Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG2532 zij kwamenG2064 over opG1519 de andere zijde der zeeG2281, inG1519 het landG5561 der GadarenenG1046.
En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarenen.
KJV
And1
they came over2
unto3
the other side5
of the sea,7
into8
the country10
of the Gadarenes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EnG2532 zo HijG846 uitG1537 het schipG4143 gegaanG1831 was, terstondG2112 ontmoetteG528 HemG846, uitG1537 de gravenG3419, een mensG444 metG1722 een onreinenG169 geestG4151;
En zo Hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreinen geest;
KJV
And1
when he3
was come2
out of4
the ship,6
immediately7
there met8
him9
out of10
the tombs12
a man13
with14
an unclean16
spirit,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Dewelke zijn woningG2731 inG1722 de gravenG3419 hadG2192, en niemandG3762 konG1410 hemG846 bindenG1210, ook zelfsG3777 niet met ketenenG254.
Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen.
KJV
Who1
had4
his dwelling3
among5
the tombs;7
and8
no man11
could12
bind14
him,13
no, not9
with chains:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Want hijG846 was menigmaalG4178 met boeienG3976 enG2532 ketenenG254 gebondenG1210 geweest, enG2532 de ketenenG254 waren vanG5259 hemG846 in stukken getrokkenG1288, en de boeienG3976 verbrijzeldG4937, enG2532 niemandG3762 was machtigG2480 omG1223 hemG846 te temmenG1150.
Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen.
KJV
Because1
that he3
had been often4
bound8
with fetters5
and6
chains,7
and9
the chains14
had been plucked asunder10
by11
him,12
and15
the fetters17
broken in pieces:18
neither19
could22
any man tame23
him.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En hij wasG1510 altijdG1275, nachtG3571 enG2532 dagG2250, opG1722 de bergenG3735 enG2532 inG1722 de gravenG3418, roependeG2896 enG2532 slaandeG2629 zichzelvenG1438 met stenenG3037.
En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen.
KJV
And1
always,3
night8
and9
day,10
he was
in11
the mountains,13
and14
in15
the tombs,17
crying,19
and20
cutting21
himself22
with stones.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Als hij nuG1161 JezusG2424 vanG575 verreG3113 zagG1492, liepG5143 hij toe, en aanbadG4352 Hem.
Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem.
KJV
But2
when he saw
Jesus4
afar off,5
he ran7
and8
worshipped9
him,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG2532 met een groteG3173 stemG5456 roependeG2896, zeideG2036 hij: WatG5101 heb ikG1473 met U te doen, JezusG2424, Gij ZoneG5207 GodsG2316, des AllerhoogstenG5310? Ik bezweerG3726 UG4771 bij GodG2316, dat Gij mijG1473 nietG3361 pijnigtG928!
En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt!
KJV
And1
cried2
with a loud4
voice,3
and said,
What6
have I
to do8
with thee,
Jesus,10
thou Son11
of the most high15
God?13
I adjure16
thee
by God,19
that thou torment22
me
not.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
(WantG1063 Hij zeideG3004 tot hem: Gij onreineG169 geestG4151, ga uitG1537 van den mensG444!)
(Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens!)
KJV
For2
he said1
unto him,3
Come4
out of9
the man,11
thou unclean8
spirit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
EnG2532 Hij vraagdeG1905 hemG846: WelkeG5101 is uw naamG3686? EnG2532 hij antwoorddeG611, zeggendeG3004: Mijn naamG3686 is LegioG3003; wantG3754 wij zijnG1510 velenG4183.
En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.
KJV
And1
he asked2
him,3
What4
is thy
name?6
And7
he answered,8
saying,9
My
name11
is Legion:10
for13
we are
many.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
EnG2532 hij badG3870 Hem zeer, datG2443 Hij hen buitenG1854 het landG5561 nietG3361 wegzondG649.
En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.
KJV
And1
he besought2
him3
much4
that
he would8
not
send
them7
away
out of9
the country.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
EnG1161 aldaar aanG4314 de bergenG3735 wasG1510 een groteG3173 kuddeG34 zwijnenG5519, weidendeG1006.
En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende.
KJV
Now2
there was
there3
nigh4
unto the mountains6
a great9
herd7
of swine8
feeding.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
EnG2532 alG3956 de duivelenG1142 badenG3870 HemG846, zeggendeG3004: ZendG3992 ons inG1519 die zwijnenG5519, opdatG2443 wij inG1519 dezelveG846 mogen varenG1525.
En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen.
KJV
And1
all4
the devils6
besought2
him,3
saying,7
Send8
us
into10
the swine,12
that13
we may enter16
into14
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En JezusG2424 lietG2010 het hunG846 terstondG2112 toe. En de onreineG169 geestenG4151, uitgevarenG1831 zijnde, voerenG1525 in de zwijnenG5519; en de kuddeG34 stortteG3729 van de steilteG2911 af in de zeeG2281 (daar warenG1510 er nuG1161 omtrent twee duizendG1367), en versmoordenG4155 in de zeeG2281.
En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent twee duizend), en versmoorden in de zee.
KJV
And1
forthwith4
Jesus6
gave2
them3
leave.
And7
the unclean12
spirits10
went out,8
and entered13
into14
the swine:16
and17
the herd20
ran18
violently down21
a steep place23
into24
the sea,26
(they were
about29
two thousand;)30
and31
were choked32
in33
the sea.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En die de zwijnenG5519 weiddenG1006 zijn gevluchtG5343, en boodschaptenG312 zulks inG1519 de stadG4172 en opG1519 het landG68. En zij gingenG1831 uit, om te zienG1492, watG5101 het wasG1510, dat er geschiedG1096 was.
En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was.
KJV
And2
they that fed3
the swine5
fled,6
and7
told8
it in9
the city,11
and12
in13
the country.15
And16
they went out17
to see
what19
it was
that was done.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En zij kwamenG2064 totG4314 JezusG2424, enG2532 zagenG2334 den bezeteneG1139 zittendeG2521, enG2532 gekleedG2439, enG2532 wel bij zijn verstandG4993, namelijk die het legioenG3003 gehad had, enG2532 zij werden bevreesdG5399.
En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd.
KJV
And1
they come2
to3
Jesus,5
and6
see7
him that was possessed with the devil,9
and had16
the legion,18
sitting,10
and11
clothed,12
and13
in his right mind:14
and19
they were afraid.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En die het gezienG3708 hadden, verteldenG1334 hunG846, wat den bezeteneG1139 geschiedG1096 was, en ook vanG4012 de zwijnenG5519.
En die het gezien hadden, vertelden hun, wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen.
KJV
And1
they that saw
it told2
them3
how6
it befell7
to him that was possessed with the devil,9
and10
also concerning11
the swine.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EnG2532 zij begonnenG756 Hem te biddenG3870, dat Hij vanG575 hunG846 landpalenG3725 weggingG565.
En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun landpalen wegging.
KJV
And1
they began2
to pray3
him4
to depart5
out of6
their9
coasts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
EnG2532 als Hij inG1519 het schipG4143 ging, badG3870 HemG846 degene, die bezetenG1139 wasG1510 geweest, datG2443 hij metG3326 Hem mochtG5600 zijn.
En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn.
KJV
And1
when he3
was come2
into4
the ship,6
he that had been possessed with the devil10
prayed7
him8
that11
he might be
with13
him.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Doch JezusG2424 lietG863 hemG846 dat nietG3756 toe, maar zeideG3004 totG4314 hemG846: Ga heen naarG1519 uw huisG3624 tot de uwen, en boodschapG312 hunG846, wat grote dingen uG4771 de HeereG2962 gedaanG4160 heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermdG1653 heeft.
Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermd heeft.
KJV
Howbeit2
Jesus3
suffered5
him6
not,4
but7
saith8
unto him,9
Go10
home11
to15
thy friends,17
and18
tell19
them20
how great things21
the Lord24
hath done25
for thee,
and26
hath had compassion27
on thee.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG2532 hij gingG565 heen, enG2532 begonG756 te verkondigenG2784 inG1722 het land van DekapolisG1179, wat grote dingen hemG846 JezusG2424 gedaanG4160 had; enG2532 zij verwonderdenG2296 zich allenG3956.
En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.
KJV
And1
he departed,2
and3
began4
to publish5
in6
Decapolis8
how great things9
Jesus13
had done10
for him:11
and14
all15
men did marvel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En als JezusG2424 wederomG3825 in het schipG4143 overgevarenG1276 was aan de andere zijde, vergaderdeG4863 een grote schareG3793 bij Hem; enG2532 Hij wasG1510 bij de zeeG2281.
En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee.
KJV
And1
when Jesus4
was passed over2
again8
by5
ship7
unto9
the other side,11
much14
people13
gathered12
unto15
him:16
and17
he was
nigh19
unto the sea.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
EnG2532 zietG3708, er kwamG2064 eenG1520 van de oversten der synagogeG752, met nameG3686 JairusG2383; enG2532 Hem ziendeG1492, vielG4098 hij aanG4314 Zijn voetenG4228,
En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jairus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,
KJV
And,1
behold,
there cometh3
one4
of the rulers of the synagogue,6
Jairus8
by name;7
and9
when he saw
him,11
he fell12
at13
his16
feet,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
EnG2532 badG3870 HemG846 zeer, zeggendeG3004: Mijn dochtertjeG2365 is in haar uitersteG2079; ikG1473 bid U, dat Gij komtG2064 en de handenG5495 op haarG846 legtG2007, opdatG2443 zij behoudenG4982 worde, enG2532 zij zal levenG2198.
En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U, dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.
KJV
And1
besought2
him3
greatly,4
saying,5
My
little daughter8
lieth10
at the point of death:11
I pray thee, come13
and12
lay14
thy hands17
on her,15
that18
she may be healed;19
and20
she shall live.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En Hij gingG565 metG3326 hem; en een grote schareG3793 volgdeG190 Hem, enG2532 zij verdrongenG4918 Hem.
En Hij ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem.
KJV
And1
Jesus went2
with3
him;4
and5
much9
people8
followed6
him,7
and10
thronged11
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
EnG2532 een zekereG5100 vrouwG1135, die twaalfG1427 jarenG2094 den vloedG4511 des bloedsG129 gehad had,
En een zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had,
KJV
And1
a certain3
woman,2
which had an5
issue6
of blood7
twelve9
years,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
EnG2532 veelG4183 geledenG3958 had vanG5259 veleG4183 medicijnmeestersG2395, en alG3956 het hareG1438 daaraan ten koste gelegdG1159 enG2532 geen baatG5623 gevonden had, maarG235 met welke het veeleerG3123 ergerG1519 geworden was;
En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was;
KJV
And1
had suffered3
many things2
of4
many5
physicians,6
and7
had spent8
all12
that she11
had,10
and13
was15
nothing14
bettered,
but16
rather17
grew21
worse,18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Deze vanG4012 JezusG2424 horendeG191, kwamG2064 onderG1722 de schareG3793 van achterenG3693, en raakteG680 Zijn kleedG2440 aan.
Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan.
KJV
When she had heard1
of2
Jesus,4
came5
in6
the press8
behind,9
and touched10
his13
garment.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Want zijG846 zeideG3004: Indien ik maar Zijn klederenG2440 mag aanrakenG680, zal ik gezondG4982 worden.
Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.
KJV
For2
she said,1
If4
I may touch8
but
his7
clothes,6
I shall be whole.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
EnG2532 terstondG2112 is de fonteinG4077 haarsG846 bloedsG129 opgedroogdG3583, enG2532 zij gevoeldeG1097 aan haar lichaamG4983, datG3754 zij vanG575 die kwaalG3148 genezenG2390 was.
En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was.
KJV
And1
straightway2
the fountain5
of her8
blood7
was dried up;3
and9
she felt10
in her body12
that13
she was healed14
of15
that plague.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
EnG2532 terstondG2112 JezusG2424, bekennendeG1921 inG1722 ZichzelvenG1438 de krachtG1411, die vanG1537 HemG846 uitgegaanG1831 was, keerdeG1994 Zich om inG1722 de schareG3793, en zeideG3004: WieG5101 heeft Mijn klederenG2440 aangeraaktG680?
En terstond Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?
KJV
And1
Jesus,4
immediately2
knowing5
in6
himself7
that virtue11
had gone12
out of9
him,10
turned him about13
in14
the press,16
and said,17
Who18
touched20
my
clothes?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
En Zijn discipelenG3101 zeidenG3004 tot HemG846: Gij ziet, dat de schareG3793 U verdringtG4918, enG2532 zegtG3004 Gij: WieG5101 heeft MijG1473 aangeraaktG680?
En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare U verdringt, en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt?
KJV
And1
his3
disciples5
said2
unto him,6
Thou seest7
the multitude9
thronging10
thee,
and12
sayest thou,13
Who14
touched16
me?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
EnG2532 Hij zag rondomG4017 om haar te zienG1492, die dat gedaanG4160 had.
En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had.
KJV
And1
he looked round about2
to see
her that had done6
this thing.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
En de vrouwG1135, vrezendeG5399 en bevendeG5141, wetendeG1492, watG3739 aanG1909 haar geschiedG1096 was, kwamG2064 en vielG4363 voor HemG846 neder, en zeideG2036 HemG846 alG3956 de waarheidG225.
En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder, en zeide Hem al de waarheid.
KJV
But2
the woman3
fearing4
and5
trembling,6
knowing7
what8
was done9
in10
her,11
came12
and13
fell down before14
him,15
and16
told
him18
all19
the truth.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
En Hij zeideG2036 tot haar: DochterG2364, uw geloofG4102 heeft uG4771 behoudenG4982; ga heen inG1519 vredeG1515, en zijtG1510 genezenG5199 vanG575 deze uw kwaalG3148.
En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.
KJV
And2
he said
unto her,4
Daughter,5
thy
faith7
hath made9
thee
whole;
go11
in12
peace,13
and14
be
whole16
of17
thy
plague.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
TerwijlG846 Hij nog sprakG2980, kwamenG2064 enigen vanG575 het huis des oversten der synagogeG752, zeggendeG3004: Uw dochterG2364 is gestorvenG599; watG5101 zijt gijG4771 den MeesterG1320 nog moeilijkG4660?
Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk?
KJV
While1
he2
yet15
spake,3
there came4
from5
the ruler of the synagogue's7
house certain which said,8
Thy
daughter11
is dead:13
why14
troublest thou16
the Master18
any further?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
EnG1161 JezusG2424, terstondG2112 gehoordG191 hebbende het woordG3056, dat er gesprokenG2980 werd, zeideG3004 tot den overste der synagogeG752: VreesG5399 nietG3361; geloofG4100 alleenlijk.
En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk.
KJV
As soon as2
Jesus3
heard5
the word7
that was spoken,8
he saith9
unto the ruler of the synagogue,11
Be13
not12
afraid,
only14
believe.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
En Hij lietG863 niemandG3756 toe HemG846 te volgenG4870, dan PetrusG4074, enG2532 JakobusG2385, enG2532 JohannesG2491, den broederG80 van JakobusG2385;
En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, den broeder van Jakobus;
KJV
And1
he suffered3
no man4
to follow6
him,5
save
Peter,9
and10
James,11
and12
John13
the brother15
of James.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
En kwamG2064 inG1519 het huisG3624 des oversten der synagogeG752; enG2532 zagG2334 de beroerteG2351 en degenen, die zeer weendenG2799 enG2532 huildenG214.
En kwam in het huis des oversten der synagoge; en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden.
KJV
And1
he cometh2
to3
the house5
of the ruler of the synagogue,7
and8
seeth9
the tumult,10
and them that wept15
and13
wailed17
greatly.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
EnG2532 ingegaanG1525 zijnde, zeideG3004 Hij tot hen: WatG5101 maakt gij beroerte, enG2532 wat weentG2799 gij? Het kindG3813 is nietG3756 gestorvenG599, maarG235 het slaaptG2518.
En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.
Ook in dit vers
maakt beroerteG2350
KJV
And1
when he was come in,2
he saith3
unto them,4
Why5
make ye this ado,6
and7
weep?8
the damsel10
is12
not11
dead,
but13
sleepeth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
En zij belachtenG2606 Hem; maarG1161 Hij, als Hij hen allen had uitgedrevenG1544, namG3880 bij Zich den vaderG3962 en de moederG3384 des kindsG3813, en degenen die metG3326 HemG846 warenG1510, en ging binnen, waar het kindG3813 lagG2258.
En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.
KJV
And1
they laughed2
him3
to scorn.
But5
when he had put6
them all7
out,
he taketh8
the father10
and13
the mother15
of the damsel,12
and16
them that were with18
him,19
and20
entereth in21
where22
the damsel25
was
lying.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
En Hij vatteG2902 de handG5495 des kindsG3813, en zeideG3004 tot haarG846: TalithaG5008 kumiG2891! hetwelkG3739 isG1510, zijnde overgezetG3177: Gij dochtertjeG2877 (Ik zeg u), staG1453 op.
En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talitha kumi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op.
KJV
And1
he took2
the damsel6
by the hand,4
and said7
unto her,8
Talitha9
cumi;10
which11
is,
being interpreted,13
Damsel,15
I say17
unto thee,
arise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
EnG2532 terstondG2112 stondG450 het dochtertjeG2877 op, enG2532 wandeldeG4043; wantG1063 het wasG1510 twaalfG1427 jarenG2094 oud; enG2532 zij ontzettenG1839 zich met groteG3173 ontzettingG1611.
En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.
KJV
And1
straightway2
the damsel5
arose,3
and6
walked;7
for9
she was
of the age of twelve11
years.10
And12
they were astonished13
with a great15
astonishment.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
EnG2532 Hij geboodG1291 hunG846 zeer, dat niemandG3367 datzelve zou wetenG1097; enG2532 zeideG2036, dat men haarG846 zou te etenG5315 gevenG1325.
En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat men haar zou te eten geven.
KJV
And1
he charged2
them3
straitly4
that5
no man6
should know7
it;
and9
commanded
that something should be given11
her12
to eat.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Gadarenen
Mattheus zegt: der Gergesenen. Zie daarvan de aantekeningen op Matt. 8:28 .
Hertaald:
Gadarenen
Mattheüs zegt: van de Gergesenen. Zie daarover de aantekeningen bij Matth. 8:28.
met een onreinen geest;
Grieks, in een onreinen geest. Matt. 8:28 , zegt dat er twee bezetenen waren, doch Markus vermeldt maar van een, omdat deze òf de ellendigste was, òf meest het woord gevoerd en met Christus gesproken heeft.
Hertaald:
met een onreinen geest;
Grieks: in een onreine geest. Matth. 8:28 zegt dat er twee bezetenen waren, maar Markus vermeldt er maar één, omdat die óf de ellendigste was, óf het meest het woord gevoerd en met Christus gesproken heeft.
in de graven had,
Zie hiervan Matt. 8:28 . Grieks, in de bergen; dat is, in de spelonken, die in de bergen waren.
Hertaald:
in de graven had,
Zie hierover Matth. 8:28. Grieks: in de bergen; dat is: in de spelonken die in de bergen waren.
Ik bezweer U bij God,
Dat is, ik vermaan u in den naam Gods. Want bezweren is met aanroeping of melding van Gods naam iemand iets opleggen, of van iemand iets begeren. Zie Hand. 19:13 ; 1 Thess. 5:27 .
Hertaald:
Ik bezweer U bij God,
Dat is: ik vermaan U in de naam van God. Want bezweren is: iemand met aanroeping of vermelding van Gods naam iets opleggen of iets van hem vragen. Zie Hand. 19:13; 1 Thess. 5:27.
pijnigt
Dat is, in den afgrond werpt, om daar gepijnigd te worden, Luc. 8:31 .
Hertaald:
pijnigt
Dat is: in de afgrond werpt om daar gepijnigd te worden, Luk. 8:31.
Hij zeide tot hem
Namelijk Jezus.
Hertaald:
Hij zeide tot hem
Namelijk Jezus.
Legio;
Legio was een regiment krijgsknechten, waarvan zie Matt. 26:53 .
Hertaald:
Legio;
Legio was een legereenheid; zie daarover Matth. 26:53.
hij bad Hem zeer,
Namelijk een van deze duivelen, die als het hoofd van de anderen het woord voerde.
Hertaald:
hij bad Hem zeer,
Namelijk een van deze duivelen, die als hoofd van de anderen het woord voerde.
Zend ons in die zwijnen,
Dit begeren zij van Christus om Hem daarmede hatelijk te maken bij de inwoners aldaar.
Hertaald:
Zend ons in die zwijnen,
Dit vragen zij van Christus om Hem daarmee gehaat te maken bij de inwoners daar.
varen
Grieks, ingaan.
Hertaald:
varen
Grieks: ingaan.
liet het hun terstond toe
Zie de aantekeningen op Matt. 8:30 .
Hertaald:
liet het hun terstond toe
Zie de aantekeningen bij Matth. 8:30.
uitgevaren zijnde,
Grieks, uitgegaan.
Hertaald:
uitgevaren zijnde,
Grieks: uitgegaan.
voeren in de zwijnen;
Grieks gingen in.
Hertaald:
voeren in de zwijnen;
Grieks: gingen in.
versmoorden
Grieks, verstikken.
Hertaald:
versmoorden
Grieks: verstikten.
zee
Dat is, in het meer dat omtrent Gadara was, hetwelk voor de Galilese zee zelve wordt gehouden, waaraan Gadara lag. Zie de aantekeningen op Matt. 8:28 .
Hertaald:
zee
Dat is: in het meer dat bij Gadara lag, dat voor de zee van Galilea zelf gehouden wordt, waaraan Gadara lag. Zie de aantekeningen bij Matth. 8:28.
wat den bezetene geschied was,
Grieks, hoe het; dat is, hoe de genezing aan hem geschied was.
Hertaald:
wat den bezetene geschied was,
Grieks: hoe het; dat is: hoe de genezing aan hem gebeurd was.
dat Hij van hun landpalen wegging
Namelijk uit vrees van meer schade te lijden, tonende daarmede dat zij hun tijdelijke goederen liever hadden dan Christus en zijn Evangelie.
Hertaald:
dat Hij van hun landpalen wegging
Namelijk uit vrees meer schade te lijden. Daarmee lieten zij zien dat zij hun tijdelijke goederen liever hadden dan Christus en Zijn Evangelie.
als Hij in het schip ging,
Namelijk om weder over te varen naar Galilea.
Hertaald:
als Hij in het schip ging,
Namelijk om weer over te varen naar Galilea.
in het land van Dekápolis,
Van dit land zie de aantekeningen op Matt. 4:25 .
Hertaald:
in het land van Dekápolis,
Zie over dit land de aantekeningen bij Matth. 4:25.
oversten der synagoge,
Deze waren als kerkeraden over de synagogen gesteld om die in goede orde te houden en te regeren. Zie Hand. 13:15 .
Hertaald:
oversten der synagoge,
Dezen waren als kerkenraden over de synagogen aangesteld om die in goede orde te houden en te besturen. Zie Hand. 13:15.
is in haar uiterste;
Bij Matt. 9:18 , staat dat hij gezegd heeft: Mijne dochter is gestorven, ziende op hetgeen hem daarna geboodschapt werd, vs.35.
Hertaald:
is in haar uiterste;
In Matth. 9:18 staat dat hij gezegd heeft: mijn dochter is gestorven — met het oog op wat hem daarna bericht werd, vers 35.
behouden worde,
Namelijk bij het leven.
Hertaald:
behouden worde,
Namelijk in het leven.
leven
Dat is, levend blijven.
Hertaald:
leven
Dat is: in leven blijven.
aanraken,
Zie hiervan de aantekeningen op Matt. 9:21 , en Matt. 14:36 .
Hertaald:
aanraken,
Zie hierover de aantekeningen bij Matth. 9:21 en Matth. 14:36.
gezond worden
Grieks, behouden.
Hertaald:
gezond worden
Grieks: behouden.
gevoelde aan haar lichaam,
Of bekende.
Hertaald:
gevoelde aan haar lichaam,
Of: merkte.
kwaal genezen was
Grieks, gesel. Zie Marc. 3:10 .
Hertaald:
kwaal genezen was
Grieks: gesel. Zie Mark. 3:10.
kracht,
Dat is, de werking, die door zijn goddelijke natuur aan deze vrouw was geschied. Of dat deze kracht van Hem uitgegaan was.
Hertaald:
kracht,
Dat is: de werking die door Zijn goddelijke natuur aan deze vrouw gebeurd was. Of: dat deze kracht van Hem uitgegaan was.
de waarheid
Namelijk van hetgeen zij gedacht en gedaan had.
Hertaald:
de waarheid
Namelijk van wat zij gedacht en gedaan had.
moeilijk?
Namelijk om verder te gaan.
Hertaald:
moeilijk?
Namelijk om verder te gaan.
En kwam in het huis des oversten der synagoge;
Zie van deze geschiedenis verder de aantekeningen op Matt. 9:23 .
Hertaald:
En kwam in het huis des oversten der synagoge;
Zie over deze geschiedenis verder de aantekeningen bij Matth. 9:23.
beroerte
Of het getier, het gewoel.
Hertaald:
beroerte
Of: het getier, het gewoel.
uitgedreven,
Grieks, uitgeworpen.
Hertaald:
uitgedreven,
Grieks: uitgeworpen.
die met Hem waren,
Namelijk Petrus, Johannes en Jakobus, die hij met zich genomen had, vs.37.
Hertaald:
die met Hem waren,
Namelijk Petrus, Johannes en Jakobus, die Hij met Zich genomen had, vers 37.
Talitha kûmi
De evangelist houdt de Syrische woorden, die Christus gebruikt heeft, om ons Christus gelijk als in zijne taal zelve te doen horen spreken.
Hertaald:
Talitha kûmi
De evangelist houdt de Syrische woorden aan die Christus gebruikt heeft, om ons Christus als het ware in Zijn eigen taal te laten horen spreken. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een overste van de synagoge, die voor Jezus' voeten neerviel en Hem smeekte zijn stervende dochtertje te komen genezen; onderweg kwam het bericht dat zij gestorven was, maar Jezus wekte haar op uit de dood (Mark. 5:22-24, 35-43). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Het eerste wonder dat Markus verhaalt is een uitdrijving, en het gebeurt in de synagoge te Kapernaüm. De onreine geest roept het uit voordat iemand anders het zegt: "Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods." Jezus bestraft hem met twee woorden: zwijg stil, en ga uit van hem. De omstanders verbazen zich niet over een genezing maar over gezag: Hij gebiedt de onreine geesten en zij zijn Hem gehoorzaam (Mark. 1:23-27). Markus verhaalt daarna nog meer van deze geschiedenissen dan de andere Evangelisten. Hij vertelt van de bezetene in het land der Gadarenen die "Legio" heet omdat de geesten met velen waren (Mark. 5:1-20), de dochter van de Syro-Fenicische vrouw (Mark. 7:24-30) en de jongen die de discipelen niet konden helpen (Mark. 9:14-29). Hij geeft ook macht tot uitdrijving aan de twaalf (Mark. 3:14-15; 6:7). Bijbelse betekenis: Drie dingen vallen in Markus op. De geesten weten precies wie Hij is, terwijl de mensen om Hem heen het niet weten — en juist die belijdenis wordt hun verboden. Verder is er nergens een bezweringsformule of een ritueel: Hij spreekt en het geschiedt, en dat is voor de omstanders de eigenlijke schok. En de geschiedenissen worden zonder opsmuk verteld, met de ellende erin: de man in het land der Gadarenen woonde in de graven en sloeg zichzelf met stenen (Mark. 5:5). Bij de jongen in Mark. 9 wijst Christus daarnaast op gebed, en op het geloof van de vader die bidt: ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark. 9:24,29). Typologie: Christus legt Zelf uit wat er in deze uitdrijvingen te zien is: niemand kan het huis van een sterke ingaan en zijn vaten ontroven, tenzij hij eerst die sterke bindt (Mark. 3:27). De uitdrijvingen zijn dus geen losse wonderen maar tekenen dat de Sterkere gekomen is. Johannes vat het samen: hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou (1 Joh. 3:8). En Paulus zegt dat Hij de overheden en machten uitgetogen en openlijk ten toon gesteld heeft, over hen getriomfeerd hebbende in het kruis (Kol. 2:15). Daarom is de strijd van de gelovige niet tegen vlees en bloed, en zijn de wapenen geestelijk (Ef. 6:11-12). Mark. 1:23-27; Mark. 3:14-15,27; Mark. 5:1-20; Mark. 6:7; Mark. 7:24-30; Mark. 9:14-29; Ef. 6:11-12; Kol. 2:15; 1 Joh. 3:8 Het loopt door heel Markus heen. De onreine geesten die Hem kennen, moeten zwijgen (Mark. 1:25,34; 3:11-12). De genezen melaatse krijgt te horen: "Zie, dat gij niemand iets zegt" (Mark. 1:44). Bij de dochter van Jaïrus beveelt Hij nadrukkelijk dat niemand het weten zal (Mark. 5:43). Na de genezing van de dove bij Dekapolis verbiedt Hij het opnieuw, en en hoe meer Hij het verbood, hoe meer zij het uitriepen (Mark. 7:36). Het scherpst staat het bij de belijdenis van Petrus: op "Gij zijt de Christus" volgt niet een bevestiging voor het volk maar een streng gebod dat zij het niemand zouden zeggen van Hem (Mark. 8:29-30). Onmiddellijk daarna volgt de eerste aankondiging van Zijn lijden (Mark. 8:31). Na de verheerlijking op de berg geldt het verbod tot na de opstanding (Mark. 9:9). Bijbelse betekenis: De reden ligt in de tekst zelf en niet in geheimzinnigheid. De titel Christus was in die dagen met politieke verwachtingen beladen; wie Hem als Messias uitriep zonder het kruis, riep iets anders uit dan Hij was. Vandaar de vaste orde in Markus 8: eerst de belijdenis, dan het zwijggebod, dan het lijden — en wie die orde omkeert, krijgt hetzelfde antwoord als Petrus. Opvallend is dat het verbod eindigt waar het lijden begint: vanaf Mark. 9:9 geldt het tot na de opstanding, en voor de hogepriester zwijgt Hij niet meer maar belijdt Hij openlijk (Mark. 14:61-62). Wie Hij is, kan pas gezegd worden als duidelijk is wat Hij doen zou. Typologie: Jesaja had die stilte al getekend: Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem op de straten laten horen (Jes. 42:2), en juist die woorden past Mattheüs op Hem toe bij een van deze verboden (Matt. 12:16-19). Paulus noemt hetzelfde met een ander woord een verborgenheid die van alle eeuwen verzwegen is geweest maar nu geopenbaard (Rom. 16:25-26). Hij zegt ook dat geen van de oversten dezer wereld haar gekend heeft, want indien zij haar gekend hadden, zo zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben (1 Kor. 2:7-8). Het zwijgen was dus geen achterhouden maar een tijdorde: eerst het kruis, dan de prediking — en na de opstanding volgt het bevel om het juist overal te zeggen (Mark. 16:15). Mark. 1:25,34,44; Mark. 3:11-12; Mark. 5:43; Mark. 7:36; Mark. 8:29-31; Mark. 9:9; Mark. 14:61-62; Mark. 16:15; Jes. 42:2; Matt. 12:16-19; Rom. 16:25-26; 1 Kor. 2:7-8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Hij is op weg naar het huis van een overste van de synagoge, wiens dochtertje op sterven ligt. De schare verdringt zich. Onderweg raakt iemand Hem aan van wie niemand het merkt. Twee mensen worden geholpen die volgens de wet allebei onrein waren, en het onderweg-oponthoud kost het meisje haar leven — schijnbaar. **Wie zij was.** Twaalf jaar bloedvloeiend. Naar de wet betekende dat: onrein, en alles wat zij aanraakte werd onrein. Twaalf jaar geen tempel, geen feest, geen aanraking. Markus voegt er een pijnlijk detail aan toe: zij had veel geleden van vele medicijnmeesters, al het hare eraan uitgegeven, en het was erger geworden. **Wat zij doet.** Zij komt van achteren, in de menigte, en raakt Zijn kleed aan. Dat is precies wat zij niet mocht doen. En zij redeneert: “Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.” **Wat er gebeurt.** De onreinheid slaat niet van haar over. Het gaat de andere kant op: de genezing komt van Hem naar haar toe. De kanttekening verklaart de kracht die uitging als de werking die door Zijn Goddelijke natuur aan deze vrouw geschied is. **Waarom Hij toch vraagt.** “Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?” De discipelen vinden het een onzinnige vraag met zo'n menigte. Maar Hij laat het niet bij een stille genezing. Zij moet ervoor uitkomen — en zij vertelt Hem de hele waarheid. En dan krijgt zij iets wat zij niet gevraagd had: een woord. Dochter, uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede. Twaalf jaar buitengesloten, en het eerste dat Hij haar noemt is dochter. **Ondertussen.** Het oponthoud kost tijd, en er komt bericht dat het kind gestorven is. Zo staat het verhaal in het verhaal: de vrouw is twaalf jaar ziek, het meisje is twaalf jaar oud. Wat de vrouw aan jaren verloor, was precies het leven dat het kind gekregen had. **In het huis.** Hij neemt de hand van een dode — opnieuw iets wat onrein maakte — en zegt twee woorden in haar eigen taal: “Talitha kumi!” Markus vertaalt ze erbij. **Waar dit bij hoort.** In de verlossingslijn gaat het om mensen die zichzelf er niet uit kunnen halen: een volk in Egypte, een man in de baren des doods, een vrouw die haar geld en haar jaren aan artsen kwijt is. En elke keer komt de uitkomst van buiten henzelf. In het Nieuwe Testament: Leviticus 15:25; Numeri 19:11; Maleachi 4:2; Lukas 8:46; Mattheüs 9:20-22; Jesaja 53:4 Hoever dit reikt: Dat de wet op de onreinheid hier meespeelt, staat er niet met zoveel woorden; het volgt uit Leviticus 15 en Numeri 19, waarnaar deze post verwijst. De kanttekening verklaart alleen de kracht die van Hem uitging. Wat de vrouw dacht over Zijn kleed wordt door de tekst weergegeven, maar niet goedgekeurd of afgekeurd.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Een krachtige preek over bevrijding, Gods ontferming en het getuigenis: “Ga naar huis en vertel wat de Heere voor u gedaan heeft.” '…bericht hun alles wat de Heere voor u gedaan heeft…' Markus 5:19 Een christen wil altijd dat andere mensen ook christen worden. We willen dat de Heere Die… En een vrouw, die twaalf jaren lang de vloed van het bloed gehad had, welke al haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en van niemand had… En een vrouw, die twaalf jaren lang de vloed des bloeds gehad had, die heel haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en door niemand had kunnen… En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hunne landpalen wegging. En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Markus 5
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Wie heeft Mijn klederen aangeraakt? — 5:25-34, 41-42
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Ga naar huis
Vertel het aan anderen
De vrouw die Jezus' kleed aanraakt
Ten laatste genezen
Christus' hulpprediker in Dekapolis


Markus 5
Markus 5:1.KruisverwijzingenMarkus 4:35→Lukas 8:26→Mattheüs 8:28→
— En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarenen.
“En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarenen.”
Onze Heere stak de zee van Galilea over met het uitdrukkelijke doel deze arme man te verlossen uit de macht van de onreine geest die hem bezat. Hij wist dat er velen waren die Hem aan de Galilese kant van het meer nodig hadden, en Hij kon de storm voorzien die het scheepje dreigde te doen zinken. En toch zei Hij kalm tot Zijn discipelen: laat ons overvaren aan de andere zijde.
Zij hadden een heel bewogen overtocht gehad over die kleine maar stormachtige zee, en Christus had bewezen de opperbevelhebber van de zee te zijn. Maar nu Hij aan land stapt, zullen zij Zijn macht even duidelijk getoond zien als op de stormachtige golf.
Markus 5:2-3.KruisverwijzingenMarkus 1:23→Jesaja 65:4→Markus 5:8→Daniël 4:32→Markus 4:1→Markus 3:30→Markus 1:26→Markus 7:25→
— En zo Hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreinen geest; Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen.
“En zo Hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreinen geest; Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen.”
Zodra de grote Geneesmeester aan land was, verscheen er een ontzettende gedaante. Uit de graven kwam een man aanstormen, huilend en gillend als een wild dier — of erger nog, onder de invloed van satan, die van hem bezit genomen had.
Die oude begraafplaatsen lagen op afgelegen plaatsen, want de mensen waren te wijs om hun doden binnen de steden te begraven. Heel vaak waren de graven uitgehouwen in holen in de zijden van heuvels en rotsen, en daar werden de doden gelegd.
Wie een graf aanraakte, was daardoor naar de wet onrein. De graven waren dus geschikte plaatsen voor een onreine man die door een onreine geest bezeten was. Wat een gruwelijke woonplaats! Wat een grimmig verblijf, en toch heel passend, want hij was gevaarlijk voor iedereen die voorbijkwam.
Markus 5:3-4.KruisverwijzingenJesaja 65:4→Daniël 4:32→Jakobus 3:7→Lukas 8:29→Markus 9:18→
— Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen. Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen.
“Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen. Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen.”
Zie hoe de wereld met razend schuldige mensen omgaat. Zij probeert hen te boeien, of anders hen te temmen; hen in bedwang te houden door vrees voor straf, of anders hen te onderwerpen aan een zachtaardige zedelijkheid. Armzalig werk is dat!
Christus boeit niet en temt niet; Hij verándert en vernieuwt. Och, dat overal Zijn hulp gezocht werd, en dat men niet zozeer vertrouwde op de boeien van de wet of op de macht van de zeden!
Markus 5:5.KruisverwijzingenJob 2:7→1 Koningen 18:28→Johannes 8:44→
— En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen.
“En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen.”
Zijn gehuil moet de nacht werkelijk afschuwelijk gemaakt hebben. Wie langs die weg kwamen, schrokken op van zijn onaardse kreten. Hij was een verschrikking voor het hele gebied; men kon het niet verdragen ergens in de buurt te wonen van de plaatsen waar hij zich ophield.
Nacht en dag was hij zichzelf een ellende en allen om hem heen een verschrikking. Een droevig beeld van sommigen die wij tot onze smart kennen, die razend de zonde in gegaan zijn. Het ís razernij, wat het verder ook zijn mag; en gaan razernij en boosheid samen, wat wordt zo iemand dan een verschrikking!
Maar hoe vreselijk moet de toestand van dat arme schepsel zelf geweest zijn! Wij krijgen er even een blik op door die woorden: altijd in de bergen en in de graven, roepende en zichzelf met stenen slaande. Zie wat satan doet met wie in zijn macht zijn.
Markus 5:6.KruisverwijzingenJakobus 2:19→Lukas 4:41→Handelingen 16:17→Psalmen 66:3→Psalmen 72:9→
— Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem.
“Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem.”
Er gaat een wonderlijke aantrekkingskracht uit van de persoon van onze goddelijke Heere en Meester. Al was Hij nog ver weg, toch ging er een genadige, magnetische invloed van Hem uit waardoor Hij dit arme voorwerp van medelijden tot Zich trok.
De duivel doet het niet graag, maar als het zijn doel dient zal hij zich voordoen als een aanbidder van Christus. Hij komt soms ook hier; hij gaat naar allerlei plaatsen van samenkomst en maakt aanbidders van mensen die geen aanbidding in hun hart hebben. Want er komt geen einde aan de diepte van zijn listigheid, en velen hebben de duivel het best gediend terwijl zij deden alsof zij Christus aanbaden.
Markus 5:7.KruisverwijzingenMattheüs 8:29→Handelingen 16:17→Handelingen 19:13→Lukas 8:28→Mattheüs 26:63→Openbaring 12:12→Mattheüs 4:3→Mattheüs 16:16→
— En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt!
“En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt!”
Wie sprak daar? De man zelf, of de duivel in hem? Dat is heel moeilijk te zeggen. De man en de duivel waren twee personen, maar zij waren zo volkomen tot één vermengd dat nauwelijks te zeggen is wanneer de man sprak en wanneer de duivel.
Zo krijgt de zonde, wanneer zij in iemand binnenkomt, hem volkomen in zijn eigen natuur te pakken. Dan voelen wij soms dat het wel de boze geest moet zijn die in de mens spreekt. En toch valt niet met zekerheid te zeggen dat het zo is, en wij kunnen de mens zelf niet vrijspreken van de schuld van zijn woorden en daden.
Satan sprak in hem en door hem heen, met de lippen van deze arme man. Hij is bang voor Christus. Deze hond van de hel kent zijn Meester en krimpt aan Zijn voeten ineen. Hij smeekt de Zoon van de allerhoogste God hem niet te pijnigen voor zijn tijd.
Markus 5:8.KruisverwijzingenMarkus 1:25→Markus 9:25→Handelingen 16:18→
— (Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens!)
“(Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens!)”
Christus verspilt nooit woorden aan de duivel. Hij spreekt heel kort en heel scherp tegen hem. Het zou soms goed zijn als wij kernachtiger konden zijn wanneer wij met het kwaad te maken hebben. Het verdient onze woorden niet, zoals het ook de woorden van Christus niet in acht nam.
De HEERE behandelt hem als de hond die hij is: “Gij onreine geest, ga uit van den mens!” Christus heeft geen plichtplegingen voor duivelen. Het is jammer dat sommigen van Zijn dienstknechten zulke zachte woorden hebben wanneer zij met het ongeloof te maken hebben. Dat ongeloof is toch ook maar een duivel, of een van de duivelsjongen.
Markus 5:9.KruisverwijzingenMattheüs 26:53→Lukas 8:30→Markus 5:15→Lukas 11:21→Mattheüs 12:45→
— En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.
“En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.”
De duivel is verplicht zijn naam te zeggen wanneer Christus hem als een ondervraagd kind behandelt. Hij moet voor Christus ineenkrimpen als een geslagen hond aan de voeten van zijn meester.
Markus 5:10.KruisverwijzingenMarkus 5:13→Markus 3:22→
— En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.
“En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.”
De duivel kan bidden; hij deed het in dit geval. Het is niet omdat iemand vloeiend bidt dat wij zeker zijn van zijn zaligheid. Het is niet omdat iemand zo vurig bidt dat zijn knieen tegen elkaar slaan, dat wij mogen besluiten dat hij een heilige is. Het kan zijn dat hij beeft uit vrees voor het oordeel van God.
Satan klemt zich vast aan deze wereld, en aan elke plaats waar hij een opvallende zegepraal behaald heeft — zoals hier tussen de graven en de rotsige kloven.
Markus 5:11-12.Kruisverwijzingen2 Korinthe 2:11→1 Petrus 5:8→Jesaja 66:3→Jesaja 65:4→Deuteronomium 14:8→Leviticus 11:7→Lukas 8:32→Mattheüs 8:30→
— En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende. En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen.
“En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende. En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen.”
Satan wil liever zwijnen kwellen dan helemaal geen kwaad doen. Hij is zo verzot op het kwaad dat hij het aan dieren zou bedrijven als hij het niet aan mensen bedrijven kan.
Maar let op hun eensgezindheid. Met alle gebreken die men de demonen aanwrijven kan, u vindt hen niet verdeeld en twistend. Zij zijn eensgezind in het kwaad. En het is een schande dat zij die volgelingen van Christus zijn zo vaak verdeeld zijn, terwijl het koninkrijk van satan niet tegen zichzelf verdeeld is. Laten wij van onze grote vijand ten minste deze ene les leren.
Markus 5:13.KruisverwijzingenJohannes 8:44→Openbaring 20:7→1 Petrus 3:22→Openbaring 13:5→1 Koningen 22:22→Openbaring 9:11→Job 1:12→Job 2:6→
— En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent twee duizend), en versmoorden in de zee.
“En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent twee duizend), en versmoorden in de zee.”
De duivel kan zelfs geen varken binnengaan zonder verlof van Christus. Zo kan hij ook u niet verzoeken zonder toestemming van onze Heere. U mag er gerust op zijn dat zelfs dit grote monster van boosheid onder het bestuur van Christus staat. Hij kan u niet lastigvallen voordat Jezus hem verlof geeft.
Er zit een ketting om de brullende leeuw, en hij kan maar zo ver gaan als de HEERE hem toelaat.
Het was vreemd dat er zoveel zwijnen waren in het land waar het volk van God, Israel, woonde. En omdat zij daar geen recht hadden te zijn en er tegen de Joodse wet in waren, was het goed dat zij vernietigd werden.
Markus 5:14-15.Kruisverwijzingen2 Timotheüs 1:7→Markus 5:9→Kolossenzen 1:13→1 Kronieken 15:13→1 Samuël 16:4→1 Samuël 6:20→Job 13:11→Lukas 8:34→
— En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was. En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd.
“En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was. En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd.”
Ach, hoe verschillend kijken mensen naar dezelfde zaak! Waren u en ik daarheen gegaan, en hadden wij deze arme krankzinnige geheel hersteld gezien, dan zouden wij met een heilige blijdschap vervuld geweest zijn. Wij zouden nieuwe lofzangen gedicht hebben ter ere van de grote Geneesmeester Die hem genezen had.
Maar deze mensen werden bevreesd, in de vervreemding van hun hart van de Heere Jezus Christus. Zij vreesden en beefden in de tegenwoordigheid van de almachtige barmhartigheid. De almachtige liefde wekte geen vreugde in hun hart, maar de geest van de dienstbaarheid lag op hen.
U zou verwacht hebben dat er stond: zij verwonderden zich en prezen Christus om deze grote en wonderlijke daad. Nee, zij werden bevreesd. Ziet u een ander bekeerd worden, wees dan niet bevreesd, maar heb liever hoop dat u zelf ook behouden mag worden.
Wat een schoon gezicht kregen deze mensen te zien: zij komen tot Jezus en zien de bezetene zitten, en gekleed, en wel bij zijn verstand! Die gedachte had hen moeten doen verblijden in plaats van vrezen. Er zijn nog altijd mensen die bang zijn voor wat er gebeuren zal wanneer zij zien dat Christus iemand geestelijk gezegend heeft.
Markus 5:16-17.KruisverwijzingenMattheüs 8:34→Markus 5:7→Markus 1:24→Handelingen 16:39→Lukas 8:37→Lukas 5:8→Deuteronomium 5:25→Genesis 26:16→
— En die het gezien hadden, vertelden hun, wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen. En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun landpalen wegging.
“En die het gezien hadden, vertelden hun, wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen. En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun landpalen wegging.”
U kunt er zeker van zijn dat zij bij het láátste deel van het verhaal bleven stilstaan. Het verlies van de zwijnen raakte hen meer dan de genezing van de bezetene.
O lieve vrienden, laat niemand van ons ooit in zo’n gemoedsgesteldheid komen dat wij Christus bidden van ons weg te gaan! En toch hebben wij mensen zo vreselijk zien handelen. Iemand met een verontrust geweten heeft gezegd: ik ga nooit meer naar die prediker luisteren, ik kan er ‘s nachts niet van slapen. Ik zal dat en dat boek nooit meer lezen, het verontrust mij zo dat ik nergens meer van genieten kan.
Dat is feitelijk Christus bidden uit uw gebied te vertrekken. Wat — is de zaligheid zo weinig waard dat u er geen zorg voor hebt haar te bezitten? Is Christus Zelf zo’n kleine zegen dat u er zelfs voor beeft dat Hij uw natuur zou veranderen en u zalig maken? Ik meen dat er op die oever van Gadara meer krankzinnigen waren dan één. De mensen waren in hun hart allen even dol als die ene arme man in zijn hoofd.
Komt Jezus vandaag tot u, vraag Hem dan niet weg te gaan. Zet de deur van uw hart wijd open en smeek de HEERE binnen te komen en daar voor eeuwig te wonen. Dit verhaal leert ons dat de Heere Jezus Christus wéggaat wanneer men Hem dat vraagt. Hij blijft niet waar men Zijn kamer liever heeft dan Zijn gezelschap.
Markus 5:18.KruisverwijzingenLukas 8:38→Lukas 23:42→Markus 5:7→Filippenzen 1:23→Lukas 17:15→Psalmen 116:12→Markus 5:17→
— En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn.
“En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn.”
Christus zal van u weggaan als u dat wilt. Hij dringt Zich aan niemand op; de genade van God doet de wil van de mens geen geweld aan. Zij werkt in overeenstemming met de natuur van de mens en bereikt het goddelijke doel zonder de eigenheid van de mens te verstoren.
Was dat geen gepast gebed van de genezen man? Ik meen dat niet alleen zijn natuur maar zijn nieuwe natuur hem deze bede ingegeven moet hebben: hij bad Christus bij Hem te mogen zijn.
In onze dagen is het heel natuurlijk dat wij, zodra wij bekeerd zijn, naar huis naar de hemel zouden willen gaan. Maar waarom mag dat niet? Opdat wij hier op aarde getuigenis van Christus afleggen en anderen tot Hem inzamelen.
Markus 5:19.KruisverwijzingenPsalmen 66:16→Jesaja 38:9→Handelingen 22:1→Handelingen 26:4→Daniël 4:37→Daniël 4:1→Daniël 6:25→Johannes 4:29→
— Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermd heeft.
“Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermd heeft.”
Dat is een van de voornaamste punten waarover wij altijd behoren te spreken. Niet alleen de grootheid van de verandering vertellen die de genade van God in ons gewerkt heeft, maar vooral getuigen van de tederheid van God tegenover ons.
Och, hoe zacht ging Hij met onze gebroken beenderen om! Die goede Geneesmeester van ons heeft het hart van een leeuw, maar de hand van een vrouw. Hij spaart ons de nodige pijn niet, maar Hij brengt ons nooit ook maar één steek toe die onnodig is. En och, het medelijden van Zijn hart tegenover ons wanneer Hij het verdriet ziet dat onze zonde ons gebracht heeft!
Markus 5:20.KruisverwijzingenMattheüs 4:25→Markus 7:31→
— En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.
“En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.”
Hem was gezegd te verkondigen wat de HEERE aan hem gedaan had. Hij ging heen en verkondigde wat Jézus aan hem gedaan had. Vergiste hij zich? O nee! Het is maar een andere naam voor dezelfde Persoon, want Jezus ís de HEERE. En spreekt u van Hem als goddelijk en in bewoordingen die alleen God passen, dan spreekt u niet anders dan naar recht.
Dit is het slag kant-en-klare prediker wiens dienst voor zijn Heere gewoonlijk het meest uitricht. Denk aan iemand die over veel punten weinig gestudeerd heeft, maar bij ondervinding weet wat de genade van God voor hem gedaan heeft. Hij houdt zich aan dat ene onderwerp en vertelt het verhaal met eenvoudige, ongeschoolde welsprekendheid. Díe man doet veel voor zijn Meester.
Was hij in diepe leerstellige onderwerpen gedoken, dan zouden de mensen hem misschien belachelijk gemaakt hebben. Maar omdat hij sprak van wat hij wél wist, en van de grootheid en de genadigheid van God vertelde, verwonderden zich allen.
Zo liet onze Heere hen allen in verwondering achter. Hij liet deze ene boodschapper achter om van Hem te getuigen en ging elders heen om zegeningen te brengen aan vele anderen aan de overzijde van de zee.
Markus 5:21-23.KruisverwijzingenMattheüs 9:1→Lukas 13:14→Handelingen 18:8→Handelingen 13:15→Handelingen 18:17→Lukas 13:13→Markus 16:18→Lukas 4:40→
— En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee. En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jairus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten, En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U, dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.
“En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee. En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jairus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten, En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U, dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.”
Waar wij dat woord zien staan — ziet — zegt het ons: let goed op wat er komt.
Het was ongewoon dat een overste van de synagoge aan de voeten van Jezus lag, en toch is dat voor ons allen de beste plaats. Heeft God iemand van ons in een aanzienlijke plaats gezet, dan zal het ons goeddoen aan de voeten van Jezus te vallen zoals Jaïrus deed.
Wat bracht Jaïrus daar? Het was zijn grote nood, en dat is ook wat ons daar brengen zal. Och, dat wij allen zo baden voor onze kleine dochters en onze kleine zonen! Er is zonde in hen, en zonde betekent geestelijke dood.
Markus 5:25-28.KruisverwijzingenLeviticus 15:25→Mattheüs 9:20→Lukas 8:43→Lukas 13:11→Handelingen 19:12→Leviticus 15:19→Johannes 5:5→Handelingen 5:15→
— En een zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had, En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was; Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan. Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.
“En een zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had, En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was; Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan. Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.”
Het kind van Jaïrus was twaalf jaar aan het léven geweest, en deze vrouw twaalf jaar aan het stérven. Kon Christus dus de vrouw genezen die twaalf jaar aan het sterven was, dan kon Hij ook het kind opwekken dat twaalf jaar geleefd had.
En al leek Jaïrus sterk in het geloof, hij was het niet werkelijk. Hij zette de beste kant van zijn geloof naar voren. Deze vrouw daarentegen wás sterk in het geloof. En toch kwam zij achter Christus aan en raakte zij Hem als het ware heimelijk aan; zíj zette de zwakste kant van haar geloof naar voren.
Wij hebben dat bij anderen ook zo gezien. Sommigen die sterk in het geloof lijken, zijn dat lang niet altijd. En sommigen die zwak in het geloof lijken, zijn juist de sterksten.
Markus 5:35-36.KruisverwijzingenLukas 8:50→Romeinen 4:18→Mattheüs 9:28→Markus 5:34→Markus 5:22→Johannes 11:28→Markus 9:23→Markus 10:17→
— Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk? En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk.
“Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk? En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk.”
Ik kan mij voorstellen dat Jaïrus, als hij niet een man van veel geloof geweest was, de Zaligmaker met een veelbetekenende blik aangekeken zou hebben. Alsof hij zeggen wilde: alleen geloven? Kunt U meer van mij vragen nu mijn kind gestorven is? En toch gebiedt U mij: geloof alleen.
Maar broeders, juist hier ligt het gebied van het geloof. Waar men niet waden kan, moet men zwemmen; en waar geen hoop op het schepsel is, moeten wij ons op de Schepper werpen. Zo maakte de dood van het kind ruimte voor het geloof van de vader.
Markus 5:39.KruisverwijzingenHandelingen 20:10→1 Thessalonicenzen 4:13→1 Korinthe 11:30→Johannes 11:11→1 Thessalonicenzen 5:10→Daniël 12:2→
— En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.
“En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.”
Zij was dood, maar niet dood wat het voornemen van Christus betrof. Zij was niet zo dood dat zij dood blijven zou. Hij was van plan haar spoedig weer tot het leven terug te brengen, en daarom was het voor Hem alsof zij maar sliep.
Markus 5:40.KruisverwijzingenPsalmen 22:7→2 Koningen 4:33→Genesis 19:14→Nehemia 2:19→Mattheüs 7:6→Job 12:4→Psalmen 123:3→Handelingen 17:32→
— En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.
“En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.”
Wat een wonderlijk tafereel moet dit geweest zijn: de Heere der heerlijkheid in het midden van een spottend gezelschap dat Hem uitlachte!
Maar niet hij die uitgelachen wordt is daarom verachtelijk; het zijn vaak de lachers die de verachting het meest verdienen. Zo was het in de dagen van Christus, en zo is het sindsdien dikwijls geweest. Zij waren het niet waard op enige andere manier beantwoord te worden.
Markus 5:41-42.KruisverwijzingenMarkus 1:31→Johannes 5:28→Lukas 7:14→Johannes 11:43→Lukas 8:54→Handelingen 9:40→Romeinen 4:17→Filippenzen 3:21→
— En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talitha kumi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op. En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.
“En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talitha kumi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op. En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.”
Wat werden de mensen in de dagen van Christus dikwijls ontzet! Soms staat er dat zij zich verwonderden, dan weer dat zij verbaasd waren, of dat zij zich verwonderd hadden.
Het zou goed geweest zijn als die verwondering zich altijd in geloof omgezet had. Maar soms bedierf zij tot haat. God geve dat onze verwondering over Christus altijd van die soort mag zijn die zich tot liefde uitkristalliseert!
Markus 5:43.KruisverwijzingenMattheüs 8:4→Lukas 24:30→Lukas 5:14→Markus 1:43→Markus 7:36→Mattheüs 17:9→Lukas 24:42→Mattheüs 12:16→
— En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat men haar zou te eten geven.
“En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat men haar zou te eten geven.”
Het leven moet gevoed worden, en jong leven heeft in het bijzonder dikwijls voedsel nodig. Heeft Christus uw kind geestelijk levend gemaakt, zorg er dan voor dat u het kind passend voedsel geeft.
Hebt u op de zondagsschool iemand voor Christus gewonnen? Draag er dan zorg voor dat de onvervalste melk van het Woord gebracht wordt. Zo wordt het pasgeboren kind gevoed en gesterkt totdat het komt tot de volkomen mannelijke leeftijd in Christus Jezus.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
V. Vs. 1-43.KruisverwijzingenMarkus 4:35→Lukas 8:26→Mattheüs 8:29→Job 2:7→Mattheüs 8:28→Markus 1:23→1 Koningen 18:28→Jakobus 2:19→
— En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarenen. En zo Hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreinen geest; Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen. Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen. En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen. Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem. En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt! (Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens!) En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen. En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.
De discipelen moeten voor hun toekomstig werk bij het volgen van Jezus leren, wat voor zelfverloochening en wat voor geduld zij zouden moeten betonen wanneer hun prediking en wonderdadige hulp weinig ingang zouden vinden. Aan de andere kant moeten zij ook leren wat voor een macht het geloof in de naam van Jezus is bij hen, die daaraan in hun hart plaats zouden geven, hoe daaraan alle recht op zegen toekwam en zij, waar het in zijn moed en vertrouwen werd bestreden, het tot zeer grote verwachtingen mochten en moesten opwekken. Daarom wordt aan de zo even verhaalde gebeurtenis die van de bezetene Gadarener en tevens die van de vrouw met de bloedvloeiing en van het dochtertje van Jaïrus verbonden.
En zij kwamen met het aanbreken van de dag over op de andere zijde van de zee in het land van de Gadarenen, in het gebied van de stad Gadara, dat zich tot aan de oever van de zee uitstrekte.
En toen Hij uit het schip gegaan was ontmoette Hem meteen uit de graven, die hij had verlaten om op de oever van de zee rond te dwalen, een mens met een onreine geest.
Die zijn gewone woning in de graven had, die op aanzienlijke afstand van de oever gelegen waren. En niemand kon hem in zijn tegenwoordige razende toestand binden, ook zelfs niet met ketenen.
Want hij was vroeger vaak met boeien aan de handen en met ketenen aan de voeten gebonden geweest. Een tijd lang had dat gebaat, totdat de razernij zich weer verhief en de ketenen waren van hem in stukken getrokken en de boeienverbrijzeld en niemand was nu machtig om dit middel op nieuw te beproeven en hem daardoor te temmen, zodat hij de hele omtrek onveilig maakte (MATTHEUS. 8: 28).
En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepend en zichzelf slaand met stenen, in woedende razernij zelfs tegen zijn eigen lichaam.
Toen hij nu van ver Jezus zag, liep hij toe en aanbad Hem.
En hij riep met een grote stem en zag angstig tegemoet (vs. 8) wat hem wachtte (Hoofdstuk 1: 24). In die vrees zei hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zoon van God, van de Allerhoogsten! ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt door het gebod om uit te varen!
(Want Hij zei tot hem, die zo uit bezetene sprak: Gij onreine geest, ga uit van de mens die u in bezit hebt genomen om hem te kwellen. )
Zodra de bezetene de Heere ziet, komt hij tegen Hem instormen. Is het de inwendige tweespalt tussen de vreemde geest en de mens zelf, die hem drijft? Misschien nog eerder een aanval van razernij. Maar de Heere in Zijn verheven rust gebiedt de geest dat hij van hem uitvaart. Dat geschiedt nu niet op een ogenblik. Evenals in Hoofdstuk 8: 22 het klein geloof van de blinde, zo maakt hier de boosheid van de onreine geest dat de genezing langzamerhand gaat. Maar het machtwoord van Jezus heeft toch de razende neergeworpen en op de knieen smeekt hij en bezweert hij zelfs de Heere in de naam van God, dat Hij hem niet kwelle. Wat een toonbeeld van ellende! Is het dan niet voor de verlossing van de mensen wanneer Jezus de duivelen kwelt? Maar zo geheel is de ongelukkige door de heilloze macht gebonden, zo geheel is zijn zelfbewustzijn door de waanzinnigheid geboeid dat hij aan de macht, die hem beheerst, zijn lippen moet lenen en voor haar moet bidden tegenover zijn eigen ik. Maar de Heere erkent in dit verkeerde bidden, in die hoogste mate van onderworpenheid het werkelijke smeken van de ongelukkige mens. Hij verneemt uit de zeldzame bezwering de behoefte die des te luider tot Hem roept, hoe meer zij gebonden is, zodat zij zich niet uiten kan. De mens is gedwongen te bidden dat hij niet genezen wordt; maar daarin bidt hij, zonder het te kunnen zeggen, dat hij toch genezen mag worden. Het menselijke “ik” smeekt tot de Verlosser dat Hij Zich over hem ontfermt; het smeekt in die vorm, die hem alleen is overgelaten en de Heere verhoort het smeken, zoals Hij van Petrus, de zondige mens (Luk. 5: 8 vv. ), niet uitging. Wij zagen dat er tweeerlei toestanden zijn, bezeten zijn en een knecht van de duivels in zonden (1 Sam. 16: 14 en 8: 34) Maar het eerste is toch een beeld van het tweede, evenals de verschillende lichamelijke ellenden gelijkenissen zijn van de daarmee verwante gebreken van het hart. Ook om ons van de tweede soort, van de dienstbaarheid aan de satan, te bevrijden, ook om de duivel van de boosheid en de onreine geesten van elke zonde uit hart en wil te verdrijven, is Jezus de alleen ware Helper. De bezetene is een gelijkenis van de zondaar, zoals hij onder de vloek van de zonde verkocht en gebonden is, in onderworpenheid aan een vreemde tegenover zich zelf, niet meer zijn eigen meester, maar de vijand van zijn eigen persoon. Maar ook hier bemerkt hij, wanneer de Helper dichtbij hem komt, wel diens macht, maar hij streeft Hem tegen, hij is beangstigd voor de aanraking met de Heilige van God; hij denkt dat hij zijn leven zal moeten overgeven, wanneer hij de gewoonte van de zonde zou laten varen; hij is voor elke verandering als voor een ongeluk bevreesd; hij houdt krampachtig zijn ellende vast; hij wenst het onvermijdelijke ten minste nog uit te stellen: “Pijnig mij alleen nu nog niet!”
En Hij vroeg hem, terwijl Hij nu tot de werkelijke uitdrijving van de boze geest overging: Welk is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is legio (een legerafdeling van 6000 man, MATTHEUS. 26: 53), want wij, die deze mens bezeten hebben, zijn velen. Dat was een woord van krijgshaftigen trots, die zich nog door pralerij wil verdedigen, maar aan de andere kant ook een ontzaglijke klacht, in zoverre het lijdende bewustzijn van de bezetene daarbij meewerkte.
En hij, die de woordvoerder van die velen was, bad Hem zeer dat Hij hen buiten de plaats waar zij tot hiertoe hadden kunnen huisvesten, niet in de afgrond wegzond, maar hun een verder oponthoud in de omtrek zou toestaan.
En daar aan de bergen, op een hoogte die op enige afstand lag, was een grote kudde zwijnen, weidende.
En al de duivelen, die volgens hun zo even uitgesproken bede in diezelfde landstreek wilden blijven, baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, zodat wij in hen mogen varen. Zo meenden zij, dat hun bede nog het eerst zouworden toegestaan.
En Jezus liet het hen meteen toe, omdat dit geheel overeenkwam met Zijn verdere bedoelingen; want de Gadarenen, die zich zo zorgeloos overgaven aan het telen van onreine dieren, moesten de verschrikkingen van het rijk van degeesten ervaren. En de onreine geesten, voeren van de mens uit en voeren in de zwijnen; en de kudde, tot een vreselijke angst gebracht die hen razend maakte, door de duivelen die in hen voeren, stortte van de steilte af in de zee, (daar waren er nu omtrent twee duizend) en versmoorden in de zee.
En die de zwijnen weidden zijn gevlucht en vertelden dit in de stad en op het land. En zij, de bewoners van de stad en de akkerlieden uit de omtrek, aan wie die kuddetoebehoorde, gingen uit om te zien wat het was dat er gebeurd was.
En zij kwamen tot Jezus en zagen de bezetene nu genezen zittend, in plaats van rondzwervend en gekleed, terwijl hij vroeger naakt rondliep (Luk. 8: 27) en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had; en zij werden bang voor de goddelijke majesteit van Jezus, aan wiens voeten de mens neerzat, nu geheel aan Hem overgegeven (Luk. 8: 35).
En die het gezien hadden vertelden hen wat de bezetene overkomen was en ook de geschiedenis van de zwijnen.
a) En zij begonnen bang en pas langzamerhand in woorden te kennen te geven wat zij van Hem verlangden, Hem te bidden dat Hij van hun landpalen wegging, omdat zij vreesden door Hem nog meer schade te zullen lijden.
Hand. 16: 39.
Jezus vraagt de bezetene hoe hij heet. Wil Hij de ongelukkige tot nadenken brengen en vraagt Hij hem daarom naar zijn naam als mens? Of vraagt Hij dit zodat de boze geest, die nu nog weerstand biedt, zijn karakter blootlegt tot verheerlijking van Hem die bewijzen zal de Sterkere te zijn? In elk geval is het antwoord: “Legio, want wij zijn velen” zeer vreemd. Daarin ligt het ergste van krankzinnigheid, wanneer wij ons dat woord denken als gesproken door de mond van een mens; de ongelukkige moet zichzelf verwarren met de menigte van boze geesten die in hem huisvesten. Verder verbindt zich daarmee de bede van de duivelen om in de zwijnen te mogen varen, die op enige afstand weiden. Zij hebben lust in die onreine dieren, die ten getale van duizenden in Palestina niet mochten worden gehouden. De Heere staat de bede toe en de demonen varen in de kudde; zulke openbaringen van het uitvaren komen overigens in geen Nieuw Testamentische geschiedenis voor. Wie weet aan welke invloeden, overeenkomstig aan hetgeen de mensen ondergaan, de dieren zijn blootgesteld? Ziekten van het lichaam erven op hen over; ook het razend worden kan hen overkomen, vooral ook de zwijnen. Maar waarom verwoesten de duivelen meteen weer het pas verkregen toevluchtsoord? Gebeurt het om de Heere schade aan te doen? Wij nemen eerder aan dat zij slechts een boosheid wilden verrichten, die tegen hun berekening tot hun schade uitkwam. Misschien wilden zij de zwijnen razend maken om hen zo te doen moorden; maar dan verging het hen als de zondaar onder de mensen, die tegen zijn berekening in zijn leven verkort. Ontstal echter Jezus op die manier niet het eigendom van anderen? Wij zeggen alleen: de Gadarenen zelf waagden het niet enig verwijt te doen, omdat zij de mens genezen en bij zijn verstand vonden – wie wil ongeroepen hun advocaat worden? Wanneer een mens genezing nodig had en deze alleen genezen en van de genezing overtuigd kon worden, wanneer plaats had wat hij gedwongen was te vragen, wie zou dan zo wreed zijn de dieren hoger te schatten? Dieren vooral, die in Israel alleen uit winzucht werden gehouden en waarvan het verlies de bezitters als een straf voor zich moesten beschouwen? En wanneer het vaak de manier van handelen bij de Heere is om door te nemen veel heerlijkere dingen te geven, had Hij dan niet al gegeven? Had niet de hele landstreek een bevrijding gekregen van wat lang genoeg haar schrik was geweest? En wat is de oorzaak, dat de Gadarenen niet de hoogste zegen en daarbij ook uitwendig een honderdvoudige vergoeding wonnen, wat anders dan de kortzichtigheid van hun ongeloof? Zij hebben zichzelf de grootste schade aangedaan, omdat zij hun vee meer lief hadden dan de mensen, doordat zij Jezus baden van hen te wijken. Helaas! zo geheel anders dan de Samaritanen (Joh. 4: 40) die Hem baden bij hen te blijven.
En toen Hij, meteen toegevend aan de begeerte van de Gadarenen bij haar eerste openbaring, in het schip ging, bad Hem degene die bezeten was geweest dat hij met Hem mocht zijn, zich aan Hem als navolger mocht aansluiten.
Doch Jezus liet hem dat om wijze redenen 9: 1″) niet toe, maar zei tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen en vertel hen welke grote dingen u de Heere gedaan heeft door de genezing van een zo ontzettend kwaad en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft door tot u Zijn Zoon te zenden, die ook de boze geesten onderworpen zijn.
En hij ging heen zonder zich juist het eerst tot de zijnen te wenden en hij begon te verkondigen in het land van Dekapolis welke grote dingen Jezus hem gedaan had; en zij verwonderden zich allen.
De gewone mening van de wereld stelt geen belang in de omkering die de kracht van Christus werkt. Het stoort hen ook, omdat daarbij de hand wordt gelegd aan de gewone toestanden waarin men leeft en het wel heeft; men probeert daarom alle goddelijke werktuigen, die sterke opwekkingen in de verstorven gemoederen te weeg brengen, ver van zich te houden. Evenals de Gergesenen stoten velen het geloof van zich, nu eens met geweld, dan met beleefdheid; zij willen zich ontslaan van het Evangelie, dat voor hen lastig is.
De Christelijke maatschappij is vol Gergesenen.
Christus laat in het duistere land van de Gergesenen zo lang een plaatsvervanger wanneer zij zijn persoonlijke tegenwoordigheid niet kunnen verdragen.
Het wonder te Gadara, een openbaring van de heerlijkheid van de Heere: 1) als van de Zoon van de levende God, 2) als van de Koning van de geestenwereld, 3) als van de Redder van de ellendigen, 4) als van de Heilige, die niet tevergeefs om Zijn heengaan laat vragen.
En toen Jezus weer in het schip overgevaren was naar de andere kant die Hij (Hoofdstuk 4: 35) kort geleden verlaten had, de landstreek bij Kapernaum en Bethsaida, vergaderde zich ongeveer 8 dagen later, toen Hij van het middagmaal van Levi kwam (Hoofdstuk 2: 15-22. “Uit 9: 18”), een grote menigte bij Hem. En Hij was bij de zee, want Levi’s huis bevond zich bij de zee.
Sinds hoofdstuk 3: 7 vv. is het de zee en het schip die de gedachten van de Evangelist bezig houden. De Heere is van het vasteland op de zee weggedrongen, zodat deze voor Hem hoe langer hoe meer tot een plaats van Zijn werkzaamheid is geworden en Hij nog alleen de oevers kan bereiken. Maar Hij heeft ook die zee tot een geschikt arbeidsveld gemaakt, omdat het schip steeds voor Hem klaar staat en als het ware het huis vormt waarin Hij Zijn familie, de discipelen, bij Zich heeft, om hen te leren en oefenen 3: 12). Dit beeld – een afbeelding van de toestand van het rijk van God in de tijd toen Markus zijn Evangelie in Rome schreef -zweeft hem zozeer in deze derde reeks van verhalen (Hoofdstuk 3: 13-5 : 43) voor ogen, dat Hij in het voor ons liggende vers zich niet tevreden stelt met bericht te geven van een overvaren naar deze oever, maar hetgeen eigenlijk van zelf spreekt “in het schip” nog uitdrukkelijk erbij voegt. Eveneens laat hij, wat voor de volgende geschiedenis van ondergeschikte betekenis schijnt, niet na op te merken dat Jezus Zich “aan de zee” bevond, toen Jaïrus met zijn vraag zich tot Hem wendde. Wij hebben dus geen aanleiding te veronderstellen dat de afdeling die nu begint, chronologisch nauwkeurig behoort bij het voorgaande, omdat het “Hij was bij de zee” zich niet zozeer aan de woorden van vers 21 aansluit, als wel de inhoud van vs. 22 inleidt. Zeker komt, wat chronologische rangschikking aangaat, aan Mattheus de voorrang toe, die echter, wat aanschouwelijke en betekenisvolle voorstelling aangaat, bij Markus achterstaat en meer in het kort verhaalt, zaken van dezelfde aard samenvoegende.
En zie, er kwam, terwijl Jezus met de farizeeen en discipelen van Johannes in gesprek was, een van de oversten van de synagoge van Kapernaum, Jaïrus, uit zijn huis gesneld en Hem ziende viel hij, zonder zich door de aanwezige vijanden van Christus van zulke eerbewijzen te laten afhouden, aan Zijn voeten.
En smeekte Hem zeer, Hij wilde Hem ten minste smeken, hoewel hij op het beslissende ogenblik meer zei dan zijn oorspronkelijk doel was: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik smeek U dat U komt en de handen op haar legt, zodat zij behouden wordt; en zij zal leven (vgl. MATTHEUS. 9: 18).
En Hij, die wel wist hoe het werkelijk al met het kind was (vs. 35, vgl. Joh. 11: 3 en 4), stond dadelijk op en ging met hen. En een grote menigte volgde Hem en zij verdrongen Hem.
a) En een zekere vrouw, die twaalf jaren de vloed van het bloed gehad had.
Lev. 15: 25.
En veel geleden had van veel medicijnmeesters, die bij de Joden in dergelijke ongesteldheden veel beproefden en nu dit dan dat bevolen en die al het hare daaraan te koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was:
Deze had van Jezus gehoord hoe machtig Hij was alle ziekten te genezen en kwam, omdat zij het niet waagde haar zaak openbaar te maken, onder de menigte die rondom Hem samengedrongen was van achteren en raakte Zijn kleed aan, aan de onderste naden van de zoom;
Want zij zei: Als ik maar Zijn kleren mag aanraken zal ik gezond worden.
Het is moeilijk zich een duidelijke voorstelling te maken van het geloof van deze vrouw; in elk geval dacht zij dat zonder zo’n aanraken, zonder zo’n uitwendig contact haar geen zegen toekomen kon. Zij had, zoals Luther zegt, het kleed nodig als een uitwendig middel en teken, zodat zij toch door iets met Christus in gemeenschap mocht komen, zoals wij ook niets anders hebben in dit leven en in het rijk van het geloof dan woord en sacrament, waarin Hij Zich aan ons geeft, opdat wij daarin, als in een kleed, uitwendig aanraken en aangrijpen.
En meteen nadat zij overeenkomstig dat geloof had gehandeld is de fontein van haar bloed opgedroogd, want tot hiertoe was dat haar ontstroomd als aan een bron die niet te stoppen was en zij voelde aan haar lichaam, dat zij van diekwaal genezen was.
En meteen bekende Jezus in Zichzelf a) de kracht, die van Hem daarbij uitgegaan was en keerde Zich om in de menigte. Hij wilde niet dat die zaak verborgen zou blijven, maar wilde haar tot zielenheil van de vrouw, van de discipelen en van de omstanders nog verder aanwenden en Hij zei: Wie heeft Mijn kleren aangeraakt?
Luk. 6: 19.
De genezing was niet veroorzaakt door de aanraking; velen toch raakten Hem aan, maar door het geloof dat zich in die aanraking betoonde. Het geloof werd bevestigd en Jezus erkende bij Zichzelf wat er voorviel, met dezelfde zekerheid als Hij de gedachten van de mensen doorzag (Hoofdstuk 2: 8. Joh. 2: 25).
Het is twijfelachtig of met het Griekse en eautq bedoeld is “aan Zich” of “in Zich. ” Luther vat het op de eerste manier op. Het komt dan overeen met hetgeen in vs. 29 van de vrouw gezegd is: “Zij voelde aan haar lichaam. ” Het zou dan willen zeggen dat Jezus enig lichamelijk gevoel daarvan zou gehad hebben, dat er van Hem een kracht was uitgestroomd. Neemt men het daarentegen op met onze vertaling op de andere manier: “in Zich, ” d. i. in Zijn binnenste, dan zou men het geheel toch niet zo mogen opvatten: “Omdat Jezus in Zijn binnenste wel wist, dat er kracht van Hem was uitgegaan, ” maar: “Omdat Hij in Zijn binnenste erkende, dat de uit Hem komende kracht van Hem uitgestroomd was. ” Daarin schijnt te liggen dat Jezus niet alleen door Zijn hogere wetenschap in het algemeen heeft geweten wat de vrouw verlangde en wat zij had gedaan, maar dat Hij door de aanraking van de vrouw, die met een bepaald doel gebeurd was, een bepaald inwendig bewustzijn of lichamelijk gevoel daarvan had, dat een genezende kracht van Hem was uitgegaan, zoals ook in Jezus woorden bij Lukas (8: 46) schijnt te liggen.
Het is en blijft steeds een moeilijke vraag hoe wij dit uitgaan ons moeten voorstellen; zeker niet op die manier alsof Zijn genezende kracht op een elektrische batterij leek, die zich bij de kleinste aanraking onwillekeurig zou moeten ontlasten. Er ontstroomt Hem niets zonder dat Hij het wil, maar Hij heeft altijd de wil om te helpen, waar en zodra Hij slechts geloof aantreft. Het is dus niet onwillekeurig, maar wel bewust dat Hij geneeskracht laat uitstromen waar het geloof Hem aangrijpt. De menigte raakt Hem van alle kanten aan, maar merkt van die gerede geneeskracht niets, al had deze of gene ook enige ongesteldheid gehad, alleen omdat geloof en verlangen gemist wordt. En dat deze kracht van de Heere uitgaat, daarin zal toch wel evenmin iets aanstotelijks zijn als dat de Heilige Geest van de Vader uitgaat (Joh. 15: 26).
Calovius maakte van deze plaats gebruik tegen de Calvinisten, die aan het vlees van Christus geen goddelijke kracht toekenden.
En Zijn discipelen, in wiens naam Petrus sprak (Luk. 8: 45), zeiden tot Hem, toen niemand zich aanmeldde: Gij ziet, dat de menigte U van alle kanten verdringt en Gij zegt, alsof uit die menigte nog een enkelpersoon kon genomen worden: Wie heeft Mij aangeraakt?
En Hij zag, na een antwoord op die tegenspraak (Luk. 8: 46) gegeven te hebben, rondom om haar te zien die dat gedaan had, die Hem op zo’n manier had aangeraakt dat er kracht van Hem was uitgegaan.
Waarom keert Hij Zich om? Chrysostomus geeft drie redenen op: Hij wil ervoor zorgen dat de vrouw zich later niet verwijt de gave gestolen te hebben; ten tweede wil Hij haar geloof opwekken; zij moet erkennen dat zij voor Hem niet verborgen kan blijven; en ten derde wil Hij haar als een echte geloofsheldin voorstellen. Ik zou er nog een andere reden willen bijvoegen, namelijk dat Hij haar tot de erkentenis wil brengen dat niet het uitwendig aanraken van Zijn kleed, maar Zijn heilige wil haar geholpen had.
Christus bevrijdt haar niet alleen van haar ziekte, maar ook van de ziekelijke vrees van haar vrouwelijk bewustzijn: ook de schaamte heeft bevrijding nodig en heiliging door de Geest van de waarheid.
En de vrouw, vrezend en bevend, wetend wat aan haar gebeurd was en dat zij zo degene was die door Jezus oog en vraag gezocht werd en menend dat zij door een verkeerde handelwijze Zijn toorn had opgewekt, kwam en viel voor Hemneer. Zij smeekte om genade en vertelde Hem de waarheid.
De vrouw vreesde, deels beschaamd over de aard van haar ongesteldheid, deels verontrust door het bewustzijn van schuld, dat zij, de onreine, zich onder het volk had gemengd, en zelfs de verheven Leraar had aangeraakt.
Het is menselijke zwakheid en bevreesdheid, dat wij vaak menen het verkeerd gedaan te hebben, terwijl het toch zeer goed gedaan is.
a) En Hij zei tot haar: Dochter! uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede (1 Sam. 1: 17) en ben, uit kracht van Mijn nu ook openlijk uitgesproken verhoring van uw nu openlijk uitgesproken bede, genezen van uw kwaal.
Mark. 10: 52.
Er behoren tweeerlei handen toe, wanneer een aalmoes gegeven zal worden: de hand van de gever en de hand van de ontvanger. Wanneer een van beide ontbreekt komt de weldaad zeker niet tot stand. Wanneer ik mij nu een gever denk die zijn grootste vreugde in het geven heeft, die het aan vatbare harten dankt dat zij hem zijn zaligheid om te geven laten ondervinden, dan kan ik mij ook denken hoe zo iemand de eer van de schone daad overdraagt op de ontvangende harten. En zo is Jezus: Hij helpt en omdat Hij zo graag helpt, maar de onwillige en ongelovige niet wil helpen, noch het volgens instelling van Zijn rijk kan doen, verheugt Hij Zich wanneer gelovige harten Hem ontmoeten en Hij geeft hen de eer, dat Hem Zijn werk aan hen gelukt. Zij daarentegen, deze harten, zullen van hun kant inzien hoe het bedoeld is, zullen hun Heere erkennen als de enige bron van hun hulp, zullen Hem alleen de eer geven en hun leven lang het uur niet vergeten dat hun biddende, hulpbegerende wil Zijn vriendelijk toestemmende, eveneens hulpbegerende wil ontmoette; dat de dubbele wil van Helper en ellendige zich verenigden en door de machtigen wil van de Helper alle nood gestild en vreugde in plaats van klacht in het hart gebracht werd.
Dit voorbeeld leert ons hen te bemoedigen die ootmoedig op Christus vertrouwen tot vergeving en genade, al openbaart zich veel verlegenheid en menig gebrek. Hoe oprechter wij op Hem vertrouwen, hoe grotere dingen wij van Hem verwachten, des te duidelijker zullen wij aan onszelf ervaren dat Hij onze redding geworden is. Zij die door het geloof zijn genezen van hun geestelijke ziekten hebben inderdaad reden om in vrede heen te gaan.
Terwijl Hij nog sprak kwamen enigen van het huis van de oversten van de synagoge en zeiden: Uw dochter is gestorven, waarom geeft u de Meester nog de moeite dat Hij naar uw huis zou komen, terwijl toch geen hulp meer te verlenen is?
En Jezus, meteen het woord gehoord hebbende dat er gesproken werd, zei tot de overste van de synagoge, aan wiens zijde Hij liep: Vrees niet, alsof nu werkelijk alles verloren was, geloof alleen ook nu nog in de genade enmacht van Hem, die u zich als Helper hebt gekozen.
Dat is een harde stoot, die het hopend geloof van de vader dreigt te vernietigen, dat wat hem nu van zijn kind wordt gemeld. Het begint hem donker te worden voor de ogen, evenals iemand die in de diepe nacht zal wegzinken. Maar de Heere, die aan zijn zijde loopt, reikt de hand aan zijn zinkend geloof, evenals eens aan Petrus op de zee en ondersteunt hem, zodat hij niet helemaal neerzinkt. Hoeveel zou daarvan te zeggen zijn; maar ik vergenoeg mij om de trouw van onze God te prijzen, die niet alleen door Zijn genade het geloof in ons opwekt, maar ook ons zwak en wankelend geloof draagt door de kracht van Zijn eeuwig onveranderlijk woord, dat de levende vorm van Zijn Geest is. Houdt u aan dit woord vast, niet aan de gedachten, ook niet aan de gewaarwordingen, bewegingen en gevoelens van uw hart, maar aan dit duidelijke, vaste, onveranderlijke woord. Houdt u daaraan vast onder alle aanvechtingen en slingeringen, die uw geloof bedreigen van binnen of van buiten. Het zal u zeker heendragen over alle diepten, het zal u de troost van het ware geloof niet laten ontzinken. Hij, die u roept, is getrouw, die het ook doen zal.
En Hij liet, toen Hij nu bij het huis van Jaïrus was gekomen en het wilde binnentreden, niemand toe Hem te volgen behalve Petrus en Jakobus en Johannes, de broeder van Jakobus, die Hij in Hoofdst. 3: 16 en 17 boven al de andere apostelen had gesteld en ook later onderscheidde (Hoofdstuk 9: 2; 14: 33).
Bij Zijn laatste oponthoud in Jeruzalem op het pinksterfeest (voor ongeveer vier maanden) zei Jezus: “De Vader heeft de Zoon lief en toont Hem alles wat Hij doet en zal Hem grotere werken tonen dan deze, opdat u zich verwondert” (Joh. 5: 20). Dit nu was zo’n groter werk, waarin Hij, evenals in alle werken van Zijn Vader die Hij deed, wilde dat men Hem als de Christus en als Gods Zoon erkennen zou en dat grotere verwondering opwekte dan alles wat Hij tot hiertoe gedaan had. Toch gaf Hij aan deze grote daad de gelegenheid om haar volle werking op de gemoederen van de mensen uit te oefenen omdat Hij, behalve aan de drie discipelen, slechts aan twee mensen veroorloofde daarvan ooggetuigen te zijn en ook nog aan deze verbood daarvan te spreken. Zoals Hij de dag van Zijn aardse omwandelen en werken niet wilde verlengen, zo wilde Hij die ook niet bekorten, niets voor de tijd bespoedigen. Hij nu wist dat, hoe openlijker Hij in woord en daad als de Christus Gods optrad, de verering en liefde van de weinigen die Hem als zodanig erkenden zich des te luider zou uitspreken; maar daardoor zouden ook alle krachten van de duisternis des te sterker tegen Hem worden opgewekt om Hem en Zijn werk onder de mensen alle denkbare hindernissen in de weg te leggen.
Die zekerheid, dat Hij het meisje zou redden, kon Hij slechts hebben wanneer Hij wist dat hetgeen Jaïrus wenste een werk was, door God Hem opgedragen. Liet dan God, voor Hij het volbracht had, het meisje sterven, zo was het gestorven om door Hem in het leven teruggeroepen te worden. In de zekerheid dat Hij nu, in plaats van tot een gewone genezing, tot een opwekking uit de dood heenging, laat Hij die verandering in Zijn gezelschap plaats hebben, waardoor Hij verhoedt dat ook degenen Zijn onverborgen heerlijkheid zouden zien, die daarin meer gezien zouden hebben dan zij te voren van Hem geloofd hadden.
En Hij kwam in het voorportaal van het huis van de overste van de synagoge en zag de beroering onder de klagers, die meteen na het sterven van het kind door de bloedverwanten waren geroepen en degenen, die zeer weenden en huilden 1) (“2Sa 3: 21”).
De klaagvrouwen, dezelfde als de praeficae van de Romeinen, die klaagliederen zongen en een huilend geluid maakten, waartoe zij gehuurd werden, alsook die op speeltuigen klaagliederen speelden 9: 23).
En Hij ging in en zei tot hen: Waarom maakt u beroering en waarom weent u? het kind is niet gestorven, maar het slaapt.
En zij lachten Hem uit, omdat zij meenden dat Hij van de lichamelijke slaap sprak en op een zeer dwaze manier Zich en anderen met valse verwachtingen troostte (Joh. 11: 11-13). Maar Hij, toen Hij hen allen met een bevelend woord had uitgedreven, nam bij Zich de vader en de moeder van het kind en degenen die met Hem waren, de drie discipelen (vs. 37) en Hij ging binnen in de kamer, waar het kind lag.
Het kind is zeker dood, want het is zo-even gestorven en de familieleden die het hebben aangezien en het volk rondom weten het ook wel; daarom lachen zij over Zijn rede; die is in hun ogen een dwaasheid. Maar voor Zijn ogen slaapt zij slechts; de dood van Zijn doden is voor Hem niets dan een slaap. Door dit woord ontneemt Hij aan de dood zijn vreselijke gedaante, want slaap is toch geen vernietiging, maar een stil, verborgen leven. Wanneer iemand slaapt, is het niet helemaal met hem gedaan, maar over de slapende is de hoop van het ontwaken. Wie dat weet en gelooft, die kan zijn hoofd gerust in de dood neerleggen; hij is zeker van de morgen van de opstanding, die achter zijn graf verrijst.
Niet lang te voren (MATTHEUS. 8: 22) sprak Jezus van doden die gestorvenen begroeven en dus, hoewel zij naar aardse, menselijke mening voor levenden werden gehouden, in hoger opzicht echter door Hem voor dood verklaard werden; zo spreekt Hij ook hier meer goddelijk dan menselijk. “Voor Hem leven zij allen, ” zei Hij over Zijn hemelse vader, wanneer Hij van de gestorvenen sprak van welke men op aarde zegt: “Zij zijn dood” (Luk. 20: 38). Dit meisje echter was om de bijna ogenblikkelijk na haar dood gevolgde opwekking, die Hem zo zeker en gemakkelijk was, zoveel te minder dat waarvoor de overige doden en stervenden door de mensen worden aangezien, zij was des te meer voor een slapende te houden.
En Hij pakte de hand van het kind en zei tot haar in het Aramees 1) (Hoofdstuk 3: 17. 7: 11, 34; 14: 36; 15: 34): Talitha Kumi! wat Gij dochtertje, (Ik zeg u 2) sta op! betekent
Het Aramees is een tak van de grote zogenaamde Semitische taalstam en wel een tak daarvan die armer is in vokalen en ruwer, maar ook ten gevolge van aanraking met vele niet-Semitische volken en talen en de menigvuldige, eeuwen lang durende onderdrukkingen door vreemde veroveraars, verdorven en vermengd is. Het is in vergelijking van de beide andere hoofdtakken, het zuivere, schoon klinkende, in vokalen rijke en fijne Arabisch en het in het midden staande, zeer oude Hebreeuws, het platte dialect. Deze Aramese taal verdeelt zich weer in twee hoofddialecten, het Oost-aramees of Chaldeeuws en het West-aramees of Syrisch. Het eerste is dat dialect van de Aramese tak dat door de eigenlijke Babyloniers gesproken werd en in Babel door de Joden gedurende de ballingschap meer en meer werd aangenomen. Na de ballingschap werd het Aramees gaandeweg de taal voor de omgang onder het volk, vervolgens ook de schrijftaal in Judea. Het Nieuwe Testament noemt in Hand. 21: 40; 22: 2 deze Aramese tongval “Hebreeuws, ” terwijl lateren die de naam van Syro-Chaldeeuws geven. De eigenlijke hoofdtak van het Aramees vormt de eigenlijke Syrische- of West-aramese taal, die zeker zeer oud is, maar van welke wij pas uit de tijd na de geboorte van Christus schriftelijke stukken bezitten en wel als oudste de zogenaamde Peschito, of de Syrische bijbeloverzetting.
Jezus sprak zeker in de regel Syro-chaldeeuws, zoals de Palestijnse Joden in het algemeen, hoewel Hij het Grieks verstond (Hoofdstuk . 7: 26), zoals de Joden in de Seleucidische periode voor het grootste gedeelte het Grieks machtig waren. Daartoe droeg veel bij dat de Hellenistische Joden jaarlijks in Palestina aanwezig waren en zo de kennis van die taal verbreidden en onderhielden. In de steden die voornamelijk door heidenen bewoond werden, bijv. in Cesarea, Scythopolis, enz. was het Grieks de gewone taal.
Het is een gewoonte van Markus om gewichtige woorden van de wonderdoende Jezus in het Hebreeuws aan te halen, niet alsof het toverformules waren, maar omdat zij de getuige onvergetelijk zijn gebleven en omdat zij juist in die vorm als woorden van de Heere vol kracht, rijkelijk vertroostend in de harten van de Christenen ingaan, zoals bij voorbeeld het Abba uit hun mond gaat bij het gevoel van vrede.
De woorden: “Ik zeg u” zijn geen gedeelte van de overzetting van de Syrische woorden, maar worden er door de evangelist bijgevoegd, als iets dat Christus ook op dezelfde tijd gezegd had; om Zijn gezag en Zijn macht over de dood te kennen te geven. Alleen: “Dochtertje! sta op!”
En meteen keerde op dit woord de levensgeest weer en stond het dochtertje op en wandelde; want het was twaalf jaar oud. Het trad dus door dit opstaan en rondgaandadelijk in de toestand die met haar leeftijd overeen kwam, alsof zij nooit ziek geweest was. En zij ontzetten zich met grote ontzetting 9: 26″).
En Hij gebood hen zeer dat niemand dat zou weten 1) wat eigenlijk met het meisje gebeurd was; zij moesten de zaak onbepaald laten, zodat zij daar buiten van dachten wat zij zelf wilden. En Hij zei dat men haar te eten moest geven2) en als een gezonde behandelen.
Dit woord dient ertoe dat die bedoeling van de geschiedenis niet wordt voorbijgezien die het Evangelie eigenlijk op de voorgrond gesteld wil zien. Als de dochter van Jaïrus niet gestorven was, was hetgeen wij hier lezen niet de opwekking van een dode, maar was het alleen de opwekking van een slapende, het bijbrengen van een onmachtige geweest, waarom werd het zo geheim gehouden? Waarom moest niemand het weten? De waarheid in het algemeen en in het bijzonder, de onbesmette waarachtigheid van het karakter en van het hele gedrag van de Heere zouden het tegendeel gevraagd hebben. Het volk hield het voor zeker dat het kind gestorven was (Luk. 8: 53). Het was te ver van Christus Zich groter te laten aanzien dan Hij was en grotere dingen van Zich te doen geloven dan inderdaad bij Hem werden gevonden, dan dat Hij van het bijbrengen van een uit onmacht ook slechts in de gedachten van de mensen de roem van een dodenopwekking zou hebben willen inoogsten. De bedoeling van het verbod is dus niet: laat het niemand weten dat het kind niet dood was en dat Ik het uit deze onmacht weer opgewekt en van de ziekte genezen heb; de bedoeling en overtuiging van de evangelist was integendeel deze: het kind was dood; Hij maakte het levend en dit grotere werk van God, de opwekking van een dode, wilde Hij toen nog niet verteld hebben.
De invloed van deze daden van de Heere op het oordeel en de gezindheid van het volk moest niet overhaast en door sterke opwekking tot een vleselijke worden. Gaandeweg en zeker moest de overtuiging dat Hij de beloofde goddelijke Helper, de Messias was, doordringen; zij moest niet door openlijke demonstraties bespoedigd en daardoor zeer gemakkelijk in verkeerde zin geleid worden.
De Heere wil niet alleen de werkelijkheid van het tot volle gezondheid weer herstelde leven bevestigen, maar ook na dit krachtig ingrijpen in de loop van de natuur aan haar ordening weer plaats geven; ook moest de onsteltenis van de ouders voor een rustigere stemming wijken. In andere zin echter moest de natuur voor altijd verdrongen blijven. Zoals in een dergelijk geval gezegd wordt: “Hij geloofde met zijn hele huis”, dan was dit ook hier de bedoeling van de Heere en misschien ook het wezenlijke gevolg. Had dat nog na zo’n gebeurtenis geen plaats gevonden, dan was het zeker door geen wonderen te bereiken geweest.
Het wonder van de Heere houdt juist daar op waar de werkzaamheid van de mens beginnen kan. Wij vinden dit eigenaardige in meer dan een bijzonderheid van het Evangelie terug. De Zoon van God, die Zijn apostelen elke dag door een nieuw wonderwerk had kunnen voeden, beveelt hen echter de overgeschotene brokken van de vermenigvuldigde broden te verzamelen. Hij maakt slijk en legt het op de ogen van de blinden, maar deze moet heengaan in geloof en zich in Siloams wateren wassen. Hij voorspelt Zijn discipelen ontrouw, verloochening en verraad, maar Hij maakt Zijn almacht niet dienstbaar om hun overtreden te verhinderen; Hij grondt daarop de waarschuwing, “Waak en bid, zodat u niet in verzoeking komt!” Dit is een blijvende regel; Jezus doet zelfs wonderen voor ons, maar niets overtolligs; waar Zijn werk eindigt begint onze taak. Deze opmerking zal niet zonder nut zijn voor Christenen die, om alle ijdel zelfvertrouwen te ontvluchten, soms in een strafschuldige kwijning vervallen. Hun mond heeft het zo vaak herhaald, dat zij niets kunnen zonder de bijstand van God, dat zij door een scheve, naar hun zinnelijkheid geplooide voorstelling van de waarheid, eindelijk tot de overtuiging zijn gekomen dat God hen als het ware dwingen moet om te handelen en dat zolang het goede hen niet aangenaam is en makkelijk valt, zij al klagende over hun zwakheid, die veeleer traagheid te noemen is, de vervulling daarvan weten te verschuiven. – O, wanneer de ongelovige zich bij ons rechtvaardigen wil met te zeggen dat God hem niet bekeren wil, dan weten wij hem wel te antwoorden dat hij het zelf is die weigert zijn hart te ontsluiten voor de Heilige Geest, die niet ophoudt aan de deur van zijn hart te kloppen. Ziet u niet dat deze woorden, uit onze eigen mond, als getuigen tegen onszelf opstaan? En dat, mits de Geest van God in ons is om ons getuigenis te geven Hij ook daar is om te handelen en dat daarom, als wij niet werkzaam zijn tot heil van onze zielen, het niet Hij is die ons begeeft, maar daarentegen wij het zijn die Hem verlaten en weerstaan? Waken wij daarom op uit die vrijwillige sluimerzucht en krachtsverdoving! Staan wij niet langer op de weg met omgorde lendenen en over elkaar geslagen armen! Geven wij, zoals de ouders van het jonge meisje, aan de nieuwe mens het voedsel dat zijn krachten kan ondersteunen en wachten wij niet, onbeweeglijk op onze legersteden, dat het hemels manna onze tand komt zoeken en onze mond opent! Geven wij, zoals de vrienden van Lazarus aan de ledematen van de uit de dode opgewekten de vrijheid om zich te bewegen en blijven wij niet levend in de grafspelonk wachten of Jezus niet komen zal om ons te dwingen die te verlaten! De Heere heeft Lazarus niet uitgedreven, maar hem toegeroepen: “Kom uit!” Komen wij dan zoals hij uit, omdat we, evenals hij uit de doden zijn opgewekt; verbreken wij de banden van de zonden met de krachten die Jezus ons schenkt; volgen wij de weg die Hij ons heeft afgebakend; zijn wij werkzaam in het nieuwe leven door Hem ons bedeeld, of liever, laat ons de genade van de Heere in ons laten werken, die zolang wij haar geen weerstand bieden, zich heerlijk in onze zwakheid ontwikkelen zal.
De vrouw ondervond dat Jezus Heilands vermogen, waarop zij in geloof vertrouwde, zo met Zijn Heilands wil overeenstemde dat die daarmee een was. Jaïrus ondervond dat Jezus Heilands wil, die hem was toegezegd, zo met Zijn Heilands vermogen overeenstemde dat die daarmee een was; want de eerste heeft gemaakt dat de dood van zijn dochter dit niet aan de ervaring kon onttrekken.
Men merkt een zekere orde op onder degenen die uit de dood werden opgewekt: er worden over drie verteld voor de verschijning van Christus (1 Kon. 17: 17 vv. 2 Kon. 4: 18 vv. 13: 20; v. ). Drie zijn er door Christus zelf opgewekt (Luk. 7: 11 vv. Joh. 11: 1 vv. ) en een drievoudige opwekking heeft er na Zijn opstanding plaats gehad. (MATTHEUS. 27: 52. Hand. 9: 40 en 20: 9).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel