Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Te dien dageH3117 zal ditH2088 liedH7892 gezongenH7891 worden in hetH1931 landH776 van JudaH3063; Wij hebben een sterkeH5797 stadH5892, God steltH7896 heilH3444 tot murenH2346 en voorschansenH2426.
Te dien dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda; Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen.
KJV
In that day1
shall this song4
be sung3
in the land6
of Judah;7
We have a strong
city;8
salvation11
will God appoint12
for walls13
and bulwarks.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Doet de poortenH8179 openH6605, dat het rechtvaardigeH6662 volkH1471 daarin ga, hetwelk de getrouwighedenH529 bewaartH8104.
Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart.
KJV
Open1
ye the gates,2
that the righteous5
nation4
which keepeth6
the truth7
may enter in.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Het is een bevestigdH5564 voornemenH3336, Gij zult allerleiH7965 vredeH7965 bewarenH5341, wantH3588 men heeft op U vertrouwdH982.
Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd.
KJV
Thou wilt keep3
him in perfect4
peace,5
whose mind1
is stayed2
on thee: because he trusteth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
VertrouwtH982 op den HEEREH3050 totH5704 in der eeuwigheidH5703; wantH3588 in den HeereH3068 HEEREH3068 is een eeuwigeH5769 rotssteenH6697.
Vertrouwt op den HEERE tot in der eeuwigheid; want in den Heere HEERE is een eeuwige rotssteen.
KJV
Trust1
ye in the LORD2
for ever:4
for in the LORD6
JEHOVAH7
is everlasting9
strength:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantH3588 Hij buigtH7817 de hooggezetenenH4791 nederH7817, de verhevenH7682 stadH7151; Hij vernedertH8213 ze, Hij vernedertH8213 ze totH5704 de aardeH776 toe, Hij doet ze tot aan het stofH6083 reikenH5060.
Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken.
KJV
For he bringeth down2
them that dwell3
on high;4
the lofty6
city,5
he layeth it low;7
he layeth it low,8
even to the ground;10
he bringeth11
it even to the dust.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
De voetH7272 zal ze vertredenH7429, de voetenH7272 des ellendigenH6041, de tredenH6471 der armenH1800.
De voet zal ze vertreden, de voeten des ellendigen, de treden der armen.
KJV
The foot2
shall tread it down,1
even the feet3
of the poor,4
and the steps5
of the needy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Het padH734 des rechtvaardigenH6662 is geheel effenH4339, den gangH4570 des rechtvaardigenH6662 weegtH6424 Gij rechtH3477.
Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.
KJV
The way1
of the just2
is uprightness:3
thou, most upright,4
dost weigh7
the path5
of the just.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Wij hebben ook in den wegH734 Uwer gerichtenH4941, U, o HEEREH3068! verwachtH6960; tot Uw NaamH8034 en tot Uw gedachtenisH2143 is de begeerteH8378 onzer zielH5315.
Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o HEERE! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel.
KJV
Yea, in the way2
of thy judgments,3
O LORD,4
have we waited5
for thee; the desire8
of our soul9
is to thy name,6
and to the remembrance
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Met mijn zielH5315 heb ik U begeerdH183 in den nachtH3915, ook zal ik met mijn geestH7307, dieH834 in het binnensteH7130 van mij is, U vroeg zoekenH7836; wantH3588 wanneer Uw gerichtenH4941 op de aardeH776 zijn, zo lerenH3925 de inwonersH3427 der wereldH8398 gerechtigheidH6664.
Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid.
KJV
With my soul1
have I desired2
thee in the night;3
yea, with my spirit5
within6
me will I seek thee early:7
for when thy judgments10
are in the earth,11
the inhabitants14
of the world15
will learn13
righteousness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Wordt den goddelozeH7563 genadeH2603 bewezen, hij leertH3925 evenwel geen gerechtigheidH6664, hij drijft onrechtH5765 in een gans richtigH5229 landH776, en hij zietH7200 de hoogheidH1348 des HEERENH3068 niet aan.
Wordt den goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een gans richtig land, en hij ziet de hoogheid des HEEREN niet aan.
KJV
Let favour be shewed1
to the wicked,2
yet will he not3
learn4
righteousness:5
in the land6
of uprightness7
will he deal unjustly,8
and will not9
behold10
the majesty11
of the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
HEEREH3068! is Uw handH3027 verhoogdH7311, zij zienH2372 het niet; maar zij zullen het zienH2372, en beschaamdH954 worden, vanwege den ijverH7068 over Uw volkH5971, ook zal het vuurH784 Uw wederpartijdersH6862 verterenH398.
HEERE! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege den ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren.
KJV
LORD,1
when thy hand3
is lifted up,2
they will not see:5
but they shall see,6
and be ashamed7
for their envy8
at the people;9
yea, the fire11
of thine enemies12
shall devour
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
HEEREH3068! Gij zult ons vredeH7965 bestellenH8239, wantH3588 Gij hebt ons ookH1571 alH3605 onze zakenH4639 uitgerichtH6466.
HEERE! Gij zult ons vrede bestellen, want Gij hebt ons ook al onze zaken uitgericht.
KJV
LORD,1
thou wilt ordain2
peace3
for us: for thou also hast wrought9
all our works
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
HEEREH3068, onze GodH430! andere herenH113, behalve Gij, hebben over ons geheerstH1166; doch door U alleen gedenkenH2142 wij Uws NaamsH8034.
HEERE, onze God! andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; doch door U alleen gedenken wij Uws Naams.
KJV
O LORD1
our God,2
other lords4
beside5
thee have had dominion3
over us: but by thee only will we make mention8
of thy name.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
DoodH4191 zijnde zullen zij niet weder levenH2421, overledenH7496 zijnde zullen zij niet opstaanH6965; daaromH3651 hebt Gij hen bezochtH6485, en hebt hen verdelgdH8045, en Gij hebt alH3605 hun gedachtenisH2143 doen vergaanH6.
Dood zijnde zullen zij niet weder leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt Gij hen bezocht, en hebt hen verdelgd, en Gij hebt al hun gedachtenis doen vergaan.
KJV
They are dead,1
they shall not live;3
they are deceased,4
they shall not rise:6
therefore hast thou visited8
and destroyed9
them, and made all their memory12
to perish.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Gij, o HEEREH3068! hadt dit volkH1471 vermeerderdH3254, Gij hadt dit volkH1471 vermeerderdH3254; Gij waart verheerlijktH3513 geworden; maar Gij hebt hen in alH3605 de eindenH7099 des aardrijksH776 verre weggedaanH7368.
Gij, o HEERE! hadt dit volk vermeerderd, Gij hadt dit volk vermeerderd; Gij waart verheerlijkt geworden; maar Gij hebt hen in al de einden des aardrijks verre weggedaan.
KJV
Thou hast increased1
the nation,2
O LORD,3
thou hast increased4
the nation:5
thou art glorified:6
thou hadst removed it far7
unto all the ends9
of the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
HEEREH3068! in benauwdheidH6862 hebben zij U bezochtH6485; zij hebben hun stil gebedH3908 uitgestortH6694, als Uw tuchtigingH4148 over hen was.
HEERE! in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was.
KJV
LORD,1
in trouble2
have they visited3
thee, they poured out4
a prayer5
when thy chastening
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Gelijk een bevruchte vrouwH2030, als zij nadertH7126 tot het barenH3205, smartenH2342 heeft, en schreeuwtH2199 in haar weeenH2256, alzoH3651 zijn wij geweest, o HEEREH3068! vanwege Uw aangezichtH6440.
Gelijk een bevruchte vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in haar weeen, alzo zijn wij geweest, o HEERE! vanwege Uw aangezicht.
KJV
Like1
as a woman with child,2
that draweth near3
the time of her delivery,4
is in pain,5
and crieth out6
in her pangs;7
so have we been in thy sight,10
O LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Wij waren bevruchtH2029, wij hadden de smartenH2342, maar wij hebben niet dan windH7307 gebaardH3205; wij dedenH6213 het landH776 geen behoudenisH3444 aan, en de inwonersH3427 der wereldH8398 vielenH5307 niet nederH5307.
Wij waren bevrucht, wij hadden de smarten, maar wij hebben niet dan wind gebaard; wij deden het land geen behoudenis aan, en de inwoners der wereld vielen niet neder.
KJV
We have been with child,1
we have been in pain,2
we have as it were3
brought forth4
wind;5
we have not wrought8
any deliverance6
in the earth;9
neither7
have the inhabitants12
of the world13
fallen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Uw dodenH4191 zullen levenH2421, ook mijn dood lichaamH5038, zij zullen opstaanH6965; waaktH6974 op en juichtH7442, gij, die in het stofH6083 woontH7931! wantH3588 uw dauwH2919 zal zijn als een dauwH2919 der moeskruidenH219, en het landH776 zal de overledenenH7496 uitwerpenH5307.
Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen.
KJV
Thy dead2
men shall live,1
together with my dead body3
shall they arise.4
Awake5
and sing,6
ye that dwell7
in dust:8
for thy dew10
is as the dew12
of herbs,11
and the earth13
shall cast out15
the dead.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Ga henen, mijn volkH5971! gaH3212 in uw binnenste kamersH2315, en sluitH5462 uw deurenH1817 na u toe; verbergH2247 u als een kleinH4592 ogenblikH7281, totdatH5704 de gramschapH2195 overgaH5674.
Ga henen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de gramschap overga.
KJV
Come,1
my people,2
enter3
thou into thy chambers,4
and shut5
thy doors6
about thee: hide8
thyself as it were for a little9
moment,10
until the indignation13
be overpast.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WantH3588 zietH2009, de HEEREH3068 zal uit Zijn plaatsH4725 uitgaanH3318, om de ongerechtigheidH5771 van de inwonersH3427 der aardeH776 overH5921 hen te bezoekenH6485; en de aardeH776 zal haar bloedH1818 ontdekkenH1540, en zal haar doodgeslagenenH2026 nietH3808 langerH5750 bedekt houdenH3680.
Want ziet, de HEERE zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden.
KJV
For, behold, the LORD3
cometh out4
of his place5
to punish6
the inhabitants8
of the earth9
for their iniquity:7
the earth12
also shall disclose11
her blood,14
and shall no more cover16
her slain.
dien dage
Te weten, als het volk uit de Babylonische gevangenschap zal verlost zijn, en de kinderen Gods uit de handen hunner vijanden, zo lichamelijke als voornamelijk geestelijke.
Hertaald:
dien dage
Namelijk: wanneer het volk uit de Babylonische gevangenschap verlost zal zijn, en de kinderen van God uit de handen van hun vijanden, zowel de lichamelijke als vooral de geestelijke.
in het land
Dat is, in de gemeente Gods, overal waar die te dien tijde wezen zal, want onder den naam Juda wordt meermalen de kerk Gods verstaan.
Hertaald:
in het land
Dat is: in de gemeente van God, overal waar die in die tijd zal zijn; want onder de naam Juda wordt vaker de kerk van God verstaan.
een sterke stad,
Aldus wordt de kerk genaamd, omdat zij onder de bescherming van God vast en zeker is en blijft. Hebreeuws, ene stad der sterkte; dat is, ene stad van geweld.
Hertaald:
een sterke stad,
Zo wordt de kerk genoemd, omdat zij onder de bescherming van God vast en veilig is en blijft. Hebreeuws: een stad van sterkte — dat is: een stad van kracht.
God
Hebreeuws, Hij stelt; te weten God.
Hertaald:
God
Hebreeuws: Hij stelt, namelijk God.
stelt
De zin is: Het heil, dat God haar geeft, is haar muur en vastigheid, waar ze zich op mag verlaten. Hij zal ze daarbij wel behouden, zodat ook de poorten der hel daar niet tegen zullen vermogen, Matt. 16:18 . Of aldus, God, die ons heil, of onze Heiland en Verlosser is, zal de muur, of beschermer dezer stad, dat is, zijner kerk en gemeente zijn, daarom zal zij sterk, ja onverwinnelijk zijn.
Hertaald:
stelt
De betekenis is: het heil dat God haar geeft, is haar muur en versterking, waarop zij mag vertrouwen. Hij zal haar daarbij wel bewaren, zodat ook de poorten van de hel daar niets tegen zullen vermogen, Matth. 16:18. Of zo: God, Die ons heil is, of onze Heiland en Verlosser, zal de muur of beschermer van deze stad zijn, dat is: van Zijn kerk en gemeente; daarom zal zij sterk, ja onoverwinnelijk zijn.
voorschansen
Of, voormuren, dwingers, bolwerken.
Hertaald:
voorschansen
Of: voormuren, dwingers, bolwerken.
Doet
Met deze woorden vermanen de gelovigen elkander tot aanneming dergenen, die zich tot de gemeenschap der heiligen aanbieden. Vergelijk Ps. 118:19-20 .
Hertaald:
Doet
Met deze woorden vermanen de gelovigen elkaar om hen aan te nemen die zich voor de gemeenschap van de heiligen aanbieden. Vergelijk Ps. 118:19-20.
het rechtvaardige volk
Dat is, het uitverkoren volk Gods, hetwelk door het geloof aan Christus gerechtvaardigd is en alle getrouwheid onderhoudt.
Hertaald:
het rechtvaardige volk
Dat is: het uitverkoren volk van God, dat door het geloof in Christus gerechtvaardigd is en alle trouw onderhoudt.
de getrouwigheden
Dat is, hetwelk de trouw bestendiglijk onderhoudt, die het God en den mensen heeft beloofd. Anders: hetwelk alle trouw bewaart, of onderhoudt.
Hertaald:
de getrouwigheden
Dat is: dat volk dat standvastig de trouw onderhoudt die het God en de mensen beloofd heeft. Anders: dat alle trouw bewaart of onderhoudt.
voornemen,
Of, gedachte, besluit; te weten bij U, o God. Anders: Dat, [te weten, volk] hetwelk bevestigd is van gedachten, zult Gij bewaren in allerlei vrede, want het heeft, enz., waarvan de zin is: Dat volk, dat eens rechtvaardig gemaakt zijnde, vs.2, niet wankelbaar of onbestendig is van gedachten; zie Jak. 1:6 , Jak. 1:8 .
Hertaald:
voornemen,
Of: gedachte, besluit, namelijk bij U, o God. Anders: dat volk dat vast is van gedachten zult U in allerlei vrede bewaren, want het heeft, enzovoort. De betekenis daarvan is: dat volk dat, eenmaal rechtvaardig gemaakt (vers 2), niet wankelbaar of onbestendig is van gedachten; zie Jak. 1:6 en Jak. 1:8.
Gij zult
O God.
Hertaald:
Gij zult
O God.
allerlei
Hebreeuws, vrede, vrede; dat is, allerlei vrede, of bestendigen, vasten, gedurigen vrede; en versta door het woord vrede allerlei heil en welstand. Zie Gen. 37:14 . Eenige zetten dit derde vers aldus over: [Wiens] voornemen vast [op U] staat, dien zult gij een vasten vrede bewaren, wanneer men zich op U vertrouwt.
Hertaald:
allerlei
Hebreeuws: vrede, vrede — dat is: allerlei vrede, of bestendige, vaste, blijvende vrede. Versta onder het woord vrede allerlei heil en welzijn. Zie Gen. 37:14. Sommigen vertalen dit derde vers zo: wiens voornemen vast op U staat, die zult U een vaste vrede bewaren, wanneer men op U vertrouwt.
Vertrouwt
Hier vermanen verder de gelovigen elkander.
Hertaald:
Vertrouwt
Hier vermanen de gelovigen elkaar verder.
is een eeuwige rotssteen
Anders: bestaat de steenrots der eeuwen; dat is, de eeuwige steenrots. De zin is: Hij, die waarlijk de eeuwige God is, is de eeuwige rotssteen van al degenen, die hunne toevlucht tot hem nemen.
Hertaald:
is een eeuwige rotssteen
Anders: bij de HEERE bestaat de steenrots van de eeuwen — dat is: de eeuwige steenrots. De betekenis is: Hij Die werkelijk de eeuwige God is, is de eeuwige rotssteen voor allen die hun toevlucht tot Hem nemen.
de hooggezetenen
Te weten de Babyloniërs, mitsgaders andere geweldige en machtige vijanden zijner kerk. Anders: die in hoogte wonen; zie boven Jes. 25:12 .
Hertaald:
de hooggezetenen
Namelijk: de Babyloniërs, en ook andere machtige en geweldige vijanden van Zijn kerk. Anders: die in de hoogte wonen; zie hierboven Jes. 25:12.
de verheven stad;
Versta, de stad Babel.
Hertaald:
de verheven stad;
Versta: de stad Babel.
Hij vernedert ze,
Van de wederhaling van een en hetzelfde woord, zie Ezech. 21:9 .
Hertaald:
Hij vernedert ze,
Over de herhaling van een en hetzelfde woord, zie Ezech. 21:9.
De voet
De zin is: Ofschoon de gelovigen voor de wereld arm en verachtzaam zijn, en een tijdlang van hunne vijanden hard vervolgd en verdrukt worden, zo krijgen zij nochtans nog eindelijk de overwinning door de kracht Gods, en vertreden hunne vijanden als met voeten.
Hertaald:
De voet
De betekenis is: hoewel de gelovigen voor de wereld arm en verachtelijk zijn en een tijdlang door hun vijanden hard vervolgd en verdrukt worden, krijgen zij toch ten slotte de overwinning door de kracht van God, en vertreden zij hun vijanden als met voeten.
des ellendigen,
Anders: de uitgeteerden.
Hertaald:
des ellendigen,
Anders: de uitgeteerden.
is geheel
Hebreeuws, zijne gerechtigheden, of oprechtheden; dat is, enkele oprechtheid. Anders: het pad der rechtvaardigen is geheel effen, o Gij rechtvaardige, Gij weegt het spoor [dat is, den weg] des rechtvaardigen. Anders: de weg des rechtvaardigen zijn gerechtigheden, hij is gerechtig. Gij zult het spoor des rechtvaardigen wegen; of overweegt Gij het spoor des rechtvaardigen; dat is, o God, weegt Gij zelf, of de rechtvaardige niet geheel oprecht zij, en of zijn weg niet rechtvaardig zij.
Hertaald:
is geheel
Hebreeuws: zijn gerechtigheden of oprechtheden — dat is: enkel oprechtheid. Anders: het pad van de rechtvaardige is geheel effen, o U rechtvaardige, U weegt het spoor — dat is: de weg — van de rechtvaardige. Anders: de weg van de rechtvaardige is gerechtigheid, hij is rechtvaardig; U zult het spoor van de rechtvaardige wegen; of: weegt U het spoor van de rechtvaardige? Dat is: o God, weegt U Zelf of de rechtvaardige wel geheel oprecht is en of zijn weg wel rechtvaardig is.
recht
Dat is, in een rechte weegschaal.
Hertaald:
recht
Dat is: in een zuivere weegschaal.
Wij hebben
De zin is: Zelfs nu, nu Gij ons zo zwaarlijk tehuiszoekt door de Babyloniërs, wachten en hopen wij evenwel op uwe hulp, en wij wensen van harte dat uw naam groot gemaakt en altoos ter ere moge gedacht worden, zo van ons als van anderen. De godzaligen gelijken den goddelozen niet, bij wie de Heere geheel uitheeft wanneer Hij hen met zijne roeden slaat. Zie Ps. 44:18-19 , enz.
Hertaald:
Wij hebben
De betekenis is: zelfs nu, nu U ons zo zwaar bezoekt door de Babyloniërs, wachten en hopen wij toch op Uw hulp, en wij wensen van harte dat Uw Naam groot gemaakt wordt en altijd met eer herdacht mag worden, zowel door ons als door anderen. De godzaligen zijn niet als de goddelozen, bij wie de HEERE het volkomen verbruid heeft zodra Hij hen met Zijn roede slaat. Zie Ps. 44:18-19, enzovoort.
ik
Dat is, wij uw volk, een ieder van ons.
Hertaald:
ik
Dat is: wij, Uw volk, ieder van ons.
U begeerd
Te weten door het gebed.
Hertaald:
U begeerd
Namelijk: door het gebed.
U vroeg zoeken;
Zie Job 7:21 .
Hertaald:
U vroeg zoeken;
Zie Job 7:21.
Uw gerichten
Dat is, straffen, of tuchtigen. De zin is: Door de tuchtigingen of straffen worden de afgedwaalden weder op den rechten weg gebracht en leren op Gods geboden passen. Zie Ps. 119:67 , Ps. 119:71 .
Hertaald:
Uw gerichten
Dat is: Uw straffen of tuchtigingen. De betekenis is: door de tuchtigingen of straffen worden de afgedwaalden weer op de rechte weg gebracht en leren zij op Gods geboden te letten. Zie Ps. 119:67 en Ps. 119:71.
gans
Hebreeuws, in het land der rechtigheden; dat is, in het land waar Gods Woord geleerd wordt, hetwelk den rechten weg der zaligheid aanwijst. De zin is: Ofschoon zij in de uiterlijke gemeenschap der kerk zijn, zo leiden zij evenwel een boos leven.
Hertaald:
gans
Hebreeuws: in het land van de rechtheden — dat is: in het land waar Gods Woord onderwezen wordt, dat de rechte weg van de zaligheid wijst. De betekenis is: hoewel zij tot de uiterlijke gemeenschap van de kerk behoren, leiden zij toch een goddeloos leven.
en hij ziet
Anders: daarom zal hij de hoogheid [of heerlijkheid, of majesteit ] des Heeren niet zien.
Hertaald:
en hij ziet
Anders: daarom zal hij de hoogheid — of de heerlijkheid, of de majesteit — van de HEERE niet zien.
is Uw hand
Dat is, al zijn uw grote daden en wonderwerken openbaar en ogenschijnlijk, zij merken het niet.
Hertaald:
is Uw hand
Dat is: al zijn Uw grote daden en wonderwerken openbaar en duidelijk zichtbaar, zij merken het niet op.
zij zien het niet;
Te weten, uwe vijanden, de goddelozen.
Hertaald:
zij zien het niet;
Namelijk: Uw vijanden, de goddelozen.
zij zullen het zien,
Zij zullen het moeten merken, of zij willen of niet; namelijk als zij door uw grote straffen en tot hun uiterste verderf bevinden zullen hoe machtig Gij zijt om uwe vijanden te straffen.
Hertaald:
zij zullen het zien,
Zij zullen het moeten opmerken, of zij willen of niet, namelijk wanneer zij door Uw grote straffen en tot hun uiterste verderf zullen ondervinden hoe machtig U bent om Uw vijanden te straffen.
vanwege
Hebreeuws, vanwege den ijver des volks. De zin is: Zij zullen beschaamd staan als zij zullen zien den groten ijver, dien Gij betonen zult in het redden van uw volk uit de hand hunner vijanden. Anders: door den ijver van uw volk; [dat is, door den ijver, waarmede Gij over uw volk ontstoken zijt], ook door het vuur uwer vijanden, [dat is, door hetwelk Gij uwe vijanden haat] zult Gij hen verteren. Naar welke zin hier twee oorzaken worden aangewezen, die God hebben bewogen de goddelozen [van wie vs.10 gesproken is] te verdelgen: vooreerst de liefde, die Hij zijn volk toedraagt, ten andere den brand des toorns, waarmede Hij tegen zijne vijanden ontstoken is.
Hertaald:
vanwege
Hebreeuws: vanwege de ijver van het volk. De betekenis is: zij zullen beschaamd staan wanneer zij de grote ijver zullen zien die U betoont bij het redden van Uw volk uit de hand van hun vijanden. Anders: door de ijver voor Uw volk — dat is: door de ijver waarmee U voor Uw volk ontbrand bent — en ook door het vuur van Uw vijanden, dat is: waarmee U Uw vijanden haat, zult U hen verteren. Volgens die opvatting worden hier twee oorzaken aangewezen die God ertoe bewogen hebben de goddelozen, over wie in vers 10 gesproken is, te verdelgen: ten eerste de liefde die Hij Zijn volk toedraagt, en ten tweede de brand van de toorn waarmee Hij tegen Zijn vijanden ontstoken is.
het vuur
Van het woord vuur, voor den toorn en wraak Gods, zie Job 20:26 , en Job 22:20 .
Hertaald:
het vuur
Over het woord vuur voor de toorn en de wraak van God, zie Job 20:26 en Job 22:20.
beschikken
Dat is, verlenen, of geven.
Hertaald:
beschikken
Dat is: verlenen, of geven.
ons ook
Of, voor ons, of in ons.
Hertaald:
ons ook
Of: voor ons, of in ons.
al onze zaken
Of, al onze werken gewrocht; dat is, alles wat ons van node is geweest aan de ziel en aan het lichaam, hebt Gij voor ons teweeggebracht.
Hertaald:
al onze zaken
Of: al onze werken gewrocht — dat is: alles wat wij naar ziel en lichaam nodig gehad hebben, hebt U voor ons tot stand gebracht.
andere heren,
Te weten de Babyloniërs en andere vijanden uwer kerk.
Hertaald:
andere heren,
Namelijk: de Babyloniërs en andere vijanden van Uw kerk.
door U alleen
De zin is: Dat wij in het leven zijn gebleven, dat hebben wij U alleen te danken, en zijn derhalve schuldig uw heiligen naam te danken en te loven, en vastelijk op U te vertrouwen.
Hertaald:
door U alleen
De betekenis is: dat wij in leven gebleven zijn, hebben wij alleen aan U te danken; daarom zijn wij verplicht Uw heilige Naam te danken en te loven en vast op U te vertrouwen.
Uws Naams
Of, aan uwen naam.
Hertaald:
Uws Naams
Of: aan Uw Naam.
zij
Te weten die vijanden noch anderen van huns gelijken.
Hertaald:
zij
Namelijk: die vijanden en anderen zoals zij.
niet weder
Dat is, niet weder levend worden, en derhalve zullen zij ons niet meer verhinderen uwen naam te prijzen; zie Exo 14 , zie Exo 15 .
Hertaald:
niet weder
Dat is: zij zullen niet weer levend worden en zullen ons daarom niet meer verhinderen Uw Naam te prijzen; zie Ex. 14 en Ex. 15.
overleden
Zie de aantekening Job 26:5 .
Hertaald:
overleden
Zie de aantekening bij Job 26:5.
niet opstaan;
Te weten om hier op aarde te leven.
Hertaald:
niet opstaan;
Namelijk: om hier op aarde te leven.
bezocht,
Te weten in uwen toorn.
Hertaald:
bezocht,
Namelijk: in Uw toorn.
hadt
Hebreeuws, Gij hadt tot dit volk toegedaan; dat is, velerlei zegen gegeven; of, gelijk sommigen, vele straffen toegevoegd; door welke beide God eer behaalt.
Hertaald:
hadt
Hebreeuws: U hebt aan dit volk toegedaan — dat is: velerlei zegen gegeven; of, volgens sommigen: veel straffen toegevoegd. Met beide behaalt God eer.
dit volk
Te weten de Joden.
Hertaald:
dit volk
Namelijk: de Joden.
Gij hadt
Van dergelijke wederhaling van het woord zie boven vs.5.
Hertaald:
Gij hadt
Over deze herhaling van het woord, zie hierboven vers 5.
verheerlijkt
Te weten door de weldaden aan dit volk bewezen. Anders: bezwaard geworden; te weten door de zonden, die zij tegen U hebben begaan, [daarom] hebt Gij hen, enz. Het Hebreeuwse woord betekent verheerlijken, het betekent ook bezwaren.
Hertaald:
verheerlijkt
Namelijk: door de weldaden die U dit volk bewezen hebt. Anders: bezwaard geworden, namelijk door de zonden die zij tegen U begaan hebben; daarom hebt U hen, enzovoort. Het Hebreeuwse woord betekent zowel verheerlijken als bezwaren.
verre weggedaan
Dat is, verstoten, ten lande uitgestoten, te weten om hunner zonden wil.
Hertaald:
verre weggedaan
Dat is: verstoten, het land uit gedreven, namelijk vanwege hun zonden.
zij
Te weten uw volk, als Gij hen gekastijd hebt.
Hertaald:
zij
Namelijk: Uw volk, wanneer U hen gekastijd hebt.
U bezocht;
Dat is, zij hebben U om hulp aangeroepen.
Hertaald:
U bezocht;
Dat is: zij hebben U om hulp aangeroepen.
stil gebed
Het Hebreeuwse woord Lachas betekent eigenlijk een stille mompeling, die men nauwelijks horen kan, gelijk 1 Sam. 1:13 . Hiermede wil de profeet aanwijzen dat zij in hunne noden tot God gezucht en in stilheid gebeden hebben, hetwelk bij God een geroep is; Ex. 14:15 .
Hertaald:
stil gebed
Het Hebreeuwse woord Lachas betekent eigenlijk een stil gemompel dat men nauwelijks kan horen, zoals in 1 Sam. 1:13. Hiermee wil de profeet aanwijzen dat zij in hun nood tot God gezucht en in stilte gebeden hebben, wat bij God een geroep is; Ex. 14:15.
als Uw tuchtiging
Dat is, als Gij hen tuchtigdet.
Hertaald:
als Uw tuchtiging
Dat is: toen U hen tuchtigde.
alzo zijn wij
Te weten, in de Babylonische gevangenschap.
Hertaald:
alzo zijn wij
Namelijk: in de Babylonische gevangenschap.
vanwege
Dat is, vanwege uwen toorn. Zie de aantekening Gen. 32:20 , en Ps. 21:10 .
Hertaald:
vanwege
Dat is: vanwege Uw toorn. Zie de aantekening bij Gen. 32:20 en Ps. 21:10.
Wij waren
Dat is, wij waren in groten nood en ellende.
Hertaald:
Wij waren
Dat is: wij verkeerden in grote nood en ellende.
wij hadden
Te weten als een barende vrouw.
Hertaald:
wij hadden
Namelijk: als een barende vrouw.
wij hebben niet
Dat is, wij hebben ons tevergeefs bekommerd hoe wij uit de gevangenschap of ellende geraken zouden. Wind baren is zoveel gezegd als vergeefsen arbeid doen. Hebreeuws, wij hebben als een wind gebaard.
Hertaald:
wij hebben niet
Dat is: wij hebben ons tevergeefs bekommerd over de vraag hoe wij uit de gevangenschap of de ellende zouden komen. Wind baren wil zoveel zeggen als tevergeefs zwoegen. Hebreeuws: wij hebben als het ware wind gebaard.
wij deden
Dat is, wij hebben onze vijanden, die ons land ingenomen hadden, door onze eigen kracht niet kunnen verslaan.
Hertaald:
wij deden
Dat is: wij hebben onze vijanden, die ons land ingenomen hadden, met eigen kracht niet kunnen verslaan.
het land
Te weten het Joodse land, ons vaderland.
Hertaald:
het land
Namelijk: het Joodse land, ons vaderland.
behoudenis
Of, verlossing, of heil.
Hertaald:
behoudenis
Of: verlossing, of heil.
de inwoners
Dat is, de Babyloniërs, die ons land, mitsgaders nog vele andere koninkrijken en landen inhadden.
Hertaald:
de inwoners
Dat is: de Babyloniërs, die ons land en daarnaast nog vele andere koninkrijken en landen in bezit hadden.
vielen
Of, zij zijn niet gevallen; dat is, zij zijn niet omgekomen.
Hertaald:
vielen
Of: zij zijn niet gevallen — dat is: zij zijn niet omgekomen.
Uw doden
Met deze woorden verklaart de kerk in het algemeen, en elke gelovige in het bijzonder, een vast vertrouwen van de zalige opstanding uit den dood, tot de heerlijkheid van het eeuwige leven; waarvan de verlossing uit de Babylonische gevangenschap een voorbeeld zou zijn, en daarom van de Joden met vertrouwen was te verwachten. Vergelijk Eze 37 .
Hertaald:
Uw doden
Met deze woorden spreekt de kerk in het algemeen, en elke gelovige in het bijzonder, het vaste vertrouwen uit op de zalige opstanding uit de dood tot de heerlijkheid van het eeuwige leven. De verlossing uit de Babylonische gevangenschap zou daarvan een voorafbeelding zijn, en daarom mochten de Joden die met vertrouwen verwachten. Vergelijk Ezech. 37.
leven,
Dat is, zij zullen door uwe kracht weder verlost en opgewekt worden.
Hertaald:
leven,
Dat is: zij zullen door Uw kracht weer verlost en opgewekt worden.
mijn dood lichaam,
Dit spreekt iedere gelovige mens voor zichzelven.
Hertaald:
mijn dood lichaam,
Dit spreekt elke gelovige voor zichzelf.
gij,
Dat is, gijlieden die als in de graven ligt.
Hertaald:
gij,
Dat is: u die als het ware in de graven ligt.
uw dauw
Dat is, uwe goedertierenheid, waarmede Gij ons ontvangen zult, zal maken dat wij, die uw kerk of volk zijn, alzo zullen verkwikt en getroost worden, gelijk de dauw de kruiden verkwikt.
Hertaald:
uw dauw
Dat is: Uw goedertierenheid, waarmee U ons zult ontvangen, zal maken dat wij die Uw kerk of volk zijn zo verkwikt en getroost worden als de dauw de kruiden verkwikt.
als
Dat is, als een dauw, die op de moeskruiden valt; versta hierbij het gras en alle andere kruiden, die uit de aarde wassen.
Hertaald:
als
Dat is: als een dauw die op de moeskruiden valt. Vul hierbij aan: het gras en alle andere kruiden die uit de aarde opkomen.
het land
Anders: Nadat Gij de reuzen [dat is, de machtige en verschrikkelijke vijanden van uw volk] zult ter aarde geveld hebben.
Hertaald:
het land
Anders: nadat U de reuzen — dat is: de machtige en geduchte vijanden van Uw volk — ter aarde geveld zult hebben.
Ga henen,
Tot hiertoe heeft geduurd de lofzang van het volk Gods; nu voortaan spreekt God de Heere, of de profeet in Gods naam, de kerk vermanende dat zij nog een weinig geduld hebbe, totdat de tijd harer verlossing gekomen zij.
Hertaald:
Ga henen,
Tot hiertoe liep de lofzang van het volk van God; vanaf nu spreekt God de HEERE, of de profeet in Gods Naam, terwijl hij de kerk vermaant nog een weinig geduld te hebben totdat de tijd van haar verlossing gekomen is.
na u toe;
Hebreeuws, voor u, gelijk 2 Kon. 4:4 .
Hertaald:
na u toe;
Hebreeuws: voor u, zoals in 2 Kon. 4:4.
uit Zijn plaats
Dat is, uit den hemel; Mi. 1:3 ; Rom. 1:18 .
Hertaald:
uit Zijn plaats
Dat is: uit de hemel; Micha 1:3 en Rom. 1:18.
over hen
Dat is, de Heere zal van den hemel het bloed van zijn volk, hetwelk de vijanden vergoten hebben, wreken.
Hertaald:
over hen
Dat is: de HEERE zal vanuit de hemel het bloed van Zijn volk wreken dat de vijanden vergoten hebben.
haar bloed
Zie de aantekening Gen. 4:10 , en Job 16:18 .
Hertaald:
haar bloed
Zie de aantekening bij Gen. 4:10 en Job 16:18. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Te dien dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda; Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen" (Jes. 26:1). De poorten gaan open voor het volk dat de getrouwigheden bewaart (Jes. 26:2). Dan volgt het vers waar het lied om bekend is: "Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd" (Jes. 26:3). Daarop komt de aansporing zelf: "Vertrouwt op den HEERE tot in der eeuwigheid; want in den Heere HEERE is een eeuwige rotssteen" (Jes. 26:4). En daartegenover staat wat er met de andere stad gebeurt: Hij vernedert de verheven stad tot aan het stof toe, en het zijn de voeten van de ellendige die haar vertreden (Jes. 26:5-6). Bijbelse betekenis: Merk op waaruit de muren van deze stad bestaan. Er staat niet dat God de muren versterkt, maar dat Hij heil tot muren stelt; de verdediging is dus niet iets dat men bouwt maar iets dat men ontvangt. Let vervolgens op de grond van de vrede in Jes. 26:3. Zij wordt niet toegezegd omdat de omstandigheden gunstig zijn, maar omdat men op Hem vertrouwd heeft. Dat maakt haar onafhankelijk van wat er buiten de muren gebeurt. Let ten slotte op de twee steden. De ene wordt bewaard en de andere vernederd, en het verschil zit niet in hun sterkte. Wie dit lied zingt, zingt het in het land van Juda, dus niet nadat alles voorbij is maar terwijl het nog geloofd moet worden. Typologie: Paulus belooft dezelfde vrede aan wie zijn zorgen bij God brengt: "de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus" (Fil. 4:7). Ook daar is het een vrede die zelf bewaart, in plaats van dat zij bewaard moet worden. Jes. 26:1-7; Fil. 4:7 Het gedeelte begint bij het gebed in de benauwdheid: "HEERE! in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was" (Jes. 26:16). Dan volgt een pijnlijke erkenning, in het beeld van een barende vrouw: "Wij waren bevrucht, wij hadden de smarten, maar wij hebben niet dan wind gebaard; wij deden het land geen behoudenis aan" (Jes. 26:18). En daarop, zonder overgang, komt de belofte: "Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij, die in het stof woont!" (Jes. 26:19). Wat volgt is een raad voor de tussentijd: "ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de gramschap overga" (Jes. 26:20). Bijbelse betekenis: Merk op waar de belofte op volgt. Het volk heeft zojuist gezegd dat al zijn moeite niets heeft opgeleverd; het heeft wind gebaard. Juist daar wordt gezegd dat de doden zullen leven, en dat is dus geen beloning voor wat men zelf tot stand bracht. Let vervolgens op de woorden zelf. Er staat niet dat de nagedachtenis voortleeft maar dat de doden opstaan en dat wie in het stof woont, wakker wordt. Het gaat om de mensen zelf. Let ten slotte op de raad van Jes. 26:20. Er wordt geen verklaring van de nood gegeven, maar een schuilplaats en een tijdsaanduiding: een klein ogenblik. Wie wacht, hoeft niet te weten hoe lang; er staat bij dat het overgaat. Typologie: Daniël spreekt in dezelfde bewoordingen: "velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken" (Dan. 12:2). En de Heere Jezus zegt het zonder beeldspraak: "de ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen" (Joh. 5:28). Jes. 26:16-21; Dan. 12:2; Joh. 5:28 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Een lied dat gezongen zal worden in het land van Juda, aan het slot van een reeks hoofdstukken over het oordeel over de volken. Het begint bij een stad met muren en poorten, en het eindigt bij graven. Middenin een lied over vertrouwen staat een belofte die verder gaat dan een terugkeer uit ballingschap. Het lied opent bij een vaste stad: Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart. En dan komt de regel die zo bekend geworden is: het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd. Daarna zet het lied twee soorten hoogte naast elkaar. De hoge stad vernedert Hij, en de voet des ellendigen zal haar vertreden. Wat hoog stond wordt vlak, en wie laag was loopt eroverheen. Het middenstuk is eerlijk over het wachten. Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken. En even verder de bittere vaststelling dat het volk in barensnood was maar niets voortbracht: wij hebben geen behoudenis aangebracht in het land. En dan, na die onmacht, komt vers 19: Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij die in het stof woont. De kanttekening leest dat zonder aarzeling. Hier spreekt de kerk in het algemeen, en elke gelovige in het bijzonder, het vaste vertrouwen uit op de zalige opstanding: uit de dood tot de heerlijkheid van het eeuwige leven. En zij voegt eraan toe dat de verlossing uit Babel daarvan een voorafbeelding zou zijn. Bij die woorden over het eigen lichaam merkt zij op: dit spreekt elke gelovige voor zichzelf. Het beeld dat erbij staat is teder: want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden. Dauw is stil, hij valt 's nachts en niemand ziet het gebeuren. Daarna volgt een uitnodiging die klinkt als een deur die opengaat en dichtvalt: ga henen, mijn volk, ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de gramschap overga. Paulus schrijft dat Christus opgewekt is en de Eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn. Wat Jesaja hier belijdt als vertrouwen, noemt hij daar als feit. In het Nieuwe Testament: 1 Korinthe 15:20-23; Johannes 5:28-29; Ezechiël 37:1-14; 1 Thessalonicenzen 4:16 Hoever dit reikt: Niveau 2. Het Nieuwe Testament haalt dit vers niet met name aan. De kanttekenaars lezen het wel uitdrukkelijk als het vertrouwen op de opstanding, met de terugkeer uit Babel als voorafbeelding daarvan.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Vertrouw op de HEERE, tot in eeuwigheid, want de HEERE HEERE is een eeuwige rots. Jesaja 26:4 Omdat wij zo’n betrouwbare God hebben, mogen we ons volledig aan… Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht. Jesaja 26:9 Verder lezen: Psalm 42 Er zijn periodes waarin de heiligen niets anders kunnen dan verlangen. Er bestaat… Kom, Mijn volk, treed uw kamers binnen, sluit uw deuren achter u. Verberg u voor een klein ogenblik, totdat de gramschap over is. Jesaja 26:20 (Eng. vert.) Met welk… Met heel mijn ziel verlang ik naar U in de nacht. Jesaja 26:9 U zegt, als ik een kind van God was, zou dit mij niet overkomen.’ Zeg dat… Kom, Mijn volk, treed uw kamers binnen, sluit uw deuren achter u. Verberg u voor een klein ogenblik, totdat de gramschap over is. Jesaja 26:20 (Eng. vert.) De Heere… Met heel mijn ziel verlang ik naar U in de nacht. Jesaja 26:9 De nacht lijkt de tijd te zijn die in het bijzonder geschikt is voor godsvrucht.… Te dien dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda; Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen. Doet de poorten open,… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Werp uw zorg op de Heere, en Hij zal u onderhouden. Psalm 55:23 Overdreven bezorgdheid is in wezen zonde, zelfs wanneer… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Vertrouwt op de Heere tot in van de eeuwigheid, want in de Heere Heere is een eeuwige rotssteen.Jesaja 26:4 Wetende dat wij… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 26
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Uw doden zullen leven — 26:1-19
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
God vertrouwen
Het verlangen van de ziel in geestelijke duisternis
Een goed advies
Een neerslachtige geest
Goed advies voor moeilijke tijden
Het verlangen van de ziel in geestelijke duisternis
Trouw aan uw overtuigingen
Werp uw zorg op de Heere, want Hij zorgt voor u
Vertrouw op de Heere tot in de eeuwigheid


Jesaja 26
Jesaja 26:1.KruisverwijzingenJesaja 60:18→Psalmen 31:21→Jesaja 25:9→Jesaja 27:1→Jesaja 62:11→Jeremia 33:11→Psalmen 48:12→Jesaja 2:20→
— Te dien dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda; Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen.
Of liever, zoals wij het nu mogen lezen: in dít heden. God is de grote bron van het lied; Hij is Degene “Die de psalmen geeft in den nacht”. Hij kan het bedroefdste hart doen uitbreken in lofzang. Een deel van de profetie over de komst van Christus was juist dit: “Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen”. De HEERE had ons niets dan zuchten kunnen laten uiten, als het Hem behaagd had; maar in plaats daarvan schept Hij er behagen in onze mond met blijde liederen te vullen.
Laten wij dan van harte dit oude lied zingen: “Wij hebben een sterke stad.” Ja, geliefden, een heel sterke, want al heeft de duivel duizenden jaren al zijn vindingrijkheid ingespannen, hij heeft haar niet kunnen verwoesten. Hij heeft er de bomscherven van de vervolging in geworpen; hij heeft haar met zijn listigheid en zijn geslepen valse leer trachten te ondermijnen; maar hij heeft tot op deze dag nog niets ten uitvoer kunnen brengen tegen die sterke stad. “Wij hebben een sterke stad” — en zij is nu, na al de verwoede aanslagen die op haar muren gedaan zijn, even sterk als zij ooit was. Tegen haar kunnen de poorten van de hel niet overmogen. De gemeente van Christus is nooit in gevaar. De gemeente van God is een stad met een hemels burgerrecht en met bijzondere voorrechten; en zij wordt wonderbaar beschermd, want de belofte van dit gedeelte is nu vervuld: “God stelt heil tot muren en voorschansen.”
Jesaja 26:2.KruisverwijzingenJesaja 60:11→Psalmen 118:20→Jesaja 62:2→Jesaja 54:14→Jesaja 62:10→Handelingen 2:47→1 Petrus 2:9→Openbaring 21:24→
— Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart.
Nadat de profeet de veiligheid van de stad genoemd heeft, gebiedt hij ons de poorten te openen, opdat het rechtvaardige volk daarin ga. Het is de taak van de evangeliedienaar de poorten te trachten te openen; het is in zekere zin de taak van elke christen de poorten te openen. Ja, wij moeten ons allen inspannen om ze te openen, zodat het rechtvaardige volk de gemeente binnenkomt.
Maar tenslotte is de Heere Jezus Christus de grote Opener van de poorten; Híj opent de poorten om Zijn volk binnen te laten. En let erop: zij komen niet allen door dezelfde poort binnen. Het gebod luidt: doet de poórten open. Sommigen komen binnen door middel van de ene leer, anderen door middel van een andere. Wij worden niet allen door hetzelfde middel bekeerd. Sommigen komen binnen door de poort van de zondagsschool; anderen door de poort die door godvruchtige ouders bewaakt wordt; velen door de poort van het gepredikte Woord. Maar alle poorten behoren open te staan.
De stad is niet gesloten tegen de rechtvaardigen; en kennen en liefhebben wij de waarheid — en bovenal Hem die de Waarheid is — dan staan de poorten altijd voor ons open. Dan mogen wij de stad binnengaan, haar voorrechten genieten en haar bescherming delen.
Jesaja 26:3.KruisverwijzingenFilippenzen 4:7→Johannes 14:27→Johannes 16:33→Psalmen 9:10→Romeinen 4:18→Romeinen 5:1→Jeremia 17:7→Efeze 2:14→
— Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd.
Vervolgens beschrijft de profeet de vreedzaamheid van deze stad. De poorten staan open, en toch komt er nooit een vijand binnen; want hij zegt tot de HEERE dat Hij hem in vrede bewaren zal — vrede, vrede, zoals de grondtekst het heeft, in een dubbele vrede. Dat betekent: de volmaaktheid van de vrede, een grote diepte van vrede, de werkelijkheid van de vrede, vrede op vrede — en dat behoort aan de mens die op de HEERE vertrouwt.
Er is niets zo goed als het gemoed op God te vestigen. Vestigt u het op iets anders, dan kunt u geen volkomen vrede hebben, want dat iets anders kan u begeven. Vertrouwt u op paarden en op wagens, dan kunnen de paarden vermoeid raken en de raderen van de wagens breken; maar wie op de HEERE vertrouwt, zal in volkomen vrede wonen. Al staat heel de aarde in de wapenen, de gelovige woont in volkomen vrede, omdat hij op Hem vertrouwt. Bent u geplaagd en verontrust en in verlegenheid, geliefde vriend? Wordt u heen en weer geslingerd als op een onstuimige zee? Dit vers wijst u de weg waarlangs u volkomen vrede verkrijgen kunt.
Jesaja 26:4.KruisverwijzingenJesaja 12:2→Psalmen 62:8→Jesaja 50:10→Filippenzen 4:13→Jesaja 17:10→Psalmen 46:1→Psalmen 55:22→Psalmen 62:11→
— Vertrouwt op den HEERE tot in der eeuwigheid; want in den Heere HEERE is een eeuwige rotssteen.
Niets kan Hem te zwaar zijn, want Hij heeft eeuwige sterkte. Niets kan er in de toekomst gebeuren dat Hem omverwerpt, want de Zijne is geen vergaande maar een eeuwige kracht. Houd u aan die sterkte vast, kinderen van God; u mag zelfs honing zuigen uit deze eeuwige Rotssteen, want er is een onbeschrijfelijke zoetheid in. “Vertrouwt op den HEERE tot in der eeuwigheid” — niet slechts nu en dan, maar altijd; tot in eeuwigheid, want er is in God sterkte tot in eeuwigheid.
Jesaja 26:5-6.KruisverwijzingenJob 40:11→Jesaja 25:11→Jeremia 50:31→Jeremia 51:37→Jesaja 14:13→Jesaja 13:11→Jeremia 51:64→Jesaja 2:12→
— Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken. De voet zal ze vertreden, de voeten des ellendigen, de treden der armen.
U ziet het: er is één stad die God bóuwt, en er is een andere stad die Hij afbreekt. Let op deze ernstige waarheid: “Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe.” Die stad die op de heuvel van de eigengerechtigheid gebouwd is en die door de hoogmoed van de mens als het ware tot aan de hemel opgeheven wordt — God zal haar neerhalen. Het behoort tot Gods eer wat neerligt op te richten en wat hoog staat neer te werpen; want wanneer mensen zichzelf verhogen, zullen zij vernederd worden, en wanneer zij zichzelf vernederen, zullen zij verhoogd worden.
Sommigen van u wonen zó hoog dat u de leer van de oorspronkelijke verdorvenheid niet gelooft; naar uw eigen inzicht bent u van nature heel goed. Nu, denk dan aan dit woord van de profeet: Hij buigt de hooggezetenen neder. Anderen van u roemen in het vermogen van hun eigen wil, en menen dat u de macht hebt alles te doen zonder de bijstand van de Heilige Geest. Ach, maar Hij buigt de hooggezetenen neder. Anderen van u weten niet wat een twijfel of een vrees is, maar wikkelen zich behaaglijk in uw eigen genoegzaamheid en zeggen: wij staan veilig. Ach, maar Hij buigt de hooggezetenen neder. Niemand kan Gods stad neerleggen, maar God kan de verheven stad wel neerleggen.
Is hier iemand die op zichzelf vertrouwt, die zich verlaat op zijn eigen goede daden en rekent dat hij door zijn eigen verdiensten zalig zal worden, dan zult u van die hoge plaats af moeten komen, mijn vriend. Van dat fraaie kasteel van u zal geen steen op de andere blijven, en het armste kind van God in heel de wereld zal zijn voet zetten op de hoogste tinne van uw grote paleis. God zal het neerhalen, zodat “de voeten des ellendigen, de treden der armen” erop treden.
Jesaja 26:7.Kruisverwijzingen1 Samuël 2:2→Jesaja 42:16→Psalmen 18:23→Efeze 2:10→Psalmen 11:4→1 Korinthe 4:5→Psalmen 1:6→Job 27:5→
— Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.
Of, zoals het beter weergegeven kan worden: het pad van de rechtvaardige is een effen pad. De rechtvaardige zal daarin vast en veilig staan, terwijl anderen zich nu eens boven en dan weer beneden bevinden en hun weg glibberig en gevaarlijk is.
God weegt het pad van de rechtvaardige in de weegschaal. Wij lezen elders dat God de geesten weegt en dat Hij onze daden weegt; hier wordt ons gezegd dat Hij het pad van de rechtvaardige weegt. God oordeelt ons naar gewicht, niet naar schijn: niet naar wat wij lijken te zijn, maar naar wat wij zijn in de weegschaal van het heiligdom. Hij weegt onze verborgen gedachten en onze openbare daden. Die woorden die de profeet gebruikte toen hij tot Hizkia ging en zei: wat hebben zij in uw huis gezien? — die zouden een heel treffende tekst opleveren. Maar het is nog gewichtiger te bedenken wat God in ons huis en in ons hart gezien heeft. En toch is, naar het woord van de profeet, de weg van de rechtvaardige oprechtheid, ook nadat hij gewogen is. Ondanks al de zonde die eraan gemengd is, is hij in de hoofdzaak oprechtheid die tot God opklimt.
Jesaja 26:8-9.KruisverwijzingenMattheüs 6:33→Psalmen 63:1→Exodus 3:15→Hooglied 3:1→Psalmen 119:62→Spreuken 8:17→Hosea 5:15→Lukas 6:12→
— Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o HEERE! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel. Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid.
Een arme, verduisterde geest zal, naar ik vertrouw, met dit woord van de profeet kunnen instemmen. Het is nu nacht met u; u geniet het licht van Gods aangezicht niet. Maar wees heel dankbaar dat u kunt zeggen: “Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht.” Bent u geen kind van God, dan zult u het buiten God kunnen stellen; maar juist het feit dat sommigen van u niet gelukkig kunnen zijn tenzij zij in het licht van Gods liefde leven, bewijst dat u Hem toebehoort. Een kind kan tevreden zijn zonder de glimlach van een vreemde; maar is degene die naar hem kijkt zijn váder, dan moet hij zeker weten dat zijn vader hem liefheeft, juist omdat hij zijn kind is. Anders kan hij niet gelukkig zijn.
Velen verschuilen zich achter hun twijfel aan het bestaan van God, en veroorloven zich ongerechtigheden waarover zij zich zouden schamen als zij zich niet in hun ongeloof konden hullen. Mensen zouden niet aan het bestaan van God moeten twijfelen. Zo’n twijfel kan hen niet helpen beter te leven, en zal hen naar alle waarschijnlijkheid veel slechter doen leven. Het is echter al veel meer wanneer mensen zó aan God denken dat zij Hem vrezen. Er is een vreze Gods die het algemeen welzijn goed doet. Er zijn stellig mensen die van uitgelaten boosheid worden weerhouden door hun geloof dat God gerichten heeft waarmee Hij hen omverwerpen kan, en dat zij aan het einde voor Zijn rechterstoel zullen moeten verschijnen. Het zal een droeve dag voor deze wereld zijn wanneer die vrees ophoudt op de mensheid te werken.
Maar het is iets oneindig hogers, en van een heel andere orde, wanneer wij God waarlijk gaan kénnen. Dan hebben wij niet slechts een geloof in Zijn bestaan, maar een duidelijk bewustzijn en een werkelijkheidsbesef daarvan. Dan spreken wij van God niet als van iemand die ver weg is, maar als van Iemand met wie wij vertrouwelijk bekend zijn — Iemand die ons een vriend geweest is, die zelfs met ons gesproken heeft zoals wij met een vriend spreken. God geeft ons door Christus een geestelijk gezicht, en dat maakt een ernstig onderscheid tussen wie God kennen en wie Hem niet kennen. En het wordt voortgebracht door een wonderbare verandering die wedergeboorte heet, waarin de duisternis voorbijgaat en het ware licht van God opgaat over hart en ziel.
Helaas is het vaak zó, dat wanneer Gods gerichten op de aarde zijn, de inwoners van de wereld voor een korte tijd gerechtigheid leren en het daarna weer vergeten. Al te vaak zijn zij als het kind dat zijn les enkel van buiten leert en hem uit vrees voor de roede opzegt, en die dan de volgende morgen alweer vergeten is. Zij leren gerechtigheid, maar spoedig is de uitwerking van de waarschuwing geheel weg, en dan zendt God nieuwe gerichten over de aarde om de bewoners verdere lessen te leren.
Jesaja 26:10.KruisverwijzingenJohannes 5:37→Hosea 11:7→Micha 2:10→Jesaja 32:6→Hosea 13:6→1 Samuël 15:17→Jesaja 5:12→Psalmen 143:10→
— Wordt den goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een gans richtig land, en hij ziet de hoogheid des HEEREN niet aan.
Er zijn niemand zo blind als zij die niet zíen willen, en van dat soort mensen zijn er genoeg. Zij zeggen dat zij dit niet kunnen zien en dat niet kunnen zien; maar de waarheid is dat zij moedwillig hun ogen sluiten en het eeuwige licht in de wind slaan.
Jesaja 26:11.KruisverwijzingenMicha 5:9→Jesaja 5:24→Hebreeën 10:27→Handelingen 28:27→Jesaja 60:14→Exodus 9:14→1 Samuël 6:9→Jesaja 44:9→
— HEERE! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege den ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren.
U weet wat onze Heere Jezus zei over de rijke man: “En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot.” Hij wilde niet naar Lazarus kijken toen die aan zijn poort lag; maar nu is hij gedwongen naar Lazarus te kijken, liggende in Abrahams schoot. Hij wilde hem niet helpen en hem zelfs geen kruimel van zijn tafel geven; maar nu bidt hij dat Lazarus gezonden mag worden om het topje van zijn vinger in water te dopen en zijn verschroeide tong te koelen. Nu willen zij het niet zien; maar zij zúllen het zien, en beschaamd worden vanwege de ijver over Gods volk.
Jesaja 26:12.KruisverwijzingenDeuteronomium 30:6→Jesaja 57:10→Ezechiël 20:9→Ezechiël 36:25→Ezechiël 20:14→Jeremia 33:6→Ezechiël 20:22→Efeze 2:10→
— HEERE! Gij zult ons vrede bestellen, want Gij hebt ons ook al onze zaken uitgericht.
Verontruste heilige, wat een kostelijk gedeelte is dit voor u! Arme, door de storm geslingerde ziel, wat een heerlijk woord! Wij mogen voor een kleine tijd aangevallen en bestormd worden, wij mogen heen en weer geslingerd worden; maar er zal een beschikking van God uitgaan dat Zijn volk vrede zal hebben: “HEERE! Gij zult ons vrede bestellen, want Gij hebt ons ook al onze zaken uitgericht.”
Wij hebben geen werken waarin wij kunnen roemen; want al hebben wij een overvloed van goede werken, zij zijn alle Gods werk in ons, en wij geven Hem al de eer daarvan. En omdat Hij ze zo in ons gewrocht heeft, verwachten wij dat Hij ons vrede geven zal. Zijn het werken die God niet in ons gewrocht heeft, dan zijn het slechte werken.
Jesaja 26:13-15.KruisverwijzingenJesaja 9:3→Jesaja 2:8→Jesaja 8:19→Jozua 23:7→1 Korinthe 4:7→Jesaja 63:7→Amos 6:10→Johannes 8:32→
— HEERE, onze God! andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; doch door U alleen gedenken wij Uws Naams. Dood zijnde zullen zij niet weder leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt Gij hen bezocht, en hebt hen verdelgd, en Gij hebt al hun gedachtenis doen vergaan. Gij, o HEERE! hadt dit volk vermeerderd, Gij hadt dit volk vermeerderd; Gij waart verheerlijkt geworden; maar Gij hebt hen in al de einden des aardrijks verre weggedaan.
Velen van ons kunnen terugzien op de tijd waarin wij afgoden maakten van de zaken en van de dingen van de wereld; maar nu zijn die heren dood, en zij zullen niet weer leven. Zij zijn uit ons gezicht begraven en zullen niet uit hun graven opstaan. En het is een gezegend ding wanneer de gedachtenis van onze zonden vergaat en wij geen begeerte meer hebben er opnieuw door verslaafd te worden.
De Joden werden verstrooid en verminderd. Toen zij tegen God zondigden, werden zij verbannen; maar toen de HEERE Zich in gunst tot hen keerde, vermeerderde Hij hen en bracht Hij hen weer thuis.
Jesaja 26:16.KruisverwijzingenHosea 5:15→1 Samuël 1:15→Psalmen 91:15→Hosea 7:14→Psalmen 142:2→Richteren 10:9→Psalmen 77:1→Openbaring 3:19→
— HEERE! in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was.
En het was goed voor hen dat zij het deden. Het ware kind van God wordt niet toornig op zijn Vader wanneer Hij hem tuchtigt; maar als het gekastijd wordt, begint het te bidden. En gezegend is die tuchtiging die ons op de knieën drijft: “zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was”.
Jesaja 26:17-18.KruisverwijzingenJohannes 16:21→Jesaja 13:8→Psalmen 17:14→Jesaja 21:3→1 Thessalonicenzen 5:3→Jeremia 6:24→Jeremia 4:31→Psalmen 48:6→
— Gelijk een bevruchte vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in haar weeen, alzo zijn wij geweest, o HEERE! vanwege Uw aangezicht. Wij waren bevrucht, wij hadden de smarten, maar wij hebben niet dan wind gebaard; wij deden het land geen behoudenis aan, en de inwoners der wereld vielen niet neder.
Hier is de arme gemeente van God in bittere nood; zij zegt dat zij teleurgesteld is, dat haar bitterste weeën haar niet gebracht hebben wat zij verwachtte. Wat zal er dan geschieden? God zal tussenbeide komen.
Jesaja 26:19.KruisverwijzingenDaniël 12:2→Efeze 5:14→Ezechiël 37:1→Hosea 13:14→Jesaja 25:8→Hosea 6:2→Mattheüs 27:52→Jesaja 60:1→
— Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen.
Wij zullen opstaan met allen die Christus toebehoren, in de eerste en gezegende opstanding; en al onze gestorven verwachtingen en al onze gestorven hoop zullen ook opstaan.
Zoals de zachte regen de begraven bollen doet opkomen, zo zal Gods zachte genade op de harten van mensen vallen, en zij zullen opstaan, al schenen zij tevoren dood te zijn. En op de laatste grote dag zal het geluid van de bazuin van de aartsengel zijn als een zachte lentebui die de bloemen van de aarde doet opkomen. En uit hun bedden van stof en zwijgend leem zullen de lichamen van de heiligen opstaan tot de gewesten van de eeuwige dag. O gezegende hoop, laten wij naar haar vervulling uitzien! Laten wij ook dít een deel van ons lied maken. Er is een stad die fundamenten heeft, en er is een opstanding die ons in staat zal stellen die stad binnen te gaan en daar voor eeuwig te wonen. Kom, laten wij zingen van het nieuwe Jeruzalem en van de in het wit geklede scharen die daarin wonen zullen.
Jesaja 26:20.KruisverwijzingenPsalmen 91:4→Psalmen 30:5→Jesaja 54:7→Psalmen 91:1→Mattheüs 6:6→Spreuken 18:10→Jesaja 10:25→2 Korinthe 4:17→
— Ga henen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de gramschap overga.
Ga in de verborgen kamers van de gemeenschap met uw Heere, waar u van de wereld afgesloten zult zijn. Ga in de kamers van de bescherming, waar God u bewaken zal. Ga in de kamers van de toewijding, waar God u ontmoeten zal. Er is nooit een vloed voor de goddelozen zonder een ark voor de rechtvaardigen. Nooit zal er een storm over de aarde gaan voordat God een grote rots bereid heeft waarin Zijn volk verborgen kan worden.
Jesaja 26:21.KruisverwijzingenJob 16:18→Openbaring 16:6→Ezechiël 9:3→Ezechiël 8:6→Jesaja 18:4→Ezechiël 10:18→Jesaja 30:12→Psalmen 50:2→
— Want ziet, de HEERE zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden.
De aarde heeft de bewijzen van menselijke schuld vaak toegedekt. Bloed dat in de slag vergoten is, is in de bodem weggezakt, en mensen zijn het geweld van tirannen en veroveraars vergeten — maar de aarde zal haar bloed ontdekken. De zonde zal, al is zij in de aarde gezaaid, opkomen als het koren, maar tot een verschrikkelijke oogst. Weet dat uw zonde u zal vinden.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-21.KruisverwijzingenFilippenzen 4:7→Johannes 14:27→Johannes 16:33→Psalmen 9:10→Romeinen 4:18→Romeinen 5:1→Jeremia 17:7→Efeze 2:14→
— Te dien dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda; Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen. Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart. Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd. Vertrouwt op den HEERE tot in der eeuwigheid; want in den Heere HEERE is een eeuwige rotssteen. Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken. De voet zal ze vertreden, de voeten des ellendigen, de treden der armen. Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht. Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o HEERE! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel. Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid. Wordt den goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een gans richtig land, en hij ziet de hoogheid des HEEREN niet aan.
Bij het overwinningsgejubel der toekomst, zoals dit in het voorafgaande hoofdstuk werd vernomen, worden aan de borst van hem, die nog tot den tijd der lijdende en strijdende kerk behoort, daaraan verwante tonen van gelovig en blijmoedig vertrouwen ontlokt. Deze vloeien uit den mond van den profeet in grote stromen door het gehele voor ons liggende Hoofdstuk heen. In het eerste deel van dit Hoofdstuk (vs. 1-10), spreekt hij noodzakelijk over het nieuwe Jeruzalem, dat tot ene werkelijke onverwinnelijke vesting wordt verheven, en met ene bevolking wordt vervuld, die geen vlek of rimpel heeft; daarop houdt bij zich verder bezig met den vasten grond der hope en met den even zo vertrouwende als verlangende verwachting. In het tweede deel (vs. 11-21) volgen eerst verscheidene roepstemmen van gebed, elk met “Heere”, beginnende, welke den inhoud des geloofs, dat de profeet met vreugde belijdt, nader voorstellen en tevens den grond aangeven, waarop dat geloof steunt; daarop volgt ene aanmaning aan het volk Gods, dat in stil geduld een tijd lang zich met de hoop alleen laat vergenoegen, totdat de verwachte grote toekomst werkelijk verschijnt.
Te dien dage, wanneer men aan deze zijde van den Jordaan zo vrolijk en triomferend van harte is, terwijl het in Moab aan gene zijde van den Jordaan den steden van dat land en dit volk zo kwalijk gaat (Hoofdstuk 25:9 vv.), zal dit lied gezongen worden in het land van Juda:
Wij hebben in onze stad, in het geheiligd Jeruzalem ene sterke
stad, die in waarheid alle aanvallen der vijanden kan trotseren (Ps. 87:1), God stelt gene dode stenen, maar het van Hem geschonkene en nooit bezwijkende heil (Hoofdstuk 60:18) tot muren en voorschansen 2), tot bolwerken van haar.
Ps. 46:6; Ps. 125. Spr. 18:10.
Een sterke stad in den zin van een stad, die aan alle vijandige aanvallen weerstand kan bieden, en waarom? Omdat God heil stelt tot muren en voorschansen. Dewijl derhalve die muren en bolwerken bestaan niet uit dode stenen, maar uit het heil, hetwelk God, de Heere bij voortduring verschaft. Ja God is zelf de veilige muur en het onvernietigbaar bolwerk voor al de Zijnen.
Als van dit heil gezegd wordt, gesteld te zullen worden tot muren en voorschansen, wil dat niet anders zeggen dan hetgeen muren en schansen zijn voor een stad, te weten middelen van hare bescherming en beveiliging; dat zulks ook dat heil zou wezen voor de Kerk. Des Heren heil zou zijn Kerk als tot een muur, tot een middel van hare bewaring strekken en zou rondom dezelve als de plaats van een muur en een voorschans vervullen, omtrent hetzelve hetwelk Jesaja in Hoofdstuk 60:18 zo uitdrukt: onze muren zult gij heil heten.
Nu zullen, wanneer dit nieuwe Jeruzalem, ene onmiddellijke schepping Gods (Openbaring 21:2), openbaar wordt, de koren dergenen, die tot het burgerschap zijn geroepen, even als eens bij de invoering van de arke des Verbonds (2 Sam. 6:12 vv.), de koren dergenen, die den optocht vergezelden (Ps. 24:7 en 9), roepen: Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk (Hoofdstuk 24:16, daarin ga, hetwelk de getrouwigheden, de verbondstrouw jegens den Heere, die zelf Zijne trouw zozeer heeft bewezen (Ps. 31:24), bewaart, en de heilige engelen zullen, gelijk te voren de Levitische zangers onder Obed-Edom en Jehiël (2 Sam. 6:15), aan die oproeping ook gehoor geven.
Tot wie geroepen wordt is niet onzeker. De Engelen zijn de hemelse poortwachters, en tot deze wordt hier gezegd, om de poorten van de sterke stad, waarvan de Heere God heil stelt tot muren en bolwerken, open te zetten, opdat zij van inwoners, van burgers en burgeressen vol worde, bewoond worde door dezulken, die tot het volk der gerechtigheid behoren, het volk dat gerechtvaardigd is door het geloof (Rom. 5:1) en hetwelk het verbond heeft gehouden, de getrouwigheden heeft bewaard.
Het is een bevestigd voornemen, het staat bij ons vast, in de kracht des geloofs betwijfelen wij het geen ogenblik, Gij zult allerlei vrede
bewaren, want men heeft op U vertrouwd, daar er zulke duidelijke bewijzen van Uwe bijzondere gunst toe noopten.
Volmaakte vrede, inwendige vrede, uitwendige vrede, vrede met God, vrede met het geweten, vrede ten allen tijde, onder alle omstandigheden.
Daarom komt uit het koor der heilige engelen (vs. 2) van boven deze vermaning tot die te Jeruzalem: Vertrouwt op den HEERE tot in der eeuwigheid, stelt geheel uw lot blijmoedig in Zijne handen; want in den HEERE HEERE 1) (Hebr. Jah-Jehova (Hoofdstuk 12:2) is een eeuwige rotssteen (Deut. 32:4), gelijk Zijn naam, zo veel mogelijk versterkt (Exod. 3:14; 6:3), te kennen geeft. De verbinding, Jah-Jehova, HEERE HEERE, dient om den Heere God als Verbonds God en Verlosser op het hoogst te verheerlijken, en om het verloste volk tot het sterkst vertrouwen op te wekken. De Heere wordt daarop bij een Rotssteen vergeleken, het beeld der sterkte en der onveranderlijkheid. De stormen mogen loeien, de waterstromen bruisen, maar de rotssteen blijft onveranderlijk. Eeuwen trotseert hij, het ene geslacht na het andere kan zich in hem verschuilen. Zo is in de hoogste mate de Heere God een toevlucht en sterkte, een onveranderlijke God, die trouwe houdt bij al zijne gelovigen.
Want dit is in de gebeurtenissen van den laatsten tijd genoegzaam bewezen. Hij heeft Zich betoond ene rots te zijn, waartegen alles verpletterd wordt, wat tegen Zijne gelovigen aanstormt; Hij buigt, gelijk men aan den val der Moabietische steden (Hoofdstuk 25:12), en nog meer aan die der wereldstad kan zien (Hoofdstuk 24:10 vv. de hoog-gezetenen neer, die op de onneembare rots wonen; de verhevene stad, Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, zodat zij van hare hoogte, op welke zij zich voor onaantastbaar hield, naar beneden moet, Hij doet ze tot aan het stof reiken 1).
God zal de nederigen, die op Hem al hun hope vestigen, eens over hun trotse vijanden doen zegepralen. Want hoe trots en verheven zij ook moge zijn, Hij is en blijft boven hen, en de verhevenste steden, hetzij dan Babylon of Ninevé kosten hem niets om in een ogenblik te worden verlaagd; want Hij ziet op de hoogmoedigen neer, om hen in het stof te werpen. Integendeel verhoogt Hij de ootmoedigen, en zal de onderdrukte nederigen eens op de hoogmoedigen doen trappen, die hen vertreden hebben.
De voet zal ze vertreden, gelijk aan ene geschiedt, die aan de verachting is prijsgegeven, de voeten des ellendigen, de treden der armen, die vroeger zelf vertreden en met smaad door haar overladen waren (Hoofdstuk 25:4), zullen nu op haar zijn. Om deze leenspreukige uitdrukking wel te verstaan moet men zich de Oosterse gewoonte herinneren, volgens welke een overwinnaar den voet zette op den nek van zijnen vijand, om hem de grootste verachting aan te doen.
Maar zij, die naar het oordeel der wereld nu te niet gaan, verschijnen dan in juist tegenovergesteld licht. Het pad des rechtvaardigen zal dan, wanneer het doel van dezen weg bereikt is, duidelijk te voorschijn treden, het is geheel effen, het gaat in rechte lijn en met de schoonste effenheid voort (Hoofdstuk 40:3); den gang des rechtvaardigen weegt Gij, o Heere! recht a), Gij maakt het recht en effen, evenals men bij het wegen den evenaar recht maakt; Gij zorgt, dat die weg tot het verlangde doel leidt (Spr. 4:26).
Spr. 5:6, 21. Vs. 1-7. De sterkte des vijands is verbrijzeld, maar het verwoeste en verlatene Jeruzalem verheft zich als ene onverwoestbare burcht Gods, als ene stad, die gene uiterlijke verdedigingswerken meer nodig heeft: de Heere zelf beschut haar met Zijn heil, dat dient haar als muren en als grachten. Maar er trekt ook een rechtvaardig volk hare poorten binnen, gelouterd door het vuur der straf, van nu aan het geloof behoudend, en zo op den alleen sterken, onverwrikbaren Grond der levens steunend. “Een vaste burcht is onze God!” Vrede, vrede is het gouden woord, waarin alle heil des mensen besloten is; maar het is slechts de vrucht van ‘t zuivere Gods vertrouwen. Doch de mens moet zijn geloof beschermen, hij moet het bewaren, wanneer hij deze paradijsvrucht verkrijgen wil en daarom verheft het lied den vasten zin. Wel prijst de wereld den vasten zin, en weet van overtuiging en karakter veel heerlijk te zeggen; maar deze sterkte van geest, die op zich zelf berust, meent de Heilige Schrift niet. Jehova slechts, de Eeuwige, geeft ons het rechte steunpunt, wanneer we in ‘t geloof ons met Hem verbinden, en Hij de rotssteen des harten (Ps. 73:26) wordt. Dan mag mijn vlees, mijn hart bezwijken gelijk de Psalmist daarmee zich troost, ik blijf in eeuwigheid. want God is in mij en ik ben in Hem! Ootmoed, ootmoed en altijd weer ootmoed is de prediking van wet en Evangelie, waardoor wij deze Goddelijke rots tot ons deel verkrijgen. De hoogmoedigen, die zich op zelf gestichte burchten veilig wanen, wederstreeft Hij, en stort hen in ‘t stof ter neer. Hij vernedert hen tot de aarde, opdat zij erkennen, dat zij aarde zijn. Dat moest ook de trotse stad ondervinden en ter waarschuwing leren, toen haar de Heere vernederde. Die anders de voeten op Israël’s arme zonen gezet had, moet nu door hare voeten zich laten vertreden. Alzo werken die onweerstaanbare oordelen des rechtvaardigen Gods. Daarom kan de rechtvaardige slechts den rechtvaardige genadig zijn. Wie recht is, diens weg loopt ook recht, want de Rechtvaardige richt hem tot het doel des vredes. Maar bij den kromme worstelt Hij! (Ps. 18:26) .
Dat weten wij, rechtvaardigen, ook zeer wel, dat dit het einde van ons pad zal zijn, en verlangend wachten wij die toekomst. Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten 1), in welke Gij als onze Verlosser komt, U, o HEERE! verwacht, als onze wegen nog krom en moeilijk waren bij de kinderen der wereld; tot Uwen naam en tot Uwe gedachtenis is de begeerte onzer ziel 2), dat Gij door ene heerlijke openbaring van U zelven U en Uw hoogheilig en rechtvaardig Wezen bij ons in levendig bewustzijn en aandenken brengt.
Dit ziet èn op de slaande hand Gods jegens de gelovigen èn op de oordelen, waarmee God volken en landen bezoekt. De Kerk verklaart het hier, spreekt het hier uit, dat als Gods hand zwaar op haar drukte, als het haar bange was van wege de oordelen en bezoekingen, die haar troffen, hare verwachting op den Heere God was. Maar ook dat als zij zag, dat de Heere volken en landen met Zijne gerichten bezocht, de verwachting in haar levendig werd, dat dit alles nog ene vrucht voor het Koninkrijk Gods zou afwerpen.
Al hun zorg is de eer van Gods Naam. Het herdenken aan God en Zijn Naam is al hun lust; dat sterkt hen in het lijden en dezen wensen zij te verheerlijken, en dat dezelve door God zelven mag verheerlijkt worden en door alle volken geroemd en groot gemaakt. Dit is hun zielsbegeerte, en het hoogst en hartelijkst verlangen van hun aan God verkleefd gemoed.
Met mijne ziel heb ik, de profeet, die weet een lid te zijn van Uwe nu nog strijdende, maar dan triomferende kerk, U begeerd in den nacht der droefheid, ook zal ik met mijnen geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken 2); nog voordat er iets van den morgen kan gezien worden, zal het oog des geloofs de sporen van Uw goddelijk bestuur in den gang der lotgevallen waarnemen, en daarom heb ik zelfs den tijd Uwer voorafgaande gerichten lief; want, wanneer Uwe gerichten op de aarde zijn, en haar treffen, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid, terwijl zij daardoor tot erkentenis en beoefening van hetgeen recht is, gebracht worden (Ps. 9:17).
Hoe teder en brandende is het verlangen naar God bij hen, die Hem in geest en waarheid zoeken! Want wat kan door de uitspraak des Profeets, sterker en meer afdoende uitgesproken worden. God zoeken is hier wachten op de openbaring van Gods. glorie en rechtvaardigheid, niet zozeer tot vernietiging der vijanden, maar tot hun bekering en tot lof van Gods glorie, opdat de vijanden der Kerk zich eindelijk bekeren en leren inzien, dat het hard is de verzenen tegen de prikkels te slaan. Niemand der heiligen, die wacht op de oordelen Gods, heeft behagen in den ondergang der vijanden, welke aandoening integendeel van hen zeer ver verwijderd is. De Profeet spreekt hier van zijn ziel en van zijn geest. Dit bewijst volstrekt niet dat ook Jesaja onderscheidde in ziel en geest en lichaam, maar onder zijne ziel verstaat hij hier zijn gehele Ik en onder geest de diepste en intiemste neigingen zijner ziele. Alles wat in hem van en aan hem was verlangde naar den Heere, opdat de nacht van ellende, de lijdensnacht, zou plaats maken voor het morgenrood der verlossing, voor het aanbreken van den dag des heils. Hij weet dat de oordelen Gods er toe kunnen dienen, dat de bewoners der aarde tot de erkentenis komen, dat de Heere rechtvaardig is en dat hij dus een God is, die ook wil dat Zijne mensenkinderen op den weg van recht en gerechtigheid wandelen.
Wordt den goddeloze genade bewezen, zodat zijn land voor straffen wordt bewaard, hij leert evenwel gene gerechtigheid, hij laat zich door Gods goedertierenheid niet tot bekering leiden (Rom. 2:4), hij laat zich integendeel daardoor tot te misdadiger gerustheid verleiden en drijft onrecht in een gans richtig 1) land, waar overigens alles goed en naar recht geschiedt. Hij hangt een deksel voor zijn hart (2 (Kor. 3:15), en hij ziet de hoogheid des HEREN niet aan.
Schoon de goddeloze woont onder hen, die uitmunten in een geregeld gedrag, dat is onder Gods volk, onder het volk (vs. 2), zo zal hij zich echter door hun voorbeeld niet laten leiden, noch zich begeven tot een ander gedrag, door de blijken, welke God gegeven heeft van Zijne macht en Voorzienigheid (vs. 11).
HEERE! is Uwe hand in ‘t geen Gij gedaan hebt verhoogd, zodat ieder het kan aanschouwen? zij ten minste zien het niet, maar het is omdat zij het niet willen 1); zij zullen het toch te eniger tijd moeten zien, en zij zullen beschaamd worden; dit zal hun overkomen van wege den ijver over Uw volk, dat zij wilden vernietigen; ook zal het vuur van Uwen Zoon, Uwe wederpartijders verteren.
Wanneer de goddelozen de verhoogde hand des Heren zullen zien, dat zij de uit de Heidenen verzamelde kerk niet kunnen onderdrukken, zo zullen zij daarover in toorn en ijver geraken, totdat zij te gronde gaan. Men kan dit overzetten: “Heere! Uwe hoge hand zien zij niet, ” gelijk Mozes de Israëlieten onderstelt te spreken, Deut. 32:21; “onze hand is hoog geweest, de Heere heeft dit alles niet gewrocht. ” Zeer zichtbaar was de werking van Gods grote kracht in die merkwaardige gevallen, het straffen Zijner vijanden en het verlossen van Zijn arm en verdrukt volk, en derhalve mocht het Zijnen tegenpartijen zelf wel de erkentenis Zijner hoogheid afpersen (Ps. 118:15, 16. Deut. 32:21), echter sloten zij willens hun ogen daarvoor en wilden zij daarop niet letten.
Eindelijk zouden de goddelozen genoodzaakt zijn Gode ere te geven, en zelf beschaamd worden over den haat en den nijd, dien zij jegens Gods volk getoond hadden. Sommigen zetten deze woorden over: “zij zullen zien Uwen ijver over Uw volk en beschaamd worden. ” Schaamte zal hen bevangen, wanneer zij zien de zorg, die God draagt voor de Zijnen, het belang, dat Hij in hen stelt en hoe zichtbaar Hij Zijne kracht laat blijken in ‘t beschermen der vromen.
HEERE! Gij zult ons, die nu reeds Uwe verhoogde hand zien en haar verder zullen aanschouwen, vrede bestellen, want Gij hebt ons ook al onze zaken uitgericht 1), zodat het niet ons eigen werk is, maar Uw werk aan ons en voor ons.
Hiermede geeft de Kerk alleen de eer van haar zaligheid aan den Heere God. Niet zij heeft zich vrede behaald, niet zij heeft zich verlost, niet zij is gekomen tot den heerlijken staat der verlossing, maar het is de Heere, die al haar zaken heeft uitgericht. Het is God, die beide werkt het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Ditzelfde wordt nader aangeduid in het volgende vers.
HEERE, onze God! andere heren, behalve Gij, die toch onze enige, rechtmatige Koning zijt, hebben over ons geheerst in dezen tijd, nu nog de draden der wereldgeschiedenis worden afgewonden; doch door U alleen
gedenken wij Uws naams; er zal nog eens een tijd komen, door Uwe hand teweeggebracht, dat wij Uwen naam plechtig kunnen verheerlijken, omdat Gij ons van alle dergelijke vreemde heersers hebt vrijgemaakt.
Dit is door U alleen, dit uitnemend voorrecht hebben wij alleen aan uwe wonderdoende macht te danken; door U zijn wij wat wij zijn; zonder Uwe redding had de vijand ons niet alleen de stof, maar ook zelfs de gelegenheid, om U te verheerlijken, benomen.
Dood zijnde zullen zij, die thans ons verdrukken, niet weer leven 1), en reeds is de ure van dien dood nabij (Hoofdstuk 14:4 vv.), overleden zijnde, en in de hel nedergedaald, zullen zij niet opstaan, om nog eens hun heerschappij op aarde te verkrijgen; daarom of, alzo om hen te niet te doen, hebt Gij hen bezocht, en hebt hen verdelgd, en Gij hebt al hun gedachtenis doen vergaan, zodat wij zelfs niet door de herinnering aan hen in het zoete genot des vredes, dat ons wacht, gestoord worden.
Hiermede wordt niet gezegd, dat er niet weer een opstanding der goddelozen zal plaats hebben. Een opstanding der doden en der goddelozen wordt wel degelijk ook door Jesaja geleerd, maar dat nu voor goed een einde is gemaakt aan hun onderdrukking, dat nu voorgoed hun de macht is ontnomen Gods volk langer te onderdrukken en te kwellen. Het woord daarom (Lakeen), moet dan ook niet door, daarom, maar door, alzo vertaald worden.
Gij, o HEERE! had, terwijl onder den druk van den tijd Uwe gemeente als vernietigd en uitgeroeid voorkomt (Ps. 66:12) dit volk vermeerderd, het uitgebreid en geheiligd te midden der verdrukkingen; Gij had dit volk vermeerderd, Gij waart verheerlijkt geworden in de bekering en bevestiging van zo velen; maar Gij hebt hen in al de einden des aardrijks verre weggedaan 1), ze over de gehele aarde verstrooid.
In het Hebr. Richaktha kolkatswee arets. Beter: Gij hebt de grenzen des lands uitgezet, in den zin van, dat de zaligheid niet alleen verbonden bleef tot Israël, maar dat ook de Heidenen tot het ware volk Israël’s zouden worden verzameld. Ene profetie wederom, dat de Kerk niet langer volkskerk, maar wereldkerk zou zijn en worden. In genen dele ziet het op de wegvoering van Israël. Dat zou hun geen oorzaak van blijdschap zijn, maar het ziet duidelijk op de toevoeging tot de kerk van hen, die niet behoren tot het aloude Bondsvolk.
Zien wij nog eens van de laatste verlossing in vs. 1-7, zo als reeds in vs. 8, 9 geschied is, op de voorafgegane treurigheid terug, zo heeft zij een bijzonderen zegen gehad; zij heeft ons leren bidden. HEERE! in de benauwdheid, die zij ondervonden, hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uwe tuchtiging over hen was, met sprakeloos smeken 1) hebben zij tot U gezucht en geweend (Ps. 18:7; 77:4. (Hos. 5:15; 6:1 vv.).
Of: “hun stil gebed, hun binnensmonds gefluister, wanneer zij, uit vrees hun openbare gebeden niet durfden uitstorten, Wanneer gezegd is, dat zij in de benauwdheid den Heere zochten, ligt daarin opgesloten, dat zij in vrede en voorspoed op een afstand van God blijven. Ziet alzo den zegen onzer verdrukkingen; zij brengen ons tot God. Te voren kwamen onze gebeden drupsgewijze, nu komen zij als water uit ene fontein. Smarten brengen ons tot verborgene gebeden, waarin wij vrijer zijn en opener ons tot God kunnen wenden, dan in openbare.
Maar ook de erkentenis van onze diepe onmacht, en hoe nutteloos en vergeefs alle eigene inspanning zij om de zaligheid te verwezenlijken, heeft ons de verdrukking geleerd. a) Gelijk ene bevruchte vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft en schreeuwt in hare weeën, maar met al haar schreeuwen niets kan doen om de smarten te verzachten, of het uur der verlossing te verhaasten, alzo zijn wij geweest, o HEERE! van wege Uw aangezicht, zo vermochten wij niets, omdat Gij Uw aangezicht voor ons verborgen hield.
Joh. 16:21. Openbaring 12:2. Of, gelijk v. d. Palm en ongeveer ook Umbreit: “Gelijk de zwangere vrouw, wier barensuur genaakt, van smarten krimpt, van weeën kermt, zo waren wij voorheen, Jehova! voor Uw vergramd gelaat. “
Wij waren bevrucht, het ging ons als ene zwangere vrouw, wij hadden de smarten, wij schreeuwden als ene barende vrouw, maar wij hebben niet dan wind gebaard, al ons worstelen en schreeuwen baatte ons niets, al onze smartelijke arbeid kwam op wind, op ijdelheid uit; wij deden het land gene behoudenis aan, alle pogingen ter verlossing waren ijdel, en de inwoners der wereld vielen niet neer 1), wij hadden gene macht om hen te vernietigen.
In het Hebr. Bal-jiploe jooschbee thebeel. Beter: En bewoners der wereld werden niet geboren. Want wel kan het tweede woord vallen betekenen, maar hier in verband met hetgeen er vooraf gaat, bedoelt het geboren worden, uit de baarmoeder vallen, eigenlijk te vroeg vallen, een misgeboorte voortbrengen. De Kerk belijdt het hier, dat wat zij voortbracht, niet anders was dan ontijdige weeën, dan misgeboorten. Zij spreekt haar onmacht uit om zelf het volk te vermeerderen, om zelf tot de kerk toe te voegen. Maar wat zij niet kon, dat heeft God gedaan. Al zal aan het einde der eeuwen de kerk ook tot een klein hoopje zijn ingekort, zodat de Heere bij Zijn wederkomst schier geen geloof meer zal vinden, met de dan levenden zullen de in den Heere ontslapenen, opgewekt uit de doden, op de nieuwe aarde, onder den nieuwen hemel, een grote schare uitmaken en eeuwig levende den Heere God verheerlijken. Dit wordt in het volgende vers bewezen.
Maar Gij, o Heere! zult met kleine moeite en in korten tijd ene nieuwe bevolking scheppen uit degenen, die reeds als lijken in ‘t stof des grafs neerliggen. Uwe doden, die in U en om Uwentwil gestorven zijn, nadat zij in hun leven tot Uwe gemeente behoorden (Ps. 44:23), zullen weer opstaan en leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; want ook ik behoor tot het volk van God (Ezechiël. 37:1 vv. (Openbaring 20:4 vv.). Waakt op en juicht mede met de jubelende koren, gij, die in den Heere ontslapen, in het stof woont, zo zal dan worden gehoord uit den mond van hen, die van de gelovigen nog in leven zijn (1 Thessalonicenzen. 4:13 vv.)! Want uw dauw, zo roepen zij verder, met gebeden des geloofs en des vertrouwens zich tot God wendende, zal zijn als een dauw der moeskruiden 1); van U gaat ene wonderbare kracht uit, die evenzo de lichamen der gestorvenen tot nieuw aanzijn roept, als de dauw, die van den hemel valt, de aarde vruchtbaar maakt, zodat zij zich in haar lentegroen kleedt, en het land zal de overledenen uitwerpen, het graf zal zijne doden wedergeven.
Want de dauw van Gods gunste zal voor hetzelve zijn als ene avonddauw voor het kruid, hetwelk door de zonnehitte van den dag als geschroeid zijnde, daardoor weer verkwikt en verlevendigd wordt, of gelijk de lentedauw, die de aarde bewatert en het verdorde en onder hetzelve begraven kruid weer doet voort schieten en uitbotten; aldus zullen ook de vromen weer verrijzen en bloeien, als de aarde hare doden zal opwerpen, gelijk zij de kruiden uit hare wortelen doet voortspruiten. Als de Kerk en hare belangen eens in welstand en bloei hersteld zijn, dan zal ook de dauw des hemels en de vetheid der aarde niet ontbreken, om aan dezelve toe te brengen, hetgeen zij in het natuurlijke mocht behoeven.
Ga dan bij zo heerlijke uitzichten voor de toekomst, in plaats van in eigene kracht door veel lopen en rennen te willen zoeken, wat Gij verlangt, ga henen Mijn volk Israël! waartoe ik ook mij zelven tel, ga in uwe binnenste kamers 1) en sluit uwe deuren na u toe, om daar in stil gebed tot God te zijn (MATTHEUS. 6:6); verberg u a) als een kleinen ogenblik 2), totdat de gramschap, de dag der wraak, waarop de Heere de wereld straft, overga, en dan de dag der verlossing kome.
2 Kor. 4:17
Gelijk de mens bij het losbarsten van het onweder zich in zijne binnenkamer verbergt, zo zal het volk Gods zich gedurende dezen tijd der bezoeking in stilte afzonderen. Dien raad volgden de Christenen te Jeruzalem (70 jaar na C.), toen zij van daar over den Jordaan naar de stad Pella ontweken. Bij de laatste gerichten is het graf ene veilige kamer, waar de vromen in vrede bewaard worden, totdat het strafgericht voorbij is (vgl. Jes. 56:13, 14; 57:1 vv.)
Men moet als Noach in de arke Gode gaan, want hij sluit de deuren achter zich, en als het gevaar dreigt heeft men zich als eens een Elia aan de beek Krith te verbergen. Men moet zich in zijn binnenkamers opsluiten tot aandachtige gebeden tot God en dit vooral in tijd van nood en ramp. Dus zich aan God bevelende zal Hij ons onder of in den hemel ook bewaren. Als de eerstgeborenen door den Engel Gods geslagen worden moet men zich binnen houden, anders zou het bloed aan de posten der deuren niets baten. De Profeet spreekt hier van een kleinen ogenblik, dewijl de oefening der strafgerichten Gods een kort ogenblik duurt. De Heere Christus zegt daarom ook geheel in overeenstemming hiermede, dat zo die degen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden, maar om der uitverkorenen wil, zullen die dagen verkort worden. (MATTHEUS. 24:22) De Heere God zal het alsdan ook betonen, dat er een ogenblik is in Zijn toorn maar een leven in Zijne goedgunstigheid.
Want ziet, de HEERE zal uit Zijne plaats uitgaan, waar Hij Zich in Zijne volle heerlijkheid openbaart, hoewel het op aarde schijnt, alsof Hij daar woonde geheel teruggetrokken en zonder bekommering over ‘t geen hier beneden is, om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken, om de goddelozen van wege hun zonden te straffen; en de aarde zal haar bloed ontdekken, zal aan het licht brengen al het door haar ingezogen bloed van degenen, die misdadig werden omgebracht, en zij zal hare doodgeslagenen, die in haren schoot verborgen waren, niet langer bedekt houden 2).
Het uitgaan des Heren van Zijne plaats, van Zijnen heiligen (Micha 1:3), van Zijnen verheven stoel (Jes. 6:1) is zulk een uitgaan Zijner kracht, zulk een betonen Zijner tegenwoordigheid, waarbij Hij uitgaat en toch in Zijne woning aanwezig blijft (vgl. Joh. 3:14). Dit vloeit voort uit het wezen van den eeuwigen Geest. Vs. 15-21. De profeet wendt zich van de doden tot hen, die leven zullen door hun geloof, die de Heere vermeerderen en welker grenzen Hij naar alle kanten heen uitbreiden wil. Maar dit nieuwe geslacht der gelovigen zou eerst uit den grond van ellende en jammer opwassen. Ja, zo is het, wat de profeet van ouds gezegd heeft, ‘t is ten alle tijde zo geweest. “Jehova, in den nood zoeken zij U; dan komen zij, als Gij hen tuchtigt. ” Eer de benauwden in den nood geleerd hebben God te zoeken en Zijnen naam aan te roepen, riepen zij te vergeefs in hun smarten om redding en herstelling; maar zulke weeën, verwijderd van Gods aangezicht, konden het dierbare land der belofte geen heil verschaffen, het ontvolkte zijne bewoners niet wedergeven. Nu echter hebben zij leren bidden tot den levenden God, die uit den dood leven geeft. Daar klinkt Zijne scheppende stem: “mogen uwe doden leven, mijne lijken weer opstaan!” Het verlatene land zal getuige zijn van het wonder der opstanding der doden, die ‘t woord des Almachtigen, ten jubel des nieuwen aanzijns, uit het stof heeft opgewekt. Het zijn toch Zijne lijken: hoe kon ze de Heere vergeten? het zijn toch Zijne schimmen, hoe kon ze de Heere in het duistere dodenrijk laten? De dauw der nieuwe levenwekking zal uit de hoogten Zijns lichtrijks druppelen en de bewoners des stofs zullen zich uit hun graven verheffen. Haast, haast, haast zal de dag der verlossing aanbreken, en de tijd des toorns is voorbij. Nabij is de dag der wraak, waarop de Heere de misdaad der wereld te huis zoekt. Tot zolang moge zich het volk rustig houden en stil, volhardend in geduld en hoop op de door der profeten mond gewordene belofte. “Ga in uwe kamer binnen en sluit uwe deur achter u, ” is de oude wijze raad, wanneer de storm des tijds bruist en bekommering de zielen vervult.
Tweeërlei getuigen staan tegen de goddelozen op, tegen de verdrukkers der kerk: het door de aarde ingezogen bloed, en de in de aarde weggeborgen lichamen der vermoorden, der martelaren. Dat bloed heeft immer om wrake geroepen tot den hemel. En nu bij het eindgericht zullen die twee getuigen om rechtvaardige vergelding roepen, en de aarde zal verzoend worden, het om wrake roepen zal ophouden, dewijl God, de Heere in Zijn onkreukbare rechtvaardigheid dat bloed wreekt op hen, die het onschuldig vergoten hebben en zich niet hebben bekeerd.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel