Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG1161 er wasG1510 een mensG444 uitG1537 de FarizeenG5330, wiens naamG3686 was NicodemusG3530, een oversteG758 der JodenG2453;
En er was een mens uit de Farizeen, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden;
KJV
There was
a man3
of4
the Pharisees,6
named8
Nicodemus,7
a ruler10
of the Jews:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
DezeG3778 kwamG2064 des nachtsG3571 totG4314 JezusG2424, enG2532 zeideG2036 tot HemG846: RabbiG4461, wij wetenG1492, dat Gij zijt een LeraarG1320 vanG575 GodG2316 gekomenG2064; want niemandG3762 kanG1410 dezeG3778 tekenenG4592 doenG4160, die GijG4771 doet, zoG1437 GodG2316 metG3326 hemG846 nietG3361 isG1510.
Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is.
KJV
The same1
came2
to3
Jesus5
by night,6
and7
said
unto him,9
Rabbi,10
we know11
that12
thou art15
a teacher16
come
from13
God:14
for18
no man17
can22
do23
these
miracles21
that24
thou25
doest,26
except
God31
be
with32
him.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
JezusG2424 antwoorddeG611 enG2532 zeideG2036 tot hemG846: VoorwaarG281, voorwaarG281 zegG3004 Ik uG4771: TenzijG3362 dat iemandG5100 wederomG509 geborenG1080 worde, hij kanG1410 het KoninkrijkG932 GodsG2316 niet zienG1492.
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.
KJV
Jesus3
answered1
and4
said
unto him,6
Verily,7
verily,8
I say5
unto thee,
Except
a man13
be born14
again,15
he cannot17
see
the kingdom20
of God.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
NicodemusG3530 zeideG3004 totG4314 HemG846: HoeG4459 kanG1410 een mensG444 geborenG1080 worden, nu oudG1088 zijnde? KanG1410 hijG846 ook andermaalG1208 inG1519 zijner moedersG3384 buikG2836 ingaanG1525, enG2532 geborenG1080 worden?
Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden?
KJV
Nicodemus5
saith1
unto2
him,3
How6
can7
a man8
be born9
when he is
old?10
can12
he enter21
the second time20
into14
his19
mother's18
womb,16
and22
be born?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
JezusG2424 antwoorddeG611: VoorwaarG281, voorwaarG281 zegG3004 Ik uG4771: ZoG1437 iemandG5100 niet geborenG1080 wordt uitG1537 waterG5204 enG2532 GeestG4151, hij kanG1410 inG1519 het KoninkrijkG932 GodsG2316 niet ingaanG1525.
Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.
KJV
Jesus3
answered,1
Verily,4
verily,5
I say6
unto thee,
Except
a man10
be born11
of12
water13
and14
of the Spirit,15
he cannot16
enter18
into19
the kingdom21
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Hetgeen uitG1537 het vleesG4561 geborenG1080 is, dat is vleesG4561; enG2532 hetgeen uitG1537 den GeestG4151 geborenG1080 is, dat is geestG4151.
Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.
KJV
That which is born2
of3
the flesh5
is
flesh;6
and8
that which is born10
of11
the Spirit13
is
spirit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
VerwonderG2296 u nietG3361, datG3754 Ik u gezegdG2036 heb: GijliedenG4771 moetG1163 wederomG509 geborenG1080 worden.
Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.
KJV
Marvel2
not1
that3
I said
unto thee,
Ye
must6
be born8
again.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
De windG4151 blaastG4154, waarheen hij wilG2309, enG2532 gij hoortG191 zijn geluidG5456; maarG235 gij weetG1492 nietG3756, van waar hij komtG2064, enG2532 waar hij heen gaat; alzoG3779 is een iegelijkG3956, die uitG1537 den GeestG4151 geborenG1080 is.
De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is.
KJV
The wind2
bloweth5
where3
it listeth,4
and6
thou hearest10
the sound8
thereof,9
but11
canst13
not12
tell
whence14
it cometh,15
and16
whither17
it goeth:18
so19
is
every one21
that is born23
of24
the Spirit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
NicodemusG3530 antwoorddeG611 enG2532 zeideG2036 tot HemG846: HoeG4459 kunnen dezeG3778 dingen geschiedenG1096?
Nicodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden?
KJV
Nicodemus2
answered1
and3
said
unto him,5
How6
can7
these things
be?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
JezusG2424 antwoorddeG611 enG2532 zeideG2036 tot hemG846: ZijtG1510 gijG4771 een leraarG1320 van IsraelG2474, enG2532 weet gij dezeG3778 dingen nietG3756?
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israel, en weet gij deze dingen niet?
KJV
Jesus3
answered1
and4
said
unto him,6
Art
thou7
a master10
of Israel,12
and13
knowest16
not15
these things?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
VoorwaarG281, voorwaarG281 zegG3004 IkG1473 uG4771: Wij sprekenG2980, watG3739 Wij wetenG1492, enG2532 getuigenG3140, watG3739 Wij gezienG3708 hebben; enG2532 gijlieden neemtG2983 Onze getuigenisG3141 nietG3756 aan.
Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan.
KJV
Verily,1
verily,2
I say3
unto thee,
We speak8
that5
we do know,7
and9
testify12
that6
we have seen;11
and13
ye receive18
not17
our
witness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Indien Ik ulieden de aardseG1919 dingen gezegdG2036 heb, enG2532 gijG4771 nietG3756 gelooftG4100, hoeG4459 zult gijG4771 gelovenG4100, indien Ik ulieden de hemelseG2032 zou zeggenG2036?
Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?
KJV
If1
I have told
you
earthly things,3
and6
ye believe8
not,7
how9
shall ye believe,15
if10
I tell
you
of heavenly things?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG2532 niemandG3762 is opgevarenG305 in den hemelG3772, dan Die uitG1537 den hemelG3772 nedergekomenG2597 is, namelijk de ZoonG5207 des mensenG444, Die in de hemelG3772 is.
En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is.
KJV
And1
no man2
hath ascended up3
to4
heaven,6
but
he that came down13
from10
heaven,12
even the Son15
of man17
which5
is
in20
heaven.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
EnG2532 gelijk MozesG3475 de slangG3789 inG1722 de woestijnG2048 verhoogdG5312 heeft, alzoG3779 moetG1163 de ZoonG5207 des mensenG444 verhoogdG5312 worden;
En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden;
KJV
And1
as2
Moses3
lifted up4
the serpent6
in7
the wilderness,9
even so10
must12
the Son14
of man16
be lifted up:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
OpdatG2443 een iegelijkG3956, die inG1519 HemG846 gelooftG4100, nietG3361 verderveG622, maarG235 het eeuwigeG166 levenG2222 hebbeG2192.
Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
KJV
That
whosoever2
believeth4
in5
him6
should8
not
perish,
but9
have10
eternal12
life.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WantG1063 alzoG3779 liefG25 heeftG25 GodG2316 de wereldG2889 gehad, dat Hij Zijn eniggeborenG3439 ZoonG5207 gegevenG1325 heeft, opdatG2443 een iegelijkG3956 die inG1519 HemG846 gelooftG4100, nietG3361 verderveG622, maarG235 het eeuwigeG166 levenG2222 hebbeG2192.
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
KJV
For2
God5
so1
loved3
the world,7
that8
he gave14
his11
only begotten13
Son,10
that15
whosoever16
believeth18
in19
him20
should22
not21
perish,
but23
have24
everlasting26
life.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
WantG1063 GodG2316 heeft Zijn ZoonG5207 nietG3756 gezondenG649 inG1519 de wereldG2889, opdatG2443 Hij de wereldG2889 veroordelenG2919 zou, maarG235 opdatG2443 de wereldG2889 doorG1223 HemG846 zou behoudenG4982 worden.
Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.
KJV
For2
God5
sent3
not1
his8
Son7
into9
the world11
to12
condemn13
the world;15
but16
that17
the world20
through21
him22
might be saved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Die inG1519 HemG846 gelooftG4100, wordt niet veroordeeldG2919, maarG1161 die niet gelooftG4100, is alredeG2235 veroordeeldG2919, dewijlG3754 hij niet heeft geloofdG4100 inG1519 den NaamG3686 des eniggeborenG3439 ZoonsG5207 van GodG2316.
Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.
KJV
He that believeth2
on3
him4
is6
not5
condemned:12
but8
he that believeth10
not9
is condemned
already,11
because13
he hath15
not14
believed
in16
the name18
of the only begotten20
Son21
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En ditG3778 isG1510 het oordeelG2920, dat het lichtG5457 inG1519 de wereldG2889 gekomenG2064 is, en de mensenG444 hebbenG25 de duisternisG4655 lieverG3123 gehad dan het lichtG5457; want hunG846 werkenG2041 warenG1510 boosG4190.
En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.
KJV
And2
this1
is
the condemnation,5
that6
light8
is come9
into10
the world,12
and13
men16
loved14
darkness19
rather17
than20
light,22
because24
their26
deeds28
were
evil.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
WantG1063 een iegelijkG3956, die kwaadG5337 doet, haatG3404 het lichtG5457, enG2532 komtG2064 totG4314 het lichtG5457 niet, opdatG2443 zijn werkenG2041 niet bestraftG1651 worden.
Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.
KJV
For2
every one1
that doeth5
evil4
hateth6
the light,8
neither9
cometh11
to12
the light,14
lest
his20
deeds19
should be reproved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
MaarG1161 die de waarheidG225 doetG4160, komtG2064 totG4314 het lichtG5457, opdatG2443 zijn werkenG2041 openbaarG5319 worden, dat zij inG1722 GodG2316 gedaan zijnG1510.
Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.
KJV
But2
he that doeth3
truth5
cometh6
to7
the light,9
that10
his12
deeds14
may be made manifest,11
that15
they are
wrought19
in16
God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
NaG3326 dezenG5023 kwamG2064 JezusG2424 enG2532 Zijn discipelenG3101 inG1519 het landG1093 van JudeaG2449, enG2532 onthieldG1304 Zich aldaar metG3326 henG846, enG2532 doopteG907.
Na dezen kwam Jezus en Zijn discipelen in het land van Judea, en onthield Zich aldaar met hen, en doopte.
KJV
After1
these things
came3
Jesus5
and6
his9
disciples8
into10
the land13
of Judaea;
and14
there15
he tarried16
with17
them,18
and19
baptized.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En JohannesG2491 doopteG2258 ookG2532 in EnonG137 bij SalimG4530, dewijlG3754 aldaar veleG4183 waterenG5204 waren; en zij kwamen daar, en werden gedooptG907.
En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt.
KJV
And2
John4
also3
was
baptizing5
in6
Aenon7
near8
to Salim,10
because11
there was
much13
water12
there:15
and16
they came,17
and18
were baptized.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
WantG1063 JohannesG2491 wasG1510 nogG3768 niet inG1519 de gevangenisG5438 geworpenG906.
Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.
KJV
For2
John9
was
not yet1
cast4
into5
prison.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Er reesG1096 danG3767 een vraagG2214 van enigen uitG1537 de discipelenG3101 van JohannesG2491 metG3326 de JodenG2453 overG4012 de reinigingG2512.
Er rees dan een vraag van enigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging.
KJV
Then2
there arose1
a question3
between8
some of4
John's7
disciples6
and the Jews9
about10
purifying.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
EnG2532 zij kwamen totG4314 JohannesG2491, enG2532 zeidenG2036 totG4314 hemG846: RabbiG4461, Die metG3326 uG4771 wasG1510 over de JordaanG2446, WelkenG3739 gijG4771 getuigenisG3140 gaaft, zieG2396, Die dooptG907, enG2532 zij komenG2064 allenG3956 tot HemG846.
En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem.
KJV
And1
they came2
unto3
John,5
and6
said
unto him,8
Rabbi,9
he10
that was
with12
thee
beyond14
Jordan,16
to whom17
thou13
barest witness,19
behold,
the same21
baptizeth,22
and23
all24
men come25
to26
him.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
JohannesG2491 antwoorddeG611 enG2532 zeideG2036: Een mensG444 kanG1410 geen dingG3762 aannemenG2983, zoG1437 het hemG846 uitG1537 de hemelG3772 niet gegevenG1325 zij.
Johannes antwoordde en zeide: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij.
KJV
John2
answered1
and3
said,
A man7
can6
receive8
nothing,9
except
it be
given13
him14
from15
heaven.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
GijzelvenG5210 zijt mijn getuigenG3140, datG3754 ik gezegdG2036 heb: IkG1473 benG1510 de ChristusG5547 nietG3756; maarG235 datG3754 ik voor Hem heen uitgezondenG649 benG1510.
Gijzelven zijt mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet; maar dat ik voor Hem heen uitgezonden ben.
KJV
Ye
yourselves1
bear4
me
witness,
that5
I said,
I3
am8
not7
the Christ,11
but12
that13
I am15
sent14
before16
him.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Die de bruidG3565 heeftG2192, isG1510 de bruidegomG3566, maarG1161 de vriendG5384 des bruidegomsG3566, die staatG2476 en hemG846 hoortG191, verblijdtG5463 zich met blijdschapG5479 omG1223 de stemG5456 des bruidegomsG3566. ZoG3767 is dan dezeG3778 mijnG1699 blijdschapG5479 vervuldG4137 geworden.
Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.
KJV
He that hath2
the bride4
is
the bridegroom:5
but8
the friend9
of the bridegroom,11
which1
standeth13
and14
heareth15
him,16
rejoiceth18
greatly17
because19
of the bridegroom's23
voice:21
this24
my29
joy27
therefore25
is fulfilled.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Hij moetG1163 wassenG837, maarG1161 ikG1473 minderG1642 worden.
Hij moet wassen, maar ik minder worden.
KJV
He1
must2
increase,3
but5
I
must decrease.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Die van boven komtG2064, isG1510 boven allenG3956; die uitG1537 de aardeG1093 is voortgekomen die is uitG1537 de aardeG1093, enG2532 spreektG2980 uitG1537 de aardeG1093. Die uitG1537 den hemelG3772 komtG2064, isG1510 boven allenG3956.
Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen.
KJV
He that cometh3
from above2
is
above4
all:5
he that is
of9
the earth11
is
earthly,12
and16
speaketh20
of17
the earth:14
he that cometh25
from22
heaven24
is
above26
all.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En hetgeenG3739 Hij gezienG3708 enG2532 gehoordG191 heeft, dat getuigtG3140 Hij; enG2532 Zijn getuigenisG3141 neemtG2983 niemandG3762 aan.
En hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan.
KJV
And1
what2
he hath seen3
and4
heard,5
that
he testifieth;7
and8
no man12
receiveth13
his11
testimony.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Die Zijn getuigenisG3141 aangenomenG2983 heeft, die heeft verzegeldG4972, datG3754 GodG2316 waarachtigG227 isG1510.
Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is.
KJV
He that hath received2
his3
testimony5
hath set to his seal6
that7
God9
is
true.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Want Dien GodG2316 gezondenG649 heeft, Die spreektG2980 de woordenG4487 GodsG2316; wantG1063 GodG2316 geeftG1325 Hem de GeestG4151 nietG3756 metG1537 mateG3358.
Want Dien God gezonden heeft, Die spreekt de woorden Gods; want God geeft Hem de Geest niet met mate.
KJV
For2
he whom1
God5
hath sent3
speaketh10
the words7
of God:9
for12
God17
giveth15
not11
the Spirit19
by13
measure
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
De VaderG3962 heeftG25 den ZoonG5207 liefG25, enG2532 heeft alleG3956 dingen inG1722 Zijn handG5495 gegevenG1325.
De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven.
KJV
The Father2
loveth3
the Son,5
and6
hath given8
all things7
into9
his12
hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
Die inG1519 den ZoonG5207 gelooftG4100, die heeftG2192 het eeuwigeG166 levenG2222; maar die den ZoonG5207 ongehoorzaamG544 is, die zal het levenG2222 nietG3756 zienG3700, maar de toornG3709 GodsG2316 blijftG3306 op hemG846.
Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
KJV
He that believeth2
on3
the Son5
hath6
everlasting8
life:7
and10
he that believeth not11
the Son13
shall
not14
see
life;16
but17
the wrath19
of God21
abideth22
on23
him.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
een overste der
Dat is, een uit den Raad der Joden. Zie Joh. 7:48 , Joh. 7:50 .
Hertaald:
een overste der
Dat is: een lid van de Raad van de Joden. Zie Joh. 7:48, Joh. 7:50.
des nachts tot
Namelijk uit vrees der Joden, en van uit de synagoge geworpen te worden. Zie Joh. 9:22 , en Joh. 12:42 , en Joh. 19:38 .
Hertaald:
des nachts tot
Namelijk uit vrees voor de Joden en om niet uit de synagoge geworpen te worden. Zie Joh. 9:22, Joh. 12:42 en Joh. 19:38.
antwoordde en
Namelijk of op de vraag van Nikodemus van het middel om zalig te worden, die hier niet uitgedrukt is; of op zijne begeerte om dit te weten, hoewel hij zulks nog niet had geopenbaard.
Hertaald:
antwoordde en
Namelijk óf op de vraag van Nikodemus naar het middel om zalig te worden, die hier niet uitgedrukt is, óf op zijn verlangen om dat te weten, hoewel hij dat nog niet had uitgesproken.
wederom
Of, van boven, of opnieuw.
Hertaald:
wederom
Of: van boven, of opnieuw.
geboren worde,
Dat is, door den Heiligen Geest van de aangeboren verdorvenheid verlost, en tot een nieuw geestelijk leven vernieuwd worden. Zie Joh. 1:13 ; Rom. 12:2 .
Hertaald:
geboren worde,
Dat is: door de Heilige Geest verlost worden van de aangeboren verdorvenheid en vernieuwd worden tot een nieuw geestelijk leven. Zie Joh. 1:13; Rom. 12:2.
niet zien
Dat is, in hetzelve niet ingaan, gelijk vs.5, dat is, der eeuwige zaligheid niet deelachtig worden. Zie de aantekeningen vs.36.
Hertaald:
niet zien
Dat is: daarin niet ingaan, zoals vers 5; dat is: geen deel krijgen aan de eeuwige zaligheid. Zie de aantekeningen bij vers 36.
Voorwaar, voorwaar
Grieks Amen, Amen. Zie van dit woord Matt. 6:13 .
Hertaald:
Voorwaar, voorwaar
Grieks: Amen, amen. Zie over dit woord Matth. 6:13.
water en Geest,
Dat is, door de kracht des Heiligen Geestes niet gereinigd wordt van de zonde, gelijk de uiterlijke onreinigheden door water afgewassen worden, Ezech. 36:25 . Zie dergelijke manier van spreken, Matt. 3:11 .
Hertaald:
water en Geest,
Dat is: door de kracht van de Heilige Geest niet van de zonde gereinigd wordt, zoals de uiterlijke onreinheden met water afgewassen worden, Ezech. 36:25. Zie een soortgelijke manier van spreken in Matth. 3:11.
uit het vlees geboren
Dat is, natuurlijkerwijze uit den verdorven mens.
Hertaald:
uit het vlees geboren
Dat is: op natuurlijke wijze uit de verdorven mens.
vlees; en
Dat is, natuurlijk en vleselijk gezind; Gen. 6:3 , Gen. 6:5 .
Hertaald:
vlees; en
Dat is: natuurlijk en vleselijk gezind; Gen. 6:3, Gen. 6:5.
geest
Dat is, geestelijk gezind; Rom. 8:5 .
Hertaald:
geest
Dat is: geestelijk gezind; Rom. 8:5.
wederom geboren worden
Of, opnieuw, of van boven; dat is, door de werking des Heiligen Geestes.
Hertaald:
wederom geboren worden
Of: opnieuw, of van boven; dat is: door de werking van de Heilige Geest.
De wind
Grieks de geest; dat is de wind, gelijk uit het navolgende blijkt.
Hertaald:
De wind
Grieks: de geest; dat is: de wind, zoals uit het vervolg blijkt.
blaast, waarheen
Of, waait.
Hertaald:
blaast, waarheen
Of: waait.
geluid; maar
Grieks stem.
Hertaald:
geluid; maar
Grieks: stem.
van waar hij
Dat is, vanwaar hij gedreven wordt, waar hij zijn begin heeft, of zijn einde neemt.
Hertaald:
van waar hij
Dat is: vanwaar hij gedreven wordt, waar hij zijn begin heeft of zijn einde neemt.
alzo is een iegelijk,
Dat is, des Geestes werkingen wordt gij wel gewaar, maar hoe het toegaat begrijpt gij niet; Pred. 11:5 .
Hertaald:
alzo is een iegelijk,
Dat is: de werkingen van de Geest merkt u wel op, maar hoe dat toegaat begrijpt u niet; Pred. 11:5.
deze dingen niet?
Namelijk die in de profeten zo dikmaals en zo klaar geleerd worden.
Hertaald:
deze dingen niet?
Namelijk de dingen die in de profeten zo vaak en zo duidelijk geleerd worden.
Wij spreken, wat
Namelijk Johannes en Ik.
Hertaald:
Wij spreken, wat
Namelijk Johannes en Ik.
gijlieden neemt
Namelijk gij oversten en Farizeën; Joh. 7:48 .
Hertaald:
gijlieden neemt
Namelijk u, oversten en farizeeën; Joh. 7:48.
de aardse dingen
Dat is, de hemelse dingen door gelijkenis van aardse verklaar.
Hertaald:
de aardse dingen
Dat is: de hemelse dingen verklaar door middel van een vergelijking met aardse.
zou zeggen?
Dat is, zou voorstellen zonder gelijkenis, gelijk ze in zichzelven zijn.
Hertaald:
zou zeggen?
Dat is: zou voorstellen zonder vergelijking, zoals zij op zichzelf zijn.
opgevaren in den
Grieks opgeklommen; dat is, met zijn verstand doorgedrongen tot volmaakte kennis der hemelse zaken, aangaande den raad Gods van de zaligheid der mensen, om die den mensen te openbaren; Rom. 10:6 .
Hertaald:
opgevaren in den
Grieks: opgeklommen; dat is: met zijn verstand doorgedrongen tot volmaakte kennis van de hemelse dingen, aangaande Gods raad over de zaligheid van de mensen, om die aan de mensen te openbaren; Rom. 10:6.
nedergekomen is,
Namelijk toen Hij de menselijke natuur heeft aangenomen, en van den Vader tot een Middelaar in de wereld gezonden is.
Hertaald:
nedergekomen is,
Namelijk toen Hij de menselijke natuur heeft aangenomen en door de Vader als Middelaar in de wereld gezonden is.
Die in de hemel is
Namelijk ten aanzien van Zijn Goddelijke natuur, naar welke Hij hemel en aarde vervult; Kol. 1:17 ; Hebr. 1:3 .
Hertaald:
Die in de hemel is
Namelijk wat Zijn goddelijke natuur betreft, waarnaar Hij hemel en aarde vervult; Kol. 1:17; Hebr. 1:3.
verhoogd heeft,
Dat is, aan een hogen paal opgehangen, om gezien te worden van allen, die van de vurige slangen gebeten waren, opdat zij genezen zouden worden. Zie Num. 21:9 .
Hertaald:
verhoogd heeft,
Dat is: aan een hoge paal opgehangen, om gezien te worden door allen die door de vurige slangen gebeten waren, opdat zij genezen zouden worden. Zie Num. 21:9.
verhoogd worden
Namelijk aan het kruis, gelijk Hij zelf verklaard heeft; Joh. 12:32-33 .
Hertaald:
verhoogd worden
Namelijk aan het kruis, zoals Hij Zelf verklaard heeft; Joh. 12:32-33.
verderve, maar
Of, verloren ga.
Hertaald:
verderve, maar
Of: verloren ga.
de wereld gehad,
Dat is, niet alleen de Joden, maar ook de heidenen in de ganse wereld verstrooid; Joh. 11:51-52 ; 1 Joh. 2:2 . Van deze liefde Gods, zie breder Rom. 5:6 , Rom. 5:8 , en Rom. 8:32 .
Hertaald:
de wereld gehad,
Dat is: niet alleen de Joden, maar ook de heidenen die over de hele wereld verstrooid zijn; Joh. 11:51-52; 1 Joh. 2:2. Zie over deze liefde van God uitvoeriger Rom. 5:6, Rom. 5:8 en Rom. 8:32.
veroordelen zou,
Grieks oordelen; dat is veroordelen of verdoemen.
Hertaald:
veroordelen zou,
Grieks: oordelen; dat is: veroordelen of verdoemen.
de wereld door Hem
Dat is, die uit de wereld in Hem zullen geloven, zowel heidenen als Joden.
Hertaald:
de wereld door Hem
Dat is: zij die uit de wereld in Hem zullen geloven, zowel heidenen als Joden.
alrede veroordeeld,
Namelijk in het gericht Gods, volgens de bedreiging der wet, als die de oorzaak der verdoemenis in zichzelven heeft.
Hertaald:
alrede veroordeeld,
Namelijk in het gericht van God, volgens de bedreiging van de wet, aangezien hij de oorzaak van de verdoemenis in zichzelf heeft.
het oordeel, dat
Dat is, de verdoemenis, of, de oorzaak der verdoemenis.
Hertaald:
het oordeel, dat
Dat is: de verdoemenis, of de oorzaak van de verdoemenis.
het licht in
Dat is, Christus en Zijn Evangelie.
Hertaald:
het licht in
Dat is: Christus en Zijn Evangelie.
bestraft worden
Dat is, ontdekt worden, en hij van dezelve overtuigd.
Hertaald:
bestraft worden
Dat is: aan het licht gebracht worden, en dat hij daarvan overtuigd wordt.
die de waarheid
Dat is, die oprecht handelt.
Hertaald:
die de waarheid
Dat is: die oprecht handelt.
in God gedaan zijn
Grieks in Gode gewrocht zijn; dat is, als in Gods tegenwoordigheid en naar Zijnen wil.
Hertaald:
in God gedaan zijn
Grieks: in God gewerkt zijn; dat is: als in Gods tegenwoordigheid en naar Zijn wil.
in het land van
Dat is, buiten Jeruzalem, in de landpalen van Judea.
Hertaald:
in het land van
Dat is: buiten Jeruzalem, in het gebied van Judea.
doopte
Namelijk door Zijne discipelen. Zie Joh. 4:2 .
Hertaald:
doopte
Namelijk door Zijn discipelen. Zie Joh. 4:2.
Salim,
Eene plaats in den stam van Benjamin, waarvan zie 1 Sam. 9:4 .
Hertaald:
Salim,
Een plaats in de stam Benjamin; zie daarover 1 Sam. 9:4.
wateren waren;
Dat is, beken, of riviertjes, of veel water. Omdat degenen, die van Johannes gedoopt werden, met hun gehele lichamen in het water gingen. Zie Matt. 3:16 ; Hand. 8:38 .
Hertaald:
wateren waren;
Dat is: beken of riviertjes, of veel water. Dat was nodig omdat zij die door Johannes gedoopt werden met hun hele lichaam het water in gingen. Zie Matth. 3:16; Hand. 8:38.
vraag van enigen
Of, geschil.
Hertaald:
vraag van enigen
Of: geschil.
over de reiniging
Namelijk over de vergelijking van de waardigheid van den doop van Johannes met de Joodse reinigingen; of van den doop van Johannes met den doop der discipelen van Christus.
Hertaald:
over de reiniging
Namelijk over de vergelijking van de waarde van de doop van Johannes met de Joodse reinigingen, of van de doop van Johannes met de doop van de discipelen van Christus.
zij kwamen tot Johannes,
Namelijk de discipelen van Johannes.
Hertaald:
zij kwamen tot Johannes,
Namelijk de discipelen van Johannes.
over de Jordaan,
Of, aan de Jordaan; namelijk te Bethabara, Joh. 1:28 .
Hertaald:
over de Jordaan,
Of: aan de Jordaan; namelijk in Bethabara, Joh. 1:28.
komen allen tot Hem
Dat is, zij komen met grote menigte.
Hertaald:
komen allen tot Hem
Dat is: zij komen in grote menigte.
kan geen ding
Dat is, geen ambt wettelijk en met behoorlijken voortgang en vrucht bedienen. Of, iets, namelijk goeds, ontvangen; Hebr. 5:4 ; Jak. 1:17 .
Hertaald:
kan geen ding
Dat is: geen ambt op wettige wijze en met behoorlijke voortgang en vrucht bedienen. Of: iets, namelijk iets goeds, ontvangen; Hebr. 5:4; Jak. 1:17.
uit de hemel
Dat is, van God. Zie Matt. 21:25 .
Hertaald:
uit de hemel
Dat is: van God. Zie Matth. 21:25.
de vriend des
Dat is, ik die de vriend en getrouwe dienaar des bruidegoms ben, de bruid dat is de gemeente, tot Christus haren bruidegom, gebracht heb, die haar nu zelf ontvangt en aanspreekt. Zie 2 Kor. 11:2 ; Ef. 5:25 .
Hertaald:
de vriend des
Dat is: ik, die de vriend en trouwe dienaar van de Bruidegom ben, heb de bruid — dat is: de gemeente — tot Christus, haar Bruidegom, gebracht; en Hij ontvangt en toespreekt haar nu Zelf. Zie 2 Kor. 11:2; Ef. 5:25.
de stem des bruidegoms
Wanneer hij zijne bruid ontvangt en aanspreekt.
Hertaald:
de stem des bruidegoms
Namelijk wanneer hij zijn bruid ontvangt en toespreekt.
van boven komt,
Dat is, uit den hemel, als waarachtig God, gelijk in de volgende woorden verklaard wordt.
Hertaald:
van boven komt,
Dat is: uit de hemel, als waarachtig God, zoals in de volgende woorden verklaard wordt.
uit de aarde is
Dat is, die een bloot mens is, natuurlijkerwijze gesproken, spreekt als een bloot mens, hoewel Hij met Gods Geest begaafd is.
Hertaald:
uit de aarde is
Dat is: wie slechts mens is, spreekt op natuurlijke wijze als een gewoon mens, ook al is hij met Gods Geest begiftigd.
hetgeen Hij gezien
Dat is, waarvan Hij uit zichzelven volkomen en zekere kennis heeft.
Hertaald:
hetgeen Hij gezien
Dat is: waarvan Hij uit Zichzelf volkomen en zekere kennis heeft.
niemand aan
Dat is, zeer weinige, en bijna niemand, in vergelijking van de grote menigte dergenen, die het verwerpen, gelijk uit vs.33 blijkt.
Hertaald:
niemand aan
Dat is: zeer weinigen, en vrijwel niemand, in vergelijking met de grote menigte van hen die het verwerpen, zoals uit vers 33 blijkt.
verzegeld, dat
Dat is, door zijn geloof betuigd en bevestigd dat hij houdt, dat de beloften Gods waarachtig zijn.
Hertaald:
verzegeld, dat
Dat is: door zijn geloof betuigd en bevestigd dat hij ervoor houdt dat Gods beloften waarachtig zijn.
met mate
Grieks uit mate; dat is, niet ten dele, gelijk Zijne dienaren, maar met alle volheid. Zie Ps. 45:8 ; Joh. 1:16 .
Hertaald:
met mate
Grieks: uit mate; dat is: niet ten dele, zoals bij Zijn dienaars, maar in alle volheid. Zie Ps. 45:8; Joh. 1:16.
in Zijn hand
Dat is, Zijne macht onderworpen. Zie Matt. 28:18 .
Hertaald:
in Zijn hand
Dat is: aan Zijn macht onderworpen. Zie Matth. 28:18.
ongehoorzaam is,
Dat is, die naar zijn bevel in Hem niet gelooft, Rom. 1:5 .
Hertaald:
ongehoorzaam is,
Dat is: die naar Zijn bevel niet in Hem gelooft; Rom. 1:5.
niet zien, maar
Dat is, niet genieten, Ps. 34:13 .
Hertaald:
niet zien, maar
Dat is: niet genieten; Ps. 34:13. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een Farizeeër en overste der Joden (lid van de Hoge Raad), die 's nachts naar Jezus kwam om met Hem te spreken; Jezus onderwees hem over de wedergeboorte uit water en Geest (Joh. 3:1-21). Later verdedigde hij Jezus in de Hoge Raad (Joh. 7:50-52) en hielp hij bij Jezus' begrafenis, samen met Jozef van Arimathea (Joh. 19:39-42). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Een plaats "nabij Salim", gekozen "omdat aldaar vele wateren waren" — vermoedelijk in de Jordaanvallei, hoewel de precieze ligging onder uitleggers omstreden is. Geschiedenis: Hier doopte Johannes de Doper, in de laatste periode van zijn bediening, terwijl de Heere Jezus elders in Judea eveneens (door Zijn discipelen) doopte — de plaats waar Johannes zijn beroemde woord sprak: "Hij moet wassen, maar ik minder worden" (Joh. 3:22-30). Bijbelse betekenis: Johannes de Doper toont hier het volmaakte voorbeeld van ware nederigheid in dienst van Christus: geen jaloezie op de groeiende schare rondom Jezus, maar blijdschap dat de Bruidegom nu Zelf gekomen is, terwijl de vriend van de Bruidegom zich gewillig terugtrekt. Recente inzichten: De ligging blijft onzeker; verschillende locaties in de Jordaanvallei, zowel ten westen als ten oosten van de rivier, zijn voorgesteld. Joh. 3:22-30 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Nicodemus, een overste der Joden en een leraar van Israël, komt des nachts tot Jezus. Het antwoord dat hij krijgt, gaat dwars tegen zijn verwachting in: "Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien" (Joh. 3:3), nader gepreciseerd als geboren worden "uit water en Geest" (Joh. 3:5). Nicodemus verstaat het lichamelijk — kan iemand voor de tweede maal in zijner moeders buik ingaan? — maar Jezus wijst hem op twee onderscheiden orden van bestaan: "Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest" (Joh. 3:6). Een natuurlijke geboorte, hoe vroom de ouders ook zijn, brengt geen geestelijk leven voort. De wind (Joh. 3:8) is het beeld voor de vrijmacht van de Geest: men hoort zijn geluid, maar beheerst noch oorsprong noch richting; zo is ieder die uit de Geest geboren is. Bijbelse betekenis: "Water en Geest" is geen verwijzing naar de doop als middel dat op zichzelf wedergeboorte bewerkt. Nicodemus was een leraar van Israël en behoorde de belofte te kennen waarin water (reiniging) en Geest (nieuw hart) reeds in het Oude Testament samen genoemd worden als één beeld voor dezelfde inwendige vernieuwing (Ezech. 36:25-27). De wedergeboorte is dus een soevereine, monergistische daad van God de Heilige Geest, niet een menselijke prestatie en niet het gevolg van natuurlijke afkomst — zoals het Evangelie eerder al zei: "niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren" (Joh. 1:13). Zij is de noodzakelijke wortel van een nieuwe natuur en van waarachtig geloof, en gaat aan het geloof vooraf en brengt het voort, niet andersom. Typologie: Paulus noemt haar "het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes" (Titus 3:5); Petrus: "wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God" (1 Petr. 1:23); Johannes zelf trekt in zijn eerste brief de lijn door naar het geloof: "Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren" (1 Joh. 5:1); en Paulus tekent het resultaat: "indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel" (2 Kor. 5:17), "toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus" (Ef. 2:1,5). Joh. 3:1-8; Joh. 1:12-13; Ezech. 36:25-27; Titus 3:5; 1 Petr. 1:23; 1 Joh. 5:1; 2 Kor. 5:17; Ef. 2:1,5 Al in het gesprek met Nicodemus valt het woord: wie in de verhoogde Zoon des mensen gelooft, zal niet verderven, "maar het eeuwige leven hebbe" (Joh. 3:15-16), tegenover wie ongehoorzaam blijft en onder de toorn Gods blijft (Joh. 3:36). Het is een van de dragende thema's van heel het Evangelie: wie gelooft, "heeft" — tegenwoordige tijd — het eeuwige leven al (Joh. 6:47), en zal toch ook ten uitersten dage opgewekt worden (Joh. 6:40). Johannes geeft er zelf een definitie van in het hogepriesterlijk gebed: "dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt" (Joh. 17:3) — geen loutere onsterfelijkheid, maar kennend, persoonlijk leven met God. Het doel van het hele boek wordt er zelfs mee samengevat: "opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam" (Joh. 20:31). Bijbelse betekenis: Het eeuwige leven is dus reeds én nog niet: het begint nu, in de vereniging met Christus door het geloof, en wordt voleindigd in de lichamelijke opstanding. Het is geen eigenschap die de mens van nature bezit of kan verdienen, maar een gave, gebonden aan de Persoon en het werk van de Zoon. Typologie: Paulus vat het samen als "de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere" (Rom. 6:23), en Johannes herhaalt in zijn brief: "Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt" (1 Joh. 5:11-13). De voleinding ervan tekent de Openbaring in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waar God Zelf bij hen wonen zal (Op. 21:1-4). Joh. 3:15-16,36; Joh. 6:40,47; Joh. 17:3; Joh. 20:31; Rom. 6:23; 1 Joh. 5:11-13; Op. 21:1-4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Nicodémus komt 's nachts, een overste der Joden en een leraar in Israël. Hij begint hoffelijk: wij weten dat Gij een Leraar van God gekomen zijt. Wat hij te horen krijgt gaat niet over leren maar over geboren worden. Om uit te leggen hoe Hij het eeuwige leven geeft, grijpt Christus naar het merkwaardigste voorwerp van de woestijnreis: een koperen slang op een stok. Het gesprek loopt vast op één punt. Nicodémus kan zich bij wederom geboren worden niets voorstellen: kan een mens ten tweeden male in zijns moeders buik ingaan? En hij krijgt geen verklaring maar een vergelijking: de wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt. Dan zegt Christus iets wat de leraar in Israël moet kennen, en Hij verwijt hem dat ook: zijt gij een leraar van Israël, en weet gij deze dingen niet? En dan komt het beeld. “Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden.” De kanttekening legt eerst uit wat er in Numeri 21 gebeurde: dat is, aan een hoge paal opgehangen, om gezien te worden door allen die door de vurige slangen gebeten waren, opdat zij genezen zouden worden. En bij het verhogen van de Zoon des mensen tekent zij aan: namelijk aan het kruis, zoals Hij zelf verklaard heeft in Johannes 12. De keus van dat beeld is opmerkelijk. God had het volk slangen gezonden als straf; wat Hij als middel geeft, is een slang van koper. Wie gebeten was moest kijken naar het beeld van datgene wat hem doodde. Er was geen medicijn, geen handeling, geen offer — alleen zien. En er staat ook een moeten in: alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden. Dat woord komt in Johannes telkens terug rond het kruis. Daarop volgt het vers dat het bekendste van de Bijbel geworden is: want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Bij dat woord wereld zegt de kanttekening precies wat het opent: niet alleen de Joden, maar ook de heidenen die over de hele wereld verstrooid zijn. Het slot van het gedeelte gaat over licht en duisternis, en het is nuchter over waarom mensen niet komen: zij hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun werken waren boos. Niet onwetendheid houdt hen tegen, maar dat licht ontdekt. In het Nieuwe Testament: Numeri 21:4-9; Johannes 12:32-33; Johannes 8:28; 2 Korinthe 5:21
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Wat is geloof? Waar leidt het toe? Een indringende uitleg over vertrouwend rusten op Christus voor tijd en eeuwigheid. En Jezus zei: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Lukas 23:34a Ik heb een brief in mijn zak van een geleerde man met een zekere reputatie;… Een preek uitgesproken op zondagavond 7 juni 1885, door C.H. Spurgeon, in The Metropolitan Tabernacle Newington. Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren… Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.… Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Maar indien… Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem. Joh.… Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven. Johannes 3:36 Ik vind het leuk om verjaardagen te vieren, jij niet? Het is leuk als je kaarten… Geliefden, nu zijn wij kinderen van God. 1 Joh. 3:2 I k zal niet doen alsof ik deze morgen mijn gehele tekst bepreek, ook al is hij maar erg… Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Johannes 3:18 Het Woord van God zegt mij dat ik moet geloven, maar wat moet ik dan geloven? Wat moet hetvoorwerp… Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen. "Geliefden! indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid… Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben. 1 Joh. 3:14 De geestelijke dingen, van welke wij spreken, zijn zaken… En een ieder, die deze hoop op hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk hij rein is. 1 Joh. 3:3 De meeste mensen hebben een hoop, maar de hoop van… Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als hij zal geopenbaard zijn, wij hem zullen gelijk wezen; want wij zullen hem zien… De koningen van de aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde. (Psalm 2:2) Lees verder Efeze 4:17—24. Vandaag stel ik… En de HEERE rook die aangename geur, en de HEERE zei in Zijn hart: Ik zal de aardbodem voortaan niet meer vervloeken vanwege de mens; de gedachtespinsels van… Wat heeft het stro gemeenschappelijk met het koren? spreekt de HEERE.(Jeremia 23:28) Lees verder Judas 1—4. Waak en bid, als Christelijke kerk en leden van die kerk, dat… Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, Johannes 3:18 Hoewel mijn geweten mij veroordeelt, overmeestert mijn geloof mijn geweten en geloof ik dat “Hij machtig is om tot het… Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven… 'Wat sluit dit geloof uit? Ik weet zeker dat daarin geen plaats is om te roemen. ‘Die gelooft, wordt niet veroordeeld.’ (Joh. 3:18) Als er had gestaan: ‘Die… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" U moet opnieuw geboren worden. Johannes 3 vers 7 Op de bodem van de zaligheid ligt de wedergeboorte. Wij moeten ons… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" De Zoon des Mensen. Johannes 3:13 Hoe gedurig gebruikte onze Heer het woord: "Zoon des mensen"! Indien Hij gewild had, had Hij… Op zondagmorgen 17 februari 1861, hield C. H. Spurgeon de volgende preek in Exeter Hall, ‘s avonds preekte hij over dezelfde tekst in New Park Street Chapel. “Deze… Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven… Die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Johannes 3:36b). Bij velen kan het ongeloof toegeschreven worden aan… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Johannes 3
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Gelijk Mozes de slang verhoogd heeft — 3:1-21
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Geloof: wat het is en waar het toe leidt
Verheug je in je redding!
Grenzeloze liefde
God houdt van je
Behouden in hoop
Alverzoening, worden alle mensen gered?
Verjaardagen
Een godsdienst voor het heden
Waar het geloof op ziet
1 Joh. 3:20,21 - De lagere tribunalen
1 Joh. 3:14 - Liefde het blijk en kenmerk van leven
1 Joh. 3:3 - Reiniging door hoop
1 Joh. 3:2 - Weldra
De grootste rechtszaak
Onze verdorvenheid en Gods genade
Stro en koren
Christus is uw enige hoop
Gods liefde
Wat het geloof uitsluit
Opnieuw geboren worden
De Zoon des Mensen
Niemand dan Jezus alleen
Gods liefde
Onverschilligheid


Johannes 3
Johannes 3:1-3
Kruisverwijzingen2 Korinthe 5:17→Johannes 3:5→1 Johannes 3:9→1 Petrus 1:23→Johannes 1:13→1 Johannes 2:29→1 Johannes 5:1→Titus 3:5→— En er was een mens uit de Farizeen, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden; Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is. Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.
Er moet een nieuwe geboorte zijn, omdat er een nieuwe natuur nodig is om geestelijke dingen te onderscheiden. De natuurlijke mens kan geestelijke dingen niet begrijpen; die moeten geestelijk onderscheiden worden. Daarom is de nieuwe geboorte nodig: opdat er een geest in ons zou zijn die het Koninkrijk van God kan zien en verstaan. Voordat een mens opnieuw geboren is, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.
Nicodemus was heel eerlijk; hij ging zo ver als hij kon gaan. Al had hij nog niet geleerd om in Christus te geloven als zijn Zaligmaker, hij erkende toch dat Christus een Leraar was Die van God gekomen was. Dat leidde hij af uit Zijn wonderen. Er is altijd hoop voor een mens die bereid is te zien wat hij zien kan, en die erkent wat hij ziet.
Misschien was hij overdag erg druk. Het is beter om ‘s nachts tot Jezus te komen dan helemaal niet te komen. Elk uur is Christus gelegen; u mag vanavond nog tot Hem komen. Wanneer ieder ander slaapt, is Jezus nog wakker. Toch wilde Nicodemus zich waarschijnlijk niet overdag aan Christus verbinden. Hij had Hem nog niet beproefd en getoetst, en wilde daarom niet voor een volgeling van Christus doorgaan voordat hij eerst een rustig, persoonlijk gesprek met Hem gehad had. Als overste van de Joden handelde hij wijs door zo behoedzaam te werk te gaan.
Zonder een nieuwe geboorte kan hij het niet zien, hij kan het niet begrijpen, hij kan er niets van weten: het Koninkrijk van God blijft hem verborgen.
Johannes 3:4-5
KruisverwijzingenEfeze 5:26→Ezechiël 36:25→Handelingen 2:38→Mattheüs 3:11→1 Johannes 5:6→1 Korinthe 6:11→Titus 3:4→1 Korinthe 2:14→— Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden? Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.
Eerst zei Jezus dat een mens het Koninkrijk van God niet kan zíen, tenzij hij opnieuw geboren wordt. Nu zegt Hij tegen Nicodemus dat een mens het Koninkrijk niet kan bínnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water en Geest. Er moet reiniging zijn: hij moet geboren worden “uit water”. En er moet geestelijk leven zijn: hij moet geboren worden “uit de Geest”, anders kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan. Wij menen niet dat hier de doop bedoeld wordt, maar veeleer de reinigende werking van het Woord, die door water wordt afgebeeld.
Nicodemus struikelde over het beeld; hij bleef steken bij de letter van wat Christus zei, en zag de diepere betekenis ervan niet. Onze gezegende Meester leerde veel door gelijkenissen, en gelijkenisonderwijs is het beste onderwijs dat er is. Maar u ziet hoe gemakkelijk het verkeerd begrepen kan worden, hoe mensen het beeld vleselijk kunnen opvatten in plaats van de geestelijke betekenis ervan te verstaan.
Johannes 3:6
KruisverwijzingenRomeinen 8:4→Galaten 5:16→Ezechiël 36:26→Job 14:4→Job 25:4→Efeze 2:3→2 Korinthe 5:17→Genesis 6:12→— Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.
Wat uit het vlees geboren wordt, is niets meer dan vlees, en het kan nooit meer worden dan vlees. De eerste geboorte brengt niemand verder dan dat. Hoe godvruchtig de ouders ook zijn, wat uit hen geboren wordt, is alleen maar vlees. Wat dat betreft staan de kinderen van de vroomste ouders er precies zo voor als de kinderen van de goddelozen. Willen zij tot Gods kinderen gerekend worden, dan moeten zij eerst opnieuw geboren worden, want wat uit het vlees geboren is, is vlees. Alleen wat uit de Geest geboren is, is geest. Het vlees kan het geestelijke Koninkrijk niet binnengaan, alleen de geest kan dat rijk binnengaan, en daarom is de nieuwe geboorte nodig, opdat die geest in ons geschapen wordt.
Johannes 3:7-8
Kruisverwijzingen1 Korinthe 2:11→Johannes 3:3→1 Korinthe 12:11→Prediker 11:4→Efeze 4:22→Ezechiël 37:9→Markus 4:26→Openbaring 21:27→— Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is.
Verwonder u niet dat Christus zegt dat wij opnieuw geboren moeten worden. De wind waait waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid, maar u weet niet vanwaar hij komt of waarheen hij gaat. Zo is het ook met ieder die uit de Geest geboren is. Hij ondergaat een geheimzinnige verandering, hij wordt een nieuw mens, hij treedt een nieuw leven binnen dat anderen niet kunnen bevatten. Al horen zij het geluid ervan, zij kunnen niet zeggen vanwaar het leven van deze man komt of waarheen het gaat. Hij is een geestelijk mens geworden, die de natuurlijke mens niet begrijpt.
Het is een geheimenis: u zult het nooit ten volle doorgronden, maar u kunt het wel genieten. Als u opnieuw geboren bent, weet u wat het is; maar u kunt uw tweede geboorte evenmin ontdekken als uw eerste, behalve aan haar gevolgen en uitwerkingen. Moge God ons geven te weten wat het is om opnieuw geboren te worden! Er zijn geleerde godgeleerden die niets van deze nieuwe geboorte afweten, en er zijn eenvoudige, nog jonge christenen die toch de vrucht ervan mogen genieten.
Johannes 3:9-10
KruisverwijzingenJohannes 6:60→Johannes 6:52→Lukas 1:34→Jesaja 42:16→Jeremia 31:33→Jeremia 8:8→Ezechiël 36:25→Mattheüs 22:29→— Nicodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israel, en weet gij deze dingen niet?
Hoe kunnen deze dingen gebeuren? vroeg Nicodemus. Hij ontkende niet dat het zo kon zijn, maar hij vroeg hóe het kon. Ach, menigeen heeft diezelfde vraag gesteld! Hoe kan ik vernieuwd worden? Hoe kan ik een nieuw schepsel worden? Alleen Hij Die alle dingen maakt, kan alle dingen nieuw maken. De nieuwe geboorte is een even groot wonder als de schepping zelf. Er moet minstens evenveel aan u gewerkt worden om u een christen te maken, als er gewerkt is om u een mens te maken.
Bent u een leraar van Israël en weet u deze dingen niet? Deze eenvoudige, elementaire waarheden liggen op de allereerste drempel van onze heilige godsdienst; er zijn nog diepere en verhevener geheimenissen dan deze.
Johannes 3:11-12
KruisverwijzingenJohannes 7:16→Johannes 1:18→Johannes 12:49→Johannes 5:43→Johannes 8:28→Jesaja 53:1→Jesaja 65:2→Johannes 8:14→— Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan. Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?
Wij spreken wat wij weten, en getuigen wat wij gezien hebben. Christus spreekt met een gezag dat geen menselijk leraar ooit kan bezitten. Maar in zekere zin mag iedere trouwe dienaar van Christus en ieder waar kind van God dit ook zeggen, want wij weten dat er een geestelijk koninkrijk bestaat. Wij hebben het gezien, wij zijn erin binnengegaan. Wij kunnen getuigen dat er een ander leven is. Dat leven gaat zo ver boven het gewone leven van de mens uit als het leven van de mens boven dat van de dieren die vergaan. Wij hebben andere ogen dan deze zichtbare ogen, en andere oren dan de oren van ons vlees. Er is een hoger, beter leven te genieten, ook nu al, en wie in Christus gelooft, heeft dat leven.
Als Ik u de aardse dingen gezegd heb en u niet gelooft, hoe zult u geloven wanneer Ik u de hemelse zeg? Christus zal ons de diepste waarheden van het christelijk geloof niet verder leren, wanneer wij niet eens willen leren wat het eenvoudigst is. Zal een jongen de klassieken onderwezen worden, als hij het spellingboekje niet wil leren? Als mensen niet willen geloven dat er zoiets als de nieuwe geboorte bestaat, zal hun de leer van de vereniging met Christus niet onderwezen kunnen worden. Diezelfde grens geldt voor al die hogere waarheden die daaruit voortvloeien.
Johannes 3:13
KruisverwijzingenSpreuken 30:4→Johannes 6:38→Handelingen 2:34→Johannes 1:18→Efeze 4:9→Johannes 13:3→Romeinen 10:6→Johannes 6:42→— En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is.
En niemand is opgevaren naar de hemel, dan Hij Die uit de hemel neergedaald is: de Zoon des mensen, Die in de hemel is. Voor Nicodemus moet dit een raadsel geweest zijn dat hij niet kon oplossen. Toch mag ieder kind van God, al is hij pas gisteren bekeerd, verstaan wat Jezus hiermee bedoelde. Christus is het Die alles weet. Hij doorgrondt elk geheimenis; Hij kan alle waarheid leren, want Hij is in de hemel geweest, Hij is neergedaald op de aarde, en Hij is weer teruggekeerd naar de hemel.
Johannes 3:14-15
KruisverwijzingenNumeri 21:7→1 Johannes 5:11→Johannes 3:16→Johannes 3:36→Johannes 8:28→Psalmen 22:16→Hebreeën 7:25→Johannes 6:40→— En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden. Zo gaat ieder die in Hem gelooft niet verloren, maar heeft hij het eeuwige leven. Wie op Christus gelooft, is opnieuw geboren; wie op Hem vertrouwt, heeft het nieuwe leven. Deze eenvoudige weg van zaligheid is niet in tegenspraak met de weg van zaligheid door de nieuwe geboorte. Het is dezelfde zaak, alleen gezegd in een vorm die wij kunnen bevatten.
Er is leven in het opzien naar Jezus Christus, verhoogd aan het kruis en verhoogd in de prediking van het Evangelie. Zie dan op Hem. Zo zeker als zij die in de woestijn door de slangen gebeten waren, genezen werden zodra zij naar de koperen slang opzagen, zo zeker zal iedere zoon en dochter van Adam behouden worden. Wie met een geloofsblik naar de gekruisigde Zaligmaker ziet, wordt meteen en voor eeuwig behouden.
Johannes 3:16-18
KruisverwijzingenRomeinen 5:8→1 Johannes 4:9→Johannes 3:15→Johannes 11:25→Johannes 6:40→Romeinen 8:32→Johannes 3:36→1 Johannes 4:19→— Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.
Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Ieder die in Hem gelooft, gaat niet verloren, maar heeft het eeuwige leven. Deze tekst heeft duizenden zielen behouden. Het sterrenbeeld dat de Grote Beer heet, heeft twee wijzers die het oog van de waarnemer naar de poolster leiden. Dit vers wijst zo duidelijk, zo helder naar Christus, dat velen Hem erdoor gevonden hebben, en geleefd hebben.
Er was voor Christus geen noodzaak om hier te komen om ons te veroordelen, want wij waren al veroordeeld door onze zonde. Waarom kwam Jezus dan? Hij moet gekomen zijn met een boodschap van barmhartigheid, om zaligheid te brengen aan wie verloren waren. Zo is het ook: God zond Hem met dat doel, opdat Hij het eeuwige leven zou geven aan zovelen als in Hem geloven.
Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God. Er staat niet dat hij veroordeeld zál worden, hoewel dat ook waar is, maar dat hij al veroordeeld ís. Als u van Christus’ zaligheid gehoord hebt en toch niet in Hem geloofd hebt, is dat al bewijs genoeg van uw veroordeling. Er hoeft geen bewijs van uw boze werken bijgehaald te worden; er hoeft geen dagboek opgehaald te worden om het verslag van uw leven na te lezen. Als u niet in Jezus Christus geloofd hebt, bewijst dat een gebrek aan heiligheid, een gemis aan liefde tot de liefdevolle God. Door dat bewijs bent u al veroordeeld, omdat u niet geloofd hebt in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.
Johannes 3:19-21
Kruisverwijzingen1 Johannes 1:6→Psalmen 139:23→Johannes 1:4→Johannes 8:12→2 Thessalonicenzen 2:12→2 Petrus 3:3→Handelingen 24:21→Johannes 9:39→— En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.
En dit is het oordeel: dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun werken waren boos. De afkeer van Christus wordt veroorzaakt door de liefde tot de zonde. Als de mensen hun zonden niet koesterden, zouden zij de Zaligmaker omhelzen.
Wie kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan het licht komen. Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat van zijn werken openbaar wordt dat zij in God gedaan zijn. Als u niet van zelfonderzoek houdt, is dat een teken dat er iets mis is. Als u niet houdt van het lezen van hartdoorzoekende boeken, of van het luisteren naar een trouwe evangelieprediking, is ook dat een teken dat er iets mis is. Als u niet houdt van het gedeelte van Gods Woord dat u oordeelt en u doet beven, is ook dat een teken dat er iets mis is.
Een zakenman die zijn boeken niet onder ogen durft te zien, heeft daar meestal goede reden toe. Hij sluit ze, omdat zij hém zouden opsluiten als hij er acht op sloeg. Er is geen verdoemelijker teken van iemands toestand dan zijn pogen om het licht te ontwijken. Doorzoek uzelf en zie, kijk en beproef. Maak voor de eeuwigheid ernst; met wat u ook speelt, speel niet met uw ziel.
Johannes 3:22-24
KruisverwijzingenMattheüs 4:12→Mattheüs 14:3→Johannes 3:26→Markus 6:17→Johannes 4:1→Johannes 2:13→Johannes 7:3→Openbaring 1:15→— Na dezen kwam Jezus en Zijn discipelen in het land van Judea, en onthield Zich aldaar met hen, en doopte. En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt. Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.
Hierna kwam Jezus met Zijn discipelen in het land Judea, en Hij verbleef daar met hen en doopte. En ook Johannes doopte, in Enon bij Salim, omdat daar veel water was; en de mensen kwamen daar en werden gedoopt. Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. Zo was hij bezig totdat hij gevangengezet werd; hij wilde geen uur verspillen zolang hij nog de gelegenheid had om goed te doen, en deed het met heel zijn hart. Wij mogen dankbaar zijn dat Gods dienstknechten in deze tijd niet tot zwijgen gebracht worden. Moge de Heere in deze boze dagen menig Johannes de Doper doen opstaan, die getrouw van het Lam Gods getuigt!
Johannes 3:25-29
KruisverwijzingenJohannes 1:7→Johannes 1:20→Mattheüs 9:15→Johannes 2:6→Johannes 1:23→1 Korinthe 4:7→Jakobus 1:17→Hebreeën 9:13→— Er rees dan een vraag van enigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging. En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem. Johannes antwoordde en zeide: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij. Gijzelven zijt mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet; maar dat ik voor Hem heen uitgezonden ben. Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.
Er ontstond dan een geschil tussen enkele discipelen van Johannes en de Joden, over de reiniging. Is dat niet een terugval — van het lezen over het zien op Christus en het liefhebben, naar een twist over reinigingen? Er zijn in de gemeente altijd wel min of meer nutteloze twisten geweest: over de kleding van de predikant, over de manier van de sacramentsbediening, en zo meer. Ook dit was zo’n discussie over reinigingen.
Zij kwamen tot Johannes en zeiden: Rabbi, Hij Die bij u was aan de overzijde van de Jordaan, van Wie u getuigd hebt. Zie, zeiden zij, Hij doopt, en allen komen tot Hem. Zij bedoelden dat Johannes hen aan het verliezen was. Zij voelden namens Johannes een afgunst, omdat zijn invloed leek af te nemen. Johannes zelf was dit gevoel geheel vreemd; hij zag zijn Meester liever groter worden, ook al kostte hem dat zijn eigen verdwijnen.
Johannes antwoordde: een mens kan niets aannemen, tenzij het hem uit de hemel gegeven is. Geen geestelijke kracht, geen kracht om zijn medemensen tot zegen te zijn, dan wat van God komt. Zal ik dan met God twisten, omdat Hij deze man meer kracht geeft dan mij? Zal ik daarover redetwisten? Het is Gods soevereine wil, en Hij doet zoals het Hem behaagt.
U bent zelf mijn getuigen dat ik gezegd heb: ik ben de Christus niet, maar ik ben voor Hem uit gezonden. Wie de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom, die erbij staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem van de bruidegom. Zo is dan deze blijdschap van mij vervuld. Zij waren geërgerd, maar Johannes was blij; hij hoorde graag dat het Jezus voorspoedig ging. Ik heb de Bruidegom aangewezen; en van nu af zal het mijn deel zijn om geleidelijk van het toneel te verdwijnen.
Johannes 3:30
KruisverwijzingenKolossenzen 1:18→Jesaja 9:7→Psalmen 72:17→Hebreeën 3:2→1 Korinthe 3:5→Daniël 2:44→Openbaring 11:15→Mattheüs 13:31→— Hij moet wassen, maar ik minder worden.
Hij moet meer worden, ik minder. Dat gebeurde ook. Dit is het ene lied van Johannes, bijna zijn laatste woorden. Er staan geen preken van hem meer opgetekend; hij moet nu naar de gevangenis, en daar liggen in een stilte die hij nauwelijks kon verdragen. Het was heel zwaar voor Johannes om stil te zijn; hij had een actieve, edele geest, en hij werd, vrezen wij, het slachtoffer van twijfel toen hij opgesloten zat. De frisse lucht van de woestijn paste veel beter bij hem dan de doffe, zware sfeer van een gevangenis. Zoals de morgenster verbleekt wanneer de zon zelf opgaat, zo was het de vreugde van de heraut van Christus. Hij mocht zichzelf verliezen in de allesovertreffende glans van de verschijning van zijn Heere.
Johannes 3:31-34
KruisverwijzingenJohannes 8:23→Johannes 3:11→Johannes 3:17→Mattheüs 28:18→Johannes 6:33→Johannes 1:11→Romeinen 8:2→1 Johannes 4:5→— Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen. En hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan. Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is. Want Dien God gezonden heeft, Die spreekt de woorden Gods; want God geeft Hem de Geest niet met mate.
Wie van boven komt, is boven allen. Wie uit de aarde is voortgekomen, is uit de aarde en spreekt uit de aarde; Wie uit de hemel komt, is boven allen. Hoe goed een mens ook mag zijn, hij is aards; er is vlees en bloed aan hem, verwant aan de aarde. Al behandelt hij hemelse zaken, toch komt de aardsheid van de prediker steeds weer om de hoek kijken. Aan Christus was daar niets van; Hij was boven alles verheven.
En wat Hij gezien en gehoord heeft, dát getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan. Wie Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft bezegeld dat God waarachtig is. Want Hij Die God gezonden heeft, spreekt de woorden van God, want God geeft Hem de Geest niet met mate. De tijding dat alle mensen naar Christus gingen, was Johannes tot vreugde; het feit dat vrijwel niemand zijn getuigenis aannam, deed zijn hart pijn. Er ligt een oneindige geestelijke kracht in de woorden van Christus; het zijn de woorden van God, en de Heilige Geest legt al Zijn kracht in die woorden.
Johannes 3:35-36
KruisverwijzingenJohannes 3:15→Johannes 5:24→Efeze 5:6→Johannes 1:12→1 Johannes 5:10→Johannes 3:3→Johannes 5:20→1 Thessalonicenzen 5:9→— De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven. Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven. Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem. Zo zijn de laatste woorden van Johannes een donderslag. Zijn stervenswoord bevat het woord dat voor ieder die niet in Christus gelooft het meest ontzagwekkend is: de toorn van God blijft op hem.
Hij zal zelfs niet weten wat geestelijk leven is; hij zal het niet kunnen begrijpen of zich er enige voorstelling van kunnen maken. Zolang hij ongelovig is, is hij blind voor geestelijke dingen. Wat een verschrikkelijk vonnis: hij zal het leven niet zien. God is voortdurend vertoornd op hem, omdat hij zijn eigen God verworpen en de grote zaligheid afgewezen heeft.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Het Trinitatisfeest valt pas in latere tijd op de eerste zondag na Pinksteren, de voor ons liggende perikoop is nog afkomstig uit een tijd, die een feest van de Heilige Drieëenheid niet kende. Zij drukt de gedachte, waarmee de kerk in deze tweede helft van haar eigenaardig jaar intrad, zeer scherp uit en spreekt dadelijk van de wedergeboorte als de grondvoorwaarde tot het zien van het rijk van God. In de Roomse kerk worden vervolgens nog steeds tot op de Petrus en Paulus dag (29 juni) de zondagen na Pinksteren berekend. Omdat nu de oude kerk op die Zondag, die dezen dag het naast voorafging, de perikoop van Petrus’ wonderbare visvangst (Luk. 5: 1 vv. ) wilde doen lezen, zo worden bij de verdere voorgaande Zondagen evangelische afdelingen naar omstandigheden gekozen.
Het Trinitatisfeest (door Paus Johannes XXII in de eerste helft van de veertiende eeuw als Pinksteroktaaf op de Zondag na Pinksteren gesteld) viert niet, zoals alle andere en eigenlijke feesten, een bijzondere daad van God voor onze verlossing, maar heeft een dogmatische grond. De daarmee beginnende tijd van het kerkelijk jaar heeft de leiding van de Heilige Geest, de mededeling van alle genadegoederen, die de Vader ons door de Zoon gezonden heeft en die de Zoon ons door Zijn leven, lijden, sterven en opstaan heeft verworven tot haar voorwerp en wel komen eerst (Trinitatis tot derde Zondag na Trinitatis) de roeping en toebrenging, vervolgens (de zesde tot de tiende zondag), de verlichting, hierop (de elfde tot de veertiende zondag) de bekering, verder (de vijftiende tot de drieëntwintigste zondag) de heiligmaking en ten slotte (de vierentwintigste tot de zevenentwintigste zondag) de volmaking van de gehele zaligheid in ogenschouw. Reeds in de heilige doop begint Gods Geest Zijn werk aan ons en roept Hij ons tot het rijk van God, zij is in de Christelijke kerk het begin van onze roeping; het Evangelie van het feest handelt dus over de doop, als de wedergeboorte uit water en Geest.
Wij willen hier nog een bijzonder gewichtige geschiedenis meedelen uit dat oponthoud van Jezus te Jeruzalem. En er was een mens, iemand uit de Farizeeën, over wie reeds bij het voorval in Hoofdst. 2: 18 vv. hoofdzakelijk werd gehandeld (vgl. Hoofdstuk 1: 24 v. ), wiens naam a) Nikodemus was (een Griekse naam, die hetzelfde betekent als Nikolaas, volksoverwinnaar), een overste der Joden, een medelid van het Sanhedrin, de hoogste geestelijke rechtbank bij de Joden (Hoofdstuk 7: 26, 50. en “Uit 2: 4”).
Deze, bevreesd voor zijn medeleden, die een heengaan tot de Nazarener beneden hun waardigheid rekenden en, als zij ervan geweten hadden, hem zeker om zijn voornemen hadden bekritiseerd, kwam ‘s nachts tot Jezus, toen deze gedurende de dagen van het paasfeest te Jeruzalem vertoefde, maar toen steeds ‘s nachts uitging naar Bethanië (MATTHEUS. 21: 17). Hij wendde zich als iemand, die graag iets zou willen weten tot Hem, die alleen antwoord kan geven en zei tot Hem: Rabbi! wij, ik en de gelijkgezinden in de Hoge raad met mij (Hoofdstuk 12: 42; 19: 38), weten dat Gij een Leraar bent door God gezonden; want niemand kan deze zo grote en wonderbare tekenen doen, die Gij doet (Hoofdstuk 2: 23), a) als God met hem niet op bijzondere en wonderbare wijze is, om hem daardoor als Zijn gezant en profeet aan te wijzen. Gij zult mij dan ook wel kunnen zeggen welke grotere dingen dan ik reeds gedaan heb, ik nog moet doen, om het koninkrijk der hemelen in te gaan (MATTHEUS. 19: 16 vv. ).
Hand. 10: 38.
Hoe zullen wij van het gesprek met Nikodemus in het kort naar behoren spreken? Het grijpt toch zo diep in de harten en in de genaderaad van God, dat wij er ons steeds opnieuw in moeten verdiepen en toch zullen wij het niet uitputten.
Onbetwistbaar behoort het gesprek van de Heere met Nikodemus tot de diepste en gewichtigste gesprekken, die Hij op aarde met mensen heeft gehad; het handelt over de wedergeboorte en stelt die van drie zijden voor: 1) als bevreemdend en toch noodzakelijk, 2) als onbegrijpelijk en toch kenbaar, 3) als moeilijk en toch noodzakelijk.
De nieuwe geboorte: 1) wat is zij; 2) hoe ontstaat zij; 3) waarheen leidt zij.
Waardoor komen wij in het rijk van God; 1) door de geboorte van de nieuwe mens, 2) door de dood van de Mensenzoon.
Wat Nikodemus betreft, hij is tegelijk een voorbeeld en een uitzondering van wat aan het slot van het vorige hoofdstuk gezegd is; een voorbeeld, omdat de wonderen de aanleiding gaven tot zijn geloof; en een uitzondering, omdat uit de handelswijze van de Heere duidelijk blijkt dat in zijn zedelijk bewustzijn het geloof dieper wortel geschoten had dan van anderen.
In het algemeen staat Nikodemus nog op hetzelfde standpunt van half geloof, dat wij bij de velen in Hoofdst. 2: 23 vv. aantroffen, in zoverre het wonderbare van Jezus’ tekenen wel indruk heeft gemaakt, het daardoor teweeg gebrachte geloof echter nog geen zedelijke daad, nog geen geloof in de grond van het hart is. Toch moet tussen half geloof en half geloof onderscheid gemaakt worden. Het ene is, zoals Baur zegt, slechts ongeloof in de vorm van geloof en het is dat, in zo verre het zich vestigt op zijn standpunt van enkel met verwondering aanzien, waaraan de zedelijke waarde ontbreekt; het andere daarentegen is geen ongeloof, maar het begin van geloof, zodra het in zichzelf zijn rust niet heeft, maar boven zich uit probeert te komen, zoals dat juist op zo besliste wijze bij Nikodemus het geval is.
Spoedig en scherp heeft de tegenstand van de volksleiders zich al tegen Jezus gevormd: Hij is pas een korte tijd in Jeruzalem voor de eerste maal als de Gezalfde aanwezig, Hij heeft de tempel gereinigd, heeft Zich door leer en wonder betoond een Meester en Profeet in Israël te zijn. Toch is die tegenstand al zozeer gevestigd dat ieder onder de geestelijke overheden te Jeruzalem zijn betrekking in gevaar zou achten, wanneer hij in het openbaar met de goddelijke Meester betrekking had aangeknoopt.
Nikodemus is door Gods genade een waar overwinnaar geworden, die zijn eer als overste bij het volk heeft afgestaan en de eer van de Christen bij God heeft verkregen. Het was een klein, gering begin van overwinning, dat hij tot Jezus kwam met zijn naar leven zoekende ziel. Wel deed hij het bij nacht, want de mensenvrees had hij nog niet overwonnen en trad als een arm leerling voor de Galilese profeet.
De traditie bericht over hem dat hij later, nadat hij openlijk Jezus’ leer beleden had en door Petrus en Johannes gedoopt was, van zijn ambt ontzet en uit Jeruzalem verwezen, maar door zijn neef Gamaliël in een buitenverblijf tot aan zijn dood onderhouden is. Zo laat zij hem op onwaardige wijze later weer met zijn geloof zich verbergen. Ook de Talmud kent een Nikodemus, zoon van Gorion, eigenlijk Bunni genaamd, die een leerling van Jezus was en Jeruzalem’s verwoesting overleefde, wiens familie echter van rijkdom tot grote armoede kwam, zodat zijn dochter tijdens de belegering uit de stallen van de Arabische kamelen de gerstenkorrels zocht om niet te verhongeren. Afgezien van de hoge ouderdom, die Nikodemus bereikt zou moeten hebben, als dat juist was, spreekt ook tegen de waarheid van dit gehele verhaal, dat de discipelen van Christus nog vóór de belegering uit Jeruzalem naar Pella gevlucht zijn. De mededelingen van de Talmud verraden bovendien duidelijk het doel om onze Nikodemus voor te stellen als een door Gods vloek getroffen man en zijn naam te brandmerken. Men kan zeker allerlei tegen hem inbrengen. Het is tegenwoordig, nu men zonder nageschreeuwd te worden op lichte dag in een Christelijke kerk kan gaan, zeer gemakkelijk aan Nikodemus zijn mensenvrees te verwijten, die hem alleen toeliet bij nacht tot Jezus te sluipen en het is voor een Christen, die van kinds af in de goddelijke waarheid onderwezen is, geen kunst om over de leraar in Israël te lachen, die het geheim van de wedergeboorte niet in een ogenblik begrijpt. Maar wie billijk oordeelt en het goede ook in zijn aanvang weet te waarderen, die zal zeggen: mij bevalt die Nikodemus met zijn nachtelijk bezoek bij Jezus, deze meester in Israël aan de voeten van de timmermanszoon van Nazareth en wat mij in hem bevalt, dat is zijn verstandig zoekende geest, zijn oprechte leergierigheid in goddelijke zaken, die hem van het gedruis van de wereld daarheen trekt, waar hij hoopt waarheid te vinden over de heiligste vragen van de menselijke geest.
Wie weet wat een lange tweestrijd hij heeft gehad, voordat hij de voet over de drempel tot Jezus zette; want ook hij behoorde tot de leden van die sekte, die het zich eens tot roem rekende dat uit haar midden ten minste niemand in Jezus geloofde (Hoofdstuk 7: 48 v. ); hij stond dus tussen al de vijandige invloeden, die de overigen beheersten. Toch is hij gekomen, heeft hij zich over alle vooroordelen van zijn stand heengezet en is, hoewel eerst nog vol vrees, toch tot de Heere gekomen, met die heilige onrust, die uit een gevoel van inwendig gebrek ontstaat. Laat ons daarom rechtvaardig over hem zijn en heten wij de vreesachtige welkom in de kring van Jezus’ discipelen! Hij is een aanvanger in het geloof en zo een is ook de verst gevorderde Christen eens geweest. In hem is de voortgaande ontwikkeling van het Christelijk geloof en leven ons zo duidelijk voorgesteld, dat wij door hem de trappen van dit geloof in de drieëenige God kunnen beschouwen; wij treden daar 1) de voorhof van het geloof, vervolgens 2) het heilige en eindelijk 3) het allerheilige binnen.
Evenals uit de monniken van de Katholieke kerk, vooral uit de Dominikanen, de voortreffelijkste mystici zijn voortgekomen, uit de Augustijners de grote hervormer Luther, zo heeft ook de werkheilige en door letterdienst geboeide partij van de Farizeeën aan het rijk van God vooral twee grote getuigen van levendig Christelijk geloof geschonken, Paulus en Nikodemus. In de persoon van Nikodemus heeft Christus dadelijk bij Zijn eerste optreden niet alleen een Farizeeër, maar zelfs een overste der Joden, een lid van het Sanhedrin overwonnen. Het werkelijke van zijn neiging tot Christus is dadelijk gebleken, een echte kiem van geloof begint reeds zijn aanspraken en zijn vooroordelen terneer te slaan, anders kon niet de grijsaard bij de jonge man, de voorname raadsheer bij de Galilese Rabbi al vragend als leerling worden gevonden en daardoor zijn hele aanzien op het spel zetten. Wij zien ook hoe deze kiem allengs machtiger wordt, totdat die tot volkomen geloofsvrucht toeneemt, terwijl die met zijn ontwikkeling door bepaalde stadiën heengaat. Dat echter de kiem in zijn eerste vorm nog zwak is, geeft Nikodemus duidelijk te kennen, niet alleen daardoor dat hij tot Jezus in de nacht komt, waartoe hem zonder twijfel redenen van vrees dringen, maar ook door zijn woorden zelf.
Wij hebben allen genoeg hinderpalen te overwinnen, als wij in het rijk van God willen ingaan, toch is het voor de ene moeilijker dan voor de anderen. Nikodemus was een van hen, die twee zware lasten moeten dragen en gewoonlijk daaronder bezwijken. Hij was een Farizeeër en steunde dus op de eigengerechtigheid, die hij gedaan meende te hebben; kan echter iemand door zijn eigen werken rechtvaardig worden, dan kan hij zichzelf zalig maken en heeft hij geen Heiland nodig. Vervolgens zat hij in de Hoge raad en regeerde hij het volk. Veler ogen waren op hem gericht en wat hij zei, had gewicht en aanzien. Maar wee de mens, die geneigd is van zichzelf groot te denken en hij komt in de toestand, dat ook anderen hem groot achten, hem vleien en allerlei eer bewijzen! Hij moet een vast man zijn, die dan ootmoedig blijft en zich door de ijdele eer, de eer van de wereld niet laat innemen en tot een ellendige slaaf maken. Nu was Nikodemus reeds op leeftijd (vs. 4); het leven had hem ernstiger gemaakt en hij had ook wel ondervindingen opgedaan, die velerlei twijfelingen in hem opwekten, of de weg van de Farizeeën wel de juiste was. Er ging in hem iets om, dat hemzelf nog niet goed duidelijk was, een duister verlangen, een onrustig zoeken, een vragen zonder antwoord; hij hoorde Jezus en zag Zijn tekenen; toen kwam het besluit in hem tot rijpheid om tot Jezus te gaan en zich nader te laten onderrichten; met gelijkgezinde vrienden (Hoofdstuk 19: 38) schijnt hij vooraf over dat bezoek te hebben gesproken. Hier leren wij echter de man nader kennen. Eerst wachtte hij de duisternis af, opdat niemand hem zou zien; vervolgens sloop hij heimelijk door de straten van Jeruzalem en toen hij voor het huis was aangekomen, zag hij nog schuw om of ook iemand zag, dat hij, de leraar in Israël, bij Jezus om onderrichting ging. Vervolgens klopte hij aan de deur, maar zijn hart klopte veel sterker, – o, hoe ellendig oordeelt toch de mensenvrees de mens! Hij heeft een goede zaak en hij verbergt er zich mee, alsof het een misdaad was; hij wil naar God vragen en vraagt eerst de mensen, of zij het hem ook niet kwalijk nemen; hij wil zijn ziel redden, maar hij waagt niet het zonder toestemming van de mensen te doen. Nu treedt hij bij Jezus binnen; hij voelt zichzelf enigermate verlegen, dat hij op zo’n ongewone tijd komt.
“Rabbi, wij weten” – wij in het meervoud spreekt hij; “ik weet” te zeggen zou voor hem te persoonlijk zijn geweest, zo schuift hij als het ware zijn medeoversten voor zich en verbergt zich achter hen. Hij voelt nu ook spoedig zelf, dat hij met dit “wij” teveel gezegd heeft.
Daarom breekt hij van het “van God gekomen” dadelijk de punt af, doordat hij “een leraar” er bijvoegt en zo zijn eerst zo schone belijdenis tot een armzalige afkant.
Men mag deze belijdenis een vrij nietige noemen, zo ongeveer drukt zich ieder mens uit, zolang de verborgen God hem eerst van verre is verschenen; hij ziet in de eengeboren Zoon van de vader vol van genade en waarheid slechts een met hogere krachten van de geest toegeruste leraar. Terwijl hij zich ten minste niet kan onttrekken aan die belijdenis dat er een levende God is, die Zich niet onbetuigd heeft gelaten, die Zich krachtig in daden en woorden aan de wereld heeft geopenbaard, kan van zo’n aanknopingspunt uit, de Geest van God een mens nog wel in alle waarheid leiden; want zoals de stralen van de zon niet opeens, maar allengs de aardbol verlichten, zo breidt zich ook de gezichtskring van de kennis van God slechts trapsgewijze uit; stap voor stap komt de zoekende mens tot gemeenschap met de drieëenige God. In het voorportaal van het geloof in de waarachtige God bevinden zich diegenen, die vermoeden, ja, weten dat God de eerste en de laatste en de levende is; in wier vorst echter ook een onrustig, misschien zelfs smartelijk verlangen zich beweegt naar het hoogste goed en in wier ziel men het woord van de psalmist kan lezen: “Mijn ziel dorst naar God, naar de levenden God – wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen?”
Welkom, u Nikodemus-zielen, die midden in de wereld toch aan meer dan deze wereld denkt, die, hoewel nog schuchter en beschaamd, naar God en goddelijke zaken vraagt, omdat u het voelt: mijn deel is niet deze wereld, ik ben een vreemdeling op aarde, die onder het kleed van uw aards beroep, onder het schootsvel van de handwerksman of onder het kleed van de beambte, onder de huisrok van de geleerde, of onder de uniform van de krijgsman nog een oprecht mensenhart draagt, dat niet kan loochenen: “Gij hebt, o Heer, in mijn ziel het verlangen naar een hoger eeuwig leven en wat nu ook deze hele wereld biedt, de rust geeft zij niet.”
Het is zeker een goede belijdenis, maar vergelijk haar eens bij die van de blinde Bartimeüs aan de weg, in zijn roepen voor de oren van geheel het volk: “Jezus, Zoon van David, ontferm u over mij! O, hoe ver stond deze arme blinde man in geestelijke wetenschap boven deze aanzienlijke en geleerde man. U ziet dat het soms de blinde gegeven wordt om inwendig datgene te zien, waarvoor de beste zienden blind zijn. Nikodemus zag alleen op het uitwendige van de Heere, Bartimeüs zag Zijn innerlijke heerlijkheid en beleed Hem als de Heere, de Messias, de Almachtige, die blinden kan doen zien, lammen kan doen wandelen, doden kan doen leven. Ja, hoe armelijk was het van Nikodemus gezegd: “U bent als een van ons, een leraar, maar daarin toch van ons onderscheiden, dat God U buitengewoon geroepen en gezonden heeft. Maar verwonderen wij er ons niet over. Wij gaan het koninkrijk van God niet in door ons weten. Nee, de armen van geest gaan de mannen van wetenschap voor.
Hoewel hij bij nacht kwam, was hij bij Christus welkom; een les voor Zijn dienaars om goede beginselen aan te moedigen, hoe zwak zij ook zijn.
Jezus antwoordde op zijn niet bepaald uitgesproken vraag, die echter uit Zijn hele verschijning en uit de inleidende woorden, waarvan Hij zich bediende, vanzelf sprak en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: tenzij dat iemandwedergeboren wordt, hij kan het koninkrijk van God, dat nu een aanvang neemt, niet zien; hij kan niet eens zijn bestaan opmerken, omdat hij het oog mist om het waar te nemen, laat staan het deelachtig zou kunnen worden. (Luk. 17: 20 v).
Jezus is volgens het gezegde van Nikodemus meer dan een Rabbi, welke andere rabbi zou zich aanmatigen van God gekomen te zijn? Hij erkent de wonderen, die de Heere deed, als bovenmenselijke daden, alleen voor goddelijke kracht mogelijk. Dit was het oordeel van de meer aanzienlijke schriftgeleerde onder de Joden en hetzelfde oordeel werd ook bij het gewone volk gevonden (Joh. 9: 31 vv. ), welks natuurlijk gevoel dikwijls het juiste oordeelt. Hij stond dus in de voorhof van de bekering. Dat de wonderen hem op Jezus opmerkzaam maakten, hem opwekten om nadere omgang met Jezus te zoeken, dat was voorbereidende genade. Hij volgde die weg, terwijl er anders zo velen zijn die in het voorhof van het Christendom blijven staan, die wel enig gevoel hebben van de Geest van Christus en een behoefte in zich voelen, maar toch verzuimen in het inwendige heiligdom te gaan. De vraag, die werkelijk of stilzwijgend tot Jezus gericht was en die aangevuld moet worden, is deze: daarom zeg mij, is de hoop van ons volk op de Messias gegrond? Komt Hij snel? Komt snel de betere tijd, het rijk van God en gelooft Gij, dat er dan weinigen zalig worden Luk. 13: 22 vv. ). Dat Jezus de Messias, de Christus is, zegt Nikodemus niet. Is Hij echter een Leraar van God gekomen, is Hij daartoe niet geroepen op de gewone menselijke wijze, maar is Hij met een onmiddellijke opdracht en met volmacht van God voorzien, dan moet Hij ten minste voldoende mededelingen kunnen geven over de toekomst van de Messias, over de aard van Zijn rijk en de toegang daartoe en deze verwacht Nikodemus van Hem.
Jezus begint Zijn antwoord met een bevestiging, welke alleen een goddelijke gezant toekomt, maar in de mond van een menselijken leraar of filosoof aanmatigend zou klinken. Wat Hij daarop antwoordt, is niet wat de nieuwsgierigheid zou kunnen bevredigen, wat er van het Messiasrijk zou worden, maar wat Nikodemus en ieder had te doen. Hoe velen in onze tijd branden van nieuwsgierigheid om de uitslag van al ons twisten te weten, in plaats van te leren wat zij moeten doen om bewaard te blijven voor de ondergang. Whitefield, de tweede voorname stichter van de Methodisten-vereniging in Engeland, geboren in 1714, schreef aan zijn vriend Franklin: “Ik verneem, dat u steeds beroemder en beroemder in de wereld wordt. Omdat u grote stappen gedaan heeft in de mysteriën van de elektriciteit, zou ik aan uw ernstig streven en onderzoeken, vrij van vooroordeel, wel het mysterie van de nieuwe geboorte ootmoedig willen aanbevelen. Het is een zeer belangrijke, interessante studie en zal, wanneer u die juist plaats laat hebben, u voor al uw arbeid schadeloos stellen en belonen. Hij, voor wiens rechterstoel wij snel zullen moeten verschijnen, heeft plechtig verklaard dat wij zonder die in het koninkrijk der hemelen niet zullen ingaan.
Waarom begint Jezus juist met de wedergeboorte? Ten eerste daarom, omdat de tegenstelling tegen Nikodemus mening daartoe leidde; want de Farizeeër kent slechts een gedeeltelijk toegeëigende heiligheid, waarbij de mens de eerste rol moet spelen, God daarentegen in de hoofdzaak moet toezien en belonen. Nu wordt tot hem gezegd: het is niet genoeg, met zoals gij meent, enige nieuwe levensvruchten, maar er moeten nieuwe levenswortels zijn, geen zedelijke verbetering maar een nieuwe bouw van de grond af, geen ontvangen en opvolgen van enkele voorschriften, maar een nieuwe levenssfeer. (Luther. Ik breng u geen nieuwe leer, maar nieuwe mensen wil ik zien; mijn leer is niet van doen en laten, maar van worden, zodat niet een nieuw werk verricht is, maar men nieuw geworden is, niet anders geleefd wordt, maar anders geboren is). Maar in de tweede plaats ook daarom, omdat de leer van de ellende van de mensen en de daarop berustende noodzakelijkheid van wedergeboorte de grond vormt voor alle andere leringen, die Christus, als de van God gekomen leraar, had mee te delen; pas wanneer door deze leer de behoefte aan verlossing is opgewekt, is de vatbaarheid aanwezig voor de leer van Christus’ Godheid, van Zijn verzoening en van de betekenis van het geloof. Daarop wijst de Heere zelf, als Hij in vs. 12 de aardse dingen voorstelt als toegankelijker dan de hemelse. De kennis van de verdorvenheid van onze natuur, zegt Quesnel en de noodzakelijkheid om vernieuwd te worden door Jezus Christus, zijn de eerste elementen van de Christelijke godsdienst. De sterke verzekering: “Voorwaar, voorwaar zeg Ik u” veronderstelt het niet kennen van de grote waarheid en het verzet tegen het aannemen van haar, zoals dat uit de woorden van Nikodemus zelf blijkt en geheel doorzien werd door Hem, die wist wat in de mens was; voor Hem was dat ogenblik werkelijk tragisch, er bleef niets van hem over. De Jood, die als zodanig reeds meende, een aandeel te hebben aan het rijk van God, de Farizeeër, de afgezonderde, wiens aard daarin lag, dat hij zich voor beter hield dan andere mensen, het medelid van de hoge raad, de roep van een bijzonder deugdzame man, het ijverig streven om zo een te zijn, alles scheen plotseling tot een hoopje as te verbranden; hij moet opnieuw geboren worden, het is zo goed alsof hij nog in het geheel niet geboren was.
Het is een oude strijd of het Griekse anwyen hier “wederom” (vgl. Luk. 1: 3. Gal. 4: 9 “van voren aan” Hand. 26: 5 “van overlang”), of “van boven” betekent. De nieuwere uitleggers beslissen meestal voor het laatste; het woord komt ook in vs. 31 , Hoofdst. 19: 11 en 23 in deze betekenis voor, zoals dan ook het “uit God geboren worden” een bij Johannes gewoon begrip en een veelvuldig voorkomende uitdrukking is. Als men nu echter beweert dat Johannes alleen dit begrip en niet ook de wedergeboorte kent, dan is dat een verkeerde bewering, omdat in vs. 4 en 6 zowel wat de zaak als de uitdrukking aangaat, van een nieuwe geboorte sprake is, die uit de geest geschiedt. Wij zien dan ook Nikodemus zich geheel in de kring van de gedachte van een tweede geboorte bewegen. En inderdaad, terwijl Jezus, als Hij met het begrip en het woord van een geboorte van boven begonnen was, het geheel dadelijk voor de man onverstaanbaar zou gemaakt hebben, kon de nieuwe geboorte voor deze niet zo geheel vreemd zijn; hij behoefde slechts aan de besnijdenis van het hart in Deut. 30: 6. Jer. 4: 4 en aan de belofte van een nieuw hart en een nieuwe geest in Ezech. 11: 19 vv. ; 36: 26 vv. te denken. Daarom zullen wij wel tot de oudere gewone opvatting, volgens welke het woord zoveel is als “van voren af” of “wederom” Hand. 26: 4. Gal. 4: 9) moeten terugkeren.
Het bereid zijn van de Farizeeën voor het koninkrijk der hemelen bestond uit enkel stukwerk van bijzondere oefeningen, uit verrichtingen naast elkaar en op elkaar opeengehoopt. De Heere verlangt echter een mens, nieuw van de wortel af, niet enkele nieuwe vormen van het oude, maar een nieuw schepsel. “Van voren aan” en dat betekent bij iemand, die reeds eens geboren is, nogmaals of opnieuw moet de mens geboren, eigenlijk verwekt worden, zal hij voor het koninkrijk der hemelen bekwaam zijn. Een geheel nieuw levensbegin is nodig en wel zo’n levensbegin, dat niet in zijn eigen hand is, zelf te maken; zoals men wel eens hoort zeggen dat iemand een nieuw leven wil beginnen, wanneer hij het besluit neemt om tot hiertoe gepleegde verkeerdheden af te leggen; maar een begin, dat hem gegeven moet worden, dat aan hem moet plaats hebben, waarbij hij zich lijdelijk gedraagt, even ls het kind dat in de moederschoot wordt geteeld.
Geen sterker uitdrukking kon gekozen zijn, om een grote en opmerkelijke verandering van toestand en karakter te kennen te geven. Wij moeten geheel verschillen van hetgeen wij tevoren waren, zoals dat hetgeen te eniger tijd begint, niet hetzelfde kan zijn als hetgeen vroeger bestond.
Wij moeten van boven geboren worden. Deze nieuwe geboorte heeft haar oorsprong van boven en streeft naar de hemel; het is geboren zijn tot een goddelijk en hemels leven.
Het is ene grote verandering, gemaakt in het hart van de zondaar door de kracht van de Heilige Geest. Het bedoelt dat iets in ons en voor ons moet gedaan worden, dat wij niet voor onszelf kunnen doen. Zoals wij bij onze eerste geboorte zijn geboren om te sterven, zo zijn wij bij onze tweede geboorte geboren om voor altijd te leven.
De Heere stelt zijn dubbel “voorwaar” tegenover het “wij weten” om de aanzienlijke man op eenmaal een schok toe te brengen, die hem van zijn minderheid moest overtuigen en doen voelen hoe weinig Hij nog wist van de aard van het Godsrijk, terwijl hij meende daarvan meer te kennen dan anderen.
Nikodemus begreep het woord van de Heere, alsof het mensenleven fysisch of in natuurlijke zin van voren aan beginnen moest, als er iets voor het koninkrijk van God voor hem te hopen was. Hij zei tot Hem, met zekere weemoed op zichzelf ziend, omdat hem nu alle hoop op het deelgenootschap door die voorwaarde werd afgesneden: Hoe kan een mens, die graag in het Godsrijk zou ingaan, zo’n voorwaarde vervullen en tot verkrijging van een eerste levensbegin geboren worden, nu oud zijnde en dus van dat eerste levensbegin reeds zo ver verwijderd? Kan hij ook andermaal in zijn moeders buik ingaan en geboren worden? Die rede schijnt mij toe iets onmogelijks te eisen. Spreek Uw mening duidelijk uit, of ik zal geheel terneer geslagen vanU moeten gaan.
Nikodemus’ mening is: hoe kan dit “opnieuw geboren worden” plaats vinden, anders dan door een tweede lichamelijke geboorte? Hij vat de wedergeboorte terecht op van een nieuw begin van het persoonlijke leven. Het inwendige persoonlijke leven is hem zo nauw met het natuurlijke leven verbonden en afhankelijk daarvan, dat hij een werkelijk begin van het eerste zonder een nieuw werkelijk begin van het tweede niet kan denken; hij noemt dus niet, zoals men wel gewild heeft, het tweede komen uit de moederschoot als een en hetzelfde met het “opnieuw geboren worden” van Jezus, maar als noodzakelijke veronderstelling, in en waarmee alleen het nieuwe persoonlijke levensbegin door hem gedacht kan worden.
Nikodemus onderwerpt zich aan het woord van de Heere; hij wil het Godsrijk ingaan en weet dat hij nog niet wedergeboren is. Hij heeft geheel terecht de eis van de Heere op zichzelf toegepast. Maar hoe is het mogelijk dat hij, die oude mens, een nieuw mens wordt? Een oud mens is geen zacht, kneedbaar was meer; hij is strak en stijf, vast en afgesloten, hij heeft zijn gevestigd karakter; hij kan nog wel hier en daar iets veranderen en plooien, het lukt ook nog wel de ene of andere verkeerdheid af te leggen, maar een vernieuwing van de grond af, hoe zou die mogelijk zijn? Het inwendige zedelijke leven heeft een natuurlijke grond. Zal de eerste nieuw worden, dan moet ook deze, waarop het rust, vernieuwd worden, hoe zal dat plaats hebben? De fysische natuur, de grond van ons bestaan is eenmaal door de geboorte aanwezig, heeft zich ook door het volgende leven gevormd en gevestigd; de wedergeboorte komt dus voor als een volstrekte onmogelijkheid.
Nikodemus geeft het antwoord, dat overal diegene zal geven die een lang leven in het element van het natuurlijke heeft geleid, ook onder de verschillende invloeden van de genade, wanneer de eis tot vernieuwing van het leven het eerst tot hem komt. Een oud mens is, wat hij is, in zijn geheel en in het groot; hij treedt tegen zodanige eisen op met het bewustzijn: “dat ben ik” en zij komen hem niet veel anders voor, dan als men aan een boom van het bos de eis wilde stellen een vruchtboom te worden. Hij kan in sommige opzichten wel met inspanning van alle krachten en onder de bijstand van God en diens Geest aan zich verbeteren en veranderen, maar “geboren worden”, een geheel nieuwe levenssfeer intreden, dat is volgens zijn mening onmogelijk. Daartoe zou hij zijn aanzijn geheel van voren moeten beginnen, als een ander mens uit de moederschoot ter wereld komen, omdat het meeste van hetgeen zich later ontwikkeld en geconsolideerd heeft op de grond van datgene rust, dat men al mee ter wereld bracht en omdat dit, zoals van zelf spreekt, onmogelijk is, zweeft de eis van de wedergeboorte in de lucht en die ze gesteld heeft zal ze moeten terugnemen.
Jezus herhaalde Zijn vroeger woord, wat de hoofdzaak aangaat en bepaalde het woord, dat Nikodemus verkeerd begreep, door een andere uitdrukking. Hij antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, a) als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het koninkrijk van God niet ingaan.
Tit. 3: 5.
De woorden “uit water en Geest” zijn de verklaring van het “wederom”. De waterdoop die door Johannes de Doper ingevoerd was, had een algemene en diepe indruk gemaakt; vooral de Farizeeën had hij geërgerd (Joh. 1: 24). Daarom was de doop het eerste denkbeeld, dat zich aan de geest van Nicodemus moest voordoen, inzonderheid omdat deze plechtigheid toen in de vorm van een gehele of geestelijke indompeling plaats had en de uitdrukking uit water geboren worden zeer natuurlijk op deze handelwijze doelde. Op hetzelfde ogenblik dat Jezus sprak, kwam Hij in zeker opzicht zelf uit het water, omdat Hij in het water de geestesdoop ontvangen had. Al de leerlingen hadden de geestesdoop ondergaan. De waterdoop wordt bovendien in ons Evangelie uitdrukkelijk vermeld en tegenover de geestesdoop gesteld (1: 31, 33). Onder zulke omstandigheden zijn wij verplicht het woord water in zijn natuurlijke betekenis te nemen en het op de doop toe te passen. Op deze wijze wordt daarenboven de ontkennende en bijna dreigende vorm verklaard: “indien iemand niet. . . . “, die op de weigering van de meerderheid van de Farizeeën schijnt te zinspelen om zich aan de Johanneïsche doop te onderwerpen (Luk. 7: 30). Maar de Farizeeën en de leraars van de wet hebben de raad van God wat hen betreft verijdeld, omdat zij zich door hem (Johannes) niet lieten dopen. De verzekering, die Jezus aan Nicodemus gaf, behelsde zo een opmerking om zijn partij hierin niet na te volgen en het koninkrijk van God door de deur in te gaan, die God zelf geopend had, de doop van Johannes of die van Jezus.
De nieuwe geboorte, Nicodemus, is geen vleselijke, zij moet uit de Heilige Geest gebeuren; en daarvoor zou het goed zijn wanneer de Farizeeër de doop met water niet verachtte, zoals u zo lang gedaan hebt, want door de doop wil de Heilige Geest aan u verrichten wat u zo vreemd voorkomt. Ga in de schoot van uw moeder, ga in het bad van de doop; daar zult u gewaar worden wat de nieuwe geboorte is.
Uitdrukkelijk noemt Johannes zijn doop een doop met water en even bepaald spreekt hij uit: die na mij komt zal met de Heilige Geest dopen. Aan deze beide moet men dus denken: aan de doop met water als het middel tot afwassing van de oude onreinheid, als de doop van de bekering tot vergeving van de zonde en aan de beloofde Geestesdoop als het middel van de nieuwe levendmaking, de voorspelde schepping van een nieuwe Geest en een nieuw hart, beide verenigd in Ezechiël. 36: 25-27 Daarom kon Jezus verwachten nu door Nicodemus te worden begrepen. De middelen om te begrijpen lagen deze voor de hand, deels in het laatst voorgevallene sinds het optreden van de Doper, deels in de belofte, waarop de Doper had gewezen. Kwam bij de waterdoop van Johannes de doop met de Geest, die van Jezus uitging (Hoofdstuk 7: 38. Hand. 2: 33), dan had de nieuwe geboorte plaats gehad, de voorwaarde van vs. 3 was vervuld.
Het water bezit in zichzelf geen kracht, het komt alleen voor als symbool van het alleen werkzame middel van de vergeving, van het bloed van de verzoening; daarom stelt ook Johannes in 1 Joh. 5: 6 het water, het bloed en de Heilige Geest voor in verband met elkaar, als samenwerkend tot hetzelfde werk van de zaligheid: het bloed verzoent, de Geest werkt de wedergeboorte, het water is het teken van het bloed en het onderpand van de Heilige Geest (Hand. 2: 38). Die dus de waterdoop met de verlangde gezindheid ontvangt, wordt het bloed van de verzoening en de Messiaanse genade tot vergeving deelachtig; de verdoemenis is van hem genomen en hij bevindt zich tegenover God weer in de verhouding van een mens, die niet gezondigd heeft. Van dit ogenblik af mag hij verwachten de gave van de Heilige Geest te ontvangen, hetgeen tot nu toe alleen door zijn staat van veroordeling verhinderd werd. In dit opzicht is de doop van Johannes aan de Christelijke doop gelijk. Tussen beide plechtigheden bestaat slechts het onderscheid, dat de eerste plaats had met het oog op het bloed, dat gestort zou worden en de tweede op de volbrachte offerande berust.
Tot de wedergeboorte is tweeërlei doop nodig: de doop van Johannes met water en de doop van Jezus met de Heilige Geest. Alles heeft een uitwendige en een inwendige zijde, ook de wedergeboorte en die het uitwendige heeft gemaakt, heeft ook het inwendige gemaakt. Beide behoren volstrekt tot elkaar. De doop met water is de uitwendige, de menselijke zijde. De ene mens bedient hem aan de andere en het middel, het water, is genomen uit de natuur; deze doop is een afwassing van het lichaam en een belijdenis, dat men van alle openbare werken van de ongerechtigheid afstand doet en zich er voortaan van onthouden zal; en de doop van de Heilige Geest is onmiddellijk uit God en wordt alleen door Christus als de Heer der heerlijkheid toegediend. Deze doop is de innerlijke, de goddelijke zijde van de wedergeboorte, want hij reinigt het hart van dode werken en plant een nieuw levensbeginsel in het oude hart. Op deze zelfde wijze moest ook in Israël bij de uitwendige besnijdenis de innerlijke besnijdenis van het hart komen, zou het Israël zijn. U ziet hieruit hoe zij dwalen die menen, dat de waterdoop niet meer hoeft te worden toegediend. Goddelijke instellingen, ook van uitwendige aard, kunnen niet weggeredeneerd worden. God alleen kan ze opheffen, zoals Hij de besnijdenis en de paschaviering ophief, in de doop en het avondmaal. Daarom werden de gelovigen in Cornelius huis, ofschoon reeds met de Heilige Geest gedoopt, nochtans ook met water gedoopt. De Heere zei dus tot Nikodemus: De zending van Johannes is even noodzakelijk als de Mijne. U moet door hem en door Mij gedoopt worden; zo niet, u kunt, ofschoon een geboren Israëliet, geen deelgenoot van Mijn eeuwig koninkrijk zijn. U ziet, de orde van het heil is door God zo heerlijk ingericht dat wij er ons met aanbidding over moeten verwonderen. God begint bij de mens, Hij roept de zondaar tot boetvaardigheid, tot verootmoediging, als de enige betamelijke houding om de vergeving van zonden te ontvangen. Daarom is de bekering van de mensen geen voorwaarde, geen recht geven op vergeving van zonden door God, zoals sommigen leren en daarmee de vrije genade teniet doen; maar de voorbereiding tot de vergeving van zonden, even als Johannes de Doper zelf de voorbereiding was van Jezus de Heer. God geeft Zijn hoogste gunsten aan de mens om niet, maar in de geordende weg; Hij heft de zondaar tot Zich op, maar in de weg van de verootmoediging; Hij vergeeft zijn schuld, maar in de weg van schuldbelijdenis; Hij doet hem Zijn heil aanschouwen, maar in de weg van geloof. Boetvaardigheid voegt hem, die om genade pleit. Nochtans, ook de doop van Johannes is niet uit de mensen, maar uit God. Niet de mens komt uit zichzelf tot verootmoediging, schuldbelijdenis en boetvaardigheid, maar God roept hem ertoe; God spreekt door de Heilige Geest tot het geweten van de mens en wee de mens die zijn geweten toeschroeit en daarmee de Heilige Geest tegenstreeft; hij kan onmogelijk de doop van de Heilige Geest ontvangen. Aan wie het berouw niet voorafgaat, kan de vergeving niet volgen. U ziet, wij komen altijd weer tot de bevestiging van de waarheid van het woord van de Heere. Johannes de Doper behoort tot Mij; wie Hem verwerpt, verwerpt Mij, wie hem aanneemt, die moet ook Mij aannemen, want voorwaar, voorwaar zeg Ik u, als iemand niet geboren word uit water en Geest, hij kan in het koninkrijk van God niet ingaan.
Waar deze nieuwe geboorte is, daar zijn nieuwe begeerten, nieuwe versterkingen, nieuwe vergenoegingen. Eertijds heeft u zich met de verloren zoon wel laten vergenoegen met draf; maar nu is er niets, dat u kan vermaken dan het huis en de maaltijden van de vader. Eertijds heeft u niets dan aardse dingen bedacht; maar nu zijn uw begeerten naar Gods gunst, naar het licht van Zijn aangezicht, naar Zijn gezelschap en genieting; en dit is een goed teken. Davids hart en vlees en alles wat hij had, verlangde naar God: “Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven van de Heere; mijn hart en vlees roepen uit tot de levende God (Ps. 84: 3). De mensen, die echt zijn wedergeboren, achten het voor zo grote gelukzaligheid niet dat zij rijkdom, grootheid en eer in de wereld genieten, als dat zij het licht van Gods gunst op zich hebben schijnen. O mijn ziel, als u de heerlijkheid van de wereld ziet en neervalt om te dienen; zo u zegt op het vermeerderen van het wereldse goed: het is goed dat wij hier zijn, vrees dan voor uzelf; maar als deze dingen, met Christus vergeleken, ijdel en licht zijn en van geringe en kleine waarde, heb dan goede moed en houd u verzekerd, dat u wedergeboren bent en dat Christus in u een gestalte heeft. Waar deze nieuwe geboorte is, daar zijn nieuwe woorden, nieuwe werken, nieuwe genegenheden en een nieuwe wandel! “Het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden” (2 Kor. 5: 17). Paulus was eens een vervolger, maar nu is het: “Zie, hij bidt. ” (Hand. 9: 11). “En dit waren sommigen van u; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd in de naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God” (1 Kor. 6: 11). Zoals de mens is, zo is hij gezind, zo spreekt hij en zo leeft hij! Indien uw leven geestelijk is, dan zijn ook zodanig uw genegenheden, uw woorden en uw wandel. Paulus leefde eens als een bloedige vervolger, hij blies bedreigingen tegen alle belijders van de Heere Jezus uit, maar daarna was hij geheel anders: “Hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij lief gehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft” (Gal. 2: 20). O, mijn ziel, houd u nog uw oude wandel, uw oude genegenheden, uw oude taal, uw oude hartstochten, die u pleegt te hebben? Hoe kan dat! Is uw hart een spelonk van allerlei lusten, een hol van onreine inbeeldingen, vrees dan voor uzelf; uit een zoete fontein kunnen geen bittere waters voortkomen, een gezuiverde geest, voor zoveel als die gezuiverd is, kan geen verdorven werkingen of inbeeldingen voortbrengen. “De distels kunnen geen druiven voortbrengen”, zegt Christus en zo zeggen wij ook dat geen wijnstok distels kan voortbrengen. Ik weet dat in de besten zowel nog vlees als geest is; maar als u wedergeboren bent, dan kunt u niet anders als daartegen strijden en zult u arbeiden om het te overwinnen. Waar een nieuwe geboorte is, daar is een nieuwe natuur, een nieuw beginsel. Petrus noemt het “de verborgen mens van het hart, de goddelijke natuur. ” (1 Petrus . 3: 4. 2 Petrus . 1: 4). Paulus noemt het “de inwendige mens, een nieuw schepsel” (Rom. 7: 22), die wordt vergeleken met een wortel, met een fontein, met een grondslag (2 Kor. 5: 7); en bij gebrek aan deze grondslag zien wij in deze bedroefde tijden nu zoveel omstandigheden en onvastigheden in sommigen, die deze belijden. Velen hebben verkregen nieuwe en vreemde kennis, maar zij hebben geen nieuwe natuur en geen nieuwe beginselen van genade. Indien de genade in hun harten geworteld was, hoewel de winden zouden blazen en de stormen opstaan, zouden zij nochtans vast en bestendig blijven, als op een rots gegrondvest. Spreek mij van geen belijdenis, uitwendige schijn en werk, uitwendige wandel en uitwendige plichten van de godsdienst; want deze alle kunnen wel zijn zonder nochtans een nieuw schepsel te zijn. U heeft sommige redeloze beesten, die enige werken kunnen doen zoals mensen; maar als zij geen menselijke natuur hebben, blijven zij evenwel altijd beesten; zo kunnen ook vele dingen gedaan worden in het stuk van heiligheid, die nochtans niet voortkomen van dit inwendig beginsel van vernedering en daarom is het maar koper en geen goud. Zie toch toe, o mijn ziel, dat u niet mistast in deze zaak, die uw eerste en zekerste bewijs is. Hoewel ik de wedergeboorte een nieuw schepsel noem, is nochtans mijn mening niet, alsof er een nieuwe hoedanigheid in de wedergeboren mens ingestort zou zijn. Een wedergeboren mens heeft niet meer krachten in zijn ziel dan hij had vóór zijn wedergeboorte; alleen in het werk van de wedergeboorte worden deze vermogens, die de mens van te voren had, omgelegd en geestelijk gemaakt; en zo werken deze nu op een geestelijke wijze, die te voren op een natuurlijke wijze gewrocht hebben. Hierom is het dat een wedergeboren mens overal in de Schriftuur gezegd wordt, te “wandelen naar de Geest” (Rom. 8: 1); “door de Geest geleid te worden; door de Geest te wandelen” (Gal. 5: 18, 25). De Geest (door instorting of uitgieting) geeft kracht en vermogen. Het zaad, het beginsel van het geestelijke leven, dat de ziel eerst niet had; en van dit beginsel van het geestelijke leven in de ziel geplant, vloeien of komen vooral deze geestelijke bewegingen en werktuigen (zoals de Geest deze uitlegt) naar de gedaante of het beginsel van de goddelijke natuur van het geestelijke ingestorte leven. Kom dan, o mijn ziel en zie wat uw inwendig beginsel is. Let niet zozeer op de uitwendige werken, op de uitwendige plichten van de godsdienst, als op de wortel, waaruit deze voortkomen, op het beginsel, waaruit deze ontstaan.
Van een lichamelijk geboren worden is dus volstrekt geen sprake. Dat zou ook tot niets dienen, maar alleen de oude erfzonde van de menselijke natuur opnieuw openbaren. Hetgeen uit het vlees geboren is, uit een moeder, die tot de gevallen mensheid behoort en de vrucht van het lichaam ontvangt van een man van dezelfde aard, dat is van het eerste ogenblik van zijn ontstaan vlees. Het is vleselijk onder de zonde verkocht (Rom. 7: 14) en kan door eigen kracht nooit uit die noodlottige kring komen. En evenals nu deze waarheid de volstrekte noodzakelijkheid van een nieuwe geboorte bewijst, zo wijst zij ook aan op welk gebied die moet plaats hebben. Hetgeen uit de Geest geboren is, dat is Geest, van geestelijken aard en karakter (Gal. 6: 1). Het kan geestelijke zaken vernemen en geestelijke zaken in zich opnemen en verbreiden (1 Kor. 2: 14v. Efeze. 1: 3. 1 Petrus . 2: 5), zodat dus de moederschoot, waarop u doelt (vs. 4) geheel buiten aanmerking blijft, omdat hier van een geheel andere verwekking of geboorte sprake is (Jak. 1: 17 v).
De Heere leidt het natuurlijk verderf van de mens van de natuurlijke geboorte af en beweert dat deze daarmee samen gaat. Met het woord “vlees” is echter niet alleen de materiële menselijke natuur bedoeld, als zetel van de bedorven zinnelijke driften, omdat toch Nikodemus als vertegenwoordiger van het Farizeïsme optreedt, dat in tegenstelling tegen het Sadduceïsme het naar zinnelijke lusten, maar naar gerechtigheid in goede werken trachtte, die wettelijk proberen dus eveneens mee onder vlees moet begrepen zijn. Zo noemt ook Paulus in Rom. 4: 1 vv. het gerechtvaardigd zijn door de werken een vinden van gerechtigheid naar het vlees. “Vlees” betekent dus niet slechts de zinnelijke menselijke natuur maar de menselijke natuur in het algemeen naar haar geestelijk-zinnelijke toestand, dus de bedorven geestelijk-zinnelijke menselijke natuur. Daarom worden in Gal. 5: 19 vv. als werken van het vlees evenzeer de zonden van zelfzucht als de zonden van zinnelijkheid genoemd; zelfs wordt in Kol. 2: 18 de opgeblazen gezindheid van een overgeestelijke asceet, die juist de vernietiging van de zinnelijkheid bedoelt, als vleselijke gezindheid voorgesteld. Is nu de oude mens, of de mens zoals hij van nature is, vóór de wedergeboorte door de Geest een vleselijk mens, dan is daardoor uitgesproken dat hij van nature verdorven is naar lichaam, ziel en geest.
Van Christus, naar Zijn drievoudig menselijk wezen, gaan werkingen uit, die de mens in een gemeenschap brengen met Christus, die voor zijn eigen geest, zijn eigen ziel, zijn eigen lichaam tot verandering zijn. Het werk van de genade zet zich dus daardoor voort, dat wij 1) van de Geest van Christus ontvangen, die, nadat deze in de opstanding alle grenzen heeft doorgebroken, met de Heilige Geest tot één is geworden, zodat alle mededeling van de Geest, zoals die op het Pinksterfeest bewijst, sinds Christus’ verhoging door de Geest van de Mensenzoon is veroorzaakt. Deze mededeling van de Geest maakt het verstorven beeld van God in onze geest weer levend en houdt het in leven; zij hergeeft daardoor aan onze geest zijn waarachtig wezen, zodat de mens, die niet opgehouden heeft op natuurlijke wijze geest te bezitten, pas nu weer eigenlijk begint geest te hebben (Judas 1: 19) en geestelijk of geest te zijn. Wij ontvangen 2) van Christus ziel, want wij ontvangen van Christus bloed; het bloed nu is de ziel, d. i. ziel en bloed zijn in elkaar (Lev. 17: 11 vv. ); het is het bloed, waarin en waarmee Hij Zijn ziel voor ons heeft uitgestort (Jes. 53: 12), niet het op de aarde gevloeide bloed van de stervende, maar dat Hem de verhoogde gebleven is, het bloed, dat de toorn heeft gestild en nu geheel door de goddelijke liefde in haar gehele volkomen heerlijkheid is doorgedrongen. Dit godmenselijk bloed van de Verzoener wordt de tinctuur van onze ziel, voor wie heerlijkheid tot wanorde is geworden; “de zeven snaren” van de ziel zijn ontstemd; die ze ontstemd heeft, is de geest van de wereld, die in haar drong en door deze de geest van de duisternis; wanneer de geest van het licht de zeven snaren niet weer in orde brengt, zal haar wangeluid en geknars noch in deze noch in gindse wereld ophouden en hoewel het deze verwarring aan deze zijde van het graf niet opheft, heft het toch haar verdoemelijkheid op en verzacht door de macht van de liefde en de vrede, die het in zich heeft, de wilde woeste strijd van de krachten, zodat de ziel door dit bloed en de in de Geest van Christus weer van God geworden geest haar heerlijkheid als naar Gods beeld terugontvangt, wel niet in middaglicht, maar toch als in morgenschemering en morgenrood. Bij de werkelijke betrekking, die tussen ziel en lichaam bestaat, komt dit ook ten goede van het lichaam. Wij ontvangen bovendien ook 3) van Christus vlees, dat, omdat het door hemelse werking in Maria ontstaan is en door de levendmakende Geest doordrongen (Hoofdstuk 6: 63) is, geestelijk is en tot geestelijk nut kan worden meegedeeld. Dit vlees, door Hemzelf hemels levensbrood en onsterfelijk makend manna genoemd, komt in ons, zonder zich met ons zondig materieel, zinnelijk vlees te vermengen. Het wordt echter ten opzichte van dit ons adamitisch vlees voor ons tot een kracht van genadige vertroosting en van overwinning, tot een borg van leven midden in de dood, tot een tinctuur van onsterfelijkheid, die ondanks het vergankelijke het wezen van ons vlees vasthoudt om eens in de opstanding ook de verheerlijking daarvan te bewerken.
Zoals er in de mensheid twee hoofden zijn: Adam, wiens zonde en dood over allen uitgaat en Christus, de tweede Adam, wiens gerechtigheid en leven allen toevloeit, die willen geloven, zo staat in de wereld niet slechts een werkzaam principe, maar twee werkende krachten treden op – vlees en geest.
In beide delen van de zin is in plaats van het mannelijk: “die geboren is” het neutrum “wat geboren is” gezet, om de natuur van het geborene, afgezien van de persoon in het bijzonder, aan te wijzen en zo de algemeenheid van de wet uitdrukkelijker voor te stellen.
Evenals de lichamelijke geboorte de mens niet aan het einde, maar aan het begin van het tijdelijk leven en worden plaatst, zo wordt ook met de naam “wedergeboorte” niet de hoogste menselijke volmaking daargesteld, die in het rijk van God mogelijk is, maar alleen de ingang en aanvang, vanwaar de weg tot het doel van de volmaking openstaat. De wedergeboorte is een tedere kiem, die bloesem en vrucht voorspelt, een vonk, die tot een vlam kan worden, een bron, die tot een stroom kan aangroeien, een nieuw goddelijk leven, dat de almachtige en alwijze God aan de wetten van een voortgaande van binnen naar buiten strevende groei heeft onderworpen. Echt een uitdrukking, die zijn Meester waard is, maar die ook God en engel tot bewaking bij iedere nieuwe wedergeboorte roept; want wat kan de Satan aan een zo teder begin niet verderven, als Gods ogen niet openstaan en de vlammende zwaarden van de engelen de booswicht niet afhouden! God zij allen wedergeborenen kinderen van God genadig en onderhoudt bij hen hun geestelijk leven, zoveel temeer als wij horen dat onze oude geboorte, onze eigen vlijt en ijver geen genade bij God vindt, maar volstrekt alles van de wedergeboorte en haar groei afhangt.
Naardien Ik u nu Mijn gezegde nader verklaard heb, kan uw gedachte niet meer op iets verkeerds gevestigd zijn. Maar nu, verwonder u niet, dat Ik u in Mijn eerste antwoord (vs. 3) gezegd heb: U moet wederom geboren worden en wees niet bezorgd dat voor het ingaan in het koninkrijk van God een voorwaarde gesteld zou zijn, die andere mensen dadelijk buitensloot.
Hiermee moet Nikodemus tevreden zijn, dat de werking van de Geest een feit is, dat ervaren wordt en dat ook hij aan zich kan en moet ervaren.
Dat Jezus de nieuwe geboorte, die Hij voor alle mensen noodzakelijk keurt, voor Zichzelf onnodig acht, blijkt uit het gezegde: “U moet wederom geboren worden. ” Wel kon Jezus geestelijk toenemen (Luk. 2: 40, 52); maar aan de wedergeboorte bestond bij Hem geen behoefte. De gave van de Heilige Geest was geen wedergeboorte, maar de voltooiing van Zijn vroegere ontwikkeling, die door de Heilige Geest ten enenmale beheerst en geleid was.
De Heere ziet de bevreemding van Nikodemus toenemen en neemt haar weg, niet door een soortgelijk wonder in de natuur hem voor ogen te stellen. Intussen moeten wij opmerken hoe beknopt de Heere Zich uitdrukt en alles in een enkel woord samenvatten kan. Alleen over de woorden: “U moet wedergeboren worden, kan men een allerbelangrijkste prediking houden, enkel door de woorden te nemen, zoals zij volgen. Op deze wijze: “U”. De Heere sluit Zich hiermee uit. Hij was de Heilige, Hij had geen wedergeboorte nodig. Hij was Gods Zoon van eeuwigheid en is ook als mens tegelijk als Gods Zoon geboren. Bracht Hem de geboorte tot ons af, wij klimmen door onze wedergeboorte op tot Hem; omdat wij door onze geboorte met Adam zondig zijn, is een tweede Adam nodig, om uit die zondige toestand te komen; daarom wordt er gezegd: Doe aan de Heere Jezus (Rom. 13: 14). Evenals wij door onze geboorte Adam aantrekken, of liever met Adam geheel overtrokken worden, zo moeten wij ook met Christus bekleed worden en dit gebeurt in de wedergeboorte. De Heere zei dus: Niet Ik, maar u, Sadduceeën, Farizeeën, tollenaars, edelen en onedelen, moet voor de tweede keer, maar nu geestelijk geboren worden. U bent van beneden, Ik ben van boven. Moet; het is een volstrekte noodzakelijkheid, de wedergeboorte is door niets anders te vervangen; het is een volstrekte verplichting; God wil het en daarom moet de mens het ook willen. Wedergeboren, dat is van nieuws opleven, van man of vrouw tot een kind, van wijze naar de wereld, van een heer en meester tot een dienaar van God en de naaste worden. Ja, worden. U kunt uzelf niet wederbaren, u moet het aan u laten geschieden; het is ook geen werk van een ogenblik, dan in de ontvangenis, maar overigens is het een ontwikkeling, eindigend met de volkomen volwassenheid, als wanneer het worden overgaat in het Zijn.
De wedergeboorte ligt op de diepste grond van de zaligheid en wij moeten nauwkeurig toe zien of wij werkelijk wedergeboren zijn; want velen zijn er, die denken dat zij het zijn en zijn het niet. Wees verzekerd dat de Christennaam nog niet de natuur van een Christens is en dat het geboren zijn in een Christenland en het erkend worden als een belijder van de Christelijke godsdienst hoegenaamd niets baat, tenzij daarbij iets meer wordt gevoegd, namelijk het wedergeboren worden door de kracht van de Heilige Geest. Te worden wedergeboren is zo’n wondervolle zaak, dat geen menselijke woorden het kunnen beschrijven. De wind blaast waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet vanwaar hij komt en waar hij heengaat; zo is een ieder, die uit den Geest geboren is. Het is evenwel een verandering, die men weet en voelt; zij wordt gekend door werken van de heiligheid en gevoeld door een zalige ervaring. Dit grote werk is bovennatuurlijk en kan door geen mens worden verricht; een nieuw beginsel wordt meegedeeld, dat in het hart werkt, de ziel herschept en de hele mens doordringt. Het is geen naamsverandering, maar een vernieuwing van mijn natuur, zodat ik niet meer de mens ben, die ik placht te zijn, maar een nieuw schepsel in Christus Jezus. Het is een gans andere zaak een lijk te wassen en te kleden of het levend te maken. De mens kan het eerste doen, God alleen het laatste. Als u dan wederom geboren bent, zal uwe belijdenis Zijn: Gij o Heere Jezus, Vader der eeuwigheid, bent mijn geestelijke Vader; had uw Geest niet de adem van een nieuw, heilig en geestelijk leven over mij uitgestort, dan was ik nog vandaag in zonden en misdaden dood. Mijn hemels leven is geheel uit U ontsprongen. U alleen geef ik er de eer van. Mijn leven is met Christus verborgen in God. Ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Moge de Heere ons een vaste verzekering over deze levensvraag geven, want onwedergeboren te zijn, is verloren, zonder vergeving, zonder God en zonder hoop te zijn.
Integendeel kan de voorwaarde bij iemand, die oud is, al begonnen zijn zich te verwezenlijken, zonder dat hij zelf van dat eerste begin weet, totdat hij later, als de Geest zijn wedergeboorte tot stand heeft gebracht, zich bewust wordt van de verandering, die bij hem heeft plaats gehad heeft. De wind daar buiten in de natuur blaast waarheen hij wil, nu hier dan daar heen, zonder zich grenzen te laten stellen of zich een weg te laten voorschrijven en u hoort zijn geluid, daar waar hij zijn aanwezigheid te kennen geeft, zodat u daarvan dan een zekere overtuiging ontvangt, maar u weet niet vanwaar hij komt en waar hij heengaat, maar hij komt en verdwijnt als een vrij intreden van het oneindige in het eindige (Pred. 11: 5); zo is een ieder, die uit de Geest geboren is. Zonder dat het oog iets had bemerkt, is opeens een opnieuw geboren mens aanwezig, is het intreden in het rijk van God bewerkt – alles is geschied, terwijl niets zichtbaar geschied is.
U kunt met uw verstand niet begrijpen, wat die wind is en hoewel u zijn geluid hoort, kunt u noch zijn begin noch zijn einde weten en bemerken, hoe ver hij van u begonnen is, of hoe ver hij achter u ophoudt; zo zult u veel minder met uw verstand begrijpen hoe de wedergeboorte plaats heeft.
In het Grieks valt het punt van vergelijking tussen Geest en wind daardoor dadelijk in het oog, dat een en het zelfde woord: pneuma, zowel geest als wind betekent.
Als een macht onberekenbaar en onmeetbaar is in de wereld, dan is het de Geest van God, de Geest van de scheppende almacht, van de vrije genade, van de onnavorsbare wijsheid. Kunnen reeds in wereldse zaken de wegen van God niet worden berekend; plotseling als een bliksem komt de uitvinder iets in de gedachte, onbesteld komt de dichter het uur van geestvervoering, onvoorziens komt in een tijdruimte een storm van beweging. Zo is het met de Heilige Geest; men kan Hem niet bestellen op dag en uur, men kan Hem niet besluiten binnen een bepaalde plaats, men kan Hem niet ontvluchten op enige weg. Hij kan toeven en op Zich laten wachten, als wij op Hem met het sterkst verlangen wachten; Hij kan uitblijven als men meent dat alles voor Hem gereed is, bijvoorbeeld bij de prachtigste godsdienstoefening en de meest bestudeerde preek en wederom kan Hij een mens aangrijpen, als die er het minst op verdacht is.
Het werken van de Geest van de wedergeboorte is 1) vrij, zonder invloed van menselijke willekeur, van menselijk eigenwerk; 2) geheimvol, gelegen buiten het menselijk weten en alleen aan Zijn werkingen te erkennen. De wedergeborene erkent zichzelf, als hij zijn tegenwoordige toestand met de oude en met het daarvan nog onvernietigde overblijfsel vergelijkt, voor een nieuwe met veranderde richting van al zijn krachten, door besprenging met het bloed van Christus bevrijd van het kwaad geweten, of wat werkelijk hetzelfde is, door de rechtvaardigende heiligende genade van een kind van de toorn weer tot een kind van de God van de liefde geworden en vernieuwd in de grond van zijn wezen naar Gods beeld, zoals het in Christus nieuwe werkelijkheid in de mensheid heeft verkregen. Hij hoort de stem van de Geest als het suizen van de wind, omdat hij de getuigenis van de Geest over zijn kindschap, de onuitsprekelijke zuchten, die zich in zijn gebeden mengen, het Abba roepen, de kracht van de Geest, die zich in onderwijzing, vermaning en bestraffing menigvuldig betoont, in zich ondervindt. Hij is eens voor altijd verlicht, smaakt de hemelse gave van zondenvergeving, waarin alle rijkdom van genade besloten ligt; hij kent zich in het werkelijk bezit van de Heilige Geest, smaakt het lieve, troostvolle woord van God en de krachten van de toekomende wereld, die reeds in dit leven werkzaam zijn, in de diepte van Zijn hart (Hebr. 6: 4). Maar dat alles zijn slechts de gevolgen van hetgeen aan hem geschied is, de daad van God zelf is en blijft voor hem in een onpeilbare diepte, die beneden Zijn denken gelegen is en evenals de natuurlijke geboorte, die zijn natuurlijk leven tot basis heeft, zo blijft de geestelijke geboorte de basis van zijn geestelijk leven, voor hem in het duister gehuld. Hij is zich bewust van hetgeen gewerkt is, maar als gevolg van een werk van de Geest, dat boven zijn begrip gelegen is.
De wind toont in zijn suizen zijn tegenwoordigheid. De geest van de wedergeboorte heeft ook een stem; Hij verkondigt aan de wereld Zijn werk, of zo, dat hij in het land beweging veroorzaakt, of zo, dat de wedergeborene de mond wordt geopend en hij met nieuwe tongen de genade prijst, om er niet aan te denken dat hem de kracht wordt gegeven, in daden te betonen dat een nieuwe kracht over hem gekomen is. Maar vraag van de wedergeborene, vanwaar dit nieuwe gekomen is en wat dan nog zal worden, hij weet het ene zo min als het andere. De wedergeboorte is niet het begin, het onmiddellijk begin van een nieuw leven, maar alleen het slot van een proces, waarvan de eerste beginselen wij ons niet bewust zijn. Zo ligt ook het einde in het verborgene – wie kan zeggen hoe krachtig zich de stromen van de levende Geest over de zielen in het bijzonder zullen uitstorten, welke stromen van levend water van dezen, welke van genen uitgaan?
Kan niemand de wind weren, dat hij niet voortgaat waarheen hij wil, veel minder zal de Heilige Geest Zich laten verhinderen door de natuurlijke grenzen van enige aardse macht.
De wind heeft niet altijd dezelfde richting en openbaart zich op onderscheidene tijden in geheel verschillende kracht; nu eens als een zacht ruizen, dan weer als een hevige storm, zonder dat enig schepsel de regels, die zijn gang besturen, aanwijzen kan. Zo ook handelt de Heilige Geest. Hij blaast waarheen Hij wil, zonder aan de mens bekende regels en vaak zelfs geheel tegen hun berekeningen. Van twee naburige harten neemt Hij het een en gaat het andere voorbij. Hij opent het verstand van een kind en laat dat van de diepzinnige geleerde gesloten; niemand kan Zijn gang afperken, God bezielt wie Hij wil.
Evenmin kunt u met volkomen zekerheid van een ander zeggen dat hij op dat uur, op die dag, door die doop, of onder die preek wederom geboren zal worden als dat u bepalen kunt of de wind binnen een uur tot een orkaan zal aanwassen, dan wel of hij binnen die dag geheel zal gaan liggen: “De wind blaast, waarheen hij wil. ” Hij is vrij, teugelloos en ontembaar. De Heilige Geest is oppermachtig; soms verandert Hij een hart op Zondag in het heiligdom, onder de prediking van Zijn eigen woord, bij wijle onder het lezen van Zijn woord, of van een stichtelijk boek, dat opbouwt en verklaart en aandringt, maar Hij is oppermachtig. Geen menselijk toverformulier kan de Heilige Geest uit de hemel doen neerdalen, geen menselijke kracht kan Zijn tegenwoordigheid op een bepaalde tijd of op een bepaalde plaats waarborgen. Hij is de oppermachtige Geest van God.
Had Nikodemus vroeger over het wederom (vs. 4) zijne bedenkingen gemaakt, nu doet hij het over het uit water en Geest. Hij antwoordde en zei tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? Hoe kan iemand uit water en Geest een geheel nieuw mens worden? Israël is toch geen volk als andere volken, als de heidenen, dat het zich eerst tot God zou moeten bekeren. Het staat al in verbond met Hem. Het is niet zonder de Geest van God, maar heeft door Mozes de wet van de Heere ontvangen. Hoe kunt u dan een geheel nieuwe geboorte verlangen? Waarin zou die moeten bestaan?
De Heere had Nikodemus de wezenlijkheid van de zaak getoond en Nikodemus vraagt naar de mogelijkheid. Trouwens, wetenschappelijke mensen worden doorgaans zeer langzaam gewonnen. Men zou zeggen, zij, die zulke beschaafde en schrandere mensen zijn, moesten het eerst de zaak begrijpen, maar zijn alleen schrander in het begrijpen van de zaken, die in hun richting liggen, maar uiterst onvatbaar voor het tegenovergestelde. Zij willen altijd weten, niet geloven; zij kunnen de zaken van het geloof niet begrijpen en dßt, zo dunkt hen, moet er toch bij komen zullen zij toegeven. Maar de Heere weet alle natuur van de mensen te temmen, die van de ruwe visser en van de tijd beschaafde Farizeeër, die van de moordenaar aan het kruis en van de woedende Saulus, die als een heilige van de synagoge vereerd werd. Voor allen heeft Hij een afzonderlijk woord, een bijzondere toon, waarop Hij het uitspreekt en een bijzonderen greep in de consciëntie, waardoor Hij binnenkomt. De Samaritaanse vrouw kwam op hetzelfde uur binnen, maar de man van de wetenschap in drie tempo’s met lange rusten tussenbeide: zijn komst tot de Heere bij nacht; Zijn getuigenis aangaande Jezus tegenover zijn ambtgenoten; zijn optreden bij Jezus dood.
Jezus antwoordde en zei tot hem: Bent u de (een) leraar van Israël, een van hen, die op zich hebben genomen Gods volk in Gods woord te onderwijzen en er zich dus voor uitgeven de Schrift te kennen en weet u deze dingen niet? Weet u niet dat de Schrift juist van Israël het allereerst en vóór alle andere volken, boete en bekering tot God eist en geloof in Hem, die Hij zenden zal?
De uitdrukking “Leraar in Israël” is door velen opgevat, alsof Nikodemus toen de chacham in de Hoge raad geweest is, of de wijze, die bij moeilijke vragen uit de Heilige Schrift verklaring moest geven 2: 4). Wat echter onzeker is, of zo’n chacham toen al bestond. Het is dus veiliger als men het bepalend lidwoord (er staat toch de leraar) zo opvat, dat Nicodemus daarmee wordt voorgesteld als de vertegenwoordiger van de toenmalige leraars onder het volk van God, die tegenover de Heere stonden zoals dan ook Jezus’ rede zich minder richt tot zijn persoon dan wel tot zijn stand en zijn medegenoten in hem hun les krijgen. Zo is het ook als in 1 Sam. 17: 58 David, op de vraag van Saul: “Wiens zoon bent u?” antwoordt: de zoon van Isaï, uw knecht (de gehele familie van Isaï wordt voor Saul door David vertegenwoordigd) en als in Hagg. 1: 13 de profeet de engel van de Heere wordt genoemd.
Vat men het lidwoord op in deze zin: de bekende of thans gevierde leraar, dan moet men toestemmen dat Jezus enigszins spottend spreekt; maar deze verklaring is niet natuurlijk.
Er is geen jammerlijker verschijnsel dan dat iemand, die anderen moet onderwijzen, zelf de zaken niet weet. Zulke droevige tonelen zijn in tijden van ongeloof aan de orde van de dag; dan hoort men van kansel en katheder mensen spreken van zaken, waarvan zij letterlijk niets weten en die zij toch behoorden te weten, omdat hun ambt dit meebrengt. Ik kan mij daarom geen troostelozer toestand voorstellen dan die van zulke leraars, die eerst bij of na hun dood ontdekken dat zij hun hele leven hebben doorgebracht in de waarheid te bestrijden, in plaats van haar naar hun plicht en roeping te hebben gepredikt.
En als u dan, leraars in Israël (MATTHEUS. 23: 2), het werkelijk niet weet en dat u van uzelf blind bent, waarom laat u het u dan niet door ons zeggen, die het u voorhouden, door Johannes de Doper en Mij, die hem op de voet volg. a) Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: wij beiden spreken, als wij met één stem de vermaning en boodschap voor uw oren brengen: bekeer u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (MATTHEUS. 3: 2; 4: 7), wat wij weten en getuigen wat wij gezien hebben, zoals onze gehele verschijning en ons gehele optreden u daarvan het bewijs levert. En toch juist u, leraars en oversten, die het volk moest voorgaan met een juist begrip van Gods wil en met een goed voorbeeld van geloof, neemt onze getuigenis niet aan. U heeft u door Johannes laten dopen (MATTHEUS. 21: 32) en u niet laten wijzen op Hem, die na hem zou komen, zodat u verder zou hebben gevraagd, wie Hij was (Hoofdstuk 1: 26 v. ), eveneens blijft ook hetgeen Ik onlangs in de tempel deed (Hoofdstuk 2: 15 v. ), bij u zonder vrucht, zodat Ik op uw vraag (vs. 9) moet antwoorden: op die weg, die u bent ingeslagen, zal het met u nooit tot een wedergeboorte en tot het zien van het Godsrijk komen.
Joh. 7: 16; 8: 28; 12: 49; 14: 24. b) Joh. 3: 32.
Als Ik – door de openlijk tot een koopmanshuis verlaagde tempel op doortastende wijze te reinigen – u de aardse dingen gezegd heb, opdat u zou begrijpen hoenoodzakelijk voor u boete en ernstige bekering is en u niet gelooft, hoe zult u geloven, als Ik u de hemelse dingen zou zeggen, namelijk van de Geest, die zij zullen ontvangen, die in Mij geloven, zoals Ik u daarvan werkelijk nog zal getuigen (Hoofdstuk 7: 38 v. )?
En meent nu niet dat u ook zonder Mij, alleen met hulp van Mozes, op wie u vertrouwt (Hoofdstuk 5: 45) de belofte van God zult verwerven, evenals die in Joël 3: 1 vv. Jes. 44: 5 geschreven staat. Want als u ook over Mozes en hetgeen in Ex. 24: 18 van hem wordt verteld, zegt dat hij ten hemel is opgestegen, dan is toch voor de zaak, waarover hierwordt gehandeld, het volgende van toepassing: a) Niemand is opgevaren in de hemel, om vandaar de Geest op Gods volk neer te zenden, dan die te voren uit de hemel neergekomen is en dus in de hemel Zijn vaderland heeft, die daar als Zoon van de Vader het recht heeft om over alle geestelijke zegen en hemelse goederen te beschikken, namelijk de Zoon des mensen, die in de hemel is, die ook in Zijn aardse leven door onafgebroken verkeer met de Vader (Hoofdstuk 1: 51; 5: 20; 16: 32) een hemels leven heeft (Hoofdstuk 16: 7, 28). Mozes kon alleen wensen: Och, dat al het volk van de Heere profeet was, dat de Heere Zijn Geest over hen gaf (Num. 11: 29).
Joh. 6: 62. Efez. 4: 9.
Over hetgeen de Heere tot Nikodemus als vertegenwoordiger van de Israëlitische leraars zegt, ontbreekt het zoals het ons voorkomt de uitleggers meestal aan de juiste opvatting. Zo weten zij geen raad met de tegenstelling van aardse en hemelse dingen in vs. 12. “Bij het ten hemel opgevaren in vs. 13 denken zij aan de bekwaammaking tot openbaring van hemelse dingen” en bij het “wij spreken” zijn zij het oneens wie daaronder bedoeld zijn, hoewel, als de zo-even gemelde opvatting de juiste was, dan zeker geen “wij” kon gezegd worden, maar er bepaald moest staan: “Ik spreek, wat Ik weet. ” Wij gingen daarom bij de verklaring onze eigen weg, zoals de samenhang ons daartoe leidde en willen ons met de weerlegging van de gewone opvattingen niet inlaten; alleen merken wij op dat, als men de aardse dingen. (vs. 19) van de wedergeboorte verklaart, waarvan de Heere hier tot Nikodemus spreekt, het moeilijk is die onder de aardse dingen te rekenen en dan de tegenstelling van de “hemelse dingen” te vinden. Bovendien geeft Jezus met het “u zegt” te verstaan, dat Hij niet dacht aan hetgeen Hij zo-even met Nikodemus behandelde, maar integendeel iets dat Hij aan de deelgenoten van Zijn stand voor ogen stelde. Zij hadden het onboetvaardig en ongelovig van zich afgeworpen en dat kan alleen de waarheid zijn, die in de tempelreiniging symbolisch onder een uitwendige handeling was voorgesteld, namelijk de waarheid hoezeer zij boete en bekering nodig hadden. Ten slotte zij er nog op gewezen hoe nauwkeurig de inhoud van vs. 11-18 overeenkomt met de woorden van Nikodemus in vs. 2 Nikodemus had Jezus als Leraar begroet, nu spreekt Hij tot hem dan ook van het betrouwbare en het zekere van Zijn leer: “Wij spreken wat wij weten en getuigen wat wij gezien hebben”, terwijl Hij Johannes mee insluit, die toch ook in de zin van Nikodemus een “Leraar van God gekomen” genoemd verdiende te worden tegenover de “Meesters in Israël”. Nikodemus had een soort van geloofsbelijdenis afgelegd, maar Jezus beklaagt Zich over gebrek aan waar geloof bij zijn stadgenoten: “U neemt onze getuigenis niet aan”, terwijl Hij Zich tot diegenen wendt in wier naam de spreker met het “wij weten” verzekerde te spreken. Nikodemus had Jezus genoemd een “Leraar van God gekomen”. Deze nu wijst hem aan, in wat een geheel bijzondere en eigenaardige zin dit moet worden opgevat, als het niet als een oppervlakkige spreekwijze zal worden opgenomen. Voor hem staat namelijk die Leraar, die werkelijk van de hemel is neergekomen, ja in zekere zin nog in de hemel is en ook weer ten hemel zal varen.
Naar onze mening kan onder “aardse dingen” in vs. 12 niets anders verstaan worden dan onder “deze dingen” in vs. 9 en vs. 10 Wij geven daarom aan de volgende verklaring plaats: Als men tot iemand zegt: als u mijn onderricht hierover niet begrijpt, hoe zult u het in dat opzicht dan begrijpen? veronderstelt dit, dat men in dit opzicht door hem ondervraagd is, wie men op deze wijze antwoordt. Daaruit zou dus volgen dat Nikodemus, naar Jezus mening, aangaande de hemelse dingen ingelicht wenste te worden en dat de Heere Zich nu voorstelde die inlichtingen te geven. Deze hemelse dingen zijn daarom de goddelijke besluiten aangaande de persoon van de Messias, zijn betrekking tot de Godheid, zijn werk, de stichting en de ontwikkeling van Zijn rijk en de beloofde heerlijkheid, vs. 13-16 Jezus noemt deze dingen de hemelse, niet omdat zij dit waren in de zin, waarin zij door Nikodemus opgevat werden, maar omdat zij het inderdaad waren, zoals uit Zijne beschrijving blijken zou. Uit de tegenstelling tussen de werkwoorden: als Ik u gezegd heb en als Ik u zeg, volgt dat Jezus van de hemelse dingen nog niet in het openbaar gesproken had. Wel kon Hij afzonderlijk tot Zijn leerlingen over deze zaak gesproken hebben, maar niet tot hem, die Hij hier door het voornaamwoord u aanwijst. Dit onderhoud met Nikodemus is daarom de eerste mededeling van Jezus aangaande de ware aard van het messiaanse koninkrijk en van het heil van de mensheid buiten de vertrouwde kring. Welke zaken zou de Heere dan wel tot nu toe in Zijn openbaar onderricht behandeld hebben? De dingen, die Hij de aardse noemt. De aardse dingen kunnen hier de dingen van zuiver wereldse aard niet aanduiden. Op dit gebied beweegt Jezus Zich niet. Het zijn dus dingen, die hoe geestelijk zij ook zijn, op de aarde voorvallen, bijvoorbeeld, om hier in de samenhang te blijven, alles wat Jezus aan Nikodemus meegedeeld had over de vleselijke toestand van de natuurlijke mens en de noodzakelijkheid van een grondige herschepping door het werk van de Heilige Geest. Maar wij moeten ontwijfelbaar verder gaan, want Jezus zegt niet: als Ik u gezegd heb, maar als Ik jullie gezegd heb en dit woord “jullie” wijst aan dat Jezus niet slechts aan het onderhoud met Nikodemus denkt, maar in het algemeen aan al de waarheden, die Hij tot nu toe gepredikt had. Aardse noemt Hij de dingen, waarvan Hij op dit ogenblik gesproken had, ongetwijfeld omdat zij, evenals die waarvan in het gesprek met Nikodemus melding gemaakt was, op zedelijke feiten betrekking hadden op het gebied van het menselijk bewustzijn, op de godsdienstige behoeften, die de mensheid eigen zijn, op de innerlijke ervaringen van een vroom hart. Om te begrijpen wat Jezus door de aardse dingen verstaat, is het voldoende zich Zijn eerste onderricht te herinneren, zoals het door de synoptici opgetekend is, de bergrede bij voorbeeld en deze prediking met de openbaringen te vergelijken, die in het onderhoud met Nikodemus en in ons Evangelie verder volgen. Dit eerste onderricht komt neer op hetgeen men in Mark. 1: 15 leest: bekeert u en gelooft het Evangelie, want het koninkrijk der hemelen is nabij. Het was de voortzetting en ontwikkeling van de prediking van de Doper. Het onderhoud met Nikodemus was zo de eerste stap op een gebied, dat Jezus in Zijn openbaar onderricht nog niet betreden had. Hij zelf verzekert dit in ons vers. Volgens de verklaring van Lücke, die Reuss schijnt te delen, zouden de aardse dingen gemakkelijk zijn om te begrijpen en makkelijk toegankelijk voor het geloof en de hemelse, de meer moeilijke, de meer verheven begrippen van het Evangelie, die minder toegankelijk zijn voor het verstand, dat door de Heere nog niet verlicht is. Deze betekenis is als gevolgtrekking waar, maar als verklaring is zij niet te verdedigen.
Geen enkel voorbeeld bewijst dat hemels “moeilijk” betekenen kan en aards gemakkelijk. In deze “merkwaardige” uitspraak telt Jezus hetgeen in het menselijk bewustzijn voorvalt en hetgeen men door eigen waarneming opmerkt, tegenover de goddelijke besluiten en onderwerpen. Het eerste is voor ieder rechtschapen gemoed toegankelijk; de tweede kan men alleen door een openbaring te weten komen. Dit is dus de redenering van Jezus in dit vers: Als u, toen Ik u de dingen onderwezen heb, die u in uzelf kunt nagaan, niet geloofd heeft, hoe zult u geloven, als Ik u de geheimen van de hemel openbaren zal, die men uitsluitend op Mijn woord moet aannemen. Dßßr althans kon het de getuigenis van de innerlijke zin tot steun voor het geloof dienen, maar hier rust alles op het vertrouwen dat men in het getuigenis van Hem stelt, die openbaart. Trekt men Zijn woord in twijfel, dan breekt de ladder waarop de mens ten hemel zou hebben kunnen stijgen en de toegang tot de goddelijke geheimen is hem voor altijd ontzegd.
Hoe gedurig gebruikte onze Heere het woord: Zoon des mensen! Als Hij gewild had, had Hij altijd van Zichzelf kunnen spreken als de Zoon van God, de Vader der eeuwigheid, het Wonder, de Raad, de Vredevorst, maar let op Jezus’ nederigheid; liever noemt Hij Zich de Zoon des mensen. Laat ons nederigheid van onze Heiland leren, laat ons nooit streven naar trotse titels of een schone naam. Evenwel ligt hierin nog een liefelijke gedachte. Jezus had de mensheid zo lief, dat Hij die wilde vereren; en omdat het een grote eer is en in waarheid de hoogste waardigheid van de mensheid, dat Jezus de Zoon des mensen is, gebruikt Hij gewoonlijk deze naam, opdat Hij als het ware de borst van de mensen zou versieren met een koninklijk ereteken en de liefde van God voor Abrahams zaad openbaren. Zoon des mensen, waar Hij altijd dit woord bezigde, daar plaatste Hij een stralenkrans op het hoofd van de kinderen van Adam. Nog heerlijker gedachte kan er evenwel in liggen. Jezus Christus noemde Zichzelf de Zoon des mensen om Zijn eenheid en overeenstemming met Zijn volk uit te drukken. Zo herinnert Hij ons dat wij Hem zonder vrees mogen naderen. Met al onze bezweren en moeilijkheden mogen wij tot Hem gaan, als tot een mens, want Hij kent ze bij ervaring; omdat Hij zelf geleden heeft als de Zoon des mensen kan Hij ons helpen en troosten. Wees gedankt, o gezegende Jezus, dat Gij telkens deze liefelijke naam gebruikt, die bewijst dat Gij onze broeder en vriend bent; voor ons is het een dierbaar teken van Uw genade, Uw nederigheid, Uw liefde.
En wilt u weten, vanwaar het water van de doop zijn kracht heeft, om tot afwassing te dienen van de zonde, in de bekering erkend en betreurd, dan heeft de Schrift dit allang te voren afgebeeld. a) Zoals Mozes de koperen slang in de woestijn aan de grens van het land van de Edomieten; volgens de u bekende geschiedenis (Num. 21: 4 vv. ), voor de door vurige slangen gebetenen verhoogd heeft, door die op te hangen aan de paal, zodat allen, die in geloof aan de goddelijke belofte tot dit teken opzagen, zouden worden genezen (Wijsh. 16: 6), b) zo moetvolgens Gods raadsbesluit (MATTHEUS. 16: 21; 24: 6. Luk. 24: 16) de Zoon des mensen verhoogd worden (Hoofdstuk 8: 28; 12: 32 v. ). Ook Hij moet worden gehangen aan een hout, dat alleen daardoor mogelijk is, dat aan de duisternis, als het uur daarvoor is gekomen, over Hem macht wordt gegeven (Luk. 22: 53).
2 Kon. 18: 4. b) Joh. 8: 28; 12: 32.
Dit moet gebeuren, zodat een ieder, die in Hem gelooft, die gelovig tot Zijn kruis opziet, niet in de dood, die zij door hun zonden zich hebben berokkend (Rom. 6: 23) verderven zal, maar, doordat zij vergeving van zonden ontvangen en tevens de gave van de Heilige Geest tot vernieuwing van de inwendige mens, het eeuwige leven heeft (Mark. 16: 16. Hand. 2: 38). Hiermee heb Ik u de vraag in vs. 19 , nadat Ik u in vs. 10-13 gezegd heb wat bij u, oversten, de wedergeboorte en het zien van het Godsrijk tegenstaat, ook op positieve wijze beantwoord, zodat u weet wat u te doen heeft, als u niet met de anderen verloren wilt gaan, maar zalig wilt worden (Hand. 2: 40; 16: 31. 2 Kor. 5: 17 vv. ).
Zo wijst de Heere aan hoe en waardoor wij de hemel kunnen ingaan, dat is, wat Hij voor ons gedaan heeft en hoe wij Zijn weldaad deelachtig worden. Omdat er anders raad noch hulp was om Gods toorn over de zonde te verzoenen en van de eeuwige dood te verlossen, door geen schepsel in hemel en op aarde, zo moest de enige Zoon van God in onze plaats treden en voor onze zonde een offer worden, waardoor Gods toorn werd verzoend en vergeving geschiedde. Deze zaak zelf nu is ons heil en onze troost en de kracht, die daarvan uitgaat, is dat wij wedergeboren mensen worden en in de hemel mogen komen.
De vergelijking met de oprichting van de slang, die zeker niets heerlijks had, de omstandigheid dat het woord “verhoogd worden” niet geestelijk behoort opgevat te worden, de verhouding van dit woord tot de overeenkomstige Aramese uitdrukking, die de ophanging van kwaaddoeners aanduidt (Ezra 6: 11) beslissen ten gunste van de mening, dat Jezus van Zijn lichamelijk hangen aan het kruis spreekt. Tegenover de denkbeeldige heerlijkheid van de Messias, waaraan de hoogmoed van de Joden zich bij voorraad verlustigde, stelt Jezus de werkelijkheid over, de verhoging aan het kruis, als de door God bevolen vorm van Christus’ verheffing. Evenwel zal deze schandelijke ophanging tot een nog heerlijker verhoging voeren, dan die waarvan Nikodemus droomt. Deze voorspelling was ongetwijfeld oorzaak dat het tijdstip, waarop hij Jezus aan het kruis zag hangen, geenszins voor hem, zoals voor zo vele anderen, het uur werd van ontrouw en wanhoop, maar de aanleiding was die zijn geloof, zolang onderdrukt en verborgen, voor allen openbaar deed worden. (Hoofdstuk 19: 39).
De Heere maakt van die avond gebruik om Nikodemus dingen te zeggen, waaraan deze zijn leven lang had te leren. Wij willen daarom ook niet zo bevreesd zijn, of de mensen dadelijk alles kunnen begrijpen, als wij ze in de geheimen van het koninkrijk der hemelen moeten onderwijzen. Eerst was het Zijn persoon, die Jezus beschreef, met de woorden: “niemand is opgevaren in de hemel, dan die uit de hemel neergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, die in de hemel is”. Hij is dus geen zuivere leraar van God gekomen, die men naast andere profeten zou kunnen plaatsen, of alleen in die zin boven andere plaatsen, dat Hij de voornaamste van deze was; maar Hij is van boven als Zoon van God. Hier is het Zijn werk, waarover de Heere spreekt, als Hij zegt: “zoals Mozes enz. ” Hier moest Nikodemus leren hoe de nieuwe geboorte plaats heeft. Men voelt de smartelijke beet van de zonde; men gaat gelovig tot Christus’ kruis, men leeft uit Gods genade en ontvangt het geestelijke, goddelijke leven, dat ons tot nieuwe mensen maakt.
Iemand, die gedoopt is en gelooft kan nog veel missen en er zal ook, zolang hij hier leeft, veel aan ontbreken; veel zaken, die in en aan hem zijn, kunnen hem mishagen en met recht; hij kan veel te belijden, te bewenen, te bestrijden, af te bidden hebben; maar dood is hij niet meer, hij is wedergeboren, hij leeft en is op de weg tot volmaking, want hij gelooft en is gedoopt. Dat laat men zich door niemand ontroven, die de Schrift verdraait en wedergeboorte met heiligmaking verwisselt. Het oog van de boetvaardige en wenende rust op de Gekruisigde, zoals het oog van de door de slangen gebetenen op de koperen slang; van de Gekruisigde wijkt geen oog, daarheen vlucht de gezifte ziel, vandaar komt rust en sterkte; daarheen vlucht wat niet wil sterven, daar vloeit leven – wie wil die kan het ondervinden!
Het vergif van de begeerlijkheden kan mij geen schade doen, want ik neem dagelijks in het krachtige tegengif, Christus de Gekruisigde.
Schijnbaar staan deze woorden niet in verband met de vorige. De Heere spreekt van Zijn hemelvaart en hoe komt Hij nu vandaar terug tot de prediking van Zijn kruisiging? Op een manier die ieder, die nog vatbaarheid voor het goddelijke heeft, met aanbiddende bewondering moet vervullen. De Heere was bij Nikodemus begonnen met de eis van de volstrekt noodzakelijke wedergeboorte; maar de grote zwarigheid bleef: hoe word ik wedergeboren? Kan een mens zichzelf wederbaren? Nee, dat is even onmogelijk in het geestelijke als in het natuurlijke, zoals wij gezien hebben. Wat dan? Moet de mens lijdelijk afwachten of hij wedergeboren wordt of niet? Nee, zegt de Opperste Wijsheid, u moet niet afwachten en niet stil zitten, u moet opzien naar Mij, hangend aan het kruis voor u. U ziet, de Heere lost de schijnbaar onoplosbare zwarigheid op in een hoogst eenvoudige zaak: in het gelovig opzien tot Hem, als de gekruisigde Christus. Dat is het ene nodig, om het eeuwige leven te ontvangen, om het verderf te ontvluchten, om zalig te worden. Wie gelooft is wedergeboren en wie wedergeboren is, gelooft. Het uitwendig zichtbaar geloof is het bewijs van de innerlijk verborgen wedergeboorte, evenals de lopende wijzer van het uurwerk het bewijs is dat het raderwerk van binnen loopt. Het is een beweging die echter veroorzaakt wordt aan hetgeen buiten het uurwerk ligt – de hand met de opwindende sleutel. Eerst predikte de Heere aan Nikodemus wat in de mens moet zijn en daarna wat buiten de mens staat en de oorzaak van zijn wedergeboorte is: de dood van de Heere. De Heere maakt het geloof in Hem als de Gekruisigde voor de zonde en de wedergeboorte tot een volmaakte eenheid en wij mogen ze daarom ook nooit scheiden. De voortreffelijke Bengel zei dan ook terecht: “Acht de wedergeboorte niet te zwaar, want zij is niets meer dan geloof; acht het geloof niet te licht, want het is niets minder dan wedergeboorte”. Alles heeft zijn nauwe en zijn ruime zijde. Niet zelden stelt zich het Evangelie aan ons voor van zijn ruime zijde als eenvoudig geloof in Christus; maar als men daardóór in het koninkrijk van God is gekomen, dan ziet men dat de weg hoe langer hoe nauwer toeloopt en voelt men dat er nog veel toe nodig is om te volharden tot aan het einde. Ook het omgekeerde heeft niet zelden plaats en dit geschiedde bij Nikodemus. Hij stond voor de nauwe zijde: de wedergeboorte; maar wat de Heere erop liet volgen was voor hem en is voor ons verrassend en vertroostend; want wat zei de Heere tot Nikodemus dan dat de innerlijke wedergeboorte bestond in het zien op Hem, de Heere, als de verhoogde, op dezelfde wijze als de slang in de woestijn verhoogd was. Nu begreep Nikodemus dat woord nog wel niet, maar hij zou het naderhand begrijpen en hij begreep het, toen hij werkelijk Christus zag opgeheven aan het kruis, zoals de slang in de woestijn aan de stang en hij geloofde en hij geloofde zich wedergeboren! Ja, één blik op de Gekruisigde Christus is genoeg om ons zalig te maken, maar het moet een gelovige blik zijn, want alleen zo’n blik heeft zo’n krachtige indruk, dat het hart ervan wedergeboren wordt. Ach, hoe velen zien op de gekruisigde Christus, maar zonder geloof in de zonde verzoenende kracht van Zijn lijden en sterven; daarom oefent deze aanschouwing ook geen wederbarende kracht op hen uit en zij blijven die zij zijn. – De Heer vergelijkt Zijn verhoging met die van de koperen slang. Wie zou deze vergelijking hebben durven maken, als de Heer zelf het niet gedaan had? Maar nu omvat dan ook Christus met dat ene woord geheel de typiek van het Oude Testament; want zegt de Heere dit van de oprichting van de slang, hoeveel temeer zegt Hij dit van geheel het levend samenstel van de Mozaïsche eredienst. Maar u voelt dat alles ook hier aankomt op een fijn geestelijk gehoor. Zo openbaarde Zich ook de Heere op het kruis als verlaten en nu kon ieder Hem op grond van Zijn eigen verklaring voor een door God verlaten zondaar houden, uitgenomen de gelovige zondaar, die uit zijn: Mijn God! Mijn God! met zekerheid weet, dat dit door geen verdoemeling gezegd kan worden. Maar hier zien wij dan ook dat tussen de voorafbeeldingen van het Oude Testament en de vervullingen van het Nieuwe Testament de persoon van de Heere staat, in wie het Oude Testament opgaat en van wie het Nieuwe Testament uitgaat. De Heere wilde en wil aanschouwd Zijn als de slang in de woestijn, die geen wezenlijke slang was, maar een slang in gedaante. Hij wil aanschouwd worden op het kruis als hangend in de gedaante van de slang als een tot zonde gemaakte en toch zonder zonde, als de vloek en toch de gezegende wegnemer van de vloek. Toen de gebetenen door de slangen in de woestijn, naar het bevel van de Heere, hun ogen ophieven naar de opgeheven slang, hield hun stervende toestand op en waren zij genezen. De genezing nu is de wedergeboorte van het lichaam. Wie dodelijk ziek was en weer herstelt, is naar het lichaam wedergeboren in dit leven en de zalige opstanding uit de dood is de wedergeboorte van het lichaam in de eeuwigheid. Zo ook wie zich naar de ziel dodelijk ziek voelt door de zonde en de ogen smekend opheft tot de gekruisigde Jezus en hiermee het woord van God tot zijn ziel hoort spreken: Leef in eeuwigheid! die wordt wedergeboren naar de ziel en sterft niet meer, maar leeft ook door de tijdelijke dood heen in alle eeuwigheid.
EVANGELlE OP PINKSTERMAANDAG
Een vreemde perikoop op het pinksterfeest! Dat is de eerste indruk, die men bij deze tekst ontvangt; er is toch daarin van de Heilige Geest niet de minste sprake. En toch een perikoop, zeggen wij, die niet makkelijk beter kon worden gekozen. De Heilige Geest, die op de pinksterdag over de apostelen werd uitgestort, bracht door de prediking met nieuwe tongen, waartoe Hij drong, een scheiding te weeg; Hij hield een gericht over de pinkstergasten, over de mannen uit alle volken, die door het geruis van de geweldige wind van alle einden waren samengekomen. Sommigen spraken: “Wat mag toch dit zij?” en wat het bedoelde leert ons spoedig de andere vraag: “Mannen broeders! wat zullen wij doen?” Anderen spotten en zeiden: “Zij zijn vol zoete wijn!” Waar Heilige Geest is, daar is ook een crisis, een scheiding, een gericht. Het evangelie van de eerste feestdag heeft aangewezen wat een goede gave de Heilige Geest voor de gelovigen is; onze perikoop wijst ons het werk van de Heilige Geest aan in betrekking tot de wereld. – Hij scheidt de wereld, Hij dringt tot beslissing.
Wat in het woord van gisteren meer uitwendig zich vertoonde, dat zien wij in dit evangelie uitwendig plaats hebben. Zoals het zich daarvoor de ogen vergadert en van elkaar scheidt, zo scheidt en verenigt het zich hier inwendig; daar zien wij hoe de kerk zich uitwendig vormt, hier hoe zij inwendig ontstaat.
Dit is een van de schoonste en heerlijkste evangeliën, dat wel waard is met gulden letters, niet op papier maar in het hart geschreven te worden en eigenlijk de dagelijkse lezing en overdenking van iedere Christen moest zijn, om in het gebed uit te spreken, tot versterking van het geloof en zijn hart erdoor op te wekken tot aanbidding; want het zijn woorden die treurigen vrolijk, doden levend kunnen maken, zo slechts het hart dat vast gelooft.
De pinksterdag een gerichtsdag van God: hij stelt u Gods genade voor het aangezicht en vraagt u: wilt u leven of niet?
God heeft Zijn Zoon gegeven, opdat wij daaraan zullen opmerken 1) de grootheid van Zijn liefde, 2) de ernst van onze beslissing.
Wat is moeilijker: in Christus geloven of goede werken doen? Ieder denkt, zegt Luther, dat het een gemakkelijke zaak is om in Christus te geloven, maar het moeilijk is Gods woord te houden en volgens Gods geboden onbestraffelijk te wandelen; maar hierin ligt een grote dwaling; het geloof is geenszins een zo lichte zaak, maar het allerbelangrijkste en zekerste en als dat aanwezig is, dan is het overige gemakkelijk. Wij willen daarom nagaan: 1) hoe moeilijk het eerst is te geloven,
2) hoe gemakkelijk daaruit de heiligmaking van het leven volgt.
Ik wil U nader doen zien de noodzakelijkheid van de verhoging van de Mensenzoon aan het kruis, waarvan Ik zo-even sprak, als ook het algemene van de door Hem te geven zaligheid. a) Want alzo lief heeft God de wereld gehad, het gehele van Hem afgevallen menselijk geslacht 1: 9″), dat Hij, toen de tijd tot volvoering van Zijn raadsbesluit vervuld was (Gal. 4: 4), Zijn eniggeboren Zoon, die Hij tot hiertoe in Zijn schoot van eeuwigheid had (Hoofdstuk 1: 18), gegeven heeft. En niet slechts gaf God Hem om in de wereld een mens (Hoofdstuk 1: 14) te worden, maar Hij gaf Hem om ook het zoenoffer voor haar (Hoofdstuk 11: 51 v. 1 Joh. 2: 2) te zijn, b) opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet zoals het anders het geval zou zijn, wanneer Hij dat niet had gedaan, verloren zal gaan, maar overeenkomstig Zijn genadige wil (Ezechiël. 18: 23; 33: 11) het eeuwige leven heeft.
Rom. 5: 8; 8: 31. 1 Joh. 4: 9. b) Luk. 19: 10. Joh. 3: 36. Joh. 5: 10.
In navolging van Erasmus hebben verschillende latere verklaarders aangenomen dat het gesprek van Christus met Nicodemus met vs. 15 ophoudt en dat van daar af Johannes op eigen hand de rede voortzet. Daarvoor spreekt echter geen proefhoudende grond en als hier van Nikodemus niets meer gehoord wordt, zo komt dat daarvan, dat hij, die juist in dit laatste deel het sterkst in het hart gegrepen wordt, niet weer aan het woord komt.
De bezorgdheid om deel te verkrijgen aan God, had Nikodemus’ hart vervuld; daarom wordt hij nu hier stil en hoort men van hem niets, zodat men niet weet waar hij blijft. Hij was door het vorige geheel terneergeslagen, zijn hart was geheel doorploegd; daarom hoorde hij vlijtig en rustig toe en erkende hoe noodzakelijk hem deze eengeboren Zoon was en omdat hij hierbij de meeste tegenbedenkingen had kunnen maken, als hij zijn verdorven verstand had willen volgen, zo was toch nu in het geheel geen tegenspraak in zijn mond, omdat hij de waarheid en de noodzakelijkheid van de zaak erkende.
Het is een uitstorting van het hart van Jezus, die wij van vs. 11-21 voor ons hebben en uit de eigen mond van de Heere heeft Johannes de heerlijke naam: “eengeboren Zoon” geleerd. Op de geheimvolle noodzakelijkheid van de verhoging van de Mensenzoon aan het kruis nu werpt hier de liefde van God haar helder, verhelderend licht, alsof Jezus wilde zeggen, zoals Chrysostomus verklaart: “Verwonder u niet, dat Ik verhoogd moet worden, opdat u gered wordt. Dat is de raad van de liefde van de Vader, die u zo heeft bemind, dat Hij Zijn Zoon gaf. ” Van de Geest, die de wedergeboorte werkt, tot de Zoon, die verzoenende haar teweeg brengt en van beiden tot de Vader, wiens gave het door de Geest toegeëigende en door de Zoon verworven leven is, verheft zich de vrede van de Heere; alles hangt op het nauwst tezamen.
Christus had allen, die in Hem geloven, zonder uitzondering voorgesteId als degenen, die zalig zouden worden (vs. 14 v. ). Dat zou eveneens Nikodemus kunnen verwonderen; want dan zouden toch ook de heidenen door de Messias zalig worden, hetgeen in het geheel niet met de gedachten van de Joden, vooral niet met de Farizeeën kon rijmen. Daarom wordt hier gezegd dat Gods nederzien zeker op de gehele wereld was gericht en dat de heidenen evengoed een voorwerp van Zijn liefde zijn als de Joden en de Joden evengoed in zichzelf verloren moesten zijn als de heidenen.
De woorden van onze tekst zijn wel korte, eenvoudige woorden; maar het zijn woorden van groot gewicht en enkel meesterstukken. Wij merken daarin op 1) de persoon van de Gever, 2) de oorzaak van de Gever, of wat er Hem toe beweegt, 3) de gave zelf, 4) hoe en op welke wijze de Zoon wordt gegeven, 5) de ontvanger, voor wie dat geven geschiedt, 6) de vrucht en het nut van het geschenk, 7) de hand, waarmee men die schat en dat geschenk aanneemt.
De wereld, de natuurlijke mensheid, wier grootste gedeelte God in het Testament buiten Zijn theocratische regering had gelaten, die de Farizeeën bijna zonder uitzondering aan de toorn en het gericht hadden prijs gegeven, stelt Jezus aan Nikodemus voor als voorwerp van de oneindige liefde van God. De hier gebezigde uitdrukking is niet meer als in vs. 13 v. : “Mensenzoon”, maar de “eengeboren Zoon”. Hier is het niet meer de bedoeling de gelijksoortigheid van deze persoon met het menselijk geslacht voor ogen te stellen, maar de onmeetbaarheid van de goddelijke liefde jegens de wereld juist te doen schitteren; maar daarvoor is een naam nodig, die aanwijst wat de Heiland van de wereld voor het hart van God zelf is. Het woord “geven” bevat zeker, vooral in dit verband meer dan de idee van zending; het drukt de volledige overgave uit, het geven tot het uiterste toe, een geven tot opoffering toe, als die nodig is. Er ligt iets bijzonder plechtigs in de herhaling van de woorden van vs. 15 aan het slot van de hele zin: de algemeenheid van de zaligheid, de gemakkelijkheid van het middel, de grootte van het afgewende kwaal en de oneindige voortreffelijkheid en duur van het geschonken goed (allen – die geloven – niet verloren gaan – het eeuwige leven hebben), al deze voor Nikodemus geheel nieuwe ideeën worden in deze zinsnede op elkaar gestapeld, die de uiteenzetting van het Messiaanse heil op schitterende wijze voltooit.
Voor Gods ogen stonden beide, de wereld en de eengeboren Zoon – de wereld vol zonde en schande, vloek en verdoemenis waardig, de eengeboren Zoon als het werkelijk evenbeeld van de Vaders, het afschijnsel van Zijn heerlijkheid, de eeuwige deelgenoot van Zijn zaligheid in de liefde. Toen – nog vóór de grondlegging van de wereld (Efeze 1: 4), want zonder bereidwilligheid van de verlossing zou God van de schepping hebben afgezien – werd het besloten in Gods oneindige, vrije ontferming om de wereld te sparen en daarentegen Zijn eengeboren Zoon niet te sparen (Rom. 8: 32), de eengeboren Zoon over te geven tot verzoening en de verloren wereld als verloste aan Zijn hart te trekken. Of de wereld moest eeuwig verloren zijn, of de eeuwige Zoon moest in de verloren toestand van de wereld ingaan, opdat Hij door het tijdelijk lijden van haar verdoemenis, die om de oneindigheid van Zijn persoon oneindige waarde heeft, de oorzaak van haar eeuwige zaligheid worden zou. Hierin besliste Gods ontfermende liefde tot heil van de verloren wereld (Hebr. 2: 9) en duldde zij het dat de eengeboren Zoon als een verlorene in dood en hel neerdaalde, opdat de wereld niet voor eeuwig verloren ging, maar het leven hebben zou. Eens las de zendeling Nott onze tekst aan enige bekeerde Tahitiërs voor en legde die uit. Toen vroeg een van de toehoorders: “Is het dan werkelijk waar, dat God u en ons zo heeft lief gehad, dat Hij Zijn eengeboren Zoon voor ons overgaf?” Toen Nott de waarachtigheid van zijn evangelie bevestigde, riep de Tahitiër uit: “O en van zo’n liefde kunt u zonder tranen spreken!” De Heere geve dat dit evangelie, waaraan ons oor van kinds af gewend is, heden en alle dagen een nieuwe en aanbiddende bewondering aan ons gemoed ontlokke, totdat wij eindelijk volkomen de grootheid van de onbegrijpelijke liefde zullen erkennen, die de grond van onze zaligheid is!
De liefde van de Vader is de oorzaak, de liefde van de Zoon het middel, de liefde van de Heilige Geest het einde van de verlossing; het is één liefde. De Zoon is de gave van de Vader en de Heilige Geest is de gave van de Vader en de Zoon; het is één gave. Indien God de wereld niet kon liefhebben, hoe zou Hij haar hebben kunnen behouden? God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaren waren (Rom. 5: 8). God rechtvaardigt de goddelozen (Rom. 4: 5). Hierin is de liefde niet, dat wij God lief gehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden (Joh. 4: 10). De wereld, waarvan hier door de Heere gesproken wordt, is de mensheid in haar toestand van zonde en verlorenheid. Zou de Schepper Zijn gevallen schepsel, dat nog redbaar was, niet redden? Het is onmogelijk. God is liefde; deze deed Hem de wereld scheppen; en toen zij door de zonde bedorven werd, een nieuwe schepping tot stand brengen door Zijn eniggeboren Zoon te geven in de mensheid tot een nieuw beginsel van deze nieuwe schepping. De Zoon zelf stelt Zijn overgave door de Vader voor als een groot, ja als het grootste bewijs van Gods liefde en zegt: Alzo lief heeft God de wereld gehad, en wie peilt dat “alzo?” Geen menselijk dieplood: het is een oneindige liefde.
Vraagt iemand: kan ook ik waarlijk Christen worden? Is er ook vergeving voor mij? Stierf Christus ook voor mij? Dan antwoord ik: als u mij kunt bewijzen dat u niet begrepen bent onder het “een ieder”, bewijst u dat Christus niet gekomen is om u te behouden en dat u verloren bent. De kring voor de mogelijkheid wordt gevormd door het een ieder. Welnu, kan daar iemand van uitgesloten zijn. Is er enig mens, die door dat grenzeloze: “Een ieder, die gelooft, niet omvat wordt? En opdat u niet zou menen dat geloven iets doen is, omdat het slechts eenvoudig aannemen en niets anders is, drukt Zich de Zaligmaker nog in een andere vorm uit. Een mens in diepe ellende weggezonken leest deze woorden: Een ieder die gelooft. Maar ik kan niet geloven. En wederom: “De Geest en de bruid zeggen: Kom! (Openbaring . 22: 17a). Maar ik heb geen wil van mijzelf. Welnu, lees dan Openb. 21: 6 , daar wordt niet van u gevergd te willen of te komen of te geloven; daar heet het: Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water van het leven om niet.
Een mensengeslacht naar Zijn beeld geschapen, met Zijn eer en Zijn heil gekroond; maar van Hem afgevallen, tegen Hem in opstand, Zijn wet met voeten tredend, Zijn liefde verwerpend. Een mensengeslacht, in miljoenen afzetsels uitgebreid, wier aller bedenken vijandschap is tegen Hem, hoogmoed, die Hem hoont en van Hem aftrekt. Een mensengeslacht, dat een geschiedenis heeft van zestig eeuwen van onophoudelijke zonde. Stel u de gruwelen voor van de heidenen, de afkeringen van Israël, de ongerechtigheden van de Christenvolkeren; gedenk uw eigen zonden. Roep voor uw geest al de valse goden, die op deze aarde voor Zijn aangezicht Zijn opgericht, alle lasteringen van Zijn naam, die heiligschennend ten hemel zijn opgeklommen, als de bloedstromen die tot Hem geroepen hebben sinds het bloed van Abel zijn stem verhief, al de afschuwelijke wellust, al de schandelijke roof, die gepleegd, al het bedrog dat gezien en niet gezien is, al de boze begeerlijkheden, die in de harten van de duizend miljoenen zijn opgeklommen in duizenden van jaren. Dat is het mensengeslacht, dat is de wereld, dat het waardig voorwerp van Gods gerechte toorn. Maar aan dat voorwerp van Zijn gerechte toorn heeft Hij Zijn hoogste liefde geopenbaard. Daar is gezongen: In mensen een welbehagen. Dat woord, dat lied wordt rondgedragen en aangeheven te midden van een zondige wereld, die van haar zonde niet rust. Dat woord, dat lied, zij reiken tot de uiterste grenzen van de aarde, zij dringen door tot de diepste schuilhoeken van de zonde. Zij vervolgen de verharde zondaar tot op zijn doodbed. O lankmoedigheid van de liefde van God. O diepte van genade.
Nog uitdrukkelijk moet Ik uw Joodse voorstelling van de Messias tegenspreken, als moest die, wanneer Hij zal zijn verschenen, voor alles het oordeel van de verdoemenis aan de heidenwereld volvoeren, om daarna het uitverkoren volk Israël zonder meer tot het volle bezit van de beloofde zaligheid te leiden. a) Want God heeft Zijn Zoon, die in Mijn persoon hier voor u staat, niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou en de welverdiende verdoemenis over haar brengen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Dat heeft Jesaja 52: 10 vooraf verkondigd en dat moet u, Joden, ook om uwentwil lief zijn, want was het bij die zending werkelijk alleen te doen om een uitwendig te volvoeren gericht, hoe zou u dat kunnen ontgaan? (MATTHEUS. 3: 9 v. ).
Luk. 9: 56. Joh. 9: 39; 12: 47. 1 Joh. 4: 14.
Hoewel het gericht niet het doel is van de zending van de Zoon van God, dan is het toch het gevolg daarvan en hoewel het niet uitwendig plaats heeft, zo geschiedt toch inwendig en als vanzelf een scheiding tussen hen, die zich laten redden van het oordeel, dat over hen moest gaan, als voorwerpen van Gods toorn en de anderen, die zich niet laten redden, maar Gods toorn steeds ophopen (Rom. 2: 5). Die namelijk in Hem, de Zoon van God, gelooft, wordt niet veroordeeld. Hij heeft geen verdoemenis te vrezen, omdat toch de zonde, waarom alleen iemand veroordeeld zou worden, hem vergeven is en hem nu met de hem beloofde gerechtigheidook eeuwig leven, het tegendeel van de verdoemenis wordt geschonken (Hoofdstuk 5: 24). Maar die niet gelooft, omdat hij of geen arm zondaar wil heten, of een boos zondaar wil blijven en daarom Degene veracht, die hem tot een verzoening van de zonde en tot een Redder van deze gegeven is, is al veroordeeld. Hij draagt het oordeel al inwendig in zijn hart, totdat het later ook uitwendig aanhem wordt voltrokken; omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God. Buiten deze toch kan er geen redding zijn (Hand. 4: 12. Hebr. 10: 26 v. ) en in deze versmaadt men geen mindere, dan Hem, die het afschijnsel is van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van Zijn wezen, de zichtbare openbaring van Zijn vriendelijkheid en liefde en zaligmakende genade (Hebr. 1: 3. Tit. 3: 4; 2: 11).
Reeds in het zesentwintigste vers lag de tegenstelling tegenover het Joodse particularisme; hier treedt die nog meer bepaald op de voorgrond. Volgens de Joodse Christologie zou de Messias komen ten gerichte over de heidenen. Letterlijke verklaringen van plaatsen uit het Oude Testament (als Ps. 2: 9. Mal. 4: 1) hadden de particularistische, farizese geest tot deze exegese geleid en tot de volgende stelling aanleiding gegeven: de Jood wordt niet geoordeeld, maar wel die geen Jood is, verdoemd (vgl. de stelling van de Katholieke dogmatiek. Die het Katholieke geloof heeft wordt zalig, die het niet heeft, wordt verdoemd). Christus maakt daarentegen het zalig worden afhankelijk van een individueel (persoonlijk) levend geloof en desgelijks het niet zalig worden van het beslist, volhardend ongeloof. Evenals de verlossing de gelovige heiden niet verwerpt, zo verschoont het gericht de ongelovige Jood niet; het oordeel maakt geen onderscheid tussen Joden en heidenen, maar alleen tussen gelovigen en ongelovigen.
Ieder mens openbaart door gelovig te worden of ongelovig te blijven metterdaad zijn zedelijke toestand, beter dan dit door het gestrengste rechterlijke onderzoek zou kunnen geschieden; dit gericht is van dat, wat de Joden zich voorstelden, evenzo verschillend als de in vs. 14 v. beschreven stichting van het rijk van die, die zij zich inbeelden.
De ongelovige is reeds geoordeeld op het ogenblik van het ongeloof zelf dat hem uitsluit van de enige bron van leven en zaligheid; het bewerkt dat de toorn van God op hem blijft (vs. 36). Daardoor wordt natuurlijk niet uitgesloten dat op een bepaald tijdstip ook een uitwendige openbaring van het oordeel plaats vindt.
De ongelovige komt in het gericht, niet omdat hij een zondaar is, maar omdat hij een zondaar wil blijven en niet door het geloof wil gered worden. God heeft aan hem gewerkt, om hem tot het geloof te brengen, maar omdat hij in het ongeloof volhardt, wordt hij verdoemd. Dat is dus de eigenlijke hoofdzonde als de mens niet gelooft.
Dat is het oordeel, dat het onderscheid maakt tussen hen, die zalig en hen, die verdoemd worden. Het is niet de vraag hoe waardig of onwaardig u bent, want het is al besloten, dat ze allen zondaars en de verdoemenis waardig zijn; maar dit is de vraag, of u in Christus gelooft of niet. Gelooft u, dan bent u al gered en het oordeel van de verdoemenis is van u weggenomen; die gelooft, hoeft voor het laatste oordeel niet te vrezen, want het gericht is opgeheven; het gaat hem evenmin aan, als het de engelen aangaat. Maar ook is een verschrikkelijk oordeel geveld over de menigte van hen, die deze prediking niet geloven, maar die het wagen met hun eigen heiligheid en verdienste voor God te komen en daardoor zalig willen worden, voor zulken toch is alle genade verloren; hen is ze volstrekt geweigerd; zij zijn onder de verdoemenis besloten, waar ze niet uit zullen komen, zolang zij niet geloven en niets zal hen baten, al is het dat zij grote en moeilijke en vele werken doen en een voortreffelijke schijn van heiligheid bezitten.
Hoe zou de gelovige door de door God verordende Rechter worden veroordeeld, omdat het geloof toch niets anders is dan een opnemen van Hem en het geloofsleven niets anders dan een zijn in Hem? De Heere zou dan, als Hij over de gelovigen ten gerichte wilde zitten, Zichzelf daarin oordelen. “Die niet gelooft, die heeft al de hel aan de hals”, zegt Luther. De tweede stelling blijkt vanzelf uit de eerste; toch laat Jezus het niet over aan de peinzende Nikodemus, of hij die gedachte uit de eerste mening wil afleiden of niet, Hij doet het zelf en dat niet zonder bedoeling. De mens trekt niet zo graag de naaste gevolgtrekkingen uit een onbetwistbare waarheid: hij wil niet graag de scherpe angel in zijn hart drukken, hij wandelt aan een afgrond en wil die niet zien. Maar de Heere wil redden; Hij ontdekt voor de overste de hel, die voor hem gaapt; het gericht over de ongelovige is niet in de toekomst, moet niet verwacht worden, het heeft al plaats gehad op het ogenblik, waarin het ongeloof zich openbaarde. De acten zijn op het ogenblik, waarop het ongeloof beslist voor de dag treedt, geheel gesloten, het hele proces is rijp voor de uitspraak.
Het geloof in Christus heeft de waarde van gerechtigheid in het gericht, omdat het bestaat in overgave aan die gerechtigheid, die zich in het oordeel betoonde. Het ongeloof over Hem is daarentegen het oordeel van de mens over zichzelf en dat hij de hemelse wereldorde ook in haar duidelijkste uitdrukking, in het leven van Christus niet wil aannemen. De mens ontzegt zichzelf daardoor het burgerrecht in de hemel en geeft zichzelf over aan een tegenoverstaande wereld vol verdoemenis. Het ongeloof heeft dus dezelfde betekenis als alle slechtheid, die het in beginsel in zich bevat en onder verschillende omstandigheden ook voortbrengt.
Het ongeloof omtrent Christus verwerpt de hoogste en sterkst geautoriseerde Gezant van de eeuwige God, weerspreekt Hem in het aangezicht, vergrijpt zich aan Gods majesteit en versmaadt Zijn grootste liefdegave: het is dus een teken van een boos en goddeloos hart.
Vroeger verwonderde zich Nikodemus dat de mens moest worden wedergeboren en kon hij niet denken, hoe dat moest plaats hebben. Begrijpen wij hem juist, dan heeft hij zich nu verwonderd hoe een mens niet wedergeboren kan worden en heeft zijn ziel gevraagd hoe het mogelijk was, dat er toch zodanigen waren, die niet geloven en daarom al geoordeeld zijn. Daarop geeft de Heere hem in het volgende antwoord.
En dit is het door de ongelovige zelf gevelde oordeel, waarvan Ik zo-even sprak (vs. 17 v. ). Daarin bestaat het, dat in Mij, de nu verschenen Messias het licht persoonlijk in de wereld gekomen is, om het uiterste tot hun redding te doen, het licht dat reeds in het begin van de schepping in een bepaalde betrekking tot de mensen stond en hen ook toen nog probeerde te verlichten, toen zij zich aan de duisternis hadden overgegeven (Hoofdstuk 1: 4 v. ). En de mensen hebben in plaats van zich aan de genadige werking van het licht over te geven, de duisternis, d. i. hun vervreemding van God, hun valse door het eigen hart verzonnen vrijheid en haar met de dienst van de wereld en het vlees overeenstemmende grondstellingen, liever gehad dan het licht. Voor het licht trokken zij zich schuw en snel, ja met een dadelijk scherp uitgedrukten afkeer terug, want hun werken waren boos en omdat zij wel voelden dat deze door het licht werden geopenbaard en veroordeeld en zij ze dan moesten opgeven, als zij gemeenschap wilden hebben met het licht, gaven zij liever deze gemeenschap prijs dan die werken van hen.
De orde, door Jezus vroeger in acht genomen, is nu omgekeerd; de ongelovigen worden vooraan (vs. 19 en 20), de gelovigen achteraan geplaatst (vs. 21). Waarom gebeurt dit? Ongetwijfeld omdat Jezus met een opwekkend woord tot Nikodemus het gesprek eindigen wil. Wat de algemene uitslag van dit oordeel betreft, verklaart Jezus, dat de proef voor de wereld al genomen is, zodat de uitkomst met zekerheid aangekondigd kan worden: “De mensen hebben meer bemind. ” Jezus zegt: “de mensen”, hetgeen rechtstreeks op het hele Joodse volk doelt (vs. 11), maar ook op de gevallen mensheid in het algemeen, waarvan Jezus zeer goed weet dat het Joodse volk in dit opzicht de vertegenwoordiger is.
Het zou vreemd kunnen schijnen dat Jezus van de verhouding van de mensen tot Hem spreekt, als van een besliste zaak, hoewel Hij nog in het begin van Zijn werkzaamheid is; maar dadelijk het begin besliste over de hele verhouding van Israël en daarmee van de mensen over Hem. Zij verkregen van het licht kennis, die tot liefde drong, door de getuigenis, die de Geest van God de Schepper in het geweten aan hun geest gaf; maar de duisternis, waartoe zij van nature behoorden, verkozen zij nu wetens en willens.
De mensen zullen niet geoordeeld en verdoemd worden om de duisternis, waarin zij door de zonde geraakt zijn. Christus is machtig en gewillig om hen aan de duisternis te ontrukken en hen Zijn licht deelachtig te maken. Maar “dat is het oordeel, ” daardoor zal het licht, verschenen om zalig te maken, een openbaren zijn van het rechtvaardig gericht van God, dat de mensen, nadat het in de wereld is gekomen, de duisternis meer hebben liefgehad dan het licht. De mensen hadden de duisternis liever dan het licht, een weinig hadden zij dus ook het licht lief; de treffende liefelijkheid van het licht, het “alzo” van de ontfermende liefde van God liet zich aan niemand geheel onbetuigd; er is geen mens, wie Jezus Christus niet te eniger tijd de wens ontlokte: “Ik zou wel door deze zalig willen worden. ” O, de eeuwigheid zal het duidelijk maken, dat onder de verlorenen niemand wordt gevonden, die geen trekkingen tot het licht van het levens in de duisternis van zijn dood heeft opgemerkt; maar – het is treurig -zij beminden de duisternis meer dan het licht! Liever wilden zij het licht verliezen, dan het te verkrijgen voor de prijs om de duisternis te moeten haten en laten! Twee wonderen – het ene uit de hoogte, het andere uit Satanische diepten: alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn ééngeboren Zoon gegeven heeft; alzo lief heeft de wereld de duisternis gehad, dat zij de ééngeboren Zoon van God verworpen heeft! Dat is de geschiedenis van Israël en van alle verlorenen, zoals de Heere die in de toekomst aanschouwt, zodat Hij in de verleden tijd spreekt. Gehele liefde tot het licht brengt gehele haat tegen de duisternis teweeg; maar meer liefde tot duisternis dan tot licht, brengt ten slotte volkomen haat tegen het licht teweeg en maakt aan de Satan gelijk.
De oorzaak van die haat tegen het licht wordt uitgesproken in de woorden: “want hun werken waren boos. ” In zekere zin zijn de werken van alle mensen boos, zo zeker als al het gedichtsel, al het zoeken van het menselijk hart boos is van de jeugd af en als alle mensen volgens de verklaring van de Heiland boos zijn (MATTHEUS. 7: 11). In deze zin kunnen echter de woorden niet gemeend zijn; zij kunnen hier alleen op de besliste en hardnekkige boosheid zien. De Schrift leert dadelijk, nadat zij over de diepte van de zondenval gesproken heeft, waarin het gehele menselijke geslacht gewikkeld is, dat ondanks die nog steeds een tegenstelling plaats vindt tussen onrechtvaardigen en rechtvaardigen, tussen degenen die zich onvoorwaardelijk aan de aangeborene zonde overgeven, zoals Kaïn en zijn geslacht en degenen die in gemeenschap met God en door te wandelen met Hem, haar bestrijden, zoals Abel, Henoch, de kinderen van God in Gen. 6: 2 en Noach. In dezelfde betekenis, waarin de boze werken hier staan, komen zij ook in 1 Joh. 3: 12 voor, waar de boze werken van Kaïn tegenover de rechtvaardige werken van Abel worden gesteld. Dat onderscheid is vooral zichtbaar op het gebied van het verbondsvolk, dat de Heiland hier in de eerste plaats op het ook heeft; in de heidenwereld trad het meer op de achtergrond.
Zo lang het hart in het verderf van de zonde wil blijven, dat niet wil belijden, noch er van verlost worden, kan het niet geloven; aan het geloof gaat de erkentenis van de zonde en het ernstige verlangen om ervan verlost te worden, vooraf; geloof en het vaste voornemen om in de zonde te blijven, zijn onverenigbaar. Zo is dus een boos, verdorven hart bron van het ongeloof, verwerping van het Christendom is een ondubbelzinnig teken van verdorvenheid van het hart. Men kan veel spreken van plicht en deugd, wanneer men echter zijn plicht jegens het Opperhoofd der mensen, jegens de Heiland vergeet, dan is het niet dan schijn en pralerij.
Want een ieder, die kwaad doet, die met verkeerde dingen omgaat, waarvan hij geen afstand kan doen, hetzij dat hij op grove wijze zich aan de zonde overgeeft of dat hij bij uitwendig leven naar de wet toch een onrein, baatzuchtig en trots hart in zich omdraagt en besloten is om te volgen wat dit hem ingeeft, haat het licht, dat in de persoon, het woord en werk van de Zoon van God zich aan hem vertoont, zodat hij dadelijk bij het eerste ontmoeten een antipathie voelt, zich daarvan voelt afgestoten. Zo iemand komt tot hetlicht niet, maar vermijdt iedere nadere aanraking met Hem, die het licht van de wereld is (Hoofdstuk 8: 12; 9: 5), opdat zijn werken, die hij doet, niet bestraft worden, openbaar worden hoe zij zijn en hij daarom in zijn geweten onrust en boven andere schaamte zou moeten voelen.
Hier is het Christelijk begrip te vinden van wat eigenlijk “lichtschuw” is.
Het is voor de kinderen van de duisternis een gruwel, als het licht van het Evangelie onder hen wordt gebracht; zij verheffen zich dan als de uilen en vleermuizen, wanneer men met een fakkel in hun schuilplaats licht; het licht stoort hen in hun bemoeiingen van de duisternis.
Er ligt in de mens niet alleen een traagheid, maar ook een beschaamdheid om zich te veranderen. Ieder wil de roem hebben nooit veranderd te zijn, want deze roem schijnt een en dezelfde te zijn, met geen verandering nodig te hebben gehad. Die in boze werken is groot geworden, is een kind van de nacht, dat niet door de lichtstralen bestraald wil worden, omdat elke lichtstraal het zwarte van de nachtelijke duisternis bestraft. In Christus is geen duisternis, maar enkel waarheid, gerechtigheid en vrede. Tot Hem nadert geen zondaar, zonder in zich te voelen hoe boos hij is, zonder te moeten erkennen dat hij een oordeel tegen zich heeft. Dat ontvlucht, dat bestraffend gevoel en geweten vreest de zondaar; het doet te zeer, het maakt te onrustig, het stoort te zeer in de droom van met zichzelf tevreden, onbezorgde rust; het strijdt te zeer tegen elke hoop van de eigen duisternis. Dan zou het toch duidelijk worden dat men niet alleen tevergeefs, maar ook dat men zichzelf tot schade geleefd heeft; men zou niet alleen nieuwe wegen moeten inslaan, maar ook de oude zelf berispen en daarvoor boete doen – en dat, hoe zou men dat kunnen verdragen! Beschaamd te worden, in het stof geworpen te worden, een arm zondaar te zijn, waarvoor buiten de genade geen hoop meer overblijft, nee, dat niet. Men trekt terug, men ontvangt het licht, men geeft zich met beslistheid aan het vroegere over en nu wordt men erger dan te voren. Wanneer toch het woord tevergeefs vernomen is, als zich de ziel tegen het goede verhard heeft, dan komt de boze als straf over de mensen en als hij vroeger heeft gezondigd omdat zijn lust hem verleidde, dan is het nu zijn eigen wil, een knecht en slaaf van de duivel te zijn; dan wordt hij groot in de boosheid en met iedere dag wijkt de zon van de genade van hem.
Maar die de waarheid doet, d. i. haar zoekt en eert, naar haar voor alles verlangt en zich gewillig en graag aan haar onderwerpt (Hoofdstuk 8: 47; 18: 37), die voelt zich aangetrokken door Hem, die in de wereld is gekomen om aan de waarheid getuigenis te geven en komt tothet licht, om in dit schijnsel daarvan steeds meer eigen leven en streven te leren kennen en steeds zekerder te worden over de weg tot zijn doel. Hij kan dat begeren, opdat zijn werken, die hij uit liefde tot de waarheid verricht, ook voor anderen openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn en hij hoeft zich zo voor niemand over deze te schamen.
Onder de bomen van een en hetzelfde woud verbergen zich gedurende de nacht allerlei soorten van vogels; maar ‘s morgens, zodra de zon haar stralen verspreidt, sluiten enigen de ogen en zoeken de donkerste schuilhoeken op, terwijl de anderen met de vleugels slaan en de zon met hun gezang begroeten.
Er worden twee klassen van mensen onderscheiden, waarvan de ene het licht haat, omdat dit het kwade in hen ontsluiert, de andere het lief heeft, omdat het werken in God gedaan openbaart. Daarom zou het kunnen schijnen alsof volgens de mening van Christus alleen rechtvaardige en heilige mensen tot het licht konden komen, maar de zondaars niet, hetgeen toch niet alleen het geheel van de Schrift, maar ook de uitdrukkelijke verklaringen van de Heere weerspreekt. De gedachte is daarom liever zo op te vatten: niet op zichzelf staande goede werken maken geschikt om tot het licht te komen; deze kunnen integendeel, omdat de mens er zijn eigen gerechtigheid op bouwt, vaak juist zeer daarvan af houden; maar de gehele innerlijke gezindheid tot waarheid en reinheid en wat daar uit volgt, maakt daarvoor bekwaam. Die de waarheid doet, de waarheid in zich volbrengt, haar in zich werken en tot zijn eigen daad laat worden en door deze dat, wat duisternis is, laat geoordeeld en gedood worden, geen zelfmisleiding en leugen wil, die mag zich vol moed voor Gods vlammend oog stellen; hij wil toch geen beloning en erkenning van goede werken, hij heeft in het algemeen niets te roemen dan het goede werk, dat God aan hem gedaan heeft en zijn hoofdbeginsel bestaat daarin, dat hij zich niet verontschuldigt, maar kwaad kwaad noemt. Alzo is het de ware, zuivere bekering, die tot het licht leidt en deze moet even zozeer plaats hebben bij hem, die, door omstandigheden bewaard, niet in grove zonden vervallen is, als bij hem, bij wie dit het geval was.
Dit ernstig streven naar heiligheid, dat men evengoed bij een boetvaardige tollenaar als bij een onberispelijke Nikodemus kan aantreffen, bewerkt dat het hart zich rechtstreeks naar Christus wendt, zodra Hij verschijnt. De ziel erkent in Hem haar verwerkelijkt ideaal en voelt zich tot Hem aangetrokken, omdat zij het door Hem ook zelf zal kunnen verwezenlijken. Is de figuurlijke uitdrukking, “tot het licht komen” niet een toespeling op de stap van Nikodemus? Indien de nacht, die buiten heerste, een beeld was van het ongeloof, dan was het licht dat hen nu bescheen, terwijl alles rondom hem in nachtelijk donker verkeerde, een zinnebeeld van hetgeen hij voor zijn ziel was komen zoeken. Jezus stelt de waarheidsliefde en oprechtheid op hoge prijs, waardoor de grijsaard bewogen was, op deze wijze tot Hem te komen en zonder zich te verzetten, alles aan te horen wat Hij tot nu toe gezegd had. Ieder oprecht mens, iedere Nathanaël wil met Christus de levende heiligheid, waardoor hij handelt en die zijn levensbeginsel aan het licht doet komen. Deze kracht is inderdaad goddelijk van aard, daarom hoeft zij aan het verschijnsel van het licht, dat alles openbaart (Efeze 5: 13), niet onttrokken te worden. Integendeel de volledige goedkeuring, die haar vanwege het eigenlijk licht, Christus, te beurt zal vallen, zal haar hier slechts tot versiering en aanmoediging zijn, maar ook een onderpand en krachtig middel om op het tegenovergestelde beginsel te zegevieren. Is het ons niet alsof wij Jezus horen beschrijven; wat Hij juist op dit ogenblik en door dit woord ten opzichte van Nikodemus doet? – Deze werken, waarvan hier gesproken wordt, zijn evenzeer de zielzuchten van een boetvaardige tollenaar of een berouwhebbende misdadiger, als het edel streven van een Johannes of een Nathanaël. Zijn wij van oordeel dat de uitdrukking “in God gedaan” te sterk is om de zedelijke richting van de oprechte mens te kenschetsen, vóórdat hij gelooft, vergeten wij dan niet dat reeds onder Israël, ja zelfs bij de oprechte Heiden, geloof bestond en dat de goddelijke kracht, òf in òf buiten de theocratie altijd de bron van alle goed in het menselijke leven is. Niemand komt tot de Zoon, tenzij getrokken door de Vader (Hoofdstuk 6: 44, 47). God wekt in het oprecht gemoed de behoefte aan strijd tegen het aangeboren kwaad op, ook al wordt die strijd aanvankelijk door geen overwinning gevolgd (Rom. 7). Daarom kan Jezus van de mens, in wie de vatbaarheid voor deze goddelijke kracht tot heersend beginsel geworden is, zeggen dat “zijn werken in God gedaan Zijn.”
Met dit woord scheen Jezus tot Nikodemus te zeggen: u bent nu in de nacht tot Mij gekomen, eens zult u in het licht tot Mij komen – tot wederziens in het licht.
Nikodemus heeft de laatste veel betekenende woorden zwijgend aangehoord; wat is het gevolg in zijn hart? Vooreerst wordt niets bericht en dat heeft een diepe waarheid. Hoe vaak gaan wij heen en zijn nog niet in staat te besluiten! Hoe langzaam komen onze overtuigingen tot rijpheid. Waar wij misschien tegenspraken en ons verzetten, is evenwel een weerhaak blijven vastzitten, waardoor wij ongemerkt worden getrokken, de latere verborgene ontroering is groter dan een snelle bijval. Zo ging Nikodemus heen; in de Hoge raad sprak hij later, toen zijn ambtgenoten Jezus vervloekten, de vreesachtige, maar toch goede belijdenis uit (Hoofdstuk 7: 50): “Oordeelt onze wet de mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft en begrijpt wat hij doet?” en onder het verdragen van hoon en lastering werd hij sterker, onder Gods lankmoedigheid kwam zijn geloof tot rijpheid, totdat het in het vuur van de beproeving vast bleek te zijn en hij beter gezind bleek te zijn dan de mannen van zijn stand, voor wie de eer bij de mensen liever was dan de eer bij God (Hoofdstuk 12: 43), onder de smaad van het kruis geheel openbaar werd (19: 39). Dat was niet, zoals de Farizeeër Saulus, een plotseling bekeerde, dat was een man, door Gods lankmoedigheid gaandeweg getrokken. Wie dankt genoeg voor de tijd van de genade, als ons door Gods lankmoedige trouw nog tijd wordt gelaten om nog laat tot het licht te komen.
c. Vers 22-36KruisverwijzingenKolossenzen 1:18→Johannes 1:7→Jesaja 9:7→Psalmen 72:17→Johannes 1:20→Mattheüs 9:15→Johannes 8:23→Mattheüs 4:12→
— Na dezen kwam Jezus en Zijn discipelen in het land van Judea, en onthield Zich aldaar met hen, en doopte. En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt. Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. Er rees dan een vraag van enigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging. En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem. Johannes antwoordde en zeide: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij. Gijzelven zijt mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet; maar dat ik voor Hem heen uitgezonden ben. Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden. Hij moet wassen, maar ik minder worden. Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen.
In de eerste afdeling van dat stuk, dat ons hier bezig houdt, was Jezus in koninklijke waardigheid in de tempel gekomen, evenals een vorst in zijn paleis trekt. Nu bleek het meteen dat Hij Zijn werk niet kon beginnen als Messiaans Koning, dat Hij in zo’n werkzaamheid niet werd begrepen. Nu bepaalt Hij Zich tot die werkzaamheid, die een profetische genoemd kan worden, tot de prediking van het woord en het doen van wonderen, waarbij Hij dan ten minste een man van aanzien te Jeruzalem vindt, die ernstig geneigd is het licht boven de duisternis te stellen, zoals de tweede afdeling ons heeft geleerd. In de derde afdeling, die nu voor ons ligt, zien wij Hem in het Joodse land in de nabijheid van die plaats werken, waar Johannes de Doper het eerst met de boetprediking en waterdoop is opgetreden. Hij zelf begint nu te dopen; hoewel Hij het nog door Zijn discipelen verricht en schijnt daar veel aanhang te vinden, maar spoedig blijkt ook dat de discipelen van Johannes zich daarover ergeren. Klagen zij daarover bij hun meester, bij deze komt het tot een laatst heerlijk getuigenis, waarin Hij de Messiaanse waardigheid en hemelse afkomst van Jezus nadrukkelijker en bepaalder dan ooit te voren uitspreekt, maar ook een ernstige, dreigende toon aanslaat, waarin hij op de plechtigste wijze protest aantekent tegen het ongeloof, waarmee Israël de Zoon van God en de Heiland van de wereld bejegent en met alle macht van ziel-verzorgende liefde ook Zijn laatste discipelen tot de enige Heiland en Zaligmaker probeert te dringen.
Na deze, omstreeks het midden van oktober kwamen Jezus en Zijn discipelen, waarvan Hij er toen zes in getal had, in het land van Judea en wel in de landstreek van de Jordaan bij Jericho en Hij onthield Zich daar met hen, omdat Hij Zich tot een langer blijven daar gereed maakte (Hoofdst. 11: 54) en doopte door middel van Zijn discipelen (Hoofdst. 4: 2).
En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar en werden gedoopt.
Want Johannes was nog in zijn volle werkzaamheid en was nog niet in de gevangenis geworpen (MATTHEUS. 4: 12; 14: 3 v. ). Dit gebeurde pas zeven maanden later (Hoofdstuk 5: 32 vv. ) door Herodes de viervorst.
De opmerking, dat Johannes nog niet in de gevangenis was geworpen, veronderstelt dat er een aanleiding was, om zich de zaak anders te denken. In ons evangelie zelf vinden wij zo’n aanleiding niet, maar wel in het bericht van de drie eerste evangelisten, volgens welke het de schijn zou kunnen hebben als had een vroegere werkzaamheid van Jezus in Judea voor die in Galilea niet plaats gehad, als was de Heere pas openlijk opgetreden, na het gevangen zetten van Zijn voorloper (MATTHEUS. 4: 12. Mark. 1: 14. Luk. 4: 14) en als sloot deze zich onmiddellijk aan de doop van Christus en Zijn verzoeking door de duivel. Zo, wil onze evangelist zeggen, is het geschiedverhaal bij Mattheus, Markus en Lukas niet te verstaan, maar wij handelen hier nog over een tijd, toen de gebeurtenis die de Heere aanleiding gaf om de schouwplaats van Zijn werkzaamheid naar Galilea over te brengen en daarmee de voorspelling in Jes. 9: 1 v. te vervullen, nog niet was aangebroken. Terwijl nu wordt gezegd: “in de gevangenis geworpen”, hetgeen met het oog op Herodes wordt gezegd, hebben wij hier een vingerwijzing om de uitdrukking “overgeleverd” in MATTHEUS. 4: 12 niet zo te verstaan, als of de Farizeeën door uitlevering van Johannes aan de viervorst bij de gevangenneming hadden deelgehad, zoals bijvoorbeeld Hengstenberg wil, maar deze uitdrukking is of zo bedoeld, als het “door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven” in Hand. 2: 23 , of zoals het in Mark. 1: 14 wordt verklaard. Wij vinden ook geen aanleiding met deze en andere schriftonderzoekers het “Enon bij Salim” te zoeken in het Silhim en Ain, die in Joz. 15: 32 als plaatsen van het zuidelijk land nabij Berseba worden voorgesteld, maar houden staande dat Salim het tegenwoordige Wely (grafteken van een Mohammedaanse heilige) Scheich Salim is. Wij hebben slechts weinige plaatsen in Palestina gevonden, schrijft van de Velde, waarvan men met zoveel waarheid kan zeggen, dat er vele wateren waren. Naar alle waarschijnlijkheid moeten wij de tijd, toen Jezus Jeruzalem verliet en Zich naar het Joodse land aan de Jordaan terugtrok, verklaren met de tijd na het loofhuttenfeest van het jaar 27 na Christus. Een jaar tevoren met het begin van het sabbatsjaar, dat van de herfst van het jaar 26 tot die van 27 duurde, had in deze streek Johannes de Doper zijn werkzaamheid geopend (MATTHEUS. 3: 1 vv. ) en daar op degene gewezen, die na hem zou komen en met de Heiligen Geest en met vuur zou dopen. Nu vond, zoals wij niet anders kunnen aannemen, van de herfst van het jaar 27 tot die in 28 een jubeljaar plaats (Lev. 25: 8 vv. ). Volgens de profetie in Jes. 61: 2 moest nu Jezus in de plaats van de Doper treden en de tijd van de vervulling van Zijn prediking nu ook door een uitwendig te volbrengen doop aankondigen. Johannes trok zich nu natuurlijk voor Hem in zo’n landstreek terug, die hij tot hiertoe nog buiten Zijn werkkring had gelaten, om zijn voorbereidende doop voort te zetten; en daartoe was de streek bij Salim het meest geschikt, waar hij nu, evenals vroeger aan de Jordaan uit het Joodse land, zo nu van Galilea tevens Samaria omvatte, om zo het gehele vroegere land van Israël als het ware voor de Heere in beslag te nemen en het hout van Jozef met zijn metgezellen en het hout van Juda weer bijeen te brengen (Ezechiël. 37: 15 vv. ). Het waterrijke Enon verving nu de plaats van de Jordaan.
Zo is het zeer waarschijnlijk dat Jezus na het paasfeest van het jaar 27, dat met 17 april eindigde, Jeruzalem weer heeft verlaten en naar Nazareth is teruggegaan, totdat Hij Zich ook op 1 juni op het Pinksterfeest en later van 5-12 oktober op het loofhuttenfeest bevond. De evangelist laat dit feestbezoek terzijde, omdat niets wezenlijk nieuws daarbij voorviel. Met de uitdrukking, die hij voor “hierna” in vs. 22 kiest meta tauta en die hij altijd dan gebruikt, waar een indirecte opvolging van tijd wordt uitgesproken, terwijl hij voor de onmiddellijke opvolging van tijd zich van een andere meta touto bedient, geeft hij te kennen dat tussen de gebeurtenissen in Hoofdst. 2: 13; 3: 21 en de voor ons liggende afdeling een vrij lange ruimte ligt. Wat Jezus’ dopen door Zijn discipelen betreft, stelt P. Lange dat voor als een schakel tussen de Nieuw Testamentische doop met de Geest en de doop van Johannes: het was dus in ieder geval een teken, dat het rijk van God nu nog nader was gekomen dan toen Johannes nog voor zich alleen deze boodschap liet horen. Deze kon eerst wijzen op Hem, die nu komende was en degenen samen brengen die in berouw en bekering zich op de toekomst van Christus voorbereidden, terwijl Jezus’ discipelen door hun dopen de verschillende personen uit het volk tot een gemeente van degenen vergaderden, die in de al aanwezige Verlosser gelovig werden en de belijdenis van de naam van Jezus als van de Christus van de Heere aannamen (Hand. 19: 1-7). Daarbij had ook deze doop nog altijd meer voorspellende dan bezegelende betekenis; het “geboren worden uit water en Geest” (vs. 5) kon nog altijd, zoals Hengstenberg opmerkt, slechts onvolkomen plaats hebben, want pas na Christus verheerlijking kwam de Heilige Geest in Zijn eigenschap, als wederbarend principe tot Zijn waarachtig wezen en tot Zijn volle energie (Hoofdstuk 7: 39) en ook het waarachtige water van de doop, dat is het water door Christus’ bloed rood geverfd, dat genezing geeft voor alle uit Adam geërfde en door onszelf bedreven zonden vloeide pas met dit bloed zelf uit de wonde in Jezus zijde (Hoofdstuk 19: 34). De inzetting van de eigenlijke en volle doop geschiedt zo door de Herrezene, voordat Hij ten hemel vaart (MATTHEUS. 28: 19 Mark. 16: 16). Aan dezelfde leraarsstand, waaraan daar de bediening van het eigenlijke doopsacrament wordt toevertrouwd, laat de Heere ook hier het voorafbeeldende, voorspellende dopen over en dat Hij dit doet, dat Hij niet zelf doopt, maar Zijn discipelen de handeling laat verrichten, daarvoor had Hij ook nog een bijzondere reden. Christus zou Zich wel niet hebben geschaamd het zelf te verrichten; Hij onthield er Zich echter van omdat de mensen er graag vergelijkingen uit maken en er roem in stellen: deze en die heeft mij gedoopt met zijn hand, zoals er ook te Korinthe verdeeldheden waren ontstaan, waarom het aan Paulus lief was (1 Kor. 1: 14 vv. ), dat hij er niet velen gedoopt had (Berleb. Bb. ). Daardoor heeft de Heiland aan alle Christenen in het algemeen de troost gelaten dat hun doop, door de hand van Zijn dienaren verricht, een doop was, waarvan op gelijke wijze kan gezegd worden “Christus doopte; Hij is hier de doper”. Opmerkelijk is, dat van die tijd af, die ons het volgende derde hoofdstuk beschrijft, als Christus Zijn eerste Messiaanse werkzaamheid begint en Zich naar Zijn vaderland tot het bijzondere leven terugtrekt, Hij ook voortaan het dopen naliet. Zijn tweede Messiaanse werkzaamheid, die Hij volgens de geschiedenis in Hoofdstuk vijf voor Galilea opende, bevat geen enkel spoor van een verder voortgezet dopen en omdat in deze tijd ook Johannes de Doper uit Zijn werkzaamheid door de gevangenzetting en latere onthoofding was weggenomen, heeft het dopen voor de tijd, waarvan de drie eerste evangeliën van MATTHEUS. 4: 12. Mark. 1: 14. Luk. 4: 14 af verhalen, een einde, totdat het pas op de pinksterdag weer door de apostelen wordt begonnen en wel dan in zijn volle kracht en werking (Hand. 2: 38 vv. ). Dit is te verklaren aan de ene kant uit de meer ondergeschikte plaats, die de doop gedurende het aardse leven van Jezus innam, zodat die dan om bepaalde redenen ook weer kon wegvallen, van de andere kant uit de veranderde omstandigheden, waaronder de Heere Zijn tweede Messiaanse werkzaamheid opende en die nu ook de redenen aanwijzen voor het nalaten van de doop. Deze verandering van omstandigheden zal ons hij het beschouwen van de beide volgende hoofdstukken vanzelf duidelijk worden; wij spreken er daarom hier niet nader over. Op de vraag, door enige critici gedaan, om de waarheid van de gehele evangelische geschiedenis verdacht te maken: waarom Johannes bij zo besliste erkenning van Jezus’ voorrang niet dadelijk zijn ambt als heraut neerlegde, toen Christus zelf liet dopen? antwoordt Ebrard zeer juist: “omdat, als een nieuwe universiteit wordt opgericht, leraars aan de gymnasia niet dadelijk hun betrekkingen neerleggen”.
Toen de in vs. 22 vv. beschreven verhouding een tijdlang had geduurd, werd de menigte van hen, die tot de doop van Jezus kwamen, steeds groter in vergelijking van de menigte van hen, die zich bij Johannes bevonden (Hoofdstuk 4: 1). Er rees dan een twist-vraag van enige uit de discipelen van Johannes met de Joden (volgens betere lezing met een Jood) over de reiniging, als ware het een eigenmachtig ingrijpen van Jezus in het recht van hun meester, wanneer Hij ook nu de doop liet bedienen.
En zij kwamen tot Johannes, om hem hun zaak ter beslissing voor te leggen en zeiden tot hem: Rabbi! die met u was, om uw doop te ontvangen (MATTHEUS. 3: 13 vv), over de Jordaan, waar u vroeger werkte, die u voor al het volk en de afgezanten van de Hoge raad (Hoofdstuk 1: 19 vv. ) getuigenis gaf, die u dus eerst zelf inaanzien hebt gebracht, zie, die doopt nu ook en zij komen allen tot Hem, om zich door Hem te laten dopen (Hoofdstuk 12: 19).
De doop van Jezus’ discipelen verkreeg door de werkzaamheid van Jezus een grotere kracht (Hoofdstuk 10: 41 v. ) en maakte een sterkere indruk dan de doop van Johannes. Zo kwam het dat de toeloop tot Jezus groter werd, terwijl die tot Johannes afnam. Dit ergerde de discipelen van Johannes en ten slotte hebben zeker de verwijten, die de Jood, van wie de evangelist spreekt, schijnt te hebben gemaakt, hun ijverzucht gaande gemaakt. Deze Jood doet de uitleggers veel moeite aan: alle moeilijkheid wordt echter eenvoudig daardoor opgelost, dat hij iemand is, die aan de doop van Jezus dadelijk daarom de voorkeur geeft, omdat die op Joods grondgebied plaats heeft, terwijl Johannes tussen het verachte Galilea en het in nog veel sterker verachting staande Samaria zijn werk verricht. Waarschijnlijk kwam hij juist van de doop van Jezus en sprak hij voor de discipelen van Johannes zijn mening uit, dat hun meester toch nu met zijn dopen moest ophouden; misschien had hij zich vroeger door Johannes laten dopen en verklaarde hij dat hij pas nu, nadat hij den doop van Jezus had ontvangen, zich voor werkelijk gereinigd kon houden. Nu verhieven de discipelen van Johannes het tot een formeel twistpunt, dat de reiniging of godsdienstige wassing, zoals die volgens de profetie (Ezechiël. 36: 25. Zach. 13: 1) aan het koninkrijk der hemelen moest voorafgaan, door hun meester moest worden volbracht, als die alleen de roeping had om te dopen; dat daarentegen Jezus zelf eerst uit de gemeenschap van de Doper was voortgekomen en Zijn aanzien bij het volk alleen te danken had aan diens getuigenis ten Zijne gunste afgelegd; dat het daarom van Hem verkeerd was, als Hij nu met de meester concurreerde, zodat deze in de schaduw werd geplaatst. Zij brengen dan ook met een zekere geraaktheid, die al daaruit blijkt dat zij de naam van Jezus vermijden en Hem liever karakteriseren naar de verhouding, die Hij volgens hun mening tot Johannes innam, het twistpunt tot deze, opdat hij zelf in hun zin mocht beslissen en voortaan kon zorgen dat hem alles bekend was over iemand, die pas door hem iets was geworden. Nu openbaart zich echter al de grootheid van de Doper naast de kleinheid van deze discipelen, waarvan hem alleen de oppervlakkigsten van zijn bloeiende school zijn gebleven, terwijl hij de besten in de school van Jezus heeft laten gaan. Plechtig en met een priesterlijk voorgevoel van zijn nabijzijnd tragisch einde en van het begin van Jezus’ verheerlijking legt hij vol geestdrift nog eens een getuigenis voor dezen af.
Voor Johannes was juist wat Zijn discipelen bedroefde de grootste vreugde. Hij was er in zijn hart verre van om voor zich een hogere plaats te begeren dan die zijn roeping, aan de Heere Jezus ondergeschikt, hem aanwees. Hij antwoordde en zei: Een mens kan naar zijn geheel van Gods gave en roepingafhankelijke stand voor zichzelf geen ding aannemen, als het hem uit de hemel niet gegeven is en tracht hij evenwel naar iets, dat dat daar boven is, dan is dat een misdadige en verderfelijke onderneming.
Men is het er niet over eens of deze zin alleen op Christus doelt, of op Johannes, of op beiden tegelijk. Men zal echter bij Johannes moeten blijven staan; want het kan nauwelijks twijfelachtig zijn dat het “een mens” met nadruk staat en overeenkomt met het “die uit de aarde is” in vs. 31 , dat het de spreuk in zich bevat, volgens welke ieder met het van boven hen bescheiden lot tevreden moet zijn (vgl. Pred. 6: 10). Ook het “gegeven uit de hemel” past beter bij Johannes dan op Jezus, die “van boven komt” (vs. 31), Gods Zoon en vertegenwoordiger op aarde is en wat Hij heeft als uitvloeisel van Zijn hele persoonlijkheid bezit en niet slechts als een gave.
Men spoort Johannes aan zich tegen Jezus te verdedigen, die hem berooft. “Ik kan niet nemen, antwoordt hij, wat God mij niet gegeven heeft”, met andere woorden: ik kan mij niet tot bruidegom opwerpen, als ik slechts de vriend van de bruidegom hen. Reeds van het eerste ogenblik af was Johannes de Doper door zijn roeping veroordeeld om beroofd te worden. De grootheid van de voorloper kon slechts een voorbijgaande zijn; indien hij zich tegenover Hem, voor wie hij geroepen was de weg te bereiden, had willen staande houden, zou hij genomen hebben wat hem niet gegeven was.
U zelf, ijverzuchtigen, die meent dat ik mijn waardigheid moet verdedigen en mij mijn aanzien bij het volk niet moet laten ontnemen, bent daardoor dat u zich op het door mij over Jezus afgelegde getuigenis beroept (vs. 26) mijn getuigen, dat ik bij gelegenheid van de tot mij gerichte vragen (Hoofdstuk 1: 19 vv. ) gezegd heb: Ik ben de Christus niet a) maar dat ik voor Hem heen uitgezonden ben, om voor Hem de weg te bereiden, zodat ik geheel en al de mij aangewezene plaats inneem.
Mal. 3: 1. MATTHEUS. 11: 10. Mark. 1: 2. Luk. 1: 17; 7: 27.
“U zelf”, zegt Johannes, omdat zij juist deze getuigenis buiten rekening schijnen gelaten te hebben, als zij zich over Jezus’ toenemend aanzien bezwaard maken; wat zijzelf van Hem gehoord hadden, moest tot hun weerlegging dienen. Deze Jezus, die hun ijverzucht heeft opgewekt, had Johannes voor hun oren plechtig voor de Christus van de Heere verklaard; daarom staat hij hun volstrekt geen kritiek toe over Jezus’ gedrag, het allerminst ijverzucht over de vrucht daarvan.
Met deze uitspraak ontslaat hij zich van alle verantwoordelijkheid ten aanzien van de ijverzucht, die hen tot deze stap bewogen had. Voorts maakt hij een nauwkeurig onderscheid tussen hetgeen hem geweigerd en hetgeen hem gegeven is.
Die de bruid heeft, omdat zij zich tot hem, voor wie zij bestemd is, met erkentenis haar roeping wendt, is de bruidegom. Geen ander heeft het recht te proberen haar van hem af te keren om haar zichzelf toe te eigenen; maar de vriend van de bruidegoms, die bij zo’n omstandigheid toch als derde in aanmerking komt, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem van de bruidegoms. Zo is dan mijn blijdschap vervuld geworden. Probeer niet om door enige poging andere gevoelens in mij op te wekken, mij te willen storen en hinderen.
Simeon’s vreugde was volkomen, toen hij het kind Jezus in zijn armen sloot, de vreugde van de Doper, toen hij wist, dat de bruid in de armen van de Messias was; in het woord “de vriend van de bruidegom” spreekt hij zijn verhouding en gezindheid uit; hij mag geen mededinger willen zijn, omdat de bruid niet aan hem, maar aan de bruidegom toebehoort; hij is het ook niet, maar zonder jaloersheid voelt hij juist nu de hoogste vreugde, nu Christus hem aflost en hem de bruid ontneemt, die hij zelf tot Hem heeft geleid.
Volgens de zeden van de Hebreeën was de sjosjben, een vriend van de bruidegom, de noodzakelijke tussenpersoon, zowel bij het aanzoek als bij het sluiten van het huwelijk. Hij deed voor Zijn vriend bij de bruid het aanzoek en was de onmisbare onderhandelaar tussen smid en bruidegom bij de bruiloft. Bij de bruiloft zelf bestuurde hij de feestelijkheid; hij was noodzakelijk tegenwoordig bij het onderzoek van de bruiloftskamer en ook als het huwelijk gesloten was de bemiddelaar van gerezen misverstand en twist. Zonder twijfel heeft Johannes vooral het aanzoek op het oog, waartoe hij was geroepen. Zo spreekt hij zelf met het plaatsen van zichzelf onder de bruidegom, met zijn deelneming zonder naijver ten opzichte van de bruid ook het eervolle en bevredigende van zijn plaats uit. Hij staat daar terugtredende en hoort zwijgend mee aan, hoe de bruidegom zelf van zijn liefde spreekt, in tegenstelling van hetgeen hij, als aanzoek doende voor de vriend, slechts flauw kon zeggen. De stem van de bruidegom is dus de Nieuw-Testamentische liefdebetuiging, het Evangelie van Christus en wel tegenover het nu verstommend profetische aankondigen van het Nieuwe verbond.
Wel trad Johannes, om zijn afgezonderde positie als voorloper te bewaren, in geen verder persoonlijk verkeer met Christus, maar wel onderhield hij de gemeenschap met Hem door tussenpersonen en dan zullen wij vooral aan de apostel Johannes moeten denken, die door hemzelf tot Christus was gewezen, van wie het echter vanzelf spreekt, dat hij de betrekking tot zijn vorige Meester niet afbrak, maar aan de oude mededeelde uit de volheid van hetgeen hij van de nieuwe Meester ontving. Hand in hand met de uitdrukking “staat en hoort”, die er op wijst hoe begerig de Doper de berichten over Christus’ daden en woorden opnam, gaat het feit dat zijn rede, die in deze afdeling voor ons ligt, onmiskenbare aanrakingspunten bevat van het gesprek van Christus met Nicodemus.
Dit gesprek was de Doper meegedeeld, dat was de stem van de bruidegom, waarover Zijn hart blijder sloeg en als hij in het vervolg van zijn rede enige woorden van de Heere herhaalt, dan is het om de waarheid van Jezus’ getuigenis over zichzelf met zijn ja en amen te bekrachtigen.
Het is een liefelijke naam, die hier aan de dienaren van het woord gegeven wordt, dat zij “vrienden van de bruidegom” heten. Want evenals een bruidegom zich bedient van vertrouwde vrienden om de bruid te vragen, zo bedient Christus Zich van Zijn dienaren, die de geestelijke verloving met Hem de ellendige zondaars aanbieden en hen door openbaring van hun zonde en voorhouding van Zijn verzoening voor Hem moeten winnen, opdat zo door het ambt van het woord en de sacramenten de uitverkorene bruid tot de bruidegom wordt geleid. En ook nadat de bruid met deze bruidegom verbonden is, wil de bruidegom Zijn vrienden bij de bruiloft aanwezig zien, opdat zij, de verloofde, aan een man als een reine maagd wordt voorgesteld (2 Kor. 11: 2) en de huwelijkstrouw bewaard wordt. Daarom heeft de Zoon van God steeds dienaren in de kerk nodig, hetzij om de bruid tot de bruidegom te leiden, of opdat de verloofde getrouw blijft, of als zij die trouw verbroken heeft, weer wordt teruggevoerd tot het huwelijksverbond; en die dat doen, zijn vrienden van de bruidegom. Het is een schoon beeld, waardoor zowel de bediening van het Nieuwe Testament verheerlijkt wordt, als de bedienaars daarvan aan hun roeping worden herinnerd, dat het hun hoogste vreugde moet zijn om voor Christus vele zielen te winnen en die tot Hem te leiden; want geen grotere vreugde kan hem, die in waarheid de vriend van de bruidegoms is, ten deel vallen, dan wanneer hij de stem van de bruidegoms hoort, hoe deze de bruid aanneemt en met Zich eeuwig tot gemeenschap van alle Zijn goederen verbindt.
Berust er liever in dat de dienaar terugtreedt, als de Meester komt en de voorloper zijn betekenis verliest als Hij optreedt, voor wie hij de weg bereidde. Hij, over wie u zich zo-even zo verkeerd hebt uitgelaten, dat u niet eens Zijn naam noemde (vs. 26), moet groeien, maar ik minder worden; zo moet het komen; want zo eist het de aard van de zaak en de door God gestelde orde van zaken.
Johannes’ edele zelfverloochening berust op de volkomen zekerheid over de raad van God.
Inderdaad speelde de vriend van de bruidegom in het begin de hoofdrol; hoe meer de verhouding zich echter ontwikkelde, des te onbeduidender werd zijn rol en ten slotte verdween hij geheel, de bruidegom bleef alleen en was alles in allen.
Als de Heere aan het woord van Zijn dienaren zegen geeft, zodat zondaren tot bekering en geloof komen, dan hangen die jeugdige kindertjes gewoonlijk in het begin met zo’n liefde aan de persoon van hun zielverzorger, met een liefde, die soms met het woord: “vertrouw niet op mensen” in strijd komt. Maar hoe meer Christus door het woord een gestalte in hen verkrijgt, des te reiner van alle vleselijke bijsmaak wordt hun liefde tot de geliefdste vriend, ook tot hun Vader in Christus. IJdele predikers worden dat vaak op smartelijke wijze gewaar en zien makkelijk hoogmoed in anderen, terwijl die van henzelf verborgen blijft. Gelukkig de prediker, die in zo’n geval zonder geveinsdheid Johannes’ woord kan naspreken! Die is een waar vriend van de bruidegom.
De dag van Johannes is in de kalender de langste dag, waarna de dagen korten; de geboortedag van Christus een van de kortste, waarna de dagen langer worden.
Die tengevolge van Zijn goddelijke afkomst van boven komt, van de hemel, namelijk Christus, de Zoon van God (vs. 13; 1: 49), is boven allen, boven de gezanten van God, de profeten en plaatst ze allen achter Zich in de schaduw. Die volgens Zijn afkomst, als zuivermens (Gen. 5: 2. Ps. 10: 18), uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde, die is met zijn hele wijze van zijn denken en gevoelen aards, staande binnen de perken van deze tijdelijke, zichtbare wereld, zodat hij een kind van de aarde blijft, al willen anderen hem nog zo hoog verheffen. En zelfs wanneer hij als een door God gezonden leraar leert, spreekt hij uit de aarde. Zo heeft zijn getuigenis eveneens deel aan de beperking, die hem volgens zijn afkomst eigen is; want de bovennatuurlijke verlichting, waartoe hij verwaardigd wordt, breekt wel door de duisternis heen, die hem omgeeft, maar heft die niet op. Die uit de hemel komt daarentegen, van wie Ik zo-even sprak, is boven allen, die op deze beperkte wijze verlicht worden.
Het gedeelte in vs. 31-36 is niet een beschouwing van de evangelist, zoals vele uitleggers menen, hoewel vooral vs. 32 daarvoor schijnt te spreken, maar, omdat de tekst niets anders zegt en de draad onafgebroken voortloopt, ook de inhoud daar niet tegen strijdt, nog een voortzetting van de rede van de Doper. Hier voor zijn discipelen, in wiens engere kring hij spreekt, ontvouwt hij nog met de klimmende geestdrift van de laatste profeet de gehele verhevenheid van Jezus in de zin van deze laatste zelf; daarmee eindigt hij als met een zwanenzang zijn getuigenissen, voordat hij van het toneel van de geschiedenis verdwijnt. Het spreekt vanzelf hoe alles wat hij zegt, zijn discipelen moest dringen om in Jezus te geloven en voor het ongeloof terug te schrikken. De Doper is echter niet tot Jezus overgegaan, ondanks zijn getuigenis over Hem, omdat hij eenmaal van God de roeping van Voorloper had ontvangen en zich bewust was die roeping zo lang te moeten volgen als het Messiasrijk nog niet was opgericht.
De rede van Johannes neemt van hier af een andere richting; dat gedeelte dient niet meer tot verklaring van de betrekking tussen hem en Jezus; daarover is reeds in de vorige afdeling het nodige gezegd, maar hij leert nu wat de plicht van de wereld was tegenover den nu verschenen Heer en Christus. Het was voor hem niet genoeg om zijn discipelen te kennen te geven, hoe weinig reden zij hadden om daarover ontevreden te zijn, dat allen tot Jezus kwamen; de noodzakelijke aanvulling tot de inhoud van vs. 27-30 is meer de getuigenis, dat dit in nog veel hogere graad het geval zou zijn, dat daarmee slechts zou plaats hebben, wat de goddelijke zending van Jezus eiste.
De discipelen van Johannes hadden er zich door gekrenkt gevoeld en begrepen het niet dat de door hun Meester gedoopte nu Zijn Doper in de schaduw stelde. Daartegenover stelt Johannes met kracht het getuigenis: “die van boven komt, is boven allen. ” Als van boven gekomen, staat hij, evenals boven al het geschapene, ook boven allen, die uit vrouwen geboren zijn (MATTHEUS. 11: 11), dus ook boven de grootste van alle profeten.
Die daarentegen als gewoon mens van de aarde, niet van de hemel afstamt, is van geen anderen aard en natuur, dan een die uit de aarde is voortgekomen en zijn rede heeft niet de hemel tot uitgangspunt, zoals die van de Messias, die uitspreekt wat Hij in den hemel heeft gezien, maar zij gaat van de aarde uit, zodat hij spreekt wat hij op aarde, dus binnen de grenzen van aardse perken heeft leren kennen. De uitdrukking “spreken uit de aarde” moet echter niet verward worden met “spreken uit de wereld” (1 Joh. 4: 5) evenmin als het “zijn uit de aarde” met het “zijn uit de wereld. “
Tegenover de volkomen heerlijkheid van de Christus staat dat niemand, ook de profeten en de Doper niet, God ooit heeft gezien (Hoofdstuk 1: 18); zo zijn allen, ook de profeten, Johannes de Doper ingesloten, van de aarde. Ten opzichte van Christus hebben alle mensen genade nodig.
In vs. 30 had de Doper zijn betrekking tot Christus als een relatieve voorgesteld; hier daarentegen stelt hij die als een absolute voor. Christus moet niet alleen groeien, maar Hij is al degene, die boven allen staat, omdat Hij van de hemel is gekomen.
En hetgeen Hij gezien en gehoord heeft dat getuigt Hij, als Hij spreekt. Zijn getuigenis rust op onmiddellijke aanschouwing en kennis, die door Zijn wonen in de hemel Hem is toegekomen en omvat tevens het hele gebied van goddelijke geheimen; en Zijn getuigenis, waarover de mensen zich met recht van ganser harte verheugen moesten en dat zij met alle blijdschap zich eigen moesten maken, neemt niemand aan a).
Joh. 5: 30; 8: 26; 12: 49; 14: 10.
Als Johannes er klagend bijvoegt: “en Zijn getuigenis neemt niemand aan” dan staat dit in scherpe tegenstelling met het woord van Zijn discipelen: “zij komen allen tot hem”, maar spreekt dat toch niet tegen. Wat de discipelen een komen van allen noemen, is voor de Meester volstrekt niets bij hetgeen plaats vinden moest. In vergelijking daarvan zijn degenen, die komen, nog altijd zo weinig, dat het in geen verhouding staat tot hetgeen Israëls plicht was, vooral wanneer nog in aanmerking wordt genomen dat het bij de meesten een uitwendig komen was, dat nog geenszins de werkelijke aanneming van Jezus’ getuigenis in zich sloot.
Het “niemand” is een overdrijving van smart en verstoordheid, een berisping van de gezindheid van de discipelen en tevens een vermaning aan hen, om tot Jezus te gaan. Met geweld kon hij ze niet wegzenden, omdat zijn school een voorbereidingsklasse was, waarin alleen diegenen rijp waren voor de school van Jezus, die vrijwillig tot deze gingen. Hij neemt nu het overdrijvende uit de woorden weg door hetgeen hij in het volgend woord zegt.
Hij wil zeggen: nog is het te veranderen. Och, dat men het toch aannam!
Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld dat God waarachtig is.
Dat is Hij dan ook zeker en geen ander is er buiten Hem (Hand. 4: 12); want die God in de eigenlijke ware zin van het woord gezonden heeft van de hemel, terwijl alle andere leraars toch slechts van de aarde komen (vs 31), die spreekt nu ook, gelijk hieruit volgt, de woorden van God. Hij is Gods onmiddellijke, Gods eigen mond en in Hem heeft de Heilige Geest, die de profeten slechts in enkele tijden bezielde en slechts voor enkele openbaringen bekwaam maakte, zodat zij overigens toch meer of min uit de aarde spraken, geheel en voor altijd woning gemaakt; want God geeft Hem de Geest a)niet met mate. Aan Zijn eigenlijke gezant leent Hij Die niet voor een tijd, maar Hij geeft Hem die in onbegrensde volheid 11: 2″).
Efeze. 4: 7.
“Verzegelen”, met zijn zegel bekrachtigen, een oorkonde geldig in rechten maken door er een zegel op te drukken. Dit moet de gelovige ten aanzien van het goddelijke getuigenis; door zich onder hen, die het aannemen te scharen, geniet hij de eer, eens voor altijd zijn persoonlijke verantwoordelijkheid met die van het doorluchtig wezen verbonden te hebben, dat hij volgen wil. Door zijn handtekening onder de goddelijke oorkonde te plaatsen is hij met God zelf voor altijd in betrekking getreden. Blijkbaar bespeurt men geestverheffing in de wonderspreukige vorm, die Jezus bezigt om de daad van het geloof in al haar verhevenheid te doen kennen. In dit en nog meer in de volgende woorden bereikt het Johanneïsche zijn toppunt. De uitdrukking: “die hij gezonden heeft” die vs. 17 ons voor de geest brengt, moet in de meest volstrekten zin genomen worden. De overige goddelijke gezanten verdienen alleen eigenlijk deze naam; inderdaad zijn zij slechts verwekt; om gezonden te worden, moet men van boven zijn (vs. 31). Men moet dezelfde volstrekte betekenis aan het gezegde: “de woorden van God” geven. Hij alleen bezit de volledige goddelijke openbaring. Alle anderen, zelfs Johannes de Doper, bezitten haar slechts gedeeltelijk. En waarop berust dit volledig en volstrekt karakter van het onderricht van de Heere? Op de volmaakte mededeling van de Geest die Hem verleend was; de overige gezanten hadden slechts gedeelten van het woord van God, omdat de Geest hen vluchtig bezocht met het oog op een bijzonder geval. Jezus daarentegen bezit het woord van God volstrekt, omdat de mededeling van de Geest, die Hem verleend is, inderdaad een gave is en deze gave als zodanig zonder mate is. Dit woord kan alleen door hem gesproken zijn die de Geest in de organische vorm van een duif op Jezus had zien neerdalen en op Hem blijven. Het is als het ware de weerschijn van dit gezicht.
De Vader heeft de Zoon lief, zoals Hij zelf van de hemel in die stem heeft verklaard (MATTHEUS. 3: 17) en heeft diensvolgens alle dingen in Zijn hand gegeven. Hij heeft Hem niet alleen door de mededeling van Zijn Geest de heerschappij gegeven over de harten van de gelovigen, maarook de koninklijke macht over alle dingen (MATTHEUS. 11: 27).
Hoe verschrikkelijk is het dus om zich in oppositie te stellen tegenover Hem, die alles in Zijn hand heeft, al wat goed is, ook het eeuwige leven ons kan ontnemen, al wat kwaad is, zelfs de eeuwige toorn over ons kan brengen! Wat een vijand moet hij zijn van zijn eigen zaligheid, die het niet tot Zijn hoogste levensdoel maakt om met Hem in gemeenschap te treden en in gemeenschap te blijven!
Die in de Zoon gelooft, die heeft nu ook in Hem, de Heerser over alles, het eeuwige leven; maar die aan de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God die hij zich daardoor op den hals haalt en waarvoorgeen verzoener is, blijft op hem; hoe zal hij dan het in Ps. 2: 5, 9 voorspelde gericht kunnen ontvluchten?
Was de Doper, voordat hij van het toneel van deze wereld aftrad, niet enigermate zedelijk verplicht om nog eenmaal op het groot belang van de toestand de aandacht te vestigen, die door de verschijning van de Messias en zijn nu volledige openbaring aan Israël voor de wereld en iedere mens in het leven getreden was? Hoe zou de boetprediker tegenover het volk, dat de weg van het geloof betrad, zonder een beslissende aanmaning en een laatste oproep tot boete zijn werkzaamheid hebben kunnen eindigen. Deze woorden, waarmee de Doper zijn rede eindigt, hebben een opmerkelijke overeenkomst met het slot van de tweede Psalm: “kus de Zoon, opdat Hij niet toornt en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zal ontbranden; welgelukzalig zijn allen, die op Hem vertrouwen. ” Dit slechts is het onderscheid, dat Johannes met de gelovigen begint en met de ongelovigen eindigt, hetgeen hij ongetwijfeld met het oog op zijn eigen leerlingen en het gehele volk doet. Het is een laatste waarschuwing, waarmee hij hun verzekert, dat er voor hen buiten de Zoon niets anders dan toorn is.
Dat alle Christenen drie dingen wisten: 1) wat zij waren zonder Christus – verloren; 2) wat zij zijn door de Christus voor hen – rechtvaardig; 3) wat zij worden door Christus in hen – heilig!
Zoals de mens in verhouding tot den Heiland staat, zo staat hij tot God en Zijn gave, het eeuwige leven.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel