“Ons heilig, luisterrijk huis, waarin onze vaderen U prezen, is met vuur verbrand; alles wat ons dierbaar was, is tot een puinhoop geworden.” Jesaja 64:11
In vorige verhalen heb ik je verteld dat Spurgeon een school oprichtte om mannen op te leiden tot trouwe predikanten en zendelingen. In april 1898 was Thomas weer terug in Londen. Er werd een conferentie gehouden in de grote zaal van het college, dat direct achter het Metropolitan Tabernacle stond. Tijdens de bijeenkomst hoorden de aanwezigen geweldig nieuws: inmiddels waren er al 968 mannen opgeleid aan het college!Maar opeens gebeurde er iets vreselijks. Een predikant rende naar voren en fluisterde tegen de voorzitter: “Ik denk dat u moet weten dat het Tabernacle in brand staat!” De bijeenkomst ging nog even door. Maar al snel hoorde iedereen het geknetter van brandend hout. Even later stroomde de rook de zaal binnen en werd het steeds warmer. Het was duidelijk dat iedereen zo snel mogelijk naar buiten moest.
Hoe was de brand ontstaan? In de kelder van het Tabernacle werd een maaltijd klaargemaakt voor vierhonderd predikanten. Door het vuur waarmee werd gekookt, werd een rookkanaal in de schoorsteen veel te heet. Daardoor vloog een houten deel van het gebouw in brand en verspreidden de vlammen zich razendsnel. Sommige mensen konden nog een paar spullen uit het gebouw redden, maar de brand was niet meer te stoppen. Binnen korte tijd stond het hele Tabernacle in lichterlaaie. Het dak stortte in.
Vanuit heel Londen kwamen brandweerwagens toegesneld. Uiteindelijk stonden er vijfendertig brandweerwagens bij het gebouw. Kun jij je voorstellen hoeveel dat zijn? Toch konden ook zij het Tabernacle niet meer redden. Thomas zag het allemaal met eigen ogen gebeuren. Wat moet dat verdrietig zijn geweest.
De Metropolitan Tabernacle was in 1861 geopend. Al zevenendertig jaar kwamen mensen daar samen om naar Gods Woord te luisteren en het Evangelie te horen. Heel veel mensen waren in dat gebouw tot geloof in de Heere Jezus gekomen. Daarom hadden velen er dierbare herinneringen aan. Ongeveer een week na de brand preekte Thomas in Exeter Hall, een groot gebouw dat voor die gelegenheid was gehuurd.
Zijn Bijbeltekst was: “Ons heilig, luisterrijk huis, waarin onze vaderen U prezen, is met vuur verbrand; alles wat ons dierbaar was, is tot een puinhoop geworden.” (Jesaja 64:11, HSV) Tijdens zijn preek noemde hij verschillende dingen die door de brand verloren waren gegaan. Zo waren de Bijbel van Spurgeon en het stoeltje waarop Spurgeon als jongen altijd had gezeten, verwoest. Maar daarna zei Thomas iets heel belangrijks: “Als we onze gezangboeken kwijt zijn, zijn we onze liederen niet kwijt. Ook al zijn onze Bijbels verbrand, Gods Woord blijft bestaan! Onze kostbaarste bezittingen zijn dingen die niemand kan vernietigen: de kerk van God, de Heilige Geest, de gemeenschap van de heiligen en de sacramenten. Ik ben blij dat ik je kan vertellen dat het oude exemplaar van de Geloofsbelijdenis, dat in de pastorie hing, is gered. Maar zelfs als het verloren was gegaan, zou ons geloof zijn gebleven.”
Een brand of een overstroming kan een gebouw verwoesten. Maar de dingen die voor God echt belangrijk zijn en eeuwig blijven, kunnen nooit worden vernietigd.

