanneer men eerst de gehele omvang van het lijden kent, waarvan de ongelukkige bevrijd is. “Het moet toch een merkwaardig bijzonder gevolg zijn geweest, dat Jezus hier beoogd heeft; anders zou het volk niet tot de vraag van het ontkiemend geloof gekomen zijn; anders zouden de Farizeeën het niet nodig geacht hebben, deze indruk te verzwakken. En inderdaad – blind en stom tegelijk, dat is naar de natuurlijke loop wel nooit voorgekomen; tegenover een vereniging van dit dubbele gebrek staan wij op grond van de ervaring verlegen. Zo’n anomalie (onregelmatigheid) wordt echter slechts begrijpelijk bij de veronderstelling van bezetenheid.
KruisverwijzingenMattheüs 9:27→Johannes 4:29→Johannes 7:40→Mattheüs 21:9→Mattheüs 22:42→Mattheüs 9:33→Mattheüs 15:22→Mattheüs 15:30→— En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David?
En al de scharen ontzetten zich 1) en raakten buiten zichzelf van verwondering over de heerlijkheid van Christus, die in zo’n wonder Zich openbaarde, als nog nooit gebeurd was, en zij zeiden: a) Is niet deze misschien de zoon van David? 2)
Joh. 4: 29
Het volk breekt niet bij alle grote daden van de Heere in bewondering en verwondering uit; de Heere had reeds te grote daden gedaan, het gevoel was daardoor verstompt, en aan de andere zijde hadden ook de Farizeeën en Schriftgeleerden het volk reeds zo bewerkt, dat het de Verlosser niet makkelijk de schatting van de goedkeuring betaalde. Maar hier worden de stompzinnigen opgewekt en de kwaadwilligen meegesleept; zij kunnen volstrekt geen weerstand bieden aan de indruk, die het wonder van de Heere teweegbrengt; het was hier een geheel bijzonder geval, de Heere had een geheel ongewoon bezetene genezen.
Het volk is hier op het punt, Jezus openlijk als de Zoon van David, d. i. als de Messias uit te roepen.
Wanneer de aan David beloofde, willen zij zeggen, wanneer de Zoon van David, Israëls Christus en Koning, in de wereld komen zal, zal Hij door groter, heerlijker dingen, door enige daad, die meer de kracht van God openbaart, bewijzen kunnen, dat Hij is, die Hij is, dan deze, in deze daad, die de band van de duivels ontbindt, de blinde het gezicht en de stomme de spraak geeft? Nu behelst hun vraag enigermate een uitdagen: “Wie kan het loochenen dat deze de Christus is?”
KruisverwijzingenMattheüs 9:34→Markus 3:22→Lukas 11:15→— Maar de Farizeen, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beelzebul, den overste der duivelen.
Maar de Farizeeën, die in vereniging met de schriftgeleerden, die van Jeruzalem waren gekomen 15: 1″), aanwezig waren, om Hem te bespieden, dit gehoord hebbende, wat het volk onder elkaar sprak en hoe het op weg was om Jezus voor Messias te erkennen, zeiden, fluisterden in de oren om hen van hun mening af te brengen: a) Deze werpt de duivels niet uit dan door Beëlzebub, de overste van de duivels. Hij is door deze zelf bezeten (Mark. 3: 22 Joh. 7: 20; 10: 20), en diens macht is het, die zich in die duiveluitbanningen openbaart, maar niet de macht van God.
MATTHEUS. 9: 34 Luk. 11: 15
“Evenals van de zijde van de Roomse priesters dezelfde verwijten tegen de evangelische kerk bij dezelfde gelegenheden altijd en altijd weer bijgebracht worden, al zijn zij ook honderdmaal weerlegd, zo zijn ook deze Farizeeën met hun reeds eenmaal gemaakte beschuldiging (hoofdstuk 9: 34) dadelijk weer bij de hand. ” “Echt eenvoudig ziet er echter deze tegenwerping uit, want met hetzelfde recht en met een gelijke schijn van waarheid hadden zij van Zijn genezingen van zieken kunnen zeggen: Hij geneest de zieken door de dood. ” Maar het eenvoudige volk is niet met grondige bewijzen gediend; hoe handtastelijker, hoe oppervlakkiger iets is, des te sneller wekt het bijval, wanneer het voorgestelde slechts enige schijn van waarheid heeft. Deze Farizeeën hebben zich onder het volk gemengd, juist zoals zij naderhand voor de rechterstoel van Pontius Pilatus weer doen (hoofdstuk 27: 20). ” Beëlzebub is, zoals wij in 2 Kon. 1: 2 gezien hebben, de naam van een afgod van de Filistijnen, die zoveel als Vliegengod betekent. Nu ontmoeten wij ook deze naam hier (vgl. vs. 27) en in hoofdstuk 10: 25 Mark. 3: 22 Luk. 11: 15; 18: 19; , maar het wordt thans ook bijna algemeen erkend, dat de gebruikelijke lezing niet de oorspronkelijke, maar pas door een vermeende verbetering in de grondtekst gekomen is en men liever Beëlzebub te lezen heeft. Hier geldt het namelijk een naam voor de duivel; deze nu hadden de Joden in de tijd na de ballingschap met behulp van een geestigheid, die hun gehele verachting van de heidense afgoden moest aanduiden, daardoor verkregen, dat zij de naam Beëlzebub (Vliegengod) in de andere “Beëlzebub” (Drek- of mestgod) veranderden, omdat zij dan de afgodendienst smadelijk als slijk beduidden en evenzo het offeren aan de afgoden een mesten noemden. Wel betekent sebul in het Hebreeuws eigenlijk niet slijk, maar woning; waarom ook vele uitleggers de naam liever door “Heer der woning” vertalen; men heeft hier echter om gelijkluidendheid met Beëlzebub te voorschijn te brengen, in plaats van sebel, dat slijk betekent, liever sebul gezegd, omdat het toch bij woordspelingen in de aard van de zaak ligt, tot nieuwe woordvormingen zijn toevlucht te nemen.
KruisverwijzingenMattheüs 9:4→Jeremia 17:10→Psalmen 139:2→Hebreeën 4:13→Galaten 5:15→Openbaring 17:16→Jesaja 19:2→Markus 3:23→— Doch Jezus, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan.
Maar, al spraken zij hun smaadwoorden slechts in het geheim, Jezus, kennende hun gedachten, zei tot hen om hen te overtuigen van de ongerijmdheid van hun woorden: Een ieder koninkrijk, zoals gij dat te zijner tijd zelf in uw Staat zult ondervinden (Openbaring . 6: 4), dat tegen zichzelf verdeeld is, waarin de ene partij de andere bestrijdt, wordt verwoest, zodat er spoedig een einde aan komt, en iedere stad of ieder huis, dat toch in het klein een rijk vormt, zoals de stad een eenheid van huizen en families voorstelt, indien dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan, maar zal door onenigheid van de leden te gronde gaan.
KruisverwijzingenKolossenzen 1:13→1 Johannes 5:19→Johannes 14:30→2 Korinthe 4:4→Johannes 12:31→Openbaring 12:9→Mattheüs 4:10→Openbaring 16:10→— En indien de satan den satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?
En indien de satan, de overste van de duivels, van wie gij beweert, dat hij het wonderwerk aan de bezetene door Mij bewerkt heeft, de satan uitdrijft, namelijk die, die zich van die blinde en stomme had meester gemaakt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld, omdat hij met de ene hand verwoest, wat hij met de andere hand eerst heeft opgericht; hoe zal dan zijn rijk bestaan? gij weet toch, dat hij dit met alle macht probeert te bevestigen.
KruisverwijzingenLukas 9:49→Markus 9:38→Lukas 11:19→Handelingen 19:13→Mattheüs 12:41→Lukas 19:22→Romeinen 3:19→— En indien Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.
En indien Ik, zoals gij het volk probeert wijs te maken, door Beëlzebub de duivels uitwerp, als kon die uitdrijving alleen met behulp van deze overste van de duivels bewerkt worden, door wie werpen ze dan uw zonen uit, de leerlingen van uw eigen school, wanneer die als exorcisten optreden en door hun gebeden en bezweringen eens zo’n uitslag hebben? Schrijft gij dat dan ook aan Beëlzebub toe, of zegt gij integendeel niet uitdrukkelijk, dat het met Gods hulp is bewerkt? Daarom zullen die uw rechters zijn. Wanneer het toch waar is wat gij omtrent Mij beweert, dat een duiveluitdrijving alleen in macht van de duivel kan gebeuren, zo hebt gij die mensen tot werktuigen van de duivel gemaakt, en uzelf aan verleiding blootgesteld op de sterkste wijze. Is het echter waar, wat gij van die exorcisten beweert, dat alleen een duiveluitbanning in de kracht van God mogelijk is, zo hebt gij door uw beschuldiging tegen Mij uzelf openlijk in tegenspraak met uzelf geplaatst en u als boosaardige lasteraars tentoongesteld.
KruisverwijzingenLukas 11:20→Handelingen 10:38→Mattheüs 21:43→Mattheüs 12:18→Kolossenzen 1:13→Mattheüs 21:31→Markus 11:10→Lukas 17:20→— Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.
Maar indien Ik, wat gij op generlei wijze kunt ontkennen, hoe gij u ook wendt en draait, door de Geest van God de duivels uitwerp, en dat niet met weinig gevolg, zoals uw zonen, maar in gehele omvang en volheid van macht, zodat Ik alleen de vinger behoef op te heffen om aanstonds en in elk geval ze uit te bannen, zo is dan, omdat gij in Mij degene ziet, aan wie de Geest zonder mate is gegeven (Joh. 3: 34), het koninkrijk van God, dat gij met de verschijning van de Messias wacht, tot u gekomen en het volk heeft (vs. 23) zeer juist geoordeeld.
KruisverwijzingenMarkus 3:27→Jesaja 53:12→Jesaja 49:24→Openbaring 20:1→Lukas 11:21→1 Johannes 4:4→Openbaring 20:7→Openbaring 12:7→— Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven.
Of wanneer gij ook nog deze vanzelf sprekende sluitrede wilt ontkennen, zo zeg Mij hoe kan iemand, zoals gij ziet, dat Ik doe, omdat Ik zo vrij en zonder enige moeite en zonder tegenstand van de zijde van de boze geesten (Luk. 4: 36) de door deze gebonden zielen uit hun boeien verlos, in het huis van een sterke inkomen? Hoe kan hij ingaan in de woning van de sterk gewapende, die zijn paleis tot hiertoe zo goed bewaarde, dat het zijne met vrede is gebleven (Luk. 11: 21vv. ), en hem alleen in enkele gevallen van ondergeschikt belang met veel gebedsstrijd iets kan worden ontworsteld? En hoe kan men hen zijn vaten, die zielen, die door hem waren overweldigd en nu opeens van de ban ontheven worden (Hand. 10: 38), ontroven en die voor zichzelf in bezit nemen, tenzij dat hij eerst de sterke gebonden hebbe, zodat hij geen tegenstand meer kan bieden, en alsdan zal hij zijn huis beroven.
Hier zijn vier zaken duidelijk. Allereerst Jezus’ denkbeeld van het koninkrijk: het is ontstaan, waar Gods Geest onbeperkt regeert. Ten tweede het bewustzijn van Jezus, dat in Zijn persoon dit regeren voorhanden is. Ten derde de volle ernst van Zijn overtuiging van het bestaan van het rijk van de duivel. Heeft Jezus, zoals velen dit ook nu weer willen beweren, in Zijn spreken over duivels Zich slechts aan de spreekwijze aangesloten, zonder hiermee over de werkelijkheid van deze voorstelling een oordeel te vellen, waarom voegt Hij er dan vers 29 bij? Deze bijvoeging bewijst eerder – en dit is het vierde punt – dat Jezus Zich bewust was de duivel overwonnen te hebben. Uit deze woorden blijkt een bevestiging van Jezus zelf, dat zo’n geschiedenis, zoals de verzoeking, die door de evangelisten verteld is, werkelijk gebeurd was. Had de duivel Jezus op een vleselijke Messiasweg willen lokken, maar Jezus voor de door God bepaalde vernedering beslist, zo is het duidelijk, dat dit een binden van de sterke was. Juist om dit woord bemerkt men de rust waarin Jezus spreekt en geen spoor van dweepachtige opgewondenheid.
De lasterlijke beschuldiging: “Hij werpt de duivel uit door Beëlzebul, de overste van de duivels, ” was het uiterste en boosaardigste van de tegenspraak, die Hij van de zondaren ondervonden heeft (Hebr. 12: 3 Luk. 2: 34). Wij kunnen het moeilijk afmeten, wat deze beschuldiging van de ergste toverij en gemeenschap met de duivel in Zijn tijd, onder Zijn volk, uit de mond van deze voor het grootste gedeelte door het volk hoog geëerde Farizeeën te betekenen heeft; wat een verschrikkelijke slag van de duisternis dat was om de leer en zaak van de waarheid opeens neer te slaan en er de diepste, verschrikkelijkste haat van de mensen tegen op te wekken. Noch het een noch het ander kon de heilige rust van de vrede van God in Zijn binnenste storen en de ootmoedige zachtmoedigheid van Zijn hart kwetsen, evenmin als de kracht en vermetelheid van de boosheid, waarmee deze lastering uitgesproken werd, of het aanzien van hen, die ze uitspraken, op Hem vermocht hadden, om van de bekentenis van de waarheid en de heiliging van de naam van God iets af te doen.
Bovendien vertoont zich hier de veelvuldige wijsheid van de Heere: hoe weet Hij te disputeren! Hij gaat de gedachten na tot in haar geheimste diepten; Hij verlicht haar met het licht van de eeuwige waarheid en ontdekt haar ongegrondheid onweerlegbaar. Stier heeft recht, wanneer hij uitroept: men bestudere deze rede goed, of een ander dan de Zoon van God in het vlees zo spreken, of iemand onder de mensen zo iets bewust of onbewust verdichten kan.
Aangaande de uitdrukking: “uw kinderen” was onder de ouden die verklaring het meest verbreid, dat de Heere daarmee Zijn discipelen, de apostelen en de anderen bedoelde, die Hij macht gegeven had over de boze geesten, en hen nu als volksgenoten van de Farizeeën deze nader kwamen, en de laatsten tevens als vaders en leraars van het volk kenschetste. Maar het slot zou dan alle kracht missen, omdat het niet te veronderstellen is, dat de Farizeeën de discipelen van de Heere bij hun duiveluitwerpingen niet dezelfde schuld gaven, die zij de Meester voorwierpen: moeilijk is bij voorbeeld aan te nemen hetgeen v. Gerlach schrijft: “bij Christus voelden de Farizeeën een zekere geheimzinnige verlegenheid; zij schreven Zijn wonderkracht aan de satan toe, de discipelen echter verachtten zij te diep, dan dat zij geloofd zonden hebben, dat zij in het bezit van deze duivelskunsten waren. ” Bijna alle nieuwere uitleggers houden het liever met Luther en Calvijn, welke laatste zegt: “Ik twijfel er niet aan, dat de Heere de duivelbanners meent, van wie men zich toen zeer veel bij de Joden bediende, zoals uit Hand. 19: 13vv. blijkt. ” Inderdaad doorreisden toen de Joodse duivelbanners niet alleen het heilige land, maar oefenden ook in het buitenland wijd en zijd hun ambacht uit. Wanneer wij intussen bij Josephus lezen, op welke wijze zij de duivelbanning bewerkten, dat zij daarbij dan eens een in het noordelijk gedeelte van Jeruzalem groeiende vuurkleurige plant Baaras, dan een in een ring gevatte wortel aanwendden, en zich van zulke spreuken en formulen bedienden, die zoals men zegt nog van Salomo afstammen, zo zal het zeker niet duidelijk zijn, dat Hij Zijn daden met zulke goochelkunsten zou vergeleken, en zichzelf met zulke bedriegers op een lijn zou geplaatst hebben. Hier was de zogenaamde argumentatio ad hominem, waaraan men soms denken kon, volstrekt niet op de juiste plaats, d. i. die soort van bewijsgrond, die op de meningen en voorstellingen van een ander berust, zonder ze zelf te delen, of alsr waar te erkennen; maar de Heere kon slechts zulke duivelbanners voor ogen hebben, die noch in de categorie van de duivelse tovenaars 7: 9), noch in die van de bedrieglijke goochelaars behoorden, die integendeel door Gods macht een wezenlijk, al was het dan ook slechts zwak gevolg op het oog hadden. En dan kunnen wij, ofschoon er geen besliste bewijzen tot bevestiging van dit vermoeden zijn, toch naar de gehele samenhang van de bewijsgrond van Jezus, zowel naar dat wat bij Justinus (C. Tryphon 85) aangeduid wordt, met volle verzekerdheid aannemen, dat in de tijd van de verschijning van de Zoon van God in het vlees, (toen de gevallen van door de duivel bezetenen zich altijd meer voordeden, terwijl men vroeger, namelijk in de tijd van het Oude Testament, dergelijke dingen slechts hoogst zelden en slechts op een voorbijgaande wijze beleefd had) in de scholen van de Farizeeën en Schriftgeleerden de vraag tot behandeling gekomen was, of niet door aanroeping van de God van Abraham, Izaäk en Jakob, door bidden en vasten, misschien ook door gezang en muziek het woeden van de duivelse macht gestuit en die ongelukkigen ten minste gedeeltelijk geholpen zouden kunnen worden; zoals David toch eens de koning Saul ter zijde gestaan had, zodat de boze geest van hem moest wijken (1 Sam. 16: 14vv. ). Het is een volstrekt valse gedachte, dat van de Farizeeën en Schriftgeleerden in het geheel niets goeds kon komen; integendeel de Heere betuigt in hoofdstuk 23: 2vv. uitdrukkelijk aan hen, dat zij op de stoel van Mozes zaten en verlangt van Zijn discipelen, dat zij hun inzettingen zonden eerbiedigen, totdat Hij hen te rechter tijd ervan vrij zou maken. Toen schijnt het tot de stichting van een eigen orde gekomen te zijn voor hen, die zich bijzonder aan de dienst van God wijdden en naar aanwijzing van hun leraren zich met zekere geestelijke oefeningen bezig hielden om zich zo voor het werk van de duivelbanning door Gods kracht voor te bereiden. Deze kwekelingen van de Joodse scholen van duivelbanners heetten dan op gelijke wijze kinderen van de Farizeeën en Schriftgeleerden, als in het Oude Testament de kwekelingen van de profetenscholen kinderen van de profeten genoemd werden (2 Kon. 2: 2vv. ). Zij volbrachten werkelijk ook gedeeltelijk de genezing van bezetenen, of ten minste de verzachting van hun kwaal, maar zó, dat hun kunst slechts een voorlopende schaduw was in verhouding tot hetgeen Jezus deed, en wat Zijn discipelen ook langzamerhand door Jezus’ kracht deden (hoofdstuk 10: 1 Luk. 10: 17), waarom ook de een en ander van hen beproefde eveneens in Jezus’ naam duivels uit te werpen, zonder daarom op te houden een kwekeling van de Farizeeënscholen te zijn (Luk. 9: 49vv. ). In Zijn tijd liet de Heere dit gebruiken van Zijn naam rustig gebeuren en handelde naar de grondregel: “wie niet tegen ons is, die is voor ons; ” sinds echter de Farizeeën en Schriftgeleerden de Heer der heerlijkheid gekruisigd hadden, was van de zijde van hun kinderen of scholieren een dergelijk gebruik van de Naam een vermetele aanmatiging, enkel een goochelarij en moest dit beslist gestuit worden, zoals wij dat in Hand. 19: 13vv. zien; ja van die tijd af aan veranderden de Joodse duivelbanners altijd meer tot tovenaars en traden in deze gestalte in de tijd van Josephus op – een getrouw beeld van de gehele, door de Farizeeën verdorven en een rottend lijk geworden natie. Keren wij echter nogmaals tot de tijd van het ontstaan van die scholen van duivelbanners terug, zo mogen de discipelen van die scholen, wanneer hun vermogen om de duivel te verbannen te zwak bleek te zijn, zich met dezelfde vraag naar hun onderwijzer gewend hebben, waarmee in hoofdstuk 17: 19 de discipelen van Jezus zich tot hun Meester wendden, en hebben daarop wel hetzelfde antwoord gekregen, waarmee de Samaritaanse vrouw zich in Joh. 4: 25 uit haar verlegenheid probeert te helpen: “Wanneer Christus, de Messias komt, zal Hij ons alles verkondigen; ” daarmee hielpen zij zich dan ook uit hun verlegenheid, wanneer zij door een vruchteloze poging tot genezing met hun kunst, de duivel te bannen, voor het volk te schande werden. Het volk was dus aan de ene zijde voorbereid om in de wijze, waarop Jezus de bezetenen genas, door openbaar goddelijke macht, of door Gods vinger (Luk. 11: 20 Exod. 8: 19), zonder enige inspanning en in elk geval met dadelijk gevolg – te erkennen dat de Messias nu werkelijk verschenen was (vs. 23). Aan de andere zijde wordt de bewijsreden van de Heere in vs. 28 des te treffender, want de Farizeeën zelf hadden dit uitwerpen van duivels door Gods vinger met recht, al was het ook zonder nadere betrekking op de profetie in Jes. 49: 24vv. als kenmerkend teken van de Messiaanse tijd, opgenoemd. Steinmeyer om het bij deze gelegenheid voorlopig aan te halen, totdat wij nader daarop zullen komen 1: 28), heeft de wonderen van de Heere in 4 groepen verdeeld: 1) De wonderen als merktekenen van het nabij gekomen Messiasrijk; 2) de wonderen als zinnebeelden van de ontsloten goederen van het hemelrijk; 3) de wonderen als getuigenissen, namelijk van de werkzaam geworden macht van het hemelrijk; 4) de wonderen als voorspellingen, namelijk van de toekomstige heerschappij van het hemelrijk op aarde. De genezing van bezetenen aan de ene zijde, en de opwekkingen van de doden aan de andere zijde vormen het derde gedeelte. “Een getuigenis is meer dan een merkteken, ook meer dan een zichzelf overtreffend zinnebeeld, het staat borg voor het reeds werkzaam geworden wezen; die wonderen nu, die tot deze categorie behoren, zijn wezenlijke tekenen, dat Jezus de Verlosser is; zij duiden niet aan, wat Hij kan en wil, maar zij openbaren Hem in de volheid van Zijn heerlijkheid, als de Heere van het rijk, die als zodanig regeert. Het rijk, dat in Hem nabij gekomen was, kon niet eenvoudig op aarde woning maken, maar het moest zich zijn plaats daar zelf door strijd verkrijgen, en dat in de strijd tegen degene, die in de duisternis van deze wereld heerst, en waarvan in hoofdstuk 4: 9 gezegd wordt: “Van Hem is de wereld met al haar heerlijkheid; hij kan die geven en wegschenken. ” Omdat de Heere die nu niet uit deze hand ter leen ontvangen had, omdat Hij ze hem wilde ontrukken door overweldiging van hun vorst, moest er een strijd ontbranden, die steeds heviger werd en eindelijk tot beslissing kwam. Wij weten zeker, dat pas op het ogenblik van Jezus’ dood de finale beslissende strijd gevolgd is, zoals de Heere in Joh. 14: 30 zelf zegt, in het zicht van Zijn dood: “de vorst van deze wereld komt en heeft aan Mij niets; ” maar deze laatste beslissing sluit niet alleen niet uit, maar doet zelfs veronderstellen, dat er andere beroeringen voorafgegaan zijn, waar wel niet het middelpunt maar de omgeving van het toneel was. De Schrift duidt de overwinning van de Zoon van God over de overste van deze wereld naar twee zijden aan: eerst, negatief. Hij heeft hem uitgestoten, hem de macht uit de hand genomen (Joh. 12: 31); en dan positief, Hij heeft van Zijn zijde althans het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht (2 Tim. 1: 10). Zij schrijft de negatieve zijde meer op rekening van Zijn dood, de positieve op die van Zijn opstanding. Door Zijn dood (Hebr. 2: 14) heeft Jezus de macht ontnomen aan degene, die het geweld van de dood had, de duivel; en sinds Hij opgestaan is van de doden, wordt er geleerd, dat Hij het eeuwige leven geeft aan allen, die in Hem geloven. Zouden nu van deze werking van Zijn dood en opstanding reeds gedurende Zijn verschijning op aarde wezenlijke getuigenissen gegeven worden, zo kunnen zij slechts daarin bestaan, dat Hij werken volbrengt, krachtens welke de Satan uitgeworpen wordt (Luk. 10: 17vv. ), en aan de andere zijde deze, waardoor de wezenlijke werking van deze opgeheven en het tegenovergestelde in hun plaats gezet wordt: “gene zijn de duiveluitbanningen, deze de opwekkingen uit de doden.”
KruisverwijzingenLukas 11:23→Markus 9:40→Lukas 9:50→1 Johannes 2:19→2 Korinthe 6:15→Jozua 24:15→Mattheüs 6:24→1 Kronieken 12:17→— Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.
Wie nu, terwijl Ik door Mijn duiveluitbanningen Mij zo duidelijk openbaar als de overwinnaar van de satan en als de brenger van het koninkrijk der hemelen, met Mij niet is, in plaats van zich aan Mij in geloof over te geven, op onzijdigstandpunt wil blijven staan, die is tegen Mij reeds door die koude terughouding. Spoedig zal hij een openbaar vijand van Mij worden, zoals dit in u, Farizeeën, blijkt. Gij zijt gekomen om Mij eerst nog te bespieden en te beproeven, als moest gij uw oordeel over Mijn persoon en werk eerst nog opschorten, totdat gij u na nauwkeurig onderzoek overtuigd zou hebben. Omdat echter de waarheid te betwijfelen, waar zij duidelijk genoeg bewezen is, niets anders dan innerlijke vijandschap tegen haar is, zo heeft, deze innerlijke vijandschap u gedreven tot die uiterlijke bestrijding in uw lasterlijke rede. En wie, nadat het rijk van God reeds gekomen is, zoals de profeten dit te voren verkondigd hebben, met Mij niet vergadert, zoals het toch de plicht van u als oversten zou geweest zijn, om door eigen voorbeeld het volk voor te gaan in het ingaan in het rijk der hemelen, en door leer en vermaning steeds meerderen en anderen in te leiden, maar ook nu nog een afwachtende houding aanneemt, alsof het rijk van God eerst nog op geheel andere wijze openbaar moet worden, die verstrooit. Zo iemand doet de zielen, die zich reeds op de goede weg bevinden, dwalen zodat zij weer omkeren; ook dat hebt gij door uw lasteringen gedaan, ja met opzet en met alle ijver gedaan (hoofdstuk 23: 13).
KruisverwijzingenLukas 12:10→Markus 3:28→1 Johannes 5:16→Hebreeën 6:4→Hebreeën 10:26→1 Timotheüs 1:13→Hebreeën 10:29→Mattheüs 12:31→— Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden.
Tussen die zonde, welke gij bedreven hebt, en die, welke de vreselijkste en zwaarste is, die er bestaat, is slechts een enkele schrede. Omdat Ik u nog voor deze laatste schrede wil bewaren, en u bewegen wil van de ingeslagen weg terug te keren, a) daarom zeg Ik u: elke zonde, en al ware die zelfs tot een lastering van God voortgegaan, zal de mensen vergeven worden, wanneer zij tot berouw komen en geloven. O neemt daarom de genade aan, die u nog wordt aangeboden; komt tot erkentenis van de waarheid door hetgeen Ik u (vs. 25vv. ) gezegd heb; komt uit uwvijandige verhouding tot Mij over (vs. 30); maar de lastering tegen de Geest, waartoe gij door uw lastering (vs. 24) reeds dicht genaderd zijt, zal de mensen niet vergeven worden, omdat berouw en geloof daar niet meer mogelijk is.
Mark. 3: 28 Luk. 12: 10; 1 Joh. 5: 16
KruisverwijzingenMarkus 3:29→Mattheüs 11:19→Efeze 1:21→Titus 2:12→Hebreeën 10:26→Johannes 7:12→1 Timotheüs 1:13→Hebreeën 6:4→— En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.
a) En nog duidelijker wil Ik Mij uitdrukken, opdat gij verstaat, hoe aan de ene zijde de weg der zaligheid voor u niet geheel gesloten is, maar gij ook aan de andere zijde reeds aan de rand staat, en alleen een haastig terugkeren u kan bewaren voor een neerstorten in de afgrond. Zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen de Zoon des mensen, op de wijze als gij reeds twee maal gedaan hebt (vgl. vs. 24 met hoofdstuk 9: 34), het zal hem onder de bovengenoemde voorwaarde vergeven worden; b) maar wie tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, en zo’n rede zou de uwe reeds zijn, wanneer gij, volgens hetgeen Ik in vs. 25vv. u heb voorgehouden, nog langer daaraan wilde vasthouden, het zal hem nietvergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende; hij is strafbaar door het eeuwig gericht.
1 Sam. 2: 25 b) 1 Joh. 5: 16
De gebruikelijk geworden uitdrukking tot aanduiding van de zonde, waarover hier gesproken wordt: “Zonde tegen de Heilige Geest, ” heeft zeker in zoverre iets bedenkelijks, omdat die te algemeen en onbestemd is, en daarom gemakkelijk ook zulke zonden, zoals die in Hand. 7: 51 Efe. 4: 30 Jes. 63: 10 opgenoemd worden, en maar al te dikwijls begaan worden, daaronder begrepen kunnen worden; daarom heeft ook het woord van Christus omtrent de onmogelijkheid van de vergeving reeds vele zware gewetensangsten veroorzaakt, omdat menigeen geloofd heeft die onvergeeflijke zonde begaan te hebben, en nu geen plaats tot boete meer te kunnen vinden. Het zou daarom juister zijn de zonde, waarvan nu sprake is, als “lastering van de Heilige Geest” aan te duiden; het behouden van de gebruikelijke aanduiding vindt echter daarin rechtvaardiging, dat men daarmee niet de lagere trappen van ontwikkeling, maar eerder het toppunt van de zonde tegen de Heilige Geest bedoelt, en bij de behandeling van dit leerstuk tevens enige andere plaatsen van de Heilige Schrift in aanmerking heeft te nemen, namelijk Hebr. 6: 4vv. en 10: 26vv. Met de zo-even genoemde plaatsen komt nu de uitspraak van Christus, zoals zij zich in Luk. 12: 10 bevindt, in nauwere samenhang; zij staat zelfs in betrekking tot een aan de discipelen gerichte rede en sluit zich onmiddellijk aan de waarschuwing voor verloochening van de naam van Christus, terwijl zij boven en in de gelijkluidende plaats bij Markus op de lastering van de Farizeeën betrekking heeft. Hier hebben wij dus met ongelovigen of onbekeerden te doen, die de zonde tegen de Heilige Geest begaan, en die daardoor het geloof afweren; daar daarentegen met gelovigen en wedergeborenen, die zonde begaan, en daardoor het geloof verwerpen. Wanneer de geloofsleraars van de Lutherse kerk aangenomen hebben, dat de zonde tegen de Heilige Geest slechts door een wedergeborene kan begaan worden, die reeds in volle erkentenis van de waarheid is, en die in zijn geweten ook geheel erkent, maar haar boosaardig en hardnekkig loochent, bestrijdt en smaadt, zo hebben zij in zoverre recht, wanneer het licht van de Heilige Geest ook in het hart van een nog tegenstrevende zo’n helder licht kan werpen (1 Kor. 14: 24vv. ), dat hij in erkentenis van de waarheid en goedkeuring van het geweten wezenlijk niet achterstaat bij een, die reeds wedergeboren is. Wanneer daarentegen de Hervormde dogmatici beweren, dat bij een wedergeborene de zonde tegen de Heilige Geest niet meer mogelijk is, zo is hier de wedergeborene met de uitverkorene verward (?) Of echter iemand uitverkoren is, kan men pas aan het einde erkennen, wanneer zijn gehele loopbaan als Christen geëindigd is, en dan ook nog niet altijd met onbedriegelijke zekerheid. In elk geval behoudt het woord van zonde tegen de Heilige Geest zijn hoge praktische betekenis voor een ieder zonder uitzondering. Wij kunnen dat echter pas goed behandelen, wanneer wij tot de verklaring van de brief aan de Hebreeën gevorderd zijn. Voor nu hebben wij slechts onze gronden daarvoor aan te voeren, waarom wij boven bij de verklaring van dat gedeelte van de veronderstelling uitgegaan zijn, dat de Farizeeën er weliswaar dicht bij waren om de zonde tegen de Heilige Geest te begaan, maar ze in werkelijkheid nog niet begaan hadden. Dikwijls oordeelt men anders. De Farizeeën hadden, zo zegt men ook, met hun lastering de Heilige Geest reeds als een onreine geest gehoond, terwijl zij de werken van Jezus als werken van de duivel brandmerkten en hun lastering was niet alleen een beschimping van de persoon van Jezus, zoals toen zij Hem een vraat en wijnzuiper noemden, maar zij was reeds tegen het goddelijke en heilige, als goddelijk en heilig zich daadzakelijk bewijzende principe gericht, waardoor Hij handelde; hun lastering gold dus niet de Mensenzoon in Zijn verschijning, maar de Geest van God, die in Hem en door Hem regeert. Intussen moeten wij hierop antwoorden, hoe juist het hier aangemerkte op een objectief standpunt ook is, hoezeer de Heere door Zijn eigen erkentenis een recht heeft, de door de Farizeeën tegen Hem uitgesproken lastering voor een lastering tegen de Heilige Geest, die in en door Hem regeert, aan te zien, zo weinig is het aan te nemen, dat de Farizeeën ook van hun zijde geweten hadden, wat zij eigenlijk gedaan hadden, en dat zij met voorbedachte rade en opzettelijk tegen de Geest van God in Zijn getuigen door Jezus gesproken hadden. Eerder dient de gehele bewijsrede van de Heere daartoe, om hen eerst tot het inzicht te brengen, dat hen tot hiertoe nog ontbreekt, en de waarschuwing, die daarop volgt, bedoelt een heilzame verschrikking. Zij moesten het voelen, hoever zij reeds met hun boosheid gegaan zijn. Op een subjectief standpunt, d. i. naar evenredigheid van het inzicht en de mening, die zij tot hiertoe hadden, hadden zij nog slechts de Zoon des mensen gehoond; hadden zij later, nadat zij van de gemeenschap van deze Mensenzoon met de Heilige Geest overtuigd geworden waren, en de waarheid van hetgeen Jezus van zichzelf betuigde, zich aan hen zo krachtig opgedrongen had, dat zij het in hun hart ook niet konden tegenspreken, maar zich gevangen moesten geven, wanneer hun beschuldiging nog eens herhaald was, zo ware dat ook subjectief een lastering tegen de Heilige Geest geweest. Wij lezen daar niets van; maar zeker heeft Jezus hun ook geen gelegenheid tot herhaling aangeboden. Naar het ons toeschijnt, heeft Hij ook daarom spoedig daarna Zijn openlijke werkzaamheid in Galilea opgegeven en (behalve de dochter van de Kananese vrouw, die Hij toch in het verborgen genezen heeft) geen duivels meer uitgeworpen om het niet tot het uiterste te doen komen. Hij moest hen niet in de boze onbezonnenheid van hun hart laten voortleven, maar hen betuigen, hoe ver het nu reeds met hun boosheid gekomen was, maar hun dan ook tijd tot stil nadenken geven en hen voortaan alle verzoeking besparen. Een voorbeeld van echte zielzorg!
Hoe ontzettend zondig is het te zondigen tegen beter weten in. Dit is een praktisch besluit, getrokken uit de woorden van de Heiland over de lastering tegen de Heilige Geest. Hoewel deze woorden ontegenzeglijk zeer moeilijk te verklaren zijn, tonen zij nochthans duidelijk, dat er trappen in de zonde zijn. Misdaden, voortkomende uit onwetendheid aangaande de Persoon van Christus, zullen niet zo zwaar worden gestraft als die, welke begaan worden tegen en in weerwil van het heldere licht van de Heilige Geest. Hoe helderder het licht is, des te zwaarder is de schuld van hem, die dat licht verwerpt. Hoe duidelijker de kennis van de mens is aangaande natuur van het Evangelie, des te groter is zijn zonde, wanneer hij moedwillig in zijn onbekeerlijkheid en zijn ongeloof blijft volharden. Ook op andere plaatsen in de Heilige Schrift vinden wij deze leer bevestigd. Paulus schrijft aan de Hebreeën: “Het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en de Heilige Geest deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord van God, en de krachten van de toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, opnieuw te vernieuwen tot bekering. ” “Als wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonde, maar een verschrikkelijke verwachting van het oordeel. ” (Hebr. 6: 4-6; 10: 26, 27). Alom vinden wij de treurigste bewijzen voor de waarheid van deze leer. Onbekeerde kinderen van godzalige ouders, onbekeerde dienstboden van godvrezende gezinnen, en onbekeerde leden van evangelische gemeenten zijn het minst toegankelijk voor de kracht van de waarheid. Zij schijnen elk gevoel verloren te hebben. Hetzelfde vuur, dat de was smelten doet, maakt de klei hard als steen. Bovendien wordt deze leer op verschrikkelijke wijze bevestigd door de geschiedenis van hen, die blijkbaar zonder hoop de eeuwigheid zijn ingegaan. Farao, Saul, Achab, Judas Iskariot, Juliaan, Francis Spira en anderen zijn ontzettende voorbeelden van de leer van de Zaligmaker in deze woorden. In al die gevallen zien wij, bij een heldere kennis, een onbeschaamd verwerpen van Christus. Bij veel licht in het hoofd, zien wij haat en vijandschap tegen de waarheid in het hart. En het einde van deze allen was, zover wij kunnen zien “donkerheid en eeuwige duisternis. “
KruisverwijzingenLukas 6:43→Mattheüs 7:16→Lukas 11:39→Ezechiël 18:31→Jakobus 4:8→Amos 5:15→Mattheüs 3:8→Johannes 15:4→— Of maakt den boom goed en zijn vrucht goed; of maakt den boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.
Wilt gij u echter bewust worden, waarop dat boze woord (vs. 24) wijst, zo hoort een gelijkenis (hoofdstuk 7: 17vv. ): Of maakt de boom goed, en gij zult u aanstonds moeten denken, dat zijn vrucht goed is; of maakt de boom kwaad, en gij stelt u dadelijk voordat zijn vrucht kwaad is; want uit de vrucht wordt de boom gekend; zo moet men ook uit uw woorden de toestand van uw hart leren kennen.
KruisverwijzingenLukas 6:45→Mattheüs 15:18→Efeze 4:29→Jakobus 3:5→1 Samuël 24:13→Jesaja 32:6→Mattheüs 12:35→Johannes 8:44→— Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? want uit den overvloed des harten spreekt de mond.
Gij adderengebroedsels! zo heeft Johannes de Doper u terecht genoemd (hoofdstuk 3: 7) – hoe kunt gij goede dingen spreken, omdat gij volgens de gezindheid van uw hart boos zijt? a) want uit de overvloed van het hart spreekt de mond (Luk. 6: 45); waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.
Ps. 40: 11
KruisverwijzingenKolossenzen 4:6→Spreuken 25:11→Kolossenzen 3:16→Mattheüs 13:52→Spreuken 10:20→Spreuken 15:23→Spreuken 12:17→Spreuken 15:4→— De goede mens brengt goede dingen voort uit den goede schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit den boze schat.
De goede mens brengt in de woorden, die hij spreekt, goede dingen voort uit de goeden schat van het hart, en de boze mens brengt boze dingen voort uit de boze schat, die in zijn hart bewaard ligt.
KruisverwijzingenPrediker 12:14→Judas 1:14→Openbaring 20:12→Romeinen 2:16→— Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.
Misschien wilt gij uzelf trots maken, dat zo’n enkel woord zoveel niet kan betekenen, dat gij daarom geheel verworpen zou worden, dat het maar een woord is, inogenblikkelijke opwelling gesproken en zo’n volgens niet te sterk moet worden toegerekend. Maar Ik zeg u, a)dat woorden geenszins een zo geringe zaak zijn, zodat zij nauwelijks in aanmerking zouden komen; integendeel zeg Ik, dat van elk ijdel woord, dat de mensen gesproken zullen hebben, zij daarvan rekenschap zullen geven b) op de dag van het oordeel, even zo goed als van elke zondige daad, die zij misdreven.
Efe. 5: 4 b) Pred. 12: 14
KruisverwijzingenSpreuken 13:3→Jakobus 2:21→— Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden.
Want uit uw woorden zult gij, o mens! wie gij ook zijt, gerechtvaardigd worden, wanneer zij goed waren, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden, wanneer zij kwaad waren. Zij zijn als de uitlatingen van uw hart reeds voldoende om het vonnis van de eeuwige Rechter over u te bepalen en, streng genomen, was het niet nodig op uw daden acht te geven om daarnaar uw vonnis uit te spreken.
2 Sam. 1: 16 Luk. 19: 22
Bij Markus lezen wij in deze samenhang niets van de rede vs. 33-37 , en ook Lukas heeft, wat bij hem met vs. 33-35 overeenkomt, niet in de voor ons liggende geschiedenis, maar in de herhaling van de bergrede in hfdst. 6: 20-49 ; daaruit is echter niet te besluiten, dat Mattheüs hier de rede van de Heere tot de Farizeeën met eigen bijvoegsels vergroot en er iets bijvoegt, wat Jezus eigenlijk op een andere tijd en bij een andere gelegenheid gesproken heeft; eerder is hij juist in de mededeling van de gesprekken van de Heere zeer nauwkeurig en zorgvuldig, terwijl van zijn voorstelling van de gebeurtenissen vaak van de aanschouwelijkheid in het uiterlijke iets afgaat. Wat de uitspraak in vs. 37 betreft, daarvan zegt Menken geheel terecht: “Het meest besliste omtrent de verborgen grond van het wezen van een mens, het beste en het slechtste van zijn hart en leven, zal zich aan het einde toch wel in het woord en de rede van een mens openbaren. Het meest beslissende omtrent deze Farizeeën, wat de ontzettende boosheid van hun wezen het duidelijkst openbaarde, was het woord van de lastering, dat zij juist gesproken hadden, en dat hen verdoemde. Dat mooie woord van ootmoed, van behoefte, van een aanhoudend, onwrikbaar geloof van de heidin in hfdst. 15: 21vv. , dat Jezus bewonderde, was het mooiste in haar leven, en openbaarde meer van de verborgen waarde en adel van haar hart, dan twintig daden hadden kunnen doen, het werkte uit, wat noch twintig noch duizend daden hadden kunnen uitwerken – het rechtvaardigde haar. ” Even waard om er acht op te slaan is hetgeen P. Lange schrijft: “In zijn gedachten is de mens voor de wereld verborgen, in zijn daden wordt hij door de wereld bepaald, gestuit of voortgedreven – zijn woord echter is de reinste spiegel van zijn leven.
Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:22→Johannes 2:18→Markus 8:11→Lukas 11:16→Lukas 11:29→Johannes 4:48→Johannes 6:30→Mattheüs 16:1→— Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeen, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien.
a) Toen antwoordden sommigen van de Schriftgeleerden en Farizeeën, omdat zij wel voelden dat Jezus Zich door deze verklaringen in Zijn koninklijke richtende waardigheid van Messias tegenover hen stelde, alsof zij bereid waren Hem als Israëls Beloofde aan te nemen, wanneer Hij Zich volgenshun opvatting van de profetische plaatsen Dan. 7: 3vv. Joël 3: 3vv. zou openbaren, zeggende: Meester, wij wilden van U wel een teken zien, dat niet zoals die wonderen op de aarde, maar aan de hemel gebeurt (Luk. 11: 16 MATTHEUS. 16: 1), want zo’n teken alleen kan ons overtuigen.
Mark. 8: 11; 1 Kor. 1: 22
Zonder twijfel wordt reeds het chiliastische hemelteken bedoeld; wij bemerken dus hier het ontkiemen van een nieuwe vijandelijke kunstgreep, die in hoofdstuk 16: 1 tot rijpheid komt, zoals de ontkiemende kunstgreep in hoofdstuk 9: 34 hier in vs. 24 tot rijpheid kwam. Zonder grond neemt v. Gerlach, aan dat deze andere Farizeeën beter maar verdeeld van hart waren; veel beter kan men aannemen, dat het de ergsten van de bozen waren.
Op de eerste aanblik kan het ons toeschijnen, dat deze Farizeeën nog niet zo verhard zijn, als de anderen; zij begeren een teken en zeggen daarmee, dat zij slechts nog deze overtuiging behoeven om zich bij de Heere aan te sluiten. Maar wij hebben wel reden, degenen, die dit teken vroegen, niet boven hun broeders te stellen. Zij schijnen de zaak op het gemakkelijkst aan te grijpen (zij waren toch de leden van het van Jeruzalem gezonden gezantschap en bezaten grotere bedrevenheid in geestelijke processen); terwijl die de Heere openlijk het hoofd boden, schijnen dezen Hem genegen te zijn om Hem niet, zoalsde eersten op een lompe manier, maar op de fijnste wijze in het verderf te storten. Het teken, dat zij zo-even gezien hebben, verklaren zij door deze eis voor onvoldoende, zij verzwakken daardoor de indruk van dit wonder, en omdat zij zeker konden zijn, dat de Heere hun eis niet inwilligt, zullen zij het volk, dat zij door hun vraag in spanning brengen, en dat zich in Zijn verwachtingen bedrogen zal vinden, van de Heere afkerig maken.
KruisverwijzingenMattheüs 16:4→Lukas 11:29→Jakobus 4:4→Markus 8:38→Jesaja 57:3→— Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.
Maar Hij antwoordde en zei tot hen, tot de scharen, die in hun zucht naar wonderen zich rondom Hem verdrongen, alsof Hij werkelijk naar hun eis zou horen, en nu het teken van de hemel zou geven (Luk. 11: 29): Het boos en overspelig, van God afgevallen en geheel in zelfzucht en werelddienst weggezonken geslacht (hoofdstuk 11: 16)verzoekt, alsof alle tekenen en wonderen, die reeds gebeurd zijn, zonder waarde waren, een teken, dat hen opeens over al hun bedenkingen en twijfels heenzet; en hun zal geen teken gegeven worden, waardoor Ik bewijs de Zoon van God en de Verlosser van Mijn volk te zijn, dan het teken van Jonas, de profeet (Jon. 2), dat als een voorafschaduwing gebeurd is.
KruisverwijzingenJona 1:17→Mattheüs 16:21→Mattheüs 17:23→Johannes 2:19→Mattheüs 27:63→Mattheüs 8:20→Mattheüs 27:40→Psalmen 63:9→— Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.
Want zoals Jonas drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, (het Griekse woord betekent slechts: grote vis, zeemonster dus waarschijnlijk een haai), zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten, volgens de gewone wijze van rekenen (1 Sam. 30: 12) wezen in het hart van de aarde, wat het lichaam aangaat in het graf, wat de ziel aangaat in het dodenrijk (Ps. 16: 10 Efe. 4: 8vv. 1 Petrus . 3: 19vv.).
Evenals de ware Messias het chiliastische Messiasbeeld van de Farizeeën tegensprak, zo zou nu ook het ware, grote Messias-teken de chiliastisch-ingebeelde eis van een hemelteken tegenspreken, bijzonder ook in zijn boete-predikende ernst: die wilden een teken van de hemel, dat hun geheel bederf zou vergulden; Hij wil hun een teken uit de diepte van het dodenrijk geven, dat hun gehele schijnheilige dronkenschap van de wereld oordeelt.
Dit is de zesde maal, dat Jezus op bedekte wijze op Zijn dood wijst. Door de doop (hoofdstuk 3: 13vv. ) spreekt Hij voor Zijn vader Zijne bereidwilligheid om te sterven uit; het woord van Zijn verhoging (Joh. 3: 14vv. ) zal aan Nikodemus, dat van het wegnemen van de bruidegom (hoofdstuk 9: 15) de discipelen van Johannes, dat van het opnemen van het kruis (hoofdstuk 10: 38) aan de twaalven, het afbreken van de tempel (Joh. 2: 19) en het teken van Jona aan de vijanden, wanneer Zijn lot eenmaal vervuld zal zijn, tot bewijs dienen, hoe weinig Hij erdoor verrast is. Met het woord van het afbreken van de tempel heeft dat van het teken van Jona ook nog die gelijkheid, dat beide, behalve op de dood, op de terugkeer uit de dood wijzen.
Dat het onwaardig, dwaas, onwaar zou geweest zijn, wanneer Jezus in deze ernstige toestand en in die stemming zich dus op Jona’s geschiedenis beroepen had, en deze geschiedenis toch voor een fabel gehouden had, dat behoeft geen uitleg; de gehele gedachte is profaan, en dus geen aanmerking en weerlegging waardig om daar niet van te spreken, dat de Farizeeën en Schriftgeleerden Hem hadden kunnen antwoorden: “is het zo gesteld met de door u aangeduide opstanding uit de dood, zo behoeft niemand daarvoor te vrezen! Zal Uw opstanding zoals de redding van de profeet uit de buik van de vis volgen, zo volgt zij nooit; wanneer het voorbeeld een fabel is, zo moet het afgebeelde ook een fabel zijn.
KruisverwijzingenMattheüs 12:42→Hebreeën 11:7→Mattheüs 12:6→Ezechiël 16:51→Jeremia 3:11→Jona 1:2→Jesaja 54:17→Romeinen 2:27→— De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!
Maar wat zal dat teken, zo groot in overredingskracht, in het algemeen bij het volk uitwerken! a) De mannen van Nineve, om hier de geschiedenis van de profeet Jona nog verder op Israël toe te passen, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht als getuigen tegen hen, en zullen het veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas, voor wiens zending door God zij een bewijs in zijn wonderbare redding zagen (Jona 3: 5 en Joel 2: 14″). En ziet: meer dan Jonas is hier in Mij, de mens geworden Zoon van God, de grootste van alle profeten.
Luk. 11: 32
KruisverwijzingenHebreeën 1:2→2 Kronieken 9:1→1 Koningen 10:1→Filippenzen 2:6→1 Koningen 5:12→Johannes 1:14→Mattheüs 3:17→Mattheüs 17:5→— De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen, de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!
a) De koningin van het Zuiden, om nog een ander voorbeeld uit de oude tijd te nemen (1 Kon. 10: 1vv. ) zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en het veroordelen; want zij is gekomen van deeinden der aarde, uit haar land, uit Arabia felix, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier in de persoon van Hem, in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen (Kol. 2: 3).
2 Kron. 9: 1 Luk. 11: 31
Met twee voorbeelden bewijst Christus de zwaardere schuld, de grotere strafbaarheid van het ongeloof en de harde bestraffing van zijn tijdgenoten. De Ninevieten: daar slechts een profeet, hier de Zoon van God zelf; daar slechts een boetprediking, hier ook genadeprediking en genadegave tot boete; daar boete, hier onboetvaardigheid en daarna de straf, die zij door boete ontgingen. De koningin van Arabië: zoekend komt zij uit het verre land, zonder moeite te vrezen, hier wordt het in de nabijheid aangebodene niet eens aangenomen; daar hevig verlangen en geloof, hier afkerigheid en ongeloof; daar Salomo, hier Christus met hogere wijsheid.
KruisverwijzingenPsalmen 63:1→Job 2:2→Amos 8:11→1 Petrus 5:8→Ezechiël 47:8→Jesaja 35:6→Jesaja 41:18→Mattheüs 8:29→— En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.
Maar reeds in deze tijd zal een zwaar gericht over dit geslacht komen, dat het best zal blijken uit het wonder, dat door Mij is verricht. a) En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, waarheen hij zich als in de eigenlijke verblijfplaatsen vande duivels moet terugtrekken 16: 22″), zoekende rust, en vindt ze niet.
Luk. 11: 24
KruisverwijzingenJudas 1:4→1 Johannes 2:19→Johannes 13:27→Psalmen 81:11→Johannes 13:2→Hosea 7:6→Openbaring 13:3→2 Thessalonicenzen 2:9→— Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.
Dan zegt hij: Ik zal terugkeren in mijn huis, vanwaar ik uitgegaan ben, en komende vindt hij het leeg, onbezet, met bezems gekeerd en versierd, en dus uitnodigende om opnieuw binnen te komen.
KruisverwijzingenHebreeën 6:4→Markus 5:9→Hebreeën 10:26→Lukas 11:26→Lukas 11:49→Lukas 19:41→Hebreeën 10:39→Mattheüs 23:24→— Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.
Dan gaat hij heen om nu ook het volste gebruik van die uitnodiging te maken, en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf, a) en ingegaan zijnde, wonen zij daar; en het laatste van die mens, zijn toestand na het binnendringen van die geesten, wordt erger dan het eerste, dan toen slechts één onreine geest hem in bezit had (2 Petrus . 2: 20). Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn, nadat het Mij geheel heeft verworpen en zich tot een versierd huis voor de onreine geesten gemaakt heeft; het zal in kinderen en kindskinderen geheel door duivelse geesten bezeten zijn.
Hebr. 6: 4, 5; 10: 26
De Heere heeft een duivel uitgeworpen (vs. 22), en Hij deed dat dikwijls; iedere duivel echter, die uit een lid van het volk uitgevaren is, is krachtens de samenhang van de leden met het geheel, uit het volk zelf uitgevaren. Werd het volk nu daardoor uit de strikken van de satan los? Het tegendeel gebeurde, het werd altijd bozer; want het verhardde zich meer en meer tegen de macht van de waarheid en de liefde, die hun in Christus tegemoet kwam, zoals de Farizeeën (vs. 24-38) bewezen. Deze verergering, die een gevolg is van de grenzenloze verharding van hun hart, wordt onder het beeld van de zevenvoudige versterking van de terugkerende boze geesten voorgesteld; hoe veel duivels de Heere ook uitwerpt, het is bij het volk om niet; want terwijl het geen boete doet, niet in zichzelf keert en tot erkentenis van de waarheid komt, zo wint de vijand plaats, om hen in nog zwaarder banden te leggen, zoals het voor ogen ligt en zich steeds duidelijker openbaren zal.
Volgens de samenhang schijnt het, dat deze rede niet geheel beeldspraak en toch niet geheel zonder beeldspraak is. Jezus had zo-even een duivel uit een zieke uitgedreven; toen de Farizeeën echter lasterden: “Hij drijft de duivel uit door Beëlzebul, ” toen scheen de duivel reeds met zeven anderen teruggekeerd te zijn en Hem vermetel tegen te staan, spottende met Zijn vroegere overwinning. Daarin vond Jezus nu een beeld van Zijn gehele werkzaamheid in Israël; die een duivel, de duivel van de psychische volksellende dreef Hij overal uit het volk uit; maar met de zeven duivels van het lasterende ongeloof keerde die overal weer. Het is zeer veel betekenend en volstrekt evangelisch, dat dat akelige duivelse lijden zevenmaal kleiner voorgesteld wordt dan de ellende van de duivelse schuld.
Toen de Joden de Messias verworpen en gedood en Zijn discipelen vervolgd en verjaagd hadden, en de beteren en edeleren zich nu van hen scheidden, uit het oude Israël en tot het Israël van het Nieuwe verbond met aanneming van het Evangelie van Jezus Christus overgaande, toen hield hen niets meer tegen; toen zonken zij snel van diepte tot diepte, van blindheid en boosheid tot blindheid en boosheid; toen werden zij geheel en al van de Heilige Geest ontvreemd, door de misleiding en de invloed van de duivel gedreven, bezield door een geestdrijvende, ongelovige, bijgelovige, wilde, oproerige moordgeest, meegesleept tot een aanzijn en werken, dat niet deugde en waardoor zij zelf die verschrikkelijke ontwikkeling van hun geschiedenis moesten veroorzaken, die met de verwoesting van het land, met de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel, en met de verstrooiing van het volk onder alle natiën eindigde. Verblindheid van verstand, verhardheid van hart, onverstand voor het eeuwige en goddelijke is sinds die tijd het lot van dit ongelukkige volk, zodat het meer dan ieder ander volk slechts naar het lage en slechte streeft, omdat het naar zijn gehele bestemming, meer dan enig ander volk, alle andere volken tot een voorbeeld, in al zijn denken en handelen slechts naar het hoogste en beste moest streven. Dit ligt op dat volk als een zwaar en onverzoend gericht.
Is deze schildering niet de geschiedenis van het gehele lichaam van de Christelijke kerken. Verlost van de duisternis van het heidendom door de prediking van het Evangelie, hebben zij nochthans nimmer in waarheid overeenkomstig het haar geschonken licht geleefd. Hoewel door de Hervorming velen als met een nieuw leven begiftigd werden, hebben zij evenwel geen goed gebruik gemaakt van de haar geschonken voorrechten, en zijn zij niet voortgegaan tot de volmaaktheid. Zij zijn allen meer of min halverwege blijven zitten op hun droesem. Zij zijn allen maar al te zeer geneigd geweest zich te vergenoegen met slechts uiterlijke verbeteringen. En nu openbaren zich in vele afdelingen van de Christelijke kerk de smartelijke tekenen, dat de “onreine geest is teruggekeerd in zijn huis”, en een losbarsting van afval en ketterij voorbereidt, zoals de Christelijke kerk nog nimmer heeft aanschouwd. Terwijl hier het ongeloof, ginds weer het bijgeloof op schrikbarende wijze toeneemt, wordt alles meer en meer rijp voor een ontzettende openbaring van de antichrist. Het staat zeer te vrezen dat “het laatste” van de zich noemende Christelijke kerken zal blijken te zijn “erger dan het eerste. ” Maar wat nog het treurigst van alles is, wij hebben ook in dit tafereel de geschiedenis van menige ziel. Er zijn mensen, die gedurende een zekere tijd van hun leven onder de invloed schenen te zijn van een krachtig godsdienstig gevoel. Zij begonnen een geheel andere wandel te leiden. Zij legden veel af dat kwaad was. Vele dingen die goed zijn namen zij aan. Daar echter bleven zij staan, in plaats van voorwaarts te gaan, en langzamerhand lieten zij de godsdienst links liggen. De onreine geest kwam weer om zijn intrek te nemen in hun harten, en vond ze “leeg, met bezems gekeerd en versierd. ” En nu zijn zij erger dan zij ooit te voren waren. Hun geweten schijnt dichtgeschroeid te zijn. Hun smaak voor godsdienstige zaken is geheel en al bedorven. Zij zijn als mensen, die overgegeven zijn in een verkeerde zin. Men zou zeggen dat het “onmogelijk is ze opnieuw te vernieuwen tot bekering. ” Bij niemand vertoont zich de verdorvenheid in een zo hopeloze toestand als bij hen die, na onder sterke godsdienstige overtuigingen verkeerd te hebben, opnieuw teruggekeerd zijn tot de zonde en de wereld.
KruisverwijzingenHandelingen 1:14→Galaten 1:19→Johannes 2:12→Mattheüs 13:55→Johannes 7:3→1 Korinthe 9:5→Johannes 7:5→Markus 6:3→— En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken.
a) En toen Hij nog tot de scharen sprak en met een vrouw te doen had, die hare stem verhief in grote verwondering over Hem (Luk. 11: 27vv. ), ziet, Zijn moeder en broeders (“Uit 2: 23”) stonden buiten de dichte volksmenigte, in wier midden Hij Zich bevond, proberende Hem te spreken, of zij Hem niet konden bewegen mee naar huis te gaan, omdat zij zich zeer bevreesd over Hem maakten (Mark. 3: 21).
Mark. 3: 31 Luk. 8: 20
Zijn moeder en broeders stonden buiten, proberende Hem te spreken, terwijl zij binnen hadden moeten staan, proberende Hem te horen. Dikwijls zijn zij, die het naaste zijn aan de middelen tot kennis en genade het onachtzaamst en onverschilligst. Wij verwaarlozen makkelijk, wanneer wij denken enige dagen te hebben, vergetende dat de dag van morgen de onze niet is.
— En iemand zeide tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders staan daar buiten, zoekende U te spreken.
En iemand, door wiens bemiddeling zij hun aankomst lieten melden, omdat zij zelf niet tot Hem konden doordringen, zei tot Hem: Zie Uw moeder en Uw broedersstaan daar buiten, proberende U te spreken, ga dan tot hen uit!
KruisverwijzingenLukas 2:52→Lukas 2:49→Markus 3:32→Mattheüs 10:37→2 Korinthe 5:16→Deuteronomium 33:9→Johannes 2:3→— Maar Hij, antwoordende, zeide tot dengene die Hem dat zeide: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders?
Maar Hij antwoordende zei tot degene, die Hem dat zei: Wie is Mijn moeder en wie zijn Mijn broeders, dat zij om hun lichamelijke verwantschap bijzondere rechten op Mij willen laten gelden?
KruisverwijzingenJohannes 17:20→Johannes 20:17→Johannes 17:8→Mattheüs 28:7→Markus 3:34→— En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.
En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, die in een kring rondom Hem zaten, (Mark. 3: 32, 34), zei Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.
KruisverwijzingenJohannes 15:14→Markus 3:35→Mattheüs 7:20→1 Timotheüs 5:2→Mattheüs 28:10→Jakobus 1:21→Lukas 8:21→Hebreeën 2:11→— Want zo wie den wil Mijns Vaders doet Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder, en zuster, en moeder.
a) Want wie de wil van Mijn Vader doet, die in de hemelen is, door in Mij te geloven (Joh. 6: 40), die is Mijn broeder, en zuster, en moeder; deze zijn Mijn bloedverwanten naar de Geest, wier eeuwige belangen Mij boven alles wegen.
Joh. 15: 14; 2 Kor. 5: 16 Gal. 5: 6; 6: 15
Wij hebben ons uit de evangelist Markus voor ogen gesteld 12: 22), hoe de moeder en broeders van Jezus met Zijn overige huisgenoten spoedig bij de aanvang, van de hier voor ons liggende geschiedenis van Kapernaüm zich naar het zeestrand bij Bethsaïda op weg begeven hadden, om Hem, die Zich niet eens tijd gunde om te eten, uit het grote gedrang tot zich naar huis te halen; zij kwamen, naar het schijnt, juist op de tijd aan, toen die vrouw uit het volk, van wie Lukas vertelt, uitriep: “Zalig is de buik, die U gedragen heeft, en de borst, die U gezoogd heeft. ” Het zou in elk geval een merkwaardige ontmoeting zijn, dat zij, die deze lof gold, zich reeds op de plaats bevond, en door haar komst er de verklaring toe gaf, dat de rede van de vrouw uit de omstandigheden geboren was en een nadere aanvulling behoefde. De vrouw meent het goed, zegt Bengel, maar zij spreekt op de wijze van de vrouwen, d. i. zoals Luther het uitdrukt: uit een vleselijke, vrouwelijke aandoening. “Het woord was een mooie huldiging, die de Heere zelf verheerlijkte in een ogenblik, toen de opperpriesters van het land Hem reeds als een ketter verdoemden, die met de duivel in verbintenis stond; maar het woord moest verder uitgewerkt worden, wanneer het niet in een dwaling verbasteren zou, zoals het in de latere afgodische Mariadienst aan de dag komt. Het was geheel naar waarheid toen de vrouw Maria zalig sprak; maar zij moest weten, dat Maria alleen door het horen en bewaren van het Woord van God tot haar enige ervaring van het bezoek van God gekomen is (Luk. 1: 38, 45), en dat dit ook nu nog de voorwaarde was, nu, juist op een ogenblik, waarin zij in gevaar was, door een gebrek aan het bewaren van het Woord van God zich voor een tijd een onaangename stemming te bereiden. ” Aangaande de melding van de aankomst van de moeder en broeders van Jezus vermoedt Ebrard, dat uit de mond van hem, die zich uit de achterste rijen van de volksmenigte naar voren gedrongen heeft om hen naar Jezus te brengen, zij het op zich genomen hadden om de daarin liggende vraag te versterken (in Mark. 3: 32vv. en Luk. 8: 20vv. is van meerdere sprekers sprake), wie deze afbreking van deze voor de
Farizeeën zo pijnlijke toestand zeer welkom geweest is; in elk geval ging de Heere, nadat Hij de getuigenis afgelegd had, dat Hem het belang van Zijn ambt hoger gold, dan ieder belang van Zijn familie, en dat de geestelijke broederschap in God voor Hem een inniger verband was, dan die van de bloedverwantschap, voor dit ogenblik met de Zijnen naar huis, maar bevond zich ‘s middags, zoals het volgende hoofdstuk aantoont, weer aan het strand.
Uit Mark. 3: 21, 31 schijnt men te moeten opmaken, dat zij Hem in Zijn rede wilden stuiten om Jezus van zijne volijverige werkzaamheid in Zijn beroep af te brengen, die Hem, zo zij vreesden, zou krenken in het verstand; in elk geval wilden zij, als Hem nader bestaande dan het volk, het eerst met hun goede zorg tussenbeide komen. Reeds gedurende Zijn omwandeling op aarde wenste Christus, dat niemand Hem kennen zou naar het vlees (2Co 5: 16), maar dat men op Hem zou leren zien met het oog van het geloof en dat men het zou weten, dat ieder die naar de Geest wedergeboren is, als broeder en zuster met Christus verbonden is. Overigens weten wij het wel, hoe heilig Hem de menselijke betrekkingen waren, en hoe Hij niet slechts als kind, maar ook later Zijn moeder heeft geëerd en verzorgd (Joh. 19: 25vv. ). Zijn handelwijze moet ook nu nog richtsnoer zijn voor de onze; daar moeten de aardse betrekkingen en verbintenissen van de liefde worden verloochend, waar zij als hinderpaal aan het Godsrijk in de weg staan, ofschoon de vraag, of dit werkelijk het geval zij, met grote omzichtigheid en innige liefde moet worden onderzocht en beslist.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Mattheüs 12
Mattheüs 12:38-39.Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:22→Mattheüs 16:4→Johannes 2:18→Markus 8:11→Lukas 11:16→Lukas 11:29→Johannes 4:48→Johannes 6:30→
— Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeen, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien. Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.
“Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeen, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien. Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.”
De farizeeën veranderen van manier van doen, maar zij jagen hetzelfde doel na. Hoe hopeloos waren de godsdienstige mensen van die eeuw geworden! Niets kon hen overtuigen. Zij toonden hun haat tegen de Heere Jezus door alle wonderen die Hij gedaan had eenvoudig te negeren.
Welke verdere tekenen konden zij nog zoeken dan die Hij al gegeven had? Fraaie onderzoekers waren dat! Zij behandelen alle wonderen van onze Heere alsof zij nooit gebeurd waren. De HEERE mocht hen met recht boos en overspelig noemen, want zij waren zo aan hun eigen lusten overgegeven en geestelijk zo ontrouw aan God.
Wij hebben er ook nu die zo onoprecht zijn dat zij alles wat de rechtzinnige leer tot stand gebracht heeft behandelen alsof het niets was. Zij spreken tegen ons alsof er op de prediking van het evangelie nooit enig gevolg gekomen was. Er is veel geduld nodig om met zulke mensen wijs om te gaan.
De koningin van Scheba vroeg niet om een teken. Zij verwachtte niet dat Salomo een wonder zou doen. Maar zij ging voor hem zitten, legde hem haar raadsels voor en wachtte ootmoedig zijn antwoorden af. Zo hadden deze schriftgeleerden en farizeeën het met de Heere Jezus moeten doen.
Mattheüs 12:40.KruisverwijzingenJona 1:17→Mattheüs 16:21→Mattheüs 17:23→Johannes 2:19→Mattheüs 27:63→Mattheüs 8:20→Mattheüs 27:40→Psalmen 63:9→
— Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.
“Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.”
Het grote teken van de zending van onze Heere is Zijn opstanding, en dat Hij een evangelie van zaligheid voor de heidenen gereedmaakt. Zijn levensgeschiedenis wordt treffend afgebeeld in die van Jona.
Zij wierpen onze Heere overboord, net zoals de zeelieden dat met de man van God deden. Het offer van Jona bracht de zee tot rust voor de schepelingen; de dood van onze Heere maakte vrede voor ons. Onze Heere was een tijd in het hart van de aarde zoals Jona in de diepte van de zee. Maar Hij is opgestaan, en Zijn dienst was vol van de kracht van Zijn opstanding.
Zoals de dienst van Jona bekrachtigd werd door zijn terugkeer uit de zee, zo wordt de dienst van onze Heere bevestigd door Zijn opstanding uit de doden. De man die uit de dood en uit een graf in de zee teruggekomen was, eiste de aandacht van heel Ninevé op. Zo eist en verdient de opgestane Zaligmaker het gehoorzame geloof van allen tot wie Zijn boodschap komt.
Mattheüs 12:41.KruisverwijzingenMattheüs 12:42→Hebreeën 11:7→Mattheüs 12:6→Ezechiël 16:51→Jeremia 3:11→Jona 1:2→Jesaja 54:17→Romeinen 2:27→
— De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!
“De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!”
De heidenen van Ninevé werden overtuigd door het teken van een profeet die uit zijn graf in de zee hersteld was. En door die overtuiging bewogen bekeerden zij zich op zijn prediking. Zonder tegenwerping en zonder uitstel brachten zij de hele stad in de rouw en pleitten zij bij God of Hij Zich van Zijn toorn afkeren wilde.
Jezus kwam met een duidelijker bevel tot bekering en een helderder belofte van verlossing. Maar Hij sprak tot verharde harten. Onze Heere herinnert de farizeeën hieraan. En zij waren de meest Joodse van alle Joden. Dus werden zij in het hart geraakt door het feit dat héidenen doorzagen wat Israel niet begreep, en dat Ninevieten zich bekeerden terwijl Joden zich verhardden.
Het leven van boetvaardigen zal hen veroordelen die zich niet bekeerden. De Ninevieten zullen de Joden veroordelen, omdat zij zich bekeerd hebben op de prediking van Jona en de Joden niet. Wie Jona hoorden en zich bekeerden, zullen snelle getuigen zijn tegen wie Jezus hoorden en Zijn getuigenis verwierpen.
Jona was een knecht; Jezus was de Meester. Jona predikte maar één preek; Jezus predikte er vele. Die preek was kort; Jezus arbeidde lang om zielen. Jona was een man vol zwakheden en met een liefdeloos hart; Jezus was teder en vol medelijden. Jona haastte zich alleen door de straten met de roep dat Ninevé over veertig dagen omgekeerd zou worden, zonder één woord van barmhartigheid. Jezus leefde lang onder het volk en gaf hun aanwijzingen, waarschuwingen en nodigingen om de zaligheid te zoeken en te vinden. Ziet, meer dan Jona is hier!
Het blijvende getuigenis over onze Heere is Zijn opstanding uit de doden. God geve dat ieder van ons, dat onbetwistbare feit gelovend, zo van Zijn zending verzekerd mag zijn dat wij ons bekeren en het evangelie geloven.
Mattheüs 12:42.KruisverwijzingenHebreeën 1:2→2 Kronieken 9:1→1 Koningen 10:1→Filippenzen 2:6→1 Koningen 5:12→Johannes 1:14→Mattheüs 3:17→Mattheüs 17:5→
— De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen, de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!
“De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen, de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!”
Het tweede teken van de zending van onze Heere is Zijn koninklijke wijsheid. De vermaardheid van Salomo deed de koningin van het zuiden van de uiterste einden van de aarde komen. Zo eist de leer van onze Heere de aandacht op van de verste eilanden van de zee.
Ziet Israel Zijn heerlijke wijsheid niet, dan zullen Ethiopië en Scheba ervan horen en zich voor Hem komen buigen. De koningin van Scheba zal weer opstaan, en zij zal opstaan als een getuige tegen de ongelovige Joden. Want zij reisde ver om Salomo te horen, terwijl zij de Zoon van God Zelf niet wilden horen toen Hij in hun midden kwam.
De allerhoogste uitnemendheid van Zijn wijsheid staat voor onze Heere als een teken dat nooit werkelijk te betwisten valt. Welk ander onderwijs voorziet in alle noden van de mensen? Wie anders heeft zulke genade en waarheid geopenbaard? Hij is oneindig groter dan Salomo, die zedelijk gezien een treurige kleinheid vertoonde. Wie anders dan de Zoon van God had de Vader kunnen bekendmaken zoals Hij gedaan heeft?
Mattheüs 12:43.KruisverwijzingenPsalmen 63:1→Job 2:2→Amos 8:11→1 Petrus 5:8→Ezechiël 47:8→Jesaja 35:6→Jesaja 41:18→Mattheüs 8:29→
— En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.
“En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.”
Let erop: niet wanneer hij door een sterkere macht uitgeworpen wordt, maar wanneer hij uit eigen beweging weggegaan is.
De duivel was van ouds in de Joden, maar hij ging uit hen weg ten tijde van de Babylonische gevangenschap; die zware straf genas hen van de afgoderij. Maar de duivel kon in heidense harten nooit een rustplaats vinden die hem zo aangenaam was als onder Gods eigen volk.
Mattheüs 12:44.KruisverwijzingenJudas 1:4→1 Johannes 2:19→Johannes 13:27→Psalmen 81:11→Johannes 13:2→Hosea 7:6→Openbaring 13:3→2 Thessalonicenzen 2:9→
— Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.
“Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.”
Ik zal naar die Joden teruggaan, zegt de duivel. En wanneer hij terugkomt, vindt hij hen zonder enige ware liefde tot God: ledig, met bezemen gekeerd en versierd.
Zie hoe keurig de farizeeer gekleed gaat, en let met wat een schijnheilige zalving hij zijn geveinsde gebeden opzegt. Hij vast twee keer in de week en geeft tienden van zijn munt, dille en komijn. De duivel vindt het huis ledig, gekeerd en versierd. En omdat het hem niet uitmaakt of hij in een vuil hart woont of in een schoon, zolang hij er maar in wonen kan, neemt hij daar zijn intrek weer.
Mattheüs 12:45.KruisverwijzingenHebreeën 6:4→Markus 5:9→Hebreeën 10:26→Lukas 11:26→Lukas 11:49→Lukas 19:41→Hebreeën 10:39→Mattheüs 23:24→
— Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.
“Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.”
Al kwam de afgoderij niet bij de Joden terug, de duivel van de hoogmoed en de eigenwaan kwam wél terug, en nog veel meer duivelen met hem. Zij streden tegen de Zoon van God, zodat zij erger werden dan zij tevoren waren. De eerste duivel van het Joodse volk was niets vergeleken bij de zeven duivelen die hen daarna bezaten.
Wij hebben zulke mensen wel gezien. Onder een tijdelijke overtuiging hebben zij bepaalde uiterlijke zonden opgegeven, maar daarna zijn zij tienmaal erger geworden dan zij eerst waren.
Wij hebben iemand gekend die een dronkaard was, en wij hebben ons verheugd toen hij zijn bekers liet staan. Maar toen maakte hij van zijn matigheid een eigengerechtigheid en keerde hij zich tegen God en Zijn waarheid. En toen hebben wij werkelijk geloofd dat er zeven duivelen in hem waren die erger waren dan de eerste.
Een mens kan zichzelf hervormen tot zwartere vlekken. Hij kan zich met het water van zijn eigengerechtigheid wassen tot hij moeilijker te reinigen is dan hij in het begin geweest zou zijn.
Och, om de machtige hand van Hem Die sterker is dan de vorst van de hel, om de duivel uit te werpen! Dan zal hij nooit meer terugkomen. Maar gaat hij alleen door menselijke overreding uit, of door onze eigen wil en wens, dan zal hij zeker bij ons terugkomen. Drijft de Heilige Geest hem uit, dan zal hij nooit meer toegang krijgen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-8.KruisverwijzingenDeuteronomium 23:25→1 Samuël 21:3→Markus 2:23→Mattheüs 12:10→Mattheüs 12:41→Mattheüs 9:13→Hosea 6:6→Lukas 6:1→
— In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten. En de Farizeen, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat. Maar Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren? Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar den priesteren alleen. Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn? En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is. Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben. Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.
De Evangelist slaat hier enige tijd, die op de zending van Johannes onmiddellijk gevolgd is, over en verplaatst ons aanstonds in die voorvallen, die op twee Sabbatten van de paasweek plaatsgevonden hebben, en waaraan zich vervolgens de gebeurtenissen, die daarmee in nauw verband staan, hebben aangesloten. Later komt hij terug op het vroeger overgeslagen (in hoofdstuk 14). Hij heeft daarvoor zijn redenen, die wij later zullen leren kennen: hier legt hij echter de geschiedenis van het plukken van de aren door de discipelen op een Sabbat van de paasweek ter beschouwing voor.
In die tijd, ongeveer 17 dagen later dan de in de vorige afdeling meegedeelde gebeurtenis, nadat intussen Johannes de Doper onthoofd was, de twaalven waren teruggekeerd, de Heere met hen Zich aan de oostelijke oever had teruggetrokken, waar Hij de 5000 mannen gespijzigd had, na het terugkeren in de Synagoge te Kapérnaüm geleerd en van daar een tocht in het omliggende land van Gennesareth had ondernomen (hoofdstuk 14: 1-36), ging Jezus, terwijl Hij, te Chorazin 12: 9″) zijnde, na geëindigde godsdienst een wandeling in de vrije natuur maakte, op een Sabbatdag, 1) op de zaterdag van de in het genoemde jaar van 18-24 april durende feestweek (zie 2 Makk. slotwoord Nr. 4 de tabel), door het gezaaide, door de velden met gerst 2: 17″), die in deze tijd – 23 april van het jaar 29 na Chr. – reeds begon rijp te worden. En Zijn discipelen hadden honger en begonnen, hetgeen het Joodse recht uitdrukkelijk veroorloofde (Deut. 23: 25), aren te plukken en te eten; 2)de met de handen uitgewreven korrels begonnen zij te eten tot het stillen van hun honger.
In de grondtekst staat hier evenals in Mark. 2: 23 : “op de Sabbatten, ” dat ons duidelijk op een tijd wijst, waarin verscheidene dagen na elkaar op de wijze van de Sabbat gevierd moesten worden. Omdat nu aan de ene zijde het koren nog in de halmen staat, aan de andere zijde reeds rijp genoeg is om tot stilling van de honger gebruikt te worden, zo kan alleen aan de paasweek worden gedacht. Deze bevatte in al die jaren, dat de 1ste Paasdag (15 Nisan) noch op een zaterdag, noch op een zondag viel, drie Sabbatdagen, namelijk behalve op de 1ste en 7de Paasdag, die beide een Sabbatskarakter hadden (Ex. 12: 16) ook de daartussen liggende wekelijkse Sabbat. Het jaar 29 na Christus, waarin naar onze berekening de voor ons liggende gebeurtenis plaatsheeft, was zo’n jaar; de 1ste Paasdag (15 Nisan = 18 april) was toen een maandag, en de 7de Paasdag (21 Nisan = 24 april) een zondag; tussen beiden kwam dan 20 Nisan (23 april), een zaterdag, of wekelijkse Sabbat. Dat nu deze laatste, de middelste van de drie Sabbatdagen van de Paastijd, bedoeld is, blijkt duidelijk uit de uitdrukking, die in Luk. 6: 1 gebruikt is: “op de tweede eerste Sabbat. ” Luther heeft dat met “na-Sabbat” vertaald en zegt daaromtrent het volgende: Evenals zij de dinsdag noemen de na-maandag, zo noemden de Joden de dag van de grote Sabbat de na-Sabbat, zoals dit uit MATTHEUS. 28: 1 te zien is. Luther richt zich daar naar de betekenis, die de kerkvaders aan de alleen op die plaats bij Lukas voorkomende uitdrukking hebben gegeven, waarbij echter de bedoelde Sabbat slechts als de tweede van twee onmiddellijk op elkaar volgende Sabbatten wordt opgevat, die daarom ook minder waarde had dan de voorgaande eerste of grote Sabbat; daarmee is echter niet verklaard, waarom hij juist de tweede eerste genoemd wordt. De juiste betekenis heeft eerst later de beroemde chronoloog Scaliger gegeven, die tot de plaats Lev. 23: 15 terugging. Volgens het daar gegeven voorschrift toch moesten de Joden om de dag van het feest van de weken of Pinksteren te bepalen, van de dag na de Sabbat tellen, wanneer zij de beweeggarve brachten, dat is van de 16de Nisan, zeven gehele Sabbatten tot na de zevende Sabbat. De tweede eerste Sabbat is dan de eerste van deze zeven, van de tweede dag van het Paasfeest af getelde Sabbatten, die juist, zoals boven gezegd is, in het jaar na Chr. op 20 Nisan (23 april) viel. Behalve deze verklaring, en bovendien vele andere, is nog een beproefd, die onlangs door Wieseler is verdedigd en veel bijval heeft gevonden: men zou namelijk hieronder hebben te verstaan de eerste Sabbat in het kerkelijk jaar, dat met de maand Nisan begon, zij zou daarom de tweede eerste genoemd zijn, omdat het bedoelde jaar het tweede in de kring van die Sabbat-periode was; de Joden zouden namelijk, zoals reeds de godsspraak van de 70 jaarweken in Dan. 9: 24vv. bewijst, de tijdruimte van elke zeven jaren tot een Sabbatperiode, of jaarweek verbonden hebben, en nu zou de eerste Sabbat in het eerste jaar van zo’n periode de eerst-eerste, de eerste Sabbat in het tweede jaar de tweede-eerste Sabbat zijn genoemd. Passen wij deze verklaring toe op het jaar 29, waarin ook volgens Wieseler deze gebeurtenis voorvalt, zo was, daar met de herfst 26 tot die van 27 een Sabbatperiode eindigde, en met de herfst 27 tot die van 28 een nieuwe jaarweek begon, de tijd van de herfst 28 tot 29 het tweede jaar van deze cyclus, en wij zouden nu bij de tweede-eerste Sabbat aan de eerste Sabbat in de maand Nisan van dit jaar, dat is aan de 6 Nisan (= 9 april) moeten denken. Tegen deze verklaring zijn zeer gewichtige bedenkingen. Wij willen niet drukken wat Ebrard opmerkt: “wie zal bij een deel van een op zichzelf zo groot tijdperk als een jaar is, er bovendien nog op letten, de hoeveelste afdeling in verhouding tot een nog grotere periode dit jaar is?” Want deze geleerde verwisselt daarbij de Sabbatperiode met de jubelperiode, wanneer hij voortgaat: “wie zal, met andere woorden, de rij van de Sabbatten in ‘t bijzonder langer dan een jaar en tot 49 toe voorttellen, zodat men tenslotte de negen en veertigste-twee en vijftigste Sabbat telde?” Bij het zo grote gewicht van een Sabbatkring voor Israël zou het wel denkbaar zijn, dat men om met die bij het begin van elk nieuw kerkelijk jaar het zich opnieuw te herinneren, van de eerste sabbat naar het nummer, dat aan het jaar in deze cyclus toekwam, een nadere aanwijzing toevoegde. Er blijft echter altijd een moeilijke verwisseling van het kerkelijke met het burgerlijke jaar. Het jaar, waarop bij de uitdrukking “tweede-eerste Sabbat” het woord “tweede” doelt, zou dan het van 1 Tisri (9 sept. ) 28 tot in 29 na Chr. zich uitstrekkende burgerlijke jaar zijn, terwijl het tweede gedeelte van de uitdrukking de eerste Sabbat in het kerkelijk jaar van 1 Nisan (4 april) 29 tot dien in 30 bedoelt. Bovendien moeten wij stilstaan bij hetgeen reeds bij hoofdstuk 5: 1 is opgemerkt, dat wegens het verbod in Lev. 23: 14 elke berekening vals is, die deze geschiedenis in een tijd plaatst vóór de 16de Nisan, de dag van de aanbieding van de beweeggarve. Wanneer men beweert, dat de uitdrukking, daar in de grondtekst gebezigd en door ons met “groene aren” vertaald, van twijfelachtige betekenis is, zodat men uit die plaats geenszins zou mogen besluiten, dat aren plukken en genieten van de korrels voor die dag geenszins zou zijn verboden geweest, zo is dit slechts een ontgaan van de moeilijkheid, anderen proberen zich daardoor te helpen, dat zij in Luk. 6: 1 het “tweede-eerste” geheel uit de tekst wegdoen, omdat het in enige handschriften ontbreekt. Tegen de boven door ons gegeven verklaring verheft zich echter een niet geringe moeilijkheid in zoverre, als bij alle drie Evangelisten de geschiedenis van het aren plukken aanmerkelijk eerder verteld wordt dan de spijziging van de vijfduizend, die volgens Joh. 6: 1vv. op het laatst op de dag voor het feest van de ongezuurde broden (14 Nisan) voorgevallen is. Hiermee, zo schijnt het, zijn wij in openbare tegenspraak, wanneer wij de geschiedenis, waarover wij spreken, pas op de 20ste Nisan, dus 6 dagen later plaatsen. Dat intussen de Evangelisten in dit gehele gedeelte niet naar de strengste tijdorde verhalen, blijkt reeds daaruit, dat volgens Mark. 6: 30vv. en Luk. 9: 10vv. het terugkeren van de twaalven van hun gezantschap pas onmiddellijk vóór de spijziging van de vijfduizend, dus op 13 of 14 Nisan heeft plaatsgehad. Evenwel zijn zij in deze geschiedenis weer bij Jezus, en zo verkeerd zullen wij toch de loop van de gebeurtenissen niet chronologisch willen rangschikken, als Wieseler heeft gedaan, volgens wie de discipelen slechts één dag met de voltooiing van hun zending zouden hebben doorgebracht. Bij geen van de drie Evangelisten is de geschiedkundige tijdorde de onvoorwaardelijke maatstaf voor hun wijze van vertellen, maar ieder heeft zijn eigen gang, zoals die met het plan van zijn werk overeenkwam. Welke gang Markus en Lukas volgen, zullen wij te zijner tijd bij de verklaring van hen ons moeten duidelijk maken. Voor het tegenwoordige hebben wij slechts te doen met de volgorde van de gebeurtenissen bij Mattheüs. Juist van deze Evangelist kunnen wij het eerst veronderstellen, dat hij, bij alle vrijheid in het bijzonder, toch in het groot en in het geheel zich aan de chronologische orde heeft gebonden, zoals ook Johannes dit in het vierde Evangelie heeft gedaan. Mattheüs en Johannes toch zijn oog- en oorgetuigen van hetgeen zij vertellen, geweest, terwijl de twee middelsten, Markus en Lukas, slechts berichten, wat zij van anderen vernomen hebben; niet tevergeefs heeft het ook de Heere der kerk zo beschikt, dat deze beide Evangelisten in de rij van de Canonieke boeken de beide anderen in hun midden nemen, en nu zeker ook voor deze het richtsnoer geven, hoe wij de opvolging van de bijzondere gebeurtenissen hebben te rangschikken. Zo vertelt dan ook werkelijk Mattheüs in de gehele afdeling, die van hoofdstuk 12: 1-14: 36 loopt, in hoofdzaak chronologisch juist, met deze uitzondering, dat bij een strenge chronologie hoofdstuk 14 vooraf zou moeten gaan en daarna pas hoofdstuk 12 en 13 zou volgen, en verder in hoofdstuk 13: 1-52 twee gelijkenisredenen van Jezus, die chronologisch van elkaar gescheiden zijn, in een geheel zijn bewerkt. Over het laatste hebben wij ons reeds elders uitgesproken, en zullen later daarop terugkomen; wat het plaatsen van hoofdstuk 12 en 13 voor 14 aangaat, zodat de inhoud van het laatste, in plaats van, zoals de chronologie het gevorderd had, met zijn begin aan hoofdstuk 11 gevoegd te zijn, integendeel met zijn einde in de onmiddellijke nabijheid van hoofdstuk 15 geplaatst is, zo schijnt dit in de volgende omstandigheden zijn reden te hebben. In hoofdstuk 15: 1vv. komen de Schriftgeleerden en Farizeeën van Jeruzalem tot Jezus om Hem daarover aan te spreken, dat Hij met Zijn discipelen de instellingen van de ouden overtrad. Dit, dat juist nu een commissie van Jeruzalem naar Galilea tegen de Heere wordt afgezonden, nadat vóór ongeveer een half jaar slechts enige Schriftgeleerden van daar waren gegaan, om de Farizeeën in hun bedoelingen te ondersteunen en te leiden 9: 2), moet zijn bijzondere aanleiding hebben gehad. Die aanleiding ligt zonder twijfel daarin, dat door de feestgenoten, die naar Jeruzalem tot het Paasfeest waren opgekomen, een zekere opwekking onder het volk was ontstaan, te meer doordat de in hoofdstuk 10 uitgezonden discipelen zich voornamelijk met de reizigers naar het feest hadden opgehouden. De opwekking zal een dergelijke geweest zijn als die in Joh. 7: 40vv. ; 9: 16; 10: 19vv. beschreven worden. Die nu tegen Jezus waren hadden zeker ook wel bij het oordeel van hun verwerping voorgesteld, hoe zij aan de discipelen hadden opgemerkt, dat zij met ongewassen handen het brood aten (Mark. 7: 2vv. ), en zich dus aan de instellingen van de ouden niet stoorden. Dit was dan de aanleiding voor de Hoge Raad, om een onderzoek tegen de Galilese profeet te beginnen; tot dat doel moest eerst een deputatie tot onderzoek naar Galilea worden gezonden, omdat Jezus in het jaar 29 Zich niet zelf op het Paasfeest te Jeruzalem bevond, maar intussen Zijn werkzaamheid in Galilea voortzette. In Zijn werkzaamheid nu gedurende het Pascha stelt Hem het 14de hoofdstuk voor in het gedeelte van vs. 13-36 ; en is daarom een betere voorbereiding tot hoofdstuk 15: 1-20 , dan wanneer naar chronologische orde dit hoofdstuk tot het 12de gemaakt ware, en dan hoofdstuk 13 en 14 tussen gekomen ware. Wij kunnen intussen nog een andere, dieper liggende reden voor de wijze van vertellen, door de Evangelist gevolgd, aanvoeren. Met hoofdstuk 15: 1vv. naderen de gebeurtenissen tot het einde van de werkzaamheid van de Heere in Galilea. De Heere wordt van nu af uit de streek, waarin Hij een vol jaar werkzaam is geweest, schrede voor schrede door de Hem vervolgende tegenstanders gedrongen, zodat Hij Zich nu eens in de landstreek van Tyrus en Sidon, dan in het gebied van Filippus aan de overzijde van de Galilese zee moet terugtrekken (hoofdstuk 15: 21-18: 35), en eindelijk Zich geheel en al uit Galilea verwijdert), om daarna naar Jeruzalem te trekken en daar de kruisdood te ondergaan (hoofdstuk 20: 17vv. ). Hij ondergaat daar, op geestelijke meer dan op lichamelijke wijze, het lot van Zijn voorloper Johannes de Doper, wie de viervorst Herodes uit zijn werkzaamheid had uitgerukt, gebonden en in de gevangenis geworpen had, om hem tenslotte met het zwaard om te brengen. Maar het is niet weer de wereldlijke arm van Herodes, die zich ook tegen Jezus verheft, want deze is verlamd door de vrees voor deze Jezus als voor een uit de dood opgestane Johannes; het is integendeel het geestelijk bestuur van Israël, dat zijn werk aan Jezus begint, om na het volbrengen daarvan voor de werkelijke opstanding van de Gekruisigde te vrezen (hoofdstuk 27: 62vv. ). Uit dit gezichtspunt kan het slechts als een zeer doelmatige rangschikking voorkomen, dat hoofdstuk 14, ook wat zijn begin aangaat (vs. 1-12), voorafgaat aan de gebeurtenissen, die met hoofdstuk 15 worden voorbereid, en niet eerst nog door de inhoud van hoofdstuk 12 en 13 daarvan worden gescheiden. Eindelijk verkrijgt nu ook alles, wat in hoofdstuk 12 en 13 gevonden wordt, een recht verband tot de woorden in hoofdstuk 11: 28vv. : “Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, enz. ” Wat een vriendelijke, liefelijk lokkende stem! Waarlijk, men zou geloven, zij had in het hart moeten dringen en geheel Israël had de tijd moeten erkennen, waarin het gezocht werd. Het heeft die echter niet erkend; zijn oversten, de Farizeeën en Schriftgeleerden hielden de harten door hun huichelarij in banden en sloten het koninkrijk der hemelen voor de mensen toe, opdat ook anderen niet zouden binnengaan, zoals zij zelf ook niet daarin wilden. Dit ontsluit zich voor onze ogen in de drie geschiedenissen van hoofdstuk 12. In hoofdstuk 13 horen wij dan verder, waarom zo weinig vrucht gezien wordt van het woord van God, dat toch zo veel wordt gepredikt, en waarom er zo weinig gevolg is te zien van de goddelijke prediking van het heil, zelfs dan, wanneer Gods Zoon zelf de Prediker van de zaligheid is. In gelijkenissen wordt het duidelijk gemaakt, en de ontvangst, die de Heere ook bij Zijn tweede bezoek in Nazareth vindt, geeft een merkwaardige illustratie op hetgeen de gelijkenissen wilden zeggen. Zo, menen wij, heeft het oog op de orde van zaken onze Evangelist ertoe gebracht, om de tijdsorde in een enkel opzicht voorbij te gaan, en aan Zijn verhaal een enigszins andere op elkaar volging te geven dan de chronologie eiste.
“Jezus lopen op de sabbat was niet reizen van de ene plaats naar de andere, het was een eigenlijk wandelen met de discipelen, als van de algemene rust van de arbeid en van het stille aanschouwen en genieten van de natuur door Hem werd gebruik gemaakt. Zo’n wandeling door het zaadveld, om vrolijk de sabbat te vieren, is het wellicht geweest, waarvan dit gedeelte melding maakt. ” Gewoonlijk namen de Joden vóór het morgengebed geen voedsel (Hand. 2: 15). Wanneer nu ook op zo’n regel de sabbat een uitzondering maakte, en het zelfs voor verdienstelijk werd gehouden, op die dag driemalen te eten, zo zullen toch de discipelen tot aan de godsdienst nuchter zijn gebleven; onmiddellijk daarop moet de wandeling gevolgd zijn, omdat de Farizeeën volgens het volgende vers dadelijk bij de hand zijn, om hun verwijt tegen het aren plukken op de sabbat voort te brengen. Deze waren naar alle waarschijnlijkheid Jezus nagegaan, toen Hij uit de synagoge op het veld ging. Dat Hij Zijn weg midden door het zaad zou nemen (natuurlijk op een ook door anderen gebruikt, daar doorheen leidend voetpad, niet, zoals sommige uitleggers uit de klank van de woorden in Mark. 2: 23 hebben opgemaakt, zo dat de discipelen pas door plukken van de aren Hem een weg zouden hebben moeten banen) konden zij natuurlijk niet vooruitzien, en was daarom het aren plukken eigenlijk niet de zaak, waarop zij loerden; integendeel zal hun loeren daarop gedoeld hebben, of Jezus verder dan een sabbatsweg (2000 schreden ongeveer 1/4 mijl) zou gaan, waardoor Hij de inzettingen van de ouden zou overtreden en hun aanleiding tot aanklacht zou hebben gegeven. Nu schijnt de Heere, die misschien ten opzichte van de sabbatweg de inzetting van de ouden, omdat zij op de Bijbel steunde (Exod. 16: 19) liet gelden (Hand. 1: 2 Luk. 24: 50), met opzet de weg door de korenvelden genomen te hebben, niet alleen om de hongerige discipelen gelegenheid te geven hun honger te stillen, maar om ook met de tegenstanders de strijd, waartoe zij zich hebben toegerust, werkelijk, hoewel ook op een ander gebied, ten einde te brengen en voor hen een getuigenis van de waarheid af te leggen. Wat het plukken van de aren aangaat, zo zijn de Arabieren nog heden gewoon, wanneer zij hongerig door de velden gaan, het als een vanzelfsprekend recht te beschouwen. Volgens de leer van de Farizeeën verontschuldigde echter zelfs de honger niet het uitwrijven ook maar van een enkele korrel in de beide gevallen, allereerst, wanneer het koren nog kodesch of heilig was, d. i. wegens het nog niet plaatshebben van de aanbieding van de eerstelinggarve voor het gewone gebruik nog niet geoorloofd, en vervolgens wanneer het op de sabbat gebeurde. Maimonides (in sabbat c. 7 en 8) verklaart: “Wie op de sabbat koren oogst, zij het ook maar zoveel, dat het de grootte van een vijg uitmaakt, vervalt in de schuld. Nu is aren afplukken een soort van oogsten; wie daarom iets van de stengel breekt, bezondigt zich alsof hij inoogstte. ” Ook Phïo (vit Mos. II 657) merkt op: “De sabbatsrust moet niet alleen tot de mensen, zowel knechten als vrijen, en tot de dieren, maar ook tot de bomen en gewassen uitgestrekt worden; het is dus volgens de wet niet geoorloofd een plant, een tak of ook maar een blad op de sabbat af te snijden. “
En de Farizeën, die op Hem loerden, dat aren plukken ziende, zeiden tot Hem, met blijdschap die gelegenheid aangrijpende, om Hem Sabbatsschennis te verwijten: Zie, uw discipelen doen wat tot het gebied van de oogst behoort, wat niet geoorloofd is te doen op de Sabbat, waarop alle arbeid verboden is (Exod. 20: 9vv. ).
Maar Hij beriep Zich op de Schrift, om hun te bewijzen, dat reeds in het Oude Testament de bevrediging van ogenblikkelijke behoefte voor hoger en gewichtiger wasgehouden, dan de uiterlijke overwinning van een uiterlijke instelling, en zei tot hen: Hebt gij niet in 1 Sam. 21: 1-6 gelezen wat David op zijn vlucht voor Saul gedaan heeft, toen hij honger had en zij, die met hem waren, Zijn metgezellen?
Hoe Hij namelijk gegaan is in het huis van God, in de tabernakel, die zich toen te Nob bevond, en hoe hij de toonbroden gegeten heeft niet alleen met toestemming van, maar zelfs op aanwijzing van de Hogepriester, omdat eranders geen brood aanwezig was, die hem toch volgens het voorschrift in Lev. 24: 9) 1) niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar de priesters alleen. Wanneer nu in dit geval de nood van het ogenblik dispensatie gaf van een uitdrukkelijk, op gewone omstandigheden berekend verbod, hoe veel te meer zijn dan Mijn discipelen door dezelfde behoefte vrijgesteld van uwwillekeurige, menselijke inzettingen, die aan de Sabbatswet een zo grote uitbreiding hebben gegeven! Toch wil Ik daarom voor gewone omstandigheden uw instelling niet volstrekt verwerpen (hoofdstuk 23: 3).
In de gewone Bijbels wordt hier ten onrechte Exod. 29: 33 aangehaald, welke plaats niet op de toonbroden betrekking heeft.
Of wanneer gij misschien meent, dat hier zo’n grote behoefte niet bestaat, dat Ik met Mijn discipelen thuis had kunnen blijven, of deze weer naar huis hadden kunnen gaan, wanneer de honger zich liet voelen om daar aan hun behoefte te voldoen, zo vraag Ik verder: Hebt gij niet gelezen in de wet, op alle plaatsen, waar van de ambtsverrichtingen van de priesters sprake is, dat de priesters de Sabbat ontheiligen in de tempel, in de onmiddellijke nabijheid van God, wanneer zij op de Sabbatdagen meer dan op alle andere (Num. 28: 9vv. ) te doen hebben met de bezorging van de offeranden en met hun andere bezigheden, en dat zijnochthans onschuldig zijn, juist omdat het voor de tempel is, dat zij werken.
En Ik zeg u, opdat gij begrijpt, hoe Mijn discipelen nog veel minder schuld hebben, ja in hun allerheiligst recht zijn, wanneer zij liever de Sabbat breken, zoals gij meent, dan Mij te verlaten en zich te huis te verzadigen, dat inMijn persoon a) een meerder dan de tempel, de Heer van de tempels (Mal. 3: 1), hier is, en meer aanspraak op Zijn dienaars heeft dan deze.
2 Kron. 6: 18
Had Jezus in vs. 3 uit het meerdere (van de vergunning tot het eten van de toonbroden voor de hongerige David) tot het mindere, de vergunning tot het eten van de aren op de sabbat voor de hongerige discipelen) besloten, zo gaat in vs. 5 Zijn gevolgtrekking van het kleinere (namelijk van de tempel, diens priesterlijke offeranden tot wijding van de sabbat) op het grotere (op Zijn eigen autoriteit, die de heiligheid van de tempel overtrof) over, en geeft Hij daarbij tegelijk de sleutel tot deze gevolgtrekking.
Wat nu de eerste gevolgtrekking betreft, zij is deze: David heeft zelf een uitdrukkelijke wettige inzetting gebroken; Mijn discipelen hebben dat niet gedaan, want geen inzetting in de Pentateuch verbiedt het wrijven van aren op de sabbat. Mocht nu David in de geestelijke opvatting, dat het eigenlijke doel van die inzetting van de toonbroden was, de letter van de wet overtreden, hoe veel te meer mogen Mijn discipelen hun honger op een wijze stillen, die nergens in de wet verboden is.
Wat daarentegen de andere gevolgtrekking betreft, zij geeft ons de volgende gedachten: Wat de priesters op de sabbat in de tempel doen, waar zij hun meeste werk hebben, dat doen zij niet op dispensatie, nee, zij doen het op last en bevel van de wet; en wanneer zij deze werken van de wet niet deden, zouden zij tegen de wet van de sabbat zondigen. De dienst van de tempel maakt hun arbeid noodzakelijk, en het recht van de sabbat machtigt tot hetgeen voor andere soorten van beroep sabbatsschennis zou zijn. De tempel is dus groter en heiliger dan de sabbat. Ja, hij is ook van al het grote het grootste en van al het heilige het heiligste; slechts een uitgezonderd, die groter en heiliger is dan de tempel, de Heer, de Messias, van wie de laatste van uw profeten gezegd heeft: “Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heere, die gij zoekt, te weten de Engel van het Verbond, aan wie gij lust hebt. ” Nu echter zeg Ik u, dat Hij, deze Heer, die groter is dan de tempel, hier is, in eigen persoon onder u staat; Ik ben het, die met u spreek.
Voor Mattheüs is deze verklaring van Jezus van bijzonder gewicht geweest, naar het gehele doel van zijn Evangelie; van daar dan ook, dat hij haar met bijzondere vlijt heeft aangetekend, terwijl het de beide andere evangelisten alleen om een korte en krachtige weerlegging van de Farizeeën te doen was, zoals vs. 3 die reeds behelst. Na deze zo duidelijke getuigenis uit de mond van Jezus, doen de ongelovige Joden een groot onrecht, wanneer zij nog altijd op de Messias wachten; daarentegen hebben diegenen uit de Joden, die Christen geworden zijn, volkomen recht, dat zij zich van de Joodse tempel losgemaakt en tot Christus bekeerd hebben. Wanneer nu de beide andere Evangelisten het alleen bij de eerste rechtvaardiging in vs. 3vv. laten rusten, zo heeft de hier gebruikte bewijsplaats misschien daarom het grootste gewicht gehad, omdat deze plaats misschien de haphtare (aangegeven plaats uit de profeten om te lezen, zoals onze huidige Zon- en feestdags-epistelen) van de sabbat vormde, waarop deze geschiedenis slaat.
Jezus was de Heer van de tempel, en daarom meer dan de tempel. Bovendien, God woonde in de tempel, slechts op een schaduwachtige wijze. Maar in de menselijke natuur van Jezus woonde de volheid van de Godheid lichamelijk, en daarom was Hij oneindig heerlijker, dan de Jeruzalemse tempel.
Maar reeds meer dan eens moest Ik u gebrek aan het verstaan van het hoofdwoord van de Schrift verwijten (hoofdstuk 9: 13), en Ik moet het weer doen. Als gij geweten had, wat het zij, wat God, de Heere, voor wiens eer gij zegt te ijveren, daarmee wil, wanneer Hij in Hosea 6: 6 zegt: a) Ik wil barmhartigheid, van de ene broeder voor de andere, en niet offerande, die men Mij met een koud, zelfzuchtig hart brengt, gij zou de onschuldigen, Mijn discipelen in hun onschuldig gedrag niet veroordeeld hebben, maar het liefhebbende hart, dat zich over de nood van de naaste ontfermt, zou het u vanzelf hebben geleerd, ook zonder lang nadenken, en zonder dat Ik u die plaats uit de Schrift had voorgehouden.
Micha 6: 8
De onwetendheid van de Farizeeën was geen zwakheid van verstand, maar verblinding van hart. De nijd verleidt om alles ten kwade uit te leggen, alles te berispen; het juiste, eenvoudige hart leert ons het wezenlijke en niet-wezenlijke onderscheiden; de liefde leert overal het goede zien, de handelingen van anderen juist verklaren en ze verontschuldigen.
Wanneer Ik nu daardoor nogmaals Mijn discipelen voor onschuldig verklaar, zo merkt op, door welke macht Ik dit doe; want de Zoon des mensen, voor wie Ik Mij bij eenvroegere aanklacht door u reeds verklaard heb (MATTHEUS. 9: 6), is een Heere, evenals over de tempel (vs. 6), zo ook van de Sabbat, en zal die dag, wiens betekenis gij zo misbruikt, alsof de mens om de Sabbat en niet de Sabbat om de mens ware geweest (Mark. 2: 27), geheel ter zijde stellen, om een andere dag, en wel Zijn dag (Openbaring . 1: 10) daarvoor in de plaats te stellen (Dan. 2: 21).
In de regel verstaat men deze uitspraak zo: “De autoriteit van de Messias, waaronder de discipelen gehandeld hebben, staat boven de wet van de sabbat; de laatste is aan Zijn beschikkingen onderworpen en moet voor Zijn wil wijken. ” Of: “Ik ben de Heer, wiens werk op de sabbat gedaan moet worden; wat daarom Mijn discipelen in Mijn dienst op de sabbat doen, is geen sabbatsschennis, maar sabbatsheiliging. ” Wij geven toch de voorkeur aan hetgeen Menken zegt: “Dat de Heere groter was dan de tempel, omdat Hij de waarheid en hoofdzaak van alles, waarvan de tempel met zijn heilige dienst slechts een beeld en afschaduwing was, had en gaf; dus was Hij ook een Heer van de sabbat, omdat Hij in de wereld gekomen was om het beeld en de belofte van een eeuwige zalige rust van God te verwezenlijken om naar die rust heen te voeren – allen, die zich aan Hem overgeven. Zoals het scheuren van het voorhangsel en de uitroeiing van de tempel en de tempeldienst omwille van Zijn bloed en Zijn verlossings, die door Hem gekomen is, van Hem getuigt als van degene, die groter is dan de tempel, heeft Hij ook naderhand betoond een Heere van de sabbat te zijn, die er een goddelijk recht op en een goddelijke macht over heeft, omdat Hij zonder alle wereldlijke macht, zonder alle menselijke autoriteit en hulp het in Zijn gemeente schikte, dat deze eerste, oudste van alle inzettingen van God veranderd werd, zodat de sabbat niet meer op de laatste, maar op de eerste dag van de week, de dag van Zijn opstanding uit de doden, gevierd werd. Nu is de dag van de Heere niet meer de gedenkdag van de wereldschepping, en de herinnering aan het verlorene en de hoop op het eens terug te vinden paradijs, maar veelmeer de dag van viering en vreugde over de verzoening en verlossing van de gevallen, zondige wereld, van het herschapen onverwelkelijke paradijs, dat het paradijs geworden is van al degenen, die deel hebben aan de dood en de opstanding van Christus. ” Vgl. hiermee hetgeen gezegd wordt bij hoofdstuk 28: 1.
II. Vs. 9-21.KruisverwijzingenLukas 4:18→Lukas 6:6→Lukas 13:14→Johannes 9:16→Lukas 14:5→Mattheüs 6:26→Johannes 11:53→Johannes 3:34→
— En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge. En ziet, er was een mens, die een dorre hand had, en zij vraagden Hem, zeggende: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen). En Hij zeide tot hen: Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo datzelve op een sabbatdag in een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen? Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen. Toen zeide Hij tot dien mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere. En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten. Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze allen. En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden; Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende: Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.
Op de volgende dag, een zondag, die als de zevende dag van het paasfeest aan de Sabbat gelijk is, bevindt Jezus Zich op het uur van de godsdienstoefening in de Synagoge van diezelfde stad, op de korenvelden waarvan de in de vorige afdeling vertelde ontmoeting met de Farizeeën plaats heeft gehad. Hier vindt Hij een man, wiens rechterhand verdord is, en nu zijn het de Farizeën zelf, die met hun arglistig bespieden er Hem toe dwingen, den strijd tegen hun verkeerde en onredelijke Sabbatsorde, nadat zij gisteren wel uit het veld geslagen, maar niet innerlijk overwonnen zijn, opnieuw te beginnen. Maar de eenvoudige en verheven wijze, waarop de Heere hun hooghartige dwaling weerlegt, werkt slechts verbittering bij hen, zodat zij beginnen met elkaar te beraadslagen, hoe zij Hem zouden ombrengen.
En van daar, waar Hij buiten op het veld de samenspraak met de Farizeeën had gehad (vs. 1vv. ) voortgaande, zonder zich te laten terughouden van de eens begonnen wandeling, of de discipelen in het aren plukken testoren, kwam Hij de volgende dag (24 april van 29) in hun synagoge, in de godsdienstige vergaderplaats van dezelfde plaats, waar die Farizeeën woonden.
Wanneer Mattheüs hier zo vertelt, alsof de Heere nog op dezelfde dag in deze synagoge gegaan was, terwijl er toch in Luk. 6: 6 uitdrukkelijk staat: “En het geschiedde ook op een andere sabbat, dat Hij in de synagoge ging en leerde, ” zo ligt voor onze Evangelist het recht tot de vereniging van deze en de vorige gebeurtenis tot een doorlopende geschiedenis innerlijk daarin, dat Jezus de strijd met de Farizeeën tot beslissing wilde brengen en, zoals zij Hem het eerst op het veld opgezocht hadden om voor hun verwijt een gelegenheid te bespieden, Hij van Zijn kant hen in de synagoge wilde zoeken om hun verkeerde inzichten van de juiste viering van de sabbat geheel te vernietigen. De pijnlijke angstvalligheid van de sekte van de Farizeeën ging in dit opzicht alle voorstelling te boven en stond nauwelijks achter bij de godsdienstijver van Indische werkheiligen, die, om niet in te grijpen in de wereldorde van God, zich liever door het ongedierte lieten opeten en wilden sterven; zoals de schriftgeleerden van deze sekte ten opzichte van het wrijven van aren slechts vergunden: “Wie op de avond vóór de sabbat korenaren wrijft, mag ze de volgende morgen van de ene hand in de andere schudden en eten, ” maar beiden tegelijk op de sabbat zelf te doen, verklaarden zij uit hun gezichtspunt voor sabbatsschennis, omdat het wrijven van de aren tussen de handen een verwarmen van de aren en dus een soort van koken is, en zoals zij zeer ernstig de vraag behandelden, of men een ei, dat op een feestdag gelegd was, ook op dezelfde dag mocht eten, zo was het ook naar hun leer geheel verboden op de sabbat in de synagoge aalmoezen uit te delen, huwelijken te sluiten, kinderen te onderwijzen, treurenden en kranken te bezoeken (Jak. 1: 27). Het is er nu de Heere om te doen, omdat Hij eenmaal op deze plaats vertoeft, waarvan wij de naam naderhand zullen trachten te vinden, op dat leerstelsel onmiddellijk achter elkaar twee slagen toe te brengen, ten einde het te vernietigen. Daarom, terwijl Hij anders bij Zijn reizen door het land Zich in de regel slechts korte tijd op een en dezelfde plaats ophield, bleef Hij hier ook de volgende dag en voerde nu de strijd, die Hij gisteren op het korenveld begonnen was, verder in de synagoge. Is dan reeds in deze samenhang de uitdrukking van Mattheüs: “En vandaar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge, ” geheel gerechtvaardigd, zo mogen wij ons herinneren dat in vs. 1 staat: “In die tijd ging Jezus op een sabbatdag door het gezaaide; daarmee wordt duidelijk aangeduid, dat er ten opzichte van het tijdsbestek in beide geschiedenissen van twee onmiddellijk op elkaar volgende sabbatten sprake is, die zich echter om de nauwe vereniging met het voorgaande, als het ware tot een sabbat verbinden. Maar, zo moeten wij nu vragen, wat is dan de plaats in Galilea, in de nabijheid waarvan het wrijven van de aren op de tweede sabbat, en in de synagoge waarvan de hier volgende genezing van de zieke op de volgende dag, die eveneens het karakter van de sabbat had, plaatshadden. Omdat naar Mark. 3: 6 diegenen, met wie de Farizeeën naderhand raadpleegden (vs. 14 bij MATTHEUS. ), hoe zij Jezus zouden ombrengen, dienaren van Herodes zijn, zo kon men aan de residentie van Herodes, aan de Galilese zee, aan de stad Tiberias denken. Omdat de Heere Zich pas sinds kort, nog geen acht dagen geleden opzettelijk uit het bereik van Herodes verwijderd heeft om Zich aan zijn opmerkzaamheid te onttrekken, en ook na de terugkeer van de spijziging van de vijfduizend zich niet in Kapérnaüm gevestigd, maar dadelijk het land Gennezareth bezocht heeft om dit te doorreizen (hoofdstuk 14: 13-36), is het dus niet denkbaar, dat Hij reeds nu naar Tiberias gekomen zou zijn, omdat Hij die stad over het algemeen geheel gemeden schijnt te hebben. Nu lezen wij ook niet, dat Hij Zich ooit in Chorazin, naar het vermoeden van Keith het tegenwoordige Kerazêh, aan de noordzijde van de Galilese zee opgehouden en daar een wonder verricht zou hebben; nochthans is het niet voldoende tot verklaring van het “Wee”, dat Hij in hoofdstuk 14: 21) uitsprak over deze stad als over een van die, waarin de meeste van Zijn daden gebeurd waren, wanneer wij ze geheel in het algemeen mee onder de plaatsen tellen, die door Hem in hoofdstuk 4: 23vv. ; 9: 35vv. bezocht werden; er moet ten minste een in de evangelische geschiedenis voorkomend wonder in haar gebeurd zijn. Wij zijn van mening, dat het in deze afdeling vertelde wonder van de genezing van de man met de verdorde hand datgene is, dat in de synagoge van Chorazin gebeurd is, Jezus komt toch, zoals wij in vs. 1 gelezen hebben, van een tocht door het land Gennesareth (hoofdstuk 14: 34vv. ), dat zich ten noorden van el Medschel, een half uur ver tot Chan Miniyeh uitstrekt, en had slechts omstreeks 1 mijl tot Kerazêh af te leggen om ook deze stad een bezoek van 2-3 dagen te brengen. Daar moet Hij reeds bekend zijn en ook herberg in een hem daar bevriend huis hebben, omdat Hij op de morgen van de tweede Sabbat een wandeling door de velden doet met Zijn discipelen na het bezoek van de godsdienstoefening, daarbij met de Farizeeën van die stad in twist geraakt en de volgende dag Zich weer in hun synagoge bevindt; maar zeker is Kerazêh nu ook de stad, die (behalve Nazareth; hoofdstuk 4: 13) Hem het eerst van alle Galilese steden door aanslagen op Zijn leven verdrijft (vs. 15), en wordt zij daarom onder degenen, waarover Zijn wee weerklinkt, in de eerste plaats genoemd. Nu wordt het ons ook nog van de andere kant duidelijk, waarom Mattheus na het einde van het 11de hoofdstuk niet, zoals hij naar de orde had moeten doen, dadelijk voortgaat met de inhoud van het 15de hoofdstuk te vertellen, maar eerst hetgeen hoofdstuk 12 en 13 behelst, inlast; nadat hij eens in hoofdstuk 11: 20-30 de tijdopvolging verlaten en in het einde van het werk van Christus in Galilea een blik geslagen heeft, moet Hij ook bij het “Wee u, Chorazin, ” die geschiedenis aanhalen, die Heere tot grond dient voor dit Wee van Zijn hart en van Zijn mond.
En ziet, er was een mens, die ene dorre hand 1) had, ten gevolge van zenuwverlamming en verdroging van de sappen (1 Kon. 13: 4), en zij, de in de Synagoge zijnde Farizeeën, die Hem daags te voren reeds verwijten hadden gedaan, vroegen Hem, zeggende niet met hoorbare woorden, maar door loerende gebaren, omdat zij het ogenblik afwachtten, dat Hij de mens zou genezen: a) Is het ook geoorloofd op de Sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen, om Hem wegens openbaar verbreken van de Sabbat bij de rechtbank van hun plaats te kunnen aanklagen).
Luk. 14: 3
Volgens de apocriefe bijvoegingen tot de echte Mattheus, zoals Hieronymus die uit het Evangelie van de Nazareners meedeelt, zou deze mens een steenhouwer of metselaar geweest zijn, die zijn levensonderhoud door de arbeid van zijn handen verwierf; hij zou nu uit zichzelf de Heere gebeden hebben, hem zijn gezondheid weer te geven, opdat hij niet meer op smadelijke wijze zich met bedelen zou behoeven te behelpen. Misschien had hij, schrijft Sepp, bezig aan de tempelbouw (slotwoord bij 1 Makkabeeën 6 Nr. 11 d) letsel opgelopen, zijn hand gekwetst of verstuikt, zodat die onbruikbaar was. Hieronymus ziet daarin een beeld van het Jodendom, dat eveneens sap- en krachteloos, tot elk goed werk onbekwaam geworden was, om verder aan de tempel van God voort te bouwen. Het kan echter ook zijn, zoals Menken opmerkt, dat men het met een vijandige bedoeling zó bewerkt heeft, dat Jezus die mens daar zou vinden; de vraag: “is het ook geoorloofd op de Sabbat te genezen?” die zij door een blik op de man deden, met het oogmerk dat zij iets tegen Hem zouden hebben, doet dat vermoeden.
Onder de aanstotelijkheden, die de Farizeeën in het werk en de leer van de Heere vonden, stond naast de niet uitgesproken ergernis, dat Hij geen Messias naar hun zin wilde zijn, de ergernis over het heiligen van de Sabbat bijna bovenaan; het is echter zeer opmerkelijk, dat de Farizese hiërarchie, die de Heere het sabbatwerk tot een misdaad maakte, in het gericht verviel, dat zij op de grote Paassabbat een raadsvergadering konden houden, bij de heiden Pilatus in het heidense onreine huis lopen en vervolgens bij de Hoofdschedelplaats, waarop de ban rustte, de steen op het graf van Jezus verzegelden.
Zo’n vraag waren de Farizeeën volgens hun stellingen gewend met een beslist nee te beantwoorden, zodat zij het genezen op de Sabbat zelfs voor een misdaad hielden. 1) De Heere wilde, echter voordat Hij deed wat zij van Hem verwachtten, eerst de zaak in een duidelijk licht stellen, en Hij zei tot hen, hen herinnerende wat zij in aardse zaken zich op de Sabbat veroorloofden, en wat zij dan voor volkomen gerechtvaardigd door de nood hielden: Welk mens zal er zijn onder u, die een (2 Sam. 12: 3) schaap heeft, en zo dat op een Sabbatdag a) in een gracht valt, die het niet uit de gracht zal aangrijpen en uit heffen zonder te bedenken, dat het een Sabbat is, waarop Hij de reddende daad volbrengt 2) (Luk. 13: 15; 14: 5)?
Ezechiël. 23: 4 Deut. 22: 4
Op de Sabbat, verklaart Maimonides (gest. 1204 A. D. ), moeten de kranken zich van de geneesmiddelen onthouden; wie echter met pijn in de lendenen behebt is, wrijve zich de zieke plaats niet met olie en azijn, maar met olie alleen mag hij het doen, wanneer het geen rozenolie is, en degene, die met tandpijn geplaagd is, neme geen azijn in den mond, om die dan weer uit te spuwen; hij mag hem echter wel inslikken. Slechts wezenlijk levensgevaar hief de sabbatswet op, omdat de rabbijnen zeggen: “wanneer een zieke in gevaar is, mag men vuur voor hem aansteken, slachten, bakken en koken, ” en een van hen zegt: drie dingen mag men op de Sabbat doen: aderlaten, wanneer men niet wateren kan, iemand varkenslever te eten geven, die door een dolle hond gebeten is, en een mondkwaal met specerijen behandelen; de wijzen verzekeren toch, dat hierin niets is, dat tot de geneeskunde behoort.”
Uit het aangehaalde in de vorige aanmerking blijkt het in de Talmoed uitdrukkelijk uitgesproken grondbeginsel van de Farizeeën. “Ieder werk, dat op de dag na de Sabbat gebeuren kan, bevrijdt niet van het sabbatsgebod. ” Dit had men de Heiland kunnen tegenwerpen, dat Hij zeer goed Zijn wondervolle genezing van de zieke tot de volgende dag had kunnen uitstellen. Maar nu was de Levengever aanwezig om de man te redden, die zij allen niet helpen konden; en zou Hij om hun rigoristische stellingen te bekrachtigen, de hulp uitstellen, een goed werk tot morgen verschuiven? Nooit! terwijl de mens in zaken van zijn eigen voordeel in het minst niet bedenkelijk of angstvallig is, zo neemt de Heere hen dadelijk bij die praktijk, die zij toen uitoefenden, namelijk om een schaap op de Sabbat uit de gracht te halen, terwijl hier van levensgevaar sprake is. Naderhand hebben de Joodse schriftgeleerden, om het woord van Christus op deze plaats krachteloos te maken, niet meer toegestaan, het vee uit de gracht te halen, maar slechts de vrijheid gegeven, het te hulp te komen, wanneer men er iets onder legt, opdat het er zelf kan uitstijgen, of voedsel toedient, opdat het tot de volgende dag in het leven blijve. Volgens het meer uitvoerige bericht van Markus moeten wij ons het voorval zó voorstellen dat, nadat de Heere de Farizeeën met de vraag “Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo dat op een sabbatdag in een gracht valt, het niet zal aangrijpen en uitheffen? Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven!” uit het veld geslagen heeft, zodat zij niets wisten te antwoorden, Hij de man met de verdorde hand van zijn plaats deed opstaan en in het midden van de synagoge komen, opdat allen ooggetuigen zouden zijn van hetgeen Hij door een enkel woord (een aanraken en grijpen van de hand schijnt Hij opzettelijk vermeden te hebben, om de mannen van de wet zelfs op dat ogenblik zoveel mogelijk te sparen, waar Hij hen moest trotseren) wilde doen. Eerst richt Hij nog deze vraag tot de tegenstanders: “Zal men op de Sabbat goed doen of kwaad (d. i, een mens wel doen of hem smart veroorzaken), het leven behouden (terwijl men degene, die ziek en ellendig is, weer gezond maakt, wanneer men het kan), of doden (terwijl men hem nog langer in zijn ellende laat)?” Als zij hem op deze vraag hun antwoord schuldig bleven, omdat slechts één antwoord mogelijk was, maar zij zich daaronder niet gevangen wilden geven, zag Hij hen aan met toorn en was bedroefd over hun verstokte harten; Hij gaf dus door Zijn gelaat en Zijn gebaren te kennen, dat niets Hem meer vertoornde, dan zulke in de boosheid van hun hart wortelende onvatbaarheid voor de waarheid, en beveelt thans, van de verstokte vijanden tot de orde van de dag overgaande, aan de zieke zijne hand uit te strekken. Gezworen vijanden van de waarheid kunnen nu eenmaal op geen wijze genezen worden (2 Tim. 2: 13): al kwam men dadelijk met hen in vijandschap op leven en dood, men moet er zich toch niet van laten afhouden, het goede te doen, dat zij haten.
a) Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Wanneer het dan reeds geoorloofd is op de Sabbat een schaap, dat in nood verkeert, te hulp te komen, zo is het dan op de Sabbatdagen, zoveel te meer geoorloofd wel te doen door werken van barmhartigheid, die men een mens bewijst (hoofdstuk 5: 44).
Gen. 1: 27
Zo had de Heere de genezing uit de categorie van werken, waartoe de Farizeeën die wilden brengen (vs. 10), weggenomen, en in die van het goeddoen overgebracht, zodat hun alle reden tot de aanklacht, die zijbedoelden, was ontnomen. Toen zei Hij tot die mens, die nu genezen moest worden: Strek uw hand uit in de kracht van het nieuwe leven, dat Ik door dit Mijn woord aan uw verstorven lichaamsdeel toedeel. En hij, het woord van de Mensenzoon met geloof en gehoorzaamheid ontvangende en daarom ook dadelijk die Goddelijke kracht aan Zijn armondervindende, strekte ze uit, zijn verdorde hand (Luk. 6: 6), en zij werd hersteld op hetzelfde ogenblik dat hij in geloof het bevel van Jezus wilde gehoorzamen, gezond als de andere hand.
Deze, evenals andere genezingen door Christus bewerkt, had een geestelijke betekenis. 1. Van nature zijn onze handen verdord, wij zijn uit onszelf geheel onbekwaam om enig goed te doen. 2. Het is Christus alleen, door de kracht van Zijn genade, die ons geneest. Hij geneest de verdorde hand, door leven te brengen in de dode ziel, werkt in ons beide het willen en het werken. Om ons te genezen beveelt Hij ons de handen uit te strekken, zoveel goed te doen als wij kunnen; ze uit te strekken in het gebed tot God, ze uit te strekken om Christus in het geloof aan te grijpen, ze uit te strekken in heilige pogingen. Nu kon deze man zijn verdorde hand zelf niet uitstrekken, evenmin als de zwakke man kon opstaan en zijn bed dragen, of Lazarus uit zijn graf komen; maar Christus beval hem het te doen. Gods bevel aan ons, om onze plicht te doen, waartoe wij uit onszelf niet bekwaam zijn, kan vergeleken worden met dit bevel aan de man met de verdorde hand, om zijn hand uit te strekken: want bij het bevel is door het woord een belofte van genade gegeven. Degenen, die verloren gaan, zijn even onverschoonbaar als deze man zou geweest zijn, indien hij niet geprobeerd had zijn hand uit te strekken, in welk geval hij niet zou genezen zijn. Maar degenen, die behouden worden, zijn evenwel verschuldigd aan de macht en de genade van Christus, als hij.
Er is grote reden omtrent deze zaak ernstig te waarschuwen. De Farizeeën vergrepen zich in het stuk van de Sabbatviering aan de ene zijde. De Christenen overtreden dat gebod aan de andere kant. De Farizeeën beweerden de heiligheid van de dag te moeten verhogen. De Christenen zijn maar al te dikwijls geneigd aan die heiligheid te kort te doen en de dag van de Heere te misbruiken tot allerlei ijdele, godslasterlijke dingen. Wachten wij ons toch voor dit schandelijk misbruik. Het waarachtig Christendom is nauw verbonden met een nauwlettende onderhouding van de Sabbat. Vergeten wij toch niet, dat het steeds onze begeerte moet zijn “de Sabbat heilig te houden. ” Werken van noodzaak mogen verricht worden. “Het is geoorloofd wel te doen, ” en barmhartigheid te bewijzen. Maar de Sabbat te wijden aan ijdelheid, aan zingenot, aan wereldse vermakelijkheden, is volstrekt ongeoorloofd. Dit is geheel en al strijdig met het voorbeeld van Christus en zonde tegen een duidelijk gebod van God.
a) En de Farizeeën, verbitterd over de nederlaag, die zij opnieuw van Jezus hadden ontvangen (vgl. vs. 3vv. ), uitgegaan zijnde uit de Synagoge, hielden tezamen raad met de dienaren van Herodes (Mark. 3: 6) tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.
Joh. 5: 18; 10: 39; 11: 53
Volgens het eenparig verhaal van de Synoptici nam na dit wonder de vijandschap tegen de Heere zichtbaar toe. Wat op het Purimfeest een aanvankelijk opwellend voornemen was geweest, wordt hier een ernstig plan, over de uitvoering waarvan de Farizeeën opzettelijk beraadslagen. Inziende dat zij zonder de wereldlijke macht hier niets konden uitrichten, verenigen zij zich daartoe met de Herodianen, de zogenaamde hofpartij, die lichtelijk in de opgang door Jezus verschijning gemaakt, staatkundig gevaar kon vermoeden. Wel terecht mocht Lukas hun uitzinnigheid toeschrijven: zedelijke verblinding was de bron, meerdere verharding het gevolg van hun gedrag. Voor ons daarentegen staat de Heere hier in het licht van Zijn hemelse grootheid. Wij zien niet slechts, hoe Hij ook hier de geest van de wet boven haar letter in acht neemt; hoe Hij met vaste moed de eens gekozen beginselen opvolgt, ook bij de hevigste tegenstand; hoe Hij met vlekkeloze reinheid ontfermende liefde verenigt; maar ook staat Hij hier voor ons in Zijn eigenaardig onderscheid van vroegere gezanten van de Vader. Toen eenmaal een profeet door Jerobeam gehoond werd, verdorde de hand van de vermetele koning. Jezus geneest een verdorde hand, en verlamt de arm van de vijanden niet, die tegen Hem zich verheft. Zijn wonderen zijn geen straffen maar weldaden, en willen de vijanden van het Godsrijk ook verderven, de Koning is gekomen om te behouden.
Deze Herodianen, zoals zij in de grondtekst genoemd worden (hoofdstuk 22: 16), worden door de kerkvaders voor een bijzondere sekte van de Joden, die naast de bekenden van de Farizeeën, Sadduceeën en Essenen bestaan, en die Herodes voor de Messias zouden verklaard hebben, gehouden; nieuwere Schriftuitleggers verstaan daaronder meest de aanhangers van Herodes Antipas, of in het algemeen van het Herodiaanse koningshuis; slechts bestaat er in zo verre verscheidenheid van meningen, dat sommigen hen tevens voor aanhangers van de Romeinse opperheerschappij en voor de staatkundige tegenstanders van de Farizeeën houden, die zich vijandig tegenover deze opperheerschappij gedragen. Anderen daarentegen zien hen ook aan voor tegenstanders van de door het volk niet gewilde Romeinse heerschappij, en houden hen slechts voor de Royalisten van het land, d. i. voor de aanhangers van het koningshuis, dat met Herodes de Grote aan de regering gekomen was. Evenals de mening van de kerkvaders in deze Herodianen meer ziet, dan zij werkelijk waren, zo gingen de nieuwere uitleggers ook te ver, wanneer zij in hen een eigenlijke partij onder het volk zagen. Integendeel hebben wij slechts aan de hovelingen en de beambten, die onmiddellijk in dienst van de koning waren, te denken, aan de personen van zijn naaste omgeving, die geheel en al aanhangers en voorvechters van de Romeinse opperheerschappij waren, terwijl op deze de heerschappij van hun meester steunde; daarbij huldigden zij evenals deze het werelds, heidens-romeinse karakter, en stonden in dit opzicht met de Sadduceeën op gelijke trap; daarom wordt voor “zuurdesem van de Sadduceeën” in hoofdstuk 16: 6 op de gelijkluidende plaats in Mark. 8: 15 : “Zuurdesem van Herodes” gezegd. Wanneer zij in hoofdstuk 22: 16 voorkomen als in Jeruzalem aanwezig, zo wordt dit eenvoudig hierdoor verklaard, dat hun koninklijke gebieder ten tijde van het Paasfeest naar Jeruzalem gekomen was (Luk. 23: 7); wanneer zij echter ook in deze geschiedenis te Chorazin optreden, terwijl de residentie van Herodes toch te Tiberias was, zo wordt dit verklaard uit hfdst. 14: 1vv. Tot zijn verjaardag (11 april 29 n. Chr). namelijk heeft Herodes Antipas zonder twijfel te Livias geresideerd; deels kostte de inrichting en opbouwing van de nieuwe residentiestad Tiberias in het algemeen veel tijd 4: 25), en zou de koning er wel niet lang vóór het jaar 29 mee gereed gekomen zijn, deels had deze stad om haar ongezond klimaat weinig aantrekkelijkheid voor hem. Nadat hij echter Johannes de Doper gedood had, kon hij niet langer in Livias blijven; het slot, waarin het bloedige hoofd van de Doper hem gebracht was, had voortaan iets vreeswekkends voor hem, en hij verliet het hoe eerder hoe liever. Wat een rilling overviel hem, toen hem bij zijn verhuizing naar Tiberias dadelijk de mare van de wonderwerken van Jezus tegenklonk! Tot hiertoe had hij nog niets van de profeet in Galilea gehoord; hij woonde toch in een stad, die meer dan 15 mijl verwijderd was van het toneel van de werkzaamheden van Christus, en zijn hovelingen waren te zeer met andere dingen bezig, dan dat zij bijzonder op het werk van de Nazarener acht geslagen zouden hebben. De goddelijke wijsheid had het echter met opzet zo beschikt, dat het werk van Jezus zich bijna een jaar lang in Galilea, niet gestoord door de tegenspraak van de wereld, kon ontwikkelen, totdat de opbouw van het Godsrijk zó ver voorbereid was, dat deze nu in een nieuwe ontwikkeling moest treden. Dit tijdpunt was nu onmiddellijk na de dood van de Doper gekomen; Herodes echter, toen hij in Tiberias van Jezus hoorde, meende in Hem de weer opgestane Johannes te zien, en in een zekere zin zag hij dat goed. Daarom, was het nu dat zijn hovelingen om het spook, dat hun heer verschrikte, op het spoor te komen, de voetstappen van Jezus nagingen; en omdat deze gedurende de dagen van het Paasfeest, die geen Sabbatskarakter hadden (van 19-22 april, dinsdag tot vrijdag) het land Gennesareth tot Chorazin doorreisde (hoofdstuk 14: 34vv. ), zo was het ook voor hen niet moeilijk, Hem op de laatste plaats in te halen. De Farizeeën wisten misschien van hun aankomst; ja, misschien is het tot het lager gericht van de stad, waarvan de leden zich onder hen bevonden, geweest, waartoe de Herodianen zich wendden, om de Galilese profeet uit de weg te laten ruimen, opdat zij de koning gerust zouden kunnen stellen. De Farizeeën begonnen de zaak en zochten nu zowel op de tweede Sabbat (vs. 1vv. ) als op de volgende dag (23 en 24 april) een aanklacht van Sabbatsschennis tegen Jezus te zoeken; zoals zij het wensten, hadden zij hun doel wel niet bereikt, zij waren met het voorbeeld van David (vs. 3vv. ) en met hun eigen praktijk (vs. 11vv. ) uit het zadel gelicht; des te meer welkom waren hun echter de dienaren van Herodes, omdat zij met hun hulp Jezus konden bestempelen als een mens, die gevaarlijk was voor de Staat en onder hun bescherming hun moorddadig plan zonder verdere verantwoording ten uitvoer konden brengen.
Maar Jezus dat wetende, opmerkende, dat zij een aanslag op Zijn leven wilden doen, a) vertrok van daar. Omdat Zijn tijd om te lijden en te sterven nog niet was gekomen en bovendien Galilea de plaats niet was, waar Hij zou sterven (hoofdstuk 26: 45 Luk. 13: 33), ging Hij van Chorazin 12: 9″) en begaf Hij Zich naar de Galilese zee bij Kapernaüm (Mark. 3: 7), om van daar naar naburige dorpen weer een reis te doen door de omliggende landstreken. En vele scharen volgden Hem op de tocht, evenals op de vorige (hoofdstuk 4: 23vv. ; 9: 35), en Hij genas ze allen, die men ziek en met velerlei kwalen tot Hem bracht.
MATTHEUS. 10: 23
a) En Hij gebood hun, die Hij genezen had, scherp, nog veel nadrukkelijker dan te voren (hoofdstuk 8: 4; 9: 30), dat zij Hem niet openbaar maken zouden, niet door mededeling van Zijn wonderdaden Hem als Zoon van David en Koning van Israël openbaar zouden maken, omdat Hij elk opzien wilde vermijden.
Luk. 5: 14
Opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende in Jes. 42: 1-4 van zijn boek:
a) Ziet Mijn knecht, die Ik in veel diepere zin dan ten tijde van de Babylonische ballingschap de Medo-Perzische koning Cyrus (Jes. 41: 2vv. ) tot uitvoering van Mijn raadsbesluiten verkoren heb, Mijn beminde, in wie Mijn ziel een welbehagen heeft (hoofdstuk 3: 17; 17: 5); Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, Ik zal Hem tot drager van Mijn Geest maken, in wiens kracht hij Zijn werk zal verrichten (Jes. 11: 2; 61: 1 Isa 11. 2), en Hij zal door verbreiding van de ware godsdienst, die tot nu toe slechts bij Israël bestaat, het oordeel aan de heidenen verkondigen.
Mark. 1: 11 Kol. 1: 13; 2 Petr. 1: 17
Hij zal, omdat Hij op vreedzame weg de volken tot het hoogste goed probeert te brengen, met verloochening van zichzelf, niet twisten noch roepen, zoals valse leraars doen, die voor hun eigen eer ijveren, noch zal er iemand zijn stem op de straten horen, dat Hij als de huichelaars zijn roem zou laten uitbazuinen (hoofdstuk 6: 2).
Het gekrookte, het reeds geknakte en half gebroken riet zal Hij niet verder verbreken door strenge behandeling van de reeds gebogen zielen, en het rokende nog slechts flauw brandende en het uitblussen nabijgekomen lemmet zal Hij niet uitblussen; integendeel de vermoeiden en belasten zal Hij tot Zich roepen, om ze te verkwikken en met nieuwe levenskracht te vervullen (hoofdstuk 11: 28vv. ), totdat Hij door Zijn onvermoeide en rusteloze arbeid, die zo volkomen aan de zondaarsbehoeften voldoet, het oordeel zal uitbrengen tot overwinning, het recht vastmaken en tenslotte alle hinderpalen zegerijk uit de weg ruimende, een toestand van volkomen heerlijkheid aanbrengen.
En in Zijn naam zullen de heidenen hopen. Een door Gods voorbereidende genade veroorzaakt verlangen naar verlossing en zaligheid zal bij de volken Zijn werk tegemoet treden, omdat het in Zijn naam besloten heil (hoofdstuk 1: 21) juist dat is, waarnaar hun harten verlangen; Hij zal zo bij hen een aanneming in geloof vinden.
Thans begint het jaar van de vervolging van onze Heere Jezus Christus, die met Zijn kruisdood het toppunt bereikt, maar ook in Zijn opstanding in een altijd grotere verheerlijking voor Hem verandert. Zoals het schijnt, beschouwde het evangelische geschiedverhaal de dood van Zijn voorloper, de Doper, niet als een zelfstandig gedeelte van de geschiedenis van de genade, dat op Johannes zelf betrekking had, maar slechts als een gedeelte van de vervolgings- en lijdensgeschiedenis van de Heere; daarom wordt zij ook bij geen van de drie Evangelisten uitdrukkelijk, maar slechts bij gelegenheid, en door Lukas zelfs niet eens met haar nadere bijzonderheden (Luk. 3: 19vv. ; 9: 9) verteld; Mattheüs haalt haar niet aan, voordat hij in ons hoofdstuk het jaar van de vervolging opent en deze opening tot op de verwerping van Christus van de zijde van Zijn geboortestad voortgezet heeft (hoofdstuk 13: 53vv. ). Het is nu daar ook geheel op zijn plaats, wanneer onze Evangelist, terwijl hij in de vorige afdeling bij de “verbanning en het gedwongen opgaan” begint, zoals P. Lange de nu beginnende periode van het leven van Jezus genoemd heeft, op de voorspelling van de profeet Jesaja van de Knecht van God wijst, en op haar wonderlijke vervulling opmerkzaam maakt. In hoofdstuk 8: 17 heeft hij reeds op een woord van deze voorzegging (Jes. 53: 4) gezinspeeld, en wat na zo’n woord verder van de lijdende Knecht van God gezegd wordt, vindt zijn vervulling in de lijdensgeschiedenis. Er zijn echter voorzeggingen in het Oude Testament, waaraan men daarbij liever zou herinneren. Daarentegen kwam het er hier op aan, het beeld van de Knecht van God, zoals het in Jes. 42: 1vv. getekend wordt, te doen zien in de wijze, waarop de Heere van nu aan werkt en uit de aanwijzing, hoe nauwkeurig daar profetie en vervulling met elkaar overeenkomen, het bewijs te leveren, dat degenen, die uit Israël gelovig geworden zijn, de juiste Messias gevonden hadden, en degenen, die ongelovig gebleven waren, tevergeefs op een andere Messias wachtten; de heidenen zouden integendeel in hun plaats binnentreden, en zich het heil, dat in de Heiland is, tot nut maken.
I. Vs. 22-50.KruisverwijzingenLukas 11:23→Markus 9:40→Lukas 12:10→Markus 3:28→Mattheüs 9:27→Lukas 9:50→Mattheüs 9:4→Lukas 11:20→
— Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag. En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David? Maar de Farizeen, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beelzebul, den overste der duivelen. Doch Jezus, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan. En indien de satan den satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan? En indien Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn. Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen. Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven. Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit. Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden.
Bij het gericht van de verharding en voorlopige verwerping, die in de beide vorige afdelingen de Farizeeën met hun vijandelijkheden en vervolgingen Jezus naar de stad Chorazin gebracht hebben, komt nu hier dat over de plaats Bethsaïda, die onmiddellijk over het Galilese meer gelegen is. Als namelijk de Heere enige tijd na die beide voorvallen in de meest ingespannen en onafgebroken werkzaamheden daar aan de zee bezig is, zodat Hij niet eens gelegenheid heeft te eten, wordt een bezetene tot Hem gebracht, die blind en stom tegelijk is. Hij bevrijdt hem van de boze geest, en zodra die bezetenheid een einde neemt, houdt ook dadelijk de lichamelijke kwaal op; degene die tot hiertoe blind en stom was, spreekt nu en kan nu zien. Daar vernieuwt zich de reeds eenmaal uitgesproken lastering van de Farizeeën, dat Jezus Zijn uitwerping van de duivel met hulp van de duivel verricht, en daaraan knoopt zich een lang zeer ernstig gesprek aan van de Gelasterde met Zijn tegenstanders, totdat dan ook Jezus’ moeder en broeders door hun onbehoorlijk ingrijpen in Zijn werk zich een soort van verwerping uit Zijn mond op de hals halen.
Toen Jezus na Zijn heengaan van de Farizeeën (vs. 15) Zich aan de Galilese zee had teruggetrokken, ook Zijn in vs. 15-21 beschreven tocht geëindigd had, en nu bij Bethsaïda weer in hoogst moeilijke werkzaamheid Zijn dagelijks werk in leren en genezen verrichtte, zodat Hij niet eens tijd en gelegenheid vond om brood te eten (Mark. 3: 20vv. ), werd tot Hem gebracht een door de duivel bezeten, die niet ten gevolge van natuurlijke gebreken, maar door zijn bezetenheid (vgl. hoofdstuk 9: 32) blind en stom was; en Hij genas hem door uitdrijving van de boze geest, alzo dat de blindeen stomme, die op zichzelf gezonde ogen en goede spraakorganen had, beide sprak en zag.
Het is zeer moeilijk, zich bij deze geschiedenis zowel van tijd en plaats, als ook van de enkele voorvallen, uit de schijnbaar elkaar tegensprekende voorstellingen van de eerste 3 evangelisten een goede voorstelling te maken. Bij Lukas (11: 14vv. ) ziet men zich opeens in een geheel vreemd gebied geplaatst. Jezus is reeds van Galilea vertrokken (Luk. 9: 51vv. ), is Samaria omgereisd, waar men Hem niet heeft willen ontvangen, over Jericho, waar Hij de vooruitgezonden 70 discipelen weer aangetroffen heeft, (10: 1vv. ) tot aan Bethanië gekomen, en heeft waarschijnlijk op de Olijfberg, toen Hij Zich nog in de onmiddellijke nabijheid van Jeruzalem bevond, Zijn discipelen op hun verzoek het onderricht over het gebed gegeven (11: 1vv. ). Jeruzalem zou dus overeenkomstig het verband de plaats en het (in het jaar 29 n. Chr. op de dagen van 12-18 oktober vallende) Loofhuttenfeest de tijd zijn, waaraan wij bij deze geschiedenis hadden te denken. Maar uit Mark. 3: 22 zien wij, dat de Schriftgeleerden, met wie de Heere daarna gehandeld heeft, integendeel van Jeruzalem gekomen zijn in de landstreek aan het Galilese meer, en het “toen”, waarmee Mattheüs in ons hoofdstuk begint te vertellen, plaatst de geschiedenis in een nauw verband met de beide voorafgaande, die op de tweede Sabbat en op de daarop volgende dag (23 en 24 april van het jaar 29) voorvallen. Lukas breekt echter klaarblijkelijk, nadat Hij Jezus op Zijn reis tot het Loofhuttenfeest (Joh. 7: 2vv. ) tot in de onmiddellijke nabijheid van Jeruzalem gebracht heeft, de draden van het doorlopend geschiedverhaal af; hij wil de Heere niet de stad zelf binnenleiden, voordat hij Hem als Israëls Messiaanse Koning kan laten binnentrekken (19: 29vv. ), en gaat nu terug in zijn Galilese werkzaamheid om er enige geschiedenissen uit die tijd bij te voegen, waarom hij ook geheel onbepaald en in het algemeen met een “en” begint te vertellen. Dus moeten wij bij den evangelist Markus opheldering zoeken. Deze heeft in hoofdstuk 2: 23-3: 12 dezelfde gebeurtenissen van het wrijven van aren van de discipelen en van de genezing van de verdorde hand, die wij bij Mattheüs in vs. 1-21 van dit hoofdstuk gelezen hebben, verteld; vervolgens is hij echter in Mar. 3: 13-19 opeens een tijd van 7 maanden teruggegaan en heeft de geschiedenis van het kiezen van de apostelen daarna verteld. Omdat hij nu eenmaal naar het plan, dat hij volgde, en naar de gehele aanleg van zijn werk de geschiedenis niet reeds op de chronologisch juiste plaats (tussen vs. 39 en 40 van het 1ste hoofdstuk ) heeft kunnen meedelen, ook niet daar, waar een verdere rij van verhalen er hem opnieuw de gelegenheid toe geopend heeft (tussen vs. 22 en 23 van het 2de hoofdstuk ), was het thans dringend noodzakelijk wegens het woord van Jezus in Mar. 3: 33vv. : “wie is Mijn moeder en Mijn broeders!” Dit eiste om het te verstaan, dat de lezer eerst met de geestelijke familie van de Heeren, met de kring van de twaalven bekend gemaakt werd. Het later plaatsen heeft ook juist hier zijn tweede reden erin, dat het kiezen van de apostelen in stellige betrekking staat tot de lastering van de Farizeeën: “Deze werpt de duivels niet uit, dan door Beëlzebul, de overste van de duivels. ” Deze beschuldiging, waarvan Markus in 3: 20vv. in chronologische volgorde, na hetgeen hij in Mar. 2: 23-3: 12 verteld heeft, nu begint te spreken, is, zoals wij uit MATTHEUS. 9: 32vv. weten, reeds eenmaal ingebracht; nu heeft Markus deze beschuldiging de eerste maal met geen woord verwaardigd; wel echter, voordat hij de herhaling van dit verwijt tot het voorwerp van het verdere geschiedverhaal in hoofdstuk 3: 20vv. maakt, beschouwt hij eerst in hoofdstuk 3: 13vv. de gevolgen, die de eerste lastering gehad heeft. Het was die geweest, dat de Heiland van Israël toen reeds begon Zijn volk als een geheel op te geven, en hoofdzakelijk Zijn plan in te richten tot verzameling van een begin van een nieuwe gemeente. Zo’n verzameling bewerkt Hij dan in de roeping van de twaalven. Wij hebben er nu echter verder wel op te letten, dat de woorden in Mark. 3: 20 “En zij kwamen in huis” nog tot de geschiedenis van het kiezen van de apostelen behoren; zij gaan over de bergrede heen, die de tweede evangelist overgeslagen heeft, herinneren slechts even aan de genezing van de melaatse, die vroeger (hoofdstuk 1: 40vv. ) reeds meegedeeld is, en nemen de tijdsopvolging van de geschiedenis op naar hetgeen in hoofdstuk 1: 45 gezegd is: “Jezus was buiten in de woeste plaatsen. ” Van dit oponthoud in de wildernis aan de oostelijke oever van het meer van Gennesareth kwam de Heere nu met de twaalven weer naar Kapernaüm terug. Op weg naar Zijn huis echter gebeurt het voorval met de hoofdman van Kapernaüm, dat Markus eveneens overslaat. Er had nu bij hem in hoofdstuk 3: 20 na de zo-even besproken woorden: “En zij kwamen in huis, ” een punt, en niet, zoals in onze Bijbel, een komma-punt moeten volgen; daarop had een nieuw vers moeten beginnen, maar niet, zoals Luther vertaald heeft: “En toen” (van een “toen” staat niets in de grondtekst), maar zoals in onze Statenvertaling: “En er vergaderde wederom een schare, zodat zij zelfs niet konden brood eten, ” De evangelist komt hier weer opnieuw terug in de rij van verhalen, die hij in vs. 12 afgebroken heeft; hij heeft, na het stuk in vs. 13-20vv. Jezus weer naar Kapérnaüm teruggebracht, en nu kan hij Hem opnieuw aan ons voorstellen (vgl. vs. 7-12), zoals Hij na Zijn ontwijking van de Farizeeën aan de oever van het meer van Galilea daar, waar de vissersplaats Bethsaïda 4: 25) ligt, door de menigte van het Hem natrekkende volk als het ware omlegerd wordt, zodat Hij uit deze kring niet uit kan om met de discipelen naar huis te gaan en het middagbrood, waarvoor de tijd reeds gekomen was, daar te gebruiken. De Zijnen, die thuis waren, die met Hem één gezin vormden (Luther: “die rondom Hem waren”), waarbij wij, behalve aan Zijn moeder en aan Zijn broeders, aan Joses, ook wel aan de schoonmoeder en vrouw van Petrus 8: 15) te denken hebben (wij vatten dus de uitdrukking: “Zijn broeders” niet genealogisch, maar in het algemeen, in de zin van verwanten of huisgenoten op (Gen. 31: 23), maken zich beangst over Hem, zij houden deze overmatige inspanning van Zijn lichaams- en zielekrachten, waarbij Hij Zich geen tijd tot eten gunt, voor het teken van een godsdienstig enthousiasme, dat makkelijk een nadelige invloed op Zijn gezondheid en in overspannenheid zou kunnen veranderen, en menen zich geroepen Hem tegen Zijn, naar zij menen, al te grote ijver in bescherming te moeten nemen. Zo gaan zij van het huis te Kapérnaüm naar het zeestrand om Hem vast te houden, of zich van Hem te bemachtigen, wat gedeeltelijk daarin zijn verklaring vindt, dat zij eerst door de menigte, die Hem als een muur omringt, moeten doorbreken, eer zij tot Hem kunnen komen, gedeeltelijk daarmee samenhangt, dat zij het ook aan het noodzaken om met hen naar huis te gaan, niet willen laten ontbreken. Wij zullen ook bij de hier ons voorliggende evangelist Mattheüs naderhand horen, dat Zijn moeder en Zijn broeders zich werkelijk bij Hem laten aanmelden; maar nog voordat de Zijnen buiten aan het zeestrand aankomen, gebeurt daar, hetgeen boven verteld wordt, en knoopt zich het gesprek met de Farizeeën en Schriftgeleerden aan. Houden wij deze opvatting vast, waarnaar de plaats van het gesprek de landstreek aan het meer hij Bethsaïda is, zo komt door deze geschiedenis, nadat wij in vs. 1-21 de verklaring van het “wee” over Chorazin (hoofdstuk 11: 21vv. ) gevonden hebben, de verklaring van het “wee” over Bethsaïda erbij. Hier komt de in hoofdstuk 9: 34 slechts eerst nog in menselijke boosheid tegen Christus gemaakte beschuldiging, alsof Hij met de duivel in verband was, uit een lastering van de Mensenzoon reeds zo nabij aan een lastering van de Heilige Geest, dat er nog nauwelijks een grenslijn tussen beide zou op te merken zijn. De Heere heeft dan nog in de loop van de namiddag de hier behorende gelijkenissen in hoofdstuk 13 uitgesproken; daarop echter die landstreek verlaten (hoofdstuk 13: 53) om, nadat Hij ook in Nazareth geen beter onthaal gevonden had dan vroeger, slechts nog, alsof Hij op de vlucht was, te leven en te werken. Wat echter Kapernaüm (hoofdstuk 11: 23vv. ) aangaat, Hij scheidt Zich van Zijn stad als toneel van Zijn openlijke daden in hoofdstuk 15: 1-21.
Het exorcisme, of de bezwering, waardoor de boze geest uit een door hem bezeten persoon uitgedreven of verbannen werd, is in tegenstelling van de Joodse bezweerders (vs. 27vv. ) doorgaans de wijze, waarop de Heere de bezetenen genezen heeft. Eens (hoofdstuk 15: 28 vgl. Mark. 7: 30) doet Hij het zelfs door werking uit de verte en verklaart het naderhand (vs. 28) zelf, dat het Gods vinger of werk was geweest, die in zulke gevallen de boze geesten noodzaakte diegenen, die zij in bezit genomen hadden, weer vrij te laten. In hoofdstuk 10: 8 hebben wij nu gezien, hoe Jezus ook aan de twaalven de macht gaf, duivels uit te werpen. Diezelfde kracht verleende Hij later (Luk. 9: 1; 10: 17) ook aan de 70 discipelen bij hun uitzending. Niet in alle gevallen konden de twaalven ook werkelijk de genezing volbrengen (hoofdstuk 17: 19). Van een andere zijde wordt echter verhaald, dat iemand in Jezus naam duivels uitwierp zonder tot de discipelen te behoren (Luk. 9: 49), en een nog veel moeilijker geval vinden wij in Hand. 19: 1vv. , waar de 7 zonen van de hogepriester Sceva te Efeze de naam van Jezus misbruiken bij hun bezweringen. Wij kunnen allereerst nog niet in een nader onderzoek van de hier in kwestie komende punten treden, maar wij knopen hier vooraf slechts de nodige opmerkingen over het kerkelijk exorcisme aan. Bij de kerkvaders werd de macht van de duiveluitwerping voor een Charisma, of geschenk van de genade van de Heilige Geest gehouden, dat in het algemeen aan alle Christenen, in het bijzonder aan bisschoppen en leraars beloofd is (Mark. 16: 17), vooral echter aan sommige personen in een geheel buitengewone mate verleend werd. Als een bekende daadzaak voert Origenes (contra Celsum VII. 334) aan, dat niet weinige Christenen, meest eenvoudige, onbeschaafde mensen, alleen door gebed en eenvoudige bezweringen, zonder enige kennis aan tovermiddelen of kunstige bezweringsformulen, bezetenen genazen. Men noemde dergelijke personen, die weliswaar voor hun duiveluitwerpingen de bisschoppelijke goedkeuring nodig hadden, maar bij wie echter vooraf geen wijding door handoplegging van de bisschop plaatsvond, exorcistae per gratiam (duivelbezweerders door een bijzondere goddelijke genade). Daarvan moet men onderscheiden de exorcistae per ordinem, d. i. zulke duivelbezweerders, die bijzonder voor het werk van duiveluitwerping aangesteld waren, en een eigen stand in de rij van de dienaren van de kerk vormden, waarom zij ook tot hun ambt de kerkelijke wijding ontvingen. Aan hun zorgen waren voornamelijk de energumenen, de aan het gebed van de kerk aanbevolen bezetenen, toevertrouwd. Terwijl de bisschop of Presbyteriaan bij iedere openlijke godsdienstoefening het voor deze ongelukkigen bestemde gebed had uit te spreken, moesten zij hun dagelijks onder het gebed de handen opleggen, totdat zij van hun plaag bevrijd waren. Bovendien hadden de duiveluitwerpers hun ambt bij de dopelingen. Naar de stelregel, dat wie Christus nog niet tot zijn Heer heeft, aan de duivel toebehoort, moest ieder volwassen catechisant vóór de doop in het openbaar en plechtig de duivel verzaken (abrenuntiatio); bij kinderen echter, die om de erfzonde als een eigendom van de duivel beschouwd werden, zo lang zij de doop nog niet ontvangen hadden, en toch zelf geen formule van verzaking konden afleggen, scheen het nodig, deels een uitademing (exsufflatio) deels een inademing (insufflatio) door een tweemaal herhaald aanademen te bewerken. Wat dit dubbele ademen betekenen moet, schijnt duidelijk uit die oudere kerkceremonieboeken van de evangelische kerk, die zich aan het doopboekje van Luther houden, wanneer door de geestelijke wordt opgelegd, zich vóór de doop tot het kind te wenden met de woorden: “Vaar uit, gij onreine geest (exsufflatio), en maak plaats voor de Heilige Geest ” Het Pruissische landceremonieboek heeft dit het eerst in het formulier verzwakt: “De onreine geest make plaats voor de Heilige Geest, ” en dan deze aan een weglating naar goeddunken prijsgegeven, terwijl zij zonder twijfel beter gedaan had, dit gehele gebruik, dat op een geheel verwarring van de erfzonde met de bezetenheid berust, geheel te laten vallen, daar men daarop het woord ook niet kan toepassen: “verderf het niet, want er is een zegen in. ” Uit een bezetene kan wel door bezwering een duivel uitgedreven worden, maar het hart van een zondaar wordt niet op zo’n wijze vernieuwd; en waar in de gehele wereld staat geschreven, dat de pasgeboren kinderen zonder uitzondering bezetenen zijn? Anders is het daarentegen gesteld met de duivelverzaking, die in de Lutherse kerkceremonieboeken bij de doop van kinderen zowel als van volwassenen, op het voetspoor van de Katholieke kerk, gehouden is: “Verzaakt gij de duivel en al zijn werken? en geheel zijn wezen?” Die met Pasen, de grootse doopdag voor volwassenen, gedoopt moesten worden, hadden die verklaring op zondag oculi af te leggen, waarom deze zondag ook de zondag van duivelverzaking, of duiveluitwerping genoemd wordt. Daaruit wordt het verklaard, waarom de aan deze geschiedenis parallelle afdeling in Luk. 11: 14-28 daarop als Evangelie voor die dag bepaald is; maar ook de Evangeliën van de beide voorgaande zondagen bereiden op deze handeling voor, terwijl zij op de macht van Christus over de duivel wijzen.
Dit schijnt een chiasme te zijn, d. i. zo’n spreekwijze, waar de op elkaar betrekking hebbende woorden in de vorm van de griekse letter Chi © bij wijze van een kruis geplaatst zijn. Men verwacht: “Alzo dat de blinde en stomme, beide, zag en sprak; ” in plaats daarvan lezen wij echter:
in de bovenzin: hij was blind en stom; b) in de benedenzin: hij sprak en zag.
Een dergelijk chiasme bevindt zich bij voorbeeld in het avondlied van Anton Ulrich, Hertog van Braunschweig Wolfenbüttel (1714): “Nu kom ik weer uit de rust, ” waaraan het slot van het 3de vers staat: “Maar ik heb des avonds wel ondervonden, dat Gij, hoogste God, mij geleid hebt, dat Uw licht en Uwe waardigheid mij op mijnen kruisweg geleid en verlicht heeft. ” Intussen zien wij uit Luk. 11: 14 dat de stomheid in zo verre het overheersende gebrek was hij deze bezetene, als dat klaarblijkelijk aan het licht kwam; dat hij echter niet zien kon, wisten anderen niet nauwkeurig en zeker. Hij had toch voor zichzelf gezonde ogen en hij kon zich van de ene plaats naar de andere bewegen op een wijze, zoals het andere blinden ook wel kunnen. De gehele diepte van zijn vroeger lijden kwam pas aan de dag toen zijn spraakvermogen hem teruggegeven was, omdat hij nu zelf over de oorzaak en de omvang daarvan opheldering gaf, waarom Lukas zoveel te meer slechts gewoon is de éne zijde aan te tonen, omdat bij hem een verwisseling met de geschiedenis van de genezing van de werkelijk enkel stomme van de duivel bezetene in MATTHEUS. 9: 32vv. daarom niet mogelijk was, omdat hij deze geschiedenis niet vertelt. Daarentegen heeft Mattheus alle reden, op het dubbele lijden van de door de duivel bezetene opmerkzaam te maken, omdat hij de vijandschap van de Farizeeën en Schriftgeleerden tegen de Heer tegenover het ontkiemend geloof van het volk zou nauwkeurig in haar ontwikkeling vervolgt; want de grootte, waartoe deze vijandschap reeds geklommen is, wordt vanzelf zichtbaar, wanneer men de grootte van het wonderwerk van Christus goed gevat heeft, en dit kan weer pas dan goed verstaan worden, wanneer men eerst de gehele omvang van het lijden kent, waarvan de ongelukkige bevrijd is. “Het moet toch een merkwaardig bijzonder gevolg zijn geweest, dat Jezus hier beoogd heeft; anders zou het volk niet tot de vraag van het ontkiemend geloof gekomen zijn; anders zouden de Farizeeën het niet nodig geacht hebben, deze indruk te verzwakken. En inderdaad – blind en stom tegelijk, dat is naar de natuurlijke loop wel nooit voorgekomen; tegenover een vereniging van dit dubbele gebrek staan wij op grond van de ervaring verlegen. Zo’n anomalie (onregelmatigheid) wordt echter slechts begrijpelijk bij de veronderstelling van bezetenheid.
En al de scharen ontzetten zich 1) en raakten buiten zichzelf van verwondering over de heerlijkheid van Christus, die in zo’n wonder Zich openbaarde, als nog nooit gebeurd was, en zij zeiden: a) Is niet deze misschien de zoon van David? 2)
Joh. 4: 29
Het volk breekt niet bij alle grote daden van de Heere in bewondering en verwondering uit; de Heere had reeds te grote daden gedaan, het gevoel was daardoor verstompt, en aan de andere zijde hadden ook de Farizeeën en Schriftgeleerden het volk reeds zo bewerkt, dat het de Verlosser niet makkelijk de schatting van de goedkeuring betaalde. Maar hier worden de stompzinnigen opgewekt en de kwaadwilligen meegesleept; zij kunnen volstrekt geen weerstand bieden aan de indruk, die het wonder van de Heere teweegbrengt; het was hier een geheel bijzonder geval, de Heere had een geheel ongewoon bezetene genezen.
Het volk is hier op het punt, Jezus openlijk als de Zoon van David, d. i. als de Messias uit te roepen.
Wanneer de aan David beloofde, willen zij zeggen, wanneer de Zoon van David, Israëls Christus en Koning, in de wereld komen zal, zal Hij door groter, heerlijker dingen, door enige daad, die meer de kracht van God openbaart, bewijzen kunnen, dat Hij is, die Hij is, dan deze, in deze daad, die de band van de duivels ontbindt, de blinde het gezicht en de stomme de spraak geeft? Nu behelst hun vraag enigermate een uitdagen: “Wie kan het loochenen dat deze de Christus is?”
Maar de Farizeeën, die in vereniging met de schriftgeleerden, die van Jeruzalem waren gekomen 15: 1″), aanwezig waren, om Hem te bespieden, dit gehoord hebbende, wat het volk onder elkaar sprak en hoe het op weg was om Jezus voor Messias te erkennen, zeiden, fluisterden in de oren om hen van hun mening af te brengen: a) Deze werpt de duivels niet uit dan door Beëlzebub, de overste van de duivels. Hij is door deze zelf bezeten (Mark. 3: 22 Joh. 7: 20; 10: 20), en diens macht is het, die zich in die duiveluitbanningen openbaart, maar niet de macht van God.
MATTHEUS. 9: 34 Luk. 11: 15
“Evenals van de zijde van de Roomse priesters dezelfde verwijten tegen de evangelische kerk bij dezelfde gelegenheden altijd en altijd weer bijgebracht worden, al zijn zij ook honderdmaal weerlegd, zo zijn ook deze Farizeeën met hun reeds eenmaal gemaakte beschuldiging (hoofdstuk 9: 34) dadelijk weer bij de hand. ” “Echt eenvoudig ziet er echter deze tegenwerping uit, want met hetzelfde recht en met een gelijke schijn van waarheid hadden zij van Zijn genezingen van zieken kunnen zeggen: Hij geneest de zieken door de dood. ” Maar het eenvoudige volk is niet met grondige bewijzen gediend; hoe handtastelijker, hoe oppervlakkiger iets is, des te sneller wekt het bijval, wanneer het voorgestelde slechts enige schijn van waarheid heeft. Deze Farizeeën hebben zich onder het volk gemengd, juist zoals zij naderhand voor de rechterstoel van Pontius Pilatus weer doen (hoofdstuk 27: 20). ” Beëlzebub is, zoals wij in 2 Kon. 1: 2 gezien hebben, de naam van een afgod van de Filistijnen, die zoveel als Vliegengod betekent. Nu ontmoeten wij ook deze naam hier (vgl. vs. 27) en in hoofdstuk 10: 25 Mark. 3: 22 Luk. 11: 15; 18: 19; , maar het wordt thans ook bijna algemeen erkend, dat de gebruikelijke lezing niet de oorspronkelijke, maar pas door een vermeende verbetering in de grondtekst gekomen is en men liever Beëlzebub te lezen heeft. Hier geldt het namelijk een naam voor de duivel; deze nu hadden de Joden in de tijd na de ballingschap met behulp van een geestigheid, die hun gehele verachting van de heidense afgoden moest aanduiden, daardoor verkregen, dat zij de naam Beëlzebub (Vliegengod) in de andere “Beëlzebub” (Drek- of mestgod) veranderden, omdat zij dan de afgodendienst smadelijk als slijk beduidden en evenzo het offeren aan de afgoden een mesten noemden. Wel betekent sebul in het Hebreeuws eigenlijk niet slijk, maar woning; waarom ook vele uitleggers de naam liever door “Heer der woning” vertalen; men heeft hier echter om gelijkluidendheid met Beëlzebub te voorschijn te brengen, in plaats van sebel, dat slijk betekent, liever sebul gezegd, omdat het toch bij woordspelingen in de aard van de zaak ligt, tot nieuwe woordvormingen zijn toevlucht te nemen.
Maar, al spraken zij hun smaadwoorden slechts in het geheim, Jezus, kennende hun gedachten, zei tot hen om hen te overtuigen van de ongerijmdheid van hun woorden: Een ieder koninkrijk, zoals gij dat te zijner tijd zelf in uw Staat zult ondervinden (Openbaring . 6: 4), dat tegen zichzelf verdeeld is, waarin de ene partij de andere bestrijdt, wordt verwoest, zodat er spoedig een einde aan komt, en iedere stad of ieder huis, dat toch in het klein een rijk vormt, zoals de stad een eenheid van huizen en families voorstelt, indien dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan, maar zal door onenigheid van de leden te gronde gaan.
En indien de satan, de overste van de duivels, van wie gij beweert, dat hij het wonderwerk aan de bezetene door Mij bewerkt heeft, de satan uitdrijft, namelijk die, die zich van die blinde en stomme had meester gemaakt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld, omdat hij met de ene hand verwoest, wat hij met de andere hand eerst heeft opgericht; hoe zal dan zijn rijk bestaan? gij weet toch, dat hij dit met alle macht probeert te bevestigen.
En indien Ik, zoals gij het volk probeert wijs te maken, door Beëlzebub de duivels uitwerp, als kon die uitdrijving alleen met behulp van deze overste van de duivels bewerkt worden, door wie werpen ze dan uw zonen uit, de leerlingen van uw eigen school, wanneer die als exorcisten optreden en door hun gebeden en bezweringen eens zo’n uitslag hebben? Schrijft gij dat dan ook aan Beëlzebub toe, of zegt gij integendeel niet uitdrukkelijk, dat het met Gods hulp is bewerkt? Daarom zullen die uw rechters zijn. Wanneer het toch waar is wat gij omtrent Mij beweert, dat een duiveluitdrijving alleen in macht van de duivel kan gebeuren, zo hebt gij die mensen tot werktuigen van de duivel gemaakt, en uzelf aan verleiding blootgesteld op de sterkste wijze. Is het echter waar, wat gij van die exorcisten beweert, dat alleen een duiveluitbanning in de kracht van God mogelijk is, zo hebt gij door uw beschuldiging tegen Mij uzelf openlijk in tegenspraak met uzelf geplaatst en u als boosaardige lasteraars tentoongesteld.
Maar indien Ik, wat gij op generlei wijze kunt ontkennen, hoe gij u ook wendt en draait, door de Geest van God de duivels uitwerp, en dat niet met weinig gevolg, zoals uw zonen, maar in gehele omvang en volheid van macht, zodat Ik alleen de vinger behoef op te heffen om aanstonds en in elk geval ze uit te bannen, zo is dan, omdat gij in Mij degene ziet, aan wie de Geest zonder mate is gegeven (Joh. 3: 34), het koninkrijk van God, dat gij met de verschijning van de Messias wacht, tot u gekomen en het volk heeft (vs. 23) zeer juist geoordeeld.
Of wanneer gij ook nog deze vanzelf sprekende sluitrede wilt ontkennen, zo zeg Mij hoe kan iemand, zoals gij ziet, dat Ik doe, omdat Ik zo vrij en zonder enige moeite en zonder tegenstand van de zijde van de boze geesten (Luk. 4: 36) de door deze gebonden zielen uit hun boeien verlos, in het huis van een sterke inkomen? Hoe kan hij ingaan in de woning van de sterk gewapende, die zijn paleis tot hiertoe zo goed bewaarde, dat het zijne met vrede is gebleven (Luk. 11: 21vv. ), en hem alleen in enkele gevallen van ondergeschikt belang met veel gebedsstrijd iets kan worden ontworsteld? En hoe kan men hen zijn vaten, die zielen, die door hem waren overweldigd en nu opeens van de ban ontheven worden (Hand. 10: 38), ontroven en die voor zichzelf in bezit nemen, tenzij dat hij eerst de sterke gebonden hebbe, zodat hij geen tegenstand meer kan bieden, en alsdan zal hij zijn huis beroven.
Hier zijn vier zaken duidelijk. Allereerst Jezus’ denkbeeld van het koninkrijk: het is ontstaan, waar Gods Geest onbeperkt regeert. Ten tweede het bewustzijn van Jezus, dat in Zijn persoon dit regeren voorhanden is. Ten derde de volle ernst van Zijn overtuiging van het bestaan van het rijk van de duivel. Heeft Jezus, zoals velen dit ook nu weer willen beweren, in Zijn spreken over duivels Zich slechts aan de spreekwijze aangesloten, zonder hiermee over de werkelijkheid van deze voorstelling een oordeel te vellen, waarom voegt Hij er dan vers 29 bij? Deze bijvoeging bewijst eerder – en dit is het vierde punt – dat Jezus Zich bewust was de duivel overwonnen te hebben. Uit deze woorden blijkt een bevestiging van Jezus zelf, dat zo’n geschiedenis, zoals de verzoeking, die door de evangelisten verteld is, werkelijk gebeurd was. Had de duivel Jezus op een vleselijke Messiasweg willen lokken, maar Jezus voor de door God bepaalde vernedering beslist, zo is het duidelijk, dat dit een binden van de sterke was. Juist om dit woord bemerkt men de rust waarin Jezus spreekt en geen spoor van dweepachtige opgewondenheid.
De lasterlijke beschuldiging: “Hij werpt de duivel uit door Beëlzebul, de overste van de duivels, ” was het uiterste en boosaardigste van de tegenspraak, die Hij van de zondaren ondervonden heeft (Hebr. 12: 3 Luk. 2: 34). Wij kunnen het moeilijk afmeten, wat deze beschuldiging van de ergste toverij en gemeenschap met de duivel in Zijn tijd, onder Zijn volk, uit de mond van deze voor het grootste gedeelte door het volk hoog geëerde Farizeeën te betekenen heeft; wat een verschrikkelijke slag van de duisternis dat was om de leer en zaak van de waarheid opeens neer te slaan en er de diepste, verschrikkelijkste haat van de mensen tegen op te wekken. Noch het een noch het ander kon de heilige rust van de vrede van God in Zijn binnenste storen en de ootmoedige zachtmoedigheid van Zijn hart kwetsen, evenmin als de kracht en vermetelheid van de boosheid, waarmee deze lastering uitgesproken werd, of het aanzien van hen, die ze uitspraken, op Hem vermocht hadden, om van de bekentenis van de waarheid en de heiliging van de naam van God iets af te doen.
Bovendien vertoont zich hier de veelvuldige wijsheid van de Heere: hoe weet Hij te disputeren! Hij gaat de gedachten na tot in haar geheimste diepten; Hij verlicht haar met het licht van de eeuwige waarheid en ontdekt haar ongegrondheid onweerlegbaar. Stier heeft recht, wanneer hij uitroept: men bestudere deze rede goed, of een ander dan de Zoon van God in het vlees zo spreken, of iemand onder de mensen zo iets bewust of onbewust verdichten kan.
Aangaande de uitdrukking: “uw kinderen” was onder de ouden die verklaring het meest verbreid, dat de Heere daarmee Zijn discipelen, de apostelen en de anderen bedoelde, die Hij macht gegeven had over de boze geesten, en hen nu als volksgenoten van de Farizeeën deze nader kwamen, en de laatsten tevens als vaders en leraars van het volk kenschetste. Maar het slot zou dan alle kracht missen, omdat het niet te veronderstellen is, dat de Farizeeën de discipelen van de Heere bij hun duiveluitwerpingen niet dezelfde schuld gaven, die zij de Meester voorwierpen: moeilijk is bij voorbeeld aan te nemen hetgeen v. Gerlach schrijft: “bij Christus voelden de Farizeeën een zekere geheimzinnige verlegenheid; zij schreven Zijn wonderkracht aan de satan toe, de discipelen echter verachtten zij te diep, dan dat zij geloofd zonden hebben, dat zij in het bezit van deze duivelskunsten waren. ” Bijna alle nieuwere uitleggers houden het liever met Luther en Calvijn, welke laatste zegt: “Ik twijfel er niet aan, dat de Heere de duivelbanners meent, van wie men zich toen zeer veel bij de Joden bediende, zoals uit Hand. 19: 13vv. blijkt. ” Inderdaad doorreisden toen de Joodse duivelbanners niet alleen het heilige land, maar oefenden ook in het buitenland wijd en zijd hun ambacht uit. Wanneer wij intussen bij Josephus lezen, op welke wijze zij de duivelbanning bewerkten, dat zij daarbij dan eens een in het noordelijk gedeelte van Jeruzalem groeiende vuurkleurige plant Baaras, dan een in een ring gevatte wortel aanwendden, en zich van zulke spreuken en formulen bedienden, die zoals men zegt nog van Salomo afstammen, zo zal het zeker niet duidelijk zijn, dat Hij Zijn daden met zulke goochelkunsten zou vergeleken, en zichzelf met zulke bedriegers op een lijn zou geplaatst hebben. Hier was de zogenaamde argumentatio ad hominem, waaraan men soms denken kon, volstrekt niet op de juiste plaats, d. i. die soort van bewijsgrond, die op de meningen en voorstellingen van een ander berust, zonder ze zelf te delen, of alsr waar te erkennen; maar de Heere kon slechts zulke duivelbanners voor ogen hebben, die noch in de categorie van de duivelse tovenaars 7: 9), noch in die van de bedrieglijke goochelaars behoorden, die integendeel door Gods macht een wezenlijk, al was het dan ook slechts zwak gevolg op het oog hadden. En dan kunnen wij, ofschoon er geen besliste bewijzen tot bevestiging van dit vermoeden zijn, toch naar de gehele samenhang van de bewijsgrond van Jezus, zowel naar dat wat bij Justinus (C. Tryphon 85) aangeduid wordt, met volle verzekerdheid aannemen, dat in de tijd van de verschijning van de Zoon van God in het vlees, (toen de gevallen van door de duivel bezetenen zich altijd meer voordeden, terwijl men vroeger, namelijk in de tijd van het Oude Testament, dergelijke dingen slechts hoogst zelden en slechts op een voorbijgaande wijze beleefd had) in de scholen van de Farizeeën en Schriftgeleerden de vraag tot behandeling gekomen was, of niet door aanroeping van de God van Abraham, Izaäk en Jakob, door bidden en vasten, misschien ook door gezang en muziek het woeden van de duivelse macht gestuit en die ongelukkigen ten minste gedeeltelijk geholpen zouden kunnen worden; zoals David toch eens de koning Saul ter zijde gestaan had, zodat de boze geest van hem moest wijken (1 Sam. 16: 14vv. ). Het is een volstrekt valse gedachte, dat van de Farizeeën en Schriftgeleerden in het geheel niets goeds kon komen; integendeel de Heere betuigt in hoofdstuk 23: 2vv. uitdrukkelijk aan hen, dat zij op de stoel van Mozes zaten en verlangt van Zijn discipelen, dat zij hun inzettingen zonden eerbiedigen, totdat Hij hen te rechter tijd ervan vrij zou maken. Toen schijnt het tot de stichting van een eigen orde gekomen te zijn voor hen, die zich bijzonder aan de dienst van God wijdden en naar aanwijzing van hun leraren zich met zekere geestelijke oefeningen bezig hielden om zich zo voor het werk van de duivelbanning door Gods kracht voor te bereiden. Deze kwekelingen van de Joodse scholen van duivelbanners heetten dan op gelijke wijze kinderen van de Farizeeën en Schriftgeleerden, als in het Oude Testament de kwekelingen van de profetenscholen kinderen van de profeten genoemd werden (2 Kon. 2: 2vv. ). Zij volbrachten werkelijk ook gedeeltelijk de genezing van bezetenen, of ten minste de verzachting van hun kwaal, maar zó, dat hun kunst slechts een voorlopende schaduw was in verhouding tot hetgeen Jezus deed, en wat Zijn discipelen ook langzamerhand door Jezus’ kracht deden (hoofdstuk 10: 1 Luk. 10: 17), waarom ook de een en ander van hen beproefde eveneens in Jezus’ naam duivels uit te werpen, zonder daarom op te houden een kwekeling van de Farizeeënscholen te zijn (Luk. 9: 49vv. ). In Zijn tijd liet de Heere dit gebruiken van Zijn naam rustig gebeuren en handelde naar de grondregel: “wie niet tegen ons is, die is voor ons; ” sinds echter de Farizeeën en Schriftgeleerden de Heer der heerlijkheid gekruisigd hadden, was van de zijde van hun kinderen of scholieren een dergelijk gebruik van de Naam een vermetele aanmatiging, enkel een goochelarij en moest dit beslist gestuit worden, zoals wij dat in Hand. 19: 13vv. zien; ja van die tijd af aan veranderden de Joodse duivelbanners altijd meer tot tovenaars en traden in deze gestalte in de tijd van Josephus op – een getrouw beeld van de gehele, door de Farizeeën verdorven en een rottend lijk geworden natie. Keren wij echter nogmaals tot de tijd van het ontstaan van die scholen van duivelbanners terug, zo mogen de discipelen van die scholen, wanneer hun vermogen om de duivel te verbannen te zwak bleek te zijn, zich met dezelfde vraag naar hun onderwijzer gewend hebben, waarmee in hoofdstuk 17: 19 de discipelen van Jezus zich tot hun Meester wendden, en hebben daarop wel hetzelfde antwoord gekregen, waarmee de Samaritaanse vrouw zich in Joh. 4: 25 uit haar verlegenheid probeert te helpen: “Wanneer Christus, de Messias komt, zal Hij ons alles verkondigen; ” daarmee hielpen zij zich dan ook uit hun verlegenheid, wanneer zij door een vruchteloze poging tot genezing met hun kunst, de duivel te bannen, voor het volk te schande werden. Het volk was dus aan de ene zijde voorbereid om in de wijze, waarop Jezus de bezetenen genas, door openbaar goddelijke macht, of door Gods vinger (Luk. 11: 20 Exod. 8: 19), zonder enige inspanning en in elk geval met dadelijk gevolg – te erkennen dat de Messias nu werkelijk verschenen was (vs. 23). Aan de andere zijde wordt de bewijsreden van de Heere in vs. 28 des te treffender, want de Farizeeën zelf hadden dit uitwerpen van duivels door Gods vinger met recht, al was het ook zonder nadere betrekking op de profetie in Jes. 49: 24vv. als kenmerkend teken van de Messiaanse tijd, opgenoemd. Steinmeyer om het bij deze gelegenheid voorlopig aan te halen, totdat wij nader daarop zullen komen 1: 28), heeft de wonderen van de Heere in 4 groepen verdeeld: 1) De wonderen als merktekenen van het nabij gekomen Messiasrijk; 2) de wonderen als zinnebeelden van de ontsloten goederen van het hemelrijk; 3) de wonderen als getuigenissen, namelijk van de werkzaam geworden macht van het hemelrijk; 4) de wonderen als voorspellingen, namelijk van de toekomstige heerschappij van het hemelrijk op aarde. De genezing van bezetenen aan de ene zijde, en de opwekkingen van de doden aan de andere zijde vormen het derde gedeelte. “Een getuigenis is meer dan een merkteken, ook meer dan een zichzelf overtreffend zinnebeeld, het staat borg voor het reeds werkzaam geworden wezen; die wonderen nu, die tot deze categorie behoren, zijn wezenlijke tekenen, dat Jezus de Verlosser is; zij duiden niet aan, wat Hij kan en wil, maar zij openbaren Hem in de volheid van Zijn heerlijkheid, als de Heere van het rijk, die als zodanig regeert. Het rijk, dat in Hem nabij gekomen was, kon niet eenvoudig op aarde woning maken, maar het moest zich zijn plaats daar zelf door strijd verkrijgen, en dat in de strijd tegen degene, die in de duisternis van deze wereld heerst, en waarvan in hoofdstuk 4: 9 gezegd wordt: “Van Hem is de wereld met al haar heerlijkheid; hij kan die geven en wegschenken. ” Omdat de Heere die nu niet uit deze hand ter leen ontvangen had, omdat Hij ze hem wilde ontrukken door overweldiging van hun vorst, moest er een strijd ontbranden, die steeds heviger werd en eindelijk tot beslissing kwam. Wij weten zeker, dat pas op het ogenblik van Jezus’ dood de finale beslissende strijd gevolgd is, zoals de Heere in Joh. 14: 30 zelf zegt, in het zicht van Zijn dood: “de vorst van deze wereld komt en heeft aan Mij niets; ” maar deze laatste beslissing sluit niet alleen niet uit, maar doet zelfs veronderstellen, dat er andere beroeringen voorafgegaan zijn, waar wel niet het middelpunt maar de omgeving van het toneel was. De Schrift duidt de overwinning van de Zoon van God over de overste van deze wereld naar twee zijden aan: eerst, negatief. Hij heeft hem uitgestoten, hem de macht uit de hand genomen (Joh. 12: 31); en dan positief, Hij heeft van Zijn zijde althans het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht (2 Tim. 1: 10). Zij schrijft de negatieve zijde meer op rekening van Zijn dood, de positieve op die van Zijn opstanding. Door Zijn dood (Hebr. 2: 14) heeft Jezus de macht ontnomen aan degene, die het geweld van de dood had, de duivel; en sinds Hij opgestaan is van de doden, wordt er geleerd, dat Hij het eeuwige leven geeft aan allen, die in Hem geloven. Zouden nu van deze werking van Zijn dood en opstanding reeds gedurende Zijn verschijning op aarde wezenlijke getuigenissen gegeven worden, zo kunnen zij slechts daarin bestaan, dat Hij werken volbrengt, krachtens welke de Satan uitgeworpen wordt (Luk. 10: 17vv. ), en aan de andere zijde deze, waardoor de wezenlijke werking van deze opgeheven en het tegenovergestelde in hun plaats gezet wordt: “gene zijn de duiveluitbanningen, deze de opwekkingen uit de doden.”
Wie nu, terwijl Ik door Mijn duiveluitbanningen Mij zo duidelijk openbaar als de overwinnaar van de satan en als de brenger van het koninkrijk der hemelen, met Mij niet is, in plaats van zich aan Mij in geloof over te geven, op onzijdigstandpunt wil blijven staan, die is tegen Mij reeds door die koude terughouding. Spoedig zal hij een openbaar vijand van Mij worden, zoals dit in u, Farizeeën, blijkt. Gij zijt gekomen om Mij eerst nog te bespieden en te beproeven, als moest gij uw oordeel over Mijn persoon en werk eerst nog opschorten, totdat gij u na nauwkeurig onderzoek overtuigd zou hebben. Omdat echter de waarheid te betwijfelen, waar zij duidelijk genoeg bewezen is, niets anders dan innerlijke vijandschap tegen haar is, zo heeft, deze innerlijke vijandschap u gedreven tot die uiterlijke bestrijding in uw lasterlijke rede. En wie, nadat het rijk van God reeds gekomen is, zoals de profeten dit te voren verkondigd hebben, met Mij niet vergadert, zoals het toch de plicht van u als oversten zou geweest zijn, om door eigen voorbeeld het volk voor te gaan in het ingaan in het rijk der hemelen, en door leer en vermaning steeds meerderen en anderen in te leiden, maar ook nu nog een afwachtende houding aanneemt, alsof het rijk van God eerst nog op geheel andere wijze openbaar moet worden, die verstrooit. Zo iemand doet de zielen, die zich reeds op de goede weg bevinden, dwalen zodat zij weer omkeren; ook dat hebt gij door uw lasteringen gedaan, ja met opzet en met alle ijver gedaan (hoofdstuk 23: 13).
Tussen die zonde, welke gij bedreven hebt, en die, welke de vreselijkste en zwaarste is, die er bestaat, is slechts een enkele schrede. Omdat Ik u nog voor deze laatste schrede wil bewaren, en u bewegen wil van de ingeslagen weg terug te keren, a) daarom zeg Ik u: elke zonde, en al ware die zelfs tot een lastering van God voortgegaan, zal de mensen vergeven worden, wanneer zij tot berouw komen en geloven. O neemt daarom de genade aan, die u nog wordt aangeboden; komt tot erkentenis van de waarheid door hetgeen Ik u (vs. 25vv. ) gezegd heb; komt uit uwvijandige verhouding tot Mij over (vs. 30); maar de lastering tegen de Geest, waartoe gij door uw lastering (vs. 24) reeds dicht genaderd zijt, zal de mensen niet vergeven worden, omdat berouw en geloof daar niet meer mogelijk is.
Mark. 3: 28 Luk. 12: 10; 1 Joh. 5: 16
a) En nog duidelijker wil Ik Mij uitdrukken, opdat gij verstaat, hoe aan de ene zijde de weg der zaligheid voor u niet geheel gesloten is, maar gij ook aan de andere zijde reeds aan de rand staat, en alleen een haastig terugkeren u kan bewaren voor een neerstorten in de afgrond. Zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen de Zoon des mensen, op de wijze als gij reeds twee maal gedaan hebt (vgl. vs. 24 met hoofdstuk 9: 34), het zal hem onder de bovengenoemde voorwaarde vergeven worden; b) maar wie tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, en zo’n rede zou de uwe reeds zijn, wanneer gij, volgens hetgeen Ik in vs. 25vv. u heb voorgehouden, nog langer daaraan wilde vasthouden, het zal hem nietvergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende; hij is strafbaar door het eeuwig gericht.
1 Sam. 2: 25 b) 1 Joh. 5: 16
De gebruikelijk geworden uitdrukking tot aanduiding van de zonde, waarover hier gesproken wordt: “Zonde tegen de Heilige Geest, ” heeft zeker in zoverre iets bedenkelijks, omdat die te algemeen en onbestemd is, en daarom gemakkelijk ook zulke zonden, zoals die in Hand. 7: 51 Efe. 4: 30 Jes. 63: 10 opgenoemd worden, en maar al te dikwijls begaan worden, daaronder begrepen kunnen worden; daarom heeft ook het woord van Christus omtrent de onmogelijkheid van de vergeving reeds vele zware gewetensangsten veroorzaakt, omdat menigeen geloofd heeft die onvergeeflijke zonde begaan te hebben, en nu geen plaats tot boete meer te kunnen vinden. Het zou daarom juister zijn de zonde, waarvan nu sprake is, als “lastering van de Heilige Geest” aan te duiden; het behouden van de gebruikelijke aanduiding vindt echter daarin rechtvaardiging, dat men daarmee niet de lagere trappen van ontwikkeling, maar eerder het toppunt van de zonde tegen de Heilige Geest bedoelt, en bij de behandeling van dit leerstuk tevens enige andere plaatsen van de Heilige Schrift in aanmerking heeft te nemen, namelijk Hebr. 6: 4vv. en 10: 26vv. Met de zo-even genoemde plaatsen komt nu de uitspraak van Christus, zoals zij zich in Luk. 12: 10 bevindt, in nauwere samenhang; zij staat zelfs in betrekking tot een aan de discipelen gerichte rede en sluit zich onmiddellijk aan de waarschuwing voor verloochening van de naam van Christus, terwijl zij boven en in de gelijkluidende plaats bij Markus op de lastering van de Farizeeën betrekking heeft. Hier hebben wij dus met ongelovigen of onbekeerden te doen, die de zonde tegen de Heilige Geest begaan, en die daardoor het geloof afweren; daar daarentegen met gelovigen en wedergeborenen, die zonde begaan, en daardoor het geloof verwerpen. Wanneer de geloofsleraars van de Lutherse kerk aangenomen hebben, dat de zonde tegen de Heilige Geest slechts door een wedergeborene kan begaan worden, die reeds in volle erkentenis van de waarheid is, en die in zijn geweten ook geheel erkent, maar haar boosaardig en hardnekkig loochent, bestrijdt en smaadt, zo hebben zij in zoverre recht, wanneer het licht van de Heilige Geest ook in het hart van een nog tegenstrevende zo’n helder licht kan werpen (1 Kor. 14: 24vv. ), dat hij in erkentenis van de waarheid en goedkeuring van het geweten wezenlijk niet achterstaat bij een, die reeds wedergeboren is. Wanneer daarentegen de Hervormde dogmatici beweren, dat bij een wedergeborene de zonde tegen de Heilige Geest niet meer mogelijk is, zo is hier de wedergeborene met de uitverkorene verward (?) Of echter iemand uitverkoren is, kan men pas aan het einde erkennen, wanneer zijn gehele loopbaan als Christen geëindigd is, en dan ook nog niet altijd met onbedriegelijke zekerheid. In elk geval behoudt het woord van zonde tegen de Heilige Geest zijn hoge praktische betekenis voor een ieder zonder uitzondering. Wij kunnen dat echter pas goed behandelen, wanneer wij tot de verklaring van de brief aan de Hebreeën gevorderd zijn. Voor nu hebben wij slechts onze gronden daarvoor aan te voeren, waarom wij boven bij de verklaring van dat gedeelte van de veronderstelling uitgegaan zijn, dat de Farizeeën er weliswaar dicht bij waren om de zonde tegen de Heilige Geest te begaan, maar ze in werkelijkheid nog niet begaan hadden. Dikwijls oordeelt men anders. De Farizeeën hadden, zo zegt men ook, met hun lastering de Heilige Geest reeds als een onreine geest gehoond, terwijl zij de werken van Jezus als werken van de duivel brandmerkten en hun lastering was niet alleen een beschimping van de persoon van Jezus, zoals toen zij Hem een vraat en wijnzuiper noemden, maar zij was reeds tegen het goddelijke en heilige, als goddelijk en heilig zich daadzakelijk bewijzende principe gericht, waardoor Hij handelde; hun lastering gold dus niet de Mensenzoon in Zijn verschijning, maar de Geest van God, die in Hem en door Hem regeert. Intussen moeten wij hierop antwoorden, hoe juist het hier aangemerkte op een objectief standpunt ook is, hoezeer de Heere door Zijn eigen erkentenis een recht heeft, de door de Farizeeën tegen Hem uitgesproken lastering voor een lastering tegen de Heilige Geest, die in en door Hem regeert, aan te zien, zo weinig is het aan te nemen, dat de Farizeeën ook van hun zijde geweten hadden, wat zij eigenlijk gedaan hadden, en dat zij met voorbedachte rade en opzettelijk tegen de Geest van God in Zijn getuigen door Jezus gesproken hadden. Eerder dient de gehele bewijsrede van de Heere daartoe, om hen eerst tot het inzicht te brengen, dat hen tot hiertoe nog ontbreekt, en de waarschuwing, die daarop volgt, bedoelt een heilzame verschrikking. Zij moesten het voelen, hoever zij reeds met hun boosheid gegaan zijn. Op een subjectief standpunt, d. i. naar evenredigheid van het inzicht en de mening, die zij tot hiertoe hadden, hadden zij nog slechts de Zoon des mensen gehoond; hadden zij later, nadat zij van de gemeenschap van deze Mensenzoon met de Heilige Geest overtuigd geworden waren, en de waarheid van hetgeen Jezus van zichzelf betuigde, zich aan hen zo krachtig opgedrongen had, dat zij het in hun hart ook niet konden tegenspreken, maar zich gevangen moesten geven, wanneer hun beschuldiging nog eens herhaald was, zo ware dat ook subjectief een lastering tegen de Heilige Geest geweest. Wij lezen daar niets van; maar zeker heeft Jezus hun ook geen gelegenheid tot herhaling aangeboden. Naar het ons toeschijnt, heeft Hij ook daarom spoedig daarna Zijn openlijke werkzaamheid in Galilea opgegeven en (behalve de dochter van de Kananese vrouw, die Hij toch in het verborgen genezen heeft) geen duivels meer uitgeworpen om het niet tot het uiterste te doen komen. Hij moest hen niet in de boze onbezonnenheid van hun hart laten voortleven, maar hen betuigen, hoe ver het nu reeds met hun boosheid gekomen was, maar hun dan ook tijd tot stil nadenken geven en hen voortaan alle verzoeking besparen. Een voorbeeld van echte zielzorg!
Hoe ontzettend zondig is het te zondigen tegen beter weten in. Dit is een praktisch besluit, getrokken uit de woorden van de Heiland over de lastering tegen de Heilige Geest. Hoewel deze woorden ontegenzeglijk zeer moeilijk te verklaren zijn, tonen zij nochthans duidelijk, dat er trappen in de zonde zijn. Misdaden, voortkomende uit onwetendheid aangaande de Persoon van Christus, zullen niet zo zwaar worden gestraft als die, welke begaan worden tegen en in weerwil van het heldere licht van de Heilige Geest. Hoe helderder het licht is, des te zwaarder is de schuld van hem, die dat licht verwerpt. Hoe duidelijker de kennis van de mens is aangaande natuur van het Evangelie, des te groter is zijn zonde, wanneer hij moedwillig in zijn onbekeerlijkheid en zijn ongeloof blijft volharden. Ook op andere plaatsen in de Heilige Schrift vinden wij deze leer bevestigd. Paulus schrijft aan de Hebreeën: “Het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en de Heilige Geest deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord van God, en de krachten van de toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, opnieuw te vernieuwen tot bekering. ” “Als wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonde, maar een verschrikkelijke verwachting van het oordeel. ” (Hebr. 6: 4-6; 10: 26, 27). Alom vinden wij de treurigste bewijzen voor de waarheid van deze leer. Onbekeerde kinderen van godzalige ouders, onbekeerde dienstboden van godvrezende gezinnen, en onbekeerde leden van evangelische gemeenten zijn het minst toegankelijk voor de kracht van de waarheid. Zij schijnen elk gevoel verloren te hebben. Hetzelfde vuur, dat de was smelten doet, maakt de klei hard als steen. Bovendien wordt deze leer op verschrikkelijke wijze bevestigd door de geschiedenis van hen, die blijkbaar zonder hoop de eeuwigheid zijn ingegaan. Farao, Saul, Achab, Judas Iskariot, Juliaan, Francis Spira en anderen zijn ontzettende voorbeelden van de leer van de Zaligmaker in deze woorden. In al die gevallen zien wij, bij een heldere kennis, een onbeschaamd verwerpen van Christus. Bij veel licht in het hoofd, zien wij haat en vijandschap tegen de waarheid in het hart. En het einde van deze allen was, zover wij kunnen zien “donkerheid en eeuwige duisternis. “
Wilt gij u echter bewust worden, waarop dat boze woord (vs. 24) wijst, zo hoort een gelijkenis (hoofdstuk 7: 17vv. ): Of maakt de boom goed, en gij zult u aanstonds moeten denken, dat zijn vrucht goed is; of maakt de boom kwaad, en gij stelt u dadelijk voordat zijn vrucht kwaad is; want uit de vrucht wordt de boom gekend; zo moet men ook uit uw woorden de toestand van uw hart leren kennen.
Gij adderengebroedsels! zo heeft Johannes de Doper u terecht genoemd (hoofdstuk 3: 7) – hoe kunt gij goede dingen spreken, omdat gij volgens de gezindheid van uw hart boos zijt? a) want uit de overvloed van het hart spreekt de mond (Luk. 6: 45); waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.
Ps. 40: 11
De goede mens brengt in de woorden, die hij spreekt, goede dingen voort uit de goeden schat van het hart, en de boze mens brengt boze dingen voort uit de boze schat, die in zijn hart bewaard ligt.
Misschien wilt gij uzelf trots maken, dat zo’n enkel woord zoveel niet kan betekenen, dat gij daarom geheel verworpen zou worden, dat het maar een woord is, inogenblikkelijke opwelling gesproken en zo’n volgens niet te sterk moet worden toegerekend. Maar Ik zeg u, a)dat woorden geenszins een zo geringe zaak zijn, zodat zij nauwelijks in aanmerking zouden komen; integendeel zeg Ik, dat van elk ijdel woord, dat de mensen gesproken zullen hebben, zij daarvan rekenschap zullen geven b) op de dag van het oordeel, even zo goed als van elke zondige daad, die zij misdreven.
Efe. 5: 4 b) Pred. 12: 14
Want uit uw woorden zult gij, o mens! wie gij ook zijt, gerechtvaardigd worden, wanneer zij goed waren, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden, wanneer zij kwaad waren. Zij zijn als de uitlatingen van uw hart reeds voldoende om het vonnis van de eeuwige Rechter over u te bepalen en, streng genomen, was het niet nodig op uw daden acht te geven om daarnaar uw vonnis uit te spreken.
2 Sam. 1: 16 Luk. 19: 22
Bij Markus lezen wij in deze samenhang niets van de rede vs. 33-37 , en ook Lukas heeft, wat bij hem met vs. 33-35 overeenkomt, niet in de voor ons liggende geschiedenis, maar in de herhaling van de bergrede in hfdst. 6: 20-49 ; daaruit is echter niet te besluiten, dat Mattheüs hier de rede van de Heere tot de Farizeeën met eigen bijvoegsels vergroot en er iets bijvoegt, wat Jezus eigenlijk op een andere tijd en bij een andere gelegenheid gesproken heeft; eerder is hij juist in de mededeling van de gesprekken van de Heere zeer nauwkeurig en zorgvuldig, terwijl van zijn voorstelling van de gebeurtenissen vaak van de aanschouwelijkheid in het uiterlijke iets afgaat. Wat de uitspraak in vs. 37 betreft, daarvan zegt Menken geheel terecht: “Het meest besliste omtrent de verborgen grond van het wezen van een mens, het beste en het slechtste van zijn hart en leven, zal zich aan het einde toch wel in het woord en de rede van een mens openbaren. Het meest beslissende omtrent deze Farizeeën, wat de ontzettende boosheid van hun wezen het duidelijkst openbaarde, was het woord van de lastering, dat zij juist gesproken hadden, en dat hen verdoemde. Dat mooie woord van ootmoed, van behoefte, van een aanhoudend, onwrikbaar geloof van de heidin in hfdst. 15: 21vv. , dat Jezus bewonderde, was het mooiste in haar leven, en openbaarde meer van de verborgen waarde en adel van haar hart, dan twintig daden hadden kunnen doen, het werkte uit, wat noch twintig noch duizend daden hadden kunnen uitwerken – het rechtvaardigde haar. ” Even waard om er acht op te slaan is hetgeen P. Lange schrijft: “In zijn gedachten is de mens voor de wereld verborgen, in zijn daden wordt hij door de wereld bepaald, gestuit of voortgedreven – zijn woord echter is de reinste spiegel van zijn leven.
a) Toen antwoordden sommigen van de Schriftgeleerden en Farizeeën, omdat zij wel voelden dat Jezus Zich door deze verklaringen in Zijn koninklijke richtende waardigheid van Messias tegenover hen stelde, alsof zij bereid waren Hem als Israëls Beloofde aan te nemen, wanneer Hij Zich volgenshun opvatting van de profetische plaatsen Dan. 7: 3vv. Joël 3: 3vv. zou openbaren, zeggende: Meester, wij wilden van U wel een teken zien, dat niet zoals die wonderen op de aarde, maar aan de hemel gebeurt (Luk. 11: 16 MATTHEUS. 16: 1), want zo’n teken alleen kan ons overtuigen.
Mark. 8: 11; 1 Kor. 1: 22
Zonder twijfel wordt reeds het chiliastische hemelteken bedoeld; wij bemerken dus hier het ontkiemen van een nieuwe vijandelijke kunstgreep, die in hoofdstuk 16: 1 tot rijpheid komt, zoals de ontkiemende kunstgreep in hoofdstuk 9: 34 hier in vs. 24 tot rijpheid kwam. Zonder grond neemt v. Gerlach, aan dat deze andere Farizeeën beter maar verdeeld van hart waren; veel beter kan men aannemen, dat het de ergsten van de bozen waren.
Op de eerste aanblik kan het ons toeschijnen, dat deze Farizeeën nog niet zo verhard zijn, als de anderen; zij begeren een teken en zeggen daarmee, dat zij slechts nog deze overtuiging behoeven om zich bij de Heere aan te sluiten. Maar wij hebben wel reden, degenen, die dit teken vroegen, niet boven hun broeders te stellen. Zij schijnen de zaak op het gemakkelijkst aan te grijpen (zij waren toch de leden van het van Jeruzalem gezonden gezantschap en bezaten grotere bedrevenheid in geestelijke processen); terwijl die de Heere openlijk het hoofd boden, schijnen dezen Hem genegen te zijn om Hem niet, zoalsde eersten op een lompe manier, maar op de fijnste wijze in het verderf te storten. Het teken, dat zij zo-even gezien hebben, verklaren zij door deze eis voor onvoldoende, zij verzwakken daardoor de indruk van dit wonder, en omdat zij zeker konden zijn, dat de Heere hun eis niet inwilligt, zullen zij het volk, dat zij door hun vraag in spanning brengen, en dat zich in Zijn verwachtingen bedrogen zal vinden, van de Heere afkerig maken.
Maar Hij antwoordde en zei tot hen, tot de scharen, die in hun zucht naar wonderen zich rondom Hem verdrongen, alsof Hij werkelijk naar hun eis zou horen, en nu het teken van de hemel zou geven (Luk. 11: 29): Het boos en overspelig, van God afgevallen en geheel in zelfzucht en werelddienst weggezonken geslacht (hoofdstuk 11: 16)verzoekt, alsof alle tekenen en wonderen, die reeds gebeurd zijn, zonder waarde waren, een teken, dat hen opeens over al hun bedenkingen en twijfels heenzet; en hun zal geen teken gegeven worden, waardoor Ik bewijs de Zoon van God en de Verlosser van Mijn volk te zijn, dan het teken van Jonas, de profeet (Jon. 2), dat als een voorafschaduwing gebeurd is.
Want zoals Jonas drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, (het Griekse woord betekent slechts: grote vis, zeemonster dus waarschijnlijk een haai), zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten, volgens de gewone wijze van rekenen (1 Sam. 30: 12) wezen in het hart van de aarde, wat het lichaam aangaat in het graf, wat de ziel aangaat in het dodenrijk (Ps. 16: 10 Efe. 4: 8vv. 1 Petrus . 3: 19vv.).
Evenals de ware Messias het chiliastische Messiasbeeld van de Farizeeën tegensprak, zo zou nu ook het ware, grote Messias-teken de chiliastisch-ingebeelde eis van een hemelteken tegenspreken, bijzonder ook in zijn boete-predikende ernst: die wilden een teken van de hemel, dat hun geheel bederf zou vergulden; Hij wil hun een teken uit de diepte van het dodenrijk geven, dat hun gehele schijnheilige dronkenschap van de wereld oordeelt.
Dit is de zesde maal, dat Jezus op bedekte wijze op Zijn dood wijst. Door de doop (hoofdstuk 3: 13vv. ) spreekt Hij voor Zijn vader Zijne bereidwilligheid om te sterven uit; het woord van Zijn verhoging (Joh. 3: 14vv. ) zal aan Nikodemus, dat van het wegnemen van de bruidegom (hoofdstuk 9: 15) de discipelen van Johannes, dat van het opnemen van het kruis (hoofdstuk 10: 38) aan de twaalven, het afbreken van de tempel (Joh. 2: 19) en het teken van Jona aan de vijanden, wanneer Zijn lot eenmaal vervuld zal zijn, tot bewijs dienen, hoe weinig Hij erdoor verrast is. Met het woord van het afbreken van de tempel heeft dat van het teken van Jona ook nog die gelijkheid, dat beide, behalve op de dood, op de terugkeer uit de dood wijzen.
Dat het onwaardig, dwaas, onwaar zou geweest zijn, wanneer Jezus in deze ernstige toestand en in die stemming zich dus op Jona’s geschiedenis beroepen had, en deze geschiedenis toch voor een fabel gehouden had, dat behoeft geen uitleg; de gehele gedachte is profaan, en dus geen aanmerking en weerlegging waardig om daar niet van te spreken, dat de Farizeeën en Schriftgeleerden Hem hadden kunnen antwoorden: “is het zo gesteld met de door u aangeduide opstanding uit de dood, zo behoeft niemand daarvoor te vrezen! Zal Uw opstanding zoals de redding van de profeet uit de buik van de vis volgen, zo volgt zij nooit; wanneer het voorbeeld een fabel is, zo moet het afgebeelde ook een fabel zijn.
Maar wat zal dat teken, zo groot in overredingskracht, in het algemeen bij het volk uitwerken! a) De mannen van Nineve, om hier de geschiedenis van de profeet Jona nog verder op Israël toe te passen, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht als getuigen tegen hen, en zullen het veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas, voor wiens zending door God zij een bewijs in zijn wonderbare redding zagen (Jona 3: 5 en Joel 2: 14″). En ziet: meer dan Jonas is hier in Mij, de mens geworden Zoon van God, de grootste van alle profeten.
Luk. 11: 32
a) De koningin van het Zuiden, om nog een ander voorbeeld uit de oude tijd te nemen (1 Kon. 10: 1vv. ) zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en het veroordelen; want zij is gekomen van deeinden der aarde, uit haar land, uit Arabia felix, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier in de persoon van Hem, in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen (Kol. 2: 3).
2 Kron. 9: 1 Luk. 11: 31
Met twee voorbeelden bewijst Christus de zwaardere schuld, de grotere strafbaarheid van het ongeloof en de harde bestraffing van zijn tijdgenoten. De Ninevieten: daar slechts een profeet, hier de Zoon van God zelf; daar slechts een boetprediking, hier ook genadeprediking en genadegave tot boete; daar boete, hier onboetvaardigheid en daarna de straf, die zij door boete ontgingen. De koningin van Arabië: zoekend komt zij uit het verre land, zonder moeite te vrezen, hier wordt het in de nabijheid aangebodene niet eens aangenomen; daar hevig verlangen en geloof, hier afkerigheid en ongeloof; daar Salomo, hier Christus met hogere wijsheid.
Maar reeds in deze tijd zal een zwaar gericht over dit geslacht komen, dat het best zal blijken uit het wonder, dat door Mij is verricht. a) En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, waarheen hij zich als in de eigenlijke verblijfplaatsen vande duivels moet terugtrekken 16: 22″), zoekende rust, en vindt ze niet.
Luk. 11: 24
Dan zegt hij: Ik zal terugkeren in mijn huis, vanwaar ik uitgegaan ben, en komende vindt hij het leeg, onbezet, met bezems gekeerd en versierd, en dus uitnodigende om opnieuw binnen te komen.
Dan gaat hij heen om nu ook het volste gebruik van die uitnodiging te maken, en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf, a) en ingegaan zijnde, wonen zij daar; en het laatste van die mens, zijn toestand na het binnendringen van die geesten, wordt erger dan het eerste, dan toen slechts één onreine geest hem in bezit had (2 Petrus . 2: 20). Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn, nadat het Mij geheel heeft verworpen en zich tot een versierd huis voor de onreine geesten gemaakt heeft; het zal in kinderen en kindskinderen geheel door duivelse geesten bezeten zijn.
Hebr. 6: 4, 5; 10: 26
De Heere heeft een duivel uitgeworpen (vs. 22), en Hij deed dat dikwijls; iedere duivel echter, die uit een lid van het volk uitgevaren is, is krachtens de samenhang van de leden met het geheel, uit het volk zelf uitgevaren. Werd het volk nu daardoor uit de strikken van de satan los? Het tegendeel gebeurde, het werd altijd bozer; want het verhardde zich meer en meer tegen de macht van de waarheid en de liefde, die hun in Christus tegemoet kwam, zoals de Farizeeën (vs. 24-38) bewezen. Deze verergering, die een gevolg is van de grenzenloze verharding van hun hart, wordt onder het beeld van de zevenvoudige versterking van de terugkerende boze geesten voorgesteld; hoe veel duivels de Heere ook uitwerpt, het is bij het volk om niet; want terwijl het geen boete doet, niet in zichzelf keert en tot erkentenis van de waarheid komt, zo wint de vijand plaats, om hen in nog zwaarder banden te leggen, zoals het voor ogen ligt en zich steeds duidelijker openbaren zal.
Volgens de samenhang schijnt het, dat deze rede niet geheel beeldspraak en toch niet geheel zonder beeldspraak is. Jezus had zo-even een duivel uit een zieke uitgedreven; toen de Farizeeën echter lasterden: “Hij drijft de duivel uit door Beëlzebul, ” toen scheen de duivel reeds met zeven anderen teruggekeerd te zijn en Hem vermetel tegen te staan, spottende met Zijn vroegere overwinning. Daarin vond Jezus nu een beeld van Zijn gehele werkzaamheid in Israël; die een duivel, de duivel van de psychische volksellende dreef Hij overal uit het volk uit; maar met de zeven duivels van het lasterende ongeloof keerde die overal weer. Het is zeer veel betekenend en volstrekt evangelisch, dat dat akelige duivelse lijden zevenmaal kleiner voorgesteld wordt dan de ellende van de duivelse schuld.
Toen de Joden de Messias verworpen en gedood en Zijn discipelen vervolgd en verjaagd hadden, en de beteren en edeleren zich nu van hen scheidden, uit het oude Israël en tot het Israël van het Nieuwe verbond met aanneming van het Evangelie van Jezus Christus overgaande, toen hield hen niets meer tegen; toen zonken zij snel van diepte tot diepte, van blindheid en boosheid tot blindheid en boosheid; toen werden zij geheel en al van de Heilige Geest ontvreemd, door de misleiding en de invloed van de duivel gedreven, bezield door een geestdrijvende, ongelovige, bijgelovige, wilde, oproerige moordgeest, meegesleept tot een aanzijn en werken, dat niet deugde en waardoor zij zelf die verschrikkelijke ontwikkeling van hun geschiedenis moesten veroorzaken, die met de verwoesting van het land, met de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel, en met de verstrooiing van het volk onder alle natiën eindigde. Verblindheid van verstand, verhardheid van hart, onverstand voor het eeuwige en goddelijke is sinds die tijd het lot van dit ongelukkige volk, zodat het meer dan ieder ander volk slechts naar het lage en slechte streeft, omdat het naar zijn gehele bestemming, meer dan enig ander volk, alle andere volken tot een voorbeeld, in al zijn denken en handelen slechts naar het hoogste en beste moest streven. Dit ligt op dat volk als een zwaar en onverzoend gericht.
Is deze schildering niet de geschiedenis van het gehele lichaam van de Christelijke kerken. Verlost van de duisternis van het heidendom door de prediking van het Evangelie, hebben zij nochthans nimmer in waarheid overeenkomstig het haar geschonken licht geleefd. Hoewel door de Hervorming velen als met een nieuw leven begiftigd werden, hebben zij evenwel geen goed gebruik gemaakt van de haar geschonken voorrechten, en zijn zij niet voortgegaan tot de volmaaktheid. Zij zijn allen meer of min halverwege blijven zitten op hun droesem. Zij zijn allen maar al te zeer geneigd geweest zich te vergenoegen met slechts uiterlijke verbeteringen. En nu openbaren zich in vele afdelingen van de Christelijke kerk de smartelijke tekenen, dat de “onreine geest is teruggekeerd in zijn huis”, en een losbarsting van afval en ketterij voorbereidt, zoals de Christelijke kerk nog nimmer heeft aanschouwd. Terwijl hier het ongeloof, ginds weer het bijgeloof op schrikbarende wijze toeneemt, wordt alles meer en meer rijp voor een ontzettende openbaring van de antichrist. Het staat zeer te vrezen dat “het laatste” van de zich noemende Christelijke kerken zal blijken te zijn “erger dan het eerste. ” Maar wat nog het treurigst van alles is, wij hebben ook in dit tafereel de geschiedenis van menige ziel. Er zijn mensen, die gedurende een zekere tijd van hun leven onder de invloed schenen te zijn van een krachtig godsdienstig gevoel. Zij begonnen een geheel andere wandel te leiden. Zij legden veel af dat kwaad was. Vele dingen die goed zijn namen zij aan. Daar echter bleven zij staan, in plaats van voorwaarts te gaan, en langzamerhand lieten zij de godsdienst links liggen. De onreine geest kwam weer om zijn intrek te nemen in hun harten, en vond ze “leeg, met bezems gekeerd en versierd. ” En nu zijn zij erger dan zij ooit te voren waren. Hun geweten schijnt dichtgeschroeid te zijn. Hun smaak voor godsdienstige zaken is geheel en al bedorven. Zij zijn als mensen, die overgegeven zijn in een verkeerde zin. Men zou zeggen dat het “onmogelijk is ze opnieuw te vernieuwen tot bekering. ” Bij niemand vertoont zich de verdorvenheid in een zo hopeloze toestand als bij hen die, na onder sterke godsdienstige overtuigingen verkeerd te hebben, opnieuw teruggekeerd zijn tot de zonde en de wereld.
a) En toen Hij nog tot de scharen sprak en met een vrouw te doen had, die hare stem verhief in grote verwondering over Hem (Luk. 11: 27vv. ), ziet, Zijn moeder en broeders (“Uit 2: 23”) stonden buiten de dichte volksmenigte, in wier midden Hij Zich bevond, proberende Hem te spreken, of zij Hem niet konden bewegen mee naar huis te gaan, omdat zij zich zeer bevreesd over Hem maakten (Mark. 3: 21).
Mark. 3: 31 Luk. 8: 20
Zijn moeder en broeders stonden buiten, proberende Hem te spreken, terwijl zij binnen hadden moeten staan, proberende Hem te horen. Dikwijls zijn zij, die het naaste zijn aan de middelen tot kennis en genade het onachtzaamst en onverschilligst. Wij verwaarlozen makkelijk, wanneer wij denken enige dagen te hebben, vergetende dat de dag van morgen de onze niet is.
En iemand, door wiens bemiddeling zij hun aankomst lieten melden, omdat zij zelf niet tot Hem konden doordringen, zei tot Hem: Zie Uw moeder en Uw broedersstaan daar buiten, proberende U te spreken, ga dan tot hen uit!
Maar Hij antwoordende zei tot degene, die Hem dat zei: Wie is Mijn moeder en wie zijn Mijn broeders, dat zij om hun lichamelijke verwantschap bijzondere rechten op Mij willen laten gelden?
En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, die in een kring rondom Hem zaten, (Mark. 3: 32, 34), zei Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.
a) Want wie de wil van Mijn Vader doet, die in de hemelen is, door in Mij te geloven (Joh. 6: 40), die is Mijn broeder, en zuster, en moeder; deze zijn Mijn bloedverwanten naar de Geest, wier eeuwige belangen Mij boven alles wegen.
Joh. 15: 14; 2 Kor. 5: 16 Gal. 5: 6; 6: 15
Wij hebben ons uit de evangelist Markus voor ogen gesteld 12: 22), hoe de moeder en broeders van Jezus met Zijn overige huisgenoten spoedig bij de aanvang, van de hier voor ons liggende geschiedenis van Kapernaüm zich naar het zeestrand bij Bethsaïda op weg begeven hadden, om Hem, die Zich niet eens tijd gunde om te eten, uit het grote gedrang tot zich naar huis te halen; zij kwamen, naar het schijnt, juist op de tijd aan, toen die vrouw uit het volk, van wie Lukas vertelt, uitriep: “Zalig is de buik, die U gedragen heeft, en de borst, die U gezoogd heeft. ” Het zou in elk geval een merkwaardige ontmoeting zijn, dat zij, die deze lof gold, zich reeds op de plaats bevond, en door haar komst er de verklaring toe gaf, dat de rede van de vrouw uit de omstandigheden geboren was en een nadere aanvulling behoefde. De vrouw meent het goed, zegt Bengel, maar zij spreekt op de wijze van de vrouwen, d. i. zoals Luther het uitdrukt: uit een vleselijke, vrouwelijke aandoening. “Het woord was een mooie huldiging, die de Heere zelf verheerlijkte in een ogenblik, toen de opperpriesters van het land Hem reeds als een ketter verdoemden, die met de duivel in verbintenis stond; maar het woord moest verder uitgewerkt worden, wanneer het niet in een dwaling verbasteren zou, zoals het in de latere afgodische Mariadienst aan de dag komt. Het was geheel naar waarheid toen de vrouw Maria zalig sprak; maar zij moest weten, dat Maria alleen door het horen en bewaren van het Woord van God tot haar enige ervaring van het bezoek van God gekomen is (Luk. 1: 38, 45), en dat dit ook nu nog de voorwaarde was, nu, juist op een ogenblik, waarin zij in gevaar was, door een gebrek aan het bewaren van het Woord van God zich voor een tijd een onaangename stemming te bereiden. ” Aangaande de melding van de aankomst van de moeder en broeders van Jezus vermoedt Ebrard, dat uit de mond van hem, die zich uit de achterste rijen van de volksmenigte naar voren gedrongen heeft om hen naar Jezus te brengen, zij het op zich genomen hadden om de daarin liggende vraag te versterken (in Mark. 3: 32vv. en Luk. 8: 20vv. is van meerdere sprekers sprake), wie deze afbreking van deze voor de
Farizeeën zo pijnlijke toestand zeer welkom geweest is; in elk geval ging de Heere, nadat Hij de getuigenis afgelegd had, dat Hem het belang van Zijn ambt hoger gold, dan ieder belang van Zijn familie, en dat de geestelijke broederschap in God voor Hem een inniger verband was, dan die van de bloedverwantschap, voor dit ogenblik met de Zijnen naar huis, maar bevond zich ‘s middags, zoals het volgende hoofdstuk aantoont, weer aan het strand.
Uit Mark. 3: 21, 31 schijnt men te moeten opmaken, dat zij Hem in Zijn rede wilden stuiten om Jezus van zijne volijverige werkzaamheid in Zijn beroep af te brengen, die Hem, zo zij vreesden, zou krenken in het verstand; in elk geval wilden zij, als Hem nader bestaande dan het volk, het eerst met hun goede zorg tussenbeide komen. Reeds gedurende Zijn omwandeling op aarde wenste Christus, dat niemand Hem kennen zou naar het vlees (2Co 5: 16), maar dat men op Hem zou leren zien met het oog van het geloof en dat men het zou weten, dat ieder die naar de Geest wedergeboren is, als broeder en zuster met Christus verbonden is. Overigens weten wij het wel, hoe heilig Hem de menselijke betrekkingen waren, en hoe Hij niet slechts als kind, maar ook later Zijn moeder heeft geëerd en verzorgd (Joh. 19: 25vv. ). Zijn handelwijze moet ook nu nog richtsnoer zijn voor de onze; daar moeten de aardse betrekkingen en verbintenissen van de liefde worden verloochend, waar zij als hinderpaal aan het Godsrijk in de weg staan, ofschoon de vraag, of dit werkelijk het geval zij, met grote omzichtigheid en innige liefde moet worden onderzocht en beslist.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel