Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
IkG1473 ben de wareG228 WijnstokG288, enG2532 Mijn VaderG3962 isG1510 de LandmanG1092.
Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman.
KJV
I1
am2
the true6
vine,4
and7
my
Father9
is
the husbandman.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
AlleG3956 rankG2814, die inG1722 MijG1473 geenG3361 vruchtG2590 draagtG5342, die neemt HijG846 weg; enG2532 alG3956 wie vruchtG2590 draagtG5342, die reinigtG2508 HijG846, opdatG2443 zij meer vruchtG2590 drageG5342.
Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.
Ook in dit vers
neemt wegG142
KJV
Every1
branch2
in3
me
that9
beareth6
not5
fruit7
he taketh away:8
and10
every11
branch that beareth14
fruit,13
he purgeth15
it,16
that17
it may bring forth20
more
fruit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Gijlieden zijtG1510 nu reinG2513 omG1223 het woordG3056, datG3739 Ik tot uG4771 gesprokenG2980 heb.
Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.
KJV
Now1
ye
are
clean3
through5
the word7
which8
I have spoken9
unto you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
BlijftG3306 inG1722 MijG1473, en Ik inG1722 uG4771. GelijkerwijsG2531 de rankG2814 geen vruchtG2590 kanG1410 dragenG5342 vanG575 zichzelveG1438, zo zij niet in den wijnstokG288 blijftG3306; alzoG3779 ook gijG4771 niet, zo gij inG1722 MijG1473 niet blijftG3306.
Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.
KJV
Abide1
in2
me,
and I4
in5
you.
As7
the branch9
cannot10
bear13
fruit12
of14
itself,15
except
it abide18
in19
the vine;21
no more23
can ye,
except
ye abide29
in27
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Ik benG1510 de WijnstokG288, en gijG4771 de rankenG2814; die in Mij blijftG3306, en IkG1473 inG1722 hemG846, dieG3778 draagtG5342 veelG4183 vruchtG2590; wantG3754 zonder MijG1473 kuntG1410 gij nietsG3756 doenG4160.
Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.
KJV
I1
am2
the vine,4
ye
are the branches:7
He that abideth9
in10
me,
and I12
in13
him,14
the same15
bringeth forth16
much18
fruit:17
for19
without20
me
ye can23
do24
nothing.22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
ZoG1437 iemandG5100 in MijG1473 nietG3361 blijftG3306, die is buitenG1854 geworpenG906, gelijkerwijsG5613 de rankG2814, enG2532 is verdordG3583; enG2532 men vergadertG4863 dezelveG846, enG2532 men werptG906 ze in het vuurG4442, enG2532 zij worden verbrandG2545.
Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.
KJV
If
a man3
abide4
not
in5
me,
he is cast7
forth8
as9
a branch,11
and12
is withered;13
and14
men gather15
them,16
and17
cast20
them into18
the fire,19
and21
they are burned.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Indien gij in MijG1473 blijftG3306, enG2532 Mijn woordenG4487 inG1722 u blijven, zoG1437 watG3739 gij wiltG2309, zult gij begerenG154, enG2532 het zal uG4771 geschiedenG1096.
Indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden.
KJV
If1
ye abide2
in3
me,
and5
my
words7
abide11
in9
you,
ye shall ask15
what12
ye will,14
and16
it shall be done17
unto you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Hierin is Mijn VaderG3962 verheerlijktG1392, dat gij veelG4183 vruchtG2590 draagtG5342; enG2532 gij zult MijnG1699 discipelenG3101 zijn.
Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn.
KJV
Herein1
is3
my
Father5
glorified,
that7
ye bear10
much9
fruit;8
so11
shall ye be12
my13
disciples.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
GelijkerwijsG2531 de VaderG3962 MijG1473 liefgehadG25 heeft, heb Ik ook uG4771 liefgehadG25; blijftG3306 inG1722 deze MijnG1699 liefdeG26.
Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde.
KJV
As1
the Father5
hath loved2
me,
so6
have7
I
loved
you:
continue ye9
in10
my14
love.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Indien gij Mijn gebodenG1785 bewaartG5083, zo zult gij in Mijn liefdeG26 blijven; gelijkerwijsG2531 IkG1473 de gebodenG1785 Mijns VadersG3962 bewaardG5083 heb, enG2532 blijfG3306 inG1722 Zijn liefdeG26.
Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven; gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijn liefde.
KJV
If1
ye keep5
my
commandments,3
ye shall abide6
in7
my
love;9
even as11
I4
have kept18
my
Father's16
commandments,14
and19
abide20
in22
his21
love.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
DezeG3778 dingen heb Ik tot uG4771 gesprokenG2980, opdatG2443 MijnG1699 blijdschapG5479 inG1722 uG4771 blijveG3306, enG2532 uw blijdschapG5479 vervuldG4137 worde.
Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijve, en uw blijdschap vervuld worde.
KJV
These things
have I spoken2
unto you,
that4
my8
joy6
might remain11
in9
you,
and12
that your
joy14
might be full.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
DitG3778 isG1510 MijnG1699 gebodG1785, dat gij elkanderG240 liefhebtG25, gelijkerwijsG2531 Ik uG4771 liefgehadG25 heb.
Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb.
KJV
This1
is
my6
commandment,4
That7
ye love8
one another,9
as10
I have loved11
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
NiemandG3762 heeftG2192 meerderG3187 liefdeG26 dan dezeG3778, dat iemandG5100 zijn levenG5590 zetteG5087 voor zijn vriendenG5384.
Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden.
KJV
Greater
love3
hath5
no man4
than
this,
that6
a man7
lay down11
his10
life9
for12
his15
friends.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Gij zijtG1510 Mijn vriendenG5384, zoG1437 gij doetG4160 wat IkG1473 uG4771 gebiedeG1781.
Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede.
KJV
Ye
are
my
friends,2
if5
ye do6
whatsoever7
I3
command9
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ik heetG3004 uG4771 niet meer dienstknechtenG1401; wantG3754 de dienstknechtG1401 weetG1492 nietG3756, wat zijn heerG2962 doetG4160; maarG1161 Ik heb uG4771 vriendenG5384 genoemdG2046; wantG3754 alG3956 wat Ik van Mijn VaderG3962 gehoordG191 heb, dat heb IkG1473 uG4771 bekendG1107 gemaakt.
Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt.
KJV
Henceforth1
I call3
you
not
servants;4
for5
the servant7
knoweth9
not8
what10
his12
lord14
doeth:11
but16
I have called17
you
friends;18
for19
all things20
that21
I have heard22
of23
my
Father25
I have made known27
unto you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Gij hebt Mij nietG3756 uitverkorenG1586, maarG235 IkG1473 heb u uitverkorenG1586, enG2532 Ik heb u gesteldG5087, dat gijG4771 zoudt heengaanG5217 enG2532 vruchtG2590 dragenG5342, enG2532 dat uw vruchtG2590 blijveG3306; opdatG2443, zo watG3739 gij van den VaderG3962 begerenG154 zult inG1722 Mijn NaamG3686, Hij uG4771 dat geveG1325.
Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van den Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.
KJV
Ye
have4
not1
chosen7
me,
but5
I3
have chosen
you,
and9
ordained10
you,
that12
ye
should go14
and15
bring forth17
fruit,16
and18
that your
fruit20
should remain:22
that23
whatsoever24
ye shall ask27
of the Father29
in30
my
name,32
he may give it34
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
DitG3778 gebiedG1781 Ik u, opdatG2443 gij elkanderG240 liefhebtG25.
Dit gebied Ik u, opdat gij elkander liefhebt.
KJV
These things
I command2
you,
that4
ye love5
one another.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Indien uG4771 de wereldG2889 haatG3404, zo weet, datG3754 zij MijG1473 eerG4412 dan uG4771 gehaatG3404 heeft.
Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft.
KJV
If1
the world3
hate5
you,
ye know6
that8
it hated12
me
before10
it hated you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Indien gij van de wereldG2889 waartG2258, zo zou de wereldG2889 het hareG2398 liefhebbenG5368; doch omdatG3754 gij van de wereldG2889 nietG3756 zijtG1510, maar IkG1473 u uitG1537 de wereldG2889 heb uitverkorenG1586, daarom haatG3404 uG4771 de wereldG2889.
Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld.
Ook in dit vers
uit/metG1537
uit/metG1537
KJV
If1
ye were
of2
the world,4
the world7
would8
love11
his own:10
but13
because12
ye are
not17
of14
the world,16
but19
I20
have chosen21
you
out of23
the world,25
therefore26
the world31
hateth28
you.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
GedenkG3421 des woordsG3056, datG3739 IkG1473 uG4771 gezegdG2036 heb: Een dienstknechtG1401 is nietG3756 meerderG3187 dan zijn heerG2962. IndienG1487 zij MijG1473 vervolgdG1377 hebben, zij zullen ookG2532 uG4771 vervolgenG1377; indienG1487 zij Mijn woordG3056 bewaardG5083 hebben, zij zullen ookG2532 het uwe bewarenG5083.
Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.
KJV
Remember1
the word3
that4
I5
said
unto you,
The servant10
is
not8
greater than
his14
lord.13
If15
they have persecuted17
me,
they will20
also18
persecute
you;
if21
they have kept25
my
saying,23
they will keep29
yours28
also.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
MaarG235 alG3956 deze dingen zullen zij doenG4160 omG1223 Mijns NaamsG3686 wilG3754, omdat zij Hem nietG3756 kennenG1492, Die MijG1473 gezondenG3992 heeft.
Maar al deze dingen zullen zij doen om Mijns Naams wil, omdat zij Hem niet kennen, Die Mij gezonden heeft.
KJV
But1
all3
these things
will they do4
unto you
for6
my
name's8
sake,
because10
they know12
not11
him that sent14
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
IndienG1487 Ik niet gekomen wareG2064, en tot hen gesprokenG2980 had, zijG846 hadden geen zondeG266; maar nu hebbenG2192 zij geen voorwendselG4392 voor hunG846 zondeG266.
Indien Ik niet gekomen ware, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde.
KJV
If
I had3
not
come
and4
spoken5
unto them,6
they had9
not8
had14
sin:7
but11
now10
they have
no13
cloke12
for15
their18
sin.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Die MijG1473 haatG3404, die haatG3404 ookG2532 Mijn VaderG3962.
Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader.
KJV
He that hateth3
me
hateth8
my
Father6
also.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
IndienG1487 IkG1473 de werkenG2041 onderG1722 hen niet had gedaanG4160, dieG3739 niemandG3762 andersG243 gedaanG4160 heeft, zij hadden geen zondeG266; maar nu hebbenG2192 zij ze gezienG3708, en beidenG1691 MijG1473 en Mijn VaderG3962 gehaatG3404.
Indien Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beiden Mij en Mijn Vader gehaat.
KJV
If
I had5
not
done11
among6
them7
the works3
which8
none9
other man10
did,
they had14
not13
had
sin:12
but16
now15
have they18
both17
seen
and19
hated20
both21
me
and23
my
Father.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
MaarG235 dit geschiedt, opdatG2443 het woordG3056 vervuldG4137 worde, datG3754 inG1722 hun wetG3551 geschrevenG1125 is: ZijG846 hebben mijG1473 zonder oorzaakG1432 gehaatG3404.
Maar dit geschiedt, opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat.
KJV
But1
this cometh to pass, that2
the word5
might be fulfilled3
that is written7
in8
their11
law,10
They hated13
me
without a cause.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
MaarG1161 wanneer de TroosterG3875 zal gekomenG2064 zijn, Dien IkG1473 uG4771 zendenG3992 zal van den VaderG3962, namelijk de GeestG4151 der waarheidG225, Die van den VaderG3962 uitgaatG1607, Die zal vanG4012 MijG1473 getuigenG3140.
Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.
KJV
But2
when1
the Comforter5
is come,3
whom6
I7
will send8
unto you
from10
the Father,12
even the Spirit14
of truth,16
which17
proceedeth21
from18
the Father,20
he22
shall testify23
of24
me:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
En gij zult ookG2532 getuigenG3140, wantG3754 gij zijtG1510 vanG575 den beginneG746 metG3326 MijG1473 geweest.
En gij zult ook getuigen, want gij zijt van den beginne met Mij geweest.
KJV
And3
ye
also1
shall bear witness,4
because5
ye have been
with8
me
from6
the beginning.
ben de ware
Dat is, ik mag met waarheid bij een wijnstok vergeleken worden, mijn Vader bij een wijngaardenier, en gij mijne discipelen bij wijnranken, vs.5. Het schijnt dat Christus in het uitgaan, enige wijngaarden voorbij of doorgaande, oorzaak daaruit genomen heeft deze gelijkenis voor te stellen; gelijk Hij meermalen gedaan heeft, bij dergelijke gelegenheden. Zie Joh. 4:10 , Joh. 4:32 , Joh. 4:35 .
Hertaald:
ben de ware
Dat is: Ik mag terecht met een wijnstok vergeleken worden, Mijn Vader met een wijngaardenier en u, Mijn discipelen, met de ranken (vers 5). Het lijkt erop dat Christus bij het uitgaan langs of door enkele wijngaarden kwam en daaruit aanleiding genomen heeft deze vergelijking voor te stellen, zoals Hij bij dergelijke gelegenheden vaker gedaan heeft. Zie Joh. 4:10, Joh. 4:32, Joh. 4:35.
Landman
Dat is, de wijngaardenier, die mij daartoe geordineerd en gelijk als geplant heeft, en die de ranken besnoeit, en daarop acht heeft.
Hertaald:
Landman
Dat is: de wijngaardenier, Die Mij daartoe bestemd en als het ware geplant heeft, en Die de ranken snoeit en er zorg voor draagt.
Alle rank,
Grieks alle rank in mij geen vrucht dragende; dat is, een iegelijk die mij uiterlijk alleen belijdt, en evenwel van harte niet gelooft.
Hertaald:
Alle rank,
Grieks: elke rank in Mij die geen vrucht draagt; dat is: ieder die Mij alleen uiterlijk belijdt en toch niet van harte gelooft.
vrucht draagt,
Namelijk des geloofs in zijn leven niet voortbrengt.
Hertaald:
vrucht draagt,
Namelijk die de vrucht van het geloof niet in zijn leven voortbrengt.
neemt Hij weg;
Dat is, Hij snijdt ze af, en werpt ze uit Zijne gemeenschap.
Hertaald:
neemt Hij weg;
Dat is: Hij snijdt ze af en werpt ze uit Zijn gemeenschap.
reinigt Hij,
Dat is, Hij zuivert ze, namelijk door Zijn Woord en Geest, en ook door kruis en lijden.
Hertaald:
reinigt Hij,
Dat is: Hij zuivert ze, namelijk door Zijn Woord en Geest, en ook door kruis en lijden.
rein om het
Of, rein door het woord; dat is gereinigd.
Hertaald:
rein om het
Of: rein door het woord; dat is: gereinigd.
gesproken heb
Namelijk en gij met waar geloof hebt aangenomen.
Hertaald:
gesproken heb
Namelijk en dat u met waar geloof aangenomen hebt.
Blijft in Mij,
Namelijk met waar geloof mij standvastig aanhangende.
Hertaald:
Blijft in Mij,
Namelijk terwijl u Mij met waar geloof standvastig aanhangt.
Ik in u
Dat is, Ik zal in u blijven; en dienvolgens u meer en meer mededelen het sap des geestelijken levens om vruchten te kunnen voortbrengen.
Hertaald:
Ik in u
Dat is: Ik zal in u blijven, en u dus meer en meer het sap van het geestelijke leven meedelen om vruchten te kunnen voortbrengen.
van zichzelve,
Dat is, uit haar eigen kracht of natuur.
Hertaald:
van zichzelve,
Dat is: uit haar eigen kracht of natuur.
zonder Mij
Dat is, van mij afgezonderd zijnde, of zonder mijne kracht.
Hertaald:
zonder Mij
Dat is: wanneer u van Mij afgescheiden bent, of zonder Mijn kracht.
niets doen
Grieks niet iets; dat is, ganselijk niet, namelijk dat ter zaligheid vereist wordt.
Hertaald:
niets doen
Grieks: niet iets; dat is: in het geheel niets, namelijk van wat tot zaligheid vereist wordt.
buiten geworpen,
Namelijk buiten den wijngaard, dat is buiten de gemeenschap der ware gelovigen.
Hertaald:
buiten geworpen,
Namelijk buiten de wijngaard, dat is: buiten de gemeenschap van de ware gelovigen.
de rank, en
Dat is de onvruchtbare rank.
Hertaald:
de rank, en
Dat is: de onvruchtbare rank.
is verdord; en
Dat is, van de geestelijke gaven meer en meer ontbloot; 2 Petr. 2:20 .
Hertaald:
is verdord; en
Dat is: meer en meer ontbloot van de geestelijke gaven; 2 Petr. 2:20.
vergadert dezelve,
Deze vergadering zal geschieden door de engelen, Matt. 13:41 , uit alle hoeken der wereld.
Hertaald:
vergadert dezelve,
Dat verzamelen zal gebeuren door de engelen (Matth. 13:41), uit alle hoeken van de wereld.
vuur, en
Daardoor wordt afgebeeld het helse vuur.
Hertaald:
vuur, en
Daardoor wordt het helse vuur afgebeeld.
in u blijven,
Dat is, indien gij mijne geboden niet alleen gedachtig zijt, maar die ook geduriglijk onderhoudt; 1 Joh. 3:21-22 .
Hertaald:
in u blijven,
Dat is: als u Mijn geboden niet alleen in gedachten houdt, maar ze ook voortdurend onderhoudt; 1 Joh. 3:21-22.
wat gij wilt,
Namelijk tot uw troost of zaligheid nodig.
Hertaald:
wat gij wilt,
Namelijk wat nodig is voor uw troost of zaligheid.
begeren, en
Of, bidden; namelijk naar Gods wil; 1 Joh. 5:14 .
Hertaald:
begeren, en
Of: bidden; namelijk naar Gods wil; 1 Joh. 5:14.
vrucht draagt;
Namelijk des geloofs, welke zijn de goede werken, waardoor God vereerd wordt; Matt. 5:16 ; Rom. 6:4 .
Hertaald:
vrucht draagt;
Namelijk de vrucht van het geloof, dat zijn de goede werken waardoor God geëerd wordt; Matth. 5:16; Rom. 6:4.
zijn
Dat is, metterdaad betonen dat gij het zijt; Joh. 13:35 .
Hertaald:
zijn
Dat is: metterdaad tonen dat u het bent; Joh. 13:35.
Mijn liefde
Namelijk, die Ik u toedraag.
Hertaald:
Mijn liefde
Namelijk de liefde die Ik u toedraag.
bewaart, zo
Dat is, onderhoudt.
Hertaald:
bewaart, zo
Dat is: onderhoudt.
Mijn blijdschap
Dat is, waarmede Ik over u verblijd ben.
Hertaald:
Mijn blijdschap
Dat is: de blijdschap waarmee Ik Mij over u verheug.
blijve, en
Dat is, niet verminderd of veranderd wordt, maar dat Ik mij over u altijd mag verblijden.
Hertaald:
blijve, en
Dat is: niet verminderd of veranderd wordt, maar dat Ik Mij altijd over u mag verheugen.
uw blijdschap
Dat is, waarmede gij u in mij verheugt, als in uwen Zaligmaker; Joh. 17:13 ; 1 Petr. 1:8-9 .
Hertaald:
uw blijdschap
Dat is: de blijdschap waarmee u zich in Mij verheugt, als in uw Zaligmaker; Joh. 17:13; 1 Petr. 1:8-9.
vervuld worde
Dat is, meer en meer toeneme, en hiervan volkomen worde.
Hertaald:
vervuld worde
Dat is: meer en meer toeneemt en daarin volkomen wordt.
gebod, dat
Namelijk hetwelk Ik u voornamelijk wil bevolen of ingeprent hebben.
Hertaald:
gebod, dat
Namelijk het gebod dat Ik u vooral wil bevelen of inprenten.
zijn leven
Grieks zijne ziel.
Hertaald:
zijn leven
Grieks: zijn ziel.
zette voor
Dat is, vrijwillig overgeve.
Hertaald:
zette voor
Dat is: vrijwillig overgeeft.
Gij zijt Mijn
Dat is, gij zult in mijne vriendschap blijven.
Hertaald:
Gij zijt Mijn
Dat is: u zult in Mijn vriendschap blijven.
heet u niet
Grieks zeg; dat is, Ik houd u voortaan niet als dienstknechten alleen, maar ook als vrienden.
Hertaald:
heet u niet
Grieks: zeg; dat is: Ik beschouw u voortaan niet meer alleen als dienstknechten, maar ook als vrienden.
weet niet, wat
Dat is, pleegt niet te weten.
Hertaald:
weet niet, wat
Dat is: pleegt niet te weten.
doet; maar Ik
Dat is, voorheeft te doen; alzo de heren hunne geheimen niet plegen aan hunne dienstknechten te openbaren.
Hertaald:
doet; maar Ik
Dat is: van plan is te doen; aangezien heren hun geheimen niet aan hun dienstknechten plegen te openbaren.
gehoord heb,
Dat is, al wat mij van den Vader bevolen is de mensen tot hunne zaligheid te leren en te openbaren.
Hertaald:
gehoord heb,
Dat is: alles wat Mij door de Vader bevolen is de mensen tot hun zaligheid te leren en te openbaren.
uitverkoren, maar
Namelijk eerst om uw Heere en Zaligmaker te zijn.
Hertaald:
uitverkoren, maar
Namelijk eerst om uw Heere en Zaligmaker te zijn.
uitverkoren, en
Namelijk uit de wereld om mijne vrienden te zijn en u zalig te maken, vs.19.
Hertaald:
uitverkoren, en
Namelijk uit de wereld, om Mijn vrienden te zijn en om u zalig te maken, vers 19.
gesteld, dat
Dat is, daartoe geroepen.
Hertaald:
gesteld, dat
Dat is: daartoe geroepen.
heengaan en
Namelijk door de ganse wereld, om met leren en goede voorbeelden de mensen te bekeren.
Hertaald:
heengaan en
Namelijk door de hele wereld, om met onderwijs en goede voorbeelden de mensen te bekeren.
wat gij van
Namelijk nodig en dienstig tot voortbrenging dezer vruchten.
Hertaald:
wat gij van
Namelijk wat nodig en dienstig is voor het voortbrengen van deze vruchten.
opdat gij
Of, dat gij.
Hertaald:
opdat gij
Of: dat u.
de wereld haat,
Dat is, de wereldse mensen.
Hertaald:
de wereld haat,
Dat is: de wereldse mensen.
weet, dat zij
Of, gij weet.
Hertaald:
weet, dat zij
Of: u weet.
eer dan u
Of, den eerste; dat is, den overste van ulieden.
Hertaald:
eer dan u
Of: de eerste; dat is: uw overste.
van de wereld
Grieks uit.
Hertaald:
van de wereld
Grieks: uit.
het hare
Grieks het eigene; dat is, wat haar eigen is, of gelijk is.
Hertaald:
het hare
Grieks: het eigene; dat is: wat haar eigen is, of wat aan haar gelijk is.
van de wereld
Grieks uit.
Hertaald:
van de wereld
Grieks: uit.
uitverkoren,
Dat is, afgezonderd om mij gelijk te zijn en mij te volgen; Rom. 8:29 .
Hertaald:
uitverkoren,
Dat is: afgezonderd om aan Mij gelijk te zijn en Mij te volgen; Rom. 8:29.
gezegd heb
Namelijk tevoren; Joh. 13:16 .
Hertaald:
gezegd heb
Namelijk tevoren; Joh. 13:16.
deze dingen
Namelijk haten, vervolgen, het woord verachten.
Hertaald:
deze dingen
Namelijk haten, vervolgen en het Woord verachten.
om Mijns Naams
Dat is, uit haat van mij en mijne leer.
Hertaald:
om Mijns Naams
Dat is: uit haat tegen Mij en Mijn leer.
Die Mij gezonden
Dat is, de Vader.
Hertaald:
Die Mij gezonden
Dat is: de Vader.
geen zonde;
Dat is, zo zware zonde niet als zij nu hebben, maar zouden zich enigszins op hunne onwetendheid kunnen ontschuldigen; Joh. 9:41 .
Hertaald:
geen zonde;
Dat is: dan zouden zij niet zo'n zware zonde hebben als zij nu hebben, maar zich enigszins op hun onwetendheid kunnen verontschuldigen; Joh. 9:41.
geen voorwendsel
Of, geen dekmantel.
Hertaald:
geen voorwendsel
Of: geen dekmantel.
werken onder
Dat is, de wonderwerken of mirakelen.
Hertaald:
werken onder
Dat is: de wonderwerken.
niemand anders
Namelijk dergenen, die zich uitgegeven hebben voor den Messias; of ook zelfs niet der vorige profeten.
Hertaald:
niemand anders
Namelijk niemand van hen die zich voor de Messias hebben uitgegeven; en zelfs niet de vroegere profeten.
geen zonde;
Gelijk tevoren vs.22.
Hertaald:
geen zonde;
Zoals tevoren in vers 22.
wet geschreven
Dat is, in de schriften des Ouden Testaments; gelijk Joh. 10:34 , want dit staat geschreven in Ps. 35:19 , en Ps. 69:5 , hetwelk, van David als een voorbeeld van Christus gezegd zijnde, in Christus vervuld wordt.
Hertaald:
wet geschreven
Dat is: in de geschriften van het Oude Testament, zoals Joh. 10:34; want dit staat geschreven in Ps. 35:19 en Ps. 69:5. Dat is over David gezegd als een voorafbeelding van Christus, en het wordt in Christus vervuld.
zonder oorzaak
Grieks omniet.
Hertaald:
zonder oorzaak
Grieks: om niet.
van den Vader,
Namelijk als de eniggeboren Zoon Gods, wiens Geest Hij ook is en genaamd wordt; Rom. 8:9 ; Gal. 4:6 .
Hertaald:
van den Vader,
Namelijk als de eniggeboren Zoon van God, van Wie Hij ook de Geest is en genoemd wordt; Rom. 8:9; Gal. 4:6.
uitgaat, Die
Namelijk zo ten aanzien zijns persoons, wiens eigenschap is van den Vader en van den Zoon van eeuwigheid uit te gaan, als ten aanzien van zijne kracht en werking.
Hertaald:
uitgaat, Die
Namelijk zowel wat Zijn persoon betreft, van Wie het eigen is van eeuwigheid uit de Vader en de Zoon uit te gaan, als wat Zijn kracht en werking betreft.
getuigen
Namelijk door zijn wonderbaarlijke gaven en inwendige overtuiging, dat Ik de ware Zaligmaker ben.
Hertaald:
getuigen
Namelijk door Zijn wonderbaarlijke gaven en innerlijke overtuiging, dat Ik de ware Zaligmaker ben.
getuigen, want
Namelijk met uwe leer en wonderwerken, die gij in mijnen naam doen zult.
Hertaald:
getuigen, want
Namelijk met uw leer en de wonderwerken die u in Mijn naam zult doen.
beginne met
Namelijk van mijn predikambt; Matt. 4:17-18 , hebt gij mijne leer gehoord, en mijne wonderwerken gezien.
Hertaald:
beginne met
Namelijk van Mijn predikambt (Matth. 4:17-18) hebt u Mijn leer gehoord en Mijn wonderwerken gezien. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Tegenover de ontroering van de discipelen bij de aankondiging van Zijn vertrek ("Uw hart worde niet ontroerd", Joh. 14:1) belooft Jezus "een anderen Trooster" (Joh. 14:16). Het woord "anderen" laat doorklinken dat Christus Zelf tot dan toe hun Trooster was, en dat een Ander van dezelfde soort Zijn plaats zal innemen. Hij noemt Hem "de Geest der waarheid", Die de wereld niet kan ontvangen omdat zij Hem niet ziet en niet kent, maar Die bij de discipelen zal blijven en in hen zal zijn (Joh. 14:17). Hij is dus niet langer naast hen, zoals Christus in het vlees, maar in hen. De taak wordt in de verdere hoofdstukken breed uitgewerkt. Hij zal alles leren en in herinnering brengen wat Christus gezegd heeft (Joh. 14:26), en Hij zal van Christus getuigen (Joh. 15:26). Hij zal de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel (Joh. 16:8). En Hij zal in al de waarheid leiden, niet van Zichzelven sprekend maar wat Hij hoort, en Christus verheerlijken door van het Zijne te nemen en te verkondigen (Joh. 16:13-14). Opvallend genoeg noemt Jezus Zijn eigen heengaan "nut" voor hen: zonder Zijn heengaan komt de Trooster niet (Joh. 16:7) — de komst van de Geest is dus uitdrukkelijk gebonden aan Christus' verhoging, niet een zaak op zichzelf. Bijbelse betekenis: Dit is het volle artikel dat bij Geest des HEEREN (toerusting tot een taak) (Richt. 3) uitdrukkelijk tot het Nieuwe Testament is uitgesteld. In het Oude Testament kwam de Geest over enkelingen voor een taak en een tijd, en kon Hij ook weer wijken (vgl. 1 Sam. 16:14 als keerzijde). Hier is de belofte een blijvende inwoning in elke gelovige: Hij blijft in eeuwigheid bij hen en zal in hen zijn (Joh. 14:16-17). Die belofte werd uitgestort met Pinksteren (Hand. 2, reeds behandeld), in vervulling van Joël 2:28 en van de oudtestamentische hoop uit Ezech. 36:27 en Jes. 44:3. De drievoudige taak — leren en herinneren, van Christus getuigen, de wereld overtuigen — tekent heel het tijdperk na de hemelvaart als het tijdperk waarin de Geest het voltooide werk van Christus toepast, geen nieuw of onafhankelijk werk naast Hem. Typologie: Zie de vervulling in Hand. 2:4, waar de Geest wordt uitgestort. De verdere uitwerking staat in Ef. 1:13-14 (de verzegeling en het onderpand), in Ef. 4:30 ("bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt") en in Rom. 8:9,26 (de Geest van Christus woont in de gelovige en komt zijn zwakheden mede te hulp). Joh. 14:1,16-17,26; Joh. 15:26; Joh. 16:7-8,13-14; 1 Sam. 16:14; Joël 2:28; Ezech. 36:27; Jes. 44:3; Hand. 2:4; Ef. 1:13-14; Ef. 4:30; Rom. 8:9,26 Israël zelf werd in het Oude Testament herhaaldelijk Gods wijnstok of wijngaard genoemd (Ps. 80:9-16; Jes. 5:1-7), maar bleek onvruchtbaar of bracht wilde druiven voort en werd daarom geoordeeld. Christus noemt Zichzelf de "ware" Wijnstok — echt, in tegenstelling tot die verwilderde — met de Vader als de Landman, Die elke vruchtdragende rank snoeit opdat zij meer vrucht drage, en elke onvruchtbare rank wegneemt (Joh. 15:1-2). Het middelpunt van het hoofdstuk is het bevel tot wederzijds blijven: "Blijft in Mij, en Ik in u" (Joh. 15:4), want zonder deze inblijving is vrucht dragen eenvoudig onmogelijk: "zonder Mij kunt gij niets doen" (Joh. 15:5). Het doel van de vrucht is de verheerlijking van de Vader en de bevestiging van het discipelschap (Joh. 15:8), en ook hier wordt de grond weer gelegd in de soevereine verkiezing: "Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren" (Joh. 15:16). Bijbelse betekenis: De tekst waarschuwt tegen een louter uiterlijke, onvruchtbare verbondenheid: ranken "in Mij" die geen vrucht dragen, worden weggenomen en verbrand (Joh. 15:6). Dit is geen leerstuk over het verliezen van de zaligheid, maar het onderscheid tussen een levende, vruchtdragende inblijving en een louter nominale, uiterlijke aansluiting — hetzelfde onderscheid dat Johannes later maakt: "Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet" (1 Joh. 2:19). De vrucht zelf komt niet uit eigen kracht voort, maar uitsluitend uit de blijvende, levende verbondenheid met Christus als de enige Bron. Typologie: Paulus gebruikt hetzelfde grondbeginsel bij het beeld van de ingeënte olijftak (Rom. 11:17-24), en tekent de inhoud van de vrucht zelf als "de vrucht des Geestes" (Gal. 5:22-23). Joh. 15:1-8,16; Ps. 80:9-16; Jes. 5:1-7; Rom. 11:17-24; Gal. 5:22-23; 1 Joh. 2:19 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het verbond niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Het avondmaal is achter de rug, Judas is de nacht in gegaan en het gezelschap loopt naar de hof. Onderweg — de kanttekening vermoedt dat zij langs wijngaarden kwamen — spreekt Hij het laatste van Zijn Ik ben-woorden uit. In de profeten heet Israël telkens een wijnstok, en telkens als verwijt. Nu staat er Eén Die zegt: Ik ben de ware. Alles hangt aan één woord: “Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman.” Waarom die toevoeging? Omdat het beeld al bezet was. Wie in Israël over een wijnstok begon, riep een hele reeks profetenwoorden op, en die waren geen van alle vleiend. In de psalm heet het volk een wijnstok die God uit Egypte overbracht en plantte, en die het land vervulde — en dan de klacht: waarom hebt Gij zijn muren doorgebroken? Jesaja zong een lied over een wijngaard op een vette heuvel, omtuind, van stenen gezuiverd, met een toren erin: “en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.” Jeremia zei het in één zin tegen het volk zelf: “Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad.” En Hosea noemde Israël een uitgeledigde wijnstok. Het beeld stond dus voor de mislukking van een volk waaraan God alles gedaan had. Jesaja liet God er zelfs een vraag over stellen die geen antwoord verwachtte: wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, dat Ik er niet aan gedaan heb? Daar zet Hij Zichzelf in. Ik ben de ware. Niet: er komt een betere wijngaard, en ook niet: het beeld deugde niet. Wel: waar het volk moest zijn wat God van een wijnstok verwachtte en dat niet was, sta Ik. Dat verandert de vraag hoe men erbij hoort. In Jesaja was de wijngaard een volk en de vrucht een levenswijze; hier is de wijnstok een Persoon en zijn de gelovigen de ranken. “Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.” De kanttekening legt dat van zichzelve uit als: uit haar eigen kracht of natuur. Een rank heeft niets eigens; wat erdoorheen stroomt komt van elders, en dat is het enige waaraan zij haar vrucht te danken heeft. Daarom staat er ook het scherpste zinnetje van het hoofdstuk achter: “want zonder Mij kunt gij niets doen.” Het gaat niet om minder kunnen. Het gaat om een rank die van de stam is losgesneden. De Vader blijft in dit beeld de Landman, zoals Hij in Jesaja de eigenaar van de wijngaard was. Maar Zijn werk is nu een ander: Hij snoeit. Wat vrucht draagt wordt gereinigd opdat het meer zou dragen — de kanttekening zegt: door Zijn Woord en Geest, en ook door kruis en lijden. Het mes in de wijngaard is geen teken van toorn maar van zorg. En dan draait Hij aan het slot de volgorde om, en daarmee de hele geschiedenis van deze wijnstok: “Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren.” Israël was geplant; het had zichzelf niet in dat land gezet. Zo is het gebleven. De psalm die het volk als afgehouwen wijnstok beklaagt, eindigt niet in de klacht. Er wordt gebeden om de stam die Gods rechterhand geplant heeft, en om de zoon die God Zich gesterkt heeft: “Uw hand zij over den man Uwer rechterhand.” Dat gebed is verhoord op een wijze die de bidder niet vermoedde. De wijnstok werd niet hersteld. Er kwam een ware. In het Nieuwe Testament: Psalm 80:9-16; Jesaja 5:1-7; Jeremia 2:21; Hosea 10:1; Mattheüs 21:33; Galaten 3:16 Hoever dit reikt: Johannes 15 haalt geen van deze profeten woordelijk aan. Dat het beeld eruit komt, blijkt uit het beeld zelf: de wijnstok en de wijngaard staan in het Oude Testament vast voor Israël, en Hij neemt in de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden het lied van Jesaja 5 wél uitdrukkelijk over. Wat de ranken betreft gaat het hoofdstuk over blijven en vrucht dragen; hoe dat zich verhoudt tot de vraag wie er van eeuwigheid bij hoort, wordt hier niet uitgewerkt.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Een metselaar die aan een gebouw werkt, vindt het voldoende om zijn deel van de stenen te metselen. Misschien heeft hij het ontwerp van het hele gebouw nooit gezien en heeft hij er ook geen behoefte aan om te weten hoe het uiteindelijk zal worden. Maar u en ik hebben te maken met de grote Architect. Hij komt voortdurend tot ons om ons te laten zien hoe het gebouw zal worden en om ons Zijn plannen te ontvouwen. Daarom mogen wij met veel meer vreugde en blijdschap werken dan een gewone arbeider ooit zou kunnen doen. Als u van de wereld zou zijn, zou de wereld het hare liefhebben, maar omdat u niet van de wereld bent, maar Ik u uit de wereld heb… Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buitengeworpen zoals de rank, en verdort. Johannes 15:6 In de Victoriaanse tijd duurde het lang om ergens naartoe te reizen.… Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, heb ook Ik u liefgehad; blijf in Mijn liefde. Johannes 15:9 Wij vinden onze grootste vreugde in de liefde van Christus. De… Deze Man ontvangt zondaars en eet met hen. (Lukas 15:2) Lees verder Johannes 15:8—17. Deze Man ontvangt zondaars.” Wat anderen ook doen, deze Man, deze, alleen deze als… Ik ben in het midden van u, als een die dient. Luk. 22:27 Een zonderling feit met betrekking tot de apostelen. Zij werden op hetzelfde ogenblik ontroerd door… Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat. Johannes 15:25 Verder lezen: 1 Petrus 4:12-19 Zorg ervoor dat als de wereld je haat, zij je zonder oorzaak haat. Als de wereld zich… Door Mij is bij u vrucht te vinden. (Hosea 14:8) Lees verder Johannes 15:1—8. Als ik zonder God vruchten zou dragen, zou ik ze verafschuwen omdat het vruchten van… Sommige van ons hebben in hun tuin een boom die zo vol zit met vruchten dat de takken ondersteund moeten worden om te voorkomen dat ze breken. Er… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" De rank kan geen vrucht dragen uit zichzelf. Johannes 15 vers 4 Op welke manier begon je vruchten te dragen? Was… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Ik heb u uit de wereld uitverkoren. Johannes 15 vers 19 Hier vinden we uitverkiezende en onderscheidende genade. Sommige mensen zijn… Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde. Johannes 15:9 Zoals de Vader Zijn Zoon zonder ophouden liefheeft, zo heeft de… Indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden. Johannes 15:7 Wat is uw… Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen... Alle… Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb. Johannes 15:3 Velen kunnen zich de Schrift herinneren, maar alleen de Heere kan het verstand… Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch… Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo… Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. Johannes 15:2 Laten… En het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden. Belijdt elkander… Indien Ik niet gekomen ware en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Johannes 15:22 De bijzondere misdaad van… Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede. Johannes 15:14 Onze Heere Jezus Christus is zonder meer de beste vriend. Een vriend in nood en dood.… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Gelijk de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u lief gehad. Joh 15:9 Gelijk de Vader de Zoon liefheeft, heeft Jezus de… Zonder Mij kunt gij niets doen. Johannes 15:5 Dit is niet de taal van een gewoon mens. Geen heilige, geen profeet, geen apostel zou ooit een gezelschap van… Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven. Johannes 15:10 Deze dingen kunnen niet worden gescheiden - gehoorzaamheid en volhardend in de liefde van… Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. Johannes 15: 2… Indien gij in Mij blijft,en mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden. Joh. 15:7 Let er goed op, dat… Indien gij in Mij blijft, en mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden. Joh. 15:7 Wij moeten noodwendig in… Onze verantwoordelijkheid – C.H. Spurgeon Originele titel: Human Responsibility by C.H. Spurgeon Uit: The new Park Street Pulpit – Volume 4 – sermon no. 194 – 1858… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Johannes 15
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Ik ben de ware Wijnstok — 15:1-17
Wat betekenen de niveaus?
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
Je bent veilig
Waarom Spurgeon moest huilen
Jezus' liefde
Plaats voor iedereen die komt
Luk. 22:27 - Servus Servorum
Haat zonder oorzaak
Waar we vruchten vinden
Vruchtdragende christenen
Vruchten komen niet uit jezelf voort
Ik heb u uit de wereld uitverkoren
Zonder ophoeden liefhebben
Houd aan in het gebed
Meer vrucht
De Heere onderwijst het hart
Niet hier
Blijf in Hem
Vrucht komt later
Onbeantwoord gebed
Onze verantwoordelijkheid
Gehoorzame vrienden
Gelijk de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u lief gehad
Zonder Christus niets
In gehoorzaamheid en liefde blijven
Snoeien om vrucht te dragen
Luisteren naar wat Jezus tegen u zegt
In Christus blijven
Onze verantwoordelijkheid in het geloof


Johannes 15
Johannes 15:1
KruisverwijzingenJeremia 2:21→Jesaja 27:2→Johannes 1:17→Jesaja 5:1→Psalmen 80:8→1 Korinthe 3:9→Jesaja 4:2→Johannes 6:55→— Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman.
Alle andere wijnstokken zijn slechts schaduwen van Christus. Zij verbeelden Christus, maar Hij Zelf is de zelfstandigheid, het wezen, de ene grote werkelijkheid: “Ik ben de ware Wijnstok.” Vraagt iemand welke de ware Kerk is? Allen die levend met Christus verenigd zijn, behoren tot de ware Kerk.
Hij zorgt voor de Gemeente met oneindige wijsheid en liefde. Niemand anders kan zo voor die ware Wijnstok zorgen als de Vader, de Landman, doet.
Wilt u weten waar de ware Kerk is? Christus zegt het u hier: Ik ben de ware Wijnstok. Wilt u weten wie de Vader van de Kerk is, haar Bewaarder en Behoeder? Christus zegt het u hier: “Mijn Vader is de Landman.” Daarom ben ik ervan overtuigd dat de ware Wijnstok, de Kerk, nooit zal sterven, want zij is Christus. En ik ben er ook van overtuigd dat zij nooit ontworteld zal worden, want dat feit staat er borg voor dat Hij haar zal verzorgen.
Velen hebben zich afgevraagd welke de ware Kerk is; de Zaligmaker beantwoordt hun vraag: Ik ben de ware Wijnstok. Allen die werkelijk met de levende Zaligmaker verenigd zijn, zijn leden van de ware Kerk. Vindt u hen waar u ook zoekt, zijn zij één met Christus, dan behoren zij tot Zijn Kerk.
Het is de taak van de Vader, door de Heilige Geest en door de werken van de voorzienigheid, te zorgen voor de bloei van de Kerk. Alle predikers, alle leraars, zijn als het ware slechts het snoeimes in de hand van de grote Wijngaardenier.
Wij danken U, o Zaligmaker, voor dit gezegende antwoord op de dikwijls herhaalde vraag: welke is de ware Kerk? Bent u één met Christus? Dan bent u een deel van de ware Wijnstok. Er is niet één rank aan die Wijnstok die de Vader niet met oneindige liefde liefheeft. En wat de statige Stam betreft, ja, Jezus Zelf, Hem heeft Hij lief boven mate.
Johannes 15:2
KruisverwijzingenMattheüs 3:10→Mattheüs 15:13→Hebreeën 12:10→Openbaring 3:19→Hebreeën 6:7→Mattheüs 3:12→Job 17:9→Maleachi 3:3→— Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.
Zijn er die slechts in naam in Christus zijn, en die daarom geen vrucht dragen, dan is hun lot weggenomen te worden. Want om te volharden en eeuwig behouden te blijven, moet er vruchtdragen zijn.
Snoeien is dus voor vruchtdragers. Was de rank dood, wat baatte het haar te snoeien? Zeg niet, geliefde vrienden, dat uw beproevingen door uw zonden veroorzaakt moeten zijn; nee, veeleer kunnen zij voortkomen uit uw deugden. Omdat u vrucht draagt, is het de Landman de moeite waard Zijn mes op u te gebruiken, opdat u meer vrucht zou dragen.
In zekere zin kunnen mensen door een louter uiterlijke belijdenis in Christus zijn. Maar hebben zij geen bewijs van een werkelijke vereniging met Christus, brengen zij geen vrucht voort, dan zullen zij weggenomen worden, sommigen door de dood, anderen door afval.
Uit deze woorden blijkt duidelijk dat veel van de beproevingen die wij moeten doorstaan, niet over ons komen omdat wij onvruchtbaar zijn, maar juist omdat wij vrucht dragen.
Het is een noodzakelijk deel van de wijnbouw de overtollige loten te verwijderen. Te veel houtgroei, die niet tot vruchtdragen leidt, is slechts verspilling van kracht. Zo zijn er ook in de Kerk mensen die geen vrucht dragen, en een tijdlang lijken zij nog fris en groen. Maar de Vader neemt hen weg. Soms door de dood, soms door hun toe te laten hun eigen karakter openlijk te tonen, totdat zij onder de tucht van de Gemeente vallen.
Wat dan? Hij zuivert haar, opdat zij meer vrucht zou dragen. Ik begrijp niet, zei iemand onlangs tegen mij, waarom ik zo zwaar beproefd word. Ik heb mijzelf onderzocht om te ontdekken welke zonde daar de oorzaak van kan zijn. Wel, geliefde, is dat vanavond uw vraag, dan kan er een zonde zijn die weggedaan moet worden. Maar bedenk anderzijds: beproeving is geen bewijs van zonde, maar dikwijls van het tegendeel. Het is juist de vruchtdragende rank die gesnoeid wordt. De diamantslijper polijst niet de steen die niet kostbaar is, maar juist die het wél is.
Deze handeling gaat voortdurend door. God neemt voortdurend, op de een of andere manier, de niet-vruchtdragers uit de Kerk weg. Wij weten dat zij niet werkelijk aan Christus toebehoren, want vrucht moet voortkomen uit levende vereniging met Hem. Maar het is een beproeving voor de Kerk om niet-vruchtdragende ranken te hebben. Deze worden weggenomen, soms door de dood, soms door het oordeel, soms door de openlijke ontdekking van hun verborgen zonde.
Is dit dan, geliefde vriend, één reden waarom u getuchtigd wordt, omdat u een vruchtdragende rank bent? Droeg u geen vrucht, dan bleef u ongesnoeid, want dan zou het mes zijn strengere werk aan u doen door u geheel weg te nemen. Draagt u werkelijk vrucht voor God, dan moet u beproeving, moeite, verdriet verwachten, en dat dikwijls.
Johannes 15:3-4
KruisverwijzingenEfeze 5:26→1 Johannes 2:6→Galaten 2:20→Johannes 17:17→Johannes 13:10→2 Johannes 1:9→Johannes 6:56→Ezechiël 15:2→— Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb. Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.
Sla acht op dat zoete woord, geliefde broeders: “blijf in Mij.” Kom niet slechts in Christus, om dan weer van Hem heen te gaan. Voeg standvastigheid toe aan al uw andere deugden.
Geliefde vrienden, wacht u voor een christendom zonder Christus. Wacht u ervoor christenen te willen zijn zonder dagelijks van Christus te leven. De rank kan evenmin buiten de wijnstok vrucht dragen, als u de werkelijkheid van het christelijk leven kunt behouden zonder voortdurende gemeenschap met de Heere Jezus Christus.
Johannes 15:3
KruisverwijzingenEfeze 5:26→Johannes 17:17→Johannes 13:10→1 Petrus 1:22→— Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.
Zo behoorde het ook te zijn. Terwijl Christus bij Zijn discipelen was, hield Hij Zijn wijnstok voortdurend gesnoeid door het woord dat Hij sprak. Dat woord sneed de niet-vruchtdragende ranken af, want wij lezen dat na dat woord sommigen teruggingen, en niet meer met Hem wandelden, want zij zeiden: “deze rede is hard, wie kan haar horen?” En er waren anderen die door Zijn woord bedroefd werden. Dit waren goede mensen, en het deed hun goed; het was een godvruchtige droefheid die tot bekering leidde.
Dat was een woord dat hen zwaar bedroefd had, tot in het diepst geraakt, zodat de Zaligmaker meer dan eens tegen hen moest zeggen: uw hart worde niet ontroerd. Zij hadden de scherpe kant van het snoeimes gevoeld, dus zei Jezus tegen hen: “gijlieden zijt nu rein, om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.”
Johannes 15:4-5
KruisverwijzingenFilippenzen 4:13→Kolossenzen 1:10→2 Petrus 1:2→Spreuken 11:30→Jakobus 1:17→Johannes 15:16→1 Johannes 2:6→Galaten 2:20→— Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft. Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.
U weet hoe de rank in de wijnstok is, zij is een deel van de wijnstok. Maar vergeet niet dat ook de wijnstok in de rank is, dat het sap, dat het leven zelf van de wijnstok is, in elke levende rank vloeit. Zo zijn wij in Christus, en Christus is in ons: “zonder Mij kunt gij niets doen.”
Johannes 15:4
Kruisverwijzingen1 Johannes 2:6→Galaten 2:20→2 Johannes 1:9→Johannes 6:56→Ezechiël 15:2→Johannes 8:31→1 Johannes 2:24→Filippenzen 1:11→— Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.
Dat is de grote regel van het christelijk leven. Houd vast aan Christus. Niet alleen mét Hem leven, maar ín Hem leven: “blijf in Mij.” En laat Jezus niet slechts nu en dan uw metgezel zijn, op heilige ogenblikken, maar laat Hem in u blijven; maak van uw hart een tempel.
Het is het blijven in Christus dat de levensader is. Daar ligt de wortel van de hele zaak: nog steeds één met Jezus zijn door een levende vereniging, ons levenssap geheel van Hem ontvangend.
Het voornaamste is niet rusteloze bedrijvigheid, hierheen en daarheen rennend; het is het blijven in Christus, volharden, standvastig aan Christus vasthouden. U mag zich haasten en jachten en druk maken; maar u zult erbij verliezen. Blijf dicht bij Christus. Laat uw hart nooit losgemaakt worden van de innige gemeenschap met Hem.
Johannes 15:5-6
KruisverwijzingenFilippenzen 4:13→Kolossenzen 1:10→2 Petrus 1:2→Spreuken 11:30→Jakobus 1:17→Johannes 15:16→Galaten 5:22→2 Petrus 3:18→— Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen. Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.
De wijnstok moet vrucht dragen, of hij deugt nergens voor; en u, gelovige, moet levend met Christus verenigd zijn, en vrucht dragen als gevolg van die vereniging. Anders zult u zijn als die vruchteloze wijnranken, waarvan onze Heere zei dat men ze verzamelt, en in het vuur werpt, en zij verbranden.
De wijnstok is nergens voor te gebruiken dan voor vruchtdragen; en draagt hij geen vrucht, dan deugt hij nergens voor, behalve om verbrand te worden. In het maatschappelijk leven kan een mens van enig nut zijn, hoe slecht hij ook is. Maar een mens die in de belijdende Kerk van Christus is, en toch geen vrucht draagt tot God, is helemaal nergens toe nut.
Johannes 15:5
KruisverwijzingenFilippenzen 4:13→Kolossenzen 1:10→2 Petrus 1:2→Spreuken 11:30→Jakobus 1:17→Johannes 15:16→Galaten 5:22→2 Petrus 3:18→— Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.
Dit dubbele blijven geeft een dubbele oogst. Christus in mij, en ik in Christus — ik móet vrucht dragen. Ach, geliefden, let hier goed op. Ik vrees dat wij op afstand van Christus raken. Daar is meer gevaar voor bij oude belijders dan bij jonge beginners.
Niet dat u minder zult doen, of het minste zult doen; u kunt niets doen — niets goeds, niets geestelijks, niets aannemelijks, als u van Jezus afgesneden bent.
Johannes 15:6
KruisverwijzingenMattheüs 7:19→Johannes 15:2→Hebreeën 6:7→Mattheüs 3:10→2 Petrus 2:20→Mattheüs 13:41→1 Johannes 2:19→Ezechiël 17:9→— Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.
Dat is alles wat met vruchteloze wijnranken gedaan kan worden. U kunt er niets van maken. Met de wijnstok is het, zoals de profeet Ezechiël zegt: “mensenkind, wat is de wijnstokrank meer dan enige andere rank, die onder de bomen van het woud is? Zal men daarvan hout nemen, om er enig werk mee te maken? Zie, hij wordt tot brandstof in het vuur geworpen.” Hij is nutteloos als hij vruchteloos is; zo ook met ons: dragen wij geen vrucht voor God, dan zijn wij Hem tot geen enkele dienst.
En ach, hoevelen komen tot dit einde! Zij schenen alles te zijn wat de vruchtdragende ranken zijn, maar zij waren nooit geredde zielen, want geredde zielen brengen altijd vruchten van de gerechtigheid voort. Hun zaligheid wordt bewezen door hun vruchtbaarheid.
Johannes 15:7
KruisverwijzingenPsalmen 37:4→Johannes 14:13→1 Johannes 5:14→1 Johannes 3:22→Johannes 15:16→Johannes 16:23→Mattheüs 7:7→Galaten 5:16→— Indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden.
Hier is het geheim van het overwinnende gebed. Niet iedereen die verkiest te bidden, ontvangt wat hij van God vraagt; maar de succesvolle pleiter is degene die in Christus blijft, en in wie Christus’ woorden blijven. God zal onze woorden niet horen, als wij Zijn woorden verwaarlozen.
Neem dit vers niet als een belofte van onbeperkte gebedsverhoring, want dat is het niet. Bedenk het ‘indien’ dat het beperkt: “indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven” Wie werkelijk in Christus is, zoals de rank in de wijnstok, en zich voedt met Christus’ woorden, wordt zo door de Heilige Geest beïnvloed. Hij zal niets vragen wat tegen de gedachte van God ingaat.
U moet Christus’ onderwijs bewaren; u moet Zijn geboden gehoorzamen. Doet u dat, dan: “gijlieden zult begeren, zo wat gij wilt, en het zal u geschieden.” U ziet dat leerstellige vastheid nodig is voor een ware vereniging met Christus. Sommigen spreken tegenwoordig over een geestelijke gehechtheid aan de Persoon van Christus, terwijl zij hun giftige pijlen richten op de leerstukken van Christus; maar dat gaat niet.
Dit is het geheim van het succesvolle gebed. Christus luistert naar uw woorden, omdat u naar Zijn woorden luistert. Bent u aan Zijn wil gelijkvormig, dan zal Hij u uw wil geven.
Johannes 15:8
KruisverwijzingenJohannes 8:31→Mattheüs 5:16→Filippenzen 1:11→2 Korinthe 9:10→1 Petrus 4:11→Psalmen 92:12→Jesaja 61:3→1 Petrus 2:12→— Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn.
Veel vrucht behoort door de discipelen van de veel-doende Christus voortgebracht te worden. De ware Wijnstok was vol vrucht, en men kan nauwelijks geloven dat wij ranken van die Wijnstok zijn, tonen wij slechts weinig vrucht.
“Gijlieden zult Mijn discipelen bevonden worden.” Iedereen zal opmerken dat u ranken van die vruchtbare wijnstok, Christus Jezus, moet zijn, draagt u veel vrucht.
Wat een wonderlijke wijnstok moet dit zijn, wiens ranken God verheerlijken! De ranken zelf doen dit, en zij doen het door vrucht te dragen.
Want Christus is niet slechts een vruchtdrager, maar een drager van veel vrucht. Zijn wij werkelijk Christus’ discipelen, dan mogen wij niet tevreden zijn met iets voor Hem te doen, maar moeten wij alles doen wat ons mogelijk is.
Johannes 15:8-9
KruisverwijzingenJohannes 8:31→Mattheüs 5:16→Johannes 17:26→Filippenzen 1:11→2 Korinthe 9:10→Johannes 17:23→1 Petrus 4:11→Psalmen 92:12→— Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn. Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde.
Wat een heerlijk woord! Ik ken nauwelijks een dieper, voller woord dan dit. Op dezelfde wijze als God de Vader de Zoon liefheeft, zo heeft de Zoon ons lief: “gelijk Mij de Vader liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde.”
Johannes 15:9
KruisverwijzingenJohannes 17:26→Johannes 17:23→Johannes 15:11→1 Johannes 2:28→Efeze 3:18→Johannes 15:13→Openbaring 1:5→— Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde.
Hoe wonderlijk heeft Jezus hen lief, die werkelijk de Zijnen zijn! Zoals de Vader Hem liefhad, zo heeft Hij ook ons lief: dat is, zonder begin, zonder maat, zonder verandering, zonder einde. Blijft in Mijn liefde; dat is, leef erin, geniet ervan, drink haar in.
Zo waarlijk als de Vader de Zoon liefheeft, zo waarlijk heeft Jezus ons lief; ja, meer nog, op dezelfde wijze als de Vader de Zoon liefhad. Er zijn veel geweldige teksten in de Bijbel, maar ik heb mij dikwijls afgevraagd of er een grotere tekst is dan deze.
Ach, drink dit nectar! Hier is de kostbaarste parel van de waarheid die ooit in één vers opgelost werd tot een heerlijke dronk voor Zijn volk: “gelijk Mij de Vader liefgehad heeft” — even zeker als de Vader Hem liefgehad heeft; en dan, op dezelfde wijze, zonder begin, zonder einde, zonder maat, zonder verandering, “zo heb Ik ook u liefgehad.”
Johannes 15:9-10
KruisverwijzingenJohannes 14:15→Johannes 17:26→Johannes 17:23→2 Petrus 2:21→1 Thessalonicenzen 4:1→1 Johannes 5:3→1 Johannes 3:21→Openbaring 22:14→— Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde. Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven; gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijn liefde.
Merk deze tucht van de Heere op: niet dat Christus Zijn volk ooit verstoot. Wel dat Hij hun het zoete gevoel van Zijn liefde ontneemt, als zij Hem ongehoorzaam zijn, en Zijn geboden niet bewaren.
Johannes 15:10
KruisverwijzingenJohannes 14:15→2 Petrus 2:21→1 Thessalonicenzen 4:1→1 Johannes 5:3→1 Johannes 3:21→Openbaring 22:14→Johannes 4:34→Johannes 8:29→— Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven; gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijn liefde.
U zult leven in het besef van Mijn liefde, als u leeft in gehoorzaamheid aan Mij. U zult het weten; u zult erin leven; het zal de lucht zijn die u ademt.
Ik zei zojuist dat de leerstellige woorden van Christus voor ons van betekenis zijn. Zo, geliefden, moeten ook de geboden van God altijd in acht genomen worden. Het is een ijdel verhaal, te spreken van een mythische, dromerige liefde tot Christus die niet uitloopt op gehoorzaamheid aan Zijn wil. Wij moeten Zijn geboden bewaren, of wij kunnen niet waarlijk tot Hem zeggen: “Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb.”
Johannes 15:10-11
KruisverwijzingenJohannes 14:15→Johannes 17:13→Johannes 16:24→2 Petrus 2:21→1 Petrus 1:8→1 Thessalonicenzen 4:1→1 Johannes 5:3→1 Johannes 3:21→— Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven; gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijn liefde. Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijve, en uw blijdschap vervuld worde.
Wanneer Christus geen behagen in ons heeft, hebben wij waarschijnlijk ook geen blijdschap in onszelf. Ach, mochten wij zo leven, dat wij Christus behagen! Christus wil dat Zijn volk gelukkig is; gelukkig echter met een heilige blijdschap. Het is de blijdschap van Christus Zelf, die Gods volk mag genieten.
Dat Hij Zich in ons verblijden mocht, een heilig genoegen mocht scheppen, ons ziende terwijl wij Zijn geboden bewaren, en Zijn woorden koesteren, en zo in Zijn liefde leven.
Johannes 15:11-16
KruisverwijzingenJohannes 10:11→Johannes 17:13→Johannes 16:24→Johannes 13:34→Psalmen 25:14→2 Timotheüs 3:15→1 Petrus 4:8→1 Johannes 4:21→— Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijve, en uw blijdschap vervuld worde. Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb. Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden. Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede. Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt. Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van den Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.
Nog eens brengt Hij deze opmerkelijke kracht van het gebed samen met het wandelen in de geboden van de Heere. Ach, u die geen succes vindt in uw leven en werk, herleid uw falen dan niet tot uw vergetelheid van God. Zal God uw wil doen, als u Zijn wil niet doet?
Johannes 15:11
KruisverwijzingenJohannes 17:13→Johannes 16:24→1 Petrus 1:8→Romeinen 15:13→1 Johannes 1:4→2 Johannes 1:12→Johannes 3:29→Jeremia 32:41→— Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijve, en uw blijdschap vervuld worde.
Goede kinderen zijn waarlijk gelukkig wanneer hun ouders gelukkig in hen zijn. Ach, mochten wij zo leven, dat Christus’ blijdschap in ons blijft, want dan zou onze blijdschap volkomen zijn.
Heeft Christus geen behagen in ons, dan kunnen wij niet blij zijn; en heeft Hij geen vreugde in ons, dan kunnen wij geen vreugde in Hem hebben. Deze twee zaken rijzen en dalen samen. O God, mochten wij U nooit bedroeven, want dan zouden wij zelf ook bedroefd zijn.
Johannes 15:12
KruisverwijzingenJohannes 13:34→1 Petrus 4:8→1 Johannes 4:21→1 Johannes 3:23→Romeinen 12:10→1 Thessalonicenzen 3:12→Efeze 5:2→1 Thessalonicenzen 4:9→— Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb.
Doet u dit, broeders en zusters in Christus, elkaar werkelijk liefhebbend? Zoekt u nooit gebreken bij elkaars karakter? Oordeelt u nooit hard over een medechristen? Doet u deze dingen, berisp uzelf dan, en breek dadelijk met deze slechte gewoonte, want uw Heere zegt u: “dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk als Ik u liefgehad heb.”
O geliefden, bewaar dit gebod! Zie elkaars zwakheden door de vingers. Verdraag elkaars gebreken. Heb elkander lief, zoals Christus ons heeft liefgehad.
Johannes 15:12-14
KruisverwijzingenJohannes 10:11→Johannes 13:34→1 Petrus 4:8→1 Johannes 4:21→1 Johannes 3:23→Mattheüs 12:50→Romeinen 12:10→Johannes 10:15→— Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb. Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden. Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede.
Gehoorzaamheid wordt dan beloond met een heilige vriendschap, want Christus wordt in de hoogste zin onze Vriend. Maar wij zijn Zijn vrienden niet, voordat wij ophouden in de zonde te behagen, en ons ervan afwenden naar de wegen van heiligheid.
Johannes 15:13
KruisverwijzingenJohannes 10:11→Efeze 5:2→Johannes 10:15→Romeinen 5:6→1 Johannes 4:7→— Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden.
“Gijlieden zijt Mijn vrienden, zo gij doet, wat Ik u gebiede.” Ik verhef u boven de rang van dienstknecht, en maak u tot Mijn tafelgenoten. Wees nauwgezet, broeders, opdat u niet, door het verwaarlozen van wat sommigen als kleinigheden beschouwen, grote smarten over uzelf brengt.
Johannes 15:13-15
KruisverwijzingenJohannes 10:11→Efeze 5:2→Psalmen 25:14→Mattheüs 12:50→Genesis 18:17→Mattheüs 13:11→Johannes 10:15→Romeinen 5:6→— Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden. Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede. Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt.
Ik heb Mijzelf zo aan u verklaard, dat Ik bewezen heb dat u Mijn vrienden bent. Een meester zet zijn dienstknecht aan het werk zonder uit te leggen wat zijn doel daarmee is, maar Ik heb u uitgelegd wat het plan van Mijn Vader is.
Johannes 15:14-16
KruisverwijzingenPsalmen 25:14→2 Timotheüs 3:15→Mattheüs 12:50→Genesis 18:17→Mattheüs 13:11→Johannes 15:19→Johannes 6:70→Johannes 13:18→— Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede. Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt. Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van den Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.
Daar begon de liefde, niet bij u, maar bij Mij.
Johannes 15:15
KruisverwijzingenPsalmen 25:14→Genesis 18:17→Mattheüs 13:11→Kolossenzen 1:26→1 Korinthe 2:9→Johannes 20:17→Filemon 1:16→Jakobus 2:23→— Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt.
De dienstknecht werkt aan een gebouw. Het is voor hem genoeg dat hij een deel van een rij baksteen legt; hij heeft het plan van het gebouw misschien nooit gezien. Maar u en ik hebben de grote Bouwmeester, Die voortdurend tot ons komt om ons Zijn plannen uit te leggen. Het hart van Christus Zelf is voor Zijn volk blootgelegd: “de verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vrezen.”
Johannes 15:16
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 3:15→Johannes 15:19→Johannes 6:70→Johannes 13:18→Efeze 2:10→2 Timotheüs 2:2→Lukas 6:13→1 Petrus 1:14→— Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van den Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.
Sommigen citeren graag het eerste deel van dit vers; zij horen graag een preek over de vrije, soevereine genade van God. Zij kunnen de woorden niet vaak genoeg herhalen: “gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren”; maar over de volgende zin spreken zij niet zoveel: “en heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve.” Laten wij al Gods woorden aannemen zoals Hij ze ons gegeven heeft.
Waar de vrucht blijft, zal ook de kracht in het gebed blijven. Leven wij voortdurend voor God, dan zullen wij ontdekken dat wij bevoorrecht zijn Gods oor te hebben.
Daar ziet u de goddelijke verkiezing die leidt tot vruchtdragen, en die volhardt in volharding. Het brengt ook aan ieder van haar voorwerpen deze opmerkelijke gunst: overwinnende kracht in het gebed.
Johannes 15:16-21
Kruisverwijzingen1 Johannes 3:13→2 Timotheüs 3:15→Johannes 15:19→Johannes 6:70→Johannes 13:18→Johannes 15:12→Johannes 7:7→2 Timotheüs 3:12→— Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van den Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve. Dit gebied Ik u, opdat gij elkander liefhebt. Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. Maar al deze dingen zullen zij doen om Mijns Naams wil, omdat zij Hem niet kennen, Die Mij gezonden heeft.
Gedenkt het woord, dat Ik u gezegd heb: “een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen.” Wij mogen dus niet verwachten eer te ontvangen, en een gouden kroon te dragen, waar Jezus een doornenkroon droeg.
Johannes 15:17
KruisverwijzingenJohannes 15:12→1 Johannes 3:14→1 Petrus 2:17→— Dit gebied Ik u, opdat gij elkander liefhebt.
Jezus! Zend ons deze geest van liefde, wij bidden U. Amen. Onze Heere herhaalde het gebod, want Hij wist hoe geneigd zelfs Zijn discipelen zouden zijn het te overtreden.
O u belijders, die elkaar niet liefhebt, u overtreedt het gebod van de Koning! U leeft in regelrechte overtreding van een duidelijk gebod, dat Hem zeer dierbaar is: “deze dingen gebied Ik u, opdat gij elkander liefhebt.”
Johannes 15:18
Kruisverwijzingen1 Johannes 3:13→Johannes 7:7→1 Johannes 3:1→Markus 13:13→Johannes 3:20→Mattheüs 10:22→Mattheüs 5:11→Jakobus 4:4→— Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft.
Het is niets nieuws dat de goddelozen de godvruchtigen haten, laat ons dus niet verbaasd zijn als dat ons deel is. Dat is wat u mag verwachten, en u mag zich vereerd voelen, als men u behandelt zoals men uw Heere behandeld heeft.
Johannes 15:19-20
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 3:12→Johannes 15:16→Ezechiël 3:7→1 Johannes 4:4→1 Thessalonicenzen 2:15→Mattheüs 10:24→Johannes 13:16→2 Korinthe 4:9→— Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.
Het behoort de dienstknecht genoeg te zijn, wanneer hij behandeld wordt zoals zijn Heere behandeld werd; welke hogere eer zou hij kunnen wensen dan die?
Johannes 15:19-22
KruisverwijzingenJohannes 9:41→2 Timotheüs 3:12→Mattheüs 10:22→Romeinen 1:20→Johannes 15:16→Ezechiël 3:7→Johannes 16:3→1 Johannes 4:4→— Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. Maar al deze dingen zullen zij doen om Mijns Naams wil, omdat zij Hem niet kennen, Die Mij gezonden heeft. Indien Ik niet gekomen ware, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde.
Er is een verschrikkelijke toename van zonde, wanneer Christus tot een mens gesproken heeft. Bent u dicht bij het Koninkrijk geweest, en heeft uw geweten zich geroerd, en bent u toch tot uw zonde teruggekeerd, dan hebt u die zonde duizendvoudig vermeerderd. Nu zondigt u tegen licht en kennis, en tenzij u zich bekeert, zal uw vonnis vreselijk zijn.
Johannes 15:21
KruisverwijzingenMattheüs 10:22→Johannes 16:3→Johannes 8:19→Mattheüs 24:9→1 Johannes 2:3→Lukas 6:22→Mattheüs 10:39→Psalmen 69:7→— Maar al deze dingen zullen zij doen om Mijns Naams wil, omdat zij Hem niet kennen, Die Mij gezonden heeft.
Zij beleden God te kennen, en sommigen van hen dachten zelfs God een aangename dienst te bewijzen, toen zij Zijn Zoon verwierpen, Die Hij hun gezonden had.
Johannes 15:22-24
KruisverwijzingenJohannes 9:41→Romeinen 1:20→Jakobus 4:17→Johannes 9:32→Johannes 7:31→Johannes 5:36→Johannes 10:37→Johannes 14:9→— Indien Ik niet gekomen ware, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader. Indien Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beiden Mij en Mijn Vader gehaat.
Onze Heere bedoelde niet dat zij zonder zonde geweest zouden zijn, als Hij niet tot hen gekomen was. Maar Zijn komst, en hun verwerping van Hem, hadden hun zondigheid onmetelijk vermeerderd en verzwaard.
Johannes 15:23-26
KruisverwijzingenJohannes 14:26→Psalmen 109:3→Psalmen 35:19→Psalmen 69:4→Johannes 14:16→Johannes 10:34→2 Korinthe 11:7→Johannes 9:32→— Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader. Indien Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beiden Mij en Mijn Vader gehaat. Maar dit geschiedt, opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat. Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.
En Hij is gekomen; Hij is hier, Hij is nooit weggenomen; Hij blijft nog steeds bij en in de Gemeente.
Johannes 15:25
KruisverwijzingenPsalmen 109:3→Psalmen 35:19→Psalmen 69:4→Johannes 10:34→2 Korinthe 11:7→Lukas 24:44→Mattheüs 10:8→Johannes 19:36→— Maar dit geschiedt, opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat.
Zij vervulden wat lang tevoren geschreven was, zoals zij later ook deden, toen zij Christus ter dood brachten.
Johannes 15:26-27
KruisverwijzingenJohannes 14:26→Johannes 14:16→1 Johannes 1:1→1 Johannes 4:14→Johannes 21:24→Lukas 24:48→Johannes 16:13→Lukas 1:2→— Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen. En gij zult ook getuigen, want gij zijt van den beginne met Mij geweest.
Het getuigenis van de Geest van de waarheid gaat nog steeds door, en Christus’ discipelen mogen nog steeds mede-getuigen zijn, samen met de Heilige Geest Zelf. Laten wij er zorg voor dragen van dit voorrecht gebruik te maken, wanneer wij kunnen.
Johannes 15:26
KruisverwijzingenJohannes 14:26→Johannes 14:16→Johannes 16:13→Openbaring 22:1→Handelingen 2:32→Handelingen 15:8→1 Korinthe 1:6→Lukas 24:49→— Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.
Aan dit teken mag u weten of wat u geleerd is, van de Geest van God is. Getuigt het niet van Christus, staat Hij niet vooraan in alles, dan is er niets in wat u zou moeten aannemen.
Johannes 15:27
Kruisverwijzingen1 Johannes 1:1→1 Johannes 4:14→Johannes 21:24→Lukas 24:48→Lukas 1:2→Handelingen 1:21→Handelingen 23:11→Handelingen 4:20→— En gij zult ook getuigen, want gij zijt van den beginne met Mij geweest.
Mochten wij allen getuigen naar de mate waarin wij met Christus geweest zijn, want er is geen getuigen van Christus, tenzij wij eerst bij Hem geweest zijn.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
b. Vers 1 KruisverwijzingenJeremia 2:21→Jesaja 27:2→Johannes 1:17→Jesaja 5:1→Psalmen 80:8→1 Korinthe 3:9→Jesaja 4:2→Johannes 6:55→
— Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman.
– Hoofdst 16:12
De tweede rede: Vermaning aan de discipelen, om aan de een kant de eenheid van het geloof met Hem, die de wijnstok is en wiens ranken zij zijn, vast te houden en te bewaren, maar aan de andere kant ook de gemeenschap van de liefde onder elkaar te beoefenen. Het laatste zal dan voor hen een vergoeding zijn voor de haat van de wereld, waarin zij zullen worden ingewikkeld, maar tegenover welke de beloofde Trooster hen de macht van de overwinning geeft.
Nadat Jezus met de discipelen de lofzang had uitgesproken en van de tafel was opgestaan, deden zij, zoals zij rondom Hem stonden, Hem denken aan een beeld, dat in het Oude Testament vaak voor de gemeente van God was gebruikt (Jes. 5: 7. Jer. 2: 21. Ps. 80: 9 vv. ). Daarom ging Hij voort tot hen te spreken en zei: Ik ben de ware wijnstok, omdat Ik degene ben, in wie de verbondsgemeente van God het doel van haar roeping bereikt heeft (Jes. 49: 3) en Mijn Vader is de landman. Deze zal er voor zorgen dat deze ware wijnstok, die met de bedoelingen van Zijn genade overeenstemt, in zijn ranken (vs. 5) zich naar alle kanten heen uitbreidt, terwijl de oude ontaarde wijnstok aan de verwoesting ten prooi wordt (Ezechiël. 17: 6; 19: 12).
Tussen het vorige hoofdstuk en dit kan men onmogelijk iets anders inlassen dan misschien: “Toen stonden zij op, maar gingen niet meteen van daar, omdat de Heere voortging te spreken. ” Wij kunnen het ons niet voorstellen dat de Heere naar buiten gaande, vooral niet bij de bevolking, die om het feest overal zal zijn geweest, deze vertrouwelijke slotwoorden zal hebben gesproken. Het hogepriesterlijk gebed vordert zeker een gesloten, vrije plaats. Terwijl de Heere dus nog in de zaal van de paasmaaltijd bleef, gereed om heen te gaan en door de discipelen omringd was, begon Hij opnieuw te spreken en wel dringender, van de blijvende liefdeband tussen Hem en de Zijnen.
Het uur van afscheid was gekomen, maar scheidend van de Zijnen blijft de Heere toch bij hen en zij bij Hem.
Zoals de discipelen in de zaal nog rondom Hem staan, gereed om de plaats te verlaten, ziet Hij in hen de ranken van een wijnstok, die Hij zelf is (vgl. Ps. 128: 3). Zoals die zich uitbreidt in zijn takken, zo zal Hij Zich in hen, die rondom Hem staan, uitbreiden in de wereld.
De Vader heeft Hem in aardse grond geplant; in deze wortels schietend heeft de wijnstok ranken doen uitspruiten. Omdat God Zijnen wijnberg aan het gericht moest overgeven (Jes. 5: 1 vv. ) heeft Hij Zich deze wijnstok afgezonderd en toebereid, om Zich in deze een nieuw begin te scheppen, dat een sterke uitbreiding zou verkrijgen.
Als Christus Zich de waren wijnstok noemt, wijst Hij daarmee op het bestaan van valse wijnstokken. zoals Hij in Hoofdst. 10: 12 v. , door Zich de goede Herder te noemen stelde tegenover de slechte oversten en leidslieden van het volk, stelt Hij Zich hier tegenover het verbasterde, vleselijke Israël (Deut. 32: 22) en noemt Hij Zijn Vader de wijngaardenier of landman, door wie de wijnstok geplant is (Gen. 9: 20).
Bij de geestelijke wijnstok komt daarmee overeen, dat de Vader de Zoon in de wereld zond en Hem vlees van ons vlees liet aannemen. In het volgende wordt alleen gewezen op een andere dubbele daad van de landman, die van het afsnijden van de onvruchtbare ranken en van het reinigen van de vruchtdragende.
In de grondtekst wordt deze dubbele werkzaamheid door twee woorden aangeduid, die overeenkomen in klank: airei (neemt weg), cayairei (reinigt); dit is niet zonder betekenis, omdat het reinigen geschiedt op een manier, die allen schijn heeft alsof ook hier met het mes het leven werd aangetast.
De bestemming van de rank is vrucht te dragen, de bestemming van de mensen het goede te doen. Maar hoe bereikt de rank dit einddoel? Alleen door haar kracht, haar leven, haar voedende sappen uit de wijnstok te putten. Zo zal de mens het goede doen; wanneer er dus sprake is van heiligheid van gemoed en leven heeft de mens geen macht, dan die, die hij aan Jezus Christus ontleent. Eindelijk, wanneer zal de rank, ook de schoonste en meest ontwikkelde, ophouden vrucht te dragen, als hij, losgemaakt van de stam, van deze geen steun of voedsel meer verlangt? Zo ook wordt de mens ongeschikt om iets goeds te doen zodra hij, overgelaten aan eigen zwakheid, in zichzelf krachten vinden wil. Onderzoek van nabij alle werk van een mens, die niet met Christus verenigd is en u zult zien dat het tot onvruchtbaarheid gedoemd, ja als dood geboren is. Het is als de vrucht, die door gebrek aan voedsel loslaat van de boom, zij is noch goed om gegeten, noch om bewaard te worden en tot niets geschikt dan om met het dorre gebladerte op de mesthoop geworpen te worden.
Elke rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg, zoals dat reeds in de kring van u, Mijn twaalf, bewezen is, omdat een van u reeds is afgesneden (Hoofdstuk 13: 30) en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij door het werk van Zijn goddelijke genade (Hoofdstuk 13: 10), opdat zij meer vrucht draagt, zoals bij een natuurlijke wijnstok, na verwijdering van de wilde schoten van de vruchtbare rank, het sap zich des te meer naar de druif samendringt.
De vrucht van de wijnstok is de uitwerking van het Christelijk leven op de hele wandel van een Christen, die evenzeer het werk is van de Geest van Christus, die in hem is, als de druif het product is van het sap, dat in de wijnstok werkt.
Het zou vreemd kunnen voorkomen, dat Jezus spreekt van ranken aan Hem, die geen vrucht dragen en duidelijk degenen bedoelt, die ook nooit vrucht hebben gedragen. Deze kunnen, zo schijnt het, te minder beschouwd worden als ranken aan Hem, omdat volgens vers. 29 het geloof in Christus moet worden beschouwd als het begin van vrucht dragen. Met alle recht merkt echter Quesnel op: “de goede en de kwade ranken behoren tot de wijnstok”; het komt op de werkelijke aanbieding van de genade van Christus en de vrijwillige deelname aan deze aan. Zolang deze nog wordt aangeboden en totdat Christus het versmaden van Zijn gave met uitsluiting uit Zijn rijk straft, zijn ook de ongelovigen en bozen ranken aan Hem, de wijnstok. “
Wij moeten ook acht geven op een onderscheid, dat bestaat tussen de verhouding van de natuurlijke ranken tot de geestelijke wijnstok. Terwijl de natuurlijke ranken onmiddellijk uit de wijnstok groeien, berust het in elkaar zijn van de geestelijke wijnstok en de geestelijke ranken op een inenting. Wij mensen hebben ten eerste ons natuurlijk leven, dat komt van onze ouders, wij zijn vlees uit vlees geboren, dan heeft de inenting in Christus in de doop plaats, dan groeien wij samen met Christus, zoals Paulus hiervan spreekt en wel is het het inwendige, geestelijke leven, dat uit Hem groeien moet. Als wij echter in plaats van Christus’ leven in het hart te laten dringen, ons open en bereid houden, om integendeel onze natuur te volgen, die op te kweken en haar vruchten te laten dragen, zo worden wij tot zieke en afgestorven ranken aan de wijnstok van Christus, die dan de wijngaardenier niet zelden door een plotselinge val, maar veel meer ook daardoor wegneemt, dat Hij op onmerkbare manier het met ons gaandeweg al dieper en dieper laat zinken.
Wegnemen of reinigen, afsnijden of besnijden – een van beide laat de wijngaardenier aan iedere rank van de wijnstok toekomen.
Wilt u niet toelaten, dat van u wordt weggenomen wat slecht is, dan moet u toelaten, dat u zelf wordt weggenomen.
De eer en heerlijkheid van de wijnstok is zijn vrucht, vol zoetheid en zachtheid, gepaard met vuur en kracht: levende en versterkende en tot feestelijke vreugde opwekkende, een beeld van Christus’ leven in de gelovigen tot kostelijke vruchten van de Geest in liefde, vreugde, vrede geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, kuisheid, gerijpt door de zon van de genade. Deze zoekt de hemelse wijngaardenier als loon voor Zijn moeite en Hij wil ze bevorderen; daarom handelt Hij op de manier van de snoeier. Op natuurlijk gebied schijnt de snoeier niet als vriend, maar als verwoester tot de wijnberg te komen, als hij op het goede uur met het scherpe snoeimes nadert. Hoe wordt dan de wijngaard gesneden, alsof hij aan duizend wonden moest doodbloeden. Wat ligt de aarde met afgesneden takken en schoten bedekt en als treurend over de verwoesting strekt de stam de takken, die hem gebleven en toch ook afgesneden zijn, uit. Toch is het slechts bedoeld om zijn welzijn en groei tot rijke vrucht te bevorderen. Maar kon bij het aardse snoeien nog van misslagen sprake zijn, bij het hemelse nooit. De Vader, die de wijnstok geplant heeft, zal niets verderven waarin nog een zegen is (Jes. 65: 8). Wat nog vrucht dragen kan, blijft en wordt slechts van het dorre hout en de wilde uitwassen, waardoor de kracht zou worden weggenomen, in uitwendig en inwendig gericht, gereinigd. Wat zich daarentegen vertoont als waterloot, als verkeerde schoot slechts krullen belooft, wat zonder ogen, zonder aanleg tot bloesem het sap van de wijnstok tot enkel bladerentooi dreigt weg te nemen, dat neemt het mes onverbiddelijk weg. Een naam-Christen, die alle levensvolheid van Christus niet opwekt tot het leven uit God, een hart dat de waarheid in ongerechtigheid te onder houdt, de hele rijkdom van de liefde van God in de Zoon van Zijn liefde tevergeefs laat zijn, hoopt slechts tevergeefs met de vorm van godzaligheid dat oog te misleiden, waarvoor voorhuid noch besnijdenis, wetenschap noch wondergave, kerkelijkheid noch orthodoxie, maar alleen het nieuwe schepsel in Christus betekenis heeft.
Dat niet de vruchtdragende ranken voorop geplaatst zijn, maar eerst sprake is van een rank, die weggenomen wordt, moet daaruit verklaard worden, dat de Heere niet meer Zijn twaalf discipelen voor Zich zag (Hoofdstuk 6: 70 v. ), maar alleen nog maar de elf (Mark. 16: 14. MATTHEUS. 28: 16. Hand. 1: 26).
Ranken, die in de wijnstok zijn, maar geen vruchten dragen, betekenen naam-Christenen, die door een uitwendige mondbelijdenis de vertoning maken, dat zij op de Heiland enige betrekking hebben, maar die geen vruchten van ware godzaligheid voortbrengen en daardoor openbaar maken, dat zij niet door een waarachtig geloof met Hem verenigd zijn; deze ranken neemt de goddelijke landman weg, wanneer Hij hen door zijn rechtvaardig oordeel afsnijdt, of hen als valse Christenen openbaar maakt. Ranken, die vruchten dragen, zijn mensen, die zich in de godzaligheid oefenen en daardoor blijken geven dat zij door een waarachtig geloof met Christus verenigd zijn. Deze reinigt en besnoeit de landman, door alles weg te nemen, door hun ongeregelde neigingen te verbeteren en zelfs door hen met tegenheden te tuchtigen. Dit alles geschiedt met een weldadig oogmerk, opdat zij meer vruchten dragen en in kracht van godzaligheid toenemen.
Door het wegnemen schijnt Christus bijzonder te doelen op Judas, die zich van de wijnstok had afgezonderd en een voorbeeld was voor alle volgende geveinsden en afvalligen. God neemt zulke onvruchtbare ranken weg, òf door ze af te snijden door Zijn rechtvaardige oordelen, òf door hen bekend te doen worden als onchristenen en vervolgens uit te werpen.
Merk op dat de Heer nu en altijd de Vader niet voorstelt als in onmiddellijke betrekking tot de zondaar, maar indirect door Hem, de Zoon. De uitverkiezing is van de Vader, maar de uitvoerder van Gods verborgen raad in het openbaar is de Zoon en de Heilige Geest deelt de vrucht van Gods raad en van de uitvoering van die raad aan de zondaar mee. Ja, God heeft zondaren uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld. Maar in wie? Alleen in Christus. En waarom? Alleen om het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te worden, Rom. 8: 29 God heeft, in beelden gesproken, een wijnstok in Zijn hof geplant, welks edele vruchten Hem alleen aangenaam zijn en daarom besteedt Hij aan die wijnstok Zijn hoogste zorgen en wil er zelf, zoals de planter, ook de kweker van zijn. Alle onvruchtbare rank aan die wijnstok mag er niet aan blijven. U weet, er schieten hier en daar uit de wijnstok loze ranken, die geen levensvatbaarheid hebben; men noemt ze waterranken en de landman breekt ze af als hij ze ziet, werpt ze weg met de hand, want het zijn zachte stengels. Zij ontstaan aan de wijnstok toevallig door sappen in de schors, die in geen verband staan met de wortel en de innerlijke levenskrachten en sappen van de wijnstok wegnemen. En al die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht draagt. Het is hier weer een van die eenvoudige, voor allen even kenbare onderscheidingen, die de Heer maakt tussen zondaren en zondaren. Er zijn, die tot Hem en er zijn, die niet tot Hem in betrekking staan. En onder zulke mensen, die tot Hem in betrekking staan, zijn er die in een werkelijke en die in een schijnbare betrekking tot Hem staan. De eersten dragen vruchten uit Hem; de anderen niet. Die geen vruchten dragen hebben geen deel aan Hem en de schijnbare betrekking tussen beiden wordt weer verbroken; maar die vrucht dragen worden met zorgvuldigheid gekweekt, opdat ze de meest mogelijke vrucht dragen. Daartoe dient de reiniging, waarbij het snoeimes een eerste plaats beslaat. U weet dat alle vrucht, zal zij de hoogst mogelijke volkomenheid bereiken, de zorg van de kundigen hovenier behoeft. De edelste plant, aan zichzelf overgelaten, ontaardt, verwildert en gaat ten slotte teniet, terwijl de minder edele plant door zorgvuldige kweking altijd edeler wordt.
Jullie, die rondom Mij staan, bent nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb, niet om een enkel woord, maar de gehele leer, die u geduurnde al de drie jaren van ons samenzijn ten deel is geworden en dat u in geloof heeft aangenomen en tot hiertoe bewaard (Hoofdstuk 13: 10; 17: 8, 14).
Hoe kan de Heere in waarheid zo tot Zijn apostelen spreken? Zij zouden rein zijn, rein in de grond van hun hart, hoewel zij tot hiertoe nog zovele gebreken en verkeerdheden aan de dag hebben gelegd en allen zich nog deze nacht aan Jezus zullen ergeren? Zouden zij rein zijn, voordat de Opgestane tot hen had gezegd: Ontvangt de Heilige Geest” en nog voordat de Heilige Geest, dit nieuwe levensprincipe, over hen uitgestort was? Wij moeten hier bedenken dat de wedergeboorte niet op één ogenblik tot stand komt. Evenals het mensenkind, dat lichamelijk geboren wordt, ouder is dan zijn geboortedag, omdat het reeds te voren in moeders lichaam heeft geleefd, zoals aan de geboorte van de mens de ontvangenis voorafgaat, zo is het ook met de mens, die uit God geboren wordt. De dag waarop wij kunnen zeggen dat de levende God weer een kind geboren is, dat een nieuwe burger in het boek van burgers van Zion is ingeschreven, is meestal de dag niet, waarop dit kind van God begon te leven. Aan het leven voor de wereld gaat een leven en bewegen in het verborgene vooraf. De heilige apostelen hebben de Heilige Geest niet voor de eerste maal ontvangen op Pasen of Pinksteren, de Heere heeft ze met Zijn Heilige Geest reeds vaak aangeblazen. Van de eerste dag, dat zij Hem vonden, heeft Hij met Zijn heilige levensgeest hen aangeblazen en omwaaid. Elk woord van Zijn mond was een krachtige aanblazing van Zijn Heilige Geest; ieder werk van Zijn hand was een krachtig aangrijpen met de vinger van de Heilige Geest. De Heere erkent dat de arbeid van Zijn Geest aan het hart en de geest van Zijn discipelen niet verloren gegaan is. Hij heeft het zaad, dat Hij in hun akker gestrooid heeft, doen groeien; Hij heeft het begoten. Hij heeft het beschermd – het nieuwe leven is werkelijk begonnen, zij zijn in de wereld, maar niet meer van de wereld; zij zijn de Zijnen, zij zijn rein.
Blijft dan in Mij en Ik blijf, als u het op die manier mogelijk maakt, natuurlijk ook van Mijn kant in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen van zichzelf, als zij niet in de wijnstok blijft, die hem eerst kracht en sap daartoe moetaanvoeren, zo kunt ook u niet op geestelijk gebied vruchten dragen, als u in Mij niet blijft; want wat een mens uit zijn eigen natuur en door eigen kracht voortbrengt zijn slechts zonden, of op zijn hoogst schijndeugden.
Een rank kan niet leven, tenzij aan de wijnstok verbonden. Anders kan er van groei en vruchtbaarheid geen sprake zijn. De gebiedende wijs toont aan dat men steeds vrij is; men wordt niet genoodzaakt tot Jezus te komen en ook niet gedwongen in Hem te blijven. Uit vers 7 zal blijken dat men deze plicht vervult door van het woord van Jezus een getrouw gebruik te maken. Het: “in mij” stelt in het licht, dat de Christen van alle eigenwijsheid kracht, verdienste afstand doet, om die door de innerlijke werking van het geloof alleen in Christus te vinden. Heeft dit niet plaats, dan kan Christus op ons geen invloed uitoefenen. Dit doet Jezus voelen door het werkwoord in het volgend vers opzettelijk weg te laten “en Ik in u. ” Het duidt aan dat het blijven van de gelovige in Christus en dat van Christus in de gelovige, zou nauw met elkaar zijn verbonden, dat waar het tweede plaats vindt ook het eerste niet gemist zal worden.
Hoe heeft u begonnen vrucht te dragen? Was het niet, toen u tot Jezus kwam om u aan Zijn grote verzoening over te geven en op Zijn volbrachte gerechtigheid te rusten. Herinnert u zich die dagen? Voorwaar, toen bloeide die wijnstok, de tedere druiven werden gezien, de granaatappelen schoten knoppen en de kruiden gaven hun liefelijke geur. Bent u sinds die tijd achteruit gegaan, zo ja, dan bidden wij u om aan deze tijd van de eerste liefde te denken, u te bekeren en de eerste werken te doen. Keer bij voorkeur in bij die, waarvan u bij ondervinding weet dat zij u het dichtst bij Jezus brengen, want Hij alleen kan u vruchten doen dragen. Elke heilige oefening, die u tot brengt, zal u behulpzaam zijn om vrucht te dragen. De zon is ongetwijfeld een grote arbeider, die vruchten schept op de bomen van de boomgaard en Jezus is dit nog meer voor de bomen van den hof van Zijn genade. Wanneer bent u het onvruchtbaarst geweest? Was het niet toen u het verst van de Heere Jezus was afgedwaald, toen u traag in het gebed bent geworden, de eenvoudigheid van uw geloof heeft vergeten, toen u meer om de genadegaven gedacht heeft dan om de Heer zelf; toen u gezegd heeft: “Mijn berg staat vast, ik zal niet wankelen” en toen u vergeten heeft waar uw kracht berust. – Is het toen niet geweest, dat u onvruchtbaar bent geworden? Sommigen van ons hebben door schrikkelijke vernederingen moeten leren dat wij niets buiten Christus hebben en toen wij de volkomen dorheid en dood van alle schepselen hebben gezien, hebben wij in angst uitgeroepen: “Van Hem alleen moet mijn vrucht gevonden worden, want uit mijzelf kan nooit enige vrucht komen!” Door ondervinding hebben wij geleerd dat, hoe eenvoudiger wij op de genade in Christus hopen en op de bijstand van de Heilige Geest vertrouwen, hoe meer vruchten wij tot eer van God voortbrengen. Van Jezus moet onze verwachting zowel voor de vruchten als voor het leven zelf zijn.
In het aardse hoeft men een rank niet toe te roepen: “Blijf toch in de wijnstok!” Alleen de hand van een vreemde kan die losmaken; zij hangt aan de wijnstok, die haar heeft voortgebracht, bij dag en nacht en zuigt uit de binnenste poriën hiervan, wat zij tot voeding en groei nodig heeft. Wordt het bij die allen niet tot vrucht, dan kan daarvan aan de rank geen verwijt worden gedaan; de wijnstok kan niet alle scheuten vruchtdragend maken. Anders is het met de hemelse wijnstok: Zijn volheid is een goddelijke. Zijn steeds werkzame en alles vernieuwende kracht is voor het armste, zwakste takje genoeg om het tot een vruchttak te maken. Maar bij uitwendige gemeenschap met de Heiland kan men zich inwendig van Hem vervreemden tot verstokking toe en daarom ligt het éne nodige tot zaligheid besloten in het woord: “Blijf in Mij en Ik in u. ” Heeft nu echter Zijn blijven in ons ten voorwaarde dat wij blijven in Hem, dan is de vraag te gewichtiger wat het betekent in Hem te blijven? Dit blijven heeft plaats door een gedurig opnieuw komen tot Hem. De dagelijkse vernieuwing van het komen is reeds daarom noodzakelijk, omdat op de uren, waarin wij uitdrukkelijk de gedachten op Jezus vestigen, de uren van aardse bezigheid volgen en hoe goed is deze orde. Een juist arbeiden in ons beroep is ook voor het geestelijk leven van grote betekenis, het arbeiden naast het bidden behoort tot de geestelijke gezondheid. Maar zeker van de arbeid moet men dan ook weer terugkeren tot het gebed en tot beschouwing van het woord. Men wordt zo suffig, zo dor, als men niets doet dan werken en zorgen! In Jezus blijven is dus na volbrachte arbeid zich iedere dag weer bepalen bij Hem en Zijn woord, geestelijke lucht inademen, geestelijk brood eten. De inwendige mens heeft inderdaad dezelfde behoeften als de uitwendige, lucht en brood, met dit onderscheid dat de uitwendige mens moet nemen uit de aarde en de inwendige uit hetgeen boven is (vgl. Hoofdstuk 6: 56). Maar nog om een andere reden is in Jezus blijven zoveel als steeds opnieuw tot Jezus komen. Het is niet slechts de arbeid, die ons van de omgang met de Heere verwijdert, er zijn ergere ondervindingen. Dat zijn ten eerste de misstappen, die wij doen, verkeerde gedachten en gezindheden, aan die wij ons overgeven, ook het schuldgevoel, dat ons dan drukt. Men kan gedurende de vlijtigste arbeid in stilte met de Heere omgaan, maar de misstappen, bijvoorbeeld de onbedachte, liefdeloze woorden zijn werkelijk scheidsmuurn, waarbij niets overblijft dan snel omkeren. Daarbij komt nog dat wij dagelijks velerlei invloed van de geest van de wereld ondervinden. Het is niet mogelijk die invloeden af te houden en als vrome Katholieken in het klooster gaan, dan gaat de geest van de wereld met hen in het klooster. Het is echter ook niet eens goed, als men zo angstig alle aanraking wil vermijden: als iemand, om niet verkouden te worden bij iederen ruwe dag thuis blijft, wordt hij nooit sterk. Aan de andere kant moet men de schade, die de invloed van de geest van de wereld in de ziel kan teweegbrengen niet te gering achten. Deze is vaak onopgemerkt, werkt menigmaal niet dan langzaam, maar dan ook des te zekerder. Deze moet men onschadelijk maken, men moet uit de moeraslucht opstijgen in de zuivere lucht van de bergen; men moet altijd opnieuw tot Jezus komen, anders blijft men niet in Hem. Maar die daarin getrouw is, op die is Zijn woord van toepassing: “en Ik in Hem” als een zekere belofte. Jezus is steeds gereed, altijd tegenwoordig, altijd voor de deur van het hart: doet u de deur open dan treedt Hij binnen, dan voedt Hij u met Zijn leven, ook wanneer u het niet voelt. In het warme oosten ontvangen de gewassen hun verkwikking vooral door de dauw. Deze lafenis wordt de planten ten deel, hoewel er geen wolk aan de hemel te zien is. Daaruit hebben de profeten van het Oude Testament een schoon beeld ontleend voor de verborgen levendmaking van de gestorven mensheid door Gods Geest (Ps. 110: 3. Jes. 26: 19. Micha 5: 6). Die in Jezus blijft ondervindt de werkelijkheid hiervan; hoe warm zijn dagen mogen zijn, hij heeft toch een verborgen levendmaking te genieten, de dauw van God valt op zijn ziel.
Ik ben, om door middel van de zo-even gebruikte gelijkenis in een korte uitdrukking samen te vatten, waarin verhouding wij tot elkaar staan, de wijnstok en u bent de ranken (vgl. Hos. 14: 9). Die in Mij blijft en Ik in hem die draagt veel vrucht, omdat hij blijvend sap enkracht uit Mij trekt en Ik hem die rijkelijk schenk. Wilt u echter veel vrucht dragen, doe dan zoals Ik u zeg: Blijf in Mij en Ik in u, want zonder Mij kunt u niets doen wat geestelijke zaken aangaat en tot bevordering van het rijk van God kan dienen.
Dat maakt u niet tot een Christen, dat u zo wordt genoemd en dat u onder de Christenen woont. Die een Christen zal zijn, moet natuurlijk geboren en gegroeid zijn uit de wijnstok Christus; een Christen, een waar heilige moet een goddelijk werk en schepsel zijn. Mijn heiligheid, gerechtigheid en reinheid komt niet uit mij en blijft ook niet op mij, maar is alleen uit en in Christus, die ik ben ingeworteld door het geloof, evenals het sap uit de wijnstok in de ranken gaat en nu ben ik Hem gelijk, zodat beide, Hij en ik, van één natuur en wezen zijn en ik in Hem en door Hem vruchten draag, die niet de mijne zijn, maar van de wijnstok.
De mens is geen horloge, dat als men het eens heeft opgewonden, 24 uur gaat, als hij tot het leren in Christus wordt vernieuwd, maar als een springader, die ophoudt te springen zodra de onderaardse bron wordt gestopt, of zoals de rank, die dadelijk begint te verdorren, zodra haar vezels ophouden aan de stam te zuigen. Zodra het verkeer tussen onze armoede en de rijkdom van Christus wordt gestremd, is het met ons werken gedaan en wat toch wordt gedaan en als vrucht van de ranken uitziet is voortbrengsel van wilde ranken, slavenwerk, maar geen kinder-arbeid. Omdat het dan zo geheel afhankelijk is van het blijven in Christus, laat ons dan nooit ons voornemen heden iets te doen, waartoe wij de nodige kracht aan de vorige dag zouden willen ontlenen. Er is niets beklagenswaardiger dan een Christendom waarbij men, in plaats van het aanwezige leven, herinneringen uit het geweken leven voor God brengt.
Hier ziet u de leer van de geestelijke onmacht. Niets te kunnen doen zonder, buiten Christus, is de uitsluiting van al het goede werk uit onszelf, uit eigen kracht. Christus verklaart ons volstrekt onmachtig om God door iets, wat het zij, te behagen, tenzij wij in gemeenschap staan met Hem, de wijnstok als van de ranken van de wijnstok. Daarentegen zijn wij, als ranken aan Hem, machtig om alles te doen wat Hij zelf ons geeft te doen en daaraan is geen einde te denken, geen grens te zetten. Wel verre dus dat de erkentenis van onze onmacht ons tot traagheid zou verleiden, is zij juist de grond van onze grotere werkzaamheid. Wat werkelijk waar is kan nooit een schadelijke invloed op ons eeuwig leven uitoefenen. Als ik overtuigd ben dat ik in Mijzelf volstrekt onmachtig ben om voor God iets welbehagelijks voort te brengen, dan kan ik onmogelijk Rooms zijn, of mijn zaligheid zoeken in goede werken of zelfkastijdingen en ook niet eigengerechtig en ook niet geveinsd godsdienstig, want dan baat mij dit alles niets. Ik moet Jezus hebben, of ik kan niets doen wat God behaagt en wat God niet behaagt, baat mij niets voor de eeuwigheid. En zo ontstaat de wanhoopskreet van de ziel, die behouden wil worden: “Geef mij Jezus, of ik sterf. ” En die zo bidden worden verhoord. Die zó tot Jezus roepen, die verenigt Hij met Zich en dan wordt er vrucht gezien, veel vrucht, van wederliefde en dankbaarheid. De ondervinding leert dat juist die mensen, die hun geestelijke onmacht het meest voelen, de werkzaamste zijn op geestelijk gebied. Calvijn, die de leer van de onmacht van harte beleed, regeerde kerkelijk geheel Europa. Mochten toch allen tot de overtuiging komen dat de mens uit zichzelf veel, zeer veel doen kan tot zijn eigen welzijn en tot welzijn van anderen, maar dat hij tot zijn zaligheid en die van anderen niets kan doen uit zichzelf, dat bij daartoe een rank moet zijn aan de wijnstok Jezus Christus. Hoeveel minder vruchteloze arbeid zou er gedaan en hoeveel meer waar zielegeluk zou er in dit geval gesmaakt worden.
De liefde is het leven van de Christelijke gemeenschap bij uitnemendheid; onzerzijds is het geloof in Christus, die zondaars liefheeft, de wortel de hoop op Christus, de halm voor deze tijd, de liefde tot Christus, de eeuwige vrucht. Zijn liefde tot ons en in Hem Gods liefde is Zijnerzijds de drijfveer, de bron, het leven van Zijn verlossersleven. Maar Zijn liefde stelt Hij ook tot maatstaf voor de liefde jegens elkaar (Joh. 12: 25, 26) en Hij heeft ons in die mate lief als de Vader Hem liefgehad heeft, zodat onze harten in Hem gerust mogen zijn (Joh. 15: 9; 16: 33) en als wij Hem liefhebben maakt de Vader en de Zoon woning bij ons. Welnu, in deze liefde te blijven, dat is in Hem te blijven. De liefelijke allegorie van de wijnstok en de ranken verklaart ons dat zo’n gemeenschapsoefening de hoogste voorwaarde is voor de gemeente om de zielevijand te overwinnen.
Als iemand, nadat hij in Mijn gemeenschap was geroepen en Mij als lid was ingeplant, a)in Mij niet blijft, die is, zoals u in Judas Iskariot heeft gezien, buitengeworpen, zoals de afgestorven, nutteloze rank en is verdord, zoals u nader aan deze verloren zoon (Hoofdstuk 17: 2) zult zien (MATTHEUS. 27: 3 vv. ) en men (vgl. MATTHEUS. 13: 41) vergadert die weggeworpen en verdorde ranken en men werpt ze in het vuur en zij, allen die tot deze moeten gerekend worden, worden in het vuur van het eeuwige oordeel verbrand. (Ezechiël. 15: 2 vv. Mark. 9: 43 vv. MATTHEUS. 25: 41).
MATTHEUS. 3: 10; 7: 19. Kol. 1: 23.
Als u daarentegen in Mij blijft, zoals Ik u, de in Mij getrouw gebleven elf (Luk. 22: 28) steeds weer daartoe moet vermanen, omdat ook u grote gevaren van afval bedreigen (Luk. 22: 31 vv. MATTHEUS. 26: 31 vv. ) en als Mijn woorden, waarin Ik met Mijn Geest bij u ben en met Mijn levenskracht in u werk, in u blijven, zo wat u wilt, als degenen, die in Mijn naam Mijn werk op aarde voortzet, zult u vereren, biddende vragen en het zal u gebeuren zoals Ik u vroeger beloofd heb (Mark. 11: 23 v. Luk. 17: 6).
Jer. 29: 12. MATTHEUS. 7: 7; 21: 22. Luk. 11: 9. Joh. 14: 13; 16: 24. Jak. 1: 5. 1 Joh. 3: 22; 5: 14. 1. 5
Hier stelt de Heere al de schatkamers van God voor de Zijnen open. Die de Heere liefheeft en in die liefde Hem gehoorzaamt, kan alles verkrijgen wat hij wil. Maar wat wil een kind van God? Rijkdom, eer, grootheid en macht, vermaak en genot? Natuurlijk niet; hij begeert alleen de dingen van God en wat verder voor de aarde nodig is, stelt hij eerbiedig in de handen van de Heere. Maar waarom herhaalt de Heere deze belofte van gebedsverhoring zo vaak aan Zijn discipelen? Omdat zij in menigvuldige moeilijkheden zouden komen, waarin hun geen ander redmiddel zou overblijven dan het gebed. Als zij geen zekerheid van verhoring hadden, zouden zij hulpeloos zijn en moedeloos moeten worden. Maar nu waren zij gerust. Zij wisten tot wie zich in de nood te wenden, om uitkomst te vinden.
Maar Hij blijft niet in ons, tenzij Zijn woorden in ons blijven. Zijn woord reinigt van verkeerde denkbeelden en vleselijke begeerlijkheden. Zijn woord is het voertuig van het ware leven. Zijn woorden zijn geboden en beloften; de geboden van de liefde, van de zelfverloochening, van de kinderlijke gezindheid, van het vaste vertrouwen, de beloften van de ondersteuning, van de voorlichting, van de vertroosting, van de uitredding, van de volkomene overwinning. Daarom moeten de woorden van Jezus in de belijdende gemeente steeds onderzocht en gepredikt worden. De Evangeliebediening mag nooit afgeschaft worden; als zij ophield zou er een einde komen aan de gemeenschap met de Heiland en zo aan Zijn gemeenschap met ons, waarin het ontkiemt en bloeit en vrucht draagt voor de hemel. Geen zaligheid toch zonder kennis van God, zoals Hij jegens zondaars gezind is. Wat de zieners van het Oude Verbond aanschouwden, het waren slechts de uiterste einden van de lichtstralen, die uit het goddelijk wezen voortkwamen en wat zij zochten, het was om te mogen verstaan het lijden, dat op Christus komen zou en de heerlijkheid daarvan. Die het woord van Jezus begrijpen, zien in Hem dus wat vele profeten en koningen begeerden te zien, maar zij zien ook door Hem wat de onzienlijke God, die een ontoegankelijk licht bewoont, in tijd en eeuwigheid is voor het onreine, schuldige, van smart en vrees doorstoken hart van de mensen. Hen, de kinderen, openbaart de Heer van hemel en van aarde die dingen, Hij doet het in de Zoon, die het hen openbaren wil; en de Zoon alleen kent de Vader in de ware zin van het woord, zoals de Vader de Zoon begrijpt (Luk. 10: 21-24). Wij zouden dan ook het Evangelie slechts oppervlakkig kennen, als wij het onderzoek van Jezus woorden gelijk stelden met de vereiste gemeenschap met Zijn persoon. Die gemeenschap is een geestelijk aanschouwen van Zijn gestalte, een gemoedelijk verkeer met Zijn persoon. Het vurig zielsbegeren om werkelijk bij Hem te zijn, Hem steeds welgevallig te zijn en Hem in alles te huldigen met een hart, dat Hem nooit genoeg danken kan voor Zijn onuitsprekelijke liefde.
Hierin is ontwijfelbaar Mijn Vader verheerlijkt, die tot dat doel Mij als wijnstok in deze wereld heeft ingeplant, dat u veel vrucht draagt en u zult op volkomen manier Mijn discipelen zijn, als die naar uw wezen van geheel gelijkeaard en in kracht van werken geheel gelijkvormig bent (1 Joh. 4: 17), omdat Hij dan aan u de bedoeling van Zijn genade heeft bereikt.
Wat is het jammer van een edele rank, als deze haar bestemming niet bereikt en als verachtelijke brandstof als in een strovuur verdwijnt! Zo is het zeer te betreuren, wanneer ook een discipel niet tot zijn bestemming komt; hoe duidelijk staat zonder twijfel het ontzettend lot van Judas de Heere bij deze woorden voor de aandacht. Maar hoe geheel anders is het lot van de discipelen als zij hun roeping vervullen, d. i. als zij in Christus blijven, zó dat Zijn woorden werkelijk als Zijn woorden, namelijk als duidelijke levensbepalingen en levensprincipes, in hen blijven. Dan zal, zegt de Heere, hen ten deel worden wat zij ook maar voor zich willen vragen; hun gehele wens voor God zal hun worden gegeven. Zij zullen in drievoudig opzicht hun ware bestemming bereiken: zij zullen 1) veel vrucht dragen, de nieuwe wijn van de vrede en van de vreugde, van de eeuwige zaligheid van het rijk der hemelen zal door hen in rijke mate de mensheid deelachtig worden. Daardoor zullen zij 2) pas werkelijk in de hoogste zin discipelen van Jezus worden – organen, afbeeldsels, vertegenwoordigers van Zijn leven in de wereld; opdat zij dan 3) tot verheerlijking van de Vader zijn, zal door hen eerst juist openbaar en wereldkundig worden, dat de levende God, die Zich geopenbaard en de wereld verzoend heeft, de Heer van de wereld is.
Het is zeer schoon, dat de Heere aan het slot van de gelijkenis van de wijnstok en de ranken terugkeert tot het begin, namelijk tot Hem, die volgens vs. 1 de wijngaardenier is. Hij heeft de wijnstok, dus ook de ranken geplant; zo moet Hij er dan ook de eer van hebben, dat de ranken veel vrucht dragen. Eindelijk zegt Hij nog: “En u zult Mijn discipelen zijn” – waarom: “zult zijn?” Zij zijn immers reeds Zijn discipelen geweest. Hier kunnen wij zien, dat het discipelschap beide tegelijk is, een zijn en een worden.
Dit leven is niet een vroom zijn, maar een vroom worden, niet een gezond zijn, maar een gezond worden, niet een zijn, maar een worden, niet een rust, maar een oefening; het is niet het einde, maar het is de weg; nog gloeit en glinstert niet alles, maar alles wordt gereinigd.
Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, namelijk eer de wereld was (Hoofdstuk 17: 24) en Mij in Zijn liefde gegeven heeft het leven in Mijzelf te hebben (Hoofdstuk 5: 26), heb Ik van Mijn kant met gelijke liefde (vs. 16) ook u liefgehad entot Mijn discipelen verkozen, om u met mijn goddelijk leven te vervullen; blijf in Mijn liefde, zoals Ik als Mensenzoon in de liefde van de Vader blijf en daardoor geheel – zowel in wezen als in wil – met Hem één ben (Hoofdstuk 10: 30).
a)Als u Mijn geboden bewaart, waartoe Ik u reeds in Hoofdstuk 14: 15 en 21 vermaande, zult u in Mijn liefde blijven. Ook in die zin, dat Mijn liefde voortdurend u omvat en zich aan u bevestigt, zoals Ik de geboden van Mijn Vader bewaard heb, zelfs zo, dat Ik Mijn leven voor Mijn schapen geef en daardoor blijf in Zijn liefde, zodat Hij Mij bemint (Hoofdstuk 10: 17).
1 Joh. 5: 3.
Deze dingen, die Ik u zeg over Mijn liefde tot u, waarin u moet blijven en waarin Ik u de weg tot dat blijven voorstel, het bewaren van Mijn geboden (vs. 9 en 10), heb Ik tot u gesproken niet omwille vanMij, zoals het zou kunnen schijnen, maar integendeel in uw belang. Ik heb u dit gezegd, opdat Mijn blijdschap, de vreugde, die Ik in Mij voel en die Ik ook voor u wil verwerven, omdat u ze nog niet bezit (Hoofdstuk 14: 28), in u blijf (liever zijn zal) en uw blijdschap, die u in u voelt, als die naar uw geboorte, evenals de andere mensenkinderen, van deze wereld bent (Hoofdstuk 8: 23 en daarom steeds in het aardse uw welzijn zoekt, vervuld, volkomen wordt (vgl. Hoofdstuk 17: 13).
Terwijl in vs. 11 in plaats van “blijft”, moet gelezen worden “zij” wordt in vs. 4-10 tien malen gesproken van “blijven. ” Het is het gedurig terugkerende woord in deze eerste afdeling van ons hoofdstuk, evenals liefde en liefhebben (vier maal) en het daarmee verbondene “vrienden” (drie maal), de hoofdwoorden voor de tweede afdeling (vs. 12-17) zijn, terwijl de derde afdeling beheerst wordt door het woord “wereld” (zes maal Re 13: 18). Wij kunnen nu niet verklaren in overeenstemming met die uitleggers, die het “Mijn blijdschap in u zij” opvatten als van gelijke betekenis met “aan” en “over” u, als wilde de Heere zeggen: “opdat Ik Mij in u zal kunnen verblijden. ” Dienovereenkomstig zou dan de vreugde van de discipelen die zijn, die zij in Christus hebben, of waarmee zij zich over Hem verheugen. Wij menen integendeel dat Jezus bij de vrede in Hoofdstuk 14: 27 nu ook de vreugde belooft (Rom. 14: 17), dus Zijn vrede daar en hier Zijn vreugde en de vreugde van de discipelen hier overeenkomt met de vrede daar aangewezen. Gaan wij nu van het laatste punt uit, dan heeft zich in de discipelen de natuurlijke levenslust van de mensen reeds tot beginselen van een heilige vreugde ontwikkeld, maar deze Zijn nog onvolmaakt, hun vreugde heeft daarom behoefte aan verhoging en volmaking. Zo’n verhoging heeft plaats door de inplanting van de vreugde van Christus, d. i. van die vreugde, in die Hij zelf deelt, die Zijn eigen hart vervult in het volle bezit en volle genot van de liefde van de Vader. De heerschappij van Zijn persoonlijkheid in de harten van de Zijnen is echter niet een opheffing van hun eigen persoonlijkheid, een vernietiging van hun individuele toestanden en behoeften, maar slechts een opwekking, ontwikkeling en volmaking, waarvan Besser zegt: “Het hart van Christus is een hart vol vreugde, ook in het diepste lijden, want Hij staat in de liefde van Zijn Vaders, de bron en de volheid van alle vreugde. Deze vaderlijke liefde bleef Zijn vreugde, ook toen Hij het Zich van de ervaring daarvan omwille van ons ontledigde. “Mijn God”, riep Hij en in dit woord van het geloof had Hij blijdschap te midden van de ervaring van de voor ons op Zich geladen toorn van God, die Hem liefheeft. Deze vreugde van Jezus Christus moet onze vreugde worden. Wat de heidenen zochten als zij elkaar: “wees verheugd” groetten (Hand. 23: 26), dat hebben de Christenen gevonden (Hand. 15: 23. Jak. 1: 1 vv. ); het oog van hun vreugde wordt ook in lijden niet verblind – “alles is mij ten voordele, wat mij maar meer gelijkvormig aan U maakt. ” Zo spreekt ook Gesz, die dan verder opmerkt: “De discipelen van de Heere Jezus kunnen ook natuurlijke vreugde hebben evenals andere mensen: familievreugde, vreugde van de vriendschap, in de natuur, de wetenschap, de kunst. “Alles is het uwe”, zegt Paulus 1 Kor. 3: 21 Niets is dwazer dan als men meent dat deze vreugde voor de Christenen zou ophouden; integendeel! De Christenen kennen de Heere van de hele schepping als hun Vader, daarom verheugen zij zich in de heerlijkheden van de Schepper temeer. Heb ik toch in de koning mijn vader gevonden, dan wandel ik met dubbele vreugde in de koninklijke schatkamers rond; wat hem toebehoort, behoort ook mij toe. Maar behalve de natuurlijke vreugde hebben de discipelen van Christus nog een tweede, waarvan zij, die geen discipelen zijn, niets weten: want in hen is nog het afbeeldsel van die vreugde, die in Jezus was, dus steeds een vreugde met smart, want naast Zijn vreugde was toch smart, maar de smart in de omtrek van het hart en de vreugde in het middelpunt van het hart. Hoe vaak hebben mensen, die Christus niet nader hadden leren kennen, zich reeds verwonderd als zij een Christen, aan wie alle reden tot natuurlijke vreugde ontnomen was, midden in langdurige ziekte en grote armoede toch vol vreugde zagen. De natuurlijke liefde kan verdwijnen als een schaduw, de vreugde van Jezus blijft; want die rust op de ervaring van het woord: “Zoals Mijn Vader Mij heeft liefgehad, zo heb Ik ook u liefgehad” en deze liefde vergaat niet. De natuurlijke vreugde wordt gewoonlijk minder, naardat zij ouder wordt; want met de jaren neemt gewoonlijk de last toe en vermindert de geschiktheid om het schone te genieten en wat moeilijk is uit de gedachten te zetten. De blijdschap over de liefde van Christus wordt daarentegen met de jaren steeds inniger (hoewel misschien ook stiller), omdat het verbond van de liefde vaster en de ervaring van de liefde rijker wordt. ” “Blijf in Mijn liefde”, wij nemen ter harte 1) oorzaak en aard, 2) weg en voorbeeld, 3) vrucht en waarteken van dit blijven.
Zo had dan de Heere blijdschap. Wij merkten het reeds vroeger op, de Heere was wel altijd ernstig, maar nooit somber. Men zag bij al het lijden, dat Hij innerlijk droeg, in Zijn gemoedsstemming altijd de schoonheid en helderheid en effenheid van de wolkenloze hemel bij dag en het was maar zelden dat er wolken zichtbaar werden; nochtans, zij werden ook soms zichtbaar aan die hemel. Nu echter spreekt de Heere van Zijn blijdschap en wil dat deze ook in de discipelen is, als de vrucht van het tot hen gesprokene. En waarin bestond nu de blijdschap van de Heere? Wij hebben er een voorbeeld van bij het terugkeren van de zeventig uitgezondenen (Luk. 10: 21). Het was bij Hem een verheuging in de geest over het welbehagen van de Vader. Op dezelfde manier moeten wij ons in de geest verheugen over het welbehagen van de Zoon en daarmee van de Vader en van de Heilige Geest jegens ons en jegens onze medezondaren. God, de Drieëenige God, moet onze blijdschap zijn. Is de beschouwing van Zijn heilige woorden, werken en daden moeten wij ons heilig, in Zijn zaligheid ons zalig voelen. Wij moeten, als de vis in het water, in God ons bewegen, leven en zijn, met bewustheid, met liefde, met lust. Hieruit wordt een blijdschap geboren als die van de Zoon over de Vader in de Heilige Geest. Maar de blijdschap van de Heere over het welbehagen van de Vader staat niet op zichzelf, maar in betrekking tot ons. De Heere verheugt Zich dat de Vader het nederige verhoogt, het arme rijk maakt, het verachte met eer kroont, het verlorene zoekt en redt en dat alles door Hem, de Heer, de Zoon. Ja, de Heere verblijdt Zich, dat Hij voor ons de Satan de kop vermorzelde en de wereld overwon en daarmee ons eeuwig zalig en heerlijk gemaakt heeft. Deze zaligmakende blijdschap moet ook in ons zijn en blijven. Het is de blijdschap van Zijn liefde, want die men liefheeft over die verblijdt men zich, ja, die is zelf persoonlijk onze vreugde.
a)Dit is, wanneer Ik de geboden, wier opvolging Ik vroeger in vs. 10 van u eiste in een kort begrip zal samenvatten, Mijn gebod, het gebod, dat Mij in het bijzonder eigen is en Ik reeds in Hoofdstuk 3: 34 genoemd heb, dat u elkaar liefheeft, zoalsIk u liefgehad heb (vs. 9).
Lev. 19: 18. MATTHEUS. 22: 39. Efez. 5: 2. 1 Thessalonicenzen. 4: 9. 1 Petr. 4: 8. 1 Joh. 3: 23;
Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zet voor zijn vrienden.
a) U bent, nu werkelijk, zoals Ik u aanwees, Mijn vrienden, als U doet wat Ik u gebied, namelijk liefde onder elkaar beoefent, zoals Ik u heb liefgehad en u dus eveneens bereid bent om het leven te stellen voor de broeders (1 Joh. 3: 16).
Matth. 12: 50. 2 Kor. 5: 16. Gal. 5: 6; 6: 15 Kol. 3: 11.
Christus weet op Zijn standpunt, dat Hij slechts voor Zijn vrienden sterft, wanneer Hij voor de mensen sterft, ook als zij nog vijanden zijn (Rom. 5: 6 vv. ): want zij worden Zijn vrienden in de kracht van Zijn dood en de kracht van Zijn dood ondervinden zij slechts in die mate als zij Zijn vrienden worden. Deze waarheid verplicht de gelovigen te meer om te erkennen, dat zij Zijn vrienden nog niet waren, toen Hij Zijn leven voor hen gaf, ja in zo verre allen nog Zijn vijanden waren, als Zijn besluit om voor de mensen te sterven, aan alle daden van overgave van de mensen voorafgaat. zoals nu Christus alleen voor Christenen gestorven is, die eens nog volstrekt Zijn vrienden niet waren en Wier vriendschap nog in geen enkele bewezen was, zo moet ook het wederkerige van de liefde van Zijn discipelen niet alleen daarin liggen, dat de beslist gelovigen degenen liefhebben, die met hen op gelijke trap staan, maar ook degenen, in die zij eerst de trekken van verwantschap moeten opzoeken en opwekken, zoals Christus hen in de Zijnen opgewekt en levend gemaakt heeft.
Daardoor, zegt Hij, bent u vrienden, dat Ik u voor vrienden houd, niet daardoor dat u Mij veel goeds doet, zoals de wereld vrienden noemt, maar aan wie Ik niet dan goed doe. Voor zodanige vrienden sterf Ik, die nog nooit enig goed hebben gedaan, maar die Ik bemin en tot vrienden gemaakt heb. Nu zult u Mijn vrienden zijn en blijven, als u allen Mijn enig gebod uit liefde tot Mij en tot uw eigen welzijn houdt. Mijn lichaam en leven heb Ik u gegeven, u bent Mijn dierbare vrienden, door Mijn bloed ingeoogst en gekocht en u zult alles door Mij hebben, rijke en vrije jongeren zijn; maar maak het dan zo, dat u in de vriendschap blijft en niet weer vijanden wordt, noch zo leert, dat niemand zou kunnen zeggen, dat u vrienden bent.
Vrienden, in de zin niet van volkomen gelijken, maar van beminden, geliefden, nauw met ons verbondenen. Immers, wij kunnen niet zeggen tot onze vrienden: U bent mijn vriend als u doet wat ik u gebied. Dat zou de vriendschap bij ons te na komen. Wij kunnen enkel achting, maar geen gehoorzaamheid van onze vrienden eisen. Daarom is het verkeerd om de Heere wederkerig Vriend te noemen. Wij zeiden het reeds, maar herhalen het hier: dat de Heere Zich tot ons in de innigste gemeenschap van het hart stelt, geeft ons wel het juist om ons wederkerig in dezelfde innige gemeenschap van het hart met Hem te stellen, maar niet om deze gemeenschap in dezelfde vorm uit te drukken, als waarin Hij haar uitdrukte. Wij zouden hierdoor misbruik maken van Zijn tegemoetkoming jegens ons. Nooit hebben dan ook de apostelen mondeling of schriftelijk van de naam vriend jegens de Heere gebruik gemaakt. Ook Abraham wordt door de Schrift een vriend van God genoemd, vanwege de innige gemeenschap, waarmee God met hem omging en met hem sprak, van mond tot mond, als een man met zijn vriend; maar nooit noemde hij God zijn vriend. De welvoeglijkheid moet ook op geestelijk gebied en wel daar het allermeest worden in acht genomen.
Geen groter voorrecht dan te kunnen zeggen: Ik behoor tot de vrienden van Jezus; ik ben Zijn vriend. Wie heeft niet behoefte aan vriendschap? Wie verlangt zich niet in bezit van een vriend onder de mensen; aan een vriend, die vaak meer aanhangt dan een broeder? Niet allen zijn zo gelukkig vrienden te hebben. Het goed brengt vele vrienden toe, maar de armoede scheidt ook van de boezemvriend. Ware vrienden zijn zeldzaam. Duurzame vriendschap, ook tussen de uitnemendste mensen, is niet altijd mogelijk. Want ook de uitnemendste mensen hebben hun menselijke zwakheid en deze zijn voor menselijke vriendschap niet zelden ten langen laatste dodelijk. En ook de beste, de trouwste vriend – er zijn ogenblikken dat zijn vriendschap tekort schiet; niet alle dingen staan in de macht van een menselijke liefde. Hoe menigeen heeft al zijn vrienden overleefd. Ach, wat een eenzaamheid op die weg, vroeger zo bevolkt, wat een leegte aan die zijden in het hart! Wie zal hem troosten, raden, helpen, of in de bitterste en moeilijkste ogenblikken, waar geen troost of raad te geven en geen hulp mogelijk is, ten minste nabij zijn en blijven en het bange uur met de geliefde doorwaken? Hij hoeft het niet te vragen, die de Heiland tot zijn Vriend heeft, de ware, de volmaakte, de eeuwig levende, de altijd troostende, radende en helpende Vriend, die ook de Vriend van de armste wil zijn en hem rijk maakt door Zijn vriendschap; die ook met de gebreken van de onvolmaaktste geduld heeft. Ach, wat een voorrecht Zijn vriend te zijn. Maar hoe wordt men het? Hoe wordt men vrienden onder mensen? Soms kan men er zich nauwelijks rekenschap van geven. Men ontmoet elkaar; men leert elkaar kennen; maar reeds voordat men elkaar zelfs kende, voelde men zich tot elkaar getrokken. Het scheen dat deze harten zo eenstemmig in neigingen voor elkaar gevormd, voor elkaar geschikt waren; zeker, men was voor elkaar geboren. Soms zocht men een vriend en zocht hem lang, totdat men hem vond, de man, wie men zijn achting, zijn vertrouwen waardig keurde. Anderen hebben zich vrienden verworven door daden van liefde, van barmhartigheid, van goedheid, die voor immer harten aan hen verbonden, vroeger voor hen onverschillig. Maar wie Jezus tot Vriend heeft, die een vriend van Jezus geworden is, was het omdat eenstemmigheid van neigingen, overeenkomst van karakter daar was? Was men gevormd en geschikt om Zijn vriend te zijn? Was men Zijn vriend geboren? Dwaze vraag! De mens in zonde ontvangen en geboren, de vriend van de Heilige? Zocht die mens Hem? Nee, maar hij werd door Hem gezocht en nam Hem aan – ten langen laatste misschien, nadat menig vriend gewogen en te licht bevonden was en in vertwijfeling aan alle menselijke genegenheid en trouw. “U heeft Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren”, zo sprak de Heere tot Zijn eerste vriendenkring en het is een woord op al Zijn vrienden toepasselijk. Van zich Zijn vriendschap te verwerven door enige deugd of daad, kan geen gedachte zijn en het was ook geen gedachte; maar Hij won Zich hun hart en de genegenheid van hun hart door de onvergelijkelijke daad van Zijn liefde. Niemand heeft meerd liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden. Nee, geen van de vrienden van de beste vriend, heeft iets gedaan of kunnen doen om zich Zijn vriendschap te verwerven; geen Petrus, geen Jakobus, geen Johannes, u noch ik, als wij onder het getal van Zijn vrienden behoren. Maar als Hij ons nochtans Zijn vrienden noemt, als wij het ons voelen door de liefde, waarmee wij Zijn liefde beantwoorden, wij zijn geroepen om alles te doen, waardoor het blijken kan dat wij Zijn vrienden zijn.
Ik noem u, met het oog op de tijd, die u na Mijn dood, Mijn opstanding en hemelvaart (Hoofdstuk 16: 7 vv. ) wacht, voortaan niet meer dienstknechten, zoals Ik tot hiertoe veel reden had u zo te noemen, want de dienstknecht weet niet wat zijn Heer doet. Hoewel hij ook het uitwendig handelen van dezen voor ogen ziet, of dat hem iets ter uitvoering is opgedragen, kent hij toch de eigenlijke redenen en de eindbedoelingen daarmee niet. Maar Ik heb u vrienden genoemd en met die naam bestempeld; want al wat Ik over het heil van de wereld, de stichting en voltooiing van het Koninkrijk van de hemelen van Mijn Vaderin de openbaring van Zijn geheim (Amos 3: 7. Joh. 5: 19 v. ; 8: 26 en 28) gehoord heb, dat heb Ik u in bijzonder spreken met u als Mijn vertrouwden bekend gemaakt (vgl. Jes. 21: 10).
Dat de Heere zegt: “Voortaan noem Ik u niet meer knechten” herinnert aan het “van nu aan” in Hoofdstuk 14: 7 waarmee Hij hun het nabij zijnde komen van de Geest van de waarheid in hun hart vriendelijk voorstelde. Tot hiertoe hadden de discipelen tot de Heere in de verhouding van knecht gestaan, die niet weet wat zijn Heere doet; als knecht in zuivere gehoorzaamheid had Petrus zijn voeten de Heere ter wassing moeten aanbieden (Hoofdstuk 13: 7). Als knechten volgden al Zijn discipelen Hem op Zijn hele weg van de Jordaan tot aan de plaats van Zijn lijden, want zij wisten niet, wat Hij deed in Gethsémané en op Golgotha. Maar later, als de herinnerende Trooster alles in hen tot licht en leven zal hebben verheerlijkt, wat de eengeboren Zoon voor hen van de Vader gehoord en hun in het Evangelie bekend gemaakt had (Hoofdstuk 14: 26), zouden zij ondervinden dat zij vrienden van Jezus Christus waren, ware kinderen van Abraham, de vriend van God, voor wie de Heere niet kon verbergen wat Hij deed (Gen. 18: 17). Wel blijven de discipelen, evenals alle Christenen, knechten van Christus (Rom. 1: 1. Jak. 1: 1 Judas 1: 1), maar niet in die zin, waarin de knecht de vriend buitensluit, maar in die zin, waarin de knecht tevens uitverkoren vriend is (vgl. Gen. 24).
Juist nu, in deze laatste uren van Zijn samenzijn met hen, openbaart de Heere aan de discipelen de liefdevolle wil van God het rijkst en stort Hij Zijn gehele hart voor hen uit. Waarom zou Hij ze dan niet juist van nu aan vrienden noemen? Heeft Hij het reeds vroeger gedaan (Luk. 12: 4), toch heeft Hij er niet zo op gedrukt. En kunnen zij ook nu nog veel niet dragen, dat Hij hun nog had te zeggen (Hoofdstuk 16: 12), zo hebben zij toch de gehele uitwendige omvang van de kennis, die hun ontdekt zal worden en alleen is ontwikkeling van deze nodig in de gevolgtrekkingen en toepassingen.
Genadige, nederbuigende God, wie is U gelijk! En noemt Gij inderdaad zulke onwaardige schepselen als wij zijn Uw vrienden! Heere, help ons enigermate te beantwoorden aan die hoge betrekking. Wij weten aan wie wij ons mogen toevertrouwen; zeker geen aardse vriendschap is zo vertrouwelijk, zo oprecht, zo hartelijk als de Uwe. En zullen wij ontrouw zijn aan zo’n Vriend? Verhinder het, Heere, laat ons geen wil, geen belang, geen genegenheid hebben, die van U afleidt.
U heeft, toen u tot Mijn vertrouwde vrienden, tot Mijn discipelen en apostelen werdt geroepen, Mij niet van uw kant uitverkoren, als zou de grondlegging en ontwikkeling van die verhouding door u bewerkt zijn, maar Ik heb u in voorkomende vrije genade uitverkoren (Hoofdstuk 6: 70; 13: 18). En Ik heb u door die betrekking daartoe gesteld, dat u in voortgaand zelfstandig werken overeenkomstig uw apostolische zending (Mark. 3: 14 v. ; 16: 15 v. ) zou heengaan en vrucht dragen en dat u met Mij op het nauwst verbonden en alleen door Mij vruchtbaar gemaakt (vs. 5) zou worden, zodat uw vrucht blijft, opdat, zo wat u van de Vader begeren zult in Mijn naam Hij u dat geeft (vs. 7; Hoofdstuk 14: 13 v. ).
Vroeger had Jezus de discipelen zeer geëerd door de opmerking dat Hij ze wilde beschouwen, niet als Zijn knechten, maar als Zijn vrienden; nu plaatst Hij daarop een domper, opdat zij zich niet verheffen. Dat is over het algemeen de manier van Jezus en Zijn geestelijke opvoeding, ook nu nog: nu een opwekking dan een verootmoediging. Deze afwisseling is gezond voor ons, omdat de erkentenis van onze zwakheid anders al te snel tot versagen en onze moed tot hoogmoed wordt. De discipelen moeten dus erkennen dat als Jezus hen niet tot Zich had getrokken, van hun discipelschap niets zou zijn gekomen. Gedeeltelijk zou het gevoel van zwakheid, deels het vervuld zijn met de belangen van het aardse beroep een ontwakende begeerte naar een nabijzijnde verbintenis met Jezus in de verwezenlijking hebben gehinderd, als niet Jezus’ vriendelijk neerbuigen (vgl. Hoofdstuk 1: 38 v. 43 en 48) en later Zijn bepaalde roeping (MATTHEUS. 4: 19; 9: 9), deze hinderpalen had overwonnen. Vooral behoorde wel Jezus’ geduld en steeds nieuwe liefde ertoe, om aan hun opvoeding voort te werken en bij hen ook steeds weer de moed te verlevendigen, daarenboven Jezus’ voorbede om de Geest van God, zoals Luk. 6: 12 vv. verhaalt, dat Hij de tijd voor de roeping van de twaalf tot apostelen geheel in gebed heeft doorgebracht en Jezus zelf in Luk. 22: 31 vv. van een gebed melding maakt, dat Hij tegenover de gevaarlijke verzoeking van de discipelen door de duivel stelde. Welke uitwendige en inwendige leidingen, misschien kastijdingen en verootmoedigingen bij ieder van ons nodig waren, om ons discipelen te maken, moge ieder zelf zeggen; want deze zijn bij ieder in het bijzonder weer van bijzondere aard. Is nu echter onze toebrenging een werk van de neerbuigende trouw van de Heere, dan moeten wij ons daardoor des te meer tot strikte gehoorzaamheid laten bewegen. Hebben wij onze rijkdom zo geheel zonder ons toedoen verkregen, zo moeten wij ten minste getrouw daarmee woekeren.
Het “Ik heb u gesteld” geeft de heerlijke aanwijzing van de bestemming te kennen.
De uitdrukking “dat u zou heengaan” drukt de zelfstandigheid uit, waartoe de Heere Zijn discipelen in zekere graad heeft verheven. Ik heb u in staat gesteld alleen te gaan. Het “vrucht dragen” geeft te kennen, evenals in het gehele Hoofdstuk, de mededeling van geestelijk leven aan de mensheid. Deze vrucht gaat niet te gronde, zoals die van de aardse arbeid (Luk. 5: 5, 10), zij blijft.
In vs. 7 en 8 heeft de Heere het vrucht dragen in het werk van het gebed afhankelijk gesteld, nu wordt daarentegen de gebedsverhoring als vrucht van getrouwe werkzaamheid voorgesteld. Deze verwisseling heeft een goede reden. Evenals het gebed aan het werk moet
voorafgaan, zo moet ook weer het werk grond worden voor het verdere, stoutere bidden en op een zodanig doelt Christus, als Hij op het punt is, om de discipelen met hun liefdewerk en de stichting van de gemeenschap van de liefde tegenover de gehele wereld te stellen.
De apostelen hadden nog menigvuldige zwakheden en vooroordelen; zij waren niet sterk in het geloven en begrepen nog zeer weinig van Christus’ zaligmakend lijden en de opofferingen van Zichzelf, als een slachtoffer voor hun zonden (Luk. 18: 34). Zij meenden dit onbestaanbaar te wezen met dat aards koninkrijk, waarvan hun harten vol waren. Zij begrepen niets van de roeping van de heidenen of van Gods liefhebbende voornemens over hen en wilden daarom het Evangelie hun niet verkondigen, zonder een uitdrukkelijke vermaning van de hemel daartoe (Hand. 11: 19). Van zulke en dergelijke zwakheden reinigde de Landman hen, toen Hij de Heilige Geest op hen neerstortte en hen uitzond om te prediken alle volkeren.
EVANGELIE OP DE DAG VAN SIMON EN JUDAS. (Vs. 17-21).
(Vgl. de Opmerkingen voor Hoofdst. 14: 1 vv. Joh 14: 1)
Dit gebied Ik u, om hier tot slot van deze afdeling nog eens terug te komen op hetgeen, waarvan Ik ben uitgegaan, opdat u elkaar liefheeft (vs. 12).
Hier herhaalt en besluit Hij het woord en gebod, dat Hij hen heeft voorgehouden; want Hij heeft gezien hoeveel valse Christenen er zouden zijn, die met voortreffelijke woorden en schone schijn zouden roemen op hun geloof, terwijl er toch niets zou aanwezig zijn. Tot zo een moet men zeggen: “de schone, heerlijke naam hoor ik wel, die wel edel is en alle eer waard, maar wie bent u (vgl. Hand. 19: 15)?”
Dadelijk na Mijn heengaan en meteen met het begin van uw apostolische werkzaamheid zullen de Joden, die zich in het ongeloof verharden en tot een synagoge van de Satan verharden (vs. 20 vv. Openbaring . 2: 9) en vervolgens de heidenen, die het hart voor de prediking van het Evangelies sluiten, tegen u opstaan (Hand. 2: 13; 4: 1 vv. ; 5: 17 vv. enz. ). Als de wereld u dan haat, weet dan dat zij Mij eerder dan u gehaat heeft; wanneer u daaraan denkt, zult u meteen inzien dat het met u niet anders kan gaan (1 Joh. 3: 13 vv. ).
a)Als u van de wereld was, nog als vroeger tot haar behoorde, dan zou de wereld het hare liefhebben en u met rust laten (Hoofdstuk 7: 7. 1 Joh. 4: 5 v). Maar omdat u van de wereld niet meer bent, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, u ontrukt heb aan de natuurlijke gemeenschap met haar en in Mijn gemeenschap heb overgeplant en tot Mijn discipelen heb geroepen, daaromhaat de wereld u als degenen, in wie zij Mij terugvindt.
Joh. 17: 14. Gal. 1: 10.
Deze tekst is honderdduizend gulden waard, ja, met geen geld te betalen, deze, waarin de Heere Zelf het oordeel uitspreekt, dat wij van de wereld niet zijn en dit het waarteken is, dat zij ons haat. Het is een grote eer en bijzondere vertroosting, als wij omwille van Hem worden gehaat, dat wij reeds als door Hem verkorenen en als van de wereld afgezonderden geoordeeld en verklaard zijn.
Ten eerste bestond de wereld, waarvan de Heere spreekt, in de vijandige Joden: maar in dezelfde mate als de gemeente van Christus zich onder alle volken uitbreidde, zag zij zich ook door de wereld in deze zin overal omgeven, ja ten slotte in eigen kamp bestookt. Zij vormt, als er geteld wordt, altijd de meerderheid, zodat zij met de uitdrukking, die onder het geheel van de geschapen dingen in het bijzonder de gehele mensheid betekent (vgl. Hoofdstuk 1: 9), tegenover het kleine hoopje kan worden overgesteld, dat zich van ganser harte aan Christus en Zijn woord houdt.
De haat van de wereld treft bij de discipelen niet de menselijke zwakheid, deze wordt integendeel door de goede kant, het specifiek Christelijke, het op hen gedrukte beeld van Christus tevoorschijn geroepen. In hen ziet de wereld iets vreemds en dat is voor haar onaangenaam en ondraaglijk, omdat het als faktische aanklacht tegen hen optreedt.
Hier is onderscheidende en uitverkiezende genade, sommigen zijn tot bijzondere voorwerpen van de goddelijke liefde gemaakt. Vrees niet bij deze leer van de uitverkiezing stil te staan. Wanneer uw gemoed het meest bezwaard en neergedrukt is, zult u in haar een rijke versterking vinden. Zij, die aan de leer van de genade twijfelen of ze in de schaduw stellen, missen de schoonste druiven van Eskol, hen ontbreekt het keurigste van de wijnstok, de merg, de vettigheid. Er is in Gilead geen balsem, die hiermee vergeleken kan worden. Als de honing in Jonathan’s mond de ogen bij de eerste aanraking reeds verlichtte, dat is de honing, die het hart verlicht om de verborgenheden van Gods koninkrijk te kennen en lief te hebben. Eet daarvan en vrees geen oververzadiging; voed u met deze lekkernij en wees niet bevreesd dat het voedsel te fijn zal zijn. Voedsel van de tafel van de koning is nooit schadelijk voor zijn hovelingen. Laat uw verlangen uitgaan naar een verruimd gemoed, dat dagelijks meer begrijpt van de eeuwige, oneindige, uitverkiezende liefde van God. Wanneer u de berg van de uitverkiezing beklommen heeft, toef dan ook een tijdje op de zusterspits, het verbond van de genade. De verbondsbeloften met de Borg, Christus Jezus, zijn de stille rustplaatsen van bekommerde zielen.
Zijn eed, Zijn trouwverbond, Zijn bloed, Behouden me in de wilde vloed: Als alle steun me op aarde ontgaat Is dit mijn sterkte en toeverlaat.
Gedenk van het woord, dat Ik bij gelegenheid van uw vroegere uitzending in MATTHEUS. 10: 24 vv), minder met het oog op uw toenmalige ervaringen als wel op uw lotgevallen, die nu pas beginnen (vgl. Luk. 22: 35-38) u gezegd heb: a): Een dienstknecht is niet meer dan zijn Heer, zodat hij het beter zou moeten hebben dan deze. b) Als zij Mij vervolgd hebben, zoverklaarde Ik toen reeds en ook nog vaak later, zij zullen ook u vervolgen. Als zij daarentegen, tenminste bij enige weinigen, Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. Weest dan tevreden met die weinigen, zoals Ik u heb gezegd: het is de discipel genoeg dat hij is als zijn Meester en de dienstknecht als zijn Heer.
Luk. 6: 40. Joh. 18: 16. b) MATTHEUS. 24: 9. Joh. 16: 2.
Christus doelt hier niet op Zijn woord in Hoofdstuk 13: 16, want daar wilde Hij geheel iets anders dan hier; maar Hij komt terug op de instructie tot het apostelambt en dan is wat in de eerste helft van vs. 25 bij Mattheus in Hoofdstuk 10 aan het woord in vs. 24 wordt toegevoegd, op onze plaats indirect vervat in de woorden: “hebben zij Mijn woord bewaard, zij zullen ook het uwe bewaren. ” Deze woorden mag men niet ironisch opvatten, zoals vele uitleggers hebben gedaan, want ironie is hier zeker niet op haar plaats. Men mag ook de rede van Christus niet zo willen begrijpen, alsof Hij met het vervolgen van Zijn persoon en het houden van Zijn woord de beide manieren noemde, waarop de wereld zich ten opzichte van Hem zou plaatsen en nu aan het eigen oordeel van de discipelen overliet, om op te merken welke van beide de wereld had gekozen. Dan toch verkreeg deze rede, zoals aan ieder zijn natuurlijk gevoel moest zeggen, een zeer zonderlinge vorm. De Heere lost integendeel juist nu het begrip van de wereld op in dat van de mensen in het bijzonder en dat deze niet van enerlei aard zijn, heeft Hij reeds in vs. 9 daardoor aangewezen, dat Hij de discipelen heeft voorgesteld als uit de wereld zelf uitverkoren, die hen nu haat. Er kunnen dus gevoegelijk twee subjecten worden verstaan onder het “zij” bij de eerste zin: “hebben Mij vervolgd” en bij de tweede: “hebben zij Mijn woord bewaard”. De juiste logica noodzaakt zelfs daartoe, omdat de beide uitgedrukte handelingen juist geheel en al aan elkaar zijn overgesteld. Maar juist omdat de subjecten van de tweede zin d. i. die welke Christus’ woord houden, in zo sterke minderheid Zijn tegenover die van de eerste zin, verkrijgt het woord “wereld” zijn bijzondere betekenis daardoor, dat het het geheel aanwijst van hen, die zich tegen Christus verharden en Hem haten. De tweede zin vormt duidelijk een tegenwicht tegen de eerste. De Heere erkent dat het ook aan zulke mensen niet heeft ontbroken, die Zijn woord aannamen en dezelfde ervaring moesten nu ook Zijn discipelen maken, anders zou Hij in vs. 16 niet kunnen zeggen dat Hij ze gesteld had, om heen te gaan en vrucht te brengen en dat hun vrucht zou blijven. Het behoort onvoorwaardelijk ertoe om de taal van de wereld getroost te verdragen, dat men weet hoe dezelfde wereld, die de ene haat en vervolgt, nu eenmaal de zee is, waarin het net van het Evangelie moet worden uitgeworpen om mensen te vangen. Van de haters en vervolgers kunnen zelfs enigen nog tot belijders en werktuigen van Christus worden en als dat ook niet zou zijn, dan bevinden zich toch midden onder de vijanden en vervolgers diegenen, waarbij tot nog toe geen beslissing is gekomen en van die zo velen kunnen worden gewonnen. Alleen hiermee moet een discipel en apostel van de Heere tevreden zijn, dat Hij met al zijn werkzaamheid niet komt boven het woord: “weinigen zijn er, die de weg ten leven vinden. ” Zij die een begin maken op het gebied van geestelijke werkzaamheid, moeten zich evenzeer wachten voor dweepachtig hopen als voor kleingelovig vrezen.
Maar al deze dingen, die Ik u gezegd heb over de haat, die u van de wereld zult ondervinden en over de vervolging van uw persoon bij betrekkelijk slechts geringe aanneming van uw woord, zullen zij u doen, omwille van Mijn naam, omdat Mijn naam u uit de prediking van uw mond en in de vorm van uw leven tegentreedt, terwijl die zozeer een voorwerp van hun afkerigheid is (MATTHEUS. 10: 22; 24: 9. Hand. 5: 41). Zij hebben die afkeer, omdat zij Hem niet kennen, die Mij gezonden heeft. Wel noemen zij Hem hun God, maar zij staan zo weinig met Hem in gemeenschap, dat wat van Hem komt en tot Hem leidt, in het binnenste van hun ziel hen tegenstaat (Hoofdstuk 8: 54 v. ).
Hoe zaliger zij zijn, die om de naam van Jezus dat alles lijden, des te rampzaliger zijn zij, die om deze naam dat alles doen.
Hun haat en vervolging tegen u zal spruiten uit uw gemeenschap met Mij, omdat u naar Mij genoemd wordt, Mijn eer verdedigt, Mijn Evangelie belijdt en verkondigt en de reden van die partijschap is, omdat zij God niet juist kennen en niet begrijpen, dat Hij Mij gezonden heeft, om Israël te verlossen van hun ongerechtigheden.
Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde.
Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader; dat is het oordeel, dat over hen moet worden geveld en dat Ik hen ook niet heb verzwegen (Hoofdstuk 8: 42 vv. ).
Deze zin spreekt een gevolgtrekking uit een vroegere uit (Hoofdstuk 14: 9): “die Mij ziet, heeft de Vader gezien. “
En om nu ook het laatste schijnbare voorwendsel, waarmee zij zich over Mijn getuigenissen door het woord in Hoofdstuk 8: 13 hebben heen gezet, hun te ontnemen, neem Ik de uitspraak, zo-even gedaan, weer op in deze vorm: Als Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand andersgedaan heeft (MATTHEUS. 9: 33) en die er zo duidelijk voor getuigden, dat de Vader in Mij is en Ik in Hem (Hoofdstuk 10: 25, 38), zij hadden geen zodanige zonde, als zij werkelijk hebben, namelijk een boven elke maat en die volslagen ongeloof in zich sluit. Maar nu hebben zij ze gezien, Mijn grote en heerlijke werken en ten slotte ook nog wat Ik aan Lazarus heb gedaan en zij hebben beiden Mij en Mijn Vader gehaat.
De wereld, die tegen God vijandig is, brengt bij elkaar wat voor ontvankelijke zielen hemelsbreed verschillend is; de heerlijkheid van Christus zien, een heerlijkheid als van de Eengeboren Zoon van de Vader en toch Hem haten.
Maar dit gebeurt, evenals alles wat met Mij voorvalt een vervulling is van de Schrift, die van Mij getuigt, opdat het woord vervuld wordt, dat in hun wet geschreven is (“Joh 10: 34”) en wel nader in Ps. 35: 19; 69: 5). Mij treft onschuldig die haat van de Joden, naar het woord: Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat.
De wereld is tegen geen zonde, tegen geen boosheid zo vijandig als tegen de naam van Christus en Zijn Evangelie. Om dat woord gebeurt alles, dat verwekt de haat en de toorn, anders zouden zij beiden Hem en ons niet zo vijandig en gevaarlijk zijn. Maar nu wij Zijn woord prediken, moeten wij niet alleen veracht worden, maar ook worden gegrepen en toch zo, dat zij er geen reden toe hebben, maar daarentegen grote en veel ja enkel reden om ons lief te hebben, te dienen en te danken. Schik er u daarom in, als u dat voelt en ondervindt.
EVANGELIE OP ZONDAG NA CHRISTUS’ HEMELVAART, EXAUDI
Over de betekenis van de naam van deze zondag zie men bij Ps. 27: 9 De dag ziet naar twee kanten; hij ziet terug naar de hemelvaartsdag en herinnert aan het gebod, dat de Heere bij Zijn hemelvaart heeft gegeven, dat zij Zijn getuigen zouden zijn tot aan het einde van de wereld en hij ziet voorwaarts op het Pinksterfeest, waaraan hij als rustdag voorafgaat. De perikoop komt bijzonder overeen met deze uitwendige plaatsing van de zondag, omdat zij nogmaals dat gebod in herinnering brengt en nu aanwijst, dat de apostelen van Christus kunnen en moeten getuigen. Tegenover de getuigen staat een vijandige wereld, maar de vijandschap van de wereld kan hen de blijdschap in het getuigen niet ontroven, ja, de wereld kan hun geloofsgetuigenis op den duur niet weerstaan. Er is een Heilige Geest, die getuigt; deze ontbreekt nog, maar Hij zal komen, de Heere belooft Hem. De Heilige Geest een Geest van de getuigenis: 1) Hij getuigt in ons van de Heere 2) en door ons in de wereld.
De getuigenis van Christus: 1) wie legt haar af? 2) hoe neemt de wereld haar op?
De getuigenis van Christus 1) een werking van de Heilige Geest. 2) een oorzaak van lijden.
De zondag van wachten: hij zegt ons 1) wat wij van de Heere hebben te wachten, 2) wat de Heere ook van ons verwacht.
Met Mijn heengaan tot de Vader eindigt ook Mijn eig onmiddellijk getuigen, waarvan Ik zo-even (vs. 22 vv. ) gesproken heb. Maar wanneer, zoals Ik in Hoofdst. 14: 16 vv. en 26 beloofd heb; de Trooster gekomen zal zijn, die Ik u (Hand. 2: 23) zenden zal van de Vader, namelijk de Geest van de waarheid, die van de Vader, die groter is dan alles en ook groter dan Ik in Mijn aardse geringheid ben geweest (Hoofdstuk 10: 29; 14: 28), uitgaat, die zal deels in de tekenen en wonderen, die Hij van de hemel werkt (Hand. 2: 2 v. ), deels in dewerkingen en gaven, die zich openbaren aan hen, op wie Hij neerdaalt (Hand. 2: 4; 5: 32) van Mij getuigen, wie Ik ben en wat Mijn woord en werk betekenen.
De Joden haten en verwerpen Hem; zo gaat Hij uit de wereld, maar de Geest komt in plaats van Hem. Deze zendt Hij in de wereld, zo zal Zijn naam niet zonder goddelijk getuigenis in de wereld blijven, want de Geest gaat van de Vader uit. Hij is een Geest in de dienst van Christus, daarom word toezegd: “Ik zal Hem zenden. ” Hij is een Geest van de getuigenis van Christus, daarom wordt Hij “de Geest van de waarheid” genoemd. Hij is de Geest van God, daarom wordt van Hem gezegd, dat Hij van de Vader uitgaat. Deze laatste uitspraak is in geschiedkundige zin bedoeld en niet, zoals de oude kerk haar opvatte, metafysisch, van de immanente bestaanswijze; want deze staat parallel met de andere: Ik zal Hem zenden van de Vader – bij (Grieks “para”) de Vader is Hij reeds; het uitgegaan zijn in metafysische zin is dus iets, dat reeds heeft plaats gehad en van Hem komt Hij, als Jezus Hem van de Vader zendt. Ook van de Zoon leert de Schrift alleen het uitgaan uit de Vader ten behoeve van de volvoering van de wil van de goddelijke liefde en gaat, wat Zijn voorwereldlijk bestaan aangaat niet terug over de uitspraak (Hoofdstuk 1: 1 v. ): “Hij was bij God. ” Zo zegt zij ook van de Geest alleen (1 Kor. 2: 10 v. Openbaring . 1: 4. Rom. 8: 26): Hij is in God, bij God, maar op welke manier Hij wat Zijn bestaan aangaat gesteld is, zegt Hij niet. Wij zullen intussen, evenals bij de Zoon, zo ook hier juist hebben, om tot de eeuwige betrekkingen uit de geschiedkundige te besluiten; voor deze nu is geschreven dat de Zoon zowel als de Vader de Geest zendt, maar de Zoon van de Vader uit.
Dat de Heilige Geest van de Vader uitgaat, is van zo’n grote betekenis, dat het “Ik zal Hem zenden van de Vader” nog een nadere verklaring ontvangt door het: “die van de Vader uitgaat. ” Beide was gewichtig: het uitgaan van de Zoon (die nu nog als mens voor Zijn discipelen staat en nu de dood van een misdadigers tegengaat, staat in zo’n verhouding tot de Geest, dat Hij Hem niet alleen van de Vader bidt en de Vader Hem zendt in Zijn naam (Hoofdstuk 14: 16, 26), maar dat Hij Zelf Hem zendt van de Vader en het uitgaan van de Vader, het laatste naar de maatstaf van samenhang (daar bij de getuigenis van de Vader voor Jezus in de getuigenis van Zijn mond (Hoofdstuk 8: 17 v. en bij die nog hogere in het getuigenis van Zijn werken 5: 36; 10: 25), waarvan beide in vs. 22 en 24 sprake was, nu nog de hoogste in de zending van de Heilige Geest en in diens getuigenis zou komen, om niets aan deze ongelovige menigte van de Joden onbeproefd te laten) is van zoveel gewicht dat niet genoeg is, dat “van de Vader”, dat bij, “Ik zal zenden” staat, maar nog een tweede “van de Vader” daarbij komt in de woorden: “die van de Vader uitgaat. ” Dat de Geest aan de ene kant door Christus wordt gezonden, aan de andere van de Vader uitgaat, wordt daardoor bewerkt, dat Hij gezonden wordt door Christus, die in de heerlijkheid van de Vader is opgenomen.
En u, als u door Hem vervuld en met Zijn krachten aangedaan bent, zult ook getuigen. De Heilige Geest zal u van Mij en Mijn heerlijkheid getuigen; en met die aangedaan zult u aan het volk alles herinneren, wat Ik te voren onderhen heb gesproken en gedaan, maar ook wat Ik van hen verdragen en ondervonden heb (Hand. 2: 22 vv. ; 3: 12 vv. ; 4: 8 vv. ; 5: 30 vv. ), want u bent van het begin met Mij geweest en kunt dus aan dit volk van de Joden dat voorhouden, als degenen die hetzelf hebben aanschouwd en reeds hebben beleefd (Hand. 1: 21. 1 Joh. 1: 1). Zo zal hen nog eenmaal gelegenheid worden gegeven om te beslissen ten opzichte van Mij en van de door Mij gezonden zaligheid. Maar ook bij dat getuigen van u zal opnieuw worden vervuld, wat Ik te voren (vs. 18-21) zei, dat de wereld u zal haten en vervolgen omwille van Mijn naam (MATTHEUS. 23: 34).
Het getuigenis van Jezus is een dubbele, het getuigenis van de Heilige Geest en het getuigenis van de apostelen. Wat onder het getuigenis van de Heilige Geest moet worden gerekend is duidelijk. Herinnert u het geweldig geluid, dat op Pinksteren van de hemel kwam, de vuurvlammen, het spreken in talen, de gaven van de voorspelling, de wonderen van de apostelen, de ingeving van de goddelijke waarheden. Even duidelijk is ook wat tot het menselijk getuigenis van de apostelen behoort, namelijk wat zij gehoord hebben, wat zij gezien hebben met hun ogen, wat zij aanschouwd hebben, wat hun handen getast hebben van het Woord van het leven, in het kort: het getuigenis van hun zintuigen van de Herrezene. Toch is het goddelijk en menselijk getuigenis uit altijd zo in het ooglopend onderscheiden; zij komen in hun diepste aard weer overeen. Want als de apostelen van Jezus getuigen, op menselijke manier getuigen, dan waakt de Heilige Geest over hun reden, bewaart hen voor dwaling, reinigt, loutert die, geeft versterking aan het geheugen en verleent heilzame woorden. En terwijl ieder apostel geheel naar zijn eigenaardigheid spreekt, is hij toch geheel van de Geest doordrongen: zo wordt een en hetzelfde woord tegelijk als goddelijk en menselijk erkend; hoewel het één is kan men toch zien dat het uit twee is samengevoegd en de dubbele, onderscheidene natuur van de Godmens spiegelt zich in één persoon als een dubbel, tegelijk goddelijk en menselijk getuigenis af in een en hetzelfde woord. Alles is goddelijk en menselijk tevens wat de apostelen spreken; soms is het de mens, naar dat zijn ziel opgewekt en vatbaar is, alsof men in het heilig woord enkel en alleen de Geest van de waarheid hoorde, die van de Vader uitgaat, maar soms is het weer, alsof men de getrouwe en waarachtige mensen, de apostelen van Jezus hoorde, zoals zij geheel in menselijke eenvoud en oprechtheid de mond opendoen en getuigen.
Zeker mogen en moeten alle Christenen zich het gebod laten welgevallen: “u zult ook getuigen”; maar hetgeen daarnaast staat, het woord, dat alleen op de apostelen zag: “Want u bent van het begin met Mij geweest”, wijst allen, die door het woord van de apostelen in Christus geloven, tot dit apostolisch woord, als tot de bron van alle waarheid, waaruit zij moeten putten wat zij weer moeten laten uitstromen. De heilige Paulus werd door de buitengewone manier van zijn bekering en gedurende zijn driejarig oponthoud in woest Arabië en te Damascus (Gal. 1: 17) door onmiddellijke onderwijzingen de Heere het gemis vergoed, dat hij gedurende de drie jaren van de apostelen niet, zoals deze, van het begin bij Hem was geweest, zodat hij ook verordend werd tot een getuige van hetgeen hij gezien en gehoord had (Hand. 22: 15; 26: 16) en hij beweert met nadruk de opgestanen Heere evenals de andere apostelen te hebben gezien (1 Kor. 15: 8). Ja, zozeer strekt zich het onderwijs tot in bijzonderheden uit, dat hij zelfs de geschiedenis van de instelling van het heilige Avondmaal met de woorden van het testament niet van mensen, maar van de Heere ontvangen heeft (1 Kor. 11: 23). Verre er van dat het voorbeeld van de apostel Paulus enigszins de apostolische eis van oor en ooggetuige geweest te zijn, zou doen wankelen, bevestigt het deze des te meer.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel