Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
OchH3863, dat Gij de hemelenH8064 scheurdetH7167, dat Gij nederkwaamtH3381, dat de bergenH2022 van Uw aangezichtH6440 vervlotenH2151;
Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten;
KJV
Oh
that thou wouldest rend
the heavens,
that thou wouldest come down,
that the mountains
might flow down
at thy presence,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Gelijk een smeltvuurH2003 brandtH6919, en het vuurH784 de waterenH4325 doet opbobbelenH1158, om Uw NaamH8034 aan Uw wederpartijdersH6862 bekendH3045 te maken! Laat alzo de heidenenH1471 voor Uw aangezichtH6440 bevenH7264.
Gelijk een smeltvuur brandt, en het vuur de wateren doet opbobbelen, om Uw Naam aan Uw wederpartijders bekend te maken! Laat alzo de heidenen voor Uw aangezicht beven.
KJV
As when the melting
fire
burneth,
the fire
causeth the waters
to boil,
to make thy name
known
to thine adversaries,
that the nations
may tremble
at thy presence!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Toen Gij vreselijkeH3372 dingen deedtH6213, die wij nietH3808 verwachttenH6960; Gij kwaamt nederH3381, van Uw aangezichtH6440 vervlotenH2151 de bergenH2022.
Toen Gij vreselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten; Gij kwaamt neder, van Uw aangezicht vervloten de bergen.
KJV
When thou didst11
terrible things
which we looked
not for, thou camest down,
the mountains
flowed down
at thy presence.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Ja, van oudsH5769 heeft men het niet gehoordH8085, noch met oren vernomenH238, en geen oogH5869 heeft het gezien, behalve GijH859, o GodH430! wat Hij doenH6213 zal dien, die op Hem wachtH2442.
Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht.
KJV
For since the beginning of the world13
men have not heard,
nor perceived by the ear,
neither hath the eye
seen,
O God,
beside
thee, what he hath prepared4
for him that waiteth
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Gij ontmoetH6293 den vrolijkeH7797, en die gerechtigheidH6664 doet dengenen, die Uwer gedenkenH2142 op Uw wegenH1870; zie, Gij waart verbolgenH7107, omdat wij gezondigdH2398 hebben; in dezelve is de eeuwigheidH5769, opdat wij behoudenH3467 wierden.
Gij ontmoet den vrolijke, en die gerechtigheid doet dengenen, die Uwer gedenken op Uw wegen; zie, Gij waart verbolgen, omdat wij gezondigd hebben; in dezelve is de eeuwigheid, opdat wij behouden wierden.
KJV
Thou meetest
him that rejoiceth
and worketh
righteousness,
those that remember
thee in thy ways:
behold, thou art wroth;
for we have sinned:
in those is continuance,
and we shall be saved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Doch wij allen zijn als een onreineH2931, en al onze gerechtighedenH6666 zijn als een wegwerpelijkH5708 kleedH899; en wij allen vallenH5034 afH4480 als een bladH5929, en onze misdadenH5771 voeren ons henen weg als een windH7307.
Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.
Ook in dit vers
voeren wegH5375
KJV
But we are all as an unclean
thing, and all our righteousnesses
are as filthy
rags;
and we all do fade
as a leaf;
and our iniquities,13
like the wind,
have taken us away.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En er is niemand, die Uw NaamH8034 aanroeptH7121, die zich opwektH5782, dat hij U aangrijpeH2388; want Gij verbergtH5641 Uw aangezichtH6440 voor ons, en Gij doet ons smeltenH4127, door middelH3027 van onze ongerechtighedenH5771.
En er is niemand, die Uw Naam aanroept, die zich opwekt, dat hij U aangrijpe; want Gij verbergt Uw aangezicht voor ons, en Gij doet ons smelten, door middel van onze ongerechtigheden.
KJV
And there is none that calleth
upon thy name,
that stirreth up
himself to take hold
of thee: for thou hast hid
thy face
from us, and hast consumed
us, because10
of our iniquities.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
DochH4994 nu, HEEREH3068! Gij zijt onze VaderH1; wij zijn leemH2563, en Gij zijt onze pottenbakkerH3335, en wij allenH3605 zijn Uwer handenH3027 werkH4639.
Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk.
KJV
But now, O LORD,3
thou art our father;
we are the clay,
and thou our potter;
and we all are the work
of thy hand.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
HEERE! weesH3966 niet zo zeer verbolgenH7107, en gedenkH2142 niet eeuwiglijkH5703 der ongerechtigheidH5771; zie, aanschouwH5027 toch, wij allen zijn Uw volkH5971.
HEERE! wees niet zo zeer verbolgen, en gedenk niet eeuwiglijk der ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk.
Ook in dit vers
HEEREH3068
KJV
Be not wroth
very sore,
O LORD,
neither remember
iniquity
for ever:
behold, see,
we beseech thee, we are all thy people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Uw heiligeH6944 stedenH5892 zijnH1961 een woestijnH4057 geworden, SionH6726 isH1961 een woestijnH4057 geworden, JeruzalemH3389 een verwoestingH8077.
Uw heilige steden zijn een woestijn geworden, Sion is een woestijn geworden, Jeruzalem een verwoesting.
KJV
Thy holy2
cities
are a wilderness,
Zion
is a wilderness,
Jerusalem
a desolation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Ons heiligH6944 en ons heerlijkH8597 huisH1004, waarin onze vadersH1 U loofdenH1984, is met vuurH784 verbrandH8316; en al onze gewensteH4261 dingen zijn totH5704 woestheidH2723 geworden.
Ons heilig en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden, is met vuur verbrand; en al onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden.
KJV
Our holy
and our beautiful
house,
where our fathers
praised
thee, is burned up
with fire:
and all our pleasant things
are laid waste.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
HEERE! zoudt Gij U over deze dingen inhoudenH662, zoudt Gij stilzwijgenH2814, en ons zozeerH3966 bedrukkenH6031?
HEERE! zoudt Gij U over deze dingen inhouden, zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?
Ook in dit vers
HEEREH3068
dat Gij
Dit hangt nog aan Jes. 63:19 , zijnde een vervolg van het gebed der kerk, dat God zijne hulp uit den hemel zou willen doen blijken, tot verderf hunner vijanden en tot hunne verlossing, voornamelijk door de komts van den Messias in het vlees, waarop gezien wordt vs.4.
Hertaald:
dat Gij
Dit sluit nog aan bij Jes. 63:19 en is een vervolg van het gebed van de kerk, dat God Zijn hulp uit de hemel zou willen laten blijken, tot verderf van hun vijanden en tot hun verlossing, en vooral door de komst van de Messias in het vlees, waarop vers 4 doelt.
scheurdet,
Te weten, ontstoken zijnde met ijver en grimmigheid, gelijk de naastvolgende woorden zulks breder aanwijzen, altegaar daartoe strekkende om God te bidden, dat Hij zich in glorie en macht zou willen openbaren, gelijk Hij deed toen Hij zijne wet gaf; Exo 19 .
Hertaald:
scheurdet,
Namelijk: ontstoken met ijver en grimmigheid, zoals de direct volgende woorden dat uitvoeriger aanwijzen. Alles strekt ertoe God te bidden dat Hij Zich in glorie en macht zou willen openbaren, zoals Hij deed toen Hij Zijn wet gaf; Ex. 19.
vervloten;
Dat is, dat zij mochten smelten en als water afvlieten, als verbaasd zijnde van de tegenwoordigheid uwer majesteit. Zie dergelijke zinnebeeldige manier van spreken Deut. 32:2 ; Richt. 5:4-5 , enz.; Ps. 18:8 , en Ps. 97:5 .
Hertaald:
vervloten;
Dat is: dat zij mochten smelten en als water wegvloeien, verbijsterd door de tegenwoordigheid van Uw majesteit. Zie een dergelijke beeldende manier van spreken in Deut. 32:2, Richt. 5:4-5, enzovoort, en Ps. 18:8 en Ps. 97:5.
een smeltvuur
Hebreeuws, een vuur der smeltingen; dat is, gelijk een vuur hetwelk hetgeen men gieten wil doet smelten, en gelijk het vuur het water doet opbobbelen.
Hertaald:
een smeltvuur
Hebreeuws: een vuur van de smeltingen — dat is: zoals een vuur dat laat smelten wat men gieten wil, en zoals het vuur het water doet opborrelen.
Uw Naam
Dat is, uwe macht, met welke Gij u aan uwe vijanden wreekt.
Hertaald:
Uw Naam
Dat is: Uw macht, waarmee U Zich op Uw vijanden wreekt.
Uw wederpartijders
Dat is, de vervolgers uwer kerk, die Gij houdt voor uwe vijanden; vergelijk Hand. 9:4 .
Hertaald:
Uw wederpartijders
Dat is: de vervolgers van Uw kerk, die U als Uw vijanden beschouwt; vergelijk Hand. 9:4.
Toen Gij
Te weten, ten tijde onzer vaderen, zo in Egypte als in de woestijn.
Hertaald:
Toen Gij
Namelijk: in de tijd van onze vaderen, zowel in Egypte als in de woestijn.
Gij kwaamt neder,
Anders, opdat gij nederkwaamt en de bergen voor uw aangezicht vervloten.
Hertaald:
Gij kwaamt neder,
Anders: opdat U zou neerkomen en de bergen voor Uw aangezicht zouden wegvloeien.
Ja,
Dit is voornamelijk te verstaan van de verborgenheden van het heilig Evangelie, onbekend en onbegrijpelijk in der mensen verstand, behalve dengenen, dien God het door zijn Geest openbaart, gelijk de apostel Paulus dit is bewijzende uit deze plaats 1 Kor. 2:9-10 .
Hertaald:
Ja,
Dit moet vooral verstaan worden van de verborgenheden van het heilig Evangelie, die onbekend en voor het menselijk verstand onbegrijpelijk zijn, behalve voor hen aan wie God ze door Zijn Geest openbaart, zoals de apostel Paulus dat vanuit deze plaats aantoont in 1 Kor. 2:9-10.
en geen oog
Ja het is nooit in enig menschenhart of gedachte gekomen, gelijk de apostel betuigt 1 Kor. 2:9 .
Hertaald:
en geen oog
Ja, het is nooit in enig mensenhart of in enige gedachte opgekomen, zoals de apostel betuigt in 1 Kor. 2:9.
Hij doen zal dien,
Voor wat Gij doen zult, dat is, wat weldaden Gij doen zult. De apostel zegt: wat God bereid heeft, te weten het koninkrijk der hemelen, hetwelk zulk een grote heerlijkheid is, dat zij alle menselijke verstand verre tebovengaat.
Hertaald:
Hij doen zal dien,
Voor wat U doen zult, dat is: wat voor weldaden U zult doen. De apostel zegt: wat God bereid heeft, namelijk het Koninkrijk der hemelen, dat zo heerlijk is dat het alle menselijk verstand verre te boven gaat.
die op Hem wacht
De apostel verklaart deze woorden: voor degenen, die Hem liefhebben; want op God wachten is ene vrucht der liefde. Vergelijk met deze plaats Ps. 31:20 .
Hertaald:
die op Hem wacht
De apostel verklaart deze woorden zo: voor hen die Hem liefhebben; want op God wachten is een vrucht van de liefde. Vergelijk met deze plaats Ps. 31:20.
Gij ontmoet
Te weten, met uwe genade en goedertierenheid, en van hunne hulp, gelijk de engelen Jakob ontmoetten; Gen. 32:1 . Op andere plaatsen betekent het ene ontmoeting tot schade of kwetsing, gelijk Ex. 5:3 .
Hertaald:
Gij ontmoet
Namelijk: met Uw genade en goedertierenheid en met Uw hulp, zoals de engelen Jakob tegemoetkwamen; Gen. 32:1. Op andere plaatsen betekent het een ontmoeting tot schade of verwonding, zoals in Ex. 5:3.
den vrolijke,
Die zich met vreugde begeven om U te dienen, of die zich in u verblijden.
Hertaald:
den vrolijke,
Die zich met vreugde eraan zetten om U te dienen, of die zich in U verblijden.
dengenen,
Dat is, die U loven en prijzen vanwege uw wonderlijke regering en bescherming.
Hertaald:
dengenen,
Dat is: die U loven en prijzen vanwege Uw wonderlijke regering en bescherming.
Gij waart verbolgen,
En derhalve hebt Gij ons geslagen.
Hertaald:
Gij waart verbolgen,
En daarom hebt U ons geslagen.
dezelve
Te weten, uw wegen, wetten en wil; of in uwe genade en goedertierenheid, die Gij uw volk steeds bewijst.
Hertaald:
dezelve
Namelijk: Uw wegen, wetten en wil; of: in Uw genade en goedertierenheid, die U Uw volk voortdurend bewijst.
opdat wij
Dat is, zo wij in dezelve hadden gewandeld, zouden wij behouden zijn geweest. Anders: Zie Gij waart verbolgen, omdat wij altijd tegen dezelve [te weten, wegen] hebben gezondigd, nochtans zijn wij behouden.
Hertaald:
opdat wij
Dat is: als wij daarin gewandeld hadden, zouden wij behouden geweest zijn. Anders: zie, U was verbolgen omdat wij altijd tegen die wegen gezondigd hebben, en toch zijn wij behouden.
al onze gerechtigheden
Dat is, al onze beste werken, of hetgeen dat wij goeds zouden mogen gedaan hebben. Versta hierbij, indien Gij het naar de strengheid uwer rechtvaardigheid zoudt willen onderzoeken, ons aanziende in ons eigen natuur, buiten Christus; zie Fil. 3:8 .
Hertaald:
al onze gerechtigheden
Dat is: al onze beste werken, of het goede dat wij gedaan zouden mogen hebben. Vul hierbij aan: wanneer U het naar de strengheid van Uw gerechtigheid zou willen onderzoeken en ons zou aanzien in onze eigen natuur, buiten Christus; zie Filipp. 3:8.
als een wegwerpelijk kleed;
Hebreeuws, als een kleed der wegwerping; of als een vuil bezoedeld kleed; of een kleed van lompen en lappen samengeflikt. Zie integendeel hoedanigen wij zijn in Christus Jezus, Openb. 19:8 .
Hertaald:
als een wegwerpelijk kleed;
Hebreeuws: als een kleed van de wegwerping; of: als een vuil, bezoedeld kleed; of: een kleed van lompen en lappen aan elkaar genaaid. Zie daartegenover hoe wij zijn in Christus Jezus, Openb. 19:8.
wij allen
Of, wij verwelken; te weten vanwege uwen toorn tegen ons ontstoken, dien wij met onze zonden veroorzaakt hebben. Zie Ps. 90:5-6 .
Hertaald:
wij allen
Of: wij verwelken, namelijk vanwege Uw toorn die tegen ons ontstoken is en die wij met onze zonden veroorzaakt hebben. Zie Ps. 90:5-6.
als een blad,
Vergelijk deze plaats met Jud. 1:12 ; het tegendeel is Ps. 1:3 .
Hertaald:
als een blad,
Vergelijk deze plaats met Judas 1:12; het tegendeel is Ps. 1:3.
misdaden
Dit woord bevat niet alleen de misdaden, maar ook de straf derzelve.
Hertaald:
misdaden
Dit woord omvat niet alleen de misdaden maar ook de straf ervoor.
niemand,
Dat is heel weinigen.
Hertaald:
niemand,
Dat is: heel weinigen.
aanroept,
Te weten met waar geloof en met oprecht berouw en leedwezen, gelijk het betaamt.
Hertaald:
aanroept,
Namelijk: met waar geloof en met oprecht berouw en leedwezen, zoals het behoort.
dat hij U aangrijpe;
Te weten om U terug te houden, dat Gij niet voortgaat met ons in uwen toorn te slaan. Anders: die zich aan U vasthoudt.
Hertaald:
dat hij U aangrijpe;
Namelijk: om U tegen te houden, zodat U niet doorgaat ons in Uw toorn te slaan. Anders: die zich aan U vasthoudt.
verbergt
Zie Deut. 31:17 .
Hertaald:
verbergt
Zie Deut. 31:17.
door middel
Of, door de kracht van onze ongerechtigheden. Hebreeuws, door de hand onzer ongerechtigheden. De zin is: Onze zonden hebben het vuur van uwen toorn ontstoken, door hetwelk wij versmolten en verdelgd worden.
Hertaald:
door middel
Of: door de kracht van onze ongerechtigheden. Hebreeuws: door de hand van onze ongerechtigheden. De betekenis is: onze zonden hebben het vuur van Uw toorn ontstoken, waardoor wij versmolten en verdelgd worden.
Gij zijt
God is aller mensen Vader, te dien aanzien, dat Hij hen allen geschapen heeft; maar zijner uitverkorenen ook daarom, omdat Hij hen uit genade tot kinderen heeft aangenomen. Zie Rom. 8:15-16 .
Hertaald:
Gij zijt
God is de Vader van alle mensen in dit opzicht, dat Hij hen allen geschapen heeft; maar Hij is de Vader van Zijn uitverkorenen ook daarom, omdat Hij hen uit genade tot kinderen heeft aangenomen. Zie Rom. 8:15-16.
pottenbakker,
Of, formeerder, of die ons geformeerd heeft, ons hart formerende, gelijk een pottenbakker uit klei of leem een vat formeert.
Hertaald:
pottenbakker,
Of: Formeerder, of: Die ons geformeerd heeft, terwijl Hij ons hart vormt zoals een pottenbakker uit klei of leem een vat vormt.
Uw heilige steden
Hebreeuws, de steden uwer heiligheid; te weten Zion en Jeruzalem, en versta hier, door Zion de stad Davids, die het bovendeel der stad Jeruzalem was, gebouwd op den berg Zion; en door Jeruzalem wordt het benedendeel der stad verstaan. Of men kan door de heilige steden in het algemeen verstaan de steden van Juda, als zijnde steden van het heilige land en van Gods heilig volk, en voorts Zion en Jeruzalem, gelijk volgt.
Hertaald:
Uw heilige steden
Hebreeuws: de steden van Uw heiligheid, namelijk Sion en Jeruzalem. Versta onder Sion de stad van David, die het bovenste deel van de stad Jeruzalem was, gebouwd op de berg Sion; en onder Jeruzalem wordt het benedendeel van de stad verstaan. Of men kan onder de heilige steden in het algemeen de steden van Juda verstaan, omdat het steden van het heilige land en van Gods heilige volk zijn, en vervolgens Sion en Jeruzalem, zoals er volgt.
Jeruzalem
Dat is, Jeruzalem is verwoest. Zie Ps. 79:1 .
Hertaald:
Jeruzalem
Dat is: Jeruzalem is verwoest. Zie Ps. 79:1.
Ons heilig
Te weten de tempel, in welken de heilige godsdienst verricht werd en waar God zijne heerlijkheid en tegenwoordigheid zien liet. Zie 1 Kon. 8:13 , enz.
Hertaald:
Ons heilig
Namelijk: de tempel, waarin de heilige godsdienst verricht werd en waar God Zijn heerlijkheid en tegenwoordigheid liet zien. Zie 1 Kon. 8:13, enzovoort.
met vuur
Te weten van de Babyloniërs. Want het schijnt dat dit gebed door den profeet het volk is voorgeschreven geweest, om te spreken ten tijde van de Babylonische gevangenschap. Anders: is [geëigend] ten vure. Hebreeuws, is geworden tot verbranding des vuurs. De eerste tempel is verbrand door Nebukadnezar; 2 Kon. 25:9 ; de tweede door den keizer Titus. Zie Matt. 24:2 .
Hertaald:
met vuur
Namelijk: door de Babyloniërs. Want het lijkt dat dit gebed door de profeet aan het volk voorgeschreven is om in de tijd van de Babylonische gevangenschap uit te spreken. Anders: is aan het vuur prijsgegeven. Hebreeuws: is geworden tot verbranding van het vuur. De eerste tempel is verbrand door Nebukadnezar, 2 Kon. 25:9; de tweede door keizer Titus. Zie Matth. 24:2.
over deze dingen
Te weten over dezen ellendigen staat van uw volk.
Hertaald:
over deze dingen
Namelijk: over deze ellendige toestand van Uw volk.
inhouden
Of, ophouden; te weten zonder wraak te doen over onze vijanden en zonder ons wederom te Jeruzalem te brengen, om den tempel te herbouwen en om uw heiligen godsdienst te herstellen?
Hertaald:
inhouden
Of: ophouden, namelijk zonder wraak te doen over onze vijanden en zonder ons weer naar Jeruzalem te brengen om de tempel te herbouwen en Uw heilige godsdienst te herstellen?
bedrukken?
Of, nederslaan.
Hertaald:
bedrukken?
Of: neerslaan. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten" (Jes. 64:1). De bidder wil dat God zichtbaar ingrijpt, en er staat bij waartoe: "om Uw Naam aan Uw wederpartijders bekend te maken" (Jes. 64:2). Hij herinnert zich dat het eerder gebeurd is: "Toen Gij vreselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten; Gij kwaamt neder, van Uw aangezicht vervloten de bergen" (Jes. 64:3). En dan volgt een zin die verder reikt dan dit gebed: "van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht" (Jes. 64:4). Bijbelse betekenis: Merk op waar het gebed om vraagt. Niet om verlichting van de omstandigheden maar om Gods komst zelf; wie zo bidt, verlangt naar de Persoon en niet alleen naar de uitkomst. Let vervolgens op wat de bidder als grond gebruikt. Hij haalt geen belofte aan maar een herinnering: het is eerder gebeurd, en toen was het onverwacht. Let ten slotte op Jes. 64:4. Er staat niet dat men niets weet, maar dat het niet gehoord, gezien of bedacht is; alleen God weet wat Hij doen zal voor wie op Hem wacht. Het wachten wordt hier dus niet ingevuld, en juist dat maakt het gebed eerlijk. Typologie: Paulus haalt dit vers aan wanneer hij over de wijsheid van God schrijft: "Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben" (1 Kor. 2:9). En bij de doop van de Heere Jezus gingen de hemelen open en daalde de Geest op Hem neer (Mark. 1:10). Jes. 64:1-4; 1 Kor. 2:9; Mark. 1:10 "Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind" (Jes. 64:6). Wat daarop volgt is even eerlijk: "En er is niemand, die Uw Naam aanroept, die zich opwekt, dat hij U aangrijpe" (Jes. 64:7). En dan komt de wending: "Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk" (Jes. 64:8). Daarop volgt de bede: "HEERE! wees niet zo zeer verbolgen, en gedenk niet eeuwiglijk der ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk" (Jes. 64:9). Bijbelse betekenis: Merk op waar de belijdenis over gaat. Niet over de zonden maar over de gerechtigheden; wat het beste was aan dit volk wordt hier gewogen en te licht bevonden. Dat is scherper dan een schuldbelijdenis over misstappen. Let vervolgens op het woord waarmee Jes. 64:8 begint: doch nu. Er wordt niets teruggenomen van wat zojuist is gezegd, en toch wordt er verder gebeden. De grond daarvoor is niet dat het meevalt, maar dat God Vader is en dat zij Zijn maaksel zijn. Let ten slotte op het beeld van het leem. Datzelfde beeld stond eerder in het boek als verwijt, toen het maaksel zijn maker oordeelde (reeds behandeld bij Jes. 29:16); hier wordt het een pleitgrond. Wie zich leem noemt, geeft God het recht om te vormen. Typologie: Paulus zegt hetzelfde over de eigen gerechtigheid wanneer hij zijn eigen verleden opsomt en het schade en drek noemt, opdat hij Christus gewinne "niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is" (Fil. 3:9). En de tollenaar in de tempel bidt in dezelfde geest: "O God! wees mij zondaar genadig!" (Luk. 18:13). Jes. 64:5-9; Jes. 29:16; Fil. 3:9; Luk. 18:13 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het wezen en de ziel van het gebed is dat men zich opwekt om God aan te grijpen. De ziel van de godsvrucht ligt hierin: dat men de goddelijke tegenwoordigheid werkelijkheid laat worden, dat men met God handelt als met een werkelijk Persoon, in een vast vertrouwen op Zijn trouw — dat is Hem “aangrijpen”. Tijdens een grote brand ging het Metropolitan Tabernacle verloren. Thomas Spurgeon liet zien dat gebouwen kunnen verdwijnen, maar dat Gods Woord en het geloof nooit verloren gaan. Dit artikel komt uit het boek 'All of Grace' geschreven door Charles Haddon Spurgeon en voor het eerst uitgegeven in het jaar 1886. Opnieuw ingesproken door Pieter Avé. Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Doch wij allen zijn als een onreine. Jesaja 64:6 De gelovige is een nieuw schepsel; hij behoort tot een heilig geslacht en een… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 64
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Brand! Brand!
God rechtvaardigt de goddelozen
Onrein en besmet met zonden


Jesaja 64
Jesaja 64:1-2.KruisverwijzingenMicha 1:3→Jeremia 33:9→Jeremia 5:22→Psalmen 99:1→Amos 9:13→Markus 1:10→Psalmen 68:8→Nahum 1:5→
— Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten; Gelijk een smeltvuur brandt, en het vuur de wateren doet opbobbelen, om Uw Naam aan Uw wederpartijders bekend te maken! Laat alzo de heidenen voor Uw aangezicht beven.
Het beeld is nog treffender wanneer wij lezen: zoals het kreupelhout brandt. Want komt God maar tot Zijn volk, dan vatten zij vlam als de dorre heide die zo in brand staat; en Zijn vijanden zullen ook als kreupelhout voor het vuur zijn.
Jesaja 64:3.KruisverwijzingenPsalmen 66:3→Psalmen 106:22→Psalmen 66:5→Richteren 5:4→Jesaja 64:1→Deuteronomium 4:34→2 Samuël 7:23→Psalmen 76:12→
— Toen Gij vreselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten; Gij kwaamt neder, van Uw aangezicht vervloten de bergen.
O HEERE, kom opnieuw! U bent in het verleden gekomen; herhaal Uw vroegere daden en laat ons zien wat U doen kunt tot wraak over Uw volk.
Jesaja 64:4.KruisverwijzingenPsalmen 31:19→1 Korinthe 2:9→Genesis 49:18→Jesaja 25:9→Kolossenzen 1:26→Jakobus 5:7→Lukas 2:25→Efeze 3:17→
— Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht.
God is bereid te helpen. Hij heeft alles klaar voordat onze noden beginnen. Hij heeft de voorraad ingeslagen voor al onze behoeften. Voordat onze gebeden opgezonden worden, heeft Hij Zijn antwoorden erop al bereid; Zijn Naam zij gezegend! U weet hoe Paulus dit woord gebruikt: “Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest.” De geestelijke mens is een bevoorrecht mens.
Jesaja 64:5.KruisverwijzingenPsalmen 90:7→Exodus 20:24→Exodus 30:6→Jesaja 56:1→Psalmen 37:4→Handelingen 10:35→Maleachi 3:6→Jesaja 63:10→
— Gij ontmoet den vrolijke, en die gerechtigheid doet dengenen, die Uwer gedenken op Uw wegen; zie, Gij waart verbolgen, omdat wij gezondigd hebben; in dezelve is de eeuwigheid, opdat wij behouden wierden.
God wacht niet tot wij tot Hem terugkeren. Hij ontmóet ons. Hij komt tot ons op het ogenblik dat wij onze voeten naar Zijn troon wenden. Terwijl wij nog, als de verloren zoon, verre af zijn, ziet Hij ons en wordt met innerlijke ontferming bewogen en loopt ons tegemoet. En “in dezelve is de eeuwigheid”: in Uw trouw, in Uw liefde, in Uzelf, in Uw wegen van barmhartigheid is bestendigheid. Dáár ligt onze veiligheid.
Jesaja 64:6.KruisverwijzingenPsalmen 90:5→Efeze 2:1→Romeinen 7:24→Job 42:5→Zacharia 3:3→Job 14:4→Openbaring 3:17→Filippenzen 3:9→
— Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.
Wat zijn wij zelf dan? Hier staat het antwoord, en het is geen vleiend beeld dat de profeet tekent. Zelfs onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed, alleen goed voor het vuur; hoe moeten dan onze ongerechtigheden zijn? Wij zelf zijn als de verdorde bladeren aan de bomen; en zoals de wind de verwelkte bladeren van de herfst wegvoert, zo voeren onze zonden ons als een machtige stormwind weg.
Jesaja 64:7.KruisverwijzingenEzechiël 22:30→Hosea 7:7→Jesaja 59:16→Job 8:4→Hosea 5:15→Jesaja 57:17→Jesaja 59:4→Jesaja 59:2→
— En er is niemand, die Uw Naam aanroept, die zich opwekt, dat hij U aangrijpe; want Gij verbergt Uw aangezicht voor ons, en Gij doet ons smelten, door middel van onze ongerechtigheden.
Dit is een wonderlijke beschrijving van het gebed. Wanneer iemand zich opwekt uit zijn zondige loomheid en zich opricht om God in het gebed aan te grijpen, dan wordt hij een Israël, een vorst die bij God iets vermag.
De profeet gaf te kennen: als wij in het gebed God niet aangrijpen, dan hebben wij slechts zwak gebeden — als wij al gebeden hebben. Men grijpt geen schaduw aan. Men kan het onwezenlijke weefsel van een droom niet vastpakken. Aangrijpen veronderstelt iets werkelijks dat wij vastnemen. Daarvoor is de grip en de greep nodig van een volhardend geloof: een geloof dat gelooft dat God is en dat Hij een Beloner is van hen die Hem ernstig zoeken.
Aangrijpen veronderstelt ook een eerbiedige vrijmoedigheid tegenover de HEERE, waarmee wij een heilig geweld gebruiken om een zegen uit Zijn handen te winnen. Omdat daarvan in Israël zo weinig was, was het volk in een treurige staat vervallen. En als u de kwaden van de kerk van vandaag naar hun bron nagaat, dan komt u hierop uit. Er zijn er weinig die zich opwekken om de levende God aan te grijpen; weinig die in volle ernst met geestelijke zaken worstelen en ze met vastberaden geloof voor de HEERE brengen. Er zijn velen wier godsdienst niets is dan een uiterlijke verrichting. Zij bestaat in het een aantal keren bijwonen van een plaats van samenkomst en het lezen van gebeden met het gezin. Daarbij komt het opzeggen van een vaste vorm van devotie, morgen en avond, en misschien het gedachteloos lezen van een hoofdstuk uit de Bijbel. Maar er is geen bewustzijn dat God nabij is, geen omgang met Hem, geen aangrijpen van Hem. Zij geloven dat er een God is, maar zij leven alsof er geen is.
Jesaja 64:8.KruisverwijzingenJesaja 29:16→Jesaja 45:9→Jeremia 18:2→Jesaja 63:16→Romeinen 9:20→Psalmen 100:3→Jesaja 44:21→Efeze 2:10→
— Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk.
De aanneming tot kinderen komt niet tot een einde door de zonde. De wedergeboorte, het zoonschap, sterft niet uit; dat kán niet uitsterven. Ik ben de zoon van mijn vader, en dat zal ik altijd blijven; en ben ik de zoon van mijn hemelse Vader, dan zal ik dat nooit ophouden te zijn. “Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader.” Deze waarheid mag niet verdraaid worden tot een reden om te zondigen; zij moet ons juist van het zondigen weerhouden, opdat wij zo’n wonderlijke liefde niet bedroeven.
Jesaja 64:9-12.KruisverwijzingenJesaja 42:14→Klaagliederen 1:7→Psalmen 74:5→2 Koningen 25:9→Psalmen 74:10→Psalmen 79:13→Psalmen 74:1→Jesaja 1:7→
— HEERE! wees niet zo zeer verbolgen, en gedenk niet eeuwiglijk der ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk. Uw heilige steden zijn een woestijn geworden, Sion is een woestijn geworden, Jeruzalem een verwoesting. Ons heilig en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden, is met vuur verbrand; en al onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden. HEERE! zoudt Gij U over deze dingen inhouden, zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?
De profeet raakt de mineurtoon aan en weent en klaagt over de smarten van zijn volk; maar hij verzuimt niet te bidden. In het volgende hoofdstuk breekt God uit en zegt: “Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.” Hoeveel spoediger wordt Hij dan gevonden door wie Hem wél zoeken! Waarlijk, God hoort het gebed, en Hij zál het gebed horen. Laten wij niet ophouden tot Hem te bidden terwijl wij om ons heen zien naar de trieste staat van de belijdende kerk in deze tijd, en laten wij met Jesaja roepen: “HEERE! zoudt Gij U over deze dingen inhouden, zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?”
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Och, dat Gij een einde maakte aan den toestand, waarin Gij U achter dichte, ondoordringbare wolken hebt teruggetrokken, dat Gij de hemelen scheurdet, dat gij tot Uw verlaten volk nederkwaamt, dat de bergen, die thans als een hoge onoverkomelijke scheidsmuur tussen U en ons zijn opgericht, van Uw aangezicht vervloten, want daardoor alleen kunnen zij wegsmelten.
Dat Gij nederdaalt gelijk aan smeltvuur brandt, en het vuur de wateren doet opbobbelen 1), om Uwen naam, waarin wij ons beroemen als dien van den enigen God, die voor Zijne wederpartijders een verterend vuur is (Hoofdstuk 33:14), aan Uwe wederpartijders bekend te maken! 1) laat alzo de Heidenen, die thans met zo vreeslijk geweld over ons heersen, van Uw aangezicht beven.
In het Hebr. Kikdoäch eesch hamasim. Beter: Gelijk het vuur het rijshout aansteekt. Israël smeekt hier en in de volgende verzen, dat de Heere Zich zó in zijne Majesteit en heerlijkheid openbare tegenover al de vijanden, dat deze verteerd en vernietigd worden. Het is het smeken der Kerk, om een rechterlijk optreden van den Heere God, waarin de zijnen voor goed van de tirannie der onderdrukkers worden verlost. Vs. 1, 2 en 3 vormen als het ware een tussenzin, het is het bange roepen der Kerk om verlossing, midden in de heen wijzing op den toestand van ellende en verdrukking. Met vs. 4 wordt vs. 19 van het vorige hoofdstuk vervolgd.
Zij begeren dat dit zeer veel moge strekken tot Gods eer en heerlijkheid, om zijn Naam bekend te maken, niet alleen aan Zijne vrienden, want die kennen Hem reeds, maar ook aan Zijne tegenpartijen. Wij mogen hierbij aan merken, dat God zijn Naam vroeger of later aan Zijne tegenpartijen zal bekend maken, en diegenen voor Zijne tegenwoordigheid zal doen beven, die niet voor Zijn aangezicht willen komen om Hem te dienen. Indien Gods Naam geen sterke toren voor ons is, waarheen wij vlieden om behouden te worden, zal hij een sterke toren tegen ons zijn, buiten Wiens bereik wij niet kunnen vlieden en behouden worden. De dag zal komen, dat de natiën zullen moeten beven voor Gods tegenwoordigheid, alhoewel zij nooit zo sterk en zo talrijk waren.
Toen, beter, terwijl, Gij vreeslijke dingen, ontzettende daden des gerichts deed of doet, die wij niet verwachtten: Gij kwaamt neer, zodat van Uw aangezicht vervloten de bergen, dat geschiedde wat wij in vs. 1 baden, dat de hemel scheurde, om tot ons neer te komen, en de bergen voor Uw aangezicht verdwenen.
Ja van ouds heeft men het a) niet gehoord, wat Gij deed, zo dikwijls Gij Uw volk wilde verlossen, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij o God! die alle dingen van eeuwigheid af weet en ziet, wat Hij doen zal dien, die op Hem, den groten God, wacht 1) (1 (Kor. 2:9).
Ps. 31:19, 20.
De profeet verhaalt hier hoe God kennelijk altijd zijn volk in den nood geholpen heeft en roept uit, dat Gods weldaden jegens de godzaligen des mensen verstand te boven gaan. De Kerk, en in haar naam spreekt de Profeet er hier van, dat in God zelven al het heil verborgen is, maar dat Hij het openbaart aan al degenen, die op Hem wachten. Al het heil in Christus Jezus geopenbaard, was in God van eeuwigheid verborgen, maar in de volheid des tijds heeft Hij die verborgenheid bekend gemaakt.
Gij ontmoet met de onverwachte wonderen Uwer macht, den vrolijke, en die gerechtigheid doet, degenen, die Uwer gedenken op Uwe wegen, U dankende voor de reeds ondervondene hulp, en op grond dier zegeningen naar nieuwe hulp uitzien. Zie, Gij waart, of Gij zijt, verbolgen, omdat wij tegen U gezondigd hebben; 2) in dezelve gramschap is de eeuwigheid, die heeft reeds zo ontzaglijk lang geduurd, maar het was ene gramschap ten zegen, zij was, opdat wij behouden wierden 3).
Hiermede wordt uitgesproken, dat zij, die op den weg der gerechtigheid wandelen, aan God gedenken, d. w. z. aan de genade, die Hij hen bewezen heeft, en als het ware zich bij vernieuwing en bij voortduring aan Hem toevertrouwen, ook door Hem ontmoet worden, d. w. z. door Hem met genade voor en genade na beweldadigd worden.
Het tweede gedeelte is volstrekte tegenstelling van het eerste gedeelte. Wordt in het eerste gedeelte vermeld, hoe God zich vroeger geopenbaard heeft, hier in dit tweede, hoe God zich nu openbaart. Toen volgde er licht, nu gramschap en verbolgenheid van wege de zonden. Het is daarom ook beter te lezen: Ziet, Gij zijt verbolgen, en van deze verbolgenheid wordt dan gezegd, dat in deze is de eeuwigheid, d. w. z. dat die toestand reeds zo lang duurt, dat het wel schijnt alsof er geen einde aan zal komen.
Beter: en zullen wij nog behouden worden? Israël vraagt hier of er nog redding voor hen is, nu de ellende reeds zo lang drukt, en, wat het ergste van alles is, het op niets kan wijzen, waarom het zou gered worden, ja waar integendeel alles in het volk er op wijst, dat Gods gramschap en verbolgenheid rechtvaardig is. Dit wordt vooral in het volgende vers nader aangewezen.
Doch wij allen zijn als een onreine, het ganse volk in al zijne leden; wij zijn allen als een melaatse geworden, die het onrein! onrein! moeten uitroepen (Lev. 13:45), en al onze gerechtigheden, al wat wij prijzenswaardigs aan ons menen te hebben, al onze deugden zijn om onzen persoon, als een wegwerpelijk, maandstondig kleed 1), dat niemand kan aanraken zonder zelf onrein te worden; en a) wij allen vallen af als een blad, dat vroeger als fris groen aan den boom prijkte, maar nu van levenssap beroofd is; en onze misdaden, de straffen voor onze zonden, voeren ons henen weg als een wind, die het dorre loof van de bomen jaagt.
Ps. 90:5, 6.
Onze werken, alhoewel nog zo aannemelijk, als wij op dezelve vertrouwen en denken iets bij God te verdienen, zijn als vuile vodden, vodden die ons niet kunnen dekken, en vuile vodden die ons maar besmetten. Ware boetvaardigen werpen hun afgoden weg als een maandstondig kleed, hatelijk in hun gezicht zijnde, erkennen zij hier, dat zelfs hun gerechtigheden zodanig zijn in Gods gezicht, als Hij met hen naar streng recht zou willen handelen. De ongerechtigheid onzer heilige dingen zou ons verderf zijn, als wij onder de Wet waren.
De misdaden worden hier zeer juist met een wind, een hevigen oostenwind (Job 27:21), vergeleken, die hen, zo licht door de zonde, opneemt en als bladeren her- en derwaarts voert, als een speelbal met hen doet wat hij wilt. Ene dergelijke vergelijking bezingt de profeet Hoofdstuk 1:30 : “Gij zult zijn als een eik, welker bladeren afvallen. ” Bij volken, waar de goddeloosheid toeneemt, en het goddelijk gezag, alsmede Zijne instellingen worden verkracht, is verval en ontbinding op te merken, en ten laatste worden zij vernietigd door algehele verbastering en ontaarding. Evenzeer is het in het persoonlijk leven waar te nemen, dat de ongerechtigheid smarten baart, en de nasmaak van den zondedienst bitter is. De zonde is ene verrotting der beenderen, die het lichaam en gezondheid verwoest. De dood met al de reeks van krankheden en smarten, die hem voorafgaan of vergezellen, is ene zichtbare herinnering niet alleen van den vloek der zonde, maar maakt de ellende zelf der zonde uit. De dood is de bezoldiging der zonde.
Er is onder ons niemand, die Uwen naam aanroept met gebed en smeken, om uit het diep verval, waarin wij geraakt zijn, te worden opgeheven, niemand, die zich opwekt uit den stand van gerustheid en geestelijken slaap, dat hij U aangrijpe, en als Jakob U niet loslate, voordat Gij hem en zijn volk weer zegent (Gen. 32:26): want Gij verbergt Uw aangezicht voor ons, en Gij doet ons smelten door middel van ons ongerechtigheid; 1), Uw vloek drukt ons allen neer.
Dit is gene beschuldiging tegen God, want het is ene rechtvaardige straf voor den zondaar, dat hij in zijne zonde versmacht. Maar het is ene belijdenis van den zondaars onmacht, om zich zelven uit zijne zonden te redden, wanneer God niet uit vrije vaderlijke barmhartigheid Zijn genadig aangezicht den zondaren op nieuw wil vertonen. In waarheid was dat de toestand van Israël’s volk in de ballingschap. Het Israël, hetwelk uit de ballingschap terugkeerde, was maar een klein overblijfsel van het Israël, hetwelk naar Babel was weggevoerd. Het woord van dezelfden Profeet was een feit geworden als hij zegt (Hoofdstuk 1:9), dat, zo de Heere niet een weinig overblijfsel had overgelaten, ook het volk der belofte aan Sodom en Gomorra was gelijk geworden, d. w. z. geheel als van de aarde verdelgd. Maar diezelfde God, die om der zonde wil het volk in de ellende van Babels ballingschap had geleid en het gekeurd had in den smeltkroes der ellende, zou er ook voor zorgen, dat het niet geheel werd vernietigd, of niet geheel opging in het heidendom. Er was nog een overblijfsel, en dat overblijfsel, het smeekt in het volgende vers, en pleit op de betrekking, die God zelf heeft daar gesteld tussen Hem en Zijn volk.
Doch nu HEERE! vangen wij eindelijk aan ons zelven te kennen en aan U te denken, Gij zijt onze Vader, wiens liefde tot Zijne kinderen niet voor altijd wegblijven kan (Hoofdstuk 63:16); Wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, die uit ons, de natuurlijke stof, een vat gevormd hebt, dat U dierbaar is, en wij allen zijn Uwer handen werk, alzo is het Uwe ere, dat Gij ons niet geheel en voor altijd overgeeft. Toen wij in den beginne waren als een klomp klei, als een ruwe grondstof zonder vorm of gedaante, ene verwarde menigte, hebt Gij ons gevormd tot een kerk- en burgerstaat (Hoofdstuk 43:1, 7, 21; 44:2, 21, 24). De gelijkenis is ontleend aan het handwerk der pottenbakkers (vgl Hoofdstuk 28:16. Jer. 18:6), maar tevens ziet het enigermate op de formering van den mens bij de schepping (Gen. 2:7), alsmede op de gedurige vorming onzer lichamen in den moederschoot (Job 10:8-12; 31:15 Ps. 119:73; 139:13-16. Jer. 1:5): “Wij zijn allen Uwer handen werk, ” niet alleen als mensen en nakomelingen van Adam, maar ook voor zoverre wij door Uw bijzonder bestel tot een volk, tot Uw bijzonder volk gemaakt zijn. (Hoofdstuk 43:21). Deze beweegreden gebruikt God zelf (Hoofdstuk 44:21) om te tonen, waarom Hij Israël niet zou, ja niet kon vergeten; en hierop was Zijn volk gewoon bij Hem aan te dringen, ten einde Hem te bewegen hen te verschonen (Job 10:8, 9, Ps. 138:8).
HEERE! wees niet zozeer verbolgen, niet zo, dat er gene ontferming meer zou zijn, en a) gedenk niet eeuwiglijk der ongerechtigheid, zodat gene vergeving meer zou mogelijk zijn; zie, aanschouw toch, wij allen zijn, al zijn wij gebrokene takken aan den olijfboom (Rom. 11:17 vv.) toch Uw volk.
Ps. 79:8. Zij bidden niet, dat God niet bestraffe, want dat zou mogelijk kunnen zijn, maar, dat Hij het niet doe in Zijne gramschap. Dat is de ellende der zonde, dat zij waardig maakt voor eeuwig gedacht te worden, en in ons tekstvers wordt dat gevolg der zonde, dat voor eeuwig is, afgebeden. (HENRY en SOORT).
Uwe heilige steden, waar vroeger Uw naam gedacht werd, zijn ene woestijn, ene weide voor het vee geworden; Zion zelf, de heerlijkste en meest gezegende onder deze steden, is ene woestijn geworden, Jeruzalem is ene verwoesting, het ligt als een puinhoop neer.
Ons heilig en ons heerlijk huis, waardoor Gij als het ware den hemel tot ons op aarde had overgebracht, waarin onze vaders U loofden met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, is met vuur verbrand; en alles wat ons tot heilige blijdschap was (Ps. 27:4), al onze gewenste dingen al wat ons tot onzen lust was, zijn tot woestheid geworden en vergaan.
HEERE! zoudt Gij U over deze dingen inhouden? Zoudt Gij ondanks al dezen jammer Uwe grote barmhartigheid nog langer inhouden (Hoofdstuk 63:15)? zoudt Gij stilzwijgen, dat wij met geen genadig antwoord meer werden verwaardigd, en zoudt Gij ons zozeer bedrukken, dat gene herstelling meer zou volgen? Alle deze beden, die de profeet den Joden, welke zich bekeren, in den mond legt, zijn door den Heiligen Geest ingegeven en kunnen niet zonder verhoring zijn, omdat zij volgens den Goddelijken wil zijn voortgebracht. Daarom blijkt hieruit duidelijk de toekomstige bekering der Joden. Wanneer zal het bij Israël tot zulke gebeden komen? Wij geloven in dien tijd, waarvan de Heere in MATTHEUS. 24:21 vv. spreekt, en die ook den Joden, voor zo verre zij zich waarlijk aan God houden, een tijd van verdrukking en beproeving zal zijn (Openbaring 13). Het hervormde Jodendom daarentegen leidt op de wegen van den Antichrist (Hoofdstuk 66:17 v.). God moge een tijdlang het antwoord op hun gebeden verschuiven, maar Hij zal niet altijd Zich afwenden van degenen, die op Zijne genade hopen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel