Behouden in hoop
Beluister deze preek
Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.
Een preek uitgesproken op zondagmorgen 28 augustus 1881 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.
Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid. Romeinen 8:24-25
Volgens onze Engelse vertaling “zijn wij door hoop zalig geworden”, maar dat strookt nauwelijks met andere delen van de Heilige Schrift. Overal in het Woord van God wordt ons gezegd dat wij door het geloof zalig worden. Zie het eerste vers van het vijfde hoofdstuk: “Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof.” Het geloof is de zaligmakende genade, niet de hoop, behalve voor zover de hoop in sommige opzichten op hetzelfde neerkomt als het geloof. Het geloof is de zaligmakende genade, en de grondtekst zou dan ook zo weergegeven moeten worden. Het verbaast mij dat de Herziene Engelse Vertaling niet heeft: “Wij zijn in hoop zalig geworden.” Het zou misverstand voorkomen als de passage zo werd weergegeven, want zoals de vooraanstaande uitlegger Bengel terecht zegt: “De woorden beschrijven niet het middel, maar de wijze van de zaligheid: wij worden zo zalig gemaakt, dat er nog altijd iets overblijft waarop wij kunnen hopen, zowel van de zaligheid als van de heerlijkheid.”
Gelovigen ontvangen de zaligheid van hun zielen als het einde van hun geloof, en het is uit het geloof, opdat het naar genade zou zijn. Zij worden zalig door het geloof en in de hoop. Op dit moment zijn de gelovigen zalig, en in zekere zin zelfs volkomen zalig. Zij zijn geheel verlost van de schuld van de zonde. De Heere Jezus nam hun zonde op Zich en droeg die in Zijn lichaam op het hout. Hij bracht een welbehaaglijke verzoening tot stand, waardoor de ongerechtigheid van heel Zijn volk eens en voor altijd is weggedaan. Door het geloof zijn wij terstond verlost van de bezoedeling van het kwaad en hebben wij vrije toegang tot God, onze Vader. Door het geloof zijn wij verlost van de heersende macht van de zonde in onze leden. Zoals de Schrift zegt (Romeinen 6:14): “Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” In het hart van iedere christen is door de kracht van het geloof de kroon van het hoofd van de zonde genomen en is de arm van haar kracht gebroken. De zonde probeert wel de overhand te krijgen, maar zij kan de overwinning niet behalen, want wie uit God geboren is, doet de zonde niet met lust of als dagelijkse gewoonte, maar hij bewaart zichzelf, zodat de boze hem niet vat.
Wat de straf van de zonde betreft: die is gedragen door onze grote Plaatsvervanger, en door het geloof hebben wij Zijn offer aanvaard. “Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld” (Johannes 3:18). Daarom verblijden wij ons op dit moment in de zaligheid die wij al verkregen hebben en genieten door het geloof dat in Christus Jezus is. Toch zijn wij ons ervan bewust dat er nog meer te verkrijgen is. Er is een zaligheid in ruimere zin, die wij nog niet zien, want op dit moment geldt van ons: “Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde” (2 Korinthe 5:4).
Overal om ons heen is de schepping zichtbaar in barensnood. Er zijn tekenen van barensweeën in een zekere onrust, ontwrichting en benauwdheid van de schepping. De wereld is niet meer zoals God haar oorspronkelijk gemaakt heeft. In de voren van de aarde staan doornen; over haar bloemen is een plaag gekomen, over haar koren meeldauw. De hemel weent en doordrenkt onze oogsten; de aarde beweegt en doet onze steden schudden. Telkens terugkerende rampen en onheilen zijn voortekenen van een grote toekomst die uit dit barende heden geboren zal worden. Nergens op aarde is een volmaakt paradijs te vinden. Zelfs ons beste wijst nog vooruit naar iets beters. De hele schepping zucht en is met ons in barensnood. Zelfs wij, die de eerstelingen van de Geest ontvangen hebben en dus gezegend en zalig zijn, zuchten toch in onszelf en wachten op iets verders, op een heerlijkheid die nog niet gezien wordt. Wij hebben het nog niet verkregen, maar wij jagen ernaar.
Onze eerste zielendorst als zondaars is gelest, maar er zijn in ons nog grotere verlangens, waardoor wij met onverzadigbaar verlangen hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Voordat wij van het Brood des hemels aten, hongerden wij naar enkel draf, maar nu heeft onze nieuwgeboren natuur ons een nieuwe honger gegeven, die de hele wereld niet zou kunnen stillen! Wat is de oorzaak van deze honger? Die vraag kunnen wij zonder enige moeite beantwoorden. Onze smart, ons verlangen en onze onvervulde begeerten komen vooral neer op twee zaken.
In de eerste plaats verlangen wij ernaar volkomen vrij te zijn van de zonde in elke vorm. Het kwaad in de wereld is onze last: wij worden gekweld door de slechte wandel van de goddelozen en zijn bedroefd over hun verzoekingen en vervolgingen. Dat de gehele wereld in het boze ligt en dat de mensen Christus verwerpen en in ongeloof omkomen, doet ons hart veel verdriet. Wij hebben met David gezegd: “O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone!” Wij verlangen naar een verblijf in de woestijn, ver van de plaatsen waar mensen komen, om in vrede met God te kunnen omgaan en niets meer te horen van godslastering, gemor, ontucht en misdaad. Dit is onze rust niet, want zij is verontreinigd. Daarom zien wij uit naar een grote verlossing, wanneer wij uit deze wereld weggenomen zullen worden om in volmaakt gezelschap te wonen.
Toch zou zelfs de aanwezigheid van goddelozen een kleine zaak zijn, als wij in onszelf volkomen van de zonde verlost konden worden. Dat behoort tot wat nog niet gezien wordt. Als een mens vrij was van elke neiging tot zonde, zou hij niet langer vatbaar zijn voor verzoeking en zou hij er ook niet tegen hoeven te waken. Wat onmogelijk kan branden of zwart worden, hoeft niet bang te zijn voor het vuur. Wij voelen dat wij de verzoeking moeten mijden, omdat wij ons ervan bewust zijn dat er in ons brandstof is die spoedig vlam kan vatten. “De overste dezer wereld komt,” zei onze Heere, “en heeft aan Mij niets.” Maar wanneer hij bij ons komt, vindt hij niet alleen iets, maar zelfs veel wat hem van pas komt. Ons hart geeft maar al te gretig gehoor aan de stem van satan! Wanneer hij het onkruid zaait, brengen de voren van de oude natuur spoedig een oogst voort.
Het kwaad blijft wel degelijk, zelfs in de wedergeborene, en het besmet alle vermogens van de geest. O, konden wij ons maar ontdoen van de herinnering aan de zonde! Wat een kwelling is het voor ons wanneer flarden van losbandige liedjes en onreine woorden ons te binnen schieten. O, waren wij maar verlost van de zondige verbeelding! Treuren wij genoeg over zonden in gedachten en fantasie? Een mens kan in zijn gedachten zondigen, en gruwelijk zondigen, terwijl hij met daden niet gezondigd heeft. Menig mens heeft in zijn verbeelding hoererij, overspel, diefstal en zelfs moord gepleegd, doordat hij behagen schiep in de gedachte daaraan, terwijl hij misschien nooit in een van die openlijke daden gevallen is. Och, dat onze verbeelding en al ons binnenste gereinigd werden van de verdorven stof die daarin is en die tot vuilheid gist!
Er is in ons iets wat ons van dag tot dag doet uitroepen: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen?” Als iemand hier zegt: “Zulke gevoelens ken ik niet,” dan bid ik God dat hij ze spoedig mag leren kennen! Wie met zichzelf tevreden is, weet heel weinig van ware geestelijke volmaaktheid.
Een gezond kind groeit, en zo groeit ook een gezond kind van God. Hoe dichter wij bij de volmaakte reinheid van het hart komen, des te meer zullen wij treuren over het kleinste vlekje zonde, en des te meer zullen wij als zonde zien wat wij vroeger verontschuldigden. Wie het meest op Christus lijkt, is zich het meest bewust van zijn onvolmaaktheid en heeft er het meest genoeg van dat hem nog de minste ongerechtigheid aankleeft. Wanneer iemand zegt: “Ik heb het doel bereikt,” vrees ik dat hij nog niet eens begonnen is met lopen. Wat mij betreft, ik heb veel groeipijnen en ben veel minder met mijzelf ingenomen dan vroeger. Ik heb een vaste hoop op iets beters, maar was die hoop er niet, dan zou ik mijzelf werkelijk ongelukkig achten, nu ik mij zo bewust ben van mijn gebrek en zo gekweld word door verlangens. Dit is een belangrijke oorzaak van ons zuchten. Wij zijn zalig, maar wij zijn nog niet volkomen verlost van neigingen tot zonde, en wij hebben de volheid van de heiligheid ook nog niet bereikt. “Er is zeer veel lands overgebleven, om dat erfelijk te bezitten.”
Een andere oorzaak van deze winter van ons misnoegen is ons lichaam. Paulus noemt het “ons vernederd lichaam“, en dat is het ook, vergeleken met wat het zal zijn wanneer het gevormd is naar het beeld van Christus Jezus. Op zichzelf, gezien als schepsel van God, is het niet verachtelijk, want het is op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt. Er is iets heel edels aan het lichaam van een mens, dat gemaakt is om rechtop te lopen, omhoog te kijken en de blik naar de hemel te richten. Een lichaam dat zo wonderlijk is toebereid om de woning van de geest te zijn en de bevelen van de ziel te gehoorzamen, mogen wij niet verachten. Een lichaam dat een tempel van de Heilige Geest kan zijn, is geen gering bouwwerk; laten wij het daarom niet minachten! Wij mogen er eeuwig dankbaar voor zijn dat wij als mensen geschapen zijn, als wij ook tot nieuwe mensen in Christus Jezus gemaakt zijn. Door de zondeval is het lichaam onder de macht van de dood gekomen, en zo blijft het. En omdat het zo blijft, is het zijn lot vroeg of laat te sterven, tenzij de Heere plotseling verschijnt, en zelfs dan moet het veranderd worden, want vlees en bloed kunnen, zoals zij nu zijn, het Koninkrijk Gods niet beërven.
Zo past u, arm lichaam, niet goed bij de nieuwgeboren ziel, omdat u niet wedergeboren bent. U bent een tamelijk saaie en sombere woning voor een geest die uit de hemel geboren is! Met uw pijnen en kwalen, vermoeidheid en zwakheid, uw behoefte aan slaap, voedsel en kleding, uw vatbaarheid voor kou, hitte, ongelukken en verval, en voor bovenmatige arbeid en uitputtend zwoegen, bent u een armzalige dienaar van de geheiligde ziel! U trekt een geest omlaag en belemmert hem, terwijl hij anders hoog zou kunnen opstijgen! Hoe vaak dooft een slechte gezondheid de edele vlam van hoge voornemens en heilige verlangens! Hoe vaak doen pijn en zwakte de warme stroom van de ziel bevriezen! Wanneer zullen wij bevrijd worden van de boeien van dit natuurlijke lichaam en het bruiloftskleed van het geestelijke lichaam aantrekken? Met de zonde die in onze boezem woont en met dit kleed van sterfelijke klei zijn wij blij dat onze zaligheid nu nader is dan toen wij eerst geloofden, en wij verlangen ernaar haar ten volle te genieten!
Hier geeft onze tekst ons goede moed. Uit alles wat ons nu doet zuchten, is er een volkomen verlossing, een zaligheid zo ruim dat zij het hele gebied van onze behoeften bestrijkt, ja, van onze verlangens! Er wacht ons een zaligheid die zich uitstrekt over de eeuwigheid en de onmetelijkheid. Alles wat onze ruime vermogens kunnen wensen, ligt erin besloten, en daarvan zegt de tekst: “Wij zijn in hope zalig geworden.” Die allergrootste, allerruimste zaligheid hebben wij door de hoop gegrepen. God zij daarvoor de eer! Dit is dan het onderwerp van onze overdenking: de hoop die de zaligheid omvat waarnaar wij verlangen.
Laten wij beginnen met onder het eerste punt samen te vatten: HET VOORWERP VAN DEZE HOOP. Ik heb de voornaamste punten al besproken. Onze hoop omvat in de eerste plaats onze eigen volstrekte volmaaktheid. Wij hebben ons aangezicht naar de heiligheid gericht en door Gods genade zullen wij nooit rusten voordat wij die bereikt hebben. Elke zonde die in ons is, is ertoe gedoemd niet alleen overwonnen, maar ook gedood te worden. De genade van God helpt ons niet om onze zwakheden te verbergen, maar om ze te vernietigen. Wij handelen met de zonde zoals Jozua met de vijf koningen deed toen zij zich in de spelonk te Makkeda verborgen hadden. Terwijl hij druk bezig was met de strijd, zei hij: “Wentelt grote stenen voor den mond der spelonk.” Onze zonden zijn voor een tijd door de beteugelende genade opgesloten, als in een spelonk, en er zijn grote stenen voor de ingang gewenteld, want als zij konden, zouden zij ontsnappen en opnieuw naar de teugels grijpen. Maar in de kracht van de Heilige Geest zijn wij van plan straks doeltreffender met hen af te rekenen. “Brengt tot mij uit die vijf koningen,” zei Jozua, en “Jozua sloeg hen daarna, en doodde ze, en hing ze aan vijf houten.”
Door Gods genade zullen wij nooit tevreden zijn voordat al onze natuurlijke neigingen tot zonde volkomen vernietigd, verfoeid en verafschuwd zijn. Wij verwachten een dag waarop er in ons geen smet van vroegere zonde en geen neiging tot toekomstige zonde meer over zal zijn! Wij zullen nog steeds een wil en keuzevrijheid bezitten, maar wij zullen alleen het goede kiezen. De heiligen in de hemel zijn geen lijdelijke wezens, die over het pad van de gehoorzaamheid worden voortgedreven door een kracht die zij niet kunnen weerstaan, maar als verstandelijke wezens kiezen zij er uit vrije wil voor de Heere heilig te zijn. Wij zullen voor altijd de heerlijke vrijheid van de kinderen van God genieten, die bestaat in de voortdurende, vrijwillige keuze van wat gekozen moet worden, en in een geluk dat daardoor nooit onderbroken wordt. Ook de onwetendheid zal voorbij zijn, want wij zullen allen van de Heere geleerd zijn, en wij zullen kennen, gelijk ook wij gekend zijn. Volmaakt in de dienst en geheel verlost van alle eigenwil en vleselijke begeerte, zullen wij dicht bij onze God zijn en Hem gelijk zijn. Zoals Watts het zegt:
“De zonde, eens mijn ergste vijand,
zal mijn ogen en oren niet meer kwellen!
Mijn innerlijke vijanden zullen allen gedood worden,
en satan zal mijn vrede nooit meer verstoren.”
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Wat een hemel zal dat zijn! Ik denk dat, als ik er zeker van kon zijn dat ik vrij zou worden van elke vatbaarheid voor zonde, het mij niet zou uitmaken waar ik zou wonen: op aarde of in de hemel, met Jona op de bodem van de zee of met Jeremia in de diepe kuil. Reinheid is vrede. Heiligheid is geluk! Wie heilig is zoals God heilig is, zal daardoor gelukkig zijn zoals God gelukkig is! Dit is een van de voornaamste voorwerpen van onze hoop. Het andere voorwerp van ons verlangen is de verlossing van het lichaam. Laten wij de verzen lezen waarin Paulus ons die waarheid van God leert: “En indien Christus in ulieden is, zo is wel het lichaam dood om der zonden wil; maar de geest is leven om der gerechtigheid wil. En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont.”
Wanneer wij sterven, zullen wij ons lichaam voor een tijd achterlaten. Daarom zullen wij, wat ons volledige mens-zijn betreft, tot de opstanding in de hemel niet volmaakt zijn. Wij zullen zedelijk volmaakt zijn, maar omdat een volledig mens zowel uit lichaam als uit ziel bestaat, zullen wij lichamelijk niet volmaakt zijn zolang een deel van onze persoon in het graf blijft. Wanneer de bazuin van de opstanding klinkt, zal dit lichaam opstaan, maar het zal verlost opstaan! En zoals onze wedergeboren ziel heel anders is dan onze ziel onder de slavernij van de zonde, zo zal het lichaam, wanneer het opgestaan is, sterk verschillen van het lichaam zoals het nu is. De zwakheden die door ziekte en ouderdom veroorzaakt worden, zullen onder de verheerlijkten onbekend zijn, want zij zijn als de engelen van God. Niemand zal kreupel of verminkt, gebrekkig of misvormd de heerlijkheid binnengaan. Daar zult u geen blinde ogen meer hebben, mijn zuster! Daar zult u geen dove oren meer hebben, mijn broeder! Daar zal geen trillen van verlamming en geen wegteren door tering meer zijn. Daar zullen wij eeuwige jeugd bezitten! Het lichaam dat in zwakheid gezaaid wordt, zal in kracht worden opgewekt en zal terstond uitvliegen om de opdrachten van zijn Heere te volbrengen!
Paulus zegt: “Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid” (of: een zielelijk lichaam), geschikt voor de ziel; “een geestelijk lichaam wordt er opgewekt“, geschikt voor de geest, de hoogste natuur van de mens! Ik veronderstel dat wij een lichaam zullen bewonen zoals de cherubs dragen wanneer zij op de vleugels van de wind vliegen, of zoals past bij een seraf wanneer hij als een vuurvlam op het bevel van Jehova voortflitst. Wat het ook zal zijn, mijn arme lichaam, u zult zeer veranderd worden ten opzichte van wat u nu bent! U bent de verschrompelde bloembol die in de aarde gelegd zal worden, maar u zult opkomen als een heerlijke bloem, een gouden kelk om het zonlicht van Jehova’s aangezicht op te vangen! De grootheid van uw heerlijkheid kent u nog niet, behalve dat u gelijkvormig zult worden aan het heerlijk lichaam van de Heere Jezus! Dit is het tweede voorwerp van onze hoop: een verheerlijkt lichaam dat samengaat met onze gereinigde geest.
Van een andere kant bezien is het voorwerp van onze hoop dit: dat wij ons erfdeel zullen ontvangen. Paulus zegt: “En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus.” Of wij in dit leven nu weinig of veel hebben, ons bezit is niets vergeleken met wat ons voor de toekomst verzekerd is tegen de dag waarop wij meerderjarig worden! De volheid van God is het erfdeel van de heiligen. Alles wat een mens gelukzalig, edel en volkomen kan maken, ligt voor ons weggelegd.
Meet, als u kunt, het erfdeel van Christus, Die erfgenaam is van alles! Wat moet het deel zijn van de welbeminde Zoon van de Allerhoogste? Wat dat ook moge zijn, het is van ons, want wij zijn medeerfgenamen van Christus! Wij zullen bij Hem zijn en Zijn heerlijkheid aanschouwen! Wij zullen Zijn beeld dragen; wij zullen op Zijn troon zitten. Meer kan ik u niet zeggen, want mijn woorden schieten jammerlijk tekort. Ik zou willen dat wij allen overdachten wat de Schrift over dit onderwerp openbaart, totdat wij alles wisten wat er te weten valt. Onze hoop ziet uit naar veel, ja, naar alles. Aan Gods rechterhand stromen voor ons rivieren van genot, van liefelijkheden eeuwiglijk! Paulus spreekt over “de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden“, en zegt ons op een andere plaats dat zij “een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid” is. Wat een woord is dat: heerlijkheid!
De heerlijkheid zal de onze zijn! Ja, de onze, arme zondaars die wij zijn! De genade is zoet, maar hoe zal de heerlijkheid dan zijn? En zij zal tot in alle eeuwigheid geopenbaard worden in ons, om ons heen, over ons en door ons! Paulus spreekt ook over “de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods“. O, bekoorlijk woord: vrijheid! Wij houden ervan, zelfs als wij het horen schallen uit de zilveren trompetten van hen die tegen tirannen strijden. Maar hoe zal het zijn wanneer de bazuinen van de hemel een eeuwig jubeljaar zullen uitroepen voor iedere geestelijke slaaf! Vrijheid? De vrijheid van de kinderen van God! Vrijheid om in het heiligdom in te gaan, om in Gods tegenwoordigheid te wonen en Zijn aangezicht te aanschouwen voor eeuwig en altijd! De apostel spreekt ook over “de openbaring der kinderen Gods“. Hier zijn wij in Christus verborgen als edelstenen in een kistje, maar straks zullen wij geopenbaard worden als juwelen in een kroon! Zoals Christus de tijd van Zijn openbaring aan de heidenen had nadat Hij een tijdlang verborgen was geweest, zo zullen wij, die nu onbekend zijn, geopenbaard worden voor mensen en engelen! “Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het Koninkrijk huns Vaders.” Wat onze openbaring zal zijn, o mijn broeders en zusters, kan ik u niet zeggen. Het oog heeft het niet gezien en het oor heeft het niet gehoord, en het is in het hart van de mens niet opgeklommen. En hoewel God het ons door Zijn Geest geopenbaard heeft, hoe klein is het deel van die openbaring dat onze geest heeft kunnen ontvangen!
Ik veronderstel dat alleen wie het tehuis van de volmaakten gezien heeft, ons kan vertellen hoe het daar is, en ik denk dat zelfs hij dat niet zou kunnen, omdat woorden het niet kunnen weergeven. Toen Paulus in het paradijs was, hoorde hij woorden, maar hij vertelt ons niet welke, want hij zegt dat het een mens niet geoorloofd is ze uit te spreken. Ze waren te goddelijk voor een sterfelijke tong! Nog niet, nog niet, maar straks zal het voorwerp van onze hoop ons duidelijk zijn.
Denk er niet minder over omdat wij “straks” zeggen, want de tussentijd is maar een kleinigheid. Hij zal spoedig voorbij zijn. Wat zijn een paar maanden of jaren? En wat als er nog een paar honderd jaar tot de opstanding verstrijken? Ze zullen spoedig als de vleugelslag van een vogel aan ons voorbijgevlogen zijn, en dan! O, dan! Dan zal het onzienlijke gezien worden! Het onuitsprekelijke zal gehoord worden! Het eeuwige zal voor altijd het onze zijn! Dat is onze hoop!
Laten wij nu nadenken over de aard van deze hoop. Wij zijn in hope zalig geworden. Wat voor hoop is het waarin wij zalig geworden zijn? Ten eerste bestaat onze hoop uit drie zaken: geloof, verlangen en verwachting. Onze hoop dat wij naar de ziel geheel van de zonde verlost en naar het lichaam van alle zwakheid bevrijd zullen worden, komt voort uit de plechtige verzekering dat het zo zal zijn. De openbaring van Hem, Die het leven en de onsterfelijkheid aan het licht gebracht heeft, getuigt ons dat ook wij heerlijkheid en onsterfelijkheid zullen verkrijgen. Wij zullen opgewekt worden naar het beeld van Christus en deel krijgen aan Zijn heerlijkheid! Dat geloven wij, omdat Christus is opgestaan en verheerlijkt is, en wij één met Hem zijn. Dit verlangen wij ook, o, hoe vurig! Wij verlangen er zo naar, dat wij soms wensen te sterven om erin te mogen ingaan! Te allen tijde, maar vooral wanneer wij een glimp van Christus opvangen, smacht onze ziel ernaar bij Hem te zijn. Dit verlangen gaat samen met een vaste verwachting. Wij verwachten even zeker de heerlijkheid van Christus te zien en daarin te delen als wij verwachten morgenochtend het daglicht te zien! Nee, misschien zullen wij de zon van morgen niet zien, maar wij zullen zeker de Koning zien in Zijn schoonheid, in het land dat ver gelegen is! Wij geloven het, wij verlangen het en wij verwachten het! Dat is de aard van onze hoop. Het is geen vage, nevelige, ongegronde wens dat alles wel goed zal aflopen, zoals mensen die hebben die zeggen: “Ik hoop dat het mij goed zal gaan,” terwijl zij zorgeloos leven en God niet zoeken. Nee, het is een hoop die bestaat uit juiste kennis, vast geloof, geestelijk verlangen en gegronde verwachting.
Deze hoop is gegrond op het Woord van God. God heeft ons dit beloofd, en daarom geloven wij het, verlangen wij het en verwachten wij het. Hij heeft gezegd: “Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden,” en de ruimste betekenis die wij aan dat woord “zalig” kunnen geven, moet Gods betekenis ervan zijn, omdat Zijn gedachten altijd hoger zijn dan onze gedachten. Wij verwachten dat God zal doen wat Hij gezegd heeft, tot in de volle omvang van Zijn belofte, want Hij zal nooit op Zijn Woord terugkomen of in Zijn toezegging tekortschieten. Wij hebben onze zielen toevertrouwd aan de bewaring van de Zaligmaker, Die verklaard heeft dat Hij Zijn volk zalig zal maken van hun zonden. Wij vertrouwen op onze Verlosser, en wij geloven dat onze Verlosser leeft! En dat wij, wanneer Hij ten laatste over het stof zal opstaan, uit ons vlees God zullen aanschouwen, ook al zullen de wormen na onze huid dit lichaam doorknagen! Vele en kostbare woorden van God hebben dezelfde strekking, en wij houden ons daaraan vast, in de zekerheid dat Hij wat Hij beloofd heeft, ook machtig is te doen. Wij zullen sterven zonder er ooit aan te twijfelen dat wij weer zullen opstaan, zoals wij ook al velen van onze geliefden aan het stof hebben toevertrouwd in de zekere en vaste hoop op hun opstanding tot het eeuwige leven. Zoals de boer zijn graan in de grond laat vallen en er niet aan twijfelt het weer te zien opkomen, zo begraven wij de lichamen van de heiligen en zo zullen wij ook ons eigen lichaam afleggen, in de zekere verwachting dat het even zeker weer zal leven als het ooit geleefd heeft! Deze hoop is het hebben waard, want zij is gegrond op het Woord van God, de trouw van God en Zijn macht om Zijn eigen belofte te vervullen. Daarom is het een zeer zekere en vaste hoop, die niemand die haar bezit, beschaamd doet uitkomen.
Deze hoop wordt in ons gewerkt door de Geest van God. Wij zouden deze hoop nooit gekend hebben als de Heilige Geest haar niet in ons hart ontstoken had. Goddeloze mensen hebben zo’n hoop niet en zullen haar ook nooit hebben. Alleen wanneer mensen vernieuwd worden, komt deze hoop in hen, doordat de Heilige Geest in hen woont. En hierover juich ik met onuitsprekelijke vreugde, want als mijn hoop op volmaaktheid en onsterfelijkheid door God in mij gewerkt is, dan moet zij vervuld worden, want de Heere zou nooit een hoop kunnen inblazen die Zijn volk beschaamd zou doen uitkomen! De waarachtige God heeft de mensen nooit een valse hoop gegeven. Dat kan niet! De God der hoop, Die u, mijn broeders en zusters, geleerd heeft verlossing van de zonde en al haar gevolgen te verwachten, zal u doen naar de verwachting die Hij Zelf in u gewekt heeft!
Wees daarom vol vertrouwen en wacht geduldig op de blijde dag van de verschijning van de Heere. Deze hoop werkt in ons op een heilige wijze, zoals alles wat genadig en heilig is en van God komt, dat moet doen. Zij reinigt ons. Zoals Johannes zegt: “En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.” Wij zijn zo zeker van dit erfdeel dat wij ons erop voorbereiden door alles af te leggen wat ermee in strijd is, en alles aan te doen wat erbij past. Wij proberen te leven met de heerlijkheid voor ogen! Hoe vaak is het mij overkomen, en ongetwijfeld u ook, mijn broeders en zusters, dat wij van het een of ander zeiden: “Hoe zal dit eruitzien op de dag van het oordeel?” En wij hebben deze daad van vrijgevigheid of die daad van toewijding verricht, niet omdat het ons ook maar iets kon schelen wat de mensen ervan zouden denken, maar omdat wij haar bezagen in het licht van de komende heerlijkheid. Voor ons is de grootste aansporing dat er voor ons een kroon des levens is weggelegd die niet verwelkt. Deze gezegende hoop doet ons voelen dat het een schande voor ons is om te zondigen, een schande dat prinsen van het keizerlijke bloed van de hemel als straatkinderen in het slijk zouden ploeteren! Wij willen graag leven als zij die bestemd zijn om te wonen in de glans van het onuitsprekelijke licht van God. Wij kunnen niet in de duisternis wandelen, want wij zullen wonen in een luister waarbij de zon verbleekt. In de Godheid Zelf zullen wij ons in de gemeenschap onderdompelen! Zullen wij dan slaven van satan of lijfeigenen van de zonde zijn? Dat zij verre! Deze gezegende hoop trekt ons naar God toe en tilt ons op uit de kuil van de zonde!
Nu ik het voorwerp en de aard van deze gezegende hoop beschreven heb, kom ik dichter bij de tekst om te letten op DE VOORUITGRIJPENDE KRACHT VAN DEZE HOOP, want de apostel zegt in onze tekst: “Wij zijn in hope zalig geworden.” Dat wil zeggen: de grotere zaligheid waarover wij nu spreken, hebben wij ontvangen toen wij deze hoop leerden kennen. Het eerste deel van de zaligheid, de vergeving van de zonde en de rechtvaardiging van onze persoon, hebben wij door het geloof verkregen. En door het geloof hebben wij gemeenschap met God en toegang tot ontelbare zegeningen. Sommigen van ons zijn zich daarvan even bewust als van het feit dat wij eten en drinken. Maar naast dit alles hebben wij in de hoop de volle omvang van de zaligheid: de volkomen verlossing van de ziel uit de zonde en de volledige verlossing van het lichaam uit pijn en dood. Deze zaligheid hebben wij in de hoop, en wij roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. Hoe kan dat? Wel, ten eerste zag de hoop dit alles verzekerd door de belofte van de genade. Zodra wij in Christus geloofden, verzekerde ons geloof ons van de vergeving, en wij riepen uit: “Ik ben nog niet vrij van neigingen tot zonde, maar omdat ik in Christus tot zaligheid geloofd heb, zal ik zeker volmaakt worden, want Christus kan niet gekomen zijn om mij een gedeeltelijke en onvolmaakte zaligheid te geven. Hij zal het voor mij voleinden.” Zo zag de hoop in de belofte van de zaligheid veel wat nog niet werkelijk ervaren werd. Omdat zij wist dat de hele belofte even zeker is, verwachtte de hoop de toekomstige weldaad even zeker als het geloof de tegenwoordige zegen genoot!
Bovendien zag de hoop de volle oogst in de eerstelingen. Toen de zonde door de genade onderworpen werd, verwachtte de hoop haar volkomen uitgeroeid te zien. Toen de Heilige Geest in het lichaam kwam wonen, concludeerde de hoop dat het lichaam even zeker verlost zou worden als de ziel. Op het moment dat het geloof de hoop in het hart binnenleidde, zong zij: “Ik heb de volkomen zaligheid, niet in het werkelijke genieten, maar als zekere toekomst in Christus Jezus.” De hoop bewoog de eerste garve en nam zo bezit van de oogst. Vraag een boer die een handjevol rijpe korenaren omhooghoudt, of hij rijp koren heeft, en hij zal u zeggen dat het zo is. “Maar u hebt het nog niet gemaaid.” “Nee, nog niet, maar het is van mij en te zijner tijd zal ik het maaien. Deze volle aren zijn een volle verzekering dat het koren er is en dat het aan het rijpen is.” Zo was het ook toen God u en mij liefde tot Jezus gaf en verlossing uit de heerschappij van het kwaad: deze eerstelingen kondigden een volmaakte zaligheid aan die nog in ons geopenbaard moet worden. Onze eerste vreugde was het stemmen van onze harpen voor een eeuwig lied. Onze eerste vrede was het morgenlicht van een nooit eindigende dag. Toen wij Christus voor het eerst zagen en Hem aanbaden, was onze aanbidding de eerste buiging voor de troon van God en van het Lam. Zo zijn wij in hope zalig geworden. De hoop bracht ons het beginsel van de volmaaktheid, het onderpand van de onsterfelijkheid, het begin van de verheerlijking.
Bovendien is de hoop zo zeker van deze komende gunst, dat zij die al als verkregen beschouwt. U krijgt bericht van een koopman overzee met wie u handel drijft. Hij schrijft: “Ik heb de goederen die u besteld hebt aangeschaft en zal ze verzenden met het eerstvolgende schip, dat waarschijnlijk dan en dan zal aankomen.” Een andere handelaar komt bij u langs en vraagt of u zulke goederen wilt kopen, en u antwoordt: “Nee, ik heb ze al.” Hebt u de waarheid gesproken? Zeker, want al hebt u ze niet in uw pakhuis, ze zijn al op uw naam gefactureerd. U weet dat ze onderweg zijn, en u bent zo gewend uw buitenlandse handelspartner te vertrouwen, dat u de goederen als de uwe beschouwt. De akte die ze tot de uwe maakt, is getekend. Zo is het ook met de hemel, met de volmaaktheid, met de onsterfelijkheid: de akte is getekend die ze tot het erfdeel van de heiligen maakt. Ik heb bericht van Iemand aan Wie ik niet kan twijfelen, namelijk mijn Heere, dat Hij naar de hemel is gegaan om mij plaats te bereiden en dat Hij weer zal komen en mij tot Zich zal nemen! De hoop is zo zeker van dit feit, dat zij erop rekent, vergelijkingen maakt en praktische conclusies trekt.
Een goed oud spreekwoord zegt: “Tel uw kuikens niet voordat ze uitgebroed zijn,” maar hier hebben wij een geval waarin u even nauwkeurig kunt tellen terwijl het vogeltje nog in het ei zit als wanneer het uitgevlogen is, want de apostel zegt: “Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.” Hij is er zo zeker van, dat hij er een debet- en creditrekening van bijhoudt! Het lijden van deze tegenwoordige tijd boekt hij onder zijn uitgaven en de heerlijkheid die geopenbaard zal worden onder zijn bezittingen, en hij verklaart dat het ene zo onmetelijk is en het andere zo volstrekt onbeduidend, dat het niet eens de moeite van het vermelden waard is!
Nee, hij is er niet alleen zo zeker van dat hij erop rekent, maar ook dat hij ernaar zucht! Wij die in dit lichaam zijn, zuchten naar de volle aanneming tot kinderen! Ons zuchten komt niet voort uit twijfel, maar uit vurig verlangen. Onze zekere verwachting drijft ons tot een heftig verlangen! Het is zinloos te roepen om wat u nooit zult krijgen. Een kind dat om de maan huilt, is dwaas. Maar te zuchten naar wat ik zeker zal krijgen, is juist en gepast, en toont de kracht van mijn geloof. De apostel is er zo zeker van, dat hij er zelfs in triomfeert. Hij zegt dat wij meer dan overwinnaars zijn door Hem, Die ons liefgehad heeft. Dat wil zeggen: hoewel wij nog niet volmaakt zijn en ons lichaam nog niet van pijn verlost is, zijn wij toch zo zeker van de volmaaktheid en de volkomen verlossing, dat wij alles blijmoedig verdragen en over elke moeilijkheid triomferen! Vriend, u zult niet veel weken meer arm zijn. U zult wonen waar de straten met goud geplaveid zijn! Uw hoofd zal niet veel maanden meer pijn doen, want het zal omringd worden met een kroon van heerlijkheid en gelukzaligheid! Trek u niets aan van de smaad; zij zullen u niet lang meer kunnen uitlachen, want u zult aan de rechterhand van God zijn, ja, van de Vader! En de heerlijkheid van Christus zal u bekleden, tot in alle eeuwigheid! O, het is een oneindige zegen zo’n hoop te hebben en er zo zeker van te zijn, dat wij haar vreugden al genieten voordat zij werkelijk tot ons komen! “Wij zijn in hope zalig geworden.”
Laten wij nu even letten op het eigenlijke terrein van de hoop. Het terrein van de hoop is wat niet gezien wordt. “De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?” Daarom, broeders en zusters, is het werkelijke bezit van een christen niet wat hij ziet. Stel dat God hem in deze wereld voorspoed geeft en hij rijkdom heeft. Laat hij dankbaar zijn, maar laat hij belijden dat dit niet zijn schat is. Eén uur met de Heere Jezus Christus schenkt de gelovige meer voldoening dan de grootste rijkdom! Al heeft hij in deze wereld voorspoed gehad, de heilige zal het idee belachelijk vinden om de wereld tot zijn deel te maken. Duizend werelden met alle vreugde die zij zouden kunnen geven, zijn niets vergeleken met ons beschikte erfdeel! Onze hoop houdt zich niet bezig met kleinigheden; zij laat de muizen in de schuur over aan de uilen en stijgt op arendsvleugels op naar waar edeler vreugden haar wachten:
“Voorbij, voorbij dit lage zwerk,
omhoog, waar eeuwige tijden voortgaan;
waar duurzame vreugden nooit sterven
en onsterfelijke vruchten de ziel verzadigen.”
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Maar het is duidelijk dat wij de heerlijke zaken waarop wij hopen, op dit moment nog niet genieten. De wereldling roept: “Waar is uw hoop?” en wij moeten belijden dat wij de voorwerpen van onze hoop niet zien. Wij kunnen bijvoorbeeld niet beweren dat wij al volmaakt zijn, en dat verwachten wij ook niet zolang wij in dit lichaam zijn. Maar wij geloven dat wij volmaakt zullen worden naar het beeld van Christus, op de tijd die door de Vader bepaald is. Ons lichaam is op dit moment allerminst vrij van zwakheid. Pijnen, kwalen en vermoeidheid herinneren ons eraan dat het lichaam vanwege de zonde onder de dood is. Toch is het onze vaste overtuiging dat wij het beeld van de hemelse zullen dragen, zoals wij nu het beeld van de aardse dragen. Dit zijn onderwerpen van hoop en zij liggen daarom buiten de tegenwoordige ervaring. Laten wij niet terneergeslagen zijn omdat het zo is. Er moet iets overblijven waarmee de hoop zich kan voeden. Wij kunnen niet de hele hemel hebben en toch op aarde blijven. Geliefden, als u zich gekweld voelt door de inwonende zonde en uw heiligheid gehavend en bevlekt lijkt, wees er dan toch ten volle van verzekerd dat Hij, Die het beloofd heeft, ook machtig is het te doen! Weg dan met oordelen naar wat u doet, ziet, voelt of bent! Stijg op naar het terrein van wat komen zal. Kunt u dat? Als er geen vreugde is in het heden, is er een oneindige vreugde in de toekomst. Zeg niet: “O, maar dat is nog zo ver weg.” Dat is het niet! Velen van u zijn zestig, zeventig of zelfs tachtig jaar oud. Uw tijd om Christus te zien in uw staat zonder lichaam kan niet ver weg zijn, want de draad van het leven knapt al. Sommigen van ons zijn van middelbare leeftijd, maar omdat wij de gemiddelde levensduur al bereikt hebben, moeten wij erop rekenen dat onze pachttermijn al ver gevorderd is. En omdat zovelen in de bloei van hun leven worden weggerukt, kunnen wij op elk moment opgenomen worden naar het land waarop wij hopen! Wij moeten ons niet druk maken over wat wij over tien jaar zullen doen, want het is heel waarschijnlijk dat wij tegen die tijd in de beloofde rust zijn ingegaan, de Heere dag en nacht in Zijn tempel dienen en Zijn aangezicht met onuitsprekelijke vreugde aanschouwen! Zelfs als iemand van ons gedoemd zou zijn nog vijftig jaar buiten de hemel te verblijven, dan nog zal de tijd van onze vreemdelingschap spoedig voorbijvliegen. Laten wij ons tot het uiterste inspannen voor de eer van God zolang wij hier zijn, want de ogenblikken flitsen voorbij. Herinnert u zich niet deze tijd vorig jaar, toen de rijpheid van de herfst overal om ons heen was? Het lijkt pas gisteren! Jullie, jongens en meisjes, vinden een jaar lang, maar de ouderen denken daar anders over.
Nu wij grijs worden, hebben wij geen lange jaren meer! Voor mij gaat de tijd zo snel dat zijn assen heet zijn van de vaart! De vrees roept: “O, nog wat ademruimte!” Maar de hoop antwoordt: “Nee, laat de jaren maar voorbijvliegen! Des te eerder zullen wij thuis zijn!” Er is maar een stap tussen ons en de hemel. Laten wij ons geen zorgen maken over de zaken hier beneden. Wij zijn als mensen in een sneltrein, die in de velden iets onaangenaams zien, maar het is al voorbij voordat zij tijd hebben erover na te denken! En als er wat ongemak is in het rijtuig, als zij in een coupé derde klas zijn gezet terwijl zij een kaartje voor de eerste klas hadden, dan maken zij zich daar niet druk om als het maar een korte reis is. “Kijk,” zegt er een, “we zijn net het laatste station gepasseerd en zijn zo bij het eindstation, dus laat maar.” Laten wij ons in de toekomst verplaatsen. Wij hebben niet veel dynamiet van verbeelding nodig om ons omhoog te schieten. Door de hoop kunnen wij over die kleine afstand heen springen en ons neerzetten tussen de tronen daarboven! Neem u voor, mijn broeders en zusters, dat u, op zijn minst vandaag, niet zult blijven hangen in deze bewolkte, aardgebonden tijd, maar zult opstijgen naar de heldere, wolkeloze eeuwigheid! O, deze troebele stromen te verlaten en te baden in de rivier van de hoop, waarvan de kristalheldere wateren voortvloeien uit de zuivere bron van goddelijke vreugde!
Onze tijd is om en wij moeten afsluiten met slechts een korte blik op DE UITWERKING VAN DEZE HOOP, die zo wordt beschreven: “zo verwachten wij het met lijdzaamheid.” Wij wachten en moeten wachten, maar niet als misdadigers op hun terechtstelling! Ons wachten is eerder dat van de bruid op de bruiloft. Wij wachten met geduld, standvastigheid, verlangen en onderwerping. De vreugde komt zeker, daaraan twijfelen wij niet; daarom klagen en morren wij niet, alsof God Zijn afspraak niet nakwam en ons onnodig liet wachten. Nee, de tijd die God heeft vastgesteld, is de beste en daarmee zijn wij tevreden. Wij zouden hier niet langer willen blijven en ook niet willen heengaan op een ander tijdstip dan dat van de Heere. Van de geliefde Rowland Hill wordt verteld dat hij een oude vriend opzocht die op sterven lag, om hem een boodschap mee te geven naar de hemel voor John Berridge en andere geliefde Johns die hem waren voorgegaan. Schertsend voegde hij er een woord van hoop aan toe: dat de Meester de oude Rowland niet vergeten was en hem te zijner tijd thuis zou laten komen. Toch kwam het nooit bij hem op dat hij overgeslagen zou kunnen worden. Een van de laatste uitspraken van de beroemde John Donne was: “Ik zou ellendig zijn als ik niet mocht sterven.” Het zou inderdaad een vreselijke wereld zijn als wij gedoemd waren er voor altijd in te leven!
Enige tijd geleden sprak ik een heer die mij vertelde dat hij nooit zou sterven, maar met zekere tussenpozen de gevolgen van de ouderdom van zich af zou werpen en aan een nieuwe levenstermijn zou beginnen. Hij kwam mij vriendelijk vertellen hoe ik dezelfde gunst kon genieten, maar omdat ik niet naar een aardse onsterfelijkheid streef, kon zo’n aanbod mij niet verleiden. Hij vertelde mij dat ik mijn jeugd kon vernieuwen en weer jong kon worden, honderden jaren lang, maar ik sloeg zijn aanbod af en weigerde het geschenk, tegen welke prijs ook. Ik heb geen enkel verlangen naar zoiets! Mijn aangenaamste vooruitzicht in dit leven is dat het zal overgaan in het eeuwige leven! Het lijkt mij dat het allervreugdevolste aan het allervreugdevolste leven is dat het omhoogleidt naar een andere en betere staat. Ik ben niet ongelukkig of ontevreden, maar omdat ik een goede hoop heb op volmaaktheid voor mijn ziel en lichaam en een zeker vooruitzicht op gemeenschap met God van aangezicht tot aangezicht, hoe zou ik dan goed kunnen spreken over iets wat mij van mijn vreugde scheidt?
Ja, het zal komen, het zal zeker komen; laten wij er daarom geduldig op wachten. Wanneer satan ons met vuisten wil slaan, wanneer de verzoeking ons wil overweldigen, wanneer de beproeving ons wil uitputten, wanneer twijfels ons willen kwellen, laten wij dan de tijdelijke beproeving met standvastigheid dragen, want wij zullen spoedig buiten schot zijn. De voleinding zal komen en moet komen, en wanneer zij komt, zullen wij niet meer gedenken aan onze barensnood, vanwege de blijdschap dat onze hemel voor ons geboren is en wij voor hem!
Nu dan, u die niet in God gelooft, zeg ons wat uw hoop is. Maak haar bekend in de wereld en laat alle mensen haar op waarde schatten. Wat is uw hoop? Lang leven? Ja, en wat dan? Een gezin grootbrengen? Ja, en wat dan? Uw kinderen een goed bestaan zien opbouwen? Ja, en wat dan? Grootvader worden van een talrijk nageslacht? Ja, en wat dan? Een hoge ouderdom bereiken in een rustige oude dag? Ja, en wat dan? Het doek valt! Laat mij het optillen. De begraafplaats. De troon van God. Het vonnis over uw ziel! De bazuin van de opstanding. Het eindoordeel. Lichaam en ziel voor eeuwig in de hel! U hebt geen beter vooruitzicht! Kijk toch uit het venster en zie wat er te zien is. De Heere zij u genadig en geve u een betere hoop! Maar u, gelovigen in Christus, u draag ik op: begin vandaag al de sonnetten van het hiernamaals te zingen! Vervul uw pelgrimsleven met de bekoorlijke zang van de hoop!
Preek nr. 1616 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 28 augustus 1881, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 27. Oorspronkelijke titel: “Saved in Hope”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.
