Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Maar nuH6258, alzoH3541 zegtH559 de HEEREH3068, uw SchepperH1254, o JakobH3290! en uw FormeerderH3335, o IsraelH3478! vreesH3372 nietH408, wantH3588 Ik heb u verlostH1350; Ik heb u bij uw naamH8034 geroepenH7121, gij zijt Mijn.
Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israel! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.
KJV
But now thus saith3
the LORD4
that created5
thee, O Jacob,6
and he that formed7
thee, O Israel,8
Fear10
not: for I have redeemed12
thee, I have called13
thee by thy name;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Wanneer gij zult gaan door het waterH4325, IkH589 zal bijH854 u zijn, en door de rivierenH5104, zij zullen u nietH3808 overstromenH7857; wanneer gij door het vuurH784 zult gaanH3212, zult gij nietH3808 verbrandenH3554, en de vlamH3852 zal u nietH3808 aanstekenH1197.
Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.
KJV
When thou passest through2
the waters,3
I will be with thee; and through the rivers,6
they shall not overflow8
thee: when thou walkest10
through11
the fire,12
thou shalt not be burned;14
neither shall the flame15
kindle
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantH3588 IkH589 ben de HEEREH3068, uw GodH430, de HeiligeH6918 IsraelsH3478, uw HeilandH3467; Ik heb EgypteH4714, MorenlandH3568 en SebaH5434 gegevenH5414 tot uw losgeldH3724 in uw plaatsH8478.
Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israels, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats.
KJV
For I am the LORD3
thy God,4
the Holy One5
of Israel,6
thy Saviour:7
I gave8
Egypt10
for thy ransom,9
Ethiopia11
and Seba
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Van toen af, datH834 gij kostelijkH3365 zijt geweest in Mijn ogenH5869, zijt gij verheerlijktH3513 geweest, en IkH589 heb u liefgehadH157; daarom heb Ik mensenH120 in uw plaatsH8478 gegevenH5414, en volkenH3816 in plaatsH8478 van uw zielH5315.
Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik mensen in uw plaats gegeven, en volken in plaats van uw ziel.
KJV
Since thou wast precious2
in my sight,3
thou hast been honourable,4
and I have loved6
thee: therefore will I give7
men8
for thee, and people10
for thy life.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
VreesH3372 nietH408, wantH3588 Ik ben metH854 u; Ik zal uw zaadH2233 van den opgangH4217 brengenH935, en Ik zal u verzamelenH6908 van den ondergangH4628.
Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van den opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van den ondergang.
KJV
Fear2
not: for I am with thee: I will bring7
thy seed8
from the east,6
and gather10
thee from the west;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Ik zal zeggenH559 tot het noordenH6828: GeefH5414; en tot het zuidenH8486: Houd nietH408 terug; brengH935 Mijn zonenH1121 van verreH7350, en Mijn dochtersH1323 van het eindeH7097 der aardeH776;
Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde;
Ook in dit vers
Houd terugH3607
KJV
I will say1
to the north,2
Give up;3
and to the south,4
Keep not back:6
bring7
my sons8
from far,9
and my daughters10
from the ends11
of the earth;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Een iederH3605, die naar Mijn NaamH8034 genoemdH7121 is, en dien Ik geschapenH1254 heb tot Mijn eerH3519, dien Ik geformeerdH3335 heb, dien Ik ook gemaaktH6213 heb.
Een ieder, die naar Mijn Naam genoemd is, en dien Ik geschapen heb tot Mijn eer, dien Ik geformeerd heb, dien Ik ook gemaakt heb.
KJV
Even every one1
that is called2
by my name:3
for I have created5
him for my glory,4
I have formed6
him; yea, I have made
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Breng voortH3318 het blindeH5787 volkH5971, hetwelk ogenH5869 heeft, en de dovenH2795, die orenH241 hebben.
Breng voort het blinde volk, hetwelk ogen heeft, en de doven, die oren hebben.
KJV
Bring forth1
the blind3
people2
that have5
eyes,4
and the deaf6
that have ears.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Laat alH3605 de heidenenH1471 samenH3162 vergaderdH6908 worden, en laat de volkenH3816 verzameldH622 worden; wieH4310 onder hen zal ditH2063 verkondigenH5046? Of laat hen ons doen horenH8085 de vorigeH7223 dingen, laat hen hun getuigenH5707 voortbrengenH5414, opdat zij gerechtvaardigdH6663 worden, en men het horeH8085 en zeggeH559: Het is de waarheidH571.
Laat al de heidenen samen vergaderd worden, en laat de volken verzameld worden; wie onder hen zal dit verkondigen? Of laat hen ons doen horen de vorige dingen, laat hen hun getuigen voortbrengen, opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hore en zegge: Het is de waarheid.
KJV
Let all the nations2
be gathered3
together,4
and let the people6
be assembled:5
who among them can declare9
this, and shew12
us former things?11
let them bring forth13
their witnesses,14
that they may be justified:15
or let them hear,16
and say,17
It is truth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
GijliedenH859 zijt Mijn getuigenH5707, spreektH5002 de HEEREH3068, en Mijn knechtH5650, dien Ik uitverkorenH977 heb; opdatH4616 gij het weetH3045, en Mij gelooftH539, en verstaatH995, dat Ik DezelveH1931 ben, dat voorH6440 Mij geenH3808 GodH410 geformeerdH3335 is, en naH310 Mij geenH3808 zijn zal.
Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben, dat voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal.
KJV
Ye are my witnesses,2
saith3
the LORD,4
and my servant5
whom I have chosen:7
that ye may know9
and believe10
me, and understand12
that I am he: before16
me there was no God19
formed,18
neither shall there be after
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Ik, Ik ben de HEEREH3068, en er is geenH369 HeilandH3467 behalve Mij.
Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij.
KJV
I, even I, am the LORD;3
and beside5
me there is no saviour.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Ik heb verkondigdH5046, en Ik heb verlostH3467, en Ik heb het doen horenH8085, en geenH369 vreemdH2114 godH410 was onder ulieden; en gijH859 zijt Mijn getuigenH5707, spreektH5002 de HEEREH3068, dat Ik God ben.
Ik heb verkondigd, en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen, en geen vreemd god was onder ulieden; en gij zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, dat Ik God ben.
KJV
I have declared,2
and have saved,3
and I have shewed,4
when there was no strange7
god among you: therefore ye are my witnesses,9
saith10
the LORD,11
that I am God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
OokH1571 eer de dagH3117 was, ben IkH589, en er is niemandH369, dieH1931 uit Mijn handH3027 redden kanH5337; Ik zal werkenH6466, en wieH4310 zal het kerenH7725?
Ook eer de dag was, ben Ik, en er is niemand, die uit Mijn hand redden kan; Ik zal werken, en wie zal het keren?
KJV
Yea, before the day2
was I am he; and there is none that can deliver7
out of my hand:6
I will work,8
and who shall let
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
AlzoH3541 zegtH559 de HEEREH3068, uw VerlosserH1350, de HeiligeH6918 IsraelsH3478: OmH4616 ulieder wil heb Ik naar BabelH894 gezondenH7971, en heb hen allenH3605 vluchtigH1281 doen nederdalenH3381, te weten de ChaldeenH3778, in de schepenH591, op welke zij juichtenH7440.
Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israels: Om ulieder wil heb Ik naar Babel gezonden, en heb hen allen vluchtig doen nederdalen, te weten de Chaldeen, in de schepen, op welke zij juichten.
KJV
Thus saith2
the LORD,3
your redeemer,4
the Holy One5
of Israel;6
For your sake I have sent8
to Babylon,9
and have brought down10
all their nobles,11
and the Chaldeans,13
whose cry15
is in the ships.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
IkH589 ben de HEEREH3068, uw HeiligeH6918; de SchepperH1254 van IsraelH3478, ulieder KoningH4428.
Ik ben de HEERE, uw Heilige; de Schepper van Israel, ulieder Koning.
KJV
I am the LORD,2
your Holy One,3
the creator4
of Israel,5
your King.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
AlzoH3541 zegtH559 de HEEREH3068, Die in de zeeH3220 een wegH1870, en in de sterkeH5794 waterenH4325 een padH5410 maakte;
Alzo zegt de HEERE, Die in de zee een weg, en in de sterke wateren een pad maakte;
KJV
Thus saith2
the LORD,3
which maketh4
a way6
in the sea,5
and a path9
in the mighty8
waters;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Die wagenenH7393 en paardenH5483, heirH2428 en machtH5808 voortbrachtH3318; te zamenH3162 zijn zij nedergelegenH7901, zij zullen niet weder opstaanH6965, zij zijn uitgeblustH1846, gelijk een vlaswiekH6594 zijn zij uitgegaanH3518.
Die wagenen en paarden, heir en macht voortbracht; te zamen zijn zij nedergelegen, zij zullen niet weder opstaan, zij zijn uitgeblust, gelijk een vlaswiek zijn zij uitgegaan.
KJV
Which bringeth forth1
the chariot2
and horse,3
the army4
and the power;5
they shall lie down7
together,6
they shall not rise:9
they are extinct,10
they are quenched12
as tow.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
GedenktH2142 der vorigeH7223 dingen niet, en overlegtH995 de oudeH6931 dingen niet.
Gedenkt der vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet.
KJV
Remember2
ye not the former things,3
neither consider6
the things of old.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
ZietH2005, Ik zal wat nieuwsH2319 makenH6213, nuH6258 zal het uitspruitenH6779, zult gijlieden dat nietH3808 wetenH3045? Ja, Ik zal in de woestijnH4057 een wegH1870 leggenH7760, en rivierenH5104 in de wildernisH3452.
Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult gijlieden dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis.
KJV
Behold, I will do2
a new thing;3
now it shall spring forth;5
shall ye not know7
it? I will even make9
a way11
in the wilderness,10
and rivers13
in the desert.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Het gedierteH2416 des veldsH7704 zal Mij erenH3513, de drakenH8577 en de jongeH1323 struisenH3284; wantH3588 Ik zal in de woestijnH4057 waterenH4325 gevenH5414, en rivierenH5104 in de wildernisH3452, om Mijn volkH5971, Mijn uitverkorenenH972 drinkenH8248 te geven.
Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.
KJV
The beast2
of the field3
shall honour1
me, the dragons4
and the owls:5
because I give8
waters10
in the wilderness,9
and rivers11
in the desert,12
to give drink13
to my people,14
my chosen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Dit volkH5971 heb Ik Mij geformeerdH3335, zij zullen Mijn lofH8416 vertellenH5608.
Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.
KJV
This2
people1
have I formed3
for myself; they shall shew forth6
my praise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Doch gij hebt Mij nietH3808 aangeroepenH7121, o JakobH3290! alsH3588 gij u tegen Mij vermoeidH3021 hebt, o IsraelH3478!
Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob! als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israel!
KJV
But thou hast not called3
upon me, O Jacob;4
but thou hast been weary6
of me, O Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Mij hebt gij nietH3808 gebrachtH935 het kleine veeH7716 uwer brandofferenH5930, en met uw slachtofferenH2077 hebt gij Mij nietH3808 geeerdH3513; Ik heb u Mij nietH3808 doen dienenH5647 met spijsofferH4503, en Ik heb u nietH3808 vermoeidH3021 met wierookH3828.
Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen, en met uw slachtofferen hebt gij Mij niet geeerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook.
KJV
Thou hast not brought2
me the small cattle4
of thy burnt offerings;5
neither hast thou honoured8
me with thy sacrifices.6
I have not caused thee to serve10
with an offering,11
nor wearied13
thee with incense.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Mij hebt gij geen kalmusH7070 voor geldH3701 gekochtH7069, en met het vetteH2459 uwer slachtoffersH2077 hebt gij Mij nietH3808 gedrenktH7301; maar gij hebt Mij arbeidH5647 gemaakt, met uw zondenH2403, gij hebt Mij vermoeidH3021 met uw ongerechtighedenH5771.
Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht, en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt, met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
KJV
Thou hast bought2
me no sweet cane5
with money,4
neither hast thou filled9
me with the fat6
of thy sacrifices:7
but thou hast made me to serve11
with thy sins,12
thou hast wearied13
me with thine iniquities.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Ik, Ik ben het, Die uw overtredingenH6588 uitdelgH4229, omH4616 Mijnentwil, en Ik gedenkH2142 uwer zondenH2403 nietH3808.
Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.
KJV
I, even I, am he that blotteth out4
thy transgressions5
for mine own sake, and will not remember9
thy sins.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Maakt Mij indachtig, laat ons te zamenH3162 richtenH8199, verteltH5608 gij uw redenen, opdatH4616 gij moogt gerechtvaardigdH6663 worden.
Maakt Mij indachtig, laat ons te zamen richten, vertelt gij uw redenen, opdat gij moogt gerechtvaardigd worden.
Ook in dit vers
Maakt indachtigH2142
KJV
Put me in remembrance:1
let us plead2
together:3
declare4
thou, that thou mayest be justified.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Uw eersteH7223 vaderH1 heeft gezondigdH2398, en uw uitleggersH3887 hebben tegen Mij overtredenH6586.
Uw eerste vader heeft gezondigd, en uw uitleggers hebben tegen Mij overtreden.
KJV
Thy first2
father1
hath sinned,3
and thy teachers4
have transgressed
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Daarom zal Ik de overstenH8269 des heiligdomsH6944 ontheiligenH2490, en JakobH3290 ten banH2764 overgevenH5414, en IsraelH3478 tot beschimpingenH1421.
Daarom zal Ik de oversten des heiligdoms ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven, en Israel tot beschimpingen.
KJV
Therefore I have profaned1
the princes2
of the sanctuary,3
and have given4
Jacob6
to the curse,5
and Israel7
to reproaches.
uw Schepper,
Dat is, die u geschapen, tot zijn volk gemaakt en wedergeboren heeft door zijn Heiligen Geest, u roepende tot zijne kennis, naar zijn welgevallen, opdat gij Hem zoudt zijn een uitverkoren volk, geëigend tot zijne eer; zie Ef. 2:10 .
Hertaald:
uw Schepper,
Dat is: Die u geschapen, tot Zijn volk gemaakt en door Zijn Heilige Geest wedergeboren heeft, terwijl Hij u naar Zijn welbehagen tot de kennis van Hem geroepen heeft, opdat u voor Hem een uitverkoren volk zou zijn, Hem toegewijd tot Zijn eer; zie Ef. 2:10.
o Jakob
O gij mijn uitverkoren volk van Israël.
Hertaald:
o Jakob
O u, Mijn uitverkoren volk van Israël.
Israël
O gij mijn uitverkoren volk van Israël.
Hertaald:
Israël
O u, Mijn uitverkoren volk van Israël.
vrees niet,
Ofschoon gij een tijdlang in de Babylonische gevangenschap en in het land uwer vijanden zult moeten zijn.
Hertaald:
vrees niet,
Ook al zult u een tijdlang in de Babylonische gevangenschap en in het land van uw vijanden moeten zijn.
Ik heb u verlost;
Te weten uit het geweld des duivels, namelijk door Christus; en Ik zal u verlossen uit de Babylonische gevangenschap.
Hertaald:
Ik heb u verlost;
Namelijk: uit de macht van de duivel, en wel door Christus; en Ik zal u verlossen uit de Babylonische gevangenschap.
Wanneer gij
Dat is, als gij in nood en gevaar zijt, zo zal Ik u verlossen, en Ik zal altijd uw beschutter en beschermer zijn; zie de aantekening 2 Sam. 22:17 .
Hertaald:
Wanneer gij
Dat is: wanneer u in nood en gevaar bent, zal Ik u verlossen, en Ik zal altijd uw beschutter en beschermer zijn; zie de aantekening bij 2 Sam. 22:17.
door het vuur
Te weten het vuur der tegenheden en der plagen; gelijk Job 15:30 .
Hertaald:
door het vuur
Namelijk: het vuur van de tegenspoed en de plagen, zoals in Job 15:30.
de Heilige Israëls,
Dat is, die heilige God, dien de Israëlieten, als hun God, heiliglijk behoorden te eren en te dienen.
Hertaald:
de Heilige Israëls,
Dat is: die heilige God, Die de Isra«lieten als hun God op heilige wijze behoorden te eren en te dienen.
Egypte,
De zin is: Ik heb u verschoond, en Ik heb de Moren gelijk de Egyptenaars [als tot uw losgeld] overgegeven en laten onderdrukken; zie boven Jes. 20:4-5 .
Hertaald:
Egypte,
De betekenis is: Ik heb u gespaard en Ik heb de Moren evenals de Egyptenaren, als het ware tot uw losgeld, overgegeven en laten onderdrukken; zie hierboven Jes. 20:4-5.
Seba
Dat is, de Sabeërs, die van Seba afkomstig zijn; zie Gen. 10:7 .
Hertaald:
Seba
Dat is: de Sabeeërs, die van Seba afstammen; zie Gen. 10:7.
tot uw losgeld
Of, tot uw rantsoen; zie Spr. 21:18 .
Hertaald:
tot uw losgeld
Of: tot uw rantsoen; zie Spr. 21:18.
in uw plaats
Of, voor u; zie Spr. 11:8 , en de aantekening aldaar.
Hertaald:
in uw plaats
Of: voor u; zie Spr. 11:8 en de aantekening daarbij.
Van toen af,
Te weten van dien tijd af, toen Ik u uit Egypte gevoerd heb.
Hertaald:
Van toen af,
Namelijk: vanaf de tijd dat Ik u uit Egypte geleid heb.
dat gij kostelijk
Dat is, dat gij mijn lief eigendom geworden zijt. Zie Ex. 19:5 .
Hertaald:
dat gij kostelijk
Dat is: dat u Mijn dierbaar eigendom geworden bent. Zie Ex. 19:5.
Ik heb u liefgehad;
Ik heb u mijne liefde bewezen door vele en menigerlei weldaden.
Hertaald:
Ik heb u liefgehad;
Ik heb u Mijn liefde bewezen door vele en velerlei weldaden.
mensen
Te weten de Egyptenaars, Moren en Sabeërs, vs.3.
Hertaald:
mensen
Namelijk: de Egyptenaren, Moren en Sabeeërs, vers 3.
in plaats
Dat is, voor uw leven.
Hertaald:
in plaats
Dat is: voor uw leven.
uw zaad
Dat is, uwe nakomelingen, te weten in het geloof, die Ik tot de gemeenschap mijner kerk roepen zal.
Hertaald:
uw zaad
Dat is: uw nakomelingen, namelijk in het geloof, die Ik tot de gemeenschap van Mijn kerk zal roepen.
van den opgang . . . van den ondergang
Dat is, Ik zal mij ene gemeente verzamelen uit alle gewesten des aardbodems.
Hertaald:
van den opgang . . . van den ondergang
Dat is: Ik zal Mij een gemeente verzamelen uit alle streken van de aardbodem.
brengen,
Niet alleen naar het vlees uit de Babylonische gevangenschap, maar ook naar den geest en uit de helse gevangenschap.
Hertaald:
brengen,
Niet alleen naar het vlees uit de Babylonische gevangenschap, maar ook naar de geest, uit de gevangenschap van de hel.
Mijn zonen
Dat is, de gelovigen.
Hertaald:
Mijn zonen
Dat is: de gelovigen.
Een ieder,
Dat is, alle kinderen Gods, want de kinderen dragen den naam huns vaders.
Hertaald:
Een ieder,
Dat is: alle kinderen van God, want de kinderen dragen de naam van hun vader.
dien Ik
Gelijk boven vs.1.
Hertaald:
dien Ik
Zoals hierboven in vers 1.
gemaakt heb
Of dien Ik heerlijk en voortreffelijk gemaakt heb; zie de aantekening Ps. 100:3 .
Hertaald:
gemaakt heb
Of: die Ik heerlijk en voortreffelijk gemaakt heb; zie de aantekening bij Ps. 100:3.
het blinde volk,
Dat is, het volk, dat van nature blind is en niet ziet in goddelijke zaken.
Hertaald:
het blinde volk,
Dat is: het volk dat van nature blind is en in goddelijke zaken niets ziet.
ogen heeft,
Te weten vleselijke of lichamelijke, maar geen geestelijke ogen, die door den Heiligen Geest verlicht zijn.
Hertaald:
ogen heeft,
Namelijk: vleselijke of lichamelijke ogen, maar geen geestelijke ogen die door de Heilige Geest verlicht zijn.
de doven,
Te weten die van nature het woord en den wil Gods niet horen of verstaan.
Hertaald:
de doven,
Namelijk: zij die van nature het Woord en de wil van God niet horen of verstaan.
oren hebben
Te weten lichamelijke oren, maar geen geestelijke oren.
Hertaald:
oren hebben
Namelijk: lichamelijke oren, maar geen geestelijke oren.
Laat al de heidenen
Dit zijn de woorden des Heeren.
Hertaald:
Laat al de heidenen
Dit zijn de woorden van de HEERE.
wie onder hen
Wat god is er onder hen en onder al degenen, die de afgoden aanhangen, die enz.?
Hertaald:
wie onder hen
Welke god is er onder hen en onder allen die de afgoden aanhangen, die, enzovoort?
zal dit verkondigen?
Te weten hetgeen Ik ulieden voorzeg van de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, en voorts van de geestelijke verlossing door Christus.
Hertaald:
zal dit verkondigen?
Namelijk: wat Ik u voorzeg over de verlossing uit de Babylonische gevangenschap en verder over de geestelijke verlossing door Christus.
laat hen ons
Te weten de afgoden der heidenen.
Hertaald:
laat hen ons
Namelijk: de afgoden van de heidenen.
de vorige dingen,
Dat is, wat er voorbijgegaan is. Veel minder kunnen zij voorzeggen wat er nog geschieden zal. Zie boven Jes. 41:22 . De Heere bewijst met deze woorden dat Hij alleen de ware God is.
Hertaald:
de vorige dingen,
Dat is: wat voorbij is. Nog veel minder kunnen zij voorzeggen wat er nog gebeuren zal. Zie hierboven Jes. 41:22. Met deze woorden bewijst de HEERE dat Hij alleen de ware God is.
laat hen hun getuigen
Te weten om aan te wijzen en te betuigen, dat zij toekomende dingen voorzegd hebben.
Hertaald:
laat hen hun getuigen
Namelijk: om aan te wijzen en te betuigen dat zij toekomende dingen voorzegd hebben.
opdat zij
Dat is, opdat het blijke dat zij met der waarheid zich voor goden uitgeven.
Hertaald:
opdat zij
Dat is: opdat blijkt dat zij zich naar waarheid voor goden uitgeven.
Het is de waarheid
Te weten dat zij goden zijn.
Hertaald:
Het is de waarheid
Namelijk: dat zij goden zijn.
Mijn getuigen,
Om te betuigen dat Ik een waarachtig God ben, overmits Ik zulke dingen gedaan en voorzegd heb, die gene afgoden kunnen doen of voorzeggen.
Hertaald:
Mijn getuigen,
Om te betuigen dat Ik een waarachtig God ben, omdat Ik zulke dingen gedaan en voorzegd heb als geen enkele afgod kan doen of voorzeggen.
Mijn knecht,
Te weten de profeet Jesaja en andere profeten, die zulks uit mijnen mond tevoren hebben verkondigd. Eenigen verstaan hier door dezen knecht Jezus Christus, gelijk boven Jes. 42:1 .
Hertaald:
Mijn knecht,
Namelijk: de profeet Jesaja en andere profeten, die dat uit Mijn mond tevoren verkondigd hebben. Sommigen verstaan onder deze knecht Jezus Christus, zoals hierboven in Jes. 42:1.
dat voor Mij
De zin is: Ik alleen ben de enige en eeuwige ware God.
Hertaald:
dat voor Mij
De betekenis is: Ik alleen ben de enige en eeuwige ware God.
geformeerd is,
Versta hierbij, gelijk de afgoden, die van mensenhanden geformeerd zijn, niet van of uit zichzelven bestaande, gelijk Ik de ware God van eeuwigheid besta.
Hertaald:
geformeerd is,
Vul hierbij aan: zoals de afgoden, die door mensenhanden gevormd zijn en niet uit zichzelf bestaan, terwijl Ik, de ware God, van eeuwigheid besta.
Ik ben de HEERE,
Te weten de ware en van zichzelven eeuwig bestaande God. Zie boven, Jes. 41:4 ; Gen. 2:4 .
Hertaald:
Ik ben de HEERE,
Namelijk: de ware God, Die uit Zichzelf eeuwig bestaat. Zie hierboven Jes. 41:4 en Gen. 2:4.
Ik heb verkondigd,
Te weten mijn volk, dat Ik het zou helpen.
Hertaald:
Ik heb verkondigd,
Namelijk: aan Mijn volk, dat Ik het zou helpen.
geen vreemd
Te weten heeft het verkondigd, noch gedaan, dat Ik ulieden heb verkondigd en dat Ik onder ulieden gedaan heb.
Hertaald:
geen vreemd
Namelijk: heeft het verkondigd of gedaan wat Ik u verkondigd heb en wat Ik onder u gedaan heb.
eer de dag was,
Dat is, vóór dien tijd, eer de eerste dag geworden is, dat is, vóór het begin der wereld aan.
Hertaald:
eer de dag was,
Dat is: vóór die tijd, voordat de eerste dag geworden is, dat is: vóór het begin van de wereld.
keren?
Of, afwenden; dat is, wie zal mij verhinderen te doen hetgeen Ik te doen eens besloten en mij voorgenomen heb; Job 9:12 , en Jes. 14:27 .
Hertaald:
keren?
Of: afwenden — dat is: wie zal Mij verhinderen te doen wat Ik eenmaal besloten en Mij voorgenomen heb; Job 9:12 en Jes. 14:27.
heb Ik
Dat is, Ik zal zekerlijk zenden. De profeten spreken dikwijls van hetgeen nog geschieden zal alsof het alreeds geschied ware.
Hertaald:
heb Ik
Dat is: Ik zal zeker zenden. De profeten spreken vaak over wat nog moet gebeuren alsof het al gebeurd was.
naar Babel
Te weten Cyrus, met de Perzen en Meden. Dezen heeft God daarom naar Babel gezonden, en heeft die stad laten verdelgen, opdat de Joden uit de Babylonische gevangenschap zouden verlost worden.
Hertaald:
naar Babel
Namelijk: Cyrus, met de Perzen en Meden. God heeft hen naar Babel gezonden en die stad laten verdelgen, opdat de Joden uit de Babylonische gevangenschap verlost zouden worden.
allen vluchtig
Anders: grendelen; dat is, de macht der Chaldeën, die de Joden als met deuren en grendels besloten en vasthielden.
Hertaald:
allen vluchtig
Anders: grendels — dat is: de macht van de Chaldeeën, die de Joden als met deuren en grendels opgesloten hielden.
in de schepen,
Hebreeuws, in de schepen van hun gejuich, of geschrei. Aldus noemt hij die grote en voortreffelijke schepen der Chaldeën, met welke zij den Eufraat, Tiger en andere rivieren bezeilden en bedwongen; doch daarna in en met dezelve moesten vluchten voor de Perzen en Meden, zonder twijfel met geschrei of geween.
Hertaald:
in de schepen,
Hebreeuws: in de schepen van hun gejuich of geschreeuw. Zo noemt hij die grote en voortreffelijke schepen van de Chaldeeën, waarmee zij de Eufraat, de Tigris en andere rivieren bevoeren en beheersten; maar daarna moesten zij in diezelfde schepen voor de Perzen en Meden vluchten, ongetwijfeld met geschreeuw en geween.
de Schepper
Gelijk vs.1.
Hertaald:
de Schepper
Zoals in vers 1.
zee
Zie Exo 14 .
Hertaald:
zee
Zie Ex. 14.
de sterke
Versta, de Rode zee en de Jordaan. Zie Exo 14 ; Jos 3 .
Hertaald:
de sterke
Versta: de Rode Zee en de Jordaan. Zie Ex. 14 en Joz. 3.
maakte;
Hebreeuws, gaf.
Hertaald:
maakte;
Hebreeuws: gaf.
Die wagenen
Dit schijnt te zien op den optocht van Farao tegen Israël naar het Rode meer. Anders: die, enz. voortbrengt. Duidende dit op God, door wiens macht allen, die zich stellen tegen de verlossing, welke het Hem believen zal zijn volk te bewijzen, zullen tezamen te schande en ten verderve gebracht worden.
Hertaald:
Die wagenen
Dit lijkt te zien op de optocht van Farao tegen Israël naar de Rode Zee. Anders: Die, enzovoort, voortbrengt. Dan wordt dit op God betrokken, door Wiens macht allen die zich verzetten tegen de verlossing die het Hem behaagt Zijn volk te bewijzen, samen te schande en in het verderf gebracht zullen worden.
voortbracht;
Die door zijn goddelijke voorzienigheid Farao en de Egyptenaars daartoe gebracht heeft, dat zij met hunne wagens en paarden tot in de Rode zee de Israëlieten zijn nagevolgd, alwaar zij tezamen zijn verdronken en omgekomen. Zie Ex. 14:3-4 , enz.
Hertaald:
voortbracht;
Die door Zijn goddelijke voorzienigheid Farao en de Egyptenaren zover gebracht heeft dat zij met hun wagens en paarden de Isra«lieten tot in de Rode Zee achtervolgden, waar zij allen verdronken en omkwamen. Zie Ex. 14:3-4, enzovoort.
zij nedergelegen,
Te weten de Egyptenaars. Anders: zij zullen nederliggen; te weten de Chaldeën en Babyloniërs.
Hertaald:
zij nedergelegen,
Namelijk: de Egyptenaren. Anders: zij zullen neerliggen, namelijk de Chaldeeën en Babyloniërs.
niet weder
Te weten hier in dit tijdelijke leven.
Hertaald:
niet weder
Namelijk: hier in dit tijdelijke leven.
een vlaswiek
Vergelijk boven Jes. 42:3 .
Hertaald:
een vlaswiek
Vergelijk hierboven Jes. 42:3.
Gedenkt
Hij wil zeggen dat de verlossing door Christus, die door de verlossing uit de Babylonische gevangenschap werd afgebeeld, zo heerlijk en voortreffelijk zal zijn, dat de verlossing der Israëlieten uit Egypte, die eertijds geschied is, bij dezelve niet zou te vergelijken zijn. Zie Jer. 16:14 , enz., en Jer. 23:7 .
Hertaald:
Gedenkt
Hij wil zeggen dat de verlossing door Christus, die door de verlossing uit de Babylonische gevangenschap afgebeeld werd, zo heerlijk en voortreffelijk zal zijn dat de verlossing van de Isra«lieten uit Egypte, die vroeger gebeurd is, daarmee niet te vergelijken is. Zie Jer. 16:14, enzovoort, en Jer. 23:7.
wat nieuws maken,
Dat is, wat voortreffelijks, iets dat tevoren nimmer is gehoord of gezien geweest.
Hertaald:
wat nieuws maken,
Dat is: iets voortreffelijks, iets wat tevoren nooit gehoord of gezien is.
nu zal het
Dat is, in korteren tijd.
Hertaald:
nu zal het
Dat is: in kortere tijd.
uitspruiten,
Dat is, in het werk gesteld worden; ene manier van spreken, genomen van de kruiden en bloemen, die uit de aarde spruiten.
Hertaald:
uitspruiten,
Dat is: uitgevoerd worden; een manier van spreken die ontleend is aan de kruiden en bloemen die uit de aarde opkomen.
zult gijlieden
Dat is, zekerlijk, gijlieden zult dit weten.
Hertaald:
zult gijlieden
Dat is: zeker, u zult dit weten.
Ik zal in de woestijn
De zin is: Ik zal mijne kerk wonderbaar verlossen en bewaren, gelijk Ik eertijds mijn volk wonderbaar door de woestijn heb gevoerd en uit een steenrots water heb gegeven; Ex. 17:6 .
Hertaald:
Ik zal in de woestijn
De betekenis is: Ik zal Mijn kerk op wonderlijke wijze verlossen en bewaren, zoals Ik vroeger Mijn volk op wonderlijke wijze door de woestijn geleid en uit een rots water gegeven heb; Ex. 17:6.
Het gedierte
Hij wil zeggen: Alle creaturen, zelfs de onvernuftige dieren, zullen mij, elk op zijne wijze, deshalve roemen en prijzen. Het is een oneigen en verbloemde manier van spreken, daartoe dienende om aan te wijzen de overgrote genade, die God zijnen uitverkorenen in Christus bewijzen zou.
Hertaald:
Het gedierte
Hij wil zeggen: alle schepselen, zelfs de redeloze dieren, zullen Mij daarom op hun eigen wijze roemen en prijzen. Het is een oneigenlijke en beeldende manier van spreken, die ertoe dient de zeer grote genade aan te wijzen die God Zijn uitverkorenen in Christus zou bewijzen.
de jonge struisen;
Gelijk Jes. 13:21 .
Hertaald:
de jonge struisen;
Zoals in Jes. 13:21.
gij hebt Mij
De Heere wil zeggen dat zij het met hunne vroomheid niet verdiend hadden dat Hij hen verlossen zou, want dat zij hem naar behoren niet gediend hadden. Alsof Hij zeide: Het heeft tot mijne eer en tot mijn dienst niet gestrekt, dat gij zoveel moeite gedaan hebt, met zoveel offeranden te slachten, onderhoudende zeer nauw de ceremoniën der wet; zoveel het uiterlijke aangaat hebt gij dit gedaan om de sleur te houden, zonder geloof, en dienvolgens tegen mij, dat is, met overtredingen tegen mij en tot mijn verdriet; zie vs.24. Anders: om mijnentwil; zie 1 Sam. 15:22 ; Jes. 1:11 .
Hertaald:
gij hebt Mij
De HEERE wil zeggen dat zij het met hun vroomheid niet verdiend hadden dat Hij hen zou verlossen, omdat zij Hem niet naar behoren gediend hadden. Alsof Hij zei: het heeft niet tot Mijn eer en tot Mijn dienst gestrekt dat u zoveel moeite gedaan hebt met het slachten van zoveel offers en met het zeer nauwgezet onderhouden van de ceremoniën van de wet. Wat het uiterlijke betreft hebt u dat gedaan om de sleur vol te houden, zonder geloof en dus tegen Mij in, dat is: met overtredingen tegen Mij en tot Mijn verdriet; zie vers 24. Anders: om Mijnentwil; zie 1 Sam. 15:22 en Jes. 1:11.
als gij u
Of, maar gij zijt mijner moeder geweest.
Hertaald:
als gij u
Of: maar u bent Mij moe geweest.
Mij hebt gij
Te weten als gij vele offeranden hebt geslacht, en alzo scheent mij te dienen, aangezien het zonder geloof en boetvaardigheid des harten geschied is.
Hertaald:
Mij hebt gij
Namelijk: toen u veel offers slachtte en zo scheen Mij te dienen, terwijl het toch zonder geloof en zonder berouw van het hart gebeurde.
het kleine vee
Te weten schapen en geiten.
Hertaald:
het kleine vee
Namelijk: schapen en geiten.
spijsoffer,
Hebreeuws, mincha; zie Lev 2 .
Hertaald:
spijsoffer,
Hebreeuws: mincha; zie Lev. 2.
met wierook
Dat is, met veel offerens van u te eisen, zie Jes. 1:11 ; bij de offeranden placht men wierook te gebruiken; zie Lev 2 .
Hertaald:
met wierook
Dat is: door veel offers van u te eisen, zie Jes. 1:11. Bij de offers placht men wierook te gebruiken; zie Lev. 2.
kalmus
Dit gebruikte men in het reukwerk; zie Jer. 6:20 .
Hertaald:
kalmus
Dit gebruikte men in het reukwerk; zie Jer. 6:20.
gedrenkt;
Of, bevochtigd, dronken gemaakt; dat is, met vreugde en genoegen verheugd en vervuld; gelijk Spr. 5:19 ; Jer. 31:14 .
Hertaald:
gedrenkt;
Of: bevochtigd, dronken gemaakt — dat is: met vreugde en genoegen verheugd en vervuld, zoals in Spr. 5:19 en Jer. 31:14.
arbeid
Of, moeite gemaakt. Hebreeuws, doen dienen; dat is, gij zijt mij lastig geweest. Zie Jes. 1:14 .
Hertaald:
arbeid
Of: moeite gemaakt. Hebreeuws: doen dienen — dat is: u bent Mij tot last geweest. Zie Jes. 1:14.
met uw zonden,
Dat is, met uwe huichelarij, met onderdrukkingen van uwen naaste, enz., vergelijk Jes. 1:15 , enz.
Hertaald:
met uw zonden,
Dat is: met uw huichelarij, met de onderdrukking van uw naaste, enzovoort; vergelijk Jes. 1:15, enzovoort.
uw overtredingen
Vergelijk Ps. 51:3 .
Hertaald:
uw overtredingen
Vergelijk Ps. 51:3.
om Mijnentwil,
Niet om uwer verdiensten wil, maar om mijner eer wil, opdat Ik worde bekend te zijn een barmhartig en getrouw God.
Hertaald:
om Mijnentwil,
Niet vanwege uw verdiensten, maar om Mijn eer, opdat Ik gekend word als een barmhartig en getrouw God.
Maakt Mij
Of, doe mij gedenken; te weten indien gij meent dat het zo niet is, maar meen dat gij het met mij wel gemaakt hebt; is dit uwe mening, zo breng mij in den zin uwe goede werken, die gij meent dat Ik vergeten heb. Maar men zal bevinden dat gij arme zondaars zijt, gelijk uwe voorvaders van den beginne geweest zijn.
Hertaald:
Maakt Mij
Of: doe Mij gedenken, namelijk wanneer u meent dat het niet zo is maar dat u het met Mij goed gemaakt hebt. Is dat uw mening, breng Mij dan uw goede werken in herinnering, waarvan u meent dat Ik ze vergeten ben. Maar men zal ondervinden dat u arme zondaars bent, zoals uw voorvaders vanaf het begin geweest zijn.
gerechtvaardigd
Te weten indien gij de rechtzaak tegen mij wint.
Hertaald:
gerechtvaardigd
Namelijk: wanneer u de rechtszaak tegen Mij wint.
Uw eerste vader
Te weten Adam, van wien ulieden de zonde is aangeërfd.
Hertaald:
Uw eerste vader
Namelijk: Adam, van wie u de zonde geërfd hebt.
uw uitleggers
Versta, de priester, die verordineerd waren om offeranden te doen, voor het volk te bidden en het volk uit de wet te onderwijzen. Anders: uwe middelaars; dat is, degenen, die als tussensprekers tussen mij en ulieden zich stellen, om mij met ulieden te verzoenen, gelijk eertijds zijn geweest Mozes en Aäron, de hogepriesters, en andere priesters en Levieten.
Hertaald:
uw uitleggers
Versta: de priesters, die aangesteld waren om offers te brengen, voor het volk te bidden en het volk uit de wet te onderwijzen. Anders: uw middelaars — dat is: zij die zich als tussenpersonen tussen Mij en u stellen om Mij met u te verzoenen, zoals vroeger Mozes en Aäron, de hogepriesters en andere priesters en Levieten geweest zijn.
zal Ik
Of, mocht Ik wel; te weten als Ik met ulieden en met hen zou handelen naar verdiensten, en niet naar mijne goedertierenheid.
Hertaald:
zal Ik
Of: zou Ik met recht mogen, namelijk wanneer Ik met u en met hen naar verdienste zou handelen en niet naar Mijn goedertierenheid.
de oversten
Dat is, de priesters. Zie Jer. 35:4 .
Hertaald:
de oversten
Dat is: de priesters. Zie Jer. 35:4.
Jakob . . . Israël
Dat is, de Joden, of het volk van Israël.
Hertaald:
Jakob . . . Israël
Dat is: de Joden, of het volk van Israël. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israel! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn" (Jes. 43:1). Dan volgt de belofte in beelden die het volk kende uit zijn eigen geschiedenis: "Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden" (Jes. 43:2). Er staat bij waarom: "Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israels, uw Heiland" (Jes. 43:3). En dan wordt gezegd hoe hoog Hij dit volk aanslaat: "Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad" (Jes. 43:4). Het gedeelte eindigt bij het vergaderen uit alle windstreken (Jes. 43:5-6). Bijbelse betekenis: Merk op wat er niet beloofd wordt. Er staat niet dat er geen water en geen vuur zullen zijn, maar dat men er doorheen gaat en dat Hij erbij is. Dat is een andere troost dan de belofte van een gespaarde weg, en het is de troost die past bij mensen die al in ballingschap zitten. Let vervolgens op de woorden bij uw naam geroepen. Even eerder werden de sterren bij name geroepen (reeds behandeld bij Jes. 40:26); dezelfde uitdrukking geldt hier van een volk dat zich juist naamloos voelde. Let ten slotte op het slot van Jes. 43:1: "gij zijt Mijn". Daar rust de hele belofte op. Niet op wat zij waard zijn, maar op van Wie zij zijn. Typologie: Paulus somt op wat de gelovige niet kan scheiden van de liefde van Christus, en noemt daarbij verdrukking, vervolging en zwaard (Rom. 8:35). De uitkomst is dezelfde als hier: niet dat het ons niet overkomt, maar dat wij er niet uit vallen. Jes. 43:1-7; Jes. 40:26; Rom. 8:35 De rechtszaak van Jes. 41 wordt voortgezet. De volken worden opgeroepen om hun getuigen voor te brengen, zodat men horen kan of het waarheid is (Jes. 43:9). Dan wijst God de Zijne aan: "Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben" (Jes. 43:10). Wat zij te getuigen hebben, staat er kort achteraan: "Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij" (Jes. 43:11). En er staat bij waarop dat berust: "Ik heb verkondigd, en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen" (Jes. 43:12). Het gedeelte sluit met een zin die geen tegenspraak duldt: "Ik zal werken, en wie zal het keren?" (Jes. 43:13). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier als getuigen worden opgeroepen. Het is een blind en doof volk (Jes. 43:8), en het zit gevangen. Toch worden juist zij voorgebracht, want zij hebben iets meegemaakt: God heeft het van tevoren gezegd en daarna gedaan. Een getuige hoeft niet knap te zijn maar erbij geweest te zijn. Let vervolgens op de reden die in Jes. 43:10 genoemd wordt. Zij getuigen opdat zij het zelf zouden weten en geloven; het getuigen werkt dus ook terug op de getuige. Let ten slotte op Jes. 43:11. Heiland betekent hier redder, en het woord staat naast de uitdrukkelijke uitsluiting van elke ander. Dat is de kern van wat zij te zeggen hebben. Typologie: De Heere Jezus gebruikt hetzelfde woord bij Zijn afscheid: "gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde" (Hand. 1:8). Ook daar zijn het geen geleerden maar ooggetuigen, en ook daar reikt het getuigenis tot de verste uithoeken. Jes. 43:8-13; Hand. 1:8 "Gedenkt der vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet" (Jes. 43:18). Dat is opmerkelijk, want vlak daarvoor is juist de doortocht door de zee in herinnering gebracht (Jes. 43:16-17). Wat er dan volgt: "Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult gijlieden dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis" (Jes. 43:19). Daarna komt een verwijt dat de zaak eerlijk maakt: het volk heeft God niet aangeroepen en Hem niet met offers geëerd, maar wel vermoeid met zijn zonden (Jes. 43:22-24). En dan komt, zonder enige voorwaarde, de belofte: "Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet" (Jes. 43:25). Bijbelse betekenis: Merk op waar de vergeving haar grond vindt. Er staat om Mijnentwil, en dat is de enige reden die genoemd wordt. Het vers staat bovendien direct achter de opsomming van wat het volk verkeerd deed, dus er is geen verbetering tussen gekomen. Let vervolgens op de uitdrukking uitdelgen. Het gaat om het uitvegen van een schuldboek, en wat uitgeveegd is kan niet meer voorgelezen worden. Let ten slotte op de spanning met Jes. 43:18. Het oude moet niet vergeten worden in de zin van weggegooid, maar het mag de blik niet vasthouden; wat God gaat doen is nieuw, en de weg loopt ditmaal niet door de zee maar door de woestijn. Typologie: De Hebreeënbrief noemt dit als het kenmerk van het nieuwe verbond (reeds behandeld bij Hebr. 8:12). En Paulus vat de nieuwe zaak samen in één zin: "indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan" (2 Kor. 5:17). Jes. 43:18-25; Hebr. 8:12; 2 Kor. 5:17 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE. Jesaja 43:10 Het is al even geleden dat ik wist wat vrije tijd is. Mijn tijd is van ‘s morgens vroeg… En hun ogen werden geopend, en zij herkenden Hem. (Lukas 24:31) Lees verder Jesaja 43:8—13. Door de val is de geestelijke smaak van de mens bedorven. Voor hem is… Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen, wanneer gij door het vuur zult gaan,… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Houd niet terug. Jesaja 43:6 Houd niet terug." Hoewel deze boodschap naar het Zuiden gezonden werd, en het voor Israël bedoeld was,… God beschermt ons in beproevingen: zelfs door vuur zullen we niet verbranden, want Zijn nabijheid geeft kracht, hoop en troost. Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Gij hebt Mij geen kalmus voor geld gekocht. Jesaja 43:24 De aanbidders in de tempel waren gewoon geschenken van geurig reukwerk… Maakt Mij indachtig, laat ons tezamen richten, vertelt gij uw redenen, opdat gij moogt gerechtvaardigd worden. Jesaja 43:26 Voornamelijk willen wij stilstaan bij de eerste uitnodiging in onze tekst:… Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan,… Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan,… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 43
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Getuigen voor God
Geopende ogen
Wonderlijke veiligheid
Wacht niet maar kom!
Wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden
Gij hebt Mij geen kalmus voor geld gekocht
Een vriendelijke uitnodiging
Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn
Beproeving maakt de belofte kostbaar


Jesaja 43
Jesaja 43:1.KruisverwijzingenJesaja 43:7→Zacharia 13:9→Jesaja 44:2→Jesaja 45:3→Jeremia 50:34→Handelingen 27:25→Genesis 32:28→Jesaja 41:14→
— Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israel! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.
“Vrees niet” is een gebod van God, en het is een gebod dat de kracht om het te volbrengen zelf meebrengt. God, die ons geschapen en geformeerd heeft, zegt tot ons: vrees niet; en er wordt een verborgen fluistering in het hart gehoord waardoor dat hart zo getroost wordt dat de vrees verdreven is.
Let op de tedere banden die onze God aan Zijn volk binden: de schepping, het formeren van hen tot Zijn lof, de verlossing, het kopen van hen voor Zichzelf, en het roepen van hen bij hun naam. De HEERE herinnert Zich de banden die ons aan Hem verbinden, ook wanneer wij ze vergeten; Hij denkt aan Zijn eeuwige liefde en aan al de daden van barmhartigheid die daaruit gevloeid zijn. Al is ons geheugen verraderlijk en ons geloof zwak, toch blijft Hij getrouw; Hij kan Zichzelf niet verloochenen. Gezegend zij Zijn heilige Naam!
De HEERE herinnert ons eraan dat Hij ons eerst geschapen en daarna gevormd heeft; wij zijn van nature als Jakob, maar Hij heeft ons door genade tot Israël gemaakt. En de verlossing is een diepe put van troost. Heeft de HEERE ons inderdaad met Zijn bloed gekocht, dan zal Hij niet licht over ons denken. En heeft Hij ons bij name geroepen en verklaard dat wij Hem toebehoren, dan mogen wij er zeker van zijn dat Hij Zijn eigen eigendom niet verliest, maar het tot het einde bewaart. Ik kan niet bij elk van deze kostelijke uitspraken stilstaan, maar elk woord is vol merg en vet. Vraag de HEERE dat Hij u in staat stelt zich met elke zin te voeden zoals die aan uw gedachten voorbijgaat.
Jesaja 43:2.KruisverwijzingenPsalmen 66:12→Daniël 3:25→Psalmen 91:15→Jozua 1:9→Deuteronomium 31:6→Jesaja 41:10→1 Korinthe 3:13→Jozua 1:5→
— Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.
“Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn.” De godvruchtigen hebben het beste gezelschap op de slechtste plaatsen waar hun lot hen brengt. Gods tegenwoordigheid is alles wat wij nodig hebben, zelfs in de diepste vloeden van verdrukking; en dat heeft Hij ons beloófd. Hij zegt niet wát Hij voor ons doen zal, maar Hij zegt ons wél dat Hij bíj ons zal zijn — en dat is meer dan genoeg voor al onze noden. Dat lijkt mij de opperste troost: Ik ben met u. Wat heeft het meest verontruste hart meer nodig dan Gods tegenwoordigheid?
“wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.” Dat is een wonderlijk tafereel: een mens die door het vuur wandelt en toch niet verbrandt. Maar er was een groter wonder, dat Mozes zag en dat ons wel troosten mag. Hij zag een braambos die met vuur brandde en toch niet verteerd werd. Een bos in de woestijn is doorgaans zo droog dat het bij de eerste aanraking met vuur opvlamt en gloeit en spoedig heen is. En toch mogen u en ik, die geestelijk even droog en brandbaar zijn als dat bos van nature was, branden en branden en branden, en toch niet verteerd worden. Want de God die in het bos was, is ook met ons en in ons. U zult uit de oven komen zoals de drie jongelingen: zonder dat de reuk van het vuur aan u is, want waar God is, is alles veilig.
De HEERE belooft ons geen vrijstelling van beproeving en moeite; wij zullen door waters en rivieren moeten gaan en door vuren en vlammen moeten trekken. Door veel verdrukkingen moeten wij het Koninkrijk van God ingaan. Maar Hij belooft wél dat er ons uit dat alles geen schade zal komen. Wij weten dat alle dingen medewerken ten goede aan hen die God liefhebben — dat waters, rivieren, vuren en vlammen ons voordelen en zegeningen brengen, en dat geen van hen ons een vloek zal brengen.
Jesaja 43:3.KruisverwijzingenExodus 20:2→Jesaja 49:26→Jesaja 45:15→Spreuken 21:18→Jesaja 45:21→Jesaja 60:16→Titus 3:4→2 Kronieken 14:9→
— Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israels, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats.
“Want Ik ben de HEERE, uw God.” Dit is de grootst mogelijke reden om niet te vrezen. Val hierop terug wanneer u niets anders hebt om op te leunen. Hebt u geen goederen, u hebt een God. Is uw wonderboom verwelkt, uw God is nog dezelfde als Hij altijd was.
“Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats.” En Hij heeft oneindig meer dan dat gegeven voor ons die nu Zijn volk zijn, want Hij gaf Zijn eniggeboren Zoon om ons met Zijn dierbaar bloed te verlossen. Nu wij Hem zoveel gekost hebben, is het dan waarschijnlijk dat Hij ons ooit verlaten zal? Het is niet mogelijk.
Jesaja 43:4.KruisverwijzingenExodus 19:5→Genesis 12:2→Deuteronomium 32:9→1 Petrus 1:7→Deuteronomium 7:6→1 Petrus 2:9→Openbaring 3:9→Deuteronomium 14:2→
— Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik mensen in uw plaats gegeven, en volken in plaats van uw ziel.
Hoe liefelijk komt dit vers aan bij wie een slechte naam gehad hebben! Zodra zij waarlijk tot Christus bekeerd zijn, worden zij verheerlijkt. “Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest.” God noemt Zijn volk niet met hun oude namen van oneer, maar Hij geeft hun de titel van hoogedele en maakt hen tot de adel van Zijn hof. God zet eer op Zijn geliefden; in zichzelf waren zij oneerbaar, want er was niets goeds aan hen totdat de HEERE het hun meedeelde. God heeft Zijn oude volk Israël liefgehad; Hij heeft Zijn gemeente altijd liefgehad, en Hij heeft de gelovigen nog lief.
Jesaja 43:5-7.KruisverwijzingenEfeze 2:10→Jesaja 49:12→Jesaja 43:2→Jesaja 43:1→Jeremia 30:10→Jesaja 44:2→Jesaja 43:21→Psalmen 100:3→
— Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van den opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van den ondergang. Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde; Een ieder, die naar Mijn Naam genoemd is, en dien Ik geschapen heb tot Mijn eer, dien Ik geformeerd heb, dien Ik ook gemaakt heb.
“Vrees niet, want Ik ben met u.” Dit is de tweede keer dat die gezegende woorden uitklinken als de tonen van de zilveren bazuin die het jubeljaar aankondigt aan arme, bevende harten. De HEERE schijnt tot elke verontruste gelovige te zeggen: Mijn eer staat verpand voor uw veiligheid, al Mijn eigenschappen zijn tot het einde toe voor u in het werk gesteld, ja, Ik ben Zélf met u — vrees dus niet. Het is voor een kind genoeg dat zijn moeder bij hem is of dat zijn vader met hem is; is het dan voor u niet genoeg, o kind van God, dat Gód met u is?
Wat er ook gebeurt, God zal met Zijn gemeente zijn. Zijn eigen uitverkoren volk zal alles ingezameld worden. Er zal geen verijdeling van het goddelijke voornemen zijn. Uit het oosten of het westen, uit het noorden of het zuiden zullen al Zijn zonen en dochters tot Hem komen, ja, ieder die naar Zijn Naam genoemd is. Gods uitverkorenen zijn heel ver van Hem afgedwaald, maar de grote Herder van de schapen, die hen met Zijn bloed gekocht heeft, zal hen verzamelen, en er zal één kudde en één Herder zijn. O gemeente van God, uw uitverkoren leden zullen te zijner tijd alle binnengehaald worden, hoe ver zij ook afgedwaald mogen zijn!
“dien Ik geschapen heb tot Mijn eer, dien Ik geformeerd heb, dien Ik ook gemaakt heb.” En God zál in Zijn volk verheerlijkt worden; het doel van hun schepping is de eer van hun God, en dat doel zal op de een of andere wijze bereikt worden op de goede tijd van de HEERE. De HEERE schijnt bij die toon van het scheppen van Zijn kinderen tot Zijn eigen eer stil te blijven staan. Dat verklaart veel van onze moeiten en al onze verlossingen: het is opdat God verheerlijkt zou worden door Zijn kinderen door de vuren en door de vloeden heen te brengen. Een leven dat nooit door beproeving en moeite getoetst werd, zou geen leven zijn waaruit God veel eer zou krijgen. Maar wie handel drijven op de grote wateren, zien de werken van de HEERE en Zijn wonderen in de diepte, en zij geven Hem lof.
Jesaja 43:9.KruisverwijzingenJesaja 41:1→Jesaja 43:26→Psalmen 50:1→Psalmen 49:1→1 Koningen 18:36→Jesaja 46:10→Joël 3:11→Jesaja 48:5→
— Laat al de heidenen samen vergaderd worden, en laat de volken verzameld worden; wie onder hen zal dit verkondigen? Of laat hen ons doen horen de vorige dingen, laat hen hun getuigen voortbrengen, opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hore en zegge: Het is de waarheid.
Het is alsof er een groot pleitgeding gehouden wordt over de vraag wie God is en wat God is. Eerst roept Hij al Zijn volk samen, van wie Hij de blinde ogen en de dove oren geopend heeft, en dan roept Hij alle volken bijeen en geeft Hij hun deze uitdaging: laat hen hun getuigen voortbrengen.
Waar hebben wij ergens anders ware kennis van God dan in Zijn Woord en onder Zijn volk? De verzinsels en verborgenheden van de heidenen: hoe duister, hoe onduidelijk en schaduwachtig zijn zij! Welke ware profetie hebben hun orakels ooit gegeven? Vraag Griekenland en Rome, de meest beschaafde van de oude volken: wat hebben hun zogenaamde goden ooit voorzegd? Laten zij een heilig boek van hen voortbrengen dat de toekomst ontsluit en dat waar is. God daagt al de valse goden en hun vereerders uit om één vervulde profetie voort te brengen, om één geval te tonen waarin zij waarlijk en juist een gebeurtenis of een reeks gebeurtenissen hebben voorzegd. Maar al de profetieën van de HEERE zijn vervuld, of zullen het te zijner tijd worden.
Jesaja 43:10.KruisverwijzingenJesaja 41:4→Jesaja 43:12→Jesaja 45:6→Jesaja 44:6→Jesaja 42:1→Jesaja 46:8→Kolossenzen 1:7→Openbaring 1:5→
— Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben, dat voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal.
Het uitverkoren volk van God is getuige geworden voor de HEERE dat Hij, en Hij alleen, de ware God is; dat Hij, en Hij alleen, de toekomst waarlijk voorzegd heeft. Laten de heidenen bewijzen dat hun goden hetzelfde gedaan hebben, als zij kunnen; wij weten dat zij het niet kunnen.
In dit gedeelte hebben wij een grote vergadering voor ons. Al de volken van de aarde worden opgeroepen om hun goden voort te brengen, en de vraag die beslist moet worden is deze: wie van hen is de levende en waarachtige God? De toets om die vraag te beantwoorden is uitermate treffend: wie van deze goden heeft de toekomst voorzegd? Wie onder al deze aanhangers van allerlei afgoden kan beweren dat zijn godheid de gave van het vooruitzien bezit? Laten al die vereerde blokken hout en steen hun getuigen naar voren brengen. Zij konden spreken van sibillijnse orakels of van vreemde, verborgen gemompel dat twijfelachtige uitspraken bevatte, gehuld in dubbelzinnige woorden. Maar de HEERE eiste dat er voor dit gerechtshof heldere profetieën gebracht zouden worden, duidelijke aankondigingen van gebeurtenissen die door geen menselijk vermogen voorzien konden worden.
Daarin faalden de goden van de heidenen. Maar toen riep de HEERE Zijn volk Israël op, plaatste hen in de getuigenbank en zei tot hen: “Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE.” En zij konden helder aantonen dat hun God al de grote gebeurtenissen van hun volksgeschiedenis voorzegd had, en dat elk daarvan precies zo geschied was als Hij voorzegd had. Niet één van de profetieën van de HEERE had gefaald, en niet één woord was ter aarde gevallen.
Het is de gemeente geoorloofd van de nauwkeurige betekenis van de tekst af te wijken en die in een andere, ook ware zin te nemen, al is het niet de zin die oorspronkelijk bedoeld was. Gelovigen in Christus Jezus nemen de plaats in van het oude Israël, en wij allen zijn op deze dag Gods getuigen. Er is een grote rechtszaak aan de gang tussen God en de wereld. De wereld brengt haar getuigen naar voren om in haar naam te spreken; en wij, volgelingen van Christus, de uitverkorenen van de Allerhoogste, zijn verordineerd om getuigen te zijn voor onze God en voor Zijn waarheid.
En dan is er die grote Knecht van God — u kent Zijn naam, Christus Jezus, de getrouwe en waarachtige Getuige. Híj getuigt beter voor God dan heel het volk van de Joden of het uitverkoren volk van de HEERE in alle eeuwen kan getuigen.
Jesaja 43:11.KruisverwijzingenHosea 13:4→Jesaja 43:3→Titus 2:13→Jesaja 12:2→Lukas 2:11→Titus 2:10→Judas 1:25→Johannes 10:28→
— Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij.
Overzie de hele wereld en zie waar er enige Zaligmaker voor zondaars is behalve Jezus Christus. Geeft enige andere godsdienst zelfs voor een Zaligmaker te hebben? Verdervers hebben zij, maar waar is hun Zaligmaker? Het is een grote zegen te weten dat de HEERE God is — en niet slechts dat als een feit te weten. Het gaat erom het te gevoelen, het als werkelijkheid te beleven, en op God te vertrouwen en jegens Hem te handelen in het besef dat Hij, en Hij alleen, de levende en waarachtige God is.
Jesaja 43:12.KruisverwijzingenJesaja 43:10→Jesaja 44:8→Deuteronomium 32:12→Jesaja 37:20→Jesaja 46:9→Jesaja 37:7→Jesaja 37:35→Psalmen 81:9→
— Ik heb verkondigd, en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen, en geen vreemd god was onder ulieden; en gij zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, dat Ik God ben.
“Ik heb gezegd dat Ik zou verlossen, en Ik héb verlost.” Toen in de dagen van Hizkia de afgoden verwoest waren, zei God tot Hizkia dat Hij hem uit de hand van Sanherib zou verlossen — en Hij deed het.
Jesaja 43:13.KruisverwijzingenPsalmen 90:2→Jesaja 14:27→Job 9:12→Johannes 8:58→Psalmen 50:22→Jesaja 41:4→Jesaja 46:10→Hosea 2:10→
— Ook eer de dag was, ben Ik, en er is niemand, die uit Mijn hand redden kan; Ik zal werken, en wie zal het keren?
Toen er nog geen dag was, was de Oude van dagen er al. En wie zal het keren? Wanneer Hij Zijn arm ontbloot, wat zal Zijn werk dan weerstaan? Wanneer Hij de zaak van Zijn volk verdedigt, wie zal dan Zijn hand tegenhouden?
Jesaja 43:14-17.KruisverwijzingenJesaja 51:10→Psalmen 77:19→Jesaja 1:31→Jesaja 23:13→Jesaja 43:1→Openbaring 20:8→Psalmen 118:12→Ezechiël 38:8→
— Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israels: Om ulieder wil heb Ik naar Babel gezonden, en heb hen allen vluchtig doen nederdalen, te weten de Chaldeen, in de schepen, op welke zij juichten. Ik ben de HEERE, uw Heilige; de Schepper van Israel, ulieder Koning. Alzo zegt de HEERE, Die in de zee een weg, en in de sterke wateren een pad maakte; Die wagenen en paarden, heir en macht voortbracht; te zamen zijn zij nedergelegen, zij zullen niet weder opstaan, zij zijn uitgeblust, gelijk een vlaswiek zijn zij uitgegaan.
Langs de brede rivier de Eufraat en tot aan de Perzische Golf beroemden Babel en Chaldea zich op hun grootheid. Maar God zond de Medisch-Perzische macht om hen in stukken te breken ter wille van Zijn volk, opdat Cyrus hen vrij zou laten gaan.
Grote gebeurtenissen in de geschiedenis hebben alle een of andere band met de gemeente van Christus. Wij kunnen die niet altijd zien, maar wij mogen ervan verzekerd zijn dat het zo is. Het opkomen en vergaan van rijken heeft veel te maken met het uitverkoren volk van God. Daarom herinnert Hij hen hier aan wat Hij in de oude dagen deed, toen Hij Egypte sloeg bij de Schelfzee en een pad maakte voor Zijn volk door de sterke wateren.
U weet wat het leger van Sanherib overkwam toen het tegen Jeruzalem optrok. Wagens en paarden waren daar in grote aantallen, met al de pracht en het vertoon van een geweldige krijgsmacht; maar zij sliepen hun laatste slaap, waaruit zij nooit meer opstonden, toen de engel van de HEERE door hun rijen vloog. Zo ging het ook met Babel zelf. Toen de gezette tijd kwam, werd dat eeuwenoude rijk met zijn kolossale macht weggevaagd als een gezicht in de nacht. Het vlamde op als een vlaswiek en werd toen voor eeuwig uitgeblust. Er is een korte vlam en een beetje rook, en dan is het met de wiek gedaan. Zo zal het zijn met wie zich tegen de HEERE opwerpen: Hij zal hun wijsheid beschamen en hun hoogmoed vernederen. Wat kan God niet doen voor Zijn volk wanneer Hij Zijn almachtige arm opheft?
Jesaja 43:18-19.KruisverwijzingenJesaja 48:6→Jesaja 42:9→Jesaja 65:17→2 Korinthe 5:17→Jesaja 41:18→Openbaring 21:5→Lukas 3:4→Jesaja 46:9→
— Gedenkt der vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet. Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult gijlieden dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis.
Wat God eenmaal gedaan heeft, kan Hij opnieuw doen; maar Hij kan ook nog grotere en wonderbaarlijker vertoningen van Zijn macht en genade geven dan Hij ooit gegeven heeft. Meen niet dat wat God in het verleden gedaan heeft nooit herhaald zal worden. Het zal overtroffen worden: Hij zal nog grotere dingen doen. Van al de barmhartigheid en liefde die God bewezen heeft, mogen wij zeggen dat zij enkel profetieën zijn van wat Hij nog openbaren zal.
Het is heel nuttig aan de dingen van ouds te denken; het is ons grotelijks tot voordeel na te gaan wat God in lang vervlogen jaren en eeuwen gedaan heeft. En toch wil God in de toekomst iets voor ons doen dat al het voorgaande overschaduwt. Dat gold in het bijzonder in Jesaja’s dagen, want de komst van Christus, die toen nog toekomstig was, zou zo’n zonsopgang van barmhartigheid zijn dat al de sterren van zegen die tevoren geschenen hadden, in de helderheid van Zijn verschijning zouden verdwijnen. Geliefde vrienden, blijf niet altijd bij het verleden stilstaan. U die grijs begint te worden, bent sterk geneigd te zeggen dat de vorige dingen en de vorige tijden beter waren dan nu. Zeg dat niet, maar geloof deze belofte van de HEERE: “Ziet, Ik zal wat nieuws maken.”
Jesaja 43:19-20.KruisverwijzingenJesaja 48:6→Jesaja 42:9→2 Korinthe 5:17→Jesaja 41:18→Openbaring 21:5→Lukas 3:4→Exodus 17:6→Jesaja 48:21→
— Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult gijlieden dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis. Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.
O dierbaar kind van God, bent u in de wildernis geraakt, en hebt u daar geen troost? Zijn al uw bronnen opgedroogd? God zal een nieuw wonder voor u werken; u zult een nieuwe openbaring van Zijn genadige macht ontvangen. Bent u dan in bittere nood, en is alles rondom u troosteloos als een woeste, huilende wildernis, wanhoop dan niet: God kan zelfs daar een weg voor u banen en in uw nooddruft voorzien. Hij kan een weg openen in de woestijn en rivieren in het midden van de wildernis; blijdschap en gejuich kunnen tot u komen in de diepte zelf van uw verdriet.
Ik heb deze tekst soms aangegrepen en ben erdoor getroost geworden aangaande de bekering van de allerslechtste mensen. Sommigen zeggen: wat is het nut ervan om met het Woord van God onder lasteraars en godslochenaars te gaan? Nu, als het gedierte van het veld en de draken en de nachtuilen Hem zullen eren, dan hoeven wij er nooit aan te denken enig mensenkind te laten omkomen. Het is niet wát zij zijn, maar wat Gód is, dat ons vertrouwen aangaande hen moet geven. Al waren zij nog slechter dan zij zijn, de almachtige genade van God zou hen nog kunnen bereiken en bekeren; laten wij daaraan niet twijfelen.
Jesaja 43:20.KruisverwijzingenJesaja 48:21→Jesaja 41:17→Jesaja 49:10→Johannes 4:14→Jesaja 13:22→Psalmen 148:10→Markus 13:20→Psalmen 104:21→
— Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.
Het gedierte lest zijn dorst aan een ongewone bron, opgeschrikt en verbaasd, terwijl Gods volk voorbijtrekt op zijn weg naar het land dat God hun geven wil. De wonderen van de liefde van God! Waar Hij ook een uitverkoren volk heeft, daar zal zeker elke barmhartigheid komen. Zijn zij in de woestijn, dan zullen er waters tot hen komen; zijn zij in de wildernis, dan zullen er rivieren tot hen vloeien. Maar drinken zullen zij, tot zij komen waar zij zich ten volle mogen laven aan de levende waterfonteinen aan Gods rechterhand.
Jesaja 43:21.Kruisverwijzingen1 Petrus 2:9→Psalmen 102:18→1 Korinthe 10:31→Hebreeën 13:15→Jesaja 61:3→Jesaja 60:21→Lukas 1:74→Efeze 1:5→
— Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.
Hij zal in Zijn volk niet teleurgesteld worden. Hij heeft hen gemaakt opdat Hij eer uit hen zou krijgen, en die zal Hij zeker hebben; niemand zal het kunnen verhinderen. Hoe dor uw ziel ook is, en hoe alles rondom u ook met de dood gestempeld lijkt: God kan komen en u gelukkig en gezegend maken en u met verrukkingen omringen. En Hij zál het doen, opdat in u, die Hij voor Zichzelf geformeerd heeft, Zijn lof gezien wordt.
Hier klinkt diezelfde toon opnieuw. Maar let er wel op wat voor volk zij geweest waren: een volk dat God innig liefgehad had, maar dat van Hem afgeweken was. Zij waren heel ver van God afgedwaald, en toch veranderde Zijn liefdesvoornemen niet: “Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.” Wat een gezegend “zullen” is dat, uitgesproken door Iemand die het door daden van machtige genade waar weet te maken!
Jesaja 43:22.KruisverwijzingenMaleachi 1:13→Maleachi 3:14→Micha 6:3→Jeremia 10:25→Daniël 9:13→Hosea 14:1→Jeremia 2:31→Psalmen 79:6→
— Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob! als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israel!
En dan komt er een bedroefd “doch”, en de toon zakt van een triomfkreet tot een klaaglied. Vermoeid van God! Is iemand van ons de gemeenschap met Hem moe geworden, moe van Zijn waarheid, moe van Zijn dag, moe van Zijn dienst? Wat een vreemde ondankbaarheid is dat van onze kant! Hoe droevig is het dat zij die zo innig geliefd zijn, daarvoor zo’n schandelijke vergelding geven!
Het gebed is verzuimd, de lofzegging is opgeschort. Er is een genadeloze nalatigheid in de dienst van God geweest. “U vond de dienst lang, u vond dat de tijd van het gebed te snel terugkwam, u weigerde aan Mijn zaak te geven en noemde het een belasting.” Zij leken weinig op Jakob, want die bad bij de Jabbok en werd Israël, die worstelde tot hij overmocht en tot de Engel zei: “Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.” En toch zijn hier mensen die diezelfde namen dragen, Jakob en Israël, en tot wie God moet zeggen: “gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob”.
Jesaja 43:23.KruisverwijzingenAmos 5:25→Zacharia 7:5→Maleachi 3:8→Spreuken 15:8→Mattheüs 11:30→Jesaja 66:3→Leviticus 2:1→Jeremia 7:22→
— Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen, en met uw slachtofferen hebt gij Mij niet geeerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook.
Er zijn hoe dan ook kinderen van God die vergeten hun offers aan Hem te brengen. Hebben zij Christus wél lief, dan is hun liefde niet daadwerkelijk, niet zelfverloochenend; zij brengt hun niet zover dat zij Hem gaven van liefde brengen. “Ik heb er geen drukkende belasting van gemaakt. Ik heb niets van u geëist. Ik heb het aan uw eigen vrije wil gelaten om te geven naar wat uw liefde u ingaf.”
Jesaja 43:24.KruisverwijzingenJesaja 7:13→Jeremia 6:20→Jesaja 1:14→Psalmen 95:10→Ezechiël 6:9→Amos 2:13→Psalmen 50:9→Ezechiël 16:43→
— Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht, en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt, met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
Er was geen kalmus en geen reukwerk dat de tempel van God zou verzoeten. “Geen kalmus heeft zijn reuk van Mijn altaar doen opgaan.” Let op dat “maar”! In plaats van goed is er kwaad geweest. “Ik liet het u vrij om te geven of niet te geven, opdat uw vrije wil in al uw daden van liefde openbaar zou worden; maar er is niets van gekomen. Integendeel.”
Wat! Hebben wij God tot onze knecht gemaakt, terwijl wij Hém hadden moeten dienen? U hebt een knecht gemaakt van uw Meester, uw Verlosser behandeld alsof Hij uw slaaf was! Ach, ik vrees dat het zelfs met sommigen van Zijn eigen volk vaak zo is. Hoe droevig is het wanneer Gods volk Hem moe is en Hij hen moe is!
Wat een verschrikkelijk vers is dit over een volk dat God voor Zichzelf geformeerd had en dat toch nog Zijn lof zal vertellen! Ach, zo staat het er soms nog: onverschillig, ondankbaar, Hem geen tekenen van liefde aanbiedend; en integendeel ongehoorzaam, Hem bedroevend en Zijn Heilige Geest smartend. Wat zal Hij nu met hen doen? “Hen afsnijden en verwerpen”, zegt iemand. Ja, zo zouden ménsen doen; maar zo doet God niet. Bedenk dat het de vermoeide HEERE is die hier spreekt, de HEERE wiens lankmoedigheid door de tergingen van Zijn volk haast uitgeput lijkt — en hoor dan hoe wonderlijk Zijn boodschap aan hen is. Wat zullen wij hierna lezen? Zeker zal de volgende zin een donderslag zijn, en zal er een bliksemstraal uit de gewijde bladzijde vlammen. Luister, en staat verbaasd over de barmhartigheid van de HEERE.
Jesaja 43:25.KruisverwijzingenHebreeën 8:12→Hebreeën 10:17→Jesaja 1:18→Jeremia 31:34→Micha 7:18→Jesaja 44:22→Psalmen 25:7→Psalmen 79:8→
— Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.
Wat een gezegend God, die zo genadig met Zijn ondankbare, dwalende volk handelt! Hij heeft de schuld aangewezen; Hij heeft getoond dat Hij die niet vergeten is; en dan spreekt Hij de vrijspraak uit. De overtreding is weggedaan. Gezegend zij Zijn Naam! Hier is een grote golf van barmhartigheid die alles wegwast wat tegen het volk van God zou kunnen getuigen.
U hebt Zijn barmhartigheden vergeten, maar Híj zal uw zonden vergeten. U hebt Hem bedroefd, maar Hij heeft nog altijd een teder hart voor u. Hij zal uw zonden uitdelgen. Hoe moest dit ons smelten! Hoe moest dit ons bemoedigen om opnieuw te beginnen, en dat op betere wijze: veel in het gebed, veel in heilige dienst, veel in zelfverloochening!
Jesaja 43:26.KruisverwijzingenJesaja 1:18→Romeinen 8:33→Jesaja 43:9→Job 40:4→Job 40:7→Genesis 32:12→Jeremia 2:21→Ezechiël 36:37→
— Maakt Mij indachtig, laat ons te zamen richten, vertelt gij uw redenen, opdat gij moogt gerechtvaardigd worden.
“Hebt u iets tot uw eigen verdediging te zeggen, zeg het dan. Kom tot Mij, en laat de oorzaak van deze twist weggenomen worden; laat Mij uw pleidooi horen, als u er een hebt.”
Jesaja 43:27-28.KruisverwijzingenJeremia 5:31→Jeremia 24:9→Jesaja 28:7→Ezechiël 16:3→Zacharia 8:13→Psalmen 79:4→Jesaja 65:15→Jesaja 47:6→
— Uw eerste vader heeft gezondigd, en uw uitleggers hebben tegen Mij overtreden. Daarom zal Ik de oversten des heiligdoms ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven, en Israel tot beschimpingen.
God rechtvaardigt Zich hier over Zijn zware slagen op Israël en zegt hun dat de oorzaak in hun eigen zonde lag.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IV. Vs. 1-28.KruisverwijzingenPsalmen 66:12→Daniël 3:25→Jesaja 43:7→Psalmen 91:15→Zacharia 13:9→Jozua 1:9→Jesaja 44:2→Jesaja 45:3→
— Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israel! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israels, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats. Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik mensen in uw plaats gegeven, en volken in plaats van uw ziel. Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van den opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van den ondergang. Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde; Een ieder, die naar Mijn Naam genoemd is, en dien Ik geschapen heb tot Mijn eer, dien Ik geformeerd heb, dien Ik ook gemaakt heb. Breng voort het blinde volk, hetwelk ogen heeft, en de doven, die oren hebben. Laat al de heidenen samen vergaderd worden, en laat de volken verzameld worden; wie onder hen zal dit verkondigen? Of laat hen ons doen horen de vorige dingen, laat hen hun getuigen voortbrengen, opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hore en zegge: Het is de waarheid. Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben, dat voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal.
De vierde rede. Nadat de tijd van straf in Hoofdstuk 42:24 v. eindigt, neemt de Heere Zijn volk dat Hem dierbaarder is dan de grootste en heerlijkste volken der wereld, weer in genade aan. Hij heeft, als een waar Vader aan zijn ongehoorzaam kind de straf niet mogen onthouden, en daarom de golven van ongeluk en de vlammen van loutering over zijn hoofd laten in elkaar slaan; maar Hij zelf gaat met hen door water en vuur, opdat het niet verdorven worde, en nu geeft Hij volken voor hen, om het uit de gevangenis los te kopen, en zal Hij het uit zijne verstrooiing verzamelen van alle vier de wereldstreken af (vs. 1-7). De rede verkrijgt hierop ene nieuwe wending. De Heere, die de zo even beloofde verlossing van Zijn volk, lang voordat zij plaats heeft, aankondigt, gaat even als Hij reeds vroeger gedaan heeft in enen strijd met de heidense volken, waartoe Hij ook zijn volk roept, dat tot hiertoe zo doof en blind was, maar waaraan oren en ogen om te horen en te zien geenszins ontbraken. De heidenen hebben genen onder hun goden aan te wijzen, die ooit iets toekomstigs voorzegd had, maar Israël weet een zeer bepaald getal te noemen, dat hem ene profetie van zijnen God geworden is, waaraan de wereldgeschiedenis ook de vervulling heeft aangebracht. Gelijk het nu daarin het bewijs heeft, dat zijn God alleen de waarachtige God is, zo heeft het daarin ook de verzekering, dat de voorzegging van zijne aanstaande verlossing verwezenlijkt zal kunnen worden ondanks alle hindernissen (vs. 8-14). Ten tweede male verkrijgt de rede ene wending. De oplossing verkondigende van het Chaldeeuwse wereldrijk als die om Israël’s wil plaats heeft, wijst de Heere terug op de verlossing uit Egypte en de wonderen in de Schelfzee. De glans der heerlijkheid van deze gebeurtenis uit den voortijd zal nu verbleken voor den glans van hetgeen Hij met Zijn volk voorheeft, namelijk het enen weg te banen door de onherbergzame woestijn en het waterstromen te laten vloeien in de dorre plaatsen, en in dezen zegen ook de onbezielde schepping te laten deelnemen. Maar het is niet de verdienste der werken van de zijde van Israël, waarom zulke grote dingen aan het volk geschieden, maar vrij genade, die de zonde draagt en ze uitdelgt (vs. 15-25).
Maar nu, 1) nadat gij in de ballingschap (Hoofdstuk 42:24 vv.) zulk ene zware straf hebt geleden (Hoofdstuk 40:2) en de liefde, die achter dien toorn zich verborgen had, zich weer openbaren kan (Hoofdstuk 48:9 vv.), alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! de Heere, die uit de verstorven leden van Abraham en van zijne vrouw u als uit niets heeft voortgebracht (Gen. 18:10 vv. (Rom. 4:17 vv. Hebr. 11:11 vv.), en uw Formeerder, o Israël, die de zeventig van Jakob’s huis, welke naar Egypte kwamen, daar tot een groot volk heeft doen worden (Exod. 1:1 vv. Hand. 7:17): Vrees met, dat gij in dezen nood zoudt omkomen; dat kan en mag niet geschieden, daarvoor staat uwe gehele vroegere geschiedenis u borg; want Ik heb u verlost uit Egyptes vijandige overmacht, die u dreigde te vernietigen (Exod. 3:7 vv.); Ik heb u daarna, als het verbond aan den Sinaï werd gesloten, bij uwen naam geroepen, uwen naam uitsprekende, en tot u gezegd: gij zijt de Mijne 1) (Exod. 19:4 vv.
Duidelijk geeft de grondtekst aan door dat maar nu, dat de Heere nu Zijn aangezicht in liefde weer wendt tot Zijn volk, nadat het zo lang in toorn op hen heeft neergezien. Met het slot van het vorig vers had men mogen verwachten, dat de Heere Zijne oordelen zou aankondigen en zijne straffen verder blijven oefenen, maar neen, de Heere komt hier met het: vreest niet. Ja, hoe zondig en diep ellendig ook Israël’s toestand was, het was toch door Hem geformeerd. En gelijk Hij op geestelijk gebied het werk Zijner handen niet laat varen, alzo zou Hij zich ook betonen aan het diep ellendig Israël. Jakob-Israël werd door den Heere niet vergeten. Als Hij het in de engte had gedreven, zou Hij zich ook betonen een machtig Uithelper te zijn.
Daarin lag de vaste grond der hope voor Israël’s behoud. Omdat het Gods heerlijk verlost en duur gekocht eigendom was, zou het niet uitgeroeid worden. Heerlijk beeld der Kerk. Omdat de Kerk, die zalig wordt, door den Drie-enigen God gekend wordt als Zijn eigendom, daarom zal ook geen helse macht haar overweldigen, maar zal zij eenmaal heerlijk verlost worden.
Deze uwe verkiezing, die nog vast staat, beschermt u ook heden tegen de vernietigende macht ook van de allervijandigste krachten, en redt u ook door de allergrootste, schijnbaar niet te ontkomen gevaren heen (Ps. 66:10 vv.). Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, om den wille van deze uwe verkiezing, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen-denk aan de geschiedenissen van Schelfzee en Jordaan (Exod. 14:15 vv. (Joz. 3:14 vv.); wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken 1) denk aan de geschiedenis van Daniël’s drie vrienden (Dan. 3:19 vv.).
Door water en rivieren, alsmede door het vuur en de vlammen te gaan, zegt in den stijl der Hebreeuwen, aan zware ellende en de meest dreigende gevaren blootgesteld te wezen. Als zij door wateren van verdrukking en het vuur der onheilen of der beproeving moesten gaan, en zich in de moeilijkste en treurigste omstandigheden bevinden, zou Hij hen bij de hand vatten en hen door het zelf heen leiden, zodat geen stroom hen overvloeien, geen vuur hen branden zou.
Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israël’s, uw Heiland, 1) en kan u daarom niet aan uw lot overlaten; Ik heb Egypte, Morenland, Ethiopië en Sheba, Meroë (Gen. 10:7) gegeven tot uw losgeld in uwe plaats, daar Ik tot uwe bevrijding door den Perzischen koning Cyrus vast besloten ben.
Beter: Want Ik, de Heere, ben uw God, de Heilige Israël’s, ben uw Heiland. De Heere bepaalt hen er dus bij, dat Hij hun Verbonds-God is, dat Hij, de Heilige Israël’s hun Heiland, hun Verlosser is. Zijn eer als de HEERE en zijn roem als de Heilige is er mee gemoeid, om hen weer uit de slavernij te verlossen. Ook van het geestelijk Israël geldt dat in de hoogste mate.
Van toen af, 1) dat gij als de nakomelingschap van Abraham, mijnen vriend (Hoofdstuk 41:8) kostelijk zijt geweest in Mijne ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, is uw voorrang boven anderen openbaar geworden, en Ik heb u als het volk van Mijn eigendom lief gehad; daarom heb Ik, gelijk Ik in vs. 3 zei, gewone mensen, waaraan Ik gene bijzondere waarde hechtte, omdat zij in gene bijzondere betrekking tot Mij staan (Jer. 32:20), in uwe plaats gegeven, en volken, als de daar genoemde, in plaats van uwe ziel, 1) om uwe vrijheid te kopen (Spr. 11:8; 21:18).
In het Hebr. Meeascher. Beter: Daarom dat. De Heere geeft hier aan, waarom Hij volken, mensen, in hun plaats tot een losprijs, tot een losgeld heeft gegeven. Het is omdat zij kostelijk zijn in Zijne ogen, verheerlijkt zijn geweest en Hij hen heeft liefgehad. Deze losprijs is het los- of zoengeld voor begane overtredingen.
Waarschijnlijk was Cyrus van mening ook deze landen te veroveren, daar de Egyptenaren als landgenoten van Croesus en van de Babyloniërs zijne vijanden waren; intussen volbracht dit eerst zijn opvolger Cambyses (Ezra 1:4). Als veroveraar van het Babylonische rijk had hij nu aanspraak op de Israëlieten, die Babylonische onderdanen waren. Jehova zal echter, daar de Israëlieten moeten vrij worden en naar huis terugkeren, door de onderwerping van andere volken hem schadeloos stellen, gelijk Hij desgelijks Nebukadnezar (Ezechiël. 29:18 vv.) zijne vergeefse pogingen voor Tyrus met Egypte vergoedde. Dat eerst Cambyses en niet Cyrus Egypte veroverd heeft, die dit slechts voornam (Herod. 1:153), vermindert de waarheid der belofte niet; genoeg, dat Egypte en de naburige rijken door de nieuwe Perzische macht onderworpen werden, terwijl het Joodse volk door deze zijne verlorene vrijheid wederkreeg. Ene schone dichterlijke voorstelling; wanneer het ongeluk der slavernij en overheersing van het ene volk op het andere vergaat, worden deze laatsten gezegd, in verbloemde taal, het losgeld der eerste geweest te zijn.
a) Vrees dan niet, als zou iets uw terugkeren tot het vaderland, waartoe Ik besloten ben, kunnen ophouden; want Ik ben met u en zal ook weten te volbrengen, wat Ik besloten heb; Ik zal uw zaad, het hoofdbestanddeel van uw volk, van den opgang der zon, van het oosten van Babylonië brengen, en Ik zal u verzamelen van den ondergang, zo ver gij naar het westen onder de volken der aarde verstrooid zijt (Hoofdstuk 11:11 vv.).
Jes. 44:2. Jer. 30:10; 46:27.
Ik zal zeggen tot het noorden: Geef wat gij van Mijn volk bezit, en tot het zuiden: Houd niet terug degenen, die uit hun ellende (Hoofdstuk 42:22) vrij naar hun land moeten terugkeren; breng integendeel onder uw geleide en met uwe hulp (Hoofdstuk 14:2) Mijne zonen van verre en Mijne dochters van het einde der aarde. 1)
Hij zou de verstrooiden onder alle andere volken bijeen vergaderen en doen delen in de zegeningen van het algemeen. Sommige Joden waren door alle gedeelten van het Babylonisch rijk verspreid, doch God wist de welmenenden, de ware godvruchtigen, die lust hadden Hem in waarheid en oprechtheid te dienen, wel uit alle oorden bijeen te roepen en hen met de overigen tot hun land te doen wederkeren, hoe ver zij ook van de hand mochten zijn.
Een ieder, die naar Mijnen naam genoemd is, alle Mijne kinderen, en dien ik geschapen heb tot Mijne eer, met het doel, dat hij Mij verheerlijke; dien Ik geformeerd heb, dien Ik ook gemaakt volmaakt heb tot vaten Mijner barmhartigheid en tot dragers van den rijkdom Mijner genade. Dit kan men gedeeltelijk vervuld houden bij de wederkering van de Joden uit Babel, en uit de landen dier heerschappij; maar tevens geven de woorden te kennen ene algemene herstelling van dat volk (zie Hoofdstuk 11:11, 12). Of men kan de plaats verklaren van Gods vergaderen van de uitverkorenen tot één lichaam (zie Efeze 1:10. Jes. 64:7). De uitdrukkingen geven dan hier te 7kennen het inbrengen der Heidenen tot de kerk, hun aanstelling tot mede-erfgenamen en hun vereniging tot één lichaam met de Joden; want de Heere heeft hen geschapen tot Zijne heerlijkheid, en opdat zij zouden verkondigen de deugden desgenen, die hen geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht (1 Petrus 5:9, zie Hoofdstuk 49:5 Amos 9:12. Joh. 11:52). De bekering van de Joden en het ingaan van de volheid der Heidenen tot de gemeente des Heren, zullen gelijktijdig zijn, en elk dier dingen zullen dienen tot onderlinge hulp en voorzetting van elkaar (zie Hoofdstuk 66:12, 19 De Heere gebruikt hier drie woorden: scheppen, formeren en voleindigen, want het laatste woord heeft die betekenis. Het is om aan te duiden, dat al wat Israël is en wat Israël zal worden alleen door Hem, den Heere, is.
Breng voort, zo is Gods bevel aan mij, Zijnen Profeet, daar Hij nu de gerechtshandeling van Hoofdstuk 41 weer opneemt, het blinde volk tot de gerichtsplaats, het volk, hetwelk ogen heeft, en de doven, die oren hebben, namelijk Israël, dat zich zo onopmerkzaam betoont, hoewel het zoveel had te zien en te horen en nog heeft (Hoofdstuk 42:19 vv.).
Laat tevens al de Heidenen op dezelfde plaats samen vergaderd worden, en laat de volken voor het tribunaal des verstands verzameld worden, want zij moeten te meer bij deze handeling tegenwoordig zijn, daar het hun goden aangaat; wie, welke god, onder hen, onder de Heidenen, zal dit, wat in vs. 3 vv. is voorzegd, reeds nu, terwijl vóór de vervulling nog ongeveer 170 jaren moeten voorbijgaan, verkondigen? (het werkelijk standpunt van Jesaja verraadt zich in onderscheiding van het ideaal-profetische, ook hier). Of laat hen ons doen horen de vorige dingen, hoe zij in vorigen tijd profeteerden en aanwijzen hoe het daarna vervuld werd; laat hen hun getuigen voortbrengen voor Mij en de Mijnen (Hoofdstuk 41:22), opdat zij gerechtvaardigd worden, dat die het aanhoren hoe zij bewijzen van hun godheid hebben gegeven; en het alzo blijke dat zij meer dan dode afgoden zijn, en men het horen en zegge, het daadzakelijk bewijs erkennende: Het is de waarheid, het is alles, gelijk de getuigen hebben meegedeeld.
Maar zij blijven uit, die getuigen, van welke zo even sprake was! De Heidenen kunnen niemand voorstellen, die ten gunste hunner goden met een bewijs kan voorkomen. Gijlieden zijt Mijne getuigen, o kinderen Israël’s! spreekt de HEERE: welk ene onbedriegelijke kennis Ik van de toekomst bezit; want gij hebt daarvoor bewijzen in menigte, en gij zijt getuige, Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb (Jes. 41:8). Door middel van het verbond, waarin gij tot Mij zijt geplaatst, hebt gij reeds zoveel gehoord en ervaren, wat duidelijk bewijs voor Mijne eeuwige kracht en Godheid is. Ik heb u veel laten ondervinden, opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Die ben, namelijk de alleen ware God in tegenstelling van de nietige afgoden der Heidenen, opdat gij weet, dat a) vóór Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal. 1) Ik ben van eeuwigheid af alleen God geweest, zal het ook in alle eeuwigheid zijn, maar dat ook de door kunst gevormde en vergankelijke beelden, welke de Heidenen dienen, god zouden zijn, is in tegenspraak met zich zelven.
Jes. 41:4; 44:8; 45:21. 13:4.
In vs. 7-10 worden Israël en de volken weer opgeroepen om te getuigen wie waarlijk God is. God staat ook nu weer aan de ene en Israël en de Heidenen aan de andere zijde. De Heere roept de Heidenen op, opdat zij van hun afgoden het getuigenis mogen afleggen, wie van deze te voren heeft geprofeteerd, en zó geprofeteerd, dat het werkelijk is vervuld geworden, dat een ieder moet zeggen, dat is waar. De Heidenen zwijgen echter, zij kunnen geen enkele profetie voorbrengen. En nu spreekt de Heere Zijn volk toe, hetwelk Zijne getuige is en tevens, uit kracht van het Verbond, Zijn knecht. Dat Israël heeft o zo duidelijk de bewijzen van Gods bestaan ervaren, en dat Israël zal moeten getuigen, dat de Heere alleen God is, dat vóór noch na Hem er geen God zal wezen. Hij is de geheel Enige, die waarlijk bestaat. Zijn Zijn heeft geen aanvang en geen einde.
Ik, Ik ben de HEERE, ben uitsluitend en alleen datgene, wat de naam van Jehova te kennen geeft, de Zijnde en als levend Zich openbarende (Hoofdstuk 42:8), en er is geen Heiland behalve Mij; want slechts Hij, die naar Zijn wezen de Heere is, kan Zich in Zijne werken als Helper en Redder betonen.
Ik heb, om uit den laatsten tijd een voorbeeld van Mijne wetenschap te noemen, verkondigd wat door en aan Sanherib zou geschieden (Hoofdstuk 36 en 37), en Ik heb overeenkomstig Mijne belofte, verlost uit den groten nood, waarin zich Jeruzalem bevond, en Ik heb het ook, lang voordat het geschiedde, doen horen, om u een bewijs te geven van Mijne waarachtige Godheid, en geen vreemd god (Deut. 32:16. Jer. 3:13) was onder ulieden, die zodanige dingen gedaan heeft, hoewel gij u dikwijls aan vreemde goden met uw hart hebt gehangen; en gij zijt Mijne getuigen, dat alles in waarheid is, gelijk Ik hier zeg, spreekt de HEERE, getuigen, dat Ik God ben, de alleen Sterke, de absoluut Machtige, die over het tegenwoordige en over de toekomst gebied voer.
Ook eer de dag was, 1) van eeuwigheid af, ben Ik de absoluut Machtige, de alleen Sterke, en er is niemand, die uit Mijne hand redden kan, die het door Mij ten gunste van Mijn volk besloten genadewerk kan verhinderen; Ik zal hetgeen Ik besloten heb, werken, en a) wie zal het keren, 1) dat ook niet werkelijk wordt volbracht, wat Ik Mij heb voorgenomen?
Jes. 14:27.
Anderen vatten het op in den zin: van dezen dag, of in den zin dat Israël en de Heidenen het nu, van dien dag af zullen zien, dat de Heere de alleen machtige God is, die God, die alleen Zich als den waren God openbaart. In elk geval wil de Heere God het aan zijn volk betuigen, dat de tijd der ballingschap ten einde loopt, en Hij bezig is de vijanden van zijn volk te verpletteren.
De afgoden waren van gisteren, maar de God van Israël van eeuwigheid. Waarheid is ouder dan dwaling en Jehova zal verheerlijkt worden, als de beelden zijn vernietigd en de afgoderij niet meer is. De grote God verheft Zich, dat Hij alleen Redder is. Welke zijn de bewijzen? 1. Hij heeft ene oneindige en onbedriegelijke kennis, gelijk blijkbaar is uit de voorzeggingen van Zijn woord. Hij toonde of verkondigde nooit iets, dat niet vervuld is. 2. Hij heeft ene onweerstaanbare macht, gelijk blijkt uit de werken Zijner voorzienigheid. God heeft niet alleen voorzien en voorzegd, wat niemand anders kon voorzien, maar Hij heeft ook gedaan, wat niemand anders doen kon. De levende God zal werken wat Hij bepaald heeft, beide in genade en oordeel. (HENRY en SOORT). De Heere God openbaart hier Zijne onweerstaanbare Almacht. Dat Israël tot nu toe in druk en ellende heeft verkeerd het was, dewijl het Zijn wil was. Hij heeft hun vijanden macht gegeven om over hen te heersen, maar nu Hij weer zal optreden als hun Verlosser, nu is er geen vijand zo sterk en geen volk zo machtig, dat Zijne plannen kunnen verijdeld worden en Zijn werk vernietigd. Hieraan heeft dan ook alle eeuwen door Gods volk in de bangste tijden zich vastgeklemd, als het bad en smeekte om uitredding en verlossing.
Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israël’s, (vs. 3; Hoofdstuk 41:14 nader sprekende over het werk alsof het reeds volbracht ware. Om ulieder wil, 1) om uwe zaak, uw belang te behartigen en uit te voeren, heb Ik degenen, van wie in Hoofdstuk 41:2 vv. en 25 sprake was, den Medo-Perzischen koning Cyrus, naar Babel gezonden en heb hen allen vluchtig doen nederdalen, 2) te weten de Chaldeeën, in de schepen, waarop zij juichten. Door den inval van Cyrus heb Ik zulk een schrik onder de anders dappere Chaldeeën verwekt, dat zij zich in allerijl, al vluchtende in de schepen begaven.
Dit is, om uw zaak te behartigen, om u van een slavenvolk weer een vrij volk te maken, om u te verlossen uit de macht van den overweldiger. Men lette er echter op, dat de zaak van Israël hier inzonderheid is de zaak van den knecht des Heren.
In het Hebr. Horadthi barichim. Beter: Ik zal hen als vluchtelingen doen neerstorten. De Heere zegt hier dat Hij om Israël’s wille d. i. om den knecht des Heren wille, Hij niet alleen de werktuigen van Zijn oordelen tegen Babel naar Babel heeft gezonden, maar ook dat Hij nu bewerken zal, dat zij al vluchtende, als vluchtelingen zich hals over kop zullen werpen in de schepen, waarop zij vroeger, als zij overwonnen hadden of een rijke lading aanbrachten, jubelden en juichten. De Chaldeeën bevoeren niet alleen den Eufraat, maar ook de Perzische golf en lieten hun schepen voornamelijk bouwen door de Feniciërs.
Ik ben, zo bewijs Ik daardoor, dat ik zo velen, vreemden en inboorlingen uit Babel naar de zuidelijke zeezijde henendrijf, de HEERE, uw Heilige; want als zodanig kent en erkent gij Mij, de Schepper van Israël, die Mijn doel met u niet onbereikt kan laten, ulieder Koning, die nooit toegeven kan, dat gij ooit onder de heerschappij der Chaldeeuwse verdrukkers staat.
Alzo zegt, ten opzichte van Babels verovering door Cyrus, en Israël’s vrijlating uit zijne gevangenschap, de HEERE verder, die, gelijk de verlossing uit Egypte’s slavernij (Exod. 14) aanwijst, in de zee enen weg, en in de sterke wateren een pad maakte.
Die door Farao’s verstoktheid aanleiding gaf, dat deze, om de kinderen Israël’s na te jagen en terug te voeren, wagens en paarden, heir en macht naar buiten voerde, maar te vergeefs voortbracht en liet uittrekken, en ten gevolge van Mijn gericht omkwam: te zamen zijn zij, wagen en paard, heir en macht, neergelegen, overstroomd door de terugkerende wateren; zij zullen niet weer opstaan, zij zijn uitgeblust, gelijk ene vlaswiek zijn zij uitgegaan, waaraan geen vonkje overblijft; als die in ‘t water gestoken is, zo is er niets van overgebleven.
Gedenkt der vorige dingen niet, niet aan deze geschiedenis van den uittocht uit Egypte, en overlegt de oude dingen niet, 1) alsof deze buitengewone geschiedenis in vorige tijden de enige in de geschiedenis der wereld zou zijn, door gene andere geëvenaard.
Deze woorden moeten geenszins in den volsten zin worden opgevat, alsof de Joden aan Gods vorige weldaden, bijzonder aan de verlossing uit het geweld van Farao niet meer moesten denken, niets minder dan dit; maar het geeft te kennen, dat de hier beloofde wederbrenging der verstrooide Joden in hun vaderland ene nog veel uitnemender weldaad wezen zou dan al de vorige, zodat de oude weldaden hoe groot en wonderbaar ook, door deze nieuwe enigermate minder opmerking verdienen zouden. Het is alsof de wereld zei: “Uwe verlossing uit Egyptes dienstbaarheid is zulk ene uitmuntende weldaad geweest, dat gij er altoos met dankbaarheid aan gedenken moet; ” evenwel, de verlossing, waarvan Ik thans spreek, zal zo groot en wonderbaar zijn, dat alle vorige weldaden, hoe uitnemend ook op zich zelve, vergelijking van deze, nauwelijks herdenking zullen waardig wezen. Dergelijke voorstelling vinden wij in diezelfden zin meermalen. (Jer. 16:14, 15; 23:7, 8). In het vorige vers heeft de Heere herinnerd aan Zijne wonderdaden in vroeger dagen. Een wonder, hetwelk Israël nooit mocht vergeten, maar immer moest blijven gedenken, als het zijn Paasfeest vierde. Als derhalve de Heere hier zegt, denkt er niet aan, dan wil dit niet zeggen dat Israël die grote daden moest vergeten, maar dat het nu een nieuw bewijs van Gods wonderbare almacht en ontferming zou ontvangen, waardoor het stof zou ontvangen, om niet alleen achteruit, maar ook vooruit te zien. De Heere gebruikt derhalve deze woorden om Israël vertrouwend en hoopvol in de toekomst te doen blikken. Het grootste wonder voor Israël was tot nu toe geweest, dat de Heere het door een sterken arm uit Egypte had verlost, het grootste wonder van den volgenden tijd zou zijn, dat het op geheel bijzondere wijze uit Babel weer in Kanaän op eigen erve was gesteld. Bovendien hebben we niet te vergeten, dat de Profeet hier niet alleen spreekt van wat op tijdelijk maar ook van wat op geestelijk gebied, ter verlossing van het geestelijk Israël, zou geschieden.
Ziet, Ik zal na een niet langen tijd a) wat nieuws maken, dat het oude verre in glans overtreft; nu, nog hij uw leven, zal het uitspruiten, zal het begin daarvan gezien worden; zult gijlieden dat niet te zijnen tijd bij ondervinding weten en eerbiedig opmerken, dat Ik ook in dit opzicht Mijne beloften vervul? Ik zal Israël uit alle oorden verzamelen naar hun vaderland en hen daar zegenen. Ja, Ik zal in de woestijn enen weg leggen en rivieren in de wildernis, opdat het hun op dien tocht aan niets ontbreke (Hoofdst. 30:6 vv. 41:18 vv.).
Openb. 21:5.
Het gedierte des velds zal Mij eren, daar ook aan dit ten voordeel strekt, wat er geschiedt, de draken, (de jakhalzen, Hoofdst. 13:22) en de jonge struisen, die de woestijnen bewonen (Hoofdst. 34:13): want Ik zal, gelijk Ik gezegd heb, in de woestijn wateren geven en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijnen uitverkorenen drinken te geven, zodat zij veilig, en zonder gevaar van versmachten doortrekken. Wij herkennen hier weer den profeet, die, gelijk wij na Hoofdst. 11 dikwijls opmerkten, niet alleen een medelijdend hart voor het wee der mensen, maar ook een open oor voor het zuchten der schepping heeft; hij weet, dat het einde van den lijdenstijd van Gods volk ook het einde zal zijn van den lijdenstijd der schepping; want de mensheid is het hart van het universum (de gehele wereld), en het volk Gods is (naar den geest) het hart der mensheid. Het nieuwe, dat de Heere wil tot stand brengen, wordt voorgesteld onder het beeld van een terugkeer uit Babel, en wordt ook wat den tijd betreft daarvan niet onderscheiden. Maar zeker is het, wat de zaak betreft, geheel iets anders, dan de onbeduidende terugkeer uit Babel, dien wij uit Ezra en Nehemia kennen. Het is het wezenlijk komen van den Knecht Gods in Zijne heerlijkheid, dat hier met den ruimen blik des Geestes wordt aanschouwd. En nu zeggen wij in onze gebeden niet, of ten minste slechts in buitengewone gevallen: “God, Gij, die Israël uit Egypte verlost hebt, ” maar: “God, Gij, die ons door Uwen Zoon van zonde en dood verlost hebt!” Het nieuwe heeft het oude, het grotere het kleinere op den achtergrond teruggedrongen.
a) Dit volk Israël heb Ik Mij geformeerd (vs. 1); zij zullen Mijnen lof vertellen, daarom zal Ik Mij op de boven beschrevene wijze in hen verheerlijken.
Luk. 1:74, 75. Het oude is voorbijgegaan, alles is nieuw geworden. Dat is het grondthema van onzen profeet, dat door alle tonen van zijn heilig lied dringt. De wonderen der voorwereld vernieuwen zich, de woestijn wordt effen baan en de dorre wildernis met waterstromen verfrist. De vreugde des profeets verheft zich tot de stoutste vlucht des dichters. In het huilen der schakals en het schreeuwen der struisen, der eenzame bewoners der woestijn, hoort hij den lof van den Schepper des nieuwen levens, omdat zij hunnen dorst kunnen stillen uit de bronnen, die Hij opent, om Zijn naar huis wederkerend volk te drenken. Want het volk, dat hij Zich geformeerd heeft, zal Zijn roem vertellen.
Dit sluit echter alle verdiensten van eigen werken aan Israëls zijde uit, gelijk reeds zijne roeping en verkiezing aanwijst. Doch gij hebt Mij, alzo is de zaak, niet aangeroepen, o Jakob! als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israël Gij hebt Mijnen dienst niet een voorrecht geacht, maar een hard juk. Gij hebt Mij of in tegenzin of ganselijk niet gediend. Ik ben het echter, die u in vrije liefde ben tegengetreden (Joh. 15:16).
En ook na, uwe roeping, waar was uwe verdienste; was er ene getrouwe, nauwkeurige godsdienst overeenkomstig aan de voorschriften der wet? Integendeel! Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen, en met uwe slachtofferen hebt gij Mij niet geëerd. Gij hebt, toen gij nog in uw vaderland waart, meestal ter ere van vreemde goden gerookt, of Mij met een hart, dat verre van Mij was, willen dienen (Hoofdst. 1:11 vv.). Ik heb u ook daarna, sedert gij in het land der ballingschap vertoeft, Mij niet doen dienen met spijsoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook; van dat alles zijt gij in ‘t vreemde land verschoond gebleven; het was u door Mij zelfs onmogelijk gemaakt.
Mij hebt gij geen kalmus, specerijriet, zo als dat bij heilige handelingen gebruikt werd (Exod. 30:24) voor geld gekocht, en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt
Terwijl Ik u geen arbeid en moeite veroorzaakte door dergelijke diensten te vragen, hebt gij juist het tegenovergestelde gedaan. Gij hebt Mij niet gediend, maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij, hebt Mij vermoeid met uwe ongerechtigheden, 2) daar gij ze als een last op Mij hebt geworpen, die Mij zwaar was.
Vs. 22-24 worden op onderscheidene wijzen verklaard. Volgens sommigen wordt hier alleen gesproken van Israëls zonde vóór de ballingschap. (Hengstenberg, Stier, Naegelsbach e. a.). Volgens anderen wordt hier gedoeld op de zonde van Israël gedurende de ballingschap. (Delitzsch, Ewald e. a). O. i. wordt hier gesproken van Israëls zonde vóór en na de ballingschap, vs. 22-23a vóór en 23b-24a tijdens de ballingschap. In de dagen der ballingschap toch kon Israël God de offeranden niet brengen, dewijl het van den tempel verstoken was.
De tegenstelling is zeer opmerkelijk. God had de Joden niet gemaakt, om Hem met hun offers te dienen, maar zij hadden Hem gemaakt als iemand die met hun zonden gediend was. Hij had hen niet door Zijne geboden vermoeid, maar zij weren verdrietende voor Hem geworden, wegens hun ongehoorzaamheid. De Heere zegt hier, en wel de Engel des Verbonds, dat Israëls zonden op Hem als een last rustten. Zij hadden Hem door hun zonden een zwaren laat bezorgd, maar Zijne ongehoudene liefde had dien last op Zich genomen. En waar Hij vrijwillig dien schuldenlast op Zich had genomen, daar zou Hij dezen ook opnemen en weer wegwerpen door de zonde uit te delgen, te verzoenen.
Ik, die ze alleen kan dragen, neem ze dan ook op Mij, opdat er een einde aan kome, Ik ben het, die uwe overtredingen uitdelg a) om Mijnentwil 1), omdat Ik de heilige en waarachtige God ben, die Zijn tot een eigendom geroepen volk niet voor eeuwig aan de zonde kan overlaten; Maar de verlossing, waartoe Ik besloten heb, ook moet ten uitvoer brengen, en Ik gedenk uwer zonden niet, wanneer zij betaald zijn. Ik zal den kwijtbrief afgeven, en het zal zijn, alsof zij er nimmer waren.
Ezech. 36:22 vv.
Om Mijne eer, Mijne barmhartigheid en Mijne vrijwillige liefde jegens u, maar niet om uwe verdiensten. Hier ziet men hoe God en Zijn ware Knecht (de Engel des Verbonds = de Heere, Maleachi 3:1) één is tegenover den bozen knecht, den zondigen Jakob Israël. Maar evenzo is ook de ware Knecht des Heeren met de wederkerenden in Israël, met het vrome overblijfsel van Jakob-Israël een. De innige gemeenschap der onderscheidene personen is het grondgeheimenis des eeuwigen levens, dat in het N. Verbond in den Vader en den Zoon, die mensenzoon geworden is, en in de wedergeboorte, waardoor zondaren kinderen Gods in Christus werden, geopenbaard, maar niet verklaard is. Jezus spreekt het uit, wanneer Hij zegt: “Ik, Vader in U en Gij in Mij, en Ik in hen. ” In deze wezenlijke gemeenschap van onderscheidene personen ligt de feitelijke oplossing van tegenstrijdigheden, die anders niet op te lossen zijn zouden. De boze knecht, die met zijne onreine godsverering Gods ere niet zoekt, veroorzaakt met zijne zonden, moeite en arbeid niet alleen den waren Knecht Gods, den Engel des Verbonds, dien God ten verbond onder het volk gegeven had (Jes. 42:6), maar de Heere zelf, die in dezen waren Knecht is; de Heere zelf lijdt in Hem door dezen bozen knecht en arbeidt lijdende voor hem. Terwijl voorts de ware Knecht de kwade zaak des bozen knechts tot de Zijne maakt en in liefde één met hem wordt, draagt Hij zijne schuld als eigene schuld en deelt hem onder moeite en arbeid zijne gerechtigheid mede. Door Zijn werken en lijden voor hem maakt Hij hem rechtvaardig en delgt Hij zijne overtredingen uit. En ook dit doet de Heere zelf in den waren knecht. Dit geeft de Heere in het volgende vers te kennen. De geheimenis des eeuwigen levens is openbaar geworden, maar eerst in de menswording, het lijden, de werken en werkingen van Jezus Christus.
“Ik, Ik delg uwe overtredingen uit. ” Waarom? “Om Mijnentwil. ” Hij kan u niet vergeven om uwentwil, dat ziet gij duidelijk; ook gevoelt gij, dat Hij u niet om der wille van anderen kan vergeven; maar om “Mijnentwil” spreekt Hij, opdat Ik Mij moge verheerlijken. Niet in u, maar in Zijn eigen groot hart vindt Hij de beweegreden, om Zijne genade heerlijk te maken. Jehova zelf verkondigt hier het sola-gratia en het sola-fide. De schuld staat in Gods boek, de gerechtigheid heeft ze ingeschreven, slechts de liefde strijkt ze uit.
Maakt Mij indachtig, wanneer gij tegen deze Mijne uitspraak omtrent uwe gehele onwaardigheid iets hebt te zeggen; a) laat ons te zamen richten, zodat ook aan u het woord is gegeven; vertelt gij uwe redenen, opdat gij moogt gerechtvaardigd worden, 1) telt alle uwe verdienstelijke werken op.
Jes. 1:18.
Hiermede roept de Heere Israël op, om zijde verdiensten te tonen, waardoor het niet uit de wet des geloofs maar uit de werken der wet kan gerechtvaardigd worden. Dit kan Israël niet. Integendeel zoals ook uit de volgende verzen blijkt, kan het slechts op genade hopen en uit genade gerechtvaardigd en verlost worden.
Gij zwijgt, omdat gij niets ten uwen gunste weet te zeggen, daar uwe gehele geschiedenis van den beginne af integendeel tegen u getuigt. Uw eerste vader 1) zelfs heeft gezondigd, en uwe uitleggers, de profeten en priesters, hebben allen zonder onderscheid tegen Mij overtreden.
Voor dezen eersten vader wordt gehouden, eerst Adam, uit wien alle mensen afkomstig zijn, en van wien de zonde is afgedaald op al zijne nakomelingen; ja aan wiens dadelijke zonden, volgens het gevoelen der meesten, alle mensen schuldig gerekend worden; waartoe zij bijbrengen Hoofdst. 48:8. Rom. 5:12. Dit is zeker, dat alle mensen schuldig zijn, en onder Gods toorn liggen, van wege de verdorvenheid van Adam afkomstig. Ps. 51:7. 5:12; 6:23. Efeze 2:2, 3. Doch daarop schijnt God hier niet te zien, maar te spreken van iets, dat Zijn volk in het bijzonder betrof. Maar wie is nu deze eerste vader Israëls? In de eerste plaats merken wij aan, dat het woord vader hier niet enkel als eretitel staan kan, maar op enen heen wijst, aan wien het volk werkelijk zijn ontstaan te danken had, terwijl dan ook het “eerste” niet alleen den rang, maar ook den tijd betreft. Daarom kan onder het “eerste vader” niet, gelijk men beweerd heeft, de hogepriester, ook niet Aäron verstaan worden, dewijl deze niet kan worden beschouwd als oorsprong van het ganse volk. De eerste stamvader des volke zou Abraham zijn, op wie reeds Jes. 41:8 werd gezinspeeld, maar slechts als op den geliefde Gode. En ofschoon Abraham, gelijk alle overige mensen, ook een zondaar was, zo wordt hem toch nooit de zonde van ontrouw verweten, die hier ter plaatse bestraft wordt. Na Abraham verdient Jakob het meest den naam van den eigenlijken stamvader des volks, dat zijnen naam draagt. Maar ofschoon hij meer dan Abraham aan de zonde schuldig was, zo wordt toch ook hij nimmer beticht van de zonde van ongeloof tegen God. Zo blijft ons dan niemand over dan Mozes, die niet de lichamelijke vader van Israël van, maar de geestelijke vader, die het volk eerst tot volk gemaakt heeft. En Mozes, die Israël als voortbracht, wordt bepaaldelijk schuldig verklaard aan ongeloof en tegenspraak tegen God (Ex. 4:14); ja hij werd zelfs om zijn ongeloof gestraft (Num. 20:10-12. Ps. 106:33). Reeds Israël’s eerste vader, de stichter des verbonds, Mozes, is voor God met zondeschuld bezwaard geweest! Waar blijven dan de overigen? Hoe zullen zij zich rechtvaardigen? .
Daarom zal Ik bij de overgave in ballingschap de oversten des heiligdoms, de priesters en geestelijke overheden, ontheiligen 1) daar Ik zonder acht te slaan op hunnen heiligen stand, ook hen in den vreemde wegvoer, waar zij aan schande zullen overgegeven zijn, en Jakob ten ban overgeven, en Israël tot beschimpingen voor de heidense volken.
Of: Daarom ontheiligde Ik Israël en dan later en gaf over Jakob enz. Toen dit woord gesproken werd, werd Israël reeds in ballingschap gedacht. Het ontheiligen heeft hier de betekenis van alle betrekking tot Mij, den Heere God, doen ophouden, in plaats van heiligen, Mij gewijden, gewone mensen van hen maken, die niet meer tot des Heren dienst in betrekking stonden.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel