24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Christus’ hulpprediker in Dekapolis

Christus’ hulpprediker in Dekapolis

“En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hunne landpalen wegging. En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn. Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.” Markus 5:17-19

Dat is een opvallende naam voor een mens: “degene, die bezeten was geweest.” Die naam zou hem bijblijven, zolang als hij leefde. Hij zou een voortdurende prediking zijn, in welke richting hij zich ook begaf. Men zou hem vragen het verhaal mee te delen van wat hij geweest was en hoe de verandering had plaats gevonden. Welke verhalen kon die man niet doen! Het zou ons niet mogelijk zijn, zijn leven als een door de duivel bezetene te beschrijven die middernachtelijke tonelen te midden van de graven, dat verwonden van zichzelf met stenen, dat akelige gehuil, dat verschrikt op de vlucht jagen van al de reizigers die in zijn nabijheid kwamen, het binden met ketenen, het losknappen van de handboeien, het verbreken van de kluisters. En een groot aantal bijzonderheden, waarin hij alleen zou kunnen afdalen, wanneer hij het verhaal aan zijn bijzondere vrienden ging opdissen. Met welk een vuur zou hij meedelen, hoe Jezus die weg langs kwam en hoe de boze geest hem noodzaakte zich tegenover Hem te plaatsen! Hij zou zich aldus laten horen: ” Dat was het beste wat mij overkomen kon zijn, tot de Meester gebracht te worden van dat verwoede legioen van duivelen, dat zich binnen mij had gelegerd en mijn ziel tot zijn woonplaats had gemaakt.” Hij zou dan verder gaan verhalen hoe op het woord van Christus het ganse legioen in een ogenblik van hem uitging.

Er zijn sommige mensen, die een verhaal zouden kunnen doen, dat wel iets met dat van deze man overeenkomt, een verhaal van slavernij en gebondenheid aan Satan. En verlossing door de macht van Christus. Als gij zulk een verhaal kunt meedelen, houdt het dan niet voor u zelf. Als Jezus grote dingen voor u gedaan heeft, wees dan altijd bereid er over te spreken, totdat alle mensen weten wat Christus doen kan. Het is mijn gedachte, dat grote zondaars, die gered zijn, in het bijzonder zijn geroepen om de goede tijding, het evangelie van de genade Gods, bekend te maken. Indien gij dapper tegen de waarheid gestreden hebt, strijdt dan ook dapper voor de waarheid. Indien gij niet lauw waart in de dienst van Satan, wees dan ook niet lauw, nu gij in de dienst van Christus getreden zijt. Er zijn er hier onder ons sommigen, die de naam zouden kunnen dragen van “de mens die blind geboren werd,” of van “de melaatse die genezen werd,” of van “de vrouw, die een zondares was;” en ik hoop dat wij allen gewillig zullen zijn om iedere naam en iedere titel aan te nemen, die tot verheerlijking van Christus kan strekken. Ik lees er nergens van, dat deze man een vervolging tegen Markus heeft ingesteld wegens laster of eerroof, omdat deze van hem schreef als van “degene, die bezeten was geweest.” O neen! Dat erkende hij, dat hij eens van de duivel was bezeten geweest. En hij verheerlijkte God er voor, dat hij door de Heere Jezus weer was bevrijd.

I.

Ik zal enige opmerkingen maken omtrent dat gedeelte van het verhaal, hetwelk ik tot mijn tekst gekozen heb. De eerste opmerking is deze: ZIET, HOE DE BEGEERTEN VAN DE MENSEN VERSCHILLEN. In het zeventiende vers lezen wij: “En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun landpalen wegging.” En in het achttiende vers: “Degene, die bezeten was geweest, bad Hem, dat hij met Hem mocht zijn.” De mensen verlangden dat Christus van hen zou weggaan; de man, die Hij had genezen, verlangde te gaan, in welke richting Hij mocht gaan. Tot welke klasse behoort gij, mijn waarde vriend?

Ik hoop, dat gij niet behoort tot de eerste klasse, de klasse van de velen, die Jezus bidden om van hen weg te gaan. Waarom wensten zij, dat Hij wegging?

Dat kwam, naar mijn gedachten, in de eerste plaats omdat zij gaarne met rust gelaten wilden worden en daar ongestoord wilden wonen. Het was een grote ramp wat daar geschied was: de zwijnen waren in de zee geplonsd. Zij wensten voor het vervolg van zulke rampen verschoond te blijven. En de Persoon Die Zich onder hen vertoond had, bezat klaarblijkelijk buitengewone macht. Had Hij niet de van de duivel bezetene genezen? Welnu, zij hadden geen behoefte aan Hem. Zij hadden aan niets buitengewoons behoefte. Het waren mensen, die op hun gemak gesteld waren, die niet van drukte hielden, maar liefst een effen pad bewandelden; daarom vraagden zij Hem of Hij zo goed wilde zijn om van hen weg te gaan. Er leven nog wel mensen van die soort. Zij zeggen: “Wij hebben hier geen behoefte aan een opwekking; wij zijn achtenswaardige lieden. Op zulk een ontroerende prediking zijn wij hier niet gesteld; wij nemen het wat gemakkelijker op. Verstoor onzen vrede toch niet.” Zulke lieden, als zij denken dat God op een plaats aan het werk is, zijn al half geneigd om ergens elders heen te gaan. Zij wensen met rust gelaten te worden; hun leuze is: “Er gaat niets boven een rustig leven. Houd af van ons, laat ons op onze oude weg voortgaan,” is het geroep van deze dwaze lieden, gelijk het het geroep van de lsraëlieten was toen zij tot Mozes zeiden: “Houd af van ons en laat ons de Egyptenaren dienen.”

Mogelijk verlangden deze lieden wel dat de Zaligmaker wegging, omdat zij het oog hadden op hun zaken. Dat houden van zwijnen was een slechte zaak. Als Joden hadden zij daar niets mee nodig. Zij zullen wel gezegd hebben dat zij er zelf niet van aten en dat zij ze alleen hielden voor andere mensen, dat die er van eten konden. En nu hadden zij de gehele kudde verloren. Wie weet wat al die zwijnen voor hun eigenaars zouden hebben opgebracht! En als zij nu aan het narekenen gingen, hoeveel zij al verloren hadden, kwamen zij tot het besluit, dat de Zaligmaker Zich toch volstrekt van hun landpalen verwijderen moest vóór zij nog meer verliezen leden. Het verwondert mij niet, dat wanneer er bij voorbeeld mensen zijn, die bedwelmende dranken verkopen, of in het algemeen wanneer zij een bedrijf hebben, waarmee ze geen geld kunnen verdienen zonder hun medemensen nadeel toe te brengen, dezulken niet gaarne hebben, dat Christus die kant uit komt. Misschien zouden sommigen van u er niet op gesteld wezen dat Hij er bij tegenwoordig was en toezag, als gij die arme vrouwen uitbetaalt die hemden of iets anders voor u maken. Ik vrees er wel voor dat als Jezus Christus hier eens rond kwam en de huizen binnenging van onderscheiden mensen, die zaken drijven, de man tot zijn vrouw zou zeggen: “Krijg gauw dat boek, waar ik het loon in opteken en stop het weg. Ik zou niet graag willen, dat Hij dat te zien kreeg.”

O, waarde vriend, indien er een reden bestaat, waarom gij niet wenst, dat Christus tot u komt, is het mijn bede, dat Zijn Heilige Geest u moge overtuigen, dat gij aan zijn komst grote behoefte hebt. Degene, die het meest tegen Christus heeft in te brengen is de man, die de meeste behoefte aan Christus heeft. Zijt hiervan verzekerd, indien gij niet begeert bekeerd te worden, indien gij niet wenst wedergeboren te worden, zijt gij meer dan alle anderen de persoon, die behoefte heeft aan bekering en wedergeboorte. Is het niet een aller onverstandigst besluit, wanneer wij, ter wille van de zwijnen, genegen zijn ons van Christus af te scheiden. “Want wat baat het een mens zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade aan zijn ziel?” Er zal een plaatsje voor hem worden ingeruimd in het nieuwsblad, wanneer men bij de vermelding van zijn dood lezen kan, dat zijn waarde geschat kan worden op zo en zoveel duizend pond. En dat is dan nog niet eens waar, want zelf is hij nooit het kleinste geldstukje waard geweest. Wie zou nog iets voor hem willen geven nu hij dood is? Het zal nog geld kosten om van hem af te komen, maar hij kan het niet meenemen. Hij bezat in het geheel geen waarde: hij gebruikte zijn geld voor zelfzuchtige doeleinden en volstrekt niet tot verheerlijking van God. O, die armoede van een goddeloze rijke man!

Het verwondert mij niet dat deze lieden, met zich zelf ingenomen en volop in de wereld, Christus baden, dat Hij van hun landpalen wegging. Is het te verwachten dat Hij, als gij Hem in het geheel niet begeert te horen, bij u zal vertoeven? Neen; wanneer de mensen vijandig worden tegen de godsdienst, dan brengen ze het al heel ver in hun pogingen om die gehate godsdienst uit hun midden te verdrijven. Menig arme heeft zijn geringe woning, waar bijeenkomsten of bidstonden gehouden waren, moeten ontruimen omdat de eigenaar van zijn huis niet alleen zelf geen behoefte had aan Christus, maar, evenals de hond in de etensbak, ook niet wilde hebben dat anderen, die wel behoefte aan Hem hadden, deel aan Hem kregen. Zijn er onder u, die van die geest zijn?

Ik hoop, dat er hier ook zijn, die tot de andere soort behoren, evenals deze arme man, die Hem bad dat hij met Hem mocht zijn. Waarom wenste hij met Jezus te zijn? Mijn gedachte is dat hij Hem wenste te vergezellen om zijn dankbaarheid te tonen. Indien Hij Christus slechts van dienst kon zijn door de riemen van Zijn schoenen te ontbinden, Zijn voeten te wassen of Zijn maaltijden te bereiden, zou hij zich de gelukkigste man op aarde gevoelen. Het zou hem een groot genot zijn iets te doen voor Degene, Die een legioen duivelen uit hem geworpen had.

En verder wenste hij Jezus niet alleen te vergezellen om zijn dankbaarheid te tonen, maar hij wenste ook als een discipel meer van Hem te leren. Wat hij van Christus wist was zo heerlijk. Persoonlijk had hij zulk een ervaring van Zijn genadige macht genoten dat Hij voortdurend iets wenste te leren uit ieder woord van die dierbare lippen. En iedere handeling van die gezegende handen. Hij bad Hem, dat hij met Hem mocht zijn als een discipel die door Hem wenste onderwezen te worden.

Hij wenste ook met Hem te zijn als deelgenoot in Zijn lot, want nu Christus, van Dekapolis verbannen, moest weggaan, scheen hij te gevoelen, dat er geen reden bestond waarom hij zelf daar zou blijven. “Heere, indien Gij deze Gadarenen moet verlaten, laat mij de Gadarenen dan ook verlaten. Gaat Gij heen, o Herder? Laat mij dan met U gaan. Moet Gij de zee oversteken en U ergens heen begeven, ik weet niet waar? Ik zal met U gaan, ik zal Uw lotgenoot zijn in gevangenschap en in de dood.” Hij gevoelde zich zozeer aan Christus verbonden, dat hij Hem bad dat hij met Hem mocht zijn

Mogelijk was er daarbij ook wel een reden van vreze die hem deze bede deed slaken. Het zou kunnen gebeuren, dat één uit dat legioen van duivelen weerkwam. En als hij zich nu maar bij Christus kon houden, dan zou Christus de duivel weer uitwerpen. Het zou mij niets verwonderen of hij gevoelde een huivering over zich komen als hij zich voorstelde dat hij zich niet meer in de nabijheid van de grote Geneesmeester bevond, Die hem van zulk een jammerlijk kwaad bevrijd had. Ik zou wel tot allen, hier tegenwoordig, willen zeggen dat wij alleen dan veilig zijn, wanneer wij ons met Christus bevinden. Indien de verzoeking tot u komt om ergens heen te gaan waar gij Christus niet met u zou kunnen hebben, gaat dan niet. Hebt gij dat verhaal wel eens gehoord van de duivel, die een jongeling meenam, welke zich in de schouwburg bevond? Er wordt verteld, dat John Newton een boodschap naar Satan stuurde. En wel deze: “Die jongeling is lid van mijn gemeente. Zo,” hernam de duivel, “daar geef ik niets om waar hij lid van is; ik vond hem op mijn terrein. En nu heb ik recht op hem! En de prediker wist niet wat hij daarop zou antwoorden. Als gij op het erf, op het terrein van de duivel gaat en hij voert u mee dan kan ik er niets tegen zeggen. Gaat nergens heen waar gij Christus niet mee kunt nemen. Zijt aan deze man gelijk, die verlangt te gaan waar Christus gaat.

II.

Ziet dan nu, in de tweede plaats, HOE CHRISTUS’ HANDELINGEN VERSCHILLEN en hoe buitengewoon deze zijn. Wij hebben hier een boze bede: “Ga weg van onze landpalen,” en Hij staat ze toe. Wij hebben hier een vroom gebed: “Heere! Laat mij met u zijn.” Doch Jezus liet hem dat niet toe. Is dat nu Zijn wijze van doen, het verzoek van Zijn vijanden in te willigen en de bede van Zijn vrienden af te wijzen? Ja, zo is het soms.

In het eerste geval, toen zij Hem baden weg te gaan, ging Hij. O waarde vrienden, als Christus ooit in uw landpalen komt en gij wordt een weinig getroffen in uw consciëntie en gij gevoelt een zucht als van iets dat op geestelijk leven gelijkt, bidt Hem dan niet om weg te gaan; want als Hij weggaat, als Hij u aan u zelf overlaat en nimmer weer komt, dan is uw verdoemenis gewis. Uw enige hoop ligt in Zijn tegenwoordigheid. En als gij bidt tegen uw enige hoop dan zijt gij een zelfmoordenaar, dan staat gij schuldig aan het vermoorden van uw eigen ziel.

Jezus ging van deze lieden weg, omdat het nutteloos was daar te toeven. Als zij er naar verlangden dat Hij wegging, wat voor goeds kon Hij hun dan doen? Als Hij sprak, zouden zij niet luisteren. Als zij Zijn boodschap hoorden, zouden zij er geen acht op geven. Wanneer het gemoed van de mens zich tegenover Christus plaatst, wat kan er dan anders gedaan worden dan Hem te verlaten?

Hij kon op een andere plaats Zijn tijd beter besteden. Als gij van mijn Heere niet wilt weten, dan zullen er wel anderen zijn, die er anders over denken. Als gij daar in uw hoogmoed neerzit en zegt: “Ik heb geen behoefte aan de Zaligmaker,” dan is er wel een arme ziel in een ander deel van het gebouw, die naar Hem verlangt en uitroept: “O, dat ik Hem mocht vinden als mijn Zaligmaker!” Christus wist dat als de Gadarenen Hem afwezen, de lieden aan de andere zijde van het meer Hem bij Zijn terugkomst zouden verwelkomen.

Door weg te gaan behoedde Hij hen zelfs nog voor groter zonde. Als Hij niet weggegaan was, hadden zij wel kunnen trachten Hem in het meer te storten. Wanneer de mensen Christus beginnen te bidden om van hun landpalen weg te gaan dan zijn zij overal toe in staat. Er zou waarschijnlijk geweldpleging geschied zijn ten aanzien van Zijn gezegende persoon. Zo maakte Hij dan, dat Hij van hen vandaan kwam. Is het niet een verschrikkelijke zaak, dat als de evangeliebediening voor u niet tot behoudenis strekt, zij u helpt verdoemen? Wij zijn een reuke voor God, altijd een aangename. Maar voor sommige mensen zijn wij een reuke des doods ten dode, terwijl wij voor anderen zijn een reuke des levens ten leven. O mijn hoorders, als gij niet tot Christus wilt komen, dan beantwoordt de zitplaats, die gij bezet houdt, niet aan haar bestemming. Het zou kunnen zijn dat daar een ander zat, voor wie het evangelie zeer dierbaar was. En onze gelegenheden om het te prediken zijn al niet te veel. Wij houden er niet van onze kracht te verspillen op steenachtige grond, op harde brokken rots die het zaad terugwerpen. O rots, zult gij nooit breken. Moeten wij u al maar bezaaien, al komt er van u ook nooit een oogst? God verandere u, rots; Hij make u tot goede aarde, opdat de waarheid nog in u moge opgroeien! Het boze gebed vond dus verhoring.

Het goede gebed werd niet verhoord. Hoe kwam dat zo? De voornaamste reden was, omdat de man thuis nuttig kon zijn. Hij kon God beter verheerlijken door onder de Gadarenen en onder zijn eigen familieleden te gaan en hun te vertellen wat God voor hem gedaan had, dan door enigerlei opmerkzaamheid die hij jegens Christus kon bewijzen. Het is wel opmerkelijk, dat Christus gedurende Zijn aardse bediening niemand tot Zich nam om Zijn lijfknecht of persoonlijke bediende te zijn. Hij kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen. Hij verlangde niet dat deze man bij Hem zou zijn om het Hem gemakkelijk en aangenaam te maken. Hij gelastte hem terug te gaan naar zijn familieleden, hen met de macht van Jezus Christus bekend te maken en te trachten hen voor God te winnen.

Misschien werd zijn gebed ook wel niet verhoord omdat het daardoor de schijn had kunnen krijgen, dat er grond voor zijn vrees bestond. Indien hij vreesde, en ik gevoel mij zedelijk zeker dat hij het deed, dat de duivelen zouden terugkeren, dan verlangde hij natuurlijk met Christus te zijn. Maar Christus neemt die vrees van hem. En het is even goed alsof Hij zegt: “Gij behoeft niet met Mij te zijn; Ik heb u zodanig genezen dat gij niet weer door die plaag zult worden overvallen.” Het zou wel gebeuren dat een pas genezene tot zijn geneesheer zei: “Ik ben zo erg ziek geweest en door uw bekwaamheid heb ik de gezondheid weer gekregen, maar nu zou ik toch wel gaarne in uw nabijheid zijn, zodat ik, als de oude kwaal zich maar enigszins weer vertoonde, mij terstond weer tot u kon vervoegen.” Als de arts dan ten antwoord gaf: “Gij kunt, als gij dat wilt, gerust naar Zwitserland of naar Italië gaan,” zou dit het beste bewijs zijn, dat die geneesheer in het geheel geen vrees omtrent hem koesterde. En dan moest dit wel zeer geruststellend op hem werken.

Gij ziet dus hoe Christus’ handelingen met verschillende mensen verschillen. Heb ik niet sommigen gekend die in de zonde volhardden en toch voorspoed hadden in hun zaken. Die rijkdom op rijkdom stapelden en alles bezaten wat hun hart kon wensen? Heb ik niet anderen gekend, die met berouw vervuld waren en zich tot God wendden en die van die dag af meer tegenspoed hadden dan ooit te voren en wier weg buitengewoon hobbelig was? Ja, dat heb ik aanschouwd. En ik heb de gemakkelijke wegen van de goddelozen niet benijd. Ook heb ik niet gevoeld dat er iets zeer verwonderlijks was in de hobbelige wegen der rechtvaardigen. Want als het er op aankomt is het niet de weg die de allesbeheersende zaak is; dat is het eind van de weg. En als ik op een gemakkelijke en aangename wijze de weg naar het verderf kon afwandelen, zou ik dat toch niet verkiezen te doen. Terwijl, al is de weg naar het eeuwige leven ook hobbelig, die weg met al zijn hobbeligheid de keuze van mijn hart is. Aan de voet van de heuvel Moeilijkheid laat Bunyan zijn pelgrim zeggen: “Die heuvel, hoe hoog hij zij, wens ik te bestijgen. De moeilijkheid schrikt mij niet af. Want ik bemerk dat de weg die daarover gaat tot het eeuwige leven leidt.”

III.

In de derde plaats hebben wij dit te overwegen: ZIET WELK EEN GOEDE ZAAK HET IS MET JEZUS TE ZIJN. Deze man smeekte de Heere, dat hij met Hem mocht zijn.

Indien gij pas gered zijt, verwacht ik, dat er een verlangen in uw hart aanwezig is om altijd met Christus te zijn. Ik zal u zeggen welke vorm dat verlangen waarschijnlijk zal aannemen. Gij gevoelt u zo gelukkig, zo vol blijdschap, het was zulk een gezegende ontmoeting, dat gij tot u zelf zei: “Het spijt mij, dat het voorbij is. Ik had wel gaarne gehad dat dat zijn met Jezus de ganse nacht en de volgende dag voortgeduurd had, ja dat er geen eind aan gekomen was.” Gij waart van dezelfde geest als Petrus, toen deze wenste, dat er drie tabernakelen op de heilige berg zouden worden gebouwd om daar het overige van zijn levensdagen door te brengen; maar dat kan toch niet; het helpt niet of gij dat al wenst. Gij moet naar huis toe gaan, naar die drinkende man of naar die scheldende vrouw, naar die goddeloze vader of naar die onvriendelijke moeder. Gij kunt dat samenzijn met Christus niet altijd genieten.

Misschien hebt gij er wel een ander denkbeeld van wat het is met Christus te zijn. Gij zijt zo gelukkig wanneer gij alleen kunt zijn om in uw Bijbel te lezen, u met overpeinzingen bezig te houden en uw ziel in het gebed uit te storten. En gij zegt: “Heere! Ik zou wensen, dat ik dat altijd kon doen; ik zou altijd wel gaarne in deze bovenkamer willen zijn om de Schriften te onderzoeken en gemeenschap met U te oefenen.” Ja, dat geloof ik wel; maar dat kan niet. De kousen van de kinderen moeten gestopt worden, er moet wel eens een knoop worden aangezet, allerlei kleine huishoudelijke bezigheden moeten verricht worden. En daar moogt gij niets van achterwege laten. Alles wat er in de huishouding gedaan moet worden, moet gij met toewijding verrichten. Gij zou wel gaarne willen dat gij morgen niet naar de stad moest. Zou het niet aangenaam wezen de ganse nacht bijeen te zijn voor het gebed. En daarna de ganse dag bezig te zijn in het onderzoek van de Schriften? Zeker zou het dat; maar de Heere heeft het niet zo verordend. Gij moet u met uw zaken bezig houden, daarom moet gij uw alledaagse kleren aandoen. En er u niets minder gelukkig om achten, dewijl gij in uw dagelijks leven uw godsdienst ten toon hebt te spreiden.

“Alles goed en wel,” zegt er een. En dit hoor ik zeer dikwijls. “Maar ik geloof dat ik altijd met Christus zou zijn, als ik zo maar uit mijn zaken kon stappen en mij geheel aan de dienst van de Heere kon overgeven.” En wel voornamelijk, zo is uw gedachte, zou dit het geval wezen indien gij evangeliedienaar waart. Natuurlijk heb ik niets tegen de bediening van het evangelie in te brengen. Indien de Heere u daartoe roept, gehoorzaam dan aan de roeping en wees dankbaar dat Hij u getrouw heeft geacht, u in de bediening stellende. Maar indien gij veronderstelt dat gij dichter bij Christus zult zijn enkel en alleen door in de bediening werkzaam te wezen, dan vergist gij u zeer. Ik durf wel zeggen dat er deze morgen, nadat ik de predikatie geëindigd had, wel zoveel moeiten van andere mensen tot mij gebracht werden als met de meesten in een maand het geval is. Wij moeten ons ophouden met ieders moeiten, met ieders twijfel, met ieders behoefte aan vertroosting en raad. Gij zult u, ook in de dienst van de Heere, door het vele dienen overstelpt vinden. En het is zeer gemakkelijk de Meester in het werk van de Meester te verliezen. Wij hebben veel genade nodig, opdat deze verraderlijke verzoeking ons niet ook in onze bediening overvalt. Gij kunt met Christus wandelen en een manufacturenwinkel hebben. Gij kunt met Christus wandelen en kruidenierswaren verkopen. Gij kunt met Christus wandelen en een werkman zijn en aan de dokken arbeiden. Gij kunt met Christus wandelen en schoorsteenveger zijn. Ik aarzel niet te zeggen dat gij, door de genade Gods, in de ene bezigheid zowel als in de andere met Christus kunt wandelen, namelijk als gij werkzaam zijt in een eerbaar en eerlijk beroep. Het zou wel eens een grote vergissing kunnen blijken te zijn als gij uw zaken er aan gaaft met de gedachte dat gij meer met Christus zou zijn, indien gij stadszendeling werd, of in de Bijbelverspreiding werkzaam waart, of dienst deed als colporteur of wel als kapitein in het leger des heils, of naar welke andere vorm van de heilige dienst zich ook uw begeerten mochten uitstrekken. Houdt u bij uw zaken. Als gij het schoenenpoetsen goed verstaat, doet het dan. Als gij niet de bekwaamheid hebt om te prediken, doe dat dan niet.

“Och,” zegt er iemand, “ik weet wel op welke manier ik zou wensen met Christus te zijn.” Ja, ik begrijp u wel; gij zou wel gaarne in de hemel willen wezen. Nu ja, het is een prijzenswaardige begeerte te wensen met Christus te zijn, want dat is veel beter dan hier te wezen! Maar denkt er om, het kan ook wel een zelfzuchtige begeerte zijn, het kan ook wel een zondige begeerte worden als ze te ver doorgedreven wordt. Aan een heilige man Gods werd eens door een mededienaar van Christus gevraagd: “Broeder, hebt gij geen begeerte om naar huis te gaan?” Hij zei: “Wat vraagt gij mij daar?” Ik vraag u, of gij niet gaarne naar huis wilt gaan. En hij kreeg dit antwoord: “Ik zal u ook eens een vraag doen. Als gij eens iemand bij u in dienst had en die man had het er op Woensdag al over: Ik wou, dat het toch maar Zaterdag was – zou gij zo iemand gaarne in dienst houden?” De ander vond wel, dat er met zulk een persoon heel wat geduld geoefend moest worden. Nu, gij weet wel hoe zo iemand er aan toe is die altijd het oog op Zaterdagavond gericht heeft, niet waar? Gij hebt er in ‘t geheel geen spijt van als hij vóór Zaterdag uw dienst verlaat, want de man deugt niet voor het werk. Heb ik wel het recht om te wensen naar de hemel te gaan, als ik hier nog iets goeds voor u kan verrichten? Is het niet meer hemels buiten de hemel te zijn dan daarbinnen, indien gij er buiten meer voor God kunt doen dan er in? Verlangt heen te gaan wanneer de Heere het wil. Maar als in het vlees te blijven meer voor het welzijn van de kerk en de wereld is, en meer tot heerlijkheid van God, bedwingt dan uw begeerte en ergert u niet aan uw Meester, wanneer er ook van u, nadat gij gebeden hebt om met Hem te zijn, evenals van de man in onze tekst geschreven kan worden : “Doch Jezus liet hem dat niet toe.”

Maar toch, het is een zeer heerlijke zaak, met Jezus te zijn.

IV.

In de vierde plaats echter, ZIET DAT ER IETS KAN ZIJN, HETWELK ZELFS NOG BETER IS DAN DIT. In de zin, door mij aangegeven, is er iets beters zelfs dan het zijn met Christus.

Wat is beter dan het zijn met Christus? Wel, het werken voor Christus! Jezus zei tot deze man: “Ga heen naar uw huis tot de uwen en boodschapt hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.”

Dit is meer eervol. Het is zeer genotvol aan Jezus’ voeten te zitten. Maar als de meest eervolle post op het slagveld de plaats van het gevaar is, indien de meest eervolle zaak in de staat het bekleden van een koninklijk ambt is, dan is de meest eervolle zaak voor een christen niet neer te zitten en te zingen en genot te hebben, maar op te staan en zijn naam, het leven, ja alles te wagen om Christus’ wil. Waarde vriend, laat het uw streven en uw hoogste begeerte zijn om de Heere te dienen; dit is een meer eervolle zaak dan het verkeren met Hem.

Het is ook beter voor de mensen. Christus gaat van de Gadarenen weg; zij hebben Hem gevraagd om heen te gaan. En Hij gaat. Maar Hij laat als het ware bij de genezene deze boodschap achter: “Ik ga heen, omdat zij Mij gevraagd hebben heen te gaan. Dat Ik hen verlaat heeft het aanzien van een oordeel over hen, omdat zij Mij verworpen hebben. Maar ik ga toch niet geheel en al weg. Ik zal bij u blijven. Ik zal Mijn Geest op u leggen en alzo bij u vertoeven. Zij zullen u horen, ofschoon zij Mij niet willen horen.” Christus staat als het ware het herderschap over dat district af; maar Hij stelt een ander in Zijn plaats, niet zo goed als Hijzelf, maar iemand van wie zij daar meer zullen houden. Iemand die niet zo machtig is als Hij, maar die dan toch beter voor hen past. Wanneer Christus weg was zou deze man daar zijn. En de mensen zouden tot hem komen om te horen van die zwijnen en hoe die de zee instormden. En als zij niet tot hem kwamen, zou hij tot hen gaan en hun dat alles mededelen. En alzo zou daar een voortdurende prediking en bearbeiding van de zielen zijn. Ter volvoering van de heilige bediening, nu de grote Zielenherder was heengegaan. Die gedachte bekoort mij. Christus is naar de hemel gegaan, want Hij is daar nodig. En zo heeft Hij u, waarde broeder, hier achtergelaten om Zijn werk voort te zetten. Gij zijt in geen enkel opzicht met Hem te vergelijken; maar gij hebt u slechts te herinneren wat Hij tot Zijn discipelen zei: “Die in Mij gelooft, de werken die Ik doe, die zal hij ook doen. En hij zal groter werken doen dan deze, want Ik ga heen tot Mijn Vader.” Dat is de reden waarom Christus u voor het tegenwoordige nog niet toestaat met Hem te zijn. Gij moet blijven ter wille van de mensen, onder welke gij leeft; evenals “degene die bezeten was geweest” blijven moest ter wille van de Gadarenen, om tegenover hen aangaande Christus te getuigen.

Zijn blijven was ook beter voor zijn bloedverwanten. Is het ook niet uw gevoelen, dat menigmaal een man Gods uit de hemel gehouden wordt ter wille van zijn familieleden? Gij moogt hier nog niet vandaan, vader; die jongens hebben nog behoefte aan uw voorbeeld en aan uw invloed. Christenmoeder, gij moogt hier nog niet weg: ik weet, dat uw kinderen al volwassen zijn en dat zij u zeer veel verdriet aandoen. Maar toch, als er nog iets aan hen te doen is, dan moet het al komen van de kant van hun arme oude moeder. Gij moet hier blijven om hen door uw gebed tot God te brengen. En dat zal nog wel gebeuren. Heb goede moed. Ik geloof, dat er hier velen zijn die anders wel in de hemel konden wezen, zo er niet sommigen waren, die naar het plan van God door hen moeten worden toegebracht. En daarom moeten zij hier dan wat langer blijven. Ofschoon zwak van lichaam, aangetast in het zenuwgestel en dikwijls door hevige pijnen gefolterd, mogelijk wel met een dodelijke kwaal onder de leden, moogt gij hier niet vandaan, vóór uw werk af is. Ofschoon het uw wens is om heen te gaan. “Doch Jezus liet hem dat niet toe.” Deze man die bezeten was geweest, moest zich huiswaarts begeven en zijn vrouw en kinderen boodschappen wat grote dingen de Heere voor hem gedaan had. Vele uitnemende predikers hebben het toneel van zijn thuiskomst geschilderd. Daarom zal ik maar niet beproeven dit te doen. Gij kunt u zelf wel voorstellen wat het zou zijn, indien gij in zijn geval zou verkeren. Zo gij in een asiel opgesloten was geweest, of misschien wel zo buitensporig geweest was dat men u daar nog niet eens kon gebruiken. Wat waren uw verwanten blij dat men u wegbracht. En hoeveel te meer blijdschap zouden zij dan niet gevoelen, zo zij u volkomen genezen mochten zien terugkomen Ik kan mij voorstellen hoe de vrouw van die man door het venster zag, toen zij zijn stem hoorde. Is hij in een vlaag van waanzinnigheid teruggekomen? Wat zullen de kinderen met schrik vervuld zijn geweest bij het horen van de stem van hun vader, totdat zij er zeker van waren, dat er inderdaad een verandering bij hem had plaats gevonden! Ach, arme zondaar die u hedenavond hier bevindt, Misschien zijt ge het vergeten, dat uw kinderen dikwijls onder het bed moeten wegkruipen, wanneer hun vader thuis komt. Ik weet dat er zulke personen zijn. En het is zelfs wel mogelijk, dat zij in dit bedehuis zijn terechtgekomen. De Heere ontferme Zich over de dronkaard en kere zijn glazen onderstboven; Hij make een nieuwe mens van hem. Wanneer hij dan naar huis gaat om te spreken van vrije genade en van liefde tot de dood en van de wondervolle verandering die God in hem tot stand gebracht heeft, zal hij een zegen zijn voor zijn huisgenoten en voor allen die zich om hem heen bevinden. Het kan wel zijn, waarde vriend, dat gij hier hebt moeten komen om bepaald te worden hij het kwaad, dat gij in uw vroeger leven hebt aangericht. Gij moet sommigen tot God brengen van degenen die gij verleid en van de rechte weg afgevoerd hebt, wier ondergang mede uw werk was.

Zo ziet gij, waarde vrienden, dat er iets bestaat, dat nog beter is dan het zijn met Christus. En wel, het werken voor Christus.

V.

Tenslotte ZULLEN WIJ NOG OVERWEGEN DAT ER NOG EEN GEVAL BESTAAT, HETWELK HET ALLERBESTE Is. Wij moeten altijd drie trappen van vergelijking hebben. Wat is dan het beste van alles? Met Christus te zijn is goed; door Christus gezonden te worden om heilig werk te verrichten is beter; maar er bestaat nog iets dat wel het beste van alles is, namelijk voor Hem te werken en dan tegelijkertijd met Hem te zijn. Het is mijn wens dat het streven en de begeerte van ieder christen naar die toestand uitgaat. Is het mogelijk om met Maria aan de voeten van de Meester te zitten en toch gelijk als Martha heen en weer te lopen en de maaltijd gereed te maken? Ja, en dan zal Martha zich niet bekommeren en verontrusten over vele dingen en ook geen aanmerking maken op het gedrag van haar zuster Maria. “Maar wij kunnen toch niet tegelijkertijd stilzitten en ons bewegen.” Neen, niet wat aangaat uw lichaam, maar wel ten aanzien van uw ziel. Gij kunt aan Jezus’ voeten neerzitten of tegen Zijn borst aanleunen en toch de krijg van de Heere voeren en Zijn werk doen.

Om dit te doen hebt gij zowel uw inwendig leven aan te kweken als op uw uitwendig leven te letten. Tracht niet alleen veel voor Christus te doen, maar ook veel met Christus te zijn, en geheel uit de hand van Christus te leven. Gaat bij voorbeeld op de Sabbatdag niet heen om driemaal onderwijs aan een zondagsschoolklas te geven, gelijk ik weet dat sommigen doen; maar komt eenmaal om de boodschap van de Meester aan te horen en voedsel voor uw ziel te ontvangen. En wanneer gij in de voormiddaguren een geestelijk feestmaal hebt genoten, wijdt dan het overige van de dag aan de heilige dienst. Laten die twee zaken samengaan. Altijd te eten en nooit te werken zal een overvoeding teweegbrengen. En in geestelijke zin, een slechte spijsvertering veroorzaken. Maar altijd te werken en nooit te eten – wel, ik vrees er voor dat gij die proef niet zo goed zult doorstaan als die mijnheer, die gisteren zijn eerste maal eten gebruikte nadat hij veertig dagen gevast had. Beproeft het maar niet om hem na te volgen. Dat is geen goede en verstandige manier van doen, maar iets zeer gevaarlijks. Voedt u met geestelijke spijze en doet daarbij geestelijk werk.

Ook dit heb ik u nog te zeggen: laat het u een oorzaak van grote smart zijn indien er ook maar de minste wolk is tussen u en Christus. Wacht niet totdat zij zich verdikt, zodat gij een toestand krijgt als op een mistige Novemberdag. Als het nog maar een licht, wazig wolkje is moet gij daarover reeds veel smart gevoelen. Wat George Müller zei, was een zeer verstandige opmerking: Gaat in de morgenstond nooit uw kamer verlaten, voordat alles tussen God en uw ziel terecht is.” Blijft in voortdurende gemeenschap met Jezus. En zo kunt gij met Hem zijn en Hem toch tegelijkertijd dienen.

En ook hierop hebt gij acht te geven: vóór gij begint met het dienen van Christus, moet gij altijd Zijn tegenwoordigheid en Zijn hulp zoeken. Wijdt u aan geen enkel werk voor de Heere zonder eerst het aangezicht van de Koning in Zijn schoonheid te hebben gezien. En richt onder het werk dikwijls uw gedachten van hetgeen gij doet naar Hem, voor Wie gij het doet en door Wie gij het doet. En als het werk afgelopen is, zegt dan niet tot u zelf: “Zie zo, dat heb ik nu eens goed gedaan.” Anderen zullen over kortere of langere tijd, wanneer gij het verdient, wel tot u zeggen: ” Dat hebt gij goed gedaan.” Neemt hun de woorden niet uit de mond. Eigen lof is geen aanbeveling. Salomo zeide: “Laat u een vreemde prijzen en niet uw mond; een onbekende en niet uw lippen.” Wanneer wij alles gedaan hebben zijn wij nog onnutte dienstknechten. Wij hebben dan nog niets meer dan onze plicht gedaan. Wanneer gij alzo even nederig als werkzaam, even laaggevoelende als ijverig zijt, kunt gij u nauw bij Christus houden en toch voor Hem heengaan tot de einden der aarde. En dit reken ik voor de heerlijkste ervaring die één van ons kan hebben aan deze zijde van de poorten van kristal. De Heere zegene u en brenge u daar om Christus’ wil. AMEN.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend