24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Ten laatste genezen

Ten laatste genezen

En een vrouw, die twaalf jaren lang de vloed des bloeds gehad had, die heel haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en door niemand had kunnen genezen worden, van achteren tot Hem komende, raakte de zoom van Zijn kleed aan; en terstond stelpte de vloed van haar bloed. Lukas 8:43,44

Ofschoon ik het verhaal bij Lucas tot tekst neem, zal ik gedurig verwijzen naar de beschrijving van dezelfde geschiedenis, zoals wij die vinden in Marcus 5, van vers 25 tot vers 29

Wij hebben hier één van de verborgen discipelinnen van de Heere; een geval, dat vanwege zijn verborgen leed niet in het openbaar kan worden omschreven. Wij hebben hier te doen met een vrouw, die weinig woorden spreekt en bij wie de beschaamdheid van het aangezicht gevonden wordt. Haar krankheid onderwierp haar aan smartelijke wederwaardigheden overeenkomstig de ceremoniële wet. Er is een verschrikkelijk hoofdstuk in het boek van Leviticus, dat betrekking heeft op een geval gelijk het hare. Zij was onrein; alles, waarop zij zat, en allen, die dit aanraakten, deelden in de besmetting. Zodat zij, zonder dat wij nog letten op haar voortdurende zwakheid, er toe gebracht werd om zich zelf als een uitgeworpene te beschouwen, als iemand, die onder de ban van de wet was. Dit schiep ongetwijfeld een gevoel van grote verlatenheid, en deed bij haar de wens ontstaan om zich voor het oog der mensen verborgen te houden. In het verhaal, dat vóór ons ligt, zien wij, dat zij geen enkel woord sprak, totdat de Zaligmaker haar de woorden uit de mond haalde, tot haar eigen blijvend welzijn. Zij handelde zeer praktisch en haastig, maar zij was iemand, die in stilte zocht; als het zo had kunnen zijn, zou zij er de voorkeur aan gegeven hebben onbekend te blijven. Sommigen alhier behoren wellicht tot het grote gezelschap der schroomvalligen en vreesachtigen. Indien er moed voor het oog van anderen nodig is om de zaligheid te verkrijgen, staan de zaken slecht voor hen, want zij deinzen voor bekendheid terug, en zouden van schaamte wel haast willen sterven, vanwege hun verborgen smart. Cowper’s lied beschrijft hun inwendig gevoel, waar van de vrouw gezegd wordt:

Daar staat zij midden in de schaar.
Ontwijkend ‘s Heilands blik;
En is ‘t geloof ook groot bij haar,
Groot zijn haar angst en schrik.

Zulke planten groeien in de schaduw en huiveren voor het licht van de zon. De aard van hun zorg en leed dwingt hen tot eenzame gemeenschap met zichzelf. O, dat de Heere op dit uur de zodanige moge genezen!

De onmiddellijke genezing van deze vrouw is des te opmerkelijker, omdat wij hier te doen hebben met een wonder, dat onderweg plaats had. De Zaligmaker was op weg om het dochtertje van Jaïrus in het leven terug te roepen; de genezing van deze vrouw was iets bijkomstigs, als het ware een overvloeiende druppel uit de grote fontein der genade. De beker van de macht van onze Heere was vol, tot aan de rand toe vol, en Hij droeg die naar het huis van de overste der synagoge; dit arme schepsel ontving alleen een druppel, die er onderweg over de rand liep. Wij handelen wijs, wanneer wij een liefdedaad hebben te volbrengen, zo wij al onze geestkracht daarop samentrekken, om ze goed te verrichten; doch de Zaligmaker kon niet slechts een groot wonder tot stand brengen, maar daarbij nog onderweg als het voorkwam; ik had bijna gezegd toevallig, bij wijze van toegift een ander doen. Die verschillende voorvallen uit het leven van de Heere Jezus zijn even schoon als de poëzie, die in de gehele loop van Zijn leven op aarde ons bekoort. O dat op deze dag, waar mijn prediking op één persoon schijnt te slaan en zich meer bepaaldelijk op zijn behoudenis richt, ook een ander, die niet zo duidelijk wordt aangewezen, door de macht van Jezus moge worden gered! Moge de Heere, waar het woord op één bijzonder karakter mikt, door de wind van het evangelie het schot doen terechtkomen in een ander; of om het beeld met een dat beter is te verwisselen, waar wij voor een genode gast de tafel dekken, moge een andere hongerige ziel door de ontferming Gods plaats nemen aan de maaltijd der genade! Dat degenen, die zich verschuilen, en die wij om die reden niet zo licht ontdekken, uit hun schuilhoek mogen te voorschijn komen om tot Jezus te gaan, Hem aan te raken en door Hem het leven te ontvangen!

Laat ons terstond gaan spreken over deze zwaarbeproefde vrouw, want zij is van een typisch karakter, en alzo een beeld van velen ook in onze tijd. Onderwijl wij haar gedrag en haar genezing beschrijven, vertrouw ik, dat zij als een spiegel zal kunnen dienen, waarin vele beschroomden en vreesachtigen zich zelf zien. Wij zullen nauwkeurig nagaan wat zij gedaan had, en vervolgens wat daaruit voortgekomen was. Dit zal ons ertoe leiden om te zien wat zij tenslotte deed, en wat ook wij moeten doen. Moge de Heilige Geest dit tot een zeer praktische verhandeling maken, door te bewerken, dat gij haar navolgt, tot ook gij de zegen verkrijgt, die zij ontving! De prediker is zeer zwak; moge dan de Heere, juist om deze reden, hem gebruiken als middel tot uw zaligheid.

I.

Laat ons dan aangaande deze vrouw in de eerste plaats overwegen WAT ZIJ GEDAAN HAD. Zij was twaalf jaren achtereen letterlijk stervende geweest. Wat had zij gedaan? Had zij in haar lot berust, of haar kwaal als een onbetekenende zaak beschouwd en behandeld? Verre van dat. Haar gedrag is in hoge mate leerzaam.

