Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
OchH5414, dat Gij mij als een BroederH251 waart, zuigendeH3243 de borstenH7699 mijner moederH517! dat ik U op de straatH2351 vondH4672, ik zou U kussenH5401, ookH1571 zouden zij mij nietH3808 verachtenH936.
Och, dat Gij mij als een Broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder! dat ik U op de straat vond, ik zou U kussen, ook zouden zij mij niet verachten.
KJV
O that2
thou wert as my brother,3
that sucked5
the breasts6
of my mother!7
when I should find8
thee without,9
I would kiss10
thee; yea, I should not be despised.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ik zou U leidenH5090, ik zou U brengenH935 in mijner moedersH517 huisH1004, Gij zoudt mij lerenH3925; ik zou U van specerijwijnH7544 te drinkenH8248 geven, en van het sapH6071 van mijn granaatappelenH7416.
Ik zou U leiden, ik zou U brengen in mijner moeders huis, Gij zoudt mij leren; ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappelen.
KJV
I would lead1
thee, and bring2
thee into my mother's5
house,4
who would instruct6
me: I would cause thee to drink7
of spiced9
wine8
of the juice10
of my pomegranate.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Zijn linkerhandH8040 zij onderH8478 mijn hoofdH7218, en Zijn rechterhandH3225 omhelzeH2263 mij.
Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
KJV
His left hand1
should be under my head,3
and his right hand4
should embrace
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Ik bezweerH7650 u, gij dochterenH1323 van JeruzalemH3389! dat gij die liefdeH160 niet opwektH5782, noch wakker maaktH5782, totdatH5704 het dezelve lustH2654!
Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve lust!
KJV
I charge1
you, O daughters3
of Jerusalem,4
that ye stir not up,6
nor awake8
my love,10
until he please.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WieH4310 is zij, die daar opklimtH5927 uitH4480 de woestijnH4057, en liefelijk leuntH7514 opH5921 haar LiefsteH1730? OnderH8478 den appelboomH8598 heb ik u opgewektH5782, daar heeft u uw moederH517 met smart voortgebrachtH2254, daarH8033 heeft zij u met smart voortgebrachtH2254, die u gebaardH3205 heeft.
Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? Onder den appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uw moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft.
KJV
Who is this that cometh up3
from the wilderness,5
leaning6
upon her beloved?8
I raised11
thee up under the apple tree:10
there thy mother14
brought thee forth:13
there she brought thee forth16
that bare
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
ZetH7760 mij als een zegelH2368 opH5921 Uw hartH3820, als een zegelH2368 opH5921 Uw armH2220; want de liefdeH160 is sterkH5794 als de doodH4194; de ijverH7068 is hardH7186 als het grafH7585; haar kolenH7565 zijn vurigeH784 kolenH7565, vlammenH7957 des HEEREN.
Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN.
KJV
Set1
me as a seal2
upon thine heart,4
as a seal5
upon thine arm:7
for love11
is strong9
as death;10
jealousy14
is cruel12
as the grave:13
the coals15
thereof are coals16
of fire,17
which hath a most vehement flame.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
VeleH7227 waterenH4325 zouden deze liefdeH160 niet kunnen uitblussenH3518; ja, de rivierenH5104 zouden ze niet verdrinkenH7857; al gafH5414 iemandH376 alH3605 het goedH1952 van zijn huisH1004 voor deze liefdeH160, men zou hem te enenmaleH936 verachtenH936.
Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten.
KJV
Many2
waters1
cannot4
quench5
love,7
neither can the floods8
drown10
it: if a man13
would give12
all the substance16
of his house17
for love,18
it would utterly19
be contemned.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Wij hebben een kleineH6996 zusterH269, die nog geenH369 borstenH7699 heeft; watH4100 zullen wij onze zusterH269 doenH6213 in dien dagH3117, als men van haar sprekenH1696 zal?
Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal?
KJV
We have a little3
sister,1
and she hath no breasts:4
what shall we do8
for our sister9
in the day10
when she shall be spoken for?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
ZoH518 zij een muurH2346 is, wij zullen een paleisH2918 van zilverH3701 opH5921 haar bouwenH1129; en zoH518 zijH1931 een deurH1817 is, wij zullen haar rondom bezettenH6696 met cederenH730 plankenH3871.
Zo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken.
KJV
If she be a wall,2
we will build4
upon her a palace6
of silver:7
and if she be a door,9
we will inclose11
her with boards13
of cedar.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
IkH589 ben een muurH2346 en mijn borstenH7699 zijn als torensH4026. Toen was ik in Zijn ogenH5869 als een, die vredeH7965 vindtH4672.
Ik ben een muur en mijn borsten zijn als torens. Toen was ik in Zijn ogen als een, die vrede vindt.
KJV
I am a wall,2
and my breasts3
like towers:4
then was I in his eyes7
as one that found8
favour.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
SalomoH8010 had een wijngaardH3754, te Baal-HamonH1174; hij gafH5414 dezen wijngaardH3754 aan de hoedersH5201, een iederH376 brachtH935 voor deszelfs vruchtH6529 duizendH505 zilverlingenH3701.
Salomo had een wijngaard, te Baal-Hamon; hij gaf dezen wijngaard aan de hoeders, een ieder bracht voor deszelfs vrucht duizend zilverlingen.
KJV
Solomon3
had a vineyard1
at Baalhamon;4
he let out6
the vineyard8
unto keepers;9
every one10
for the fruit12
thereof was to bring11
a thousand13
pieces of silver.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Mijn wijngaardH3754, dien ik heb, is voor mijn aangezichtH6440; de duizendH505 zilverlingen zijn voor u, o SalomoH8010! maar tweehonderdH3967 zijn voor de hoedersH5201 van deszelfs vruchtH6529.
Mijn wijngaard, dien ik heb, is voor mijn aangezicht; de duizend zilverlingen zijn voor u, o Salomo! maar tweehonderd zijn voor de hoeders van deszelfs vrucht.
KJV
My vineyard,1
which is mine, is before3
me: thou, O Solomon,6
must have a thousand,4
and those that keep8
the fruit10
thereof two hundred.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
O gij bewoonsterH3427 der hovenH1588! de metgezellenH2270 merkenH7181 op uw stemH6963; doe ze Mij horenH8085.
O gij bewoonster der hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen.
KJV
Thou that dwellest1
in the gardens,2
the companions3
hearken4
to thy voice:5
cause me to hear
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Kom haastelijkH1272, mijn LiefsteH1730! en weesH1819 Gij gelijk een reeH6643, ofH176 gelijk een welpH6082 der hertenH354 opH5921 de bergenH2022 der specerijenH1314.
Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen.
KJV
Make haste,1
my beloved,2
and be thou like3
to a roe5
or to a young7
hart8
upon the mountains10
of spices.
dat Gij mij
Hebreeuws, wie zal u mij geven als mijn broeder! Zie de aantekening Deut. 5:29 , en Ps. 14:7 . Dit is een wens der Bruid, of der godzaligen, wensende dien dag te mogen zien en beleven, dat ze Christus haren Bruidegom [geworden zijnde haar broeder naar het vlees] zou mogen aanschouwen, in het vlees geopenbaard zijnde. Hoezeer vele godzaligen in het Oude Testament hiernaar verlangd hebben zie Matt. 13:17 ; Joh. 8:56 ; Hebr. 11:13 .
Hertaald:
dat Gij mij
Hebreeuws: wie zal U mij geven als mijn broeder! Zie de aantekening bij Deut. 5:29 en Ps. 14:7. Dit is een wens van de Bruid, of van de godzaligen, die de dag wensen te mogen zien en beleven waarop zij Christus, haar Bruidegom — Die naar het vlees haar broeder geworden is — in het vlees geopenbaard zouden mogen aanschouwen. Hoezeer veel godzaligen in het Oude Testament daarnaar verlangd hebben, zie Matth. 13:17, Joh. 8:56 en Hebr. 11:13.
zuigende
Geesterlijkerwijze moet men door de moeder verstaan de algemene kerk, het hemelse Jeruzalem, dat onzer aller moeder is; Gal. 4:26 . Christus heeft dezelfde borsten gezogen, die wij gezogen hebben, gelijk Hij de sacramenten des Ouden en des Nieuwen Testaments heeft genoten: de besnijdenis, het paaslam, den doop en het heilige avondmaal, om alzo alle gerechtigheid te volbrengen; Matt. 3:15 .
Hertaald:
zuigende
Geestelijk moet men onder de moeder de algemene kerk verstaan, het hemelse Jeruzalem, dat de moeder van ons allen is; Gal. 4:26. Christus heeft dezelfde borsten gezogen die wij gezogen hebben, zoals Hij ook de sacramenten van het Oude en het Nieuwe Testament genoten heeft: de besnijdenis, het paaslam, de doop en het heilig avondmaal, om zo alle gerechtigheid te vervullen; Matth. 3:15.
kussen,
Kussen is een bewijs van liefde, somtijds ook van eer en gehoorzaamheid. Zie Ps. 2:12 ; Hoogl. 1:2 .
Hertaald:
kussen,
Kussen is een bewijs van liefde, en soms ook van eer en gehoorzaamheid. Zie Ps. 2:12 en Hoogl. 1:2.
verachten
Die personen worden versmaad, die wat doen of geacht worden te doen, hetwelk niet eerlijk nocht betamelijk is, Gen. 38:23 ; 2 Sam. 6:16 ; Jes. 37:22 . Dewijl dan de Bruid, haren Bruidegom op de straat openlijk kussende, dat is openbaarlijk Hem voor de mensen belijdende en bekennende haar Zaligmaker te zijn, niets onbetamelijks doen zou, zo zou zij deshalve van geen godzalige personen met reden veracht of bespot worden. Of men kan deze woord [ ook zouden zij mij niet verachten ] in dezen zin nemen, alsof de Bruid zeide: Mijne vijanden, de ongelovigen mensen, zouden alsdan mijne hoop, die ik heb van de verschijning van den Messias in het vlees, niet meer bespotten gelijk zij plegen te doen, als de beloften Gods wat lang uitblijven, gelijk Ps. 42:11 te zien is, en 2 Petr. 3:4 .
Hertaald:
verachten
Veracht worden die personen die iets doen, of geacht worden te doen, wat niet eerbaar of gepast is, Gen. 38:23, 2 Sam. 6:16 en Jes. 37:22. De Bruid zou door haar Bruidegom openlijk op straat te kussen niets ongepasts doen — dat is: door Hem openlijk voor de mensen te belijden en te erkennen als haar Zaligmaker. Daarom zou zij door geen godzalig mens met reden veracht of bespot worden. Of men kan deze woorden — ook zouden zij mij niet verachten — zo opvatten alsof de Bruid zei: mijn vijanden, de ongelovige mensen, zouden dan mijn hoop op de verschijning van de Messias in het vlees niet meer bespotten, zoals zij plegen te doen wanneer de beloften van God wat lang uitblijven, zoals te zien is in Ps. 42:11 en 2 Petr. 3:4.
U leiden,
Te weten, met eerbieding en met vreugde; willende Christus, dat is de kennis van Christus, verbreiden in de algemene kerk zo der Joden als der heidenen.
Hertaald:
U leiden,
Namelijk: met eerbied en met vreugde, terwijl zij Christus — dat is: de kennis van Christus — wil verbreiden in de algemene kerk, zowel van de Joden als van de heidenen.
in mijner moeders
Dat is, in de kerk of verzamelingen der gelovigen, die Gods huizen en tempels zijn, 2 Kor. 6:16 ; Gal. 4:26 ; Hebr. 3:6 .
Hertaald:
in mijner moeders
Dat is: in de kerk of de samenkomsten van de gelovigen, die Gods huizen en tempels zijn, 2 Kor. 6:16, Gal. 4:26 en Hebr. 3:6.
Gij zoudt mij
Dit spreekt de kerk tot Christus. Zie Deut. 18:15 ; Jes. 2:2-3 ; Mi. 4:1-2 ; Joh. 1:18 , en Joh. 4:25 , en Joh. 15:15 ; Hebr. 1:1 .
Hertaald:
Gij zoudt mij
Dit spreekt de kerk tot Christus. Zie Deut. 18:15, Jes. 2:2-3, Micha 4:1-2, Joh. 1:18, Joh. 4:25, Joh. 15:15 en Hebr. 1:1.
ik zou U
Dat is, ik zou zulke goede vruchten tot uwe eer voortbrengen, die u zo aangenaam zouden zijn als wijn met specerijen vermengd, of hypocras, of het sap van granaatappelen, iemand wezen kan.
Hertaald:
ik zou U
Dat is: ik zou zulke goede vruchten tot Uw eer voortbrengen als U zo aangenaam zouden zijn als wijn met specerijen gemengd, of kruidenwijn, of het sap van granaatappels voor iemand kan zijn.
van het sap
Deze lieflijke drank is geheel het tegendeel van den beker, waarvan gesproken wordt Openb. 17:2 , Openb. 17:4 .
Hertaald:
van het sap
Deze lieflijke drank is het volstrekte tegendeel van de beker waarover gesproken wordt in Openb. 17:2 en Openb. 17:4.
Zijn linkerhand
De Bruid, aanmerkende hare zwakheid, bidt den Bruidegom, dat Hij haar wil troosten en ondersteunen, opdat zij rust moge vinden voor hare ziel, Hoogl. 2:6 . Anders: zijne linkerhand is, of ligt, onder mijn hoofd; dat is, Hij draagt middelerwijl zorg voor mij, tonende zijne kracht in mijne zwakheid, Hij ondersteunt mij in mijn grootsten nood, gelijk een getrouw man zijne huisvrouw bijstaat in haar nood en benauwdheid.
Hertaald:
Zijn linkerhand
De Bruid, die haar zwakheid opmerkt, bidt de Bruidegom haar te troosten en te ondersteunen, opdat zij rust mag vinden voor haar ziel, Hoogl. 2:6. Anders: Zijn linkerhand is, of ligt, onder mijn hoofd — dat is: Hij draagt ondertussen zorg voor mij en toont Zijn kracht in mijn zwakheid; Hij ondersteunt mij in mijn grootste nood, zoals een trouwe man zijn vrouw bijstaat in haar nood en benauwdheid.
Ik bezweer u,
Dat is, ik beveel u een eed. De Bruid, nu gevoelende de genadige vertroostingen van haren Bruidegom, wens dat zij dezelve steeds moge deelachtig zijn en blijven, verbiedende haren vrienden dezelve te ontrusten of te storen. Zie boven Hoogl. 2:7 , en Hoogl. 3:5 ; te ewten door ketterijen, scheuringen of ergernis. Eenigen menen dat de Bruidegom in vs.4 spreekt.
Hertaald:
Ik bezweer u,
Dat is: ik draag het u onder ede op. Nu de Bruid de genadige vertroostingen van haar Bruidegom voelt, wenst zij daaraan steeds deel te mogen hebben en te blijven houden, en zij verbiedt haar vriendinnen die te verstoren of te storen. Zie hierboven Hoogl. 2:7 en Hoogl. 3:5, namelijk door ketterijen, scheuringen of ergernis. Sommigen menen dat in vers 4 de Bruidegom spreekt.
dat gij die liefde
Anders: waarom, of wat zoudt gijlieden die liefde opwekken, of wakkermaken eer het haar lust? Deze vraag betekent zoveel alsof er stond: wekt deze liefde niet op, het zou ulieden en ons tezamen niet bevorderlijk zijn dat gij uwe moeder, de kerk, harteleed zoudt aandoen. Zie dergelijke manier van spreken boven Hoogl. 2:7 , en Hoogl. 3:5 .
Hertaald:
dat gij die liefde
Anders: waarom, of waartoe zou u die liefde opwekken of wakker maken voordat het haar behaagt? Deze vraag betekent zoveel als: wek deze liefde niet op; het zou u en ons samen niet ten goede komen als u uw moeder, de kerk, hartzeer zou aandoen. Zie een dergelijke manier van spreken hierboven bij Hoogl. 2:7 en Hoogl. 3:5.
Wie is zij,
Dit zijn de woorden van den Bruidegom, zich verwonderende over den opgang van een nieuwe gemeente, in ene plaats waar tevoren gene verzameling der gelovigen geweest was. Of, indien dit zijn de woorden van de oude kerk der gelovigen, gelijk sommigen menen, zo is het ene verwondering van de dochters van Jeruzalem over den aanwas, het sterk onwankelbaar geloof en geduld dezer gemeente, zich leunende, steunende, alleenlijk verlatende op de genadige bescherming van haren Bruidegom. Vergelijk Hoogl. 3:6 .
Hertaald:
Wie is zij,
Dit zijn de woorden van de Bruidegom, Die Zich verwondert over het opkomen van een nieuwe gemeente op een plaats waar tevoren geen samenkomst van gelovigen geweest was. Of: als dit de woorden van de oude kerk van de gelovigen zijn, zoals sommigen menen, dan is het een verwondering van de dochters van Jeruzalem over de groei, het sterke en onwankelbare geloof en het geduld van deze gemeente, die leunt en steunt en zich alleen verlaat op de genadige bescherming van haar Bruidegom. Vergelijk Hoogl. 3:6.
de woestijn,
Men kan hier door de woestijn verstaan de volken dezer wereld, uit welke het volk Gods is verkoren en geroepen; Joh. 15:19 .
Hertaald:
de woestijn,
Men kan hier onder de woestijn de volken van deze wereld verstaan, waaruit het volk van God verkoren en geroepen is; Joh. 15:19.
liefelijk
Anders: zich voegende, of vergezellende tot haren liefste. Het Hebreeuwse woord, dat in den tekst staat, wordt nergens meer gevonden dan hier alleen. Hier wordt te kennen gegeven de zwakheid, die de Bruid bij zichzelve gevoelt, hare sterkte bestaande in Christus haren Bruidegom, aan wien zij met het geloof leunende, versterkt wordt in alle vrees, twijfelmoedigheid, verzoekingen en gevaarlijkheden, als zijnde, door de vereniging met Hem, zijne genaden en weldaden deelachtig gemaakt, want wie den Heere aanhangt, die is een geest met Hem, 1 Kor. 6:17 , die hem volmaakt, bevestigt, sterkt en fondeert; 1 Petr. 5:10 .
Hertaald:
liefelijk
Anders: zich voegend bij, of zich vergezellend met haar liefste. Het Hebreeuwse woord dat in de tekst staat, komt nergens anders voor dan hier alleen. Hier wordt de zwakheid te kennen gegeven die de Bruid bij zichzelf voelt, terwijl haar sterkte in Christus, haar Bruidegom, ligt. Doordat zij met het geloof op Hem leunt, wordt zij versterkt bij alle vrees, twijfelmoedigheid, verzoeking en gevaar, omdat zij door de vereniging met Hem deel gekregen heeft aan Zijn genade en weldaden. Want wie de HEERE aanhangt, is één geest met Hem, 1 Kor. 6:17, en Hij volmaakt, bevestigt, versterkt en grondvest hem; 1 Petr. 5:10.
Onder
Versta hier bij den appelboom den boom der genade, welks schaduw en vruchten de Bruid aangenaam en vermakelijk zijn.
Hertaald:
Onder
Versta onder de appelboom hier de boom van de genade, waarvan de schaduw en de vruchten voor de Bruid aangenaam en verkwikkend zijn.
heb ik u opgewekt,
Dit zijn de woorden der Bruid tot haren Bruidegom, dien zij als uit den slaap opwekt door haar ijverig gebed; gelijk Ps. 44:24 , en Ps. 68:2 , en Ps. 78:65 .
Hertaald:
heb ik u opgewekt,
Dit zijn de woorden van de Bruid tot haar Bruidegom, Die zij als uit de slaap opwekt door haar vurige gebed, zoals in Ps. 44:24, Ps. 68:2 en Ps. 78:65.
daar heeft u
Te weten onder dien appelboom.
Hertaald:
daar heeft u
Namelijk: onder die appelboom.
uw moeder
Of aldus: Daar is uwe moeder van u in arbeid geweest, daar is zij in arbeid geweest, die u gebaard heeft; uwe moeder, dat is de eerste kerk, of verzameling der gelovigen, in welke Christus, bij manier van spreken, geboren is, door het prediken, belijden en het ten uitvoer brengen van zijn Woord, ook door het lijden voor hetzelve.
Hertaald:
uw moeder
Of zo: daar is uw moeder van u in barensnood geweest, daar is zij in barensnood geweest die u gebaard heeft. Uw moeder, dat is: de eerste kerk of samenkomst van de gelovigen, waarin Christus bij wijze van spreken geboren is door het prediken, het belijden en het uitvoeren van Zijn Woord, en ook door het lijden daarvoor.
met smart
Christus in de wereld voort te brengen door de predikatie van het Evangelie, wordt ons hier afgebeeld door de gelijkenis van ene vrouw, zijnde barenssmart; gelijk Gal. 4:19 ; Openb. 12:2 . Gelijk het kinderbaren geschiedt met vele pijnen en zwarigheid, alzo gaat het ook toe als men Christus in de harten en gemoederen der mensen brengende is, opdat zij in Hem geloven. Dit geschiedt niet dan met veel arbeid, zorg en zwarigheid. Zie 2 Kor. 4:8 tot 2 Kor. 4:11 , en 2 Kor. 6:4-5 .
Hertaald:
met smart
Christus in de wereld voortbrengen door de prediking van het Evangelie wordt ons hier afgebeeld met de vergelijking van een vrouw in barensnood, zoals in Gal. 4:19 en Openb. 12:2. Zoals het baren van kinderen met veel pijn en moeite gepaard gaat, zo gaat het ook toe wanneer men Christus in de harten en gemoederen van de mensen brengt, opdat zij in Hem geloven. Dat gebeurt niet dan met veel arbeid, zorg en moeite. Zie 2 Kor. 4:8 tot 2 Kor. 4:11 en 2 Kor. 6:4-5.
Zet mij
Met deze woorden bidt de Bruid Christus om verzekering en bevestiging zijner liefde tot haar, dat zij als een zegel in en op zijn hart moge verzegeld zijn en blijven. Dit ziet op den borstlap van den hogepriester, in welken gegraveerd waren de namen van de twaalf stammen van Israël, in twaalf edele stenen; Ex. 28:21 , Ex. 28:29 . Ten allen tijde zijn zegels gebruikt geweest tot bevestiging van hetgeen men schrijft of belooft, opdat het niet verbroken worde. Zie Neh. 9:28 ; Jer. 22:24 ; Hag. 2:24 ; Mal. 3:16 ; 2 Tim. 2:19 .
Hertaald:
Zet mij
Met deze woorden bidt de Bruid Christus om verzekering en bevestiging van Zijn liefde tot haar: dat zij als een zegel in en op Zijn hart verzegeld mag zijn en blijven. Dit ziet op de borstlap van de hogepriester, waarin de namen van de twaalf stammen van Israël in twaalf edelstenen gegraveerd waren; Ex. 28:21 en Ex. 28:29. Ten allen tijde zijn zegels gebruikt om te bevestigen wat men schrijft of belooft, opdat het niet verbroken wordt. Zie Neh. 9:28, Jer. 22:24, Haggaï 2:24, Mal. 3:16 en 2 Tim. 2:19.
op Uw arm;
De hogepriester droeg de namen der twaalf stammen, niet alleen op zijn hart, maar ook op zijne schouders, ter gedachtenis van de kinderen Israëls. Zie Jes. 49:16 . Eenigen menen dat door het hart hier betekend wordt de inwendige liefde des Bruidegoms en door den arm het uitwendig bewijs zijner liefde, gelijk Ps. 77:16 , en Ps. 86:11 .
Hertaald:
op Uw arm;
De hogepriester droeg de namen van de twaalf stammen niet alleen op zijn hart, maar ook op zijn schouders, ter gedachtenis van de kinderen Israëls. Zie Jes. 49:16. Sommigen menen dat met het hart hier de innerlijke liefde van de Bruidegom aangeduid wordt en met de arm het uiterlijke bewijs van Zijn liefde, zoals in Ps. 77:16 en Ps. 86:11.
de liefde
Te weten de geestelijke liefde der Bruid tot Christus en desgelijks de liefde van Christus tot zijne kerk en uitverkorenen.
Hertaald:
de liefde
Namelijk: de geestelijke liefde van de Bruid tot Christus, en evenzo de liefde van Christus tot Zijn kerk en uitverkorenen.
als de dood;
De zin is: Gelijk de dood door zijne kracht ook den allersterksten mens overwint, Ps. 89:49 , alzo is de onderlinge liefde tussen ons beiden zeer sterk, en zij kan in ons niet uitgeblust worden door enigen vijand, of tegenspoed, zelfs ook niet door den dood.
Hertaald:
als de dood;
De betekenis is: zoals de dood door zijn kracht ook de allersterkste mens overwint, Ps. 89:49, zo is de onderlinge liefde tussen ons beiden zeer sterk, en zij kan in ons door geen enkele vijand of tegenspoed uitgeblust worden, zelfs niet door de dood.
de ijver
Of, jaloezie. Dit betekent een heftige brandende liefde. Deze liefde of ijver wordt gezegd hard te wezen gelijk het graf, omdat zij alle zwarigheden verslindt en overwint; Gal. 5:24 ; Kol. 3:5 , gelijk de dood en het graf alles verslinden.
Hertaald:
de ijver
Of: jaloezie. Dit betekent een heftige, brandende liefde. Van deze liefde of ijver wordt gezegd dat zij hard is als het graf, omdat zij alle moeilijkheden verslindt en overwint, Gal. 5:24 en Kol. 3:5, zoals de dood en het graf alles verslinden.
haar kolen
Hier wordt gesproken van de brandende kolen der liefde, die het hart ontsteken en niet kunnen uitgeblust worden.
Hertaald:
haar kolen
Hier wordt gesproken over de brandende kolen van de liefde, die het hart ontsteken en niet geblust kunnen worden.
vlammen
Dat is, grote krachtige vlammen, of vlammen, die van den HEERE ontstoken worden. Versta, de vlammen of het vuur der liefde en van den Geest van Christus, hetwelk met recht groot mag genoemd worden vanwege de sterkte zijner liefde en de krachtige werking zijns Geestes in de harten der uitverkorenen.
Hertaald:
vlammen
Dat is: grote, krachtige vlammen, of vlammen die door de HEERE ontstoken worden. Versta daaronder de vlammen of het vuur van de liefde en van de Geest van Christus, dat terecht groot genoemd mag worden vanwege de sterkte van Zijn liefde en de krachtige werking van Zijn Geest in de harten van de uitverkorenen.
Vele wateren
Bij wateren en stromen worden dikwijls in de Heilige Schrift betekend tegenspoeden, vervolgingen, aanvechtingen, die de Heere Christus om onzentwil heeft uitgestaan, en met welke het geloof, de liefde en het geduld der kinderen Gods geoefend en beproefd worden, gelijk Ps. 42:8 , en Ps. 69:2 ; Jes. 8:7-8 , en Jes. 59:19 ; Dan. 9:26 , en Dan. 11:22 ; Matt. 7:27 . Zie de aantekening 2 Sam. 22:17 . Vergelijk Rom. 8:35-39 .
Hertaald:
Vele wateren
Met wateren en stromen worden in de Heilige Schrift vaak de tegenspoeden, vervolgingen en aanvechtingen aangeduid die de Heere Christus om onzentwil doorstaan heeft, en waarmee het geloof, de liefde en het geduld van de kinderen van God geoefend en beproefd worden, zoals in Ps. 42:8, Ps. 69:2, Jes. 8:7-8, Jes. 59:19, Dan. 9:26, Dan. 11:22 en Matth. 7:27. Zie de aantekening bij 2 Sam. 22:17. Vergelijk Rom. 8:35-39.
verdrinken;
Of, overstelpen, of overzwemmen.
Hertaald:
verdrinken;
Of: overstelpen, of overspoelen.
men zou hem ten enenmale verachten
Hebr. verachtende zouden zij hem verachten; dat is, hij zou ze daarvoor geenszins kunnen krijgen; of men zou zijn goed niet aannemen om hem zijne liefde daarvoor te geven. Of, men zou het ten enenmale versmaden. Gelijk de liefde, die daar is tussen Christus en zijne kerk niet kan gescheiden worden, zijnde tezamen gebonden door den band van den Heiligen Geest, alzo kan ook de liefde en enige andere geestelijke gave voor geen geld gekocht worden, maar het is een vrij geschenk van God, die het geeft wien het hem belieft, Hand. 8:18-20 ; Rom. 9:11-19.
Hertaald:
men zou hem ten enenmale verachten
Hebreeuws: verachtende zouden zij hem verachten — dat is: hij zou haar daarvoor beslist niet kunnen krijgen; of: men zou zijn bezit niet aannemen om hem er de liefde voor te geven. Of: men zou het volkomen versmaden. Zoals de liefde tussen Christus en Zijn kerk niet gescheiden kan worden, omdat zij samengebonden zijn door de band van de Heilige Geest, zo kan ook de liefde of enige andere geestelijke gave voor geen geld gekocht worden; het is een vrije gave van God, Die haar geeft aan wie Hij wil, Hand. 8:18-20 en Rom. 9:11-19.
Wij hebben
De kerk van het Oude Testament spreekt hier tot Christus van een nieuwe opgaande kerk, die uit de heidenen zou beroepen worden, die dikwijls beloofd was, gelijk Ps. 2:8 , en 72:8; Jes. 11:10 ; welke zij hare zuster noemt, ten aanzien van de enigheid des geloofs. De Joodse kerk wordt de oudste dochter genoemd, omdat zij het eerst geroepen is tot de gemeenschap van het verbond. Zie Rom. 9:4-5 .
Hertaald:
Wij hebben
De kerk van het Oude Testament spreekt hier tot Christus over een nieuwe, opkomende kerk die uit de heidenen geroepen zou worden en die vaak beloofd was, zoals in Ps. 2:8, Ps. 72:8 en Jes. 11:10. Zij noemt deze kerk haar zuster, met het oog op de eenheid van het geloof. De Joodse kerk wordt de oudste dochter genoemd, omdat zij het eerst geroepen is tot de gemeenschap van het verbond. Zie Rom. 9:4-5.
kleine zuster,
Aldus wordt de kerk, uit de heidenen bestaande, genoemd, niet omdat zij klein is ten aanzien van het getal der gelovigen, maar omdat zij later tot de kennis van God in Christus geroepen is; te weten in de volheid des tijds, Ef. 1:10 , en Ef. 2:6 ; want anders heeft deze kleinste of jongste zuster, die zolang onvruchtbaar geweest was, veel meer kinderen gebaard dan de oudste zuster.
Hertaald:
kleine zuster,
Zo wordt de kerk uit de heidenen genoemd, niet omdat zij klein is wat het aantal gelovigen betreft, maar omdat zij later tot de kennis van God in Christus geroepen is, namelijk in de volheid van de tijd, Ef. 1:10 en Ef. 2:6. Want overigens heeft deze kleinste of jongste zuster, die zo lang onvruchtbaar geweest was, veel meer kinderen gebaard dan de oudste zuster.
die nog geen
Dat is, zij is nog niet manbaar: dat is, de tijd is nog niet gekomen dat de heidenen tot Christus zouden gebracht en aan Hem verhuwelijkt worden.
Hertaald:
die nog geen
Dat is: zij is nog niet huwbaar — dat is: de tijd is nog niet gekomen dat de heidenen tot Christus gebracht en aan Hem uitgehuwelijkt zouden worden.
als men van haar spreken zal
Dat is, als hare bekering tot Christus gekomen zal zijn; wat zullen wij dan best doen tot haar hulp, aanwas en bevestiging in de waarheid en het geloof? Dit geeft te kennen en wijst aan het ambt en de liefde der ene particuliere kerk tot de andere, in het mededelen der gaven en in het bidden voor elkander. Zie Hand. 11:19 , Hand. 11:22-23 . Anders: als men tegen haar spreken zal; gelijk Num. 21:5 , de Hebreeuwse letter Beth genomen wordt, waar aldus staat: Het volk sprak tegen God en tegen Mozes; alzo Ps. 119:23 :Vorsten spraken tegen mij. Zo haast als zich een volk tot den Heere bekeert, stellen zich de goddelozen daartegen met woorden en werken.
Hertaald:
als men van haar spreken zal
Dat is: wanneer haar bekering tot Christus gekomen zal zijn: wat zullen wij dan het beste doen tot haar hulp, groei en bevestiging in de waarheid en het geloof? Dit geeft de taak en de liefde aan van de ene plaatselijke kerk tot de andere, in het meedelen van de gaven en in het bidden voor elkaar. Zie Hand. 11:19 en Hand. 11:22-23. Anders: wanneer men tegen haar spreken zal; zoals in Num. 21:5 de Hebreeuwse letter Beth opgevat wordt, waar staat: het volk sprak tegen God en tegen Mozes; zo ook in Ps. 119:23: vorsten spraken tegen mij. Zodra een volk zich tot de HEERE bekeert, keren de goddelozen zich daartegen met woorden en werken.
Zo
Eenigen nemen deze woorden voor de woorden van Christus; anderen voor de woorden der zusterkerken, wensende haren welstand.
Hertaald:
Zo
Sommigen houden deze woorden voor woorden van Christus, anderen voor woorden van de zusterkerken, die haar welzijn wensen.
zij een
Te weten de kerk uit de heidenen.
Hertaald:
zij een
Namelijk: de kerk uit de heidenen.
muur is,
Dat is, vast en sterk, in het geloof wel gegrond op het fondament van de leer der twaalf stammen Israëls en der apostelen. Zie Openb. 21:14 , Openb. 21:19 .
Hertaald:
muur is,
Dat is: vast en sterk, in het geloof goed gegrond op het fundament van de leer van de twaalf stammen van Israël en van de apostelen. Zie Openb. 21:14 en Openb. 21:19.
wij zullen
Hierbij kan men verstaan de zusterkerken of de joodse kerken; want door de ledematen derzelve heeft de Heere de heidenen beroepen tot de gemeenschap der heiligen, inzonderheid bij name door de apostelen, die allen geboren Joden waren, die gelijk wijze bouwlieden het fondament van dit zilveren paleis gelegd hebben; 1 Kor. 3:10 .
Hertaald:
wij zullen
Hierbij kan men de zusterkerken of de Joodse kerken verstaan; want door hun leden heeft de HEERE de heidenen geroepen tot de gemeenschap van de heiligen, en in het bijzonder door de apostelen, die allen geboren Joden waren en die als wijze bouwlieden het fundament van dit zilveren paleis gelegd hebben; 1 Kor. 3:10.
een paleis
Of, kasteel, of sterke toren, gelijk men pleegt in of aan sterke muren der steden te bouwen.
Hertaald:
een paleis
Of: kasteel, of sterke toren, zoals men die pleegt te bouwen in of aan de sterke muren van de steden.
van zilver
Dit betekent de zuiverheid, schoonheid en duurzaamheid van dit paleis, versierd zijnde met de gave van Gods Woord en Geest, op welke zij gebouwd zou worden tot ene woonstede Gods; Ef. 2:22 .
Hertaald:
van zilver
Dit betekent de zuiverheid, schoonheid en duurzaamheid van dit paleis, dat versierd is met de gave van Gods Woord en Geest, waarop zij gebouwd zou worden tot een woonplaats van God; Ef. 2:22.
op haar bouwen;
Dat is, wij zullen haar meer en meer versterken en versieren, te weten door het woord en de predikatie van het heilige Evangelie.
Hertaald:
op haar bouwen;
Dat is: wij zullen haar meer en meer versterken en versieren, namelijk door het woord en de prediking van het heilig Evangelie.
zij een deur is,
Dat is, staat haar hart open om de predikatie van het goddelijke Woord tot binnen in haar hart te laten komen en dat met vreugde te ontvangen.
Hertaald:
zij een deur is,
Dat is: staat haar hart open om de prediking van het goddelijke Woord tot binnen in haar hart te laten komen en die met vreugde te ontvangen.
rondom
Of, versterken, besluiten, bevrijden. God de Heere belooft, Zach. 2:5 , dat Hij een vurige muur rondom zijne kerk wil zijn.
Hertaald:
rondom
Of: versterken, insluiten, beveiligen. God de HEERE belooft in Zach. 2:5 dat Hij een vurige muur rondom Zijn kerk wil zijn.
met cederen
Dat is, met sterke palissaden en andere vastigheden. Cederhout, en de planken daarvan gemaakt, zijn schoon, sterk, duurzaam en goed van reuk. Van zulk hout was de tempel van Salomo getimmerd; 1 Kon. 6:15 . Door deze cederen planken mag men hier verstaan het Woord der waarheid, waartegen de poorten der hel niets vermogen; Matt. 16:18 , en 2 Kor. 13:8 .
Hertaald:
met cederen
Dat is: met sterke palissaden en andere versterkingen. Cederhout en de planken die daarvan gemaakt worden, zijn schoon, sterk, duurzaam en welriekend. Van zulk hout was de tempel van Salomo gebouwd; 1 Kon. 6:15. Onder deze cederen planken mag men hier het Woord van de waarheid verstaan, waartegen de poorten van de hel niets vermogen; Matth. 16:18 en 2 Kor. 13:8.
Ik ben een muur
Dat is, ik ben opgewassen en sterk geworden in het geloof en de liefde aan Jezus Christus. Met deze woorden geeft de kleine zuster, als profeterende, te kennen hare bereidwilligheid om aan te nemen en te wassen in de leer van het heilige Evangelie. Anderen nemen dit voor de woorden der Joodse kerk, dankende den Heere Christus voor zijne genade, dat zij ene stad Gods geworden was, of tot de stad Gods was aangenomen. Of, omdat haar geloof sterk was als een muur.
Hertaald:
Ik ben een muur
Dat is: ik ben opgegroeid en sterk geworden in het geloof in en de liefde tot Jezus Christus. Met deze woorden geeft de kleine zuster als profeterend haar bereidwilligheid te kennen om de leer van het heilig Evangelie aan te nemen en daarin te groeien. Anderen houden dit voor de woorden van de Joodse kerk, die de Heere Christus dankt voor Zijn genade, omdat zij een stad van God geworden was, of tot de stad van God aangenomen was. Of omdat haar geloof sterk was als een muur.
mijn borsten
De zin dezer woorden is: Mijne borsten zijn hoog opgewassen, of volwassen, gelijk Ezech. 16:7-8 . Dat is, de kerkedienst is in mij bevestigd, genoegzaam om Christus' kinderen op te voeden, dezelve spijzende met de melk van Gods Woord; 1 Petr. 2:2 . De gelijkenis van torens betekent ook de sterkte, macht en heerlijkheid van de bediening van het heilige Evangelie en de openbare predikatie deszelven uit predikstoelen, of hoge plaatsen, om van allen gehoord te mogen worden. Want het Hebreeuwse woord migdal wordt ook genomen voor een houten predikstoel; Neh. 8:5 .
Hertaald:
mijn borsten
De betekenis van deze woorden is: mijn borsten zijn hoog opgegroeid of volgroeid, zoals in Ezech. 16:7-8. Dat is: de kerkendienst is in mij bevestigd, en die is toereikend om Christus' kinderen op te voeden en te voeden met de melk van Gods Woord; 1 Petr. 2:2. De vergelijking met torens betekent ook de sterkte, macht en heerlijkheid van de bediening van het heilig Evangelie en van de openbare prediking daarvan vanaf preekstoelen of hoge plaatsen, om door allen gehoord te kunnen worden. Want het Hebreeuwse woord migdal wordt ook genomen voor een houten preekstoel; Neh. 8:5.
Toen was ik
Te weten toen ik dit antwoord kreeg van hetwelk vs.9. Dit spreekt de Bruid tot hare speelgenoten.
Hertaald:
Toen was ik
Namelijk: toen ik het antwoord kreeg waarover vers 9 spreekt. Dit spreekt de Bruid tot haar speelgenoten.
Zijn ogen
Te weten in Jezus Christus' ogen. Hiermede wil de Bruid zeggen dat het een onverdiende genade is, die zij van haren Bruidegom ontvangt, dat zij na langdurige zwarigheid en verdriet van Hem getroost wordt. Zie Jes. 54:7-8 , enz. Zie ook Ef. 2:12-13 , enz.
Hertaald:
Zijn ogen
Namelijk: in de ogen van Jezus Christus. Hiermee wil de Bruid zeggen dat het een onverdiende genade is die zij van haar Bruidegom ontvangt, dat zij na langdurige moeite en verdriet door Hem getroost wordt. Zie Jes. 54:7-8, enzovoort. Zie ook Ef. 2:12-13, enzovoort.
als een,
Wij zijn al tezamen vijanden Gods. Rom. 5:10 . Te weten aangezien zijnde in onze verdorvenheid; maar wij gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede met God door onzen Heere Jezus Christus; Rom. 5:1 ; Jes. 32:17 . Het is alsof de Bruid hier zeide: De Bruidegom heeft zich mijn geloof en vlijt laten welgevallen, en Hij is derhalve met mij wel tevreden geweest. Anderen nemen die laatste woroden aldus: Met dit antwoord stelde ik mij gerust en was wel tevreden.
Hertaald:
als een,
Wij zijn allemaal vijanden van God, Rom. 5:10, namelijk wanneer wij in onze verdorvenheid aangezien worden; maar nu wij door het geloof gerechtvaardigd zijn, hebben wij vrede met God door onze Heere Jezus Christus, Rom. 5:1 en Jes. 32:17. Het is alsof de Bruid hier zei: de Bruidegom heeft Zich mijn geloof en mijn ijver laten welgevallen, en Hij is daarom tevreden over mij geweest. Anderen vatten die laatste woorden zo op: met dit antwoord stelde ik mij gerust en was ik tevreden.
Sálomo
Men kan deze woorden nemen als van Christus gesproken te zijn, of van de Bruid. Indien het de woorden van Christus zijn, zo is het ene gelijkenis tussen Salomo met zijnen wijngaard en tussen Christus met den zijnen. Salomo kon zelf geen acht hebben op zijne wijngaarden, [gelijk ook David niet had kunnen doen; 1 Kron. 27:27 ] maar hij stelde ambtlieden om op dezelve te passen, die hem een jaarlijksen penning daarvoor gaven, en zelf genoten zij enig voordeel voor hunne moeite; maar Christus, die altijd bij zijne kerk is, Matt. 28:20 ; Openb. 2:1 , slaat zelf zijn wijngaard gade, en derhalve komen al de vruchten daarvan Hem alleen toe. Indien dit de woorden der Bruid zijn, zo betekenen zij een grotere zorg en naarstigheid in haar nu dan in vorige tijden, toen zij bekende dat zij den wijnstok, dien zij had, dat is die haar toevertrouwd was, niet genoegzaam gehoed of in acht genomen had; Hoogl. 1:6 . Van de wijngaarden van Salomo, zie Pred. 2:4 .
Hertaald:
Sálomo
Men kan deze woorden opvatten als gesproken door Christus of door de Bruid. Als het de woorden van Christus zijn, dan is het een vergelijking tussen Salomo met zijn wijngaard en Christus met de Zijne. Salomo kon zelf niet op zijn wijngaarden letten — zoals ook David dat niet had kunnen doen, 1 Kron. 27:27 — maar hij stelde beambten aan om ze te verzorgen, die hem daarvoor een jaarlijkse pacht gaven en zelf enig voordeel voor hun moeite genoten. Maar Christus, Die altijd bij Zijn kerk is, Matth. 28:20 en Openb. 2:1, let Zelf op Zijn wijngaard, en daarom komen alle vruchten daarvan Hem alleen toe. Als dit de woorden van de Bruid zijn, dan geven zij een grotere zorg en ijver in haar te kennen dan in vroeger tijd, toen zij erkende dat zij de wijnstok die zij had — dat is: die haar toevertrouwd was — niet voldoende gehoed of verzorgd had; Hoogl. 1:6. Over de wijngaarden van Salomo, zie Pred. 2:4.
te Baäl-Hamon;
Anders: in een vruchtbare plaats. Hebreeuws, een meester of heer der menigte; dat is, een plaats, die vele vruchten draagt, verstaande hierbij òf de wereld, onder de veelheid van welker volkeren Christus de zijnen heeft, Ps. 87:4 , òf de kerk wordt aldus genoemd, ten aanzien van de menigvuldige vruchten, die zij God geeft, of behoorde te geven, zijnde gesteld in een vruchtbare plaats, over welke God zijnen zegen gestort had. Zie Jes. 5:1 .
Hertaald:
te Baäl-Hamon;
Anders: op een vruchtbare plaats. Hebreeuws: een meester of heer van de menigte — dat is: een plaats die veel vrucht draagt. Versta daaronder óf de wereld, onder de veelheid van wier volken Christus de Zijnen heeft, Ps. 87:4, óf de kerk, die zo genoemd wordt met het oog op de vele vruchten die zij God geeft, of behoorde te geven, omdat zij op een vruchtbare plaats gesteld is waarover God Zijn zegen uitgestort had. Zie Jes. 5:1.
hij gaf dezen
Dat is, hij verhuurde, of verpachtte dezen wijngaard aan de pachters of wachters, opdat zij denzelven zouden bouwen, opdat hij vele vruchten zou voortbrengen.
Hertaald:
hij gaf dezen
Dat is: hij verhuurde of verpachtte deze wijngaard aan de pachters of hoeders, opdat zij die zouden bewerken en hij veel vrucht zou voortbrengen.
de hoeders,
Door de hoeders of wachters moet men verstaan de profeten des Ouden en de apostelen mitsgaders hunne navolgers in het Nieuwe Testament; zie Matt. 21:33 ; 1 Kor. 3:9 .
Hertaald:
de hoeders,
Onder de hoeders of wachters moet men de profeten van het Oude Testament en de apostelen verstaan, en ook hun opvolgers in het Nieuwe Testament; zie Matth. 21:33 en 1 Kor. 3:9.
duizend
Duizend zilverlingen [of duizend zilveren sikkels ], hierbij betekenende de grote vruchtbaarheid van dezen wijngaard, die zoveel voor den eigenaar opbracht, behalve het voordeel of de winst van den pachter of van den huurder. Zie ook Jes. 7:23 .
Hertaald:
duizend
Duizend zilverlingen, of duizend zilveren sikkels, duiden hier op de grote vruchtbaarheid van deze wijngaard, die zoveel voor de eigenaar opbracht, nog afgezien van het voordeel of de winst van de pachter of huurder. Zie ook Jes. 7:23.
zilverlingen
Van den prijs of waardij van den zilverling, zie Gen. 20:16 , en Gen. 23:15 .
Hertaald:
zilverlingen
Over de prijs of de waarde van de zilverling, zie Gen. 20:16 en Gen. 23:15.
Mijn wijngaard,
Dat is, mijne gemeente, gelijk Hoogl. 1:6 ; Jes. 5:1 . Het zijn de woorden van den Bruidegom.
Hertaald:
Mijn wijngaard,
Dat is: Mijn gemeente, zoals in Hoogl. 1:6 en Jes. 5:1. Het zijn de woorden van de Bruidegom.
dien ik heb,
Dat is, die mijne zorg en opzicht bevolen en toevertrouwd is.
Hertaald:
dien ik heb,
Dat is: die aan Mijn zorg en toezicht opgedragen en toevertrouwd is.
is voor mijn
Ik zelf pas er steeds op. Ik zelf draag zorg dat hij wel gebouwd worde: niet doende gelijk Salomo, die het op de wachters liet aankomen. Ik neem zelf mijn wijnberg en mijne schapen aan; Ezech. 34:11-12 , enz.; Joh. 10:14 ; Openb. 2:1 .
Hertaald:
is voor mijn
Ik let er Zelf voortdurend op. Ik draag er Zelf zorg voor dat hij goed bewerkt wordt, en Ik doe niet zoals Salomo, die het aan de hoeders overliet. Ik neem Mijn wijnberg en Mijn schapen Zelf aan; Ezech. 34:11-12, enzovoort, Joh. 10:14 en Openb. 2:1.
de duizend
Alsof Hij zeide: Gij Salomo, zult uw volle pacht hebben te weten duizend zilverlingen, vs.11.
Hertaald:
de duizend
Alsof Hij zei: u, Salomo, zult uw volle pacht hebben, namelijk duizend zilverlingen, vers 11.
maar tweehonderd
Dat is, de arbeiders en opzichters van den wijngaard zullen ook het hunne hebben, elk naar evenredigheid van zijnen arbeid. Zie Matt. 20:1-2 , enz.; 1 Kor. 3:8 . Versta hierbij: Maar mij komen de vruchten van mijnen wijnstok geheel en al toe. Deze eer geven gaarne alle getrouwe kerkedienaars hunnen Heere Christus Jezus; wij mogen planten en natmaken, maar het is God alleen, die den wasdom geeft; 1 Kor. 3:6-7 , en 1 Kor. 15:10 .
Hertaald:
maar tweehonderd
Dat is: de arbeiders en opzichters van de wijngaard zullen ook het hunne hebben, ieder naar de mate van zijn arbeid. Zie Matth. 20:1-2, enzovoort, en 1 Kor. 3:8. Vul hierbij aan: maar Mij komen de vruchten van Mijn wijnstok geheel en al toe. Deze eer geven alle getrouwe kerkendienaars graag aan hun Heere Jezus Christus; wij mogen planten en begieten, maar het is God alleen Die de wasdom geeft; 1 Kor. 3:6-7 en 1 Kor. 15:10.
O gij bewoonster
Hier spreekt Christus zijne Bruid aan, die in de hoven woont, dat is, die zich onthoudt in die plaatsen, waar kerken geplant zijn, in verscheidene landschappen en steden.
Hertaald:
O gij bewoonster
Hier spreekt Christus Zijn Bruid aan, die in de hoven woont — dat is: die zich ophoudt op de plaatsen waar kerken geplant zijn, in verschillende streken en steden.
der hoven
Of, der gaarden, der luchtingen, der tuinen.
Hertaald:
der hoven
Of: van de gaarden, van de lusthoven, van de tuinen.
de metgezellen
Het schijnt dat men hier door de metgezellen moet verstaan de andere gelovige Christenen, die even dierbaar geloof verkregen hebben, 2 Petr. 1:1 , en de leer der kerken horen en volgen.
Hertaald:
de metgezellen
Het lijkt dat men hier onder de metgezellen de andere gelovige christenen moet verstaan, die hetzelfde dierbare geloof verkregen hebben, 2 Petr. 1:1, en die de leer van de kerken horen en volgen.
Mij horen
Te weten, uwe stem.
Hertaald:
Mij horen
Namelijk: uw stem.
Kom haastelijk,
Hebreeuws, vlied. In deze betekenis schijnt het hier niet genomen te worden, want de kerk bidt niet dat Christus van haar vliede of wijke; dat is de bede der Gadarenen. Matt. 8:34 ; maar vlied betekent hier: kom zo haastiglijk tot ons, als iemand die gejaagd zijnde is vliedende. De Bruid bidt en begeert dat zij moge zien het einde van het rijk van Christus in deze wereld [daar Hij in zijne ledematen wordt vervolgd en gekweld] en tegelijk hare opneming in de hoge hemelen. Nu regeert Christus in het midden zijner vijanden, Ps. 110:2 , en dat zal alzo voortaan duren, totdat Hij al zijne vijanden onder zijne voeten zal gebracht hebben, en totdat Hij het koninkrijk aan God zijnen Vader zal overgegeven hebben, 1 Kor. 15:24-25 . Naar dezen dag verlangt de Bruid, en wenst dat hij haast moge komen, en dat de Bruidegom haar wil bijstaan, terwijl zij hier beneden in den strijd is. Hoogl. 2:17 , en dat Hij zijn laatste toekomst wil bespoedigen tot hare verlossing. Of, als men immers het woord Barach in zijn eigen betekenis zou willen behouden, namelijk voor vluchten of vlieden, zo moest dit de overzetting en de mening zijn: Vlied, mijn liefste....
Hertaald:
Kom haastelijk,
Hebreeuws: vlied. In die betekenis lijkt het hier niet genomen te moeten worden, want de kerk bidt niet dat Christus van haar zou vlieden of wijken — dat is de bede van de Gadarenen, Matth. 8:34. Maar vlied betekent hier: kom zo haastig tot ons als iemand die opgejaagd op de vlucht is. De Bruid bidt en verlangt dat zij het einde mag zien van het rijk van Christus in deze wereld, waar Hij in Zijn leden vervolgd en gekweld wordt, en tegelijk haar eigen opneming in de hoge hemelen. Nu regeert Christus in het midden van Zijn vijanden, Ps. 110:2, en dat zal voortaan zo duren totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten gebracht zal hebben en totdat Hij het koninkrijk aan God, Zijn Vader, zal hebben overgegeven, 1 Kor. 15:24-25. Naar die dag verlangt de Bruid, en zij wenst dat hij spoedig mag komen, en dat de Bruidegom haar wil bijstaan terwijl zij hier beneden in de strijd is, Hoogl. 2:17, en dat Hij Zijn laatste komst wil bespoedigen tot haar verlossing. Of: als men het woord Barach toch in zijn eigenlijke betekenis zou willen houden, namelijk als vluchten of vlieden, dan zou dit de vertaling en de bedoeling moeten zijn: vlied, mijn Liefste...
Kom haastelijk,
naar de bergen der specerijen; dat is, naar de hemelen, die hier genoemd worden de bergen der specerijen, tenaanzien van de hoogte, de vreugde en vermakelijkheid, die eeuwiglijk zal zijn aan de rechterhand Gods; Hoogl. 4:6 , wordt de hemel genoemd een mirreberg en een wierookbergje. Het is zoveel alsof de Bruid hier aldus sprak: Alhoewel het mij zeer lief zou zijn, dat Gij lichamelijk bij mij waart en steeds bleeft, zo beken ik nochtans dat het mij beter is dat Gij in den hemel zijt, om mij vandaar den Trooster, den Heiligen Geest, te zenden, en mij in uws Vaders huis een plaats te bereiden, opdat Gij mij eindelijk tot u neemt in de eeuwige zaligheid; Joh. 14:2 , en Joh. 16:7 .
Hertaald:
Kom haastelijk,
Naar de bergen van de specerijen — dat is: naar de hemelen, die hier de bergen van de specerijen genoemd worden met het oog op de hoogte, de vreugde en het genot die er eeuwig zullen zijn aan de rechterhand van God. In Hoogl. 4:6 wordt de hemel een mirreberg en een wierookheuvel genoemd. Het is alsof de Bruid hier zo sprak: hoewel het mij zeer lief zou zijn dat U lichamelijk bij mij was en altijd bleef, erken ik toch dat het beter voor mij is dat U in de hemel bent, om mij vandaar de Trooster, de Heilige Geest, te zenden en mij in het huis van Uw Vader een plaats te bereiden, opdat U mij ten slotte tot U neemt in de eeuwige zaligheid; Joh. 14:2 en Joh. 16:7.
een ree,
Dat haastelijk heenloopt; dat is, haast u om tot ons te komen. Zie Hoogl. 2:8-9 , Hoogl. 2:17 . Gelijk dit Hooglied begonnen is met verlangen der Bruid naar haren Bruidegom, dat Hij haar kusse met de kussen zijns monds; alzo eindigt het met verlangen naar de tweede komst van Christus, gelijk Hij zijne kerk zal opnemen in de eeuwige vreugde. De Geest en de Bruid zeggen: kom, en wie het hoort, zegge: kom. Christus zelf zegt: Ik kom haastelijk, Amen. Ja kom, Heere Jezus. De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen; Openb. 22:17 , Openb. 22:20-21 .
Hertaald:
een ree,
Een ree die haastig wegloopt — dat is: haast U om tot ons te komen. Zie Hoogl. 2:8-9 en Hoogl. 2:17. Zoals dit Hooglied begonnen is met het verlangen van de Bruid naar haar Bruidegom, dat Hij haar zou kussen met de kussen van Zijn mond, zo eindigt het met het verlangen naar de tweede komst van Christus, wanneer Hij Zijn kerk zal opnemen in de eeuwige vreugde. De Geest en de Bruid zeggen: kom; en wie het hoort, zegge: kom. Christus Zelf zegt: Ik kom haastelijk, Amen. Ja, kom, Heere Jezus. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen; Openb. 22:17 en Openb. 22:20-21. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Ligging: Onbekend; de precieze ligging van deze plaats is niet met zekerheid vast te stellen en wordt door uitleggers op zeer uiteenlopende plaatsen in Kanaän gezocht. Geschiedenis: Hier had koning Salomo een grote wijngaard, die hij aan bewaarders verhuurde tegen een opbrengst van duizend zilverlingen (Hoogl. 8:11) — in het Hooglied gebruikt als beeld waartegenover de bruidegom zijn eigen, kostbaarder "wijngaard" (de bruid zelf) stelt. Bijbelse betekenis: Zelfs Salomo's rijkste bezit wordt in het Hooglied bewust ondergeschikt gemaakt aan de waarde van de ene, persoonlijk geliefde bruid — "mijn wijngaard, die ik heb, is voor mijn aangezicht" (Hoogl. 8:12) — een treffend beeld van hoe de liefde van Christus voor Zijn Kerk niet in geld of bezit is uit te drukken. Recente inzichten: De ligging blijft onbekend; sommigen zoeken een plaats bij Baal-Gad onder de Hermon, anderen houden de naam voor een binnen het gedicht zelf sprekende naam zonder aanwijsbare historische locatie. Hoogl. 8:11-12 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Naast de bruid en de Bruidegom klinkt in dit boek een derde stem. De bruid spreekt hen voor het eerst aan wanneer zij over zichzelf spreekt: "Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!)" (Hoogl. 1:5). Driemaal legt zij hun een bezwering op om de liefde haar eigen tijd te laten (Hoogl. 2:7; Hoogl. 3:5; Hoogl. 8:4, reeds behandeld). In het vijfde hoofdstuk bezweert zij hen anders: als zij haar Liefste vinden, moeten zij Hem aanzeggen: "Dat ik krank ben van liefde" (Hoogl. 5:8). Daarop stellen zij hun eigen vraag: "Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o gij schoonste onder de vrouwen?" (Hoogl. 5:9). Die vraag geeft haar de gelegenheid tot de lofzang waarin zij Hem van het hoofd tot de voeten beschrijft (Hoogl. 5:10-16, reeds behandeld). En dan volgt de wending die deze groep haar plaats geeft: "Waar is uw Liefste heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken?" (Hoogl. 6:1). Bijbelse betekenis: Deze stem doet in het lied iets wat de bruid alleen niet kan. Zij vraagt, en door haar vraag komt eruit wat anders binnen zou blijven. Wie zich afvraagt waarom de lofzang op de Bruidegom juist daar staat, vindt het antwoord bij Hoogl. 5:9: er werd naar gevraagd. Zo werkt het ook in de gemeente. Belijden begint vaak bij iemand die vraagt wat het bijzondere is aan Hem. Let daarnaast op de beweging die deze groep maakt. Zij begint als toehoorster, wordt dan vraagster, en eindigt als medezoekster (Hoogl. 6:1). Dat is de weg die het getuigenis van één gelovige met anderen gaan kan: niet overtuigd door een betoog, maar meegenomen door wat zij hoorde. En let ten slotte op de inhoud van de bezwering. De bruid vraagt hun niets te forceren. Ook in geestelijke dingen laat zich de liefde niet opwekken vóór haar tijd; dat is de terughoudendheid die dit boek telkens oplegt. Typologie: Het Evangelie kent dezelfde beweging van horen naar zelf zoeken. De Samaritaanse vrouw riep de mensen van haar stad, en er staat dat velen in Hem geloofden om haar woord (Joh. 4:39). Later maakten zij haar duidelijk dat hun geloof niet meer op haar woord rustte, want zij hadden Hem nu zelf gehoord (Joh. 4:42). Zo blijft ook hier de vraag van de dochteren van Jeruzalem niet bij het antwoord van een ander staan: zij gaan zelf mee zoeken. Hoogl. 1:5; Hoogl. 2:7; Hoogl. 3:5; Hoogl. 5:8-9; Hoogl. 5:10-16; Hoogl. 6:1; Hoogl. 8:4; Joh. 4:39; Joh. 4:42 "Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste?" (Hoogl. 8:5). Dezelfde vraag stond eerder in het boek, maar toen ging het over een stoet met wierook en gewapende mannen (Hoogl. 3:6). Hier is alles weggevallen behalve die ene houding: zij leunt. Het vers gaat verder met een terugblik naar de plaats waar het begon, onder de appelboom, en naar de moeder die haar met smart voortbracht (Hoogl. 8:5). Bijbelse betekenis: De woestijn is in de Schrift de weg tussen de verlossing en het beloofde land, en zij wordt hier niet ontkend. Zij komt eruit op, maar zij komt er wel doorheen. Merk op wat er over haar houding gezegd wordt. Er staat niet dat zij sterk is geworden of dat de weg meeviel; er staat dat zij leunt. Dat is de eenvoudigste beschrijving van geloof die dit boek geeft. En let op het verschil met Hoogl. 3:6. Daar werd zij omringd door zestig helden; hier is er niets meer om haar heen, en dat blijkt genoeg. Wie het einde van de weg zo tekent, zegt tegelijk dat er geen tweede steun nodig is. Typologie: Asaf zegt hetzelfde met een ander beeld: "Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat" (Ps. 73:23). Hoogl. 3:6; Hoogl. 8:5; Ps. 73:23 "Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN" (Hoogl. 8:6). Een zegel was het teken waarmee iemand zijn eigendom en zijn woord bekrachtigde; het werd aan een snoer op de borst of aan de arm gedragen. Zij vraagt dus om een blijvende plaats, op de plek waar men iets draagt dat men niet kwijt wil. Wat volgt zijn drie vergelijkingen: sterk als de dood, hard als het graf, en vlammen die van de HEERE zelf komen. Het tweede vers zegt wat die liefde niet aankan: "Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken" (Hoogl. 8:7). En zij is niet te koop: wie er al het goed van zijn huis voor gaf, zou volstrekt veracht worden. Bijbelse betekenis: Hier wordt eindelijk gezegd waarover het boek de hele tijd ging. De liefde wordt vergeleken met de twee machten die niemand terugdringt: de dood en het graf. Wat zij vasthoudt, laat zij niet los. Merk op dat het slot van Hoogl. 8:6 de bron noemt. De vlammen heten vlammen des HEEREN, en daarmee is deze liefde niet een menselijk gevoel dat sterk uitvalt maar een vuur van God. Let ook op de twee dingen die haar niet raken. Water blust haar niet, en geld koopt haar niet; de eerste is het beeld van tegenslag en de tweede van berekening. Wie in dit boek de lijn naar Christus volgt, komt hier op zijn diepst: deze liefde is sterk als de dood gebleken toen zij de dood inging. Typologie: Paulus stelt dezelfde vraag en geeft het antwoord: "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?" (Rom. 8:35), en hij besluit dat noch dood noch leven dat kan (Rom. 8:38-39). Johannes zegt hoe ver die liefde ging: "zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde" (Joh. 13:1). Hoogl. 8:6-7; Rom. 8:35; Rom. 8:38-39; Joh. 13:1 "Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal?" (Hoogl. 8:8). De vraag gaat over de tijd waarin er om haar gevraagd zal worden. Hun antwoord komt in beelden uit de bouw: "Zo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken" (Hoogl. 8:9). Een muur houdt tegen, een deur laat door; het gaat dus om haar standvastigheid. Dan spreekt zij zelf, en zij geeft antwoord op hun vraag: "Ik ben een muur" (Hoogl. 8:10). En zij besluit met wat dat haar opleverde: toen was zij in Zijn ogen als een die vrede vindt. Bijbelse betekenis: Dit is het enige gedeelte in het boek waarin over iemand anders gesproken wordt dan over de twee. Er wordt vooruitgekeken naar een jonger mens die de weg nog moet gaan, en er wordt overlegd hoe zij te beschermen is. Merk op dat de bescherming zich richt naar wat zij zelf is. Is zij een muur, dan wordt er op haar gebouwd; is zij een deur, dan wordt er versterkt. In beide gevallen wordt er iets gedaan en wordt zij niet aan zichzelf overgelaten. Let ten slotte op haar eigen antwoord. Zij spreekt niet over haar gevoel maar over haar standvastigheid, en het slot ligt niet bij wat zij van zichzelf vindt maar bij hoe zij in Zijn ogen was. Typologie: Jesaja tekent dezelfde zorg voor wie nog klein is: "Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen" (Jes. 40:11). Hoogl. 8:8-10; Jes. 40:11 "Salomo had een wijngaard, te Baal-Hamon; hij gaf dezen wijngaard aan de hoeders, een ieder bracht voor deszelfs vrucht duizend zilverlingen" (Hoogl. 8:11). Dat is de grote onderneming: verpacht, bewaakt, in geld uitgedrukt. Daartegenover stelt zij het hare: "Mijn wijngaard, dien ik heb, is voor mijn aangezicht" (Hoogl. 8:12). Zij gunt Salomo zijn duizend zilverlingen en de hoeders hun tweehonderd, en zij houdt wat van haar is. In het eerste hoofdstuk had zij hetzelfde woord in de mond genomen, maar toen als een aanklacht tegen zichzelf: haar eigen wijngaard had zij niet gehoed (Hoogl. 1:6). Bijbelse betekenis: De twee verzen sluiten de boog van het boek. Wat aan het begin verwaarloosd was, staat aan het einde voor haar aangezicht, dus onder haar ogen en in haar zorg. Merk op waarin zij van Salomo verschilt. Hij heeft veel en laat het bewaken door anderen; zij heeft één wijngaard en zorgt er zelf voor. Het boek prijst hier het kleine dat werkelijk van iemand is boven het grote dat op afstand beheerd wordt. Let ten slotte op de vrijmoedigheid waarmee zij spreekt. Zij is niet jaloers op de koning en zij rekent niet met hem af; zij noemt wat van haar is, en dat is genoeg. Typologie: De Heere Jezus prijst niet de omvang van wat iemand heeft maar de trouw waarmee hij het beheert: over weinig getrouw, over veel gezet (Matt. 25:21). Hoogl. 8:11-12; Hoogl. 1:6; Matt. 25:21 Het voorlaatste vers is van Hem: "O gij bewoonster der hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen" (Hoogl. 8:13). Hij vraagt dus om haar stem te horen, terwijl anderen meeluisteren. Het laatste woord is van haar: "Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen" (Hoogl. 8:14). Daarmee eindigt het lied. Het beeld van de ree op de bergen stond ook al aan het einde van het tweede hoofdstuk (Hoogl. 2:17). Bijbelse betekenis: Het boek sluit met een open einde, en dat is geen gebrek. Zij is bij Hem geweest, zij heeft Hem gemist en teruggevonden, zij heeft de sterkste woorden over de liefde gesproken — en toch is het laatste wat zij zegt: kom. Merk op wat dat over de liefde zegt. Zij is niet uitgeblust en niet verzadigd; hoe meer zij ontvangen heeft, hoe sterker het verlangen. Let ook op Hoogl. 8:13. Hij vraagt om haar stem, en de metgezellen luisteren mee; het gebed van de bruid blijft niet binnenskamers. Wie in dit boek de lijn naar Christus volgt, hoort in dit slot de houding van de gemeente tussen Zijn hemelvaart en Zijn wederkomst. Typologie: De laatste bladzijde van de Bijbel eindigt met dezelfde twee stemmen: "Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus!" (Op. 22:20). Hoogl. 2:17; Hoogl. 8:13-14; Op. 22:20 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het verbond niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Het lied loopt ten einde. Na alle zoeken en vinden komt de bruid met een laatste bede, en die gaat niet over gevoel maar over vastigheid: zij wil vastgezet worden. Zij vraagt om als een zegel gedragen te worden, op Zijn hart en Zijn arm — en dat is priestertaal. De bede luidt: “Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm.” De kanttekening wijst meteen aan waar dat vandaan komt. Dit ziet op de borstlap van de hogepriester, waarin de namen van de twaalf stammen in twaalf edelstenen gegraveerd waren. En zij voegt eraan toe wat de arm erbij doet: de hogepriester droeg die namen niet alleen aan het hart maar ook op zijn schouders, ter gedachtenis van de kinderen Israëls. Daarmee vraagt de bruid iets heel bepaalds. Zij vraagt niet om gevoelens. Zij vraagt om de plaats die de stammen bij de hogepriester hadden: gegraveerd en niet geschreven, gedragen aan het hart en aan de schouder, de liefde en de kracht. En een zegel is er niet om mooi te staan. De kanttekening merkt op dat zegels ten allen tijde gebruikt zijn tot bevestiging van wat men schrijft of belooft, opdat het niet verbroken worde. Wie om een zegel vraagt, vraagt om een verbond dat vaststaat. Wat er dan volgt over die liefde is het sterkste dat het lied zegt: “want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN.” De kanttekening legt dat naar beide kanten uit: het gaat om de geestelijke liefde van de bruid tot Christus, en evenzo om de liefde van Christus tot Zijn kerk. De dood overwint de allersterkste mens; zo sterk is deze band, en hij is door geen vijand of tegenspoed uit te blussen — zelfs niet door de dood. En dan de belofte in de vorm van een onmogelijkheid: “Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken.” De kanttekening merkt op dat wateren en stromen in de Schrift doorgaans staan voor tegenspoed en vervolging. Zij verwijst daarbij naar het slot van Romeinen 8, waar Paulus opsomt wat ons niet scheiden kan van de liefde Gods in Christus Jezus. Het slot van het vers zegt nog iets over de prijs: al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten. Zij is niet te koop. Wat zij wel gekost heeft, staat elders: niet zilver of goud, maar bloed. In het Nieuwe Testament: Exodus 28:21; Exodus 28:29; Romeinen 8:35-39; Jesaja 49:16; Efeziers 5:25; 1 Petrus 1:18-19 Hoever dit reikt: Het Hooglied wordt op verschillende wijzen uitgelegd. De kanttekening leest het geheel als het geestelijke huwelijk tussen Christus en Zijn gemeente, en zij legt ook de zegels op hart en arm zo uit; deze post volgt die lezing. Het Nieuwe Testament haalt dit hoofdstuk niet aan. Dat de liefde hier wederzijds verstaan wordt, zegt de kanttekening met zoveel woorden.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Aan zijn voeten. Luk. 7:38 Oosterlingen houden veel van uiterlijk vertoon en bij hun Godsdienstige verrichtingen wijden zij meer aandacht aan de houding van het lichaam dan wij… Opdat Christus door het geloof in uw harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt... en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te… Zet mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uw arm, want de liefde is sterk als de dood, de ijver is hard als het graf: haar… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" O, gij bewoonster der hoven, de metgezellen merken op uw stem, doe ze mij horen. Hooglied 8:13 Mijn dierbare Heere Jezus herinnert… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" De liefde is sterker als de dood. Hooglied 8:6 Wiens liefde kan dit zijn, die zo machtig is dat Hij de overwinnaar… Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en leunt op haar Liefste? Hooglied 8:5 In de verzen, die onmiddellijk aan deze tekst voorafgaan, horen we de Bruid… O gij bewoonster der hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen. Hooglied 8:13 Het Hooglied is bijna ten einde; de bruid en de Bruidegom zijn… Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enenmale verachten. Hooglied 8:7 Ziehier een algemeen geldende regel: liefde is niet te… Kom haastelijk, mijn Liefste, en wees gij gelijk een ree, of gelijk een welp van de herten op de bergen van de specerijen. Hooglied 8:14 Het "Lied van de liederen"… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hooglied 8
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Zet mij als een zegel op Uw hart — 8:6-7
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Luk. 7:38 - Aan zijn voeten
De liefde van Christus heiligt onze liefde
Sulammith's bede
Open mijn oren zodat ik Uw stem opnieuw mag horen
Liefde die sterker is als de dood
Leunende op haar Liefste
Het afscheidswoord van de Bruidegom
Zonder geld en zonder prijs
Kom haastelijk!


Hooglied 8
Hooglied 8:6.KruisverwijzingenJesaja 49:16→Hagai 2:23→Spreuken 6:34→Jeremia 22:24→Handelingen 21:13→Numeri 5:14→Deuteronomium 32:21→Exodus 28:29→
— Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN.
Dit is zeker waar van de liefde van het schepsel. Zij is een machtige, alles bedwingende, onweerstaanbare aandoening. Zelfs de liefde van de vriendschap heeft zich soms sterk als de dood betoond: “Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden.” Er zijn er geweest die bereid waren hun leven voor hun vrienden af te leggen; en de kinderlijke liefde is soms de verschrikkingen van het graf te sterk gebleken.
En het ontbreekt ons ook niet aan pijnlijke bewijzen van het omgekeerde, zoals het in het volgende deel van onze tekst staat: de naijver heeft zich vaak hard als het graf betoond.
Maar het Hooglied is geestelijk, of het heeft geen enkele aanspraak op onze aandacht en zou zijn ingeving ongelooflijk zijn.
Hooglied 8:7.KruisverwijzingenSpreuken 6:35→Romeinen 13:8→Mattheüs 7:24→Romeinen 8:28→Spreuken 6:31→Jesaja 43:2→
— Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten.
Zo is het wanneer de Geest van God het hart vernieuwd en de liefde van God in de ziel uitgestort heeft. Noch de liefde van Christus tot ons, noch onze liefde tot Hem is te koop. Geen van beide zou geruild kunnen worden voor goud of robijnen of diamanten of het kostelijkste kristal. Als iemand al de have van zijn huis zou aanbieden voor een van die beide vormen van liefde, dan zou het volkomen veracht worden.
Hooglied 8:12.KruisverwijzingenHooglied 1:6→1 Thessalonicenzen 2:19→Romeinen 14:7→Psalmen 72:17→Handelingen 20:28→1 Timotheüs 4:15→1 Korinthe 6:20→1 Timotheüs 5:17→
— Mijn wijngaard, dien ik heb, is voor mijn aangezicht; de duizend zilverlingen zijn voor u, o Salomo! maar tweehonderd zijn voor de hoeders van deszelfs vrucht.
De grote Landman heeft Zijn wijngaard genadig aan mij verhuurd, opdat ik hem zou bewaren en bewerken. Hij heeft hem voor de tijd tot mijn eigendom gemaakt.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Och, dat gij mij als een broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder, die de borsten mijner moeder gezogen hebt, gelijk ik; dat ik u op de straat vond dan, als ik u daarbuiten op de straat vond, ik zou u kussen, ook zouden zij mij niet verachten, 1) zonder dat niemand mij verachtte.
De betekenis ligt voor de hand. Sulamith bedoelt: Ach, dat gij, mijn geliefde echtvriend, mij in allen dele zo nabij stondt als een vleselijke broeder, die, met mij dezelfde moedermelk gedronken hebbende, ook met mij hetzelfde denkt, gevoelt en wenst! Ach, dat ik a aldus konde beschouwen en liefhebben! Als ik u dan buiten op het veld, in den tuin of waar ook, verre van den glans en van de weelde van dit hof vond, zou ik u met innige, ongedwongen, zuivere liefde kussen, zonder mij de verachting van iemand op den hals te halen, als deed ik iets dat tegen de kuisheid en goede zeden streedt!. Zij wenst derhalve dat zij voor zijne zuster mocht gehouden worden, met welken naam zij ook reeds door hem was aangesproken in Hoofdstuk 5: 1, en dat zij dus dezelfde kuise en schuldeloze gemeenzaamheid met hem mocht aanhouden als ene zuster onderhoudt met een eigen broeder, met welke zij de zelfde borsten ener tedere moeder had gezogen, teneinde hij haar dan ook zo tederlijk beminnen mocht als Jozef zijn broeder Benjamin liefhad. Men mag het wel houden voor den wens van alle gelovigen om een nadere gemeenschap met Hem, en om den Geest der heiligmaking van Hem te mogen ontvangen als wel wetende, dat Hij die heiligt en zij die geheiligd worden, allen uit één zijn en één zijn (Hebr. 2: 11). De zin van deze woorden is niet moeilijk te vatten. Het is te verstaan hoe Sulamith tegen Salomo nog altijd opzag. Zij, de uit het stof verhoogde en Hij de machtige monarch, de wijze koning. Zij gevoelt zeer diep den afstand tussen Hem en haar. En immers, voor enigen tijd was, door eigen schuld, die liefdeband, die liefdebetrekking voor een wijle verbroken. Zij voelt zich nu hoogst gelukkig, maar de vrees vervult haar, dat aan dien hoogst gelukkigen toestand wel weer een einde kan komen. En daarom de wens in dit vers, dat Hij haar broeder ware, dat daarom de afstand niet zo ver was, maar ook de vrees voor verbreking geen grond mocht hebben, en in het volgende vers, de bede, om Hem te brengen in het huis harer moeder, om daar voor hem te leven. Zij gevoelt de grootste behoefte om door Hem onderwezen te worden, dewijl zij zich van haar onwetendheid en geringheid zo diep bewust is. Zij wil, dit blijkt uit vs. 2 zo duidelijk, zijne geringe leerlinge zijn. Welk een heerlijk en treffend beeld van de verhouding en den toestand tussen den Heere en den gelovige. Hoe duidelijk ook bij den gelovige een besef van den afstand tussen hun Koning en Hogepriester en hem! Welk een behoefte om door Hem onderwezen te worden, om “leerjongen Christi” te zijn! Alles wat dan ook in vs. 1 en 2 begeerd wordt vindt zijn grond in de zucht en de innige begeerte om zijn leerling te zijn. Neen de bruid wil de liefdesbetrekking niet afbreken maar nauwer toehalen. Zij wil gaarne in diepe afhankelijkheid van Hem verkeren en door Hem onderwezen worden in den weg, dien zij te gaan heeft.
Ik zou u, niet slechts in een droomgezicht, (Hoofdstuk 3: 4), maar in volle werkelijkheid, aan mijne hand leiden, ik zou u brengen in mijner moeders huis, opdat gij daar geheel en al een der mijnen zijn zoudt; gij zoudt mij daar leren 1), gij zoudt mijn hart laten deelnemen aan het genot van uwe rijke wetenschap; en ik zou u van den door mij bereiden specerij-wijn te drinken geven, de geestelijke verkwikking, die ik van u genoot alzo met wat ik tot lichamelijke versterking bezit, vergeldende en van het sap, van den verfrissenden drank van mijne granaatappelen.
Sulamith beeldt zich niet in, dat zij, het eenvoudige, onaanzienlijke landmeisje, den man harer liefde, den groten, zo hoog door haar vereerden koning, iets geven kon, wat hij nog niet bezat, dit zou ook iets geweest zijn geheel tegen hare overigens zo echt vrouwelijke ootmoedige en op niets aanspraak makende persoonlijkheid indruischend. Dat zij hem werkelijk iets groots schenkt, als zij hem in haar moederlijk huis tot de eenvoudigheid van haren kinderzin brengt, is zij zich in ‘t minst niet bewust. Des te meer wenst zij door hem rijk te worden aan al het goede, wat hij bezit en waaraan zij zich arm gevoelt. In deze geestelijke is Sulamith een heerlijk voorbeeld voor de gemeente Gods en iedere gelovige ziel, die in haar zelfbewustzijn ook arm en naakt en bloot is, maar door Hem, in Wien alle volheid van wijsheid lichamelijk verschenen is, in God wenst geleerd te worden, totdat zij eenmaal tot de volle erkentenis der eeuwige liefde geraakt. Zijne liefde tot de arme dochter dezer aarde is echter zo volkomen onbaatzuchtig, dat Hij alles geeft en niets ontvangt, terwijl zij van hare zijde niets geven, maar slechts ontvangen kan.
Zij wil hiermede niet anders zeggen, dan dat zij Hem dien zal toebrengen, maken dat Hij die rijkelijk van haar ontving en zo dan ook zich in het genieten van denzelve, gelijk men door drinken doet, verkwikken en vermaken kon. Zij onderstelt daarom, dat die gestalten van des Heeren volk, de geestelijk drank zijn van den Heere Jezus, het groot vermakelijke, het dierbaar verkwikkelijke zijner ziele. Zij toont hare gereedheid om hem dit genoegen te geven en als op een heilige gasterij te onthalen. En hoe gepast ook op dit voorgaande. Als Jezus haar zo gemeenzaam tot een Broeder werd, als zij Hem zo van nabij genoot, in haar moeders huis zou haar dit ook niet ledig laten, maar onder die warmte van Jezus liefde, zou ook haar warm hart beginnen van dankbaarheid te vloeien, hare geestige genade en aangename gestalten zouden rijkelijk doorbreken.
De granaatappel is het beeld van het kostelijkste en het schoonste wat te geven valt. Nog immer is dit zo. De granaat wordt door den Oosterling beschouwd als uit het Paradijs overgebracht op het overige gedeelte der aarde. De Perzen hebben een spreekwoord: eet vlijtig den granaatappel, want zijne zaden zijn uit het Paradijs afkomstig. De Bruid belooft hier dan het edelste en het lieflijkste wat zij kan geven. Als genade haar onderwijst, als genade haar bestuurt dan zullen de vruchten niet uitblijven.
Zijne linkerhand, zij onder mijn hoofd en zijne rechterhand omhelze mij. 1) Volkomen bevredigd rust ik nu uit in zijne liefde en ben ik zalig (Hoofdstuk 2: 6).
Duidelijk blijkt hieruit, dat zij zich in zijne armen werpt en Hij haar omarmt. Zie de Hoofdstuk 2: 6.
Sulamith, aan Salomo’s arm heengaande, roept de wel afwezige, maar haar in den geest tegenwoordige hofvrouwen als afscheidsgroet toe: Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem, dat gij die liefde niet eigenwilligopwekt, noch wakker maakt, maar stil en rustig wacht, totdat het haar lust, totdat zij als van zelf als ware liefde rein en kuis in uw hart ontbrande en het gelukkig make (Hoofdstuk 2: 7, 3: 5).
De Kerk, ons aller moeder, beveelt haar kinderen om nooit iets te doen, hetwelk Christus tegen of Hem aanzetten mocht, om zich onzer te onttrekken. Want waarom zou men Hem doen honen of beledigen? Waarom zouden wij zulke vijanden van ons zelven zijn? Jezus bijzijn kan aan geen welgestelde zielen verdrieten en wil zich bij Hem en zijne navolgelingen en gelovige vrienden tot een last is, is hunner tegenwoordigheid ook geenszins waardig en gans niet gesteld om ooit een hemelburger, en ware Sioniet te worden.
5. VI. Hoofdstuk 8: 5-14. In deze laatste afdeling wordt gewezen op de bevestiging van het verbond der liefde en wordt dit verbond verheerlijkt. Alle wensen van Sulamith zijn vervuld, alles wat de gemeenschap, de zalige en innige gemeenschap zou kunnen verhinderen of belemmeren is weggenomen. A. 5-7. Van de bruid wordt gevraagd wie zij is. Haar Bruidegom bepaalt haar bij den tijd der eerste liefde en vervult haar zo met heilige vreugde, dat zij met de sterkste bewoordingen de liefde verheft en prijst.
Wie 1) is zij, die daar met zulke schoonheid en bekoorlijkheid bestraald, opklimt uit de woestijn van de onbebouwde vlakte van Jizreël en lieflijk als door de verre reize vermoeid, leunt op den arm van haren liefste? 2) Salomo tot Sulamith, als zij dicht nabij de moederlijke woning gekomen zijn: Zie, onder den appelboom, 3) daar, die het venster van uw huis beschaduwt, stond ik, en heb ik u opgewekttot uwe eerste liefde jegens mij, als ik door ‘t venster riep (Hoofdstuk 2: 9), daar in dat huis heeft u uwe moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft, daar is ook onze liefde geboren, daar zal zij nu ook in volle schoonheid en reinheid tot hare voleinding komen.
Wie vragen dit? Vele uitleggers zijn van mening dat het weer de dochteren van Jeruzalem zijn. Anderen dat de landslieden van Sulamith deze vraag doen. Ongetwijfeld hebben de laatsten gelijk. Alles wijst er op dat de bede der bruid is vervuld, dat haar Bruidegom met haar gegaan is, naar haar moeders huis. En waar zij nu in al den glans harer schoonheid, als een heerlijke bruid of echtgenoot, leunende op den arm van haar heerlijken gemaal voortschrijdt, vragen de landslieden bewonderend en verwonderd uit: Wie is zij, enz?
Wanneer de Heere eenmaal Zijne gemeente zal verlossen en haar zal voeren in het Vaderhuis, waar Hij haar plaats bereidt, zullen Gods engelen ook haar vol bewondering harer heerlijkheid met jubelzang begroeten. Maar ook haar zal men het aanzien, dat zij door ene woestijn getogen en slechts op den almachtigen arm haars Bruidegom steunende tot dit doel is geraakt.
Dit drukt tweeërlei uit. Niet alleen dat zij in de onafscheidelijke nabijheid van haar Koning verkeert, maar ook dat zij al haar kracht en heerlijkheid aan Hem ontleent. Heerlijk en treffend beeld van de Kerk van alle eeuwen. Opkomende uit de woestijn, de woestijn der wereld, der verdrukkingen, en toch niet verlaten, niet alleen, maar er immer staat op kunnende maken, maar het steeds ervarende, dat haar Heere en koning aan haar rechterhand staat, dat zij al haar hulp om staande te blijven, van Hem ontvangt, dat zijn kracht in haar wordt uitgestort en Zijne liefde haar omringt.
Onder den appelboom enz. Als deze de toestand der bruid en dit het begin van haars echtgenoots liefde tot haar geweest is, dan was zij hem inderdaad alles verschuldigd. Geen zinnebeeld van groter verplichting kan bijkans uitgedacht worden. Ook is dezelfde vergelijking gebezigd door den profeet, Ezechiël 16, om de verplichting van de kerk van Israël en hare ondankbaarheid jegens God uit te drukken. Maar hoe sterksprekend het beeld ook zijn moge, toch schaduwt het ondersteld geval slechts flauwelijk de verplichtingen af, die de verloste ziel heeft aan Christus. Welke liefde is de Zijne! Hier schiet elke vergelijking te kort. Dit wordt uitgesproken door den Koning zelven, gelijk ook het laatste gedeelte van het vers. Daarmee wijst Hij Sulamith op de eerste tijden van hare aanneming, op de eerste dagen, toen Hij aan haar zich openbaarde in de volheid Zijner liefde. En dit alles opdat, bij de herinnering, aan wie zij geweest is en wie zij nu is, hare liefde des te sterker toeneme, en hare gehechtheid aan Hem te inniger worde. Ook hier is de geestelijke betekenis duidelijk. Zo ook herinnert de Heere zijn Kerk in het algemeen en zijne gelovigen in het bijzonder, dat Hij het is, die het eerst haar opzocht. Gelijk de Heere zijn volk door Ezechiël laat herinneren dat Hij hen zag vertreden in hun bloed, liggende op de vlakte des velds, opdat Hem de eer van alle zaligheid zou gegeven worden, maar ook Hem de dank daarvoor zou worden toegebracht, zo doet de Heere altijd. Hij is de eerste en Hij is de laatste, de Alfa en de Omega.
Sulamith, deze herinnering met een jubelkreet beantwoordende: Ja, nu is zij tot hare voleinding gekomen! Zet mij als een zegelring 1) op uw hart, als een zegelring op uwen arm; laten wij in eeuwigdurende, onverbreekbare gemeenschap verbonden blijven, gelijk men een zegelring op de borst draagt, of om den arm bindt en op het trouwst bewaart (Genesis 38: 18). Ja, vast en trouw, bewaar mij gans en al als uw eigendom. Want de ware liefde is sterk, alle hinderpalen nederwerpende en overwinnende als de dood; 2) en de liefdeijver 3) is hard, onoverwinnelijk, onverdelgbaar als het graf, als het dodenrijk, dat niets teruggeeft, wat het eens bezit (Job 7: 9 ), hare kolen zijn vurige kolen, haar gloed is een helbrandende vuurgloed, die zijn vlammen in de harten zendt en niet te blussen is, en dat, omdat zij niet van aardsen oorsprong is, maar ene vlam is, of vlammen des HEREN, 4) die Hij zelf aangestoken heeft en ook onderhoudt en voedt.
De zegelring komt als een kleinood in aanmerking, waarvan men zich niet scheidt; en de eerste bede gaat daartoe uit, dat Hij haar zo onvervreemdbaar als een zegelring op zijn hart drage; de zin van het tweede lid is, dat Hij haar zo onafscheidelijk als een zegelring aan zijn arm moge nemen, zodat zij Hem steeds aan het hart ligt en Hem steeds aan haar zijde heeft. Zij wenst met Hem, zowel in liefdesgezindheid als in gemeenzaamheid, ten opzichte van het levenspad, onlosmakelijk verenigd en verbonden te wezen.
Zij wil er mede zeggen: laat mij nooit de plaats verliezen, welke ik in uw hart bezit en laat uwe macht voor mij werkzaam zijn, ten blijke van uwe liefde jegens mij, en laat mij niet alleen in uw harte, maar ook op uwen arm, als ten zegel gesteld zijn, opdat gij mij steeds opbeurt, sterkt en draagt in uwe liefde, en mij dit ter mijner vertroosting ook doet weten.
Dewijl én het hart én de arm levendige zinnebeelden zijn van getrouwe bezorging, het hart als de grond waaruit en de arm als het middel waardoor, zo kan als een zegel op beiden gezet te zijn, ook niet ongepast uitdrukken den wens van de bruid om met alle verzekerdheid en onder ene hartelijke en onder ene dadelijke gedurige bezorging van den Heere Jezus te zijn. Door daar als een zegel op gedrukt te zijn, wenst zij, in dit beide alles te zijn: het grote doel en voorwerp van Zijn zorgdragend hart voor haar en van Zijn zorgdragenden arm omtrent haar. Alles dat Hij vermocht aan haar ten koste te leggen tot volmaking van haar lichamelijk en geestelijk geluk.
Er is niets zo hard en ijverig, dat door het vuur der liefde niet verwonnen wordt. Zij is het enige dat zich schaamt iets moeilijk te noemen.
Jezus liefde tot ons was sterker dan de dood, want Hij gaf zich voor ons ter dood, en brak zegevierend door denzelven heen, opdat wij voor deszelfs banden niet meer vrezen zouden. En de liefde van Jezus echte navolgers is ook zo sterk als de dood, omdat deze hen ongevoelig, als dood maakt voor alles buiten Hem.
Dat liefde werk, welk een veel goddelijker en hemelser oorsprong heeft dan alle natuurlijke liefde, welk geen plaats heeft als in ware begenadigden, welke uitgaat tot een oneindig waardiger voorwerp, en die derhalve een liefdevlam is van God zelf, en van zijnen Heiligen Geest in de ziele uitgestort; zeker daarom moet men ook zeggen, dat die liefde alles kan overwinnen. Er zijn geen hoogten of diepten daar zij voor blijft staan; geen gevaren daar zij niet doorheen breekt, geen wateren die haar kunnen uitblussen.
In het Hebr. hanq (kin’ah), ijver, maar in den zin van brandende, vurige liefde, die het geliefde voorwerp met alle kracht vasthoudt en niet duldt dat iets van hem verwijdert, en daarom vergeleken wordt bij het graf, dat ook wat het ontvangt niet los laat. Zo is ook de liefde, de geestelijke liefdeijver tussen den Heere en zijne gelovigen. Het waarlijk wedergeboren hart kan geen andere voldoening vinden dan in de liefde en omhelzing van Christus. Die eenmaal de liefde Gods in Christus heeft ervaren, weet, dat hij met onverbreeklijke banden aan zijnen Heere en Zaligmaker is verbonden. Daarom kon ook een Paulus zeggen, dat niets ter wereld hem van deze liefde kon scheiden.
Vlammen des Heeren. Hiermee wil de bruid zeggen, dat de liefde die in haar brandt, waarvan zij spreekt, niet is ene natuurlijke liefde, vrucht was van eigen akker, maar een ingestorte liefde, door den Heilige Geest in haar gewekt. De liefde tot den Heere, tot Hem en voor Zijn dienst is geen vrucht van eigen akker, want de natuurlijke akker des harten brengt geen liefde tot God voort, maar is een genadewerk des Heilige Geestes. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad.
Vele wateren zouden met al hun klimmend geweld de Goddelijke vlam van a) deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivierenmet al hare watermassa zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, om ze kunstmatig in een hart te verwekken, waar de Heere ze niet zelf ontstoken heeft (Hoofdstuk 2: 7; 3: 5; 8: 4), men zou hem ten enenmale verachten, het zou alles niets, niets baten; zo in den grond onderscheiden is de ware liefde van de vleselijke schijnliefde!
Rom. 8: 38 vv. Deze onuitsprekelijk diepe woorden maken het hoogtepunt uit van het gehele lied en geven er tevens den sleutel van aan. Ja het wordt hier in waarheid profetisch. Want gelijk Sulamith hier de voleindigde liefde tussen zich en Salomo, en in het algemeen tussen man en vrouw beschrijft als een zamentreffen van menselijke vrijheid en goddelijke noodzakelijkheid, als ene vlam, die geen mens zich zelven kan geven of ontnemen, doch die den mens met onwederstaanbare macht aangrijpt en door gene beproeving, door gene nog zo vijandige macht wordt verdelgd, zo heeft zij zich in hare hoogste goddelijke voleindiging alleen in den Gods- en mensenzoon geopenbaard, Wiens liefde uit Zijn innerlijkst eigen Ik voortsproot, en Hem met onwederstaanbare goddelijke kracht dwong tot deze wereld met hare duizend plagen en groten jammerlast neer te dalen, om er dood en hel te overwinnen. Hij had lief omdat Hij moest liefhebben, maar de liefde was tegelijkertijd Zijn zoetste willen, de wederliefde van verloste zielen Zijn innigst verlangen. In de macht Zijner liefde, in de hevigheid van Zijnen liefdesijver, die door de kerk in duizende van liefde gloeiende liederen bezongen is geworden, en toch nooit kan worden uitgezongen, zien wij ook nu de ware gestalte van de liefde tussen man en vrouw.
Het gedruis der watergolven zou haar niet verschrikken, want Christus zal de liefde der zijnen behouden ondanks alle rampen en gevaren. De gelovigen zullen met Hem allen druk en leed tarten, zonder er door verwrikt te worden en zich zelf zelfs in de verdrukkingen verheugen. Zij zullen den Heere liefhebben, al kastijdt of slaat Hij hen en hun vertrouwen zal op Hem gevestigd blijven. Geen water van ellende en tegenspoed kon Christus, liefde te onzen waart doen verflauwen, en hij doorworstelde alle de bitterste vervolgingen, wadende als door zeeën van bloed. De liefde zit als een koning op den vloed, laat dan noch graf, noch dood onze liefde tegenover Hem doen verflauwen.
8.
II. Vs. 8-14.KruisverwijzingenPrediker 2:4→Jesaja 7:23→Hooglied 2:17→Ezechiël 16:55→Psalmen 2:8→1 Petrus 2:12→Ezechiël 16:7→Hooglied 1:7→
— Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal? Zo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken. Ik ben een muur en mijn borsten zijn als torens. Toen was ik in Zijn ogen als een, die vrede vindt. Salomo had een wijngaard, te Baal-Hamon; hij gaf dezen wijngaard aan de hoeders, een ieder bracht voor deszelfs vrucht duizend zilverlingen. Mijn wijngaard, dien ik heb, is voor mijn aangezicht; de duizend zilverlingen zijn voor u, o Salomo! maar tweehonderd zijn voor de hoeders van deszelfs vrucht. O gij bewoonster der hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen. Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen.
Nadat Salomo en Sulamith bij den appelboom, waar Sulamith door hare moeder met het levenslicht, en door Salomo met zijne liefde is begiftigd geworden, hun liefdeverbond feestelijk vernieuwd hebben, treden zij het huis in. Hier geeft Sulamith hare bezorgdheid te kennen over hare kleine zuster. Salomo neemt al die bezorgdheid weg, en waar zij zelven nu nogmaals wijst, op haren heerlijken staat, op hare bereidwillige offeranden voor haar koning eindigt het Lied der liederen met de heerlijke toespraak des konings, waarin Hij met enkele woorden haar zegt wie zij is, wat zij doen moet en wat haar te wachten staat.
Sulamith tot Salomo: Wij hebben daar ene kleine zuster, die nog gene borsten heeft. Wat zullen wij onze zuster doen, in den dag als zij den huwbaren leeftijd zal hebben bereikt en men van haar spreken zal 1). Met deze woorden wijst Sulamith niet alleen op hare jongere zuster, maar op tedere wijze beveelt zij haar ook bij Hem aan. De liefde is niet afgunstig. Zij weet dat zij het eigendom van haar Koning is, zij weet welk een macht en welk een ontferming Hij bezit. Daarom is het haar behoefte om ook haar zuster aan Hem toe te vertrouwen, opdat Hij ook haar Zijne koninklijke gunst en bescherming verlene. Geestelijk verstaan is de jongere zuster een beeld van den bij aanvang tot bekering gekomene. Is zij zelf een nu bevestigde in den staat, hare jongere zuster is dit nog niet. En daarom waar ook ouderen dikwijls nog voor vele verzoekingen blootstaan, is het de vraag van Sulamith: wat men haar zal doen? Sommigen zijn van gevoelen, dat onder die jongere zuster de kerk uit de Heidenwereld te verstaan is.
Salomo haar antwoordende: Zo zij een muur is, zo zij zich als een muur betoont vol krachtigen weerstand tegen alle indringende aanzoeken, wij zullen een paleis van zilver, dat van verre prachtig in het land schittert, op haar bouwen, wij zullen haar alle eer en vrijheid geven, en zo zij ene deur is, die men gemakkelijk kan openen om er door in en uit te gaan, d.i.: zo zij voor de verzoekingen en verleidingen is blootgesteld is, wij zullen haar rondom bezetten met sterke cederen planken, wij zullen haar steeds zo bewaken, dat zij voor elken verleider ongenaakbaar is.
Indien zij een muur is, indien men maar staat op haar kan maken, als zij het woord maar ontvangt, en er een vasten grond op bouwt in stede van hooi en stoppelen, alsdan zullen wij ook op haar een paleis van zilver bouwen of haar tot een zilveren paleis stellen. Het goede werk, eens wel in haar begonnen zijnde, zal dan zijne volmaaktheid erlangen, en als zij eens met den Heere verenigd is, zal zij haast wel opgroeien tot een heiligen tempel en woonstede Gods door den Geest. (Efeze 2: 22). Indien zij een deur is, d.i. als dat paleis voltooid is en de muurpoorten opgetrokken en ingezet zijn, dan zullen we haar rondom met cederen planken omzetten, men zal haar als met slagbomen en sterke borstweringen behoeden en beveiligen en haar tevens kracht en ook sieraad bijzetten. Dus zal het heilrijk genadewerk in haar zijn volle beslag verkrijgen. Wat er aan ontbreekt zal ten volle in orde gebracht, en dus het werk des geloofs met kracht in haar voortgezet en volmaakt worden.
Sulamith, haren eigenen staat met dankbare vreugde vermeldende: Ik ben een muur, en mijne borsten zijn als hoge, eerbiedwekkende muur-torens, 1) die geen dief of rover kan bestijgen. Daarom toen of dewijl ik zulk ene ben, was, of ben geworden, ik in zijne ogen als ene, die bij hem gemeenzame vriendschap en liefde en daarbij vrede vindt.
De vergelijking van de borsten met de torens is door de vergelijking van de persoon met een muur volkomen juist. Kleuker merkt juist op, dat hier niet zaken met zaken maar verhoudingen met verhoudingen vergeleken worden. De borsten waren voor haar persoon wat voor de muur de torens waren, die uit kracht van het weerstandsvermogen, dat zij in zich bergen, den vijand wiens opmerkzaamheid zij tot zich trokken, nooit aan zich laten komen.
Zij toont derhalve den staat aan, daar zij ook toe was gekomen, waarin zij volmaakt werd tot die hoogte daar zij nu in was. Zijnde die eigen staat, dien de bruidegom even vereist had tot de medevolmaking van de kleine zuster. Daar had Hij haar gezegd: Als zij ene muur is, hier toont de bruid nu, dat het zo met haar ook ging. Zij was ook eerst tot een muur geworden, eer zij zoveel gunst vond, dat zij tot een paleis van zilver werd.
Zij acht zich in deze gunst van haar Heere ten hoogste gezegend en gelukkig, en schrijft dit voltrokken goede werk in haar aan Zijn onverdeelde liefde en goedgunstigheid toe. Want Hij had haar met ogen van gunst en genade aangezien en haar Zijne tedere liefde doen ondervinden, door haar tot zulk een wal of muur van koper ja zilver (Jer. 1: 18) te maken, die pal en vast stond en tegen welke het blazen des geweldenaars niets vermocht. Dies Hij in hare sterkte Zijn vermaak stelde. Geen wonder dan, dat zij ook zegevierend uitroept en juicht, dat zij toen vrede in zijne ogen had gevonden en gunst van hem had verkregen. Deze heilrijke stonde was bij haar steeds herdenkens waardig.
Sulamith doet in vreugdevolle bekentenis den mond open om haren broederen te zeggen, dat haar gehele bestaan in Salomo, den vredevorst, bevredigend geworden is, en is zich bewust dat zij hem een kuis, zedig hart en een onbevlekt lichaam heeft gebracht. Niet als eigene verdienste, waarin zij zich beroemen wilde, betracht zij het, maar vrolijk en dankbaar aan hem, die haar krachtig gemaakt en bewaard heeft, doet zij, in het bewustzijn van hare heerlijkheid, haren mond open.
Zonder twijfel wijst de Bruid hier op den heerlijken staat, waartoe haar Koning haar had gebracht. En dit niet alleen om het werk des konings te roemen, maar ook om haar kleinere zuster te troosten, en aan te moedigen, om ook al haar vertrouwen op Hem te zetten. De geestelijke betekenis straalt duidelijk en helder door. Hier spreekt een bevestigde in het geloof, om den Heere en hem alleen al den roem en de eer te geven voor Zijne genade, en om de kleinen en stillen in den lande, om de treurenden van hart te troosten en te bemoedigen. Hun te bemoedigen, dat de Heere nooit half werk doet, maar immer de Rotssteen is, wiens werk volkomen is.
Sulamith tot Salomo, ziende op hare broeders: Salomo hadniet ver van hier enen wijngaard (beter: wijnberg), te Baäl-Hamon, nabij Dothaïm in den stam van Issaschar. Hij gaf dezen wijngaard, wijnberg in enkele stukken verdeeld, over aan de hoeders, als pachters, met de vermaning, dat een ieder hem bracht (brengen moest) voor deszelfs vrucht, die zijn wijngaard hem opbracht, als pachtcijns duizend zilverlingen, 1000 zilveren sikkelen, terwijl de overige 200 sikkelen hem den pachter als aandeel overbleven. Sulamith vermeldt dezen koninklijken wijnberg als een voor de hand liggend voorbeeld, dat zij nu terstond wil toepassen. De wijngaard des Heeren is het huis van Israël. Deze mag vergeleken worden bij Salomo’s wijngaard te Baäl-Hamon, verhuurd, als ware het, aan de Joodse vorsten, rechters en profeten. Maar waar de kerk, gelijk hier, van zich zelf onder dit beeld spreekt, belooft zij daarbij naarstigheid en waakzaamheid, tegelijkertijd met betamende achting en eerbied jegens hare dienaren.
De getrouwe gade, den wijngaard beschouwende, dien haar echtgenoot haar had gegeven, vergelijkt dien bij een anderen van dezelfde waarde. Zij herinnert zich de huur, die er voor betaald werd. De haar nu geschonken wijngaard zal onder het bestuur van ene liefhebbende gade, haren echtgenoot, niet minder opbrengen dan toen hij aan vreemden werd verhuurd. De geestelijke betekenis schijnt te doelen op het beginsel van Christelijke gehoorzaamheid in tegenoverstelling van de gehoorzaamheid, door de wet gevorderd. De laatstgenoemde was die van een huurling. Onder het Evangelie is het eeuwig leven en ieder voorrecht ene vrije genadegift van God, de gift Zijner liefde. Aldus worden de heiligste, de duurste en krachtigste verplichtingen, die der liefde, der door den Heiligen Geest in het hart uitgestorte liefde, op den gelovigen gelegd.
Mijn eigen wijngaard (Hoofdstuk 1: 6), dien ik heb, nu mijne vrijheid, mijn jonkvrouwelijke staat met alles, wat enen man aan mij kan behagen, is voor mijn aangezicht, is voor mij, staat thans onder mijn eigen bestuur en alleen tot mijne eigene beschikking; niemand behoeft dien meer te hoeden. Maar de duizend zilverlingen, het volle bedrag van mijnen wijnberg, zijn voor u, o Salomo! leg ik in uwe handen; het recht om over mij te beschikken en mij te behoeden, gezamenlijk met alles, wat ik ben en heb, heb ik aan u overgedragen; de uwe ben ik en wil ik eeuwig blijven; maar tweehonderd sikkelen zijn voor de hoeders van deszelfs vrucht. 1) Gelijk de 200 sikkelen aan de hoeders van den wijnberg te Baäl-Hamon werden geschonken, geef alzo ook hun aandeel aan mijne broeders, die mij, mijnen wijngaard, zo trouw en zorgvuldig hebben bewaard. Aan uwe liefde en trouwe beveel ik hen en hun toekomst aan. Als de Eigenaar het zijne ontvangen heeft, zal het de huurlieden ook aan hun winst niet ontbreken. Twee honderd zilverlingen, een groot loon ongetwijfeld als het afgaat van de inkomsten van een enkel duizend zilverlingen, waren voor Salomo’s wijngaardeniers bestemd. Zij die voor Christus werken, werken ook voor zich zelf, en hoe meer eer zij hunnen Heere toebrengen, hoe onuitsprekelijk groter al hun eer en voordelen wezen zullen.
Deze overvloed van liefde, die bij alle vurigheid harer overgave aan den echtgenoot toch ook nog voor hare bloedverwanten een deel overig heeft; deze aandoenlijke zusterlijke liefde, die met hare kinderlijke, trouwe, vrome gehechtheid aan hare moeder, gelijk zij die in den loop van het stuk herhaaldelijk openbaart, in waarheid één is, dient tot de lieflijk verheerlijkende voleinding van het heerlijke karakterbeeld dat de dichter van haar als ideaal ener bruid en jonge echtvrouw wilde ontwerpen en waarin hij de gedachte en de verborgenheid van het huwelijk zelf als ene heilige instelling Gods heeft voorgesteld. Vs. 11 is gebruikt om in vs. 12 de toepassing er van te maken. Hoe meesterlijk tekent de H. Geest het hier duidelijk dat al wat de gelovigen ontvangen, is van het kapitaal van den groten Koning en Heere. De ganse wijngaard kwam aan Salomo toe, die 1000 zilverlingen waren voor Hem en voor Hem alleen, maar van hetgeen Zijn eigendom, volkomen eigendom was, werden 200 zilverlingen gegeven aan de hoeders. Alles ontvangt de Kerk, en daarom de gelovige, uit de volheid van Gods ontferming, maar als vrije genade, verbeurde genade.
Salomo tot Sulamith: O, gij bewoonster der hoven, gij die zo veilig zijt en welbewaard, die uw innigst zielsverlangen hebt verkregen; zie nu zijt gij immers aan de plaats van uw zielsverlangen, de metgezellen merken op uwe stem, uwe metgezellen, die uwe schone stem zo dikwijls gehoord hebben, weten wat gij zegt; doe ze nu ook mij in het zingen van een vrolijk lied horen. 1)
De koning noemt haar alzo, omdat haar staat vast en zeker is, vergelijkt haar hij een hof, die veilig is en voor indringers bewaard. Maar waar zij nu tot hare metgezellen spreekt, daar vermaant Hij haar, dat zij Hem allermeest en allereerst hare behoefte bekend make, hare wensen noeme, dewijl Hij alleen al hare beden kan vervullen. Zo gaat het ook altijd op geestelijk gebied. Het is goed, dat gelovigen elkaar wijzen op de noden en behoeften der ziele, elkaar mededelen, wat God aan de ziele gedaan heeft en doet; maar allernoodzakelijkst is het, dat de troon der genade word opgezocht en gezocht, om zich voor den Heere neer te leggen in al zijn geestelijke ellende, en van den Heere te vragen en te smeken, dat Hij gedurig zegene met de stromen Zijns Geestes.
Sulamith, haren echtvriend bij den arm naar buiten geleidende, zingt: a) Kom haastelijk,
mijn liefste! en wees gij gelijk ene ree, ene gazel, of gelijk ene welp der herten, een jong hert, op de bergen der specerijen. 2) Kom, laten wij te zamen over deze met geurige bloemen bedekte bergen, die ons zo vriendelijk uitnodigen, vrolijk heen wandelen als snelle reeën.
Openb. 22: 17: 20.
Hiermede voldoet Sulamith aan de begeerte van haar koning en Heere, haar stem te doen horen. En daarmee zegt zij het zo duidelijk mogelijk, dat al de begeerten harer ziele naar Hem uitgaan. Het is hier als het ware de bode der Kerk, zoals die onder het N. Verbond luidt: Kom, Heere Jezus, ja, kom haastelijk!
In het Hooglied worden we inzonderheid gewezen op twee bergen of gebergten. Het gebergte van Bether en de bergen der specerijen. De bergen van Bether maken scheiding tussen den Bruidegom en zijne bruid, maar op de bergen der specerijen is van geen scheiding meer sprake. Daarom zijn ook de bergen der specerijen, beeld van de eeuwige bergen van gelukzaligheid en heerlijkheid, waarop de grote Hogepriester en Koning zijn volk alle de zijnen zal verzamelen en verkwikken met de lieflijkste ondervindingen, met de lieflijkste geuren van Zijne genade, en met de heerlijkste vruchten van Zijne gemeenschap. Dan zal er nimmer meer scheiding plaats hebben, maar eeuwige vereniging zal de ervaring zijn. Hierom smeekt hier de bruid, hierom smeekt de Kerk van Christus, zolang als zij nog is in het land der vreemdelingschappen. Als de strijdende Kerk in de overwinnende zal zijn overgegaan, dan is het smachtend: Kom, voor eeuwig, overgegaan in het vervulde: Ik ben gekomen. SLOTWOORD OP HET BOEK HET HOOGLIED. Het Hooglied, of het Lied der Liederen, behoort zonder enigen twijfel tot die Boeken der H. Schrift, waarover de gevoelens van oudere en nieuwere uitleggers zeer ver uiteenlopen. Meent de een, dat, toen de grote Koning Israëls dit Lied vervaardigde, hij enkele voorgevoelens van het Goddelijke Tegenbeeld in zijn ziele heeft gehad; anderen, dat het, zonder Salomo’s bewuste doel, door de werking des Geestes zo is opgesteld, dat ons uit zijn verheven samenstel, als uit een kristallen spiegel, de verborgenheden des huwelijks tegenstralen: sommigen vinden er in een allegorie omtrent Christus en zijn Kerk. Wij sluiten ons aan bij de typisch-mystische verklaring van het Hooglied. Salomo, gedreven door den Heilige Geest, heeft in zijn huwelijk met Sulamith, aan de Kerk van alle eeuwen voorgesteld en voor haar bezongen, hoe Christus Jezus niet alleen zijne Kerk heeft opgezocht, maar haar ook weer opzoekt, als zij verkeert in een kwijnenden en afgezakten toestand. Hoe Christus Jezus alle eeuwen Zijn woord vervult, dat hij is de Eerste en de Laatste, Degene, wiens trouw door de trouweloosheid Zijner gelovigen niet wordt te niet gedaan. Al wat Salomo zegt van Sulamith, en wederkerig wat zij zegt van Salomo, kan alleen dan tot zijn recht komen, wanneer het wordt toegepast op de verhouding tussen Christus Jezus en Zijne duur gekochte gemeente. Wat de Heere gedurende zijn omwandeling op aarde sprak: “Meer dan Salomo is hier”, geldt ook hier inzonderheid. Gaarne verenigen we ons met wat Henry aan het slot van zijn inleiding op dit Boek schrijft: “De beste sleutel tot dit Hooglied is de 45ste Psalm, die men ook in het N. Verbond vindt aangetrokken, zodat dit mede op het Hooglied zelven, als bij terugstuiting, mag toegepast worden. Het is en blijft echter moeilijk om de mening des Geestes in sommige plaatsen van dit Boek slechts als waarschijnlijk op te geven, en de geleerdste verstanden vinden er zelfs diepten in, welke zij onmogelijk peilen kunnen. Doch, als de zin en mening daarvan eens getroffen is, dan is ze van een wonderbaar nut, door de godsdienstige aandoeningen in ons te verlevendigen; en de ontdekte waarheid oefent alsdan ene des te grotere kracht op onze zielen. Als we ons tot de beoefening van dit Boek overgeven, moeten we niet alleen met Mozes en Jozua onze schoenen uittrekken, en zeggen, dat wij een heiligen grond betreden, maar wij moeten zelfs met Johannes een heilige vlucht nemen tot in het hoogste en binnenste Heiligdom, opdat we dus met vertrouwen mogen zeggen: “Ja waarlijk! dit is een huis Gods, en ene poorte des hemels.”
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel