Getuigen voor God
Beluister deze preek
Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.
Voorgelezen door een computerstem (ElevenLabs).
Een preek uitgesproken in het jaar 1875 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.
Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE. Jesaja 43:10
Het is al geruime tijd geleden dat ik wist wat vrije tijd is. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat is mijn tijd gevuld met allerlei vormen van dienst aan de Meester. Daarom viel het mij de afgelopen week bijzonder zwaar dat ik verplicht was vele uren in een politierechtbank door te brengen. Terwijl ik daar in de rechtszaal zat, kwam deze tekst steeds weer bij mij op: ‘Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE.’ Er loopt een grote rechtszaak, waarin alle werelden samen de jury vormen: een grote zaak tussen de machten van het kwaad en de ene, volmaakte Heere van het goede. Er is laster uitgestort tegen de Naam en de majesteit van de hemel, en er zijn complotten gesmeed met de bedoeling de heiligheid en de waarheid van God omver te werpen. De hele broederschap van de hel heeft al haar kwaadaardige sluwheid ingezet om de God van hemel en aarde te belasteren. We weten hoe de zaak zal aflopen, want we weten aan welke kant de waarheid ligt. Maar zie, al die eeuwen lang heeft de zaak in de weegschaal gelegen.
Soms leek het of de waarheid de overwinning had behaald, maar op andere momenten kwamen de machten van het kwaad weer naar voren. Deze rechtszaak is nog steeds gaande. Satan brengt zijn getuigen naar voren, die maar al te graag liegen en de leer van de vader der leugen bevestigen. Aan de andere kant brengt de Heere Zijn getuigen naar voren, om getuigenis te geven voor de waarheid en de gerechtigheid. Hier zijn er velen over wie de tekst spreekt: ‘Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE.’ In deze grote rechtszaak van de eeuwen worden wij opgeroepen om naar voren te komen als getuigen voor God. Laten we heel eenvoudig over deze zaak spreken.
I. Om te beginnen nemen we de eenvoudige bewering dat wij getuigen zijn, en vragen we ons af wat voor getuigen we moeten zijn. Ik acht het geen kleine eer dat de goede Heere mij als getuige in Zijn zaak oproept. Daarom ben ik in elk geval een gewillige getuige. Ik heb geen dagvaarding nodig om mij te dwingen naar voren te komen en zo goed als ik kan getuigenis te geven tot eer van Zijn grote Naam. Wie van u blijmoedig voor de Heere naar voren kan komen, moet aandacht geven aan de plicht van een getuige. Laten we zien wat de belangrijkste punten van die plicht zijn.
Laten we in de eerste plaats aanwezig zijn om te getuigen, op de juiste plaats en op het juiste moment. Ik ken christenen die een zeer ‘teruggetrokken’ aard hebben. Ik geloof dat dat hun favoriete woord ervoor is. Ik vrees dat de waarheid van God zou zeggen dat ze laf zijn, en daarom zwijgen ze juist wanneer ze getuigenis zouden moeten geven. Ze zijn bereid genoeg om te getuigen als duizenden anderen dat ook doen. Ze kunnen ‘Hosanna’ roepen als alle straten ervan weergalmen. Maar er zijn er niet zoveel bereid om voor Christus te getuigen als overal de rauwe kreet ‘Kruis Hem! Kruis Hem!’ klinkt. Als we getuigen voor God zijn, zijn we verplicht te getuigen van alles wat we weten, maar vlees en bloed geven ons in om uit de weg te blijven als het om onwelgevallige waarheden gaat. Sommige broeders vinden het gemakkelijk om de nadruk te leggen op rustige gedeelten van het Woord van God, en niet op waarheden die hun moeite zouden kunnen bezorgen en discussie oproepen. De leer die al aanvaard is, bevestigen ze graag, omdat iedereen het met hen eens is. Maar juist dat deel van de waarheid dat het meest een getuigenis nodig heeft, wordt ontweken en zelfs met minachting bekeken.
Laten we er altijd zijn als er een getuige nodig is die zich laat intimideren en mishandelen omdat hij de onwelgevallige waarheid van God uitspreekt. Kies en keur nooit in de waarheid of in uw getuigenis ervan. Of, als u dan toch moet kiezen, verdedig dan het meest de waarheid die het meest wordt veracht. Bent u ergens waar mensen God lasteren, getuig dan tegen die godslastering, kalm maar beslist. Woont u ergens waar dwaling wordt geleerd, wacht dan op een goede gelegenheid en kom dan op voor Jezus. Ik zeg niet dat u als een dolende ridder rond moet trekken en met iedereen de strijd moet aangaan. Maar als er over enig punt van de waarheid een getuige nodig is, wees dan de man en belijd de goede belijdenis voor Jezus, uw Heere.
Vervolgens: als we getuigen voor God zijn, moeten we niet alleen op onze plaats zijn, maar ook bereid zijn om te spreken wanneer het moment daar is. Geen verloste mag in enige mate een onwillige getuige voor zijn Heere zijn. Het is jammer als de waarheid met evenveel moeite uit ons getrokken moet worden als een rotte kies. De beste wijn is die welke het vrijst uit de druif vloeit. En het beste getuigenis is dat wat iemand met een blij hart geeft, omdat hij de waarheid in zijn eigen ziel waardeert en wil dat anderen haar ook op prijs stellen. De gedachte dat onze Heere Jezus voor ons gezwegen heeft, zou ons ervan moeten weerhouden ooit tegenover Hem te zwijgen.
Eén woord uit Zijn mond in de rechtszaal van Pilatus zou de betovering hebben verbroken die Hem aan de dood bond, maar Hij wilde het niet spreken. Als nu één woord van onze lippen ons doodvonnis zou tekenen, laten we het dan toch spreken als het een woord is voor de waarheid en voor Christus, en laten we de gevolgen blijmoedig aanvaarden. Gods ware kinderen worden nooit stom geboren. Spreek dus vrijuit als een echte man. Vertel wat u weet. Leer anderen wat God u geleerd heeft. Wat u in de binnenkamer hebt geleerd, predik dat op de daken. En wat u in het oor werd gefluisterd toen u gemeenschap had met uw God, maak dat overal bekend voor alle mensen. Spreek, spreek vrijuit voor Jezus!
Van de getuigen van de Heere wordt geëist dat zij de waarheid spreken, de hele waarheid en niets dan de waarheid. Elke getuige in de rechtszaal moet zweren dat te doen, en elk kind van God is door de meest plechtige verplichtingen aan zijn Heere gebonden om hetzelfde te doen. Onze God vraagt nooit van iemand om voor Hem te liegen. De jezuïeten hebben de leer gehuldigd dat het doel de middelen heiligt. En zo menen die – ik wilde bijna zeggen – duivelse wezens dat ze God verheerlijken als ze leugen op leugen stapelen. Een van de belangrijkste vereisten voor een priester is dat hij een leugen kan vertellen zonder ook maar enigszins te blozen, en ik moet sommigen van hen nageven dat ze het in die kunst ver gebracht hebben. Onze Heere wil niet dat we voor Hem onwaarheid spreken, of zelfs maar de waarheid verzwijgen om Zijn zaak te dienen. Soms kan er een moment komen waarop u denkt: ‘Tja, ik weet het niet. Mijn vriend zal zich ergeren als ik die waarheid van God belijd. Ik zal mijn geloof erin niet echt verloochenen, maar ik zal het afdoen als een kleinigheid van heel weinig belang.’ Zo doet u dus het kwade, opdat het goede daaruit zou komen.
Sommigen zeggen bij zichzelf: ‘Ik bevind mij in een valse positie, maar kan ik er niet beter in blijven? Ze geeft mij immers grote gelegenheden om nuttig te zijn. Het is waar dat ik niet geloof wat mijn kerk leert, maar mag ik er daarom niet toch bij blijven horen? Haar catechismus en haar liturgie geven mijn opvattingen niet weer, en er zijn veel mensen die precies tegenovergesteld denken en heel graag juist de woorden gebruiken die ik zeg te geloven, en daarmee de meest verwerpelijke dogma’s uitdrukken. Dat is allemaal betreurenswaardig, maar kan ik het niet beter verdragen en doorgaan zoals ik bezig ben?’ Mijn lieve vriend, ik geloof niet dat God ooit wil dat een van Zijn kinderen een positie inneemt waarin hij niet volstrekt waarachtig kan zijn. En ik geloof niet dat Hij hen rechtvaardigt als ze zo’n positie blijven innemen. Of ik nuttig ben of niet, gaat mij niet half zo veel aan als of ik trouw en waarachtig ben.
Dubbelzinnigheid en het verzwijgen van de waarheid kunnen de zaak van God niet dienen. U moet de waarheid voor God spreken. Hij wil niet dat u in één lettergreep of één woord iets anders spreekt dan de waarheid. En u moet heel Zijn waarheid naar voren brengen, voor zover de Heere u die geleerd heeft. Verberg niets om tactische redenen. Tegelijkertijd mag u geen enkele waarheid buiten haar juiste verhouding verheffen. Als iemands portret geschilderd moest worden, zou het een vergissing zijn om alleen zijn neus te schilderen en verder niets, of om die neus zo groot te maken dat u zijn ogen niet meer kon zien. Verdraai de waarheid van God nooit. Sommige leerstukken vullen de achtergrond van een schilderij, maar waren nooit bedoeld om op de voorgrond te staan. Toch moeten achtergrond, voorgrond en elk deel waarheidsgetrouw zijn. Mijn Heere zal geen leugenaars oproepen om voor Hem te getuigen, want zij zijn een gruwel in Zijn ogen.
Bedenk ook dat we persoonlijke getuigen moeten zijn. Onlangs kwam een getuige niet verder dan: ‘En hij zegt tegen mij, zegt hij…’, maar hij werd onmiddellijk onderbroken met de scherpe terechtwijzing dat dit geen bewijs was en dat er niet naar geluisterd kon worden. In onze rechtbanken staan we geen bewijs uit de tweede hand toe. ‘Nee,’ zegt de rechter, ‘wat hebt u zelf gezien, beste man? Dat willen we weten.’ Zo is het ook met uw getuigenis voor God. U moet getuigen van wat u zelf gezien en gevoeld hebt. Het is heel gemakkelijk om levensbeschrijvingen van goede mannen te lezen en dan naar voren te komen en over ervaring te praten, maar het is heel verkeerd om dat te doen. Laat uw ervaring uw eigen ervaring zijn en laat uw getuigenis voor God bestaan uit wat u van Zijn goede Woord hebt gesmaakt en getast.
Er is een groot verschil tussen een geestelijke ervaring uit de tweede hand, die niet meer is dan geroddel, en het persoonlijk beproeven en ondervinden van de belofte en het Woord van God. U kunt niet zeggen hoeveel kracht u zult hebben bij kinderen als u hun vertelt hoe de Heere met u handelde toen u een kind was. Of bij onbekeerden als u hun vertelt wat u ontdekt hebt van de dwaasheid van zondige genoegens en van de leegte van de wereld. Niets is nuttiger voor een jonge bekeerling dan dat u hem vertelt hoe u de Zaligmaker gevonden hebt en wat de Zaligmaker voor u geweest is. Als u te maken hebt met mensen die twijfelen en moedeloos zijn, zullen uw eigen beproevingen en uw eigen verlossingen de meest behulpzame onderwerpen zijn. Persoonlijke ervaring moet u voorzien van een persoonlijk getuigenis, en dat mag u nooit achterhouden.
Als het om getuigen gaat, is er een groot verschil tussen de een en de ander. Twee getuigen kunnen allebei de waarheid spreken, en toch zou u de een veel eerder geloven dan de ander vanwege de reputatie die de getuige al heeft. Goede advocaten tellen geen hoofden, ze wegen ze. Als ze één man hebben die bekendstaat om zijn positie en zijn eerlijkheid, en hij bevestigt iets, dan hoeven ze zijn getuigenis nauwelijks te ondersteunen. Een half dozijn getuigen van een nogal twijfelachtig allooi daarentegen zal nauwelijks in staat zijn een feit te bewijzen.
Als u voor God getuigt, geldt: hoe heiliger uw karakter is, hoe beter. Het gaat niet aan om met uw mond het ene te zeggen en met uw hand het andere te doen. Uw getuigenis voor Jezus Christus op de zondagsschool wordt bedorven als er thuis geen godsvrucht is of als het in uw zaken aan eerlijkheid ontbreekt. Als uw karakter twijfelachtig is, zult u de goede zaak eerder schaden dan helpen. De duivel wilde eens getuige voor Christus zijn. Sommigen van ons zouden het een slimme zet hebben gevonden om de duivel in de getuigenbank te zetten en hem de waarheid te laten spreken, maar de Heere Jezus Christus wilde dat niet. Hij zei: ‘Zwijg stil, en ga van hem uit’ (Lukas 4:35). De waarheid van God had geen hulp nodig van de vader der leugen. Ik nodig de goddeloze niet uit om een getuige voor Jezus Christus te zijn. ‘Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?’ (Psalm 50:16).
En toch: als u een kind van God bent, verliest uw getuigenis aanzienlijk aan gewicht als uw karakter niet zuiver is. Omwille van uw Heere smeek ik u daarom: waak over uw leven en wandel naar Zijn geboden. O, laat er nooit gezegd worden dat Christus door ons gewond werd: door ons, voor wie Hij stierf, door ons, die ons hoofd aan Zijn borst hebben gelegd! God geve dat we van begin tot eind krachtige getuigen mogen zijn, omdat ons karakter bekend is en gelezen wordt van alle mensen. Moge de Heilige Geest, Die ons heiligt, ons hierin helpen.
Nog één punt. Elke getuige moet bereid zijn om een kruisverhoor te ondergaan. O, wat hebben sommige christenen daar een hekel aan! Zelfs als het gaat om het lid worden van een gemeente, hoor ik mijn broeders in het ambt vaak zeggen dat we de weg naar de gemeente zo gemakkelijk mogelijk moeten maken, dat we de ‘lieve jonge vrienden’ geen vragen moeten stellen, en meer van zulke onzin. Ik geloof daarentegen dat het tijd wordt dat ze het leren, als ze geen rekenschap kunnen geven van de hoop die in hen is. En als ze hun eigen christelijke broeders en zusters niet onder ogen kunnen komen om over hun ervaring te vertellen, dan is dat meer de schuld van hun voorganger dan van henzelf. Ik ga geen horde laffe leden verzamelen, en ik ontsla niemand van de plicht om te vertellen wat de Heere aan zijn ziel gedaan heeft. Er zijn genoeg kerken waar jongedames en jongeheren worden aangenomen omdat ze een heel lief briefje schrijven en een of andere vriend hoopt dat het wel goed met hen zit. Zo worden ze opgenomen, en op die manier worden we overspoeld met mensen die nooit een woord voor Christus spreken en nauwelijks durven zeggen dat hun ziel van henzelf is.
We hebben te veel van die godsdienst met glacéhandschoenen en lavendelwater. Wat mij betreft zou ik er niet over peinzen om met zo’n regiment soldaten die op donzen bedden willen slapen door de wereld te trekken. Geef mij de mannen maar die vervolging kunnen verdragen, die klaarstaan om de straat op te gaan en Christus op de hoeken te prediken, en die de moed hebben om een woord voor Jezus te spreken tegen ieder die ze ontmoeten. We hebben een geslacht van helden nodig; lafaards hebben we al genoeg. Lieve vrienden, we moeten een kruisverhoor kunnen verdragen, want de wereld zal ons verhoren met harde woorden, spot, insinuaties, verdraaiingen en leugens. Hoe openhartiger we zijn, hoe vaker we door de spitsroeden zullen moeten lopen, maar daar moeten we op voorbereid zijn.
Als onze voorvaders niet zonder bloed naar hun tronen zijn gegaan, en wij nog ‘tot den bloede toe niet tegengestaan’ hebben, ‘strijdende tegen de zonde’ (Hebreeën 12:4), zullen wij dan met ingehouden adem over Christus spreken, of laf toestemmen om onze mond te houden? ‘Ik zou net zo lief niet bestaan als te leven in ontzag voor iemand die niet meer is dan ikzelf.’ Moet een christen bang zijn voor mensen en zijn beginselen verbergen uit angst dat hij wordt uitgelachen? Dat zij verre! Laat de schaamte maar over aan hen die geen godsdienst hebben of een godsdienst die niets waard is. Laten wij in leven en sterven ware getuigen voor Christus zijn, onze voorvaders die ons voorgingen waardig, en indachtig aan de ogen die op ons gericht zijn.
II. We slaan nu een andere toon aan en staan stil bij het feit dat we een getuigenis af te leggen hebben. Laten we nagaan van welke feiten we getuigenis kunnen geven.
Laten we even nadenken. Stel dat we allemaal christen zijn, dan kunnen we toch niet allemaal van precies dezelfde feiten getuigen, want er is groei in ervaring. Maar er zijn enkele feiten waarvan ieder van ons die de Heere kent een heel stellig getuigenis kan geven.
In de eerste plaats kunnen we getuigen van veel eigenschappen van God, bijvoorbeeld dat Hij waarachtig is. We zien dat Hij in Zijn Woord zegt dat de mens gevallen is en dat zijn hart arglistig is. Is dat zo, broeders en zusters? Wat is uw getuigenis over uzelf? Als u niet over anderen kunt spreken, hoe ervaart u het dan in uzelf? Ik moet waarlijk een pijnlijk stellig getuigenis afleggen van de verdorvenheid van mijn hart! Toen ik het kwaad van mijn natuur zag, of meende te zien, werd ik door die aanblik tot wanhoop gedreven. En al heeft het zien van Jezus Christus mij vrede gegeven, toch kan ik nooit vergeten hoe verdorven mijn natuur is. God hoeft Zijn genade maar terug te trekken, en zoals de vloed de hele wereld deed verdrinken, zo zouden de diepten van onze verdorvenheid alles wat er aan genade in ons is doen verdrinken. We weten dat God hier de waarheid gesproken heeft, omdat de feiten in ons eigen leven het bewijzen.
De Heere heeft beloofd dat ieder die in de Heere Jezus Christus gelooft, het eeuwige leven zal hebben. Wij hebben in Jezus Christus geloofd. Hebben we gemerkt dat ons nieuw leven geschonken is? Laten we vrijuit spreken. Zijn we ons ervan bewust dat we een hemels leven bezitten? Als er iets in de wereld waar is, dan weten we zeker dat dit waar is. De genade heeft ons veranderd. We hebben ogen waarmee we het onzichtbare zien, en oren waarmee we het eeuwige horen. We hebben geleerd om wat nog niet gezien wordt als werkelijkheid te kennen; ons geloof is ‘een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet’ (Hebreeën 11:1). Er is een geestelijk leven in ons. We kunnen het niet beschrijven. We kunnen iemand die zich van zo’n leven niet bewust is, niet duidelijk maken wat het is. Maar dat we het hebben, is een vaststaand feit, en we getuigen er gewillig van.
Er zijn mensen die de godsdienst helemaal belachelijk maken en die naast al het andere ook dit feit bespot hebben, maar daartoe hebben ze het recht niet. Velen van ons zijn even eerlijk en betrouwbaar als andere mensen, en bijna even verstandig. Als we in de getuigenbank zouden plaatsnemen, zou niemand ons getuigenis in twijfel trekken. Zelfs zij die ons bespotten, zouden ons daar geloven. Waarom geloven ze ons dan nu niet? Ik begrijp niet waarom zij het bewezen achten dat er geen nieuw leven bestaat, alleen omdat zij het zelf niet ervaren hebben. Negatief bewijs is in zo’n geval waardeloos. Als wij getuigen dat wij het ervaren hebben, is het niet meer dan billijk dat zij dat getuigenis aanvaarden, of ze de waarheid ervan nu zelf kennen of niet. Laten we er in elk geval heel, heel duidelijk over zijn en zeggen: ‘Ja, onze God was waarachtig in wat Hij zei over onze gevallen staat, en God is waarachtig in wat Hij zegt over de vernieuwing van de ziel door de Heilige Geest, door het geloof in Jezus Christus.’
Dat God waarachtig is, zal ook blijken uit het feit dat Hij onze gebeden verhoort, ons verlost in tijden van beproeving, Zijn beloften vervult, en op vele andere manieren. Telkens als ons zoiets overkomt, laten we dan als getuigen opstaan en zeggen: ‘Zeker, de Heere is waarachtig.’
Geliefden, we moeten ook getuigenis geven van de liefde van God. We hebben een oud spreekwoord dat ieder moet spreken zoals hij het bevonden heeft. Spreek over de Heere zoals u Hem bevonden hebt. Ik weet zeker dat ik dat nooit zo zal kunnen doen dat ik er zelf tevreden over ben. Mijn gezegende God! Is er ooit iemand aan U gelijk geweest? Al waren de goden van de heidenen goden, dan waren ze nog niet waard om op dezelfde dag genoemd te worden als onze gezegende God! Wat een liefde heeft Hij over sommigen van ons uitgestort! Ik twijfel er niet aan dat ieder van u die de Heere kent mij zal nazeggen, maar ik moet zeggen dat de Heere mij elke dag verrast met Zijn goedertierenheid en Zijn tedere barmhartigheden. Hij doet mij smelten in het vuur van Zijn genade. Ik begrijp niet waarom Hij zo goed voor mij is. Als Hij Zijn opstandige kind alleen maar vergeven had en hem had toegestaan afwasser te zijn in de koninklijke keuken, zou ik uit dankbaarheid Zijn voeten hebben gekust. Maar zie, Hij heeft tegen mij gezegd: ‘Gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus’ (Galaten 4:7), ja, een medeërfgenaam van Christus. Als Hij mij alleen maar één glimp van Zijn liefde had gegund, zodat mijn ziel wist dat ik niet volkomen verloren was, zou ik Hem tot in alle eeuwigheid hebben geprezen. Maar in plaats daarvan heeft Hij al Zijn goedheid voor mij voorbij laten gaan en Zijn heerlijke Naam uitgeroepen.
Wat Zijn tederheid voor mij in Zijn voorzienigheid betreft, Zijn goedheid in het kastijden en Zijn zachtheid in het herstellen: ik ben er overweldigd door! Geprezen zij Zijn Naam! U mag elke meester nemen die u wilt, maar Hij is de mijne voor eeuwig. En u mag elke god aanbidden die u wilt, maar ik wil geen ander dan de Heere. U mag uw schoonheden prijzen zoveel u wilt, maar mijn Geliefde is gans begeerlijk.
Verder, broeders en zusters, kunnen we getuigen van de wijsheid van onze Heere, nietwaar? Wij jongeren kunnen dat niet zo goed als onze ouderen. Maar mijn bejaarde vrienden hier, die de zestig en zeventig naderen, verblijden ons als ze spreken over de wijsheid van de Heere. U bent levende bewijzen dat alle wegen van de Heere wijs zijn, want Hij heeft alle dingen ten goede voor u bestuurd, en hier bent u, om Zijn Naam te prijzen. Straks, als onze levensreis meer ten einde loopt, zullen we anderen nog meer kunnen vertellen over de wijsheid en het beleid die de Heere ons overvloedig heeft doen toekomen. Laten we voorlopig getuigen van wat we weten.
Geliefde vrienden, we kunnen ook getuigen van de onveranderlijkheid van God. Natuurlijk is ons leven op zijn langst zo kort dat we niet veel kunnen getuigen van de eeuwige onveranderlijkheid van Jehova. Maar neem onze vijfentwintig jaar christelijke ervaring, of sommigen van u kunnen er vijftig nemen: is er in die tijd enige verandering in uw God geweest? Wij zijn wispelturig als de waaiende wind, maar in Hem is zeker geen verandering geweest. Hij had ons lief en Hij heeft ons nog steeds lief. Hij vergaf ons en Hij vergeeft ons nog steeds. Hij kastijdde ons en Hij kastijdt ons nog steeds. En Hij ondersteunde ons en Hij ondersteunt ons nog steeds:
Onveranderlijk is Zijn wil;
hoe donker mijn gemoed ook is,
Zijn liefdevolle hart
blijft eeuwig hetzelfde.
Mijn ziel gaat door veel wisselingen heen,
Zijn liefde kent geen verandering.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
We hebben dit in de praktijk ondervonden. Misschien dachten we in tijden van nood dat Zijn liefde ons in de steek liet, maar als we terugkijken, belijden we hoe we ons vergist hebben. Er was evenveel liefde in de kastijding van de Heere als in Zijn liefkozingen. We werden evenzeer liefgehad toen we ons verborgen onder de schaduw van Zijn vleugels als toen we ons verheugden in het licht van Zijn aangezicht. Geprezen zij Zijn Naam, Hij verandert niet!
Broeders en zusters, naast de zaken die duidelijk op God betrekking hebben en waarin we getuigen zijn van het karakter van de Allerhoogste, zijn er nog andere feiten waarvan we getuigen. Een daarvan is dit: we kunnen getuigen van de kracht van het gebed. Terwijl ik dat laatste woord uitsprak, viel mijn oog op een zuster hier beneden mij, die ik verder niet zal aanwijzen. Zij en ik weten hoe we samen in het gebed geworsteld hebben voor een zekere zieke dochter en hoe de Heere ons verhoorde, zodat ik van mijn knieën opstond en tegen haar zei: ‘Ga heen. Als u thuiskomt, zult u merken dat uw dochter aan de beterende hand is.’ Ze weet dat ze het zo aantrof, en hoe God sindsdien op vele andere manieren haar gebeden verhoord heeft. Ik spreek tot sommigen voor wie het gebed een dagelijkse zaak is, een omgang met God die ze niet alleen op bepaalde tijden onderhouden, maar het hele jaar door. Als u dat doet, worden gebedsverhoringen zo gewoon dat u een groot deel ervan vergeet en dat alleen de meest bijzondere in uw geheugen blijven.
Als iemand mij vertelt dat God het gebed niet hoort, lach ik hem in zijn gezicht uit. Hij zou mij net zo goed kunnen vertellen dat de zon niet schijnt of dat twee keer twee geen vier is. God hoort het gebed elke dag en elk uur van de dag, en ik weet dat. Men zou mij eerder kunnen afbrengen van het geloof dat ik besta dan van de wetenschap dat God naar mijn smeekbeden luistert. Op dit punt sta ik niet alleen, want er zijn duizenden die samen zullen verklaren: ‘Waarlijk, er is een God Die het gebed hoort!’ Als ik broeders en zusters hoor zeggen hoe verbazingwekkend het is dat God het gebed verhoord heeft, vind ik het veel verbazingwekkender dat zij zo spreken. Het is toch niet verrassend dat God Zijn woord houdt! Nee, dit is het gewone van het echte christendom: een God Die het gebed werkt in het hart, en een God Die het gebed verhoort, zowel in Zijn voorzienigheid als in Zijn genade. Broeders en zusters, wees nooit traag om te getuigen van een God Die het gebed hoort.
We zijn ook heel zeker van de werking van het Evangelie. Waar het Evangelie werkelijk gepredikt wordt, zullen er vruchten zijn, en waar het Evangelie geloofd wordt, is het ‘een kracht Gods tot zaligheid’. Sommigen die hier aanwezig zijn, zijn daar getuigen van. U hebt een klas lesgegeven op de zondagsschool en u hebt gezien hoe jongens of meisjes tot God bekeerd werden. Er zijn broeders die aan deze gemeente verbonden zijn en in de laagste delen van Londen geëvangeliseerd hebben, en zij hebben gezien hoe die streken overvloedig kostbare vrucht voor God voortbrachten. Anderen hebben het Evangelie gebracht bij de diepst gevallenen en hebben gezien hoe zij teruggebracht werden. De mannelijkheid die uitgedoofd leek, is weer gaan stralen.
De vrouwelijkheid die vertrapt leek, heeft geschitterd als een kostbaar juweel. Gods Evangelie heeft wonderen gedaan. Het is niet vreemd als een predikant sceptisch wordt wanneer hij nooit bekeringen ziet. Het bewijs van het Evangelie ligt in wat het doet. Als het mensen niet behoedt voor het zondigen, als het de gevallenen niet opricht, als het de wanhopigen geen licht en vreugde geeft, dan ontbreken er zeker de bewijzen van zijn goddelijke zending. Want zelfs Jezus Christus Zelf gaf dit als bewijs van Zijn zending: ‘dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, den armen het Evangelie verkondigd wordt’ (Lukas 7:22). Als dat nu niet meer waar is, mogen we betwijfelen of het Evangelie dat wij prediken het Evangelie van Jezus Christus is. Maar we kunnen getuigen, en o, hoe blij doen we dat, dat het Evangelie zijn kracht niet verloren heeft!
Nog een punt. Als Gods getuigen kunnen we spreken over de zoetheid van de nauwe gemeenschap met Hem, een onderwerp waarbij ik mijn dwalende tong nauwelijks durf te vertrouwen. O, broeders en zusters, er gaat niets boven de vreugde die voortkomt uit de verheven gemeenschap met God. De heer Aitken vertelde ons onlangs op een middag dat hij ons een recept zou geven om ellendig te worden. Ik meen dat zijn woorden waren: ‘Wees halfslachtige christenen.’ Hij zei: ‘Als u een wereldling bent, krijgt u nog een soort plezier. U krijgt de beschilderde zeepbel, en al zal hij snel uiteenspatten, u krijgt hem toch. En als u een echte christen bent, door en door, krijgt u de vreugde van de Heere. Maar als u noch het een noch het ander bent, krijgt u niets.’ Hebt u nooit kleine jongens gezien die ’s morgens gaan zwemmen en tot hun knieën in het water staan te rillen? Natuurlijk rillen ze! De manier om warm te worden, is er met het hoofd voorover in te duiken. Sommige belijders staan in heel ondiep water, en ze rillen en roepen:
Dit is iets wat ik zo graag zou weten,
het bezorgt mij vaak angstige gedachten,
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
enzovoort. O, mijn broeders en zusters, geef u geheel aan Christus, en de vreugde van de Heere zal de uwe zijn, zoals ze de onze is. Dit zijn enkele van de zaken waarover we kunnen spreken.
III. Nu heel kort het derde punt. Als een getuige voor de ene partij wordt opgeroepen, staat hij tegenover de andere partij. Zo moeten ook wij bedenken dat ons getuigenis de andere partij veroordeelt.
We zijn getuigen tegen de zonde. De zonde komt met een geschminkt gezicht, zoals Izebel, maar wij getuigen dat zij een verderfster is en moet sterven. De genoegens van de zonde zijn niet meer dan een maskerade van ellende. Gelukkig zijn zij die nooit drinken uit de beker die deze sirene aanbiedt. God geve dat geen van onze jonge vrienden de genoegens van de ondeugd uitprobeert, want die zijn als dodelijke scheerling. Wie pas op latere leeftijd bekeerd is, legt een heel droevig getuigenis af dat de zonde ellende is en dat het loon van de zonde de dood is.
We getuigen ook tegen het eigen ik. Velen zeggen met het spreekwoord: ‘Het eigen ik is de man.’ Het eigen ik zal redden, het eigen ik is rechtvaardig! Maar ons getuigenis is dat het eigen ik geen kracht heeft om zijn eigen voornemens uit te voeren, dat het een bedelaar in lompen is terwijl het zich een koning waant, dat het leegte en ijdelheid, bedrog en dood is. Dat getuigenis leggen we nu af, en we zullen het altijd moeten afleggen.
We getuigen ook tegen het ongeloof. Is er hier een christen die ooit iets gewonnen heeft door ongelovig te zijn? Is er ooit een kind van God aan moeite ontkomen door de trouw van de Heere te wantrouwen? Nee. Door ons ongeloof zijn we altijd verliezers geweest, nooit winnaars. Ongeloof is een ellendige bedrieger. Bunyan zegt dat Ongeloof gevangengenomen en veroordeeld werd om opgehangen te worden, maar hij zegt heel terecht dat hij uit de gevangenis ontsnapte, ‘want hij was een vlugge vent’. Het enige deel van De Christenreis waarop ik geneigd was iets aan te merken, is het deel waar meneer Grootmoed de reus Wanhoop het hoofd afslaat, want voor zover ik weet, leeft hij nog. Maar Bunyan zet dat recht door in zijn rijmpje te zeggen:
De zonde kan zijn kasteel herbouwen en het doen blijven staan,
en de reus Wanhoop weer tot leven brengen!
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
O, dat ellendige ongeloof! Broeders, laat uw getuigenis ertegen helder en duidelijk zijn! Bovendien getuigen we tegen de satan, van wie we weten dat hij een bedrieger, een leugenaar en een moordenaar is. Het kwade is nooit goed, en we mogen er ook geen plaats aan geven om het voor nuttige doeleinden te gebruiken. We moeten de boze weerstaan, vast blijven in het geloof en altijd getuigen dat hij de dodelijke vijand van de ziel is, welke vermomming hij ook aanneemt.
Tot slot wil ik zeggen dat er tijden zijn waarin ons getuigenis bijzonder waardevol is. Vraagt u wanneer dat is? Ik antwoord: uw getuigenis is kostbaar wanneer anderen zondig zwijgen. Als u woont op een plaats waar weinig ernstige christenen zijn en waar de dwaling welig tiert, wees dan trouw, mijn broeder, mijn zuster. Uw licht is nodig waar weinig lampen zijn. U hoeft geen kritiek te hebben op anderen, want daarmee helpt u de zaak niet. Is het daar donker, schijn dan des te meer. Heerst de dwaling, houd dan de waarheid omhoog. Er is geen argument tegen de dwaling dat opweegt tegen de waarheid van God die verdedigd wordt, waarin men zich verheugt en waarnaar men leeft. Een getuigenis wordt kostbaarder naarmate het zeldzamer wordt. Misschien had u uw mond kunnen houden als er verdedigers in overvloed waren geweest. Maar nu ze zo schaars zijn, wees dan dubbel ijverig om, net als uw goddelijke Heere, getuigenis te geven van de waarheid.
Getuigen worden ook waardevol in tijden van vervolging. Hebt u moeten lijden omwille van Christus? Broeder, zuster, wees blij, want ‘alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn’ (Mattheüs 5:12). Als u geduldig kunt zijn, als u spot kunt verdragen zonder wrok, als u, wanneer u gescholden wordt, niet terugscheldt, dan hebt u een prachtige gelegenheid. De wereld kijkt naar iemand die bespot en belachelijk gemaakt wordt, om te zien hoe hij zich gedraagt. Als hij zich als een christen gedraagt, voelt de wereld zijn kracht en respecteert zij zijn standvastigheid. Geef een beetje toe, en u zult meer moeten toegeven en veracht worden. Maar wie vasthoudt aan zijn beginselen, dwingt respect af. Zet uw voet neer! Sta vast waar God u wil hebben, en uw getuigenis zal aan waarde winnen juist door de spot die erover wordt uitgestort.
Mijn broeders en zusters, uw getuigenis is niets minder waard omdat u arm bent. Niets brengt het Evangelie meer eer dan het godvrezende leven van eenvoudige christenen. Het is een eer voor het Evangelie als iemand een adellijke kroon draagt en toch bidt, maar hoe weinigen hebben dat gedaan! Een arme man die blij, tevreden, dankbaar en vol vertrouwen is, behoort tot Gods adel, en de gemeente van God eert hem. We zijn blij als we zulke mannen in de getuigenbank zien staan om de goedertierenheid van de Heere te verkondigen.
Ons getuigenis krijgt ook meer gewicht naarmate we ouder worden. Mensen schenken meer aandacht aan de woorden van ervaren mensen. Het is natuurlijk en juist dat ze dat doen. Nu de jaren ons bekruipen, moeten we er des te meer naar streven dat ons getuigenis voor God helder, degelijk en veelvuldig is. Een bejaarde christen die weinig of niets te zeggen heeft voor zijn Meester, is een droevige belemmering voor jonge beginners. Ik betreur ten zeerste het voorbeeld van sommigen die al lang belijders zijn, maar nog altijd jonge kinderen in Christus blijven, als ze al in Christus zijn. Het is erg jammer om een hoofd te zien dat wit geworden is in het zonlicht van de hemel, terwijl er zo weinig van de hemel in de dagelijkse wandel te zien is. Sta op, ernstige en eerbiedwaardige vaders, en verkondig de trouw van onze God!
Zeer kostbaar zijn ook de getuigenissen van de zieken. Het is een zware beproeving als zij die we liefhebben voortdurend lijden. We zouden hun pijn graag een tijdje dragen om hun wat verlichting te geven. Toch kan er geen grotere zegen in iemands huis komen dan een beproefd kind van God. Beproefden gaan zo diep, ze spreken zo oprecht en zo ontroerend. Er is geen onzin in hun godsdienst. Felle pijn verdrijft al snel alle illusies, en schijn en bedrog houden geen stand tegenover de ernstige werkelijkheid van langdurige ziekte. Getuigen in de oven van de verdrukking zijn werkelijk krachtig. We horen geen liederen in de nacht voordat de borst door de doorn doorboord is. Als er niet sommigen waren die, zoals de Arabische duikers, diep wegduiken in de diepten van het verdriet, zouden we minder parels hebben. Maar zulke mensen zijn er, en hun getuigenissen zijn kostbaar. Als het straks onze beurt is, de uwe en de mijne, om een tijd lang boven op bed te liggen en vanaf ons bed te preken, God geve dan dat we genadige preken mogen houden!
Ten slotte is er iets bijzonder waardevols aan het getuigenis van de stervende heilige. De Heere kan wel tot zulke mensen zeggen: ‘Gijlieden zijt Mijn getuigen.’ Sommigen van ons herinneren zich getuigenissen die we van de lippen van stervenden mochten opvangen, en die hebben ons geloof zeer versterkt. Ik herinner mij een broeder die altijd naar de dorpen liep om te preken, een man met heel weinig gaven, maar met een groot hart. Ik ken nauwelijks een krachtiger getuigenis dan wat hij in zijn laatste uren uitsprak. Hij was door zijn ziekte blind geworden, en toen hij de stem van een vriend hoorde, sprak hij hem zo aan:
Als u mijn ogen ziet breken,
hoe zoet gaan mijn laatste ogenblikken voorbij!
Een doodsbleekheid op mijn wang,
maar heerlijkheid in mijn ziel!
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Zijn blijde toon gaf zijn woorden een diepe ernst. O, die zoete getuigenissen van de stervenden, hoe bewaren we ze! Kinderen spreken in hun laatste uren even wijs over Jezus als oude mannen. Moeders en vaders laten getuigenissen achter die kostbaar zijn als edelstenen. Maar ik houd op. U en ik zullen spoedig heengaan. Moge de goddelijke genade ons in staat stellen te sterven met een blij getuigenis op onze lippen!
Helaas, nu ik afsluit, bedenk ik dat sommigen van u geen getuigen voor God zijn, want u weet niets van Hem! Bedenk: als u geen getuigen voor God bent, zult u gevangenen zijn voor Zijn rechterstoel. Dan moet u óf als getuige voor God in de getuigenbank staan, óf de plaats van de gevangene innemen, om verhoord en schuldig bevonden te worden. O zondaars, ik wilde dat u onze God op de proef stelde, van Wie wij getuigen zijn! Als we Hem onwaarachtig hadden bevonden, zouden we het u vertellen. Als we gemerkt hadden dat Christus niet kon redden, zouden we het u vertellen.
Als we gemerkt hadden dat God niet kon vergeven, zouden we het u vertellen. Als de godsdienst ons ellendig maakte, zouden we het u vertellen, of u zou het zelf wel merken. Als God in Zijn voorzienigheid niet te vertrouwen was en het gebed niet hoorde, zouden we het u vertellen, want we hopen dat we geen leugen in stand zouden houden. Maar zulke onthullingen hebben we niet te doen. We geven ons getuigenis voor God van harte. Bedenk dat er geschreven staat: ‘Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen’ (Johannes 6:37). Ga heen en stel de waarheid van die belofte op de proef, en God zegene u, omwille van Jezus.
Amen.
Preek nr. 3165 · Gehouden te Newington, Londen, in het jaar 1875; exacte datum onbekend, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 55. Oorspronkelijke titel: “Witnesses for God”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.