In de eerste plaats, zij had het besluit opgevat niet te willen sterven, zo er genezing te vinden was. Zij was klaarblijkelijk een vrouw met een vastberaden geest, een die niet spoedig de moed opgaf. Zij wist wel, dat die kwaal, welke zij had, haar leven zou doen wegkwijnen en haar naar het graf zou voeren; maar bij zichzelf zeide zij: “Ik zal er tegen worstelen. Als er nog een mogelijkheid is, dat die plaag van mij wordt weggenomen, dan zal zij verdwijnen, laat het mij dan kosten aan moeite of aan geld wat het wil”. O welk een zegen zou het zijn, indien ongeredden, alhier tegenwoordig, ieder voor zich gingen zeggen: “Ik ben een verloren schepsel; maar als een verloren schepsel gered kan worden, dan wil ik worden gered. Ik ben schuldig; maar als de schuld kan worden weggewassen, dan zal de mijne ook worden weggewassen. Ik heb een hard hart en dat weet ik; maar als een stenen hart in een vlezen hart veranderd kan worden, dan verlang ik, dat dit met mij gebeurt en dan wil ik niet eerder rusten, voordat dit werk der genade in mij is gewrocht.” Helaas, zo staat het met velen niet! Onverschilligheid is de regel; onverschilligheid omtrent de onsterfelijke ziel. Velen zijn krank en lijden aan een treurige geestelijke kwaal, maar zij vatten niet het besluit op zich te laten genezen; zij maken een beuzeling van de zonde en de dood, van de hemel en de hel.

Ongevoeligheid en een trotse eigenwaan heeft zich van velen meester gemaakt: zij zijn vol zonde en spreken nochtans van hun eigen gerechtigheid. Zij zijn zwak en kunnen niets doen; nochtans beroemen zij zich op hun bekwaamheid. Zij zijn zich hun werkelijke toestand niet bewust en hierdoor hebben zij ook geen begeerte om genezing te zoeken. Hoe zouden zij naar genezing kunnen uitzien, daar zij niet geloven, dat zij krank zijn? Hoe treurig, dat er onder die blozende wangen der zedelijkheid de noodlottige tering loert van vijandschap tegen God! Hoe verschrikkelijk, schoon te zijn van buiten en melaats van binnen. Zijn er niet velen, die vrijmoedig over de godsdienst kunnen spreken en van wie het schijnt, dat zij recht staan voor God, en die nochtans in het verborgen van hun hart slachtoffers zijn van een onoprechtheid en een gemis aan waarheidsliefde, welke het leven van hun belijdenis op een noodlottige wijze ondermijnen? Zij zijn niet wat zij schijnen te zijn: een verborgen zonde doet het hartenbloed van hun godsdienst opdrogen. Moge de Heilige Geest ieder onwedergeborene de noodlottige aard van de krankheid van zijn ziel doen zien; want dit zou, naar ik vertrouw, leiden tot het nemen van het vaste besluit om de zaligheid te zoeken, indien er zaligheid te verkrijgen is.

Ongetwijfeld worden sommigen door de verstijvende macht der wanhoop van een zodanige handeling teruggehouden. Zij zijn tot het besluit gekomen, dat er voor hen geen hoop is. De beloften van het evangelie beschouwen zij als wel de stem van God tot anderen, maar als voor hen geen enkel moedgevend woord inhoudende. Men zou kunnen veronderstellen, dat zij het boek des levens hadden doorzocht en zich hadden vergewist, dat hun namen daar niet geschreven stonden; zij handelen alsof hun doodvonnis alrede getekend was. Zij kunnen niet geloven aan de mogelijkheid, dat zij deelhebbers zouden worden van het eeuwige leven. Zij verkeren onder een vernietigende misleiding, welke hen er toe leidt om alle hoop op te geven. Geen mensen zijn zo door alles heen als de wanhopigen. Wanneer de mensen geen hoop hebben, hebben zij spoedig ook geen vreze meer. Is dit geen vreselijke zaak? Moge de Heere u voor zulk een toestand bewaren! Aan Gods genade te wanhopen is een onredelijke zaak; indien gij meent, dat gij daar gronden voor hebt, moet de leugengeest u die hebben ingegeven. De Heilige Schrift bevat geen rechtvaardiging voor een gevoel van hopeloosheid. Geen sterveling heeft een geldig voorwendsel om in wanhoop om te komen. Noch het wezen Gods, noch het evangelie Gods, noch de Christus Gods bieden enige grond voor de wanhoop. Tal van teksten strekken tot het voeden van de hoop; maar geen enkel Schriftwoord, recht verstaan, laat enige twijfel over aan de genade Gods. “Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden.” Jezus, de grote Heelmeester, wordt nooit uit het veld geslagen door enigerlei krankheid van de menselijke natuur: Hij kan een legioen duivelen uitwerpen en doden opwekken. O dat ik hun, die in treurigheid neerzitten, hoop kon influisteren! O dat ik een opwekkende gedachte kon laten vallen in het ongevoelige hart van hen, die zich zelf veroordelen! Hoe blij zou ik zijn! Mijn arme, moedeloze vriend, hoe gaarne zou ik zien, dat uw ketenen lossprongen, uw boeien verbroken werden! O dat de Geest van God bij u, gelijk bij deze vrouw, het besluit mocht doen postvatten, dat zo er genezing voor uw ziel te vinden is, gij daarvan gebruik wilt maken!

Helaas! velen zijn nooit tot dit heilzame besluit gekomen, omdat zij een ijdele hoop koesteren en door een misleidende droom bedrogen worden. Zij hebben de gedachte, dat de zaligheid tot hen zal komen, zonder dat zij die zoeken. Gewis, zij hebben geen recht om zoiets te verwachten. Wel is het waar, dat onze Heere gevonden wordt van hen, die Hem niet zochten; maar dat is een daad van Zijn eigen soevereiniteit en geen regel voor ons om daarnaar te werk te gaan. De duidelijke aanwijzingen van het evangelie zijn: “Zoekt de Heere, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is”. Hoe durven de zodanigen deze woorden van genade op zij te zetten? Zij verbeelden zich, dat zij op een van deze schone dagen wel eens zouden kunnen ontwaken om tot de ontdekking te komen, dat zij behouden en gered zijn. Helaas! er is meer kans op, dat er met hen gebeurt wat er gebeurde met de rijke man in de gelijkenis: “En hij hief zijn ogen op in de hel, zijnde in de pijn.” God geve, dat niemand uwer op zulk een lichtzinnige wijze en tot zulk een verschrikkelijk einde te werk ga! Sommigen beelden zich in dat zij in het aangezicht van de dood nog wel kunnen roepen: “O God! wees mij zondaar genadig”, om zo ineens de zaligheid deelachtig te worden. Het schijnt hun een zeer lichte zaak toe, met God verzoend te zijn. Zij stellen zich voor, dat zij bekeerd kunnen worden juist wanneer zij willen, en zo stellen zij de bekering van dag tot dag uit, alsof dit van niet meer betekenis was dan dat men naar de winkel gaat om een kledingstuk of iets anders te kopen. Gelooft mij, het Woord van God stelt de zaak niet op die wijze voor. Het zegt ons dat zelfs de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, en het wekt ons op om te strijden om in te gaan door de enge poort. God beware u voor ieder vals vertrouwen, hetwelk ten gevolge zou hebben, dat gij niet met ernst werkzaam zoud zijn in het belang van de redding van uw ziel. In geestelijke zin staat het er met u even slecht voor als met de arme vrouw, wier omstandigheden ons bezighouden. Moge de Heere een zachte dwang gebruiken om u te doen gevoelen, dat gij genezen moet worden, en dat het onverantwoordelijk is om de dag des heils uit te stellen! Indien er onder het uitspansel des hemels genezing te verkrijgen is voor een ziel, die krank is door de zonde, zoekt ze dan, totdat gij ze vindt. Wanneer de Heere u door Zijn goede Geest tot dit besluit brengt, zult gij niet ver zijn van het koninkrijk der hemelen.

Laat ons verder opmerken, dat deze vrouw, nadat zij haar besluit genomen had, de geschikste middelen aanwendde, die zijn kon bedenken. Medicijnmeesters zijn mensen, wier werk het is zich bezig te houden met de kwalen van het menselijk lichaam; en daarom ging zij naar de medicijnmeesters. Wat kon zij beter doen? Schoon zij faalde, toch deed zij wat de meeste kans gaf om het beoogde doel te bereiken. Welnu dan, wanneer een ziel het besluit heeft opgevat om de zaligheid te zoeken, is het zeer gepast en betamelijk, dat zij van ieder middel gebruik maakt, dat tot het vinden van de zaligheid leiden kan. O dat de zodanigen wijs genoeg waren om naar het evangelie te luisteren en terstond tot Jezus te komen; zeer dikwijls echter begaan zij ernstige vergissingen. Deze vrouw wendde zich tot mannen, van wie werd verondersteld, dat zij ervaring en bekwaamheid bezaten in de geneeskundige wetenschap. Was het niet natuurlijk, dat zij van hun meerdere kennis hulp verwachtte? Men kan het niet in haar afkeuren, dat zij zich wendde tot de mannen van kennis en wetenschap. Velen doen in onze dagen hetzelfde. Zij horen van de nieuwe ontdekkingen van mannen, die beroemd zijn om hun beschaving en geleerdheid, en beluisteren hun gesprekken omtrent het weinig betekenende van de zonde en het niet noodzakelijke van de wedergeboorte. Arme, misleide schepselen! het blijkt hun op de duur wel, dat daar niets goeds uit voortkomt: want de wijsheid des mensen is niets anders dan verwaande dwaasheid. De wereld kent door haar wijsheid noch God, nog de weg der zaligheid. Velen zijn er, die des te minder weten van de zaligmakende waarheid, omdat zij zoveel weten van wat de menselijke vinding heeft uitgedacht en de menselijke onderzoeking aan het licht heeft gebracht. Wij kunnen de vrouw niet hard vallen, dat zij, eenvoudige ziel die zij was en daarbij begerig naar genezing, zich het eerst wendde tot degenen, van wie werd gedacht dat zij de meeste kennis hadden. Laat ons, met Christus zo nabij geen omwegen gaan maken zoals zij deed, maar laat ons terstond onze Heere aanraken.

Het lijdt geen twijfel of de lijderes heeft ook de proef genomen met mannen, die diploma’s hadden, of die op de een of andere wijze bevoegd waren om als medicijnmeester op te treden. Hoe kunt gij in haar afkeuren, dat zij naar dezulken toeging, die bevoegdheid bezaten en het officiële merkteken droegen? Velen in onze dagen, wier ziel krank is, zijn in het eerst met zeer veel hoop vervuld, dat de bevoegde geestelijkheid door haar behoorlijk volbrachte diensten en naar de regel toegediende sacramenten tot hun nut en heil werkzaam kan zijn. Naar goede mannen, de eersten in de kerk, mag men ten minste om hulp uitzien? Helaas! het is tevergeefs om tot mensen op te zien, en dwaas om op officiële waardigheid of bijzondere vermaardheid zich te verlaten. Sommige leraars weten niet veel omtrent hun eigen ziel, en zij weten dus nog minder omtrent de ziel van anderen. IJdel is de hulp van mensen, laten zij zijn wie zij willen. Hoe groot ook iemands beroemdheid, geleerdheid of welsprekendheid zij, indien gij u tot hem wendt om van hem door zijn gebeden of zijn onderricht de zaligheid te verwachten, zult gij ze zeker tevergeefs zoeken; het zal u dan gaan evenals deze arme vrouw. Men moet haar niet hard vallen, maar haar prijzen, dat zij deed wat haar naar het licht, dat zij had, het beste toescheen; maar gij zijt gewaarschuwd, gaat derhalve niet tot de mensen.

Men behoeft er niet aan te twijfelen of zij kwam ook wel bij sommigen, die zich, echte grootsprekers noemende, zich er voor uitgaven, dat zij haar kwaal wel in eens konden genezen. Zij begonnen met te zeggen: “Nu ja, gij zijt daar en daar geweest, maar die lui zijn kwakzalvers; bij mij vindt gij de echte wetenschap. Gij hebt medicijnen gebruikt, waarvan ik u vooraf wel had kunnen zeggen, dat zij u niet zouden helpen; maar het geheim berust bij mij. Vertrouw u maar volkomen aan mij toe en de zaak is gezond. Ik heb al zovelen genezen, die door de ganse medische faculteit waren opgegeven. Volgt slechts mijn voorschriften en gij zult herstellen.” Zieke mensen zijn zo begerig naar herstel, dat zij maar al te geredelijk toehappen in het lokaas, dat hun door niets ontziende onbeschaamdheid wordt voorgehouden. Een tong glad als olie en zeer minzame, voorkomende manieren, gepaard met een zekerheid, die van geen blikken of blozen weet, kan er staat op maken tot het beoogde doel te zullen geraken bij iemand, die zeer begerig is om datgene te verkrijgen wat hij zich aangeboden ziet. Ai mij! Het is alles geen goud wat er blinkt; en al de betuigingen, die er gedaan worden omtrent het helpen van doodkranke zielen, zijn geen ware betuigingen. Vele lieden, die hoop opgeven van zogenaamde nieuwe openbaringen, lopen er rond; maar het zijn medicijnmeesters zonder waarde. Er is geen balsem in Gilead; en er is geen heelmeester aldaar: zo het anders was, zou de breuk van de dochter mijns volks reeds lang genezen zijn. Er is onder de hemel geen medicijn, hetwelk de kloppingen kan stillen van een hart, dat bevreesd is voor het toekomende oordeel. Geen aardse artsenij kan de last der zonde wegnemen, die op de consciëntie drukt. Geen hand van priester of presbyter, van profeet of filosoof kan van de melaatsheid der zondeschuld reinigen. De vinger Gods moet het doen. Er is er Eén, Die alles geneest; één Goddelijke Heelmeester voor alle zonden en voor alle wonden. Gelukkig is hij, die deze onfeilbare balsem heeft ontvangen van Jehova, de Heere uw Heelmeester. Nochtans verwondert het ons niet, dat wanneer er zielen worden neergedrukt door een gevoel van schuld, zij met alles wat maar een flauwe hoop op verlossing biedt, de proef nemen. De wens komt bij mij op, dat bij al mijn hoorders een grote ijver mocht bestaan voor het vinden van de zaligheid; want zelfs wanneer deze hen leidde tot het begaan van schromelijke vergissingen, zouden zij toch, onder de zegen van God, daar wel weer uit geraken, en eindigen met de genade van onze Heere Jezus Christus te verheerlijken, welke nimmer faalt.

Nadat deze vrouw het besluit had opgevat niet te willen sterven, indien er genezing te vinden was, en zij de geschikste middelen had aangewend, volhardde zij ook in het gebruik van die middelen. Het lijdt geen twijfel of zij heeft verschillende en zelfs tegengestelde geneesmiddelen beproefd. De ene geneesheer zeide: “Gij moest maar eens de warme baden van het meer van Tiberias gebruiken; die zullen u stellig goed doen en heilzaam voor u werken.” Maar zij geraakte bij het gebruiken van het warme bad er slechter aan toe; en ging toen naar een andere geneesmeester, die tot haar sprak: “Gij zijt ook verkeerd behandeld; gij moet juist de koude baden van de Jordaan hebben, daar zult gij van opfrissen en er sterk van worden.” Zo ging zij van de ene ijdelheid tot de andere, met het gevolg, dat zij beiden vruchteloos bevonden werden. Een man met een uitgebreide praktijk verzekerde haar, dat zij een inwendig middel nodig had, en dat hij alleen haar een onfeilbaar recept kon geven. Dit bracht haar evenwel geen baat; en zij ging weer naar een ander, waar een uitwendig geneesmiddel moest worden beproefd, op de manier van Jesaja’s klomp vijgen. Wat moet die vrouw een volharding hebben gehad! Ik zal geen woord spreken ten nadele van onze geneesheren van de tegenwoordige tijd, zonder twijfel zijn zij zo geleerd en bekwaam mogelijk; maar in vroeger tijden was de artsenijkunst iets moorddadigs en waren de medicijnen mengsels om de mensen te vergeven. Vele van de voorschriften uit die dagen zijn walgelijk, en belachelijk daarbij. Gisteren nog las ik een voorschrift, uit de tijd van onze Zaligmaker, waarvan verzekerd werd, dat er vele kwalen door genezen werden, hetwelk bestond uit de eieren van sprinkhanen. Er werd geoordeeld, dat deze een wonderbaarlijke invloed uitoefenden; nu evenwel staan zij niet meer op de lijst der medicijnen. De tand van een vos had de naam van een bijzondere kracht te bezitten; een van de allervoornaamste middelen evenwel, het kostbaarste, maar het zekerste in zijn werking, was, naar ik merkte, een nagel van de vinger van een man, die opgehangen was. Het was juist van belang, dat hij opgehangen was; de nagel van de vinger van een ander zou zonder uitwerking zijn gebleven. De arme kranken moesten geweldig lijden door pijnveroorzakende medicijnen, die veel erger waren dan de kwaal. En wat aangaat de medische operaties, als deze verricht werden met de bedoeling om een einde aan het leven te maken, dan waren zij gewis wonderwel voor het doel ingericht. Het is nog een wonder, dat het geteisterde menselijke lichaam het twaalf jaar kon volhouden, niet tegen de kwaal, maar tegen de dokters. Broeders, de gevallen staan vrij wel gelijk, wanneer wij nagaan, hoe het gaat op geestelijk gebied. Hoe velen, die onder de last van de zonde gebukt gaan, gaan eerst naar de ene en dan naar de andere; brengen nu eens dit in toepassing, gevoelen zich dan weer aangetrokken tot iets anders en zien vervolgens met smachtend verlangen weer naar iets anders uit, betonend onder alles een groot volhardingsvermogen, maar vinden nergens baat. Reis zo snel en zo ver als gij wilt in een verkeerde richting, en gij zult de plaats, die gij zoekt, niet bereiken. IJdel zijn alle dingen uitgezonderd Jezus onze Heere.

Zijt gij bij Docter Ceremonie geweest? Hij is, in de tegenwoordige tijd, bijzonder in de smaak. Heeft hij u niet verteld, dat gij u moet houden aan vormen en aan regelen? Heeft hij u niet zoveel gebeden en zoveel diensten voorgeschreven? Ach! velen gaan tot hem en volharden in de waarneming van een kringloop van godsdienstplichten, maar deze schenken geen blijvende rust aan het geweten. Hebt gij met Doctor Zedelijkheid de proef genomen? Hij heeft een uitgebreide praktijk en is een vermaard geneesheer van een oud-Joods geslacht. “Als gij naar het uitwendige maar goed zijt”, zegt hij, dan zal het inwendig ook wel goed zijn en zal het hart gereinigd worden.” Van een groot aantal personen wordt verondersteld, dat zij door hem zijn genezen en door zijn assistent, Doctor Beschaafdheid, die bijna even kundig is als zijn meester; maar ik heb het onweerlegbaar bewijs in handen, dat geen van hen beiden, en ook niet zij beiden te zamen, het ooit met een inwendige ziekte hebben weten klaar te spelen. Doe wat gij wilt, uw eigen handelingen zullen de wonden van een bloedend hart niet stelpen. Doctor Zelfkastijding heeft ook een uitgelezen praktijk; maar de mensen worden niet zalig door zichzelf te verloochenen, als zij niet eerst hun eigen gerechtigheid verloochend hebben. Doctor Opwekking heeft ook verscheiden patiënten, maar zijn genezingen houden zelden zolang stand tot de zon ondergaat. Doctor Gevoel wordt zeer veel gezocht door tedere geesten; deze trachten smart en wroeging te gevoelen; maar werkelijk, de weg ter genezing ligt niet in die richting. Laat er alles gedaan worden wat er maar gedaan kan worden, zo het buiten onze gezegende Heere Jezus Christus omgaat, zal de kranke ziel er niets van beteren. Gij kunt zolang als een mensenleven duurt, menselijke geneesmiddelen aanwenden, de zonde zal nochtans haar macht behouden, de schuld zal de consciëntie aankleven, en het hart zal even hard blijven als het altijd is geweest.

Niet alleen dus, dat deze vrouw de geschiktste middelen in het werk stelde en in het gebruik daarvan volhardde, maar zij legde ook al haar leeftocht daaraan ten koste. Dat was wellicht de hoofdzaak bij de geneeskunst van de oude tijd; die vreemde middelen deden de dokter goed, al deden zij de patiënt ook kwaad. De allerbelangrijkste zaak was, dat de dokter betaald werd. De leeftocht van deze vrouw, alles wat zij bezat, teerde weg, evenals haar leven. Het was al maar: betalen, betalen, betalen; maar zij vond bij dit alles geen baat; laat ons liever zeggen, dat zij meer leed dan het geval zou zijn geweest als zij haar geld in haar zak gehouden had. Zo ook verspillen de mensen hun gedachten, hun zorg, hun gebed, hun zielsangst aan datgene, hetwelk niets is: zij geven geld uit, voor hetgeen geen brood is. Tenslotte kwam zij aan haar laatste muntstukje toe. Er kwam in het laatst toch een einde aan haar middelen; maar zolang als zij nog wat uit te geven had, gaf ze het uit. Wat zou een mens niet geven om gered en behouden te worden? Ik verwonder mij er nooit over, dat stervende mensen al hun have en bezittingen aan de priesters geven in de hoop, dat die hun ziel kunnen redden. Indien de schuldvergiffenis met goud kon worden gekocht, wie zou het dan terughouden? Gezondheid van het lichaam, als die met goud kon worden gekocht, zou voor iedere prijs nog goedkoop zijn; maar gezondheid van de ziel, een heilige gezindheid, aanneming bij God, verzekering van de hemel – al deze dingen zouden goedkoop zijn als wij werelden uittelden, zoals arme mensen hun geld neertellen om brood te kopen. Gewis, er zijn mensen, zo laag gezonken, dat zij geen goudstuk voor een plaats in het paradijs zouden over hebben; maar als dezulken maar eerst hun ware toestand kenden, dan zouden zij wel van gedachten veranderen. De waardij der wijsheid gaat de robijnen te boven. Indien wij bezitters van goudmijnen waren, zouden wij nog een voordelige ruil doen, zo daarvoor de zaligheid van onze ziel was te verkrijgen.

Geliefden, gij ziet hoe het met deze vrouw stond. Het was haar volle, heilige ernst, en zij had er alles voor over, haar arbeid en haar bezitting, zo zij maar van haar dodelijke kwaal genezen werd. Wij zullen wijs handelen, zo wij onszelf haar in dit opzicht tot een voorbeeld stellen.

II.

Wij hebben gezien wat de vrouw had gedaan; laat ons nu overwegen, WAT ER UIT VOORTGEKOMEN WAS. Er wordt ons medegedeeld, dat zij veel geleden had van vele medicijnmeesters. Dat was nu haar enig loon voor haar vertrouwen en haar uitgeven; zij had geen verlichting ontvangen, zij was nog veel minder genezen; maar zij had geleden. Zij had, juist doordat zij de genezing zocht, nog veel meer lijden moeten ondergaan. Dat is ook het geval met u, die niet tot Christus gekomen zijt, maar onder een neerdrukkend gevoel van zonde, buiten Hem om, verlichting hebt gezocht. Alles wat gij doet buiten Jezus met het doel om de zaligheid te verkrijgen, zal tot niets anders dienen dan om uw lijden nog groter te maken. Gij hebt gepoogd u zelven te redden door gebeden: uw gebeden hebben uw gedachten teruggevoerd naar de zonde en de daaraan verbonden straf, en zo zijt gij nog ellendiger geworden dan te voren. Gij hebt het beproefd met de ceremoniën, en als gij daarvan in oprechtheid gebruik gemaakt hebt, hebben zij in u een krachtig gevoel gewerkt van de heiligheid van God, en van de afstand, die u van Hem scheidt; en dit heeft slechts uw smart vergroot. Gij hebt getracht een gevoel te hebben van het goede, en het goede te doen, opdat gij alzo goed moogt zijn; maar juist die poging heeft u doen gevoelen, hoever gij verwijderd zijt van de goedheid, die gij zozeer begeert. Uw zelfverloochening heeft een verlangen naar het kwade opgewekt, en uw doding des vleses heeft nieuw leven aan uw hoogmoed gegeven. Pogingen tot het verkrijgen van de zaligheid, in eigen kracht verricht, hebben dezelfde uitwerking als het gespartel van een man, die in gevaar is van te verdrinken: het doet hem des te zekerder neerzinken. Als vrucht van uw wanhopige pogingen is alleen uw lijden des te zwaarder geworden. In het einde zal dit, naar ik vertrouw, nog een goede uitwerking hebben; maar tot nu toe heeft het niet tot genezing gediend: gij zijt nu aan de poorten des doods, en al uw bidden, wenen, kerkgaan en sacramenten gebruiken helpen u niet in het minst.

Deze bijzonder pijnlijke ervaring hebt gij met dit alles opgedaan, dat het niets beter met u is geworden. Vol blijdschap koesterde gij hoop, maar wreed zijt gij teleurgesteld. Gij hebt weleens uitgeroepen: “Ditmaal heb ik het gevonden!” maar de zeepbel verdween, toen gij er naar greep. De boosheid van uw natuur, op de ene plaats ten onder gebracht, kwam op een andere plaats weer te voorschijn. Gij hebt u bezig gehouden met de verschijnselen van uw kwaal, maar gij hebt de wortel des kwaads niet afgesneden; het vertoonde zich alleen in een andere vorm, maar van verdwijnen was geen sprake. Gij liet de ene zonde varen, alleen om in een andere te vervallen; gij hebt aan de voordeur de wacht gehouden, maar de dief sloop door de achterdeur naar binnen. Tot op dit ogenblik, o gij ziel, zijt gij niet tot Jezus gekomen, en na al uw pogen, daar gij u elders hebt heengewend, is het niets beter met u geworden.

En nu zegt gij deze morgen wellicht: “Wat kan ik doen, en wat zal ik doen?” Dat zal ik u zeggen. Gij kunt niets doen dan wat deze vrouw tenslotte deed, waarover ik straks nader zal handelen. Gij zijt nu tot dit uiterste gebracht, dat gij zijt zonder kracht, zonder verdienste, zonder vermogen; en gij moet nu van u zelf afzien naar een ander, bij wie kracht en verdienste is en die u redden kan. God geve, dat gij moogt opzien tot de Verheerlijkte, vóór deze dienst geëindigd is!

Wij lezen van deze vrouw, dat ofschoon zij veel geleden had, zij niets beter was geworden, maar dat het veeleer erger met haar geworden was. Niets beter, na twaalf jaren medicijnen te hebben gebruikt? Zij was bij de Egyptische geneesmeester geweest, en hij had haar gezondheid beloofd in drie maanden. Het werd erger met haar. Zij had de proef genomen met de Syrische geneesmeester, een man, die grote kennis bezat op het stuk van de zogenaamde geheime wetenschappen, en die zich niet schaamde om tovermiddelen toe te passen. Zij was bitter teleurgesteld, toen zij bevond, dat zij beslist zwakker werd. Daarna had zij gehoord van een Griekse genees- en heelkundige, die haar, toen zij tot hem kwam, in een oogwenk zou genezen. Zij betaalde haar overgebleven geld, maar het ging al meer achteruit. Zij moest voor haar teleurstelling nog zeer veel geld betalen. Vriend, is dit uw toestand? Gij zijt zeer begerig, dat het met u terechtkomt, en daarom maakt gij ernstig werk van iedere poging om u zelf te redden; maar het is nog niets beter met u geworden. Gij loopt in een tredmolen, en met al uw klimmen komt gij toch niets hoger. Gij drijft met het getij de rivier af, en als het getij keert, drijft gij ook weer terug. En zo blijft gij aanhoudend op dezelfde plek, vanwaar gij uitgegaan zijt. O welk een erbarmelijke toestand! Gij wordt grijs, gij wordt al een oud man; en nu zijt gij nog niets dichter bij het eeuwige leven dan toen gij als knaap het huis Gods bezocht en lust had een kind van God te worden. Niets beter geworden? Neen het werd veeleer erger met haar. Nieuw kwaad had zich bij het oude gevoegd; andere kwalen hadden zich voorgedaan, die haar nog meer verzwakten; zij was meer vermagerd en geleek meer op een geraamte dan ooit. Treurige uitkomst van zoveel volhardingsvermogen! En is dat ook niet het geval met sommigen van u, die het wel ernstig meent, maar wien het aan licht ontbreekt? Gij werkt, en met al uw werken wordt gij steeds armer. Het rechte gevoel, een oprechte begeerte, opgewektheid om te bidden, liefde tot de Bijbel, lust om het evangelie te horen, dat alles wordt niet zo bij u gevonden als vroeger wel het geval was. Gij wordt hoe langer hoe slordiger, gij twijfelt veel meer dan vroeger. Gij hebt ook veel van uw vroegere gevoeligheid verloren. Gij doet tegenwoordig wel dingen, waarvoor gij jaren geleden teruggeschrokken zou zijn; en gij laat nu ook wel eens iets na, wat gij vroeger volstrekt nodig gekeurd zou hebben. Het is zo duidelijk als de dag, dat gij u in een sterke stroming bevindt en al dichter bij de waterval komt. De Heere verlosse u!

Dit is wel een treurig, een diep treurig geval. Tot overmaat van ramp had de heldin van ons verhaal nu alles uitgegeven wat zij had. Zij kon nu niet gaan tot de Egyptische medicijnmeester, ook niet meer tot de Syrische, de Hebreeuwse, de Romeinse of de Griekse medicijnmeester. Neen; nu moet zij het in het vervolg zonder hun vleiende zalving stellen. Wat betreft die beroemde medicijnen, welke haar hoop opwekten, zij kan niet meer van zulke kostelijke uitvindingen kopen. Dit was misschien haar bitterste smart; doch, laat mij het u mogen influisteren, dat was het beste wat haar tot nog toe overkomen was; en het is mijn bede, dat hetzelfde met sommigen van u mag gebeuren. Op de bodem van uw beurs zult gij, vertrouw ik, de wijsheid vinden. Wanneer wij met ons zelf aan het einde komen, maken wij een begin met Christus. Dat laatste geldstukje voegt ons bij hen, die zelf betalen en nu ook aanspraken hebben, maar een volslagen bankroet is oorzaak dat wij gaan tot Hem, Die zonder geld en zonder prijs de krankheden geneest. Zeer verblijd ben ik, wanneer ik iemand ontmoet, die van zelfgenoegzaamheid bijna omgekomen is. Welkom, broeder! Nu zijt gij gereed voor Jezus. Wanneer al uw eigen kracht van u uitgegaan is, dan zult gij die kracht zoeken en vinden, die van Hem uitgaat.

III.

Dit brengt ons, in de derde plaats, onder de aandacht WAT DEZE VROUW TENSLOTTE DEED. Zij zelf was al zwakker en zwakker en haar beurs al lichter en lichter geworden. Zij hoort van Jezus van Nazareth, een Man, van God gezonden, Die kranken van allerlei aard geneest. Zij luistert aandachtig; al de verhalen, die zij hoort, voegt zij samen; zij gelooft ze; ze hebben al de schijn van waarheid in zich. “O”, zegt zij, “daar is nog een andere gelegenheid voor mij. Ik zal mij in het gedrang begeven, en als ik slechts het streepje blauw, hetwelk Hij draagt als de zoom van Zijn kleed, kan aanraken, zo zal ik gezond worden.” Kostelijk geloof! Het werd in haar dagen op hoge prijs gesteld, en wij mogen het nog wel hoger schatten, nu het geloof zo zeldzaam is geworden.

Let er wel op, zij besloot zich aan Jezus toe te vertrouwen, omdat zij totaal niet wist wat zij anders doen zou. Waarde vriend, ik weet niet waar gij deze morgen in deze grote vergadering gezeten zijt; ik zou wel haast wensen, dat ik het wist, ten einde naar u toe te kunnen gaan om tot u persoonlijk te zeggen: “Neem de proef met Jezus Christus, vertrouw Hem, en zie of Hij u niet zal zaligmaken. Iedere andere deur is klaarblijkelijk gesloten: waarom niet door Christus de deur binnengaan? Er is geen andere reddingsboei; grijp dan deze! Zeg met onze dichter:

“Ik trek de stoute schoenen aan,
Ik wil naar Jezus henengaan,
Want zo ik weigeren blijf, dan is
Mijn dood en ondergang gewis.”

Laat de moed, die uit de wanhoop wordt geboren, in u openbaar worden. Moge God de Heilige Geest u nu behulpzaam zijn om uw vinger uit te steken en met Jezus in aanraking te komen! Zeg: “Ja, ik neem Christus om niet aan. Door Gods genade zal Hij mijn enige hoop zijn. Hij zal mijn deel en toevlucht wezen!” Laat de macht der omstandigheden u tot Jezus drijven. Aangezien er geen andere haven is, o gij door onweder voortgedrevene, wend u dan tot deze! Reiziger, hier hebt gij een toevluchtsoord. Neem hier uw intrek, want er is anders geen beschutting te vinden.

Welbeschouwd was dit ook het eenvoudigste en gemakkelijkste wat zij doen kon. Jezus aanraken. De vinger uitsteken en de zoom van Zijn kleed aanraken. De voorschriften, waarvoor zij zoveel geld betaald had, waren lang; maar dit was zo kort als het maar kon. De bewerkingen, aan haar verricht, waren ingewikkeld; maar dit was de eenvoudigheid zelve. Het lijden, hetwelk zij had ondergaan, had het geval lastiger en moeilijker gemaakt; maar dit was zo duidelijk als het maar mogelijk was. Met de vinger de zoom van Zijn kleed aanraken, dat is alles. O mijn hoorder, gij hebt vele dingen beproefd, grote dingen, en harde dingen, en smartelijke dingen; waarom nu niet deze eenvoudige zaak, het geloof, te beproeven? Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden. Vertrouw het aan Jezus toe om u te reinigen, en Hij zal het doen. Stel u eens voor al reeds zijnde in de handen van uw Zaligmaker en Hij zal u zaligmaken.

Niet alleen was dit de eenvoudigste en gemakkelijkste zaak voor de arme, beproefde vrouw, maar het was ook om niet en uit louter genade. Zij had niet het allergeringste om te betalen. Niemand stond aan de deur van de wachtkamer om haar goud of zilver in ontvangst te nemen; en de goede Medicijnmeester gaf zelfs niet eens een wenk, dat Hij een beloning verwachtte. Wat Jezus geeft, wordt om niet geschonken. Hij genas deze gelovige vrouw aan de openbare weg, te midden van de schare. Zij had de gedachte, dat zo zij slechts in het gedrang kon geraken, zij op de een of andere wijze wel maken zou, dat ze dicht genoeg bij kwam om de zoom van Zijn kleed aan te raken; en dan zou zij genezen zijn. Het is deze morgen evenzo, waarde hoorder. Kom, en ontvang de genade om niet. Breng geen goede werken, geen goede woorden, geen goede gedachten, geen goede voornemens mee als de prijs voor de schuldvergeving; kom met ledige handen en raak de Heere door het geloof aan. De goede dingen, welke gij begeert, wil Jezus u geven als de uitkomst van Zijn genezing; maar zij kunnen niet de oorzaak of de prijs daarvoor zijn. Neem Zijn genade aan als de gave van Zijn liefde. Kom, met de handen ledig, en gij zult ontvangen! Kom, zonder enige verdienstelijkheid, en gij zult Zijn gunst verwerven! Alleen kom in aanraking met Jezus, Die de fontein des levens en der gezondheid is, en gij zult behouden worden.

Dat was ook het minst geruchtmakende wat zij doen kon. Zij zei niets. Zij riep niet overluid gelijk de blinden. Zij vroeg niet aan vrienden of vriendinnen om toe te zien en na te gaan hoe zij haar waagstuk uitvoerde. Zij hield met zichzelf raad, en drong in de menigte voorwaarts. In volmaakte stilte had steelsgewijze de aanraking met het kleed van de Heere plaats. O, mijn hoorder, gij kunt in stilte gered en behouden worden. Gij behoeft tot niemand van uw kennissen er over te spreken, zelfs niet tot vader of moeder. Op dit ogenblik, terwijl gij daar op de bank neerzit, hebt gij slechts te geloven en gij zult leven. Niemand zal het weten, dat gij nu de Heere aanraakt. In later dagen zult gij van uw geloof belijdenis doen, maar in de handeling zelf zult gij alleen en ongezien zijn. Geloof in Jezus. Vertrouw u aan Hem toe. Laat alle andere dingen, om daarop uw vertrouwen te stellen, varen, en zeg: “Hij is al mijn heil.” Vat Jezus ineens, zo niet door een greep met uw hand, dan door een aanraking met uw vinger. O gij arm, schroomvallig schuchter schepsel, raak de Heere aan! Vertrouw op Zijn macht om zalig te maken. Het zal niet tevergeefs geschieden, maar doe het terstond. Moge Gods Geest u er toe brengen om Jezus nu aan te nemen!

Dit is het enige, dat van kracht is. Raak Jezus aan en de zaligheid is terstond uw deel. Eenvoudig als het geloof is, het faalt nimmer. Een aanraking van de buitenste rand van het kleed van de Zaligmaker was voldoende: in een ogenblik gevoelde zij aan haar lichaam, dat zij van de plaag genezen was. “Het is twaalf jaar geleden”, zeide zij tot zichzelf, “sedert ik mij als een levende vrouw gevoelde. Al die tijd ben ik in een aanhoudende dood neergezonken geweest, maar nu gevoel ik mijn krachten weer terugkomen.” Geloofd zij de naam van de grote Heelmeester! Zij was uitermate verblijd. Beven deed zij nog wel, uit vrees, dat het straks een te grote en te goede zaak zou blijken om waar te zijn; maar het was welzeker en gewis, dat zij genezen was. O mijn waarde hoorder, vertrouw mijn Heere, want Hij zal voorzeker datgene voor u doen, hetwelk geen ander kan volbrengen. Laat het gevoelen en het werken varen, en beproef het geloof in Jezus. Moge de Heilige Geest u leiden om dit terstond te doen!

IV.

En nu, arme, overtuigde zondaar, komen wij tot datgene, waarop het voor u zelf persoonlijk aankomt. DOE GELIJK DEZE VROUW DEED. Vraag niemand er naar, maar doe zo. Zij ging ook niet heen naar Petrus, of Jacobus, of Johannes om te zeggen: “Goede heren, geeft mij raad.” Zij vroeg hun evenmin om hun hulp voor het verkrijgen van toegang tot Jezus, maar zij ging uit eigen beweging, en beproefde voor zich zelf de kracht van een aanraking. Gij hebt raadgevingen genoeg gehad; begin nu eens met wezenlijk werk. Er bestaat een al te grote neiging om onze troost te zoeken bij de gesprekken met godzalige mensen; laten wij ons van hen afwenden en tot hun Meester spreken. Onderzoek en navraag, gesprekken met buren, die Christenen zijn, dat is alles heel goed; maar één aanraking van Jezus is oneindig beter. Ik keur het niet in u af, dat gij op godsdienstig gebied om raad vraagt; maar laat het dan een huis blijven waar gij halverwege even inloopt en niet het eindpunt van de weg. Dring voorwaarts tot gij door een persoonlijk geloof Jezus hebt aangegrepen. Zeg aan niemand wat gij gaat doen; wacht tot het geschied is. Op een andere dag zult gij u gelukkig gevoelen om aan de dienaar en het volk Gods te kunnen mededelen wat de Heere voor u heeft gedaan; maar voor het tegenwoordige hebt gij niets anders te doen dan stil te geloven in het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.

Vraag er niet eens u zelf naar. Indien deze arme vrouw met zichzelf te rade was gegaan, zou zij het waarschijnlijk nimmer gewaagd hebben zo dicht bij de Heilige Gods te komen. Waar zij door de wet haars volks en van haar God zo duidelijk van de maatschappij was uitgesloten, zou zij het denkbeeld wel hebben laten varen, als zij er nog eens beter over nagedacht had. Gezegend was de onstuimigheid, welke haar midden in het gedrang wierp, en haar tussen al die dicht opeen staande massa mensen het hoofd opwaarts en het aangezicht naar de Heere gericht deed houden. Zij redeneerde niet, maar ging over tot de daad. Vraag omtrent deze zaak in het geheel niets aan u zelf, maar handel alleenlijk. Geloof, en daarmee uit. Houd u niet onderweg op om een gesprek te voeren met uw eigen ongeloof of om uw oprijzende twijfel en vrees te beantwoorden; maar ga ogenblikkelijk, in eens, den vinger uitstekende, raak de zoom van Zijn gezegend kleed aan, en zie, wat er van komt. God helpe u om dit te doen, terwijl ik nog aan het spreken ben!

Geef toe aan de heilige aandrang, welke juist nu op u werkt. Zeg niet: “Morgen kan het wel beter passen.” In het geval met deze vrouw bevond zich de Heere vóór haar; zij verlangde ineens genezen te worden, en daarom, er mocht van komen wat er van komen wilde, stortte zij zich midden in het gedrang. Zij was zo verzwakt, dat men er over verwonderd staat hoe zij er in geslaagd is om vlak bij Jezus te komen; mogelijk echter heeft de schare haar opgelicht en verder gedragen, zoals menigmaal in een stroom van mensen gebeurt. Hoe het ook zij, zij had nu de kans, en zij nam die kans waar. Daar was de buitenste rand van des Heeren mantel; haar vinger werd uitgestoken en het was alles gebeurd. O mijn vriend, gij hebt nu gelegenheid door de grote genade Gods, want gij zijt in Zijn bedehuis. Jezus van Nazareth gaat op dit ogenblik voorbij. Hij, die tot u spreekt, is het er niet om te doen om aangename dingen te zeggen, maar hij is er op uit om uw ziel voor Jezus te winnen. O hoezeer wens ik, dat ik u tot die zaligmakende aanraking kon leiden! De Geest van God kan dit doen. Moge Hij u thans bewegen om uit te roepen: “Ik wil in de aangewezen offerande geloven en mijn ziel aan Jezus toevertrouwen!” Hebt gij dit gedaan? Dan zijt gij gered. “Die in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven.”

“Maar ik ben zo vol vreze en beving.” Dat was ook het geval met haar, die door Jezus genezen werd. Haar hand beefde, maar zij raakte Hem daarom niettemin aan. Mij dunkt, ik zie haar trillende vinger. Wat een verzwakte en vermagerde vrouw, wat bleke, ingevallen wangen! Wat een magere vinger was het, die zij uitstak, en wat trilde die! Hoe ook de vinger van uw geloof moge beven, zo hij slechts de zoom van des Heeren kleed aanraakt, zal er kracht van Hem tot u uitgaan. Het vermogen ligt niet in de vinger, die aanraakt, maar in de Goddelijke Zaligmaker, Die aangeraakt wordt. Zolang er verbinding bestaat tussen u en de almachtige kracht van Jezus, zal Zijn macht langs uw bevende vinger stromen en genezing brengen aan uw hart. Een telegraafdraad kan door de wind heen en weer slingeren en toch de electrische stroom doorlaten, en zo ook kan een bevend geloof de zaligheid van Jezus overbrengen. Een sterk geloof, hetwelk ergens anders dan in Jezus rust, is een misleiding; maar een zwak geloof, hetwelk alleen op Jezus rust, brengt zeker de zaligheid. Steek dan ook die vinger uit! Waarde ziel, steek de vinger uit! Ga niet van hier, voordat gij de Heere door een gelovig gebed of door de hoop hebt aangeraakt. Heilige Geest, laat niet toe, dat er zijn, die dit kerkgebouw verlaten, vóór zij door een gelovige begeerte of vertrouwen van enigerlei aard een verbinding tussen zich en Jezus tot stand hebben gebracht, en de kracht hebben gevoeld, die hun tot hun ogenblikkelijke genezing toestroomde. O Heere, red dit volk! Waarom komt gij, zondag op zondag, in zulke dichte scharen, en waarom moet ik hier staan en mijn hart in liefde tot uw zielen laten wegbloeden? Zou dat dan de enige uitkomst moeten zijn, dat ik u behulpzaam ben om een anderhalf uur in een soort van godsdienstige vermaking door te brengen? Welk een verspilling heeft er plaats van mijn arbeid en van uw tijd, zo er geen werk der genade geschiedt! Indien gij niet tot Christus gebracht wordt, zal mijn prediking een vloek voor u blijken te zijn. Ik huiver en sidder, als ik er aan denk, dat de prediking van het evangelie een reuke des doods voor u zal zijn, zo zij u niet het leven brengt. Stelt toch de dag der genade niet uit. Bij de levende God, ik smeek u, vertrouwt de levende Verlosser. Daar ik u allen van aangezicht tot aangezicht voor de rechterstoel van Christus zal ontmoeten, zo bid en smeek ik u, steek de vinger des geloofs uit en vertrouwt de Heere Jezus, Die zo volkomen waard is vertrouwd te worden. Het eenvoudig vertrouwen uws harten zal de dood, die nu in u werkt, tot staan brengen. Heere, schenk dat vertrouwen, om Jezus’ wil! AMEN.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend