Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Daarom moetenG1163 wij ons te meer houdenG4337 aan hetgeen van ons gehoordG191 is, opdat wij niet te eniger tijdG4218 doorvloeienG3901.
Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien.
KJV
Therefore1
we
ought3
to give the more earnest
heed6
to the things which we have heard,8
lest at any time9
we should let them slip.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
WantG1063 indienG1487 het woordG3056, doorG1223 de engelenG32 gesprokenG2980, vastG949 is geweestG1096, enG2532 alleG3956 overtredingG3847 enG2532 ongehoorzaamheidG3876 rechtvaardigeG1738 vergeldingG3405 ontvangenG2983 heeft;
Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft;
KJV
For2
if1
the word7
spoken6
by4
angels5
was8
stedfast,9
and10
every11
transgression12
and13
disobedience14
received15
a just16
recompence of reward;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
HoeG4459 zullen wij ontvliedenG1628, indien wij op zo grote zaligheidG4991 geen acht nemenG272? dewelke, begonnenG746 zijnde verkondigdG2980 te worden door de HeereG2962, aanG1519 ons bevestigdG950 is geworden vanG5259 degenen, die Hem gehoordG191 hebben;
Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben;
KJV
How1
shall we
escape,3
if we neglect5
so great4
salvation;6
which7
at the first8
began9
to be spoken10
by11
the Lord,13
and was confirmed19
unto17
us
by14
them that heard
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
GodG2316 bovendienG5037 medegetuigendeG4901 door tekenenG4592, en wonderenG5059, enG2532 menigerleiG4164 krachtenG1411 enG2532 bedelingenG3311 des HeiligenG40 GeestesG4151, naarG2596 Zijn wilG2308.
God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijn wil.
KJV
God3
also bearing them witness,1
both5
with signs4
and6
wonders,7
and8
with divers9
miracles,10
and11
gifts14
of the Holy13
Ghost,12
according to15
his own17
will?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantG1063 Hij heeft aan de engelenG32 nietG3756 onderworpenG5293 de toekomendeG3195 wereldG3625, vanG4012 welkeG3739 wij sprekenG2980.
Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken.
KJV
For2
unto the angels3
hath he4
not1
put in subjection
the world6
to come,8
whereof9
we speak.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
MaarG1161 iemandG5100 heeft ergensG4225 betuigdG1263, zeggendeG3004: WatG5101 isG1510 de mensG444, datG3754 Gij zijner gedenktG3403, ofG2228 des mensenG444 zoonG5207, datG3754 Gij hemG846 bezoektG1980!
Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt!
KJV
But2
one4
in a certain place3
testified,1
saying,5
What6
is
man,8
that9
thou art mindful10
of him?11
or12
the son13
of man,14
that15
thou visitest16
him?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Gij hebt hemG846 een weinigG1024 minderG1642 gemaakt dan de engelenG32; met heerlijkheidG1391 enG2532 eerG5092 hebt Gij hem gekroondG4737, enG2532 Gij hebt hemG846 gesteldG2525 overG1909 de werkenG2041 Uwer handenG5495;
Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen;
KJV
Thou madest1
him2
a little3
lower
than5
the angels;6
thou crownedst10
him11
with glory7
and8
honour,9
and12
didst set13
him14
over15
the works17
of thy
hands:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Alle dingen hebt Gij onderG1722 zijn voetenG4228 onderworpen. WantG1063 daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij nietsG3762 uitgelatenG863, dat hemG846 niet onderworpen zij; doch nu zienG3708 wij nogG3768 niet, dat hem alleG3956 dingen onderworpen zijn;
Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn;
Ook in dit vers
onderworpenG506
onderworpenG5293
onderworpenG5293
onderworpenG5293
KJV
Thou hast put2
all things1
in subjection10
under3
his6
feet.5
For8
in7
that he put25
all13
in subjection under
him,11
he left15
nothing that is not14
put under17
him.16
But19
now18
we see21
not yet20
all things24
put under
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Maar wij zienG991 JezusG2424 met heerlijkheidG1391 en eerG5092 gekroondG4737, Die een weinigG1024 minderG3844 danG1161 de engelenG32 geworden was, vanwege het lijdenG3804 des doodsG2288, opdat Hij door de genadeG5485 GodsG2316 voor allenG3956 den doodG2288 smakenG1089 zou.
Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou.
KJV
But2
we see8
Jesus,9
who1
was made7
a little3
lower
than5
the angels6
for10
the suffering12
of death,14
crowned18
with glory15
and16
honour;17
that19
he24
by the grace20
of God21
should taste
death25
for22
every man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantG1063 het betaamdeG4241 HemG846, om Welken alle dingen zijn, enG2532 doorG1223 Welken alle dingen zijn, dat HijG846, veleG4183 kinderenG5207 totG1519 de heerlijkheidG1391 leidendeG71, den oversten LeidsmanG747 hunner zaligheidG4991 doorG1223 lijdenG3804 zou heiligenG5048.
Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.
KJV
For2
it became1
him,3
for4
whom5
are all things,7
and8
by9
whom10
are all things,12
in bringing17
many13
sons14
unto15
glory,16
to make25
the captain19
of their22
salvation21
perfect
through23
sufferings.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantG1063 en Hij, Die heiligtG37, enG2532 zij, die geheiligdG37 worden, zijn allenG3956 uitG1537 eenG1520; omG1223 welkeG3739 oorzaakG156 Hij Zich nietG3756 schaamtG1870 hen broedersG80 te noemenG2564.
Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen.
KJV
For3
both2
he that sanctifieth4
and5
they who are sanctified7
are all10
of8
one:9
for11
which12
cause13
he is15
not14
ashamed
to call18
them17
brethren,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
ZeggendeG3004: Ik zal Uw naamG3686 Mijn broederenG80 verkondigenG518; inG1722 het middenG3319 der GemeenteG1577 zal Ik UG4771 lofzingenG5214.
Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der Gemeente zal Ik U lofzingen.
KJV
Saying,1
I will declare2
thy
name4
unto my
brethren,7
in9
the midst10
of the church11
will I sing praise12
unto thee.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG2532 wederomG3825: IkG1473 zal Mijn betrouwenG3982 opG1909 HemG846 stellenG2071. EnG2532 wederomG3825: ZieG2400 daar, IkG1473 enG2532 de kinderenG3813, dieG3739 MijG1473 GodG2316 gegevenG1325 heeft.
En wederom: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.
KJV
And1
again,2
I3
will
put my trust5
in6
him.7
And8
again,9
Behold
I11
and12
the children14
which15
God19
hath given17
me.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
OvermitsG1893 danG3767 de kinderenG3813 des vlesesG4561 enG2532 bloedsG129 deelachtig zijn, zo is HijG846 ookG2532 desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdatG2443 HijG846 doorG1223 den doodG2288 te niet doen zou dengene, dieG3778 het geweldG2904 des doodsG2288 hadG2192, dat isG1510, den duivelG1228;
Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;
Ook in dit vers
deelachtigG2841
deelachtigG3348
KJV
Forasmuch1
then2
as the children4
are partakers5
of flesh6
and7
blood,8
he12
also9
himself10
likewise11
took part
of the same;14
that15
through16
death18
he might destroy19
him that had23
the power22
of death,25
that is,
the devil;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG2532 verlossenG525 zou al degenen, dieG3778 met vrezeG5401 des doodsG2288, doorG1223 alG3956 hun levenG2198, der dienstbaarheidG1397 onderworpenG1777 warenG1510.
En verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren.
KJV
And1
deliver2
them
who4
through7
fear5
of death6
were
all8
their lifetime10
subject11
to bondage.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WantG1063 waarlijkG1222, Hij neemtG1949 de engelenG32 nietG3756 aan, maarG235 Hij neemtG1949 het zaadG4690 AbrahamsG11 aan.
Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan.
KJV
For2
verily3
he took5
not1
on9
him the nature of angels;4
but6
he took on
him the seed7
of Abraham.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Waarom Hij in allesG3956 den broederenG80 moestG3784 gelijk wordenG1096, opdatG2443 Hij een barmhartigG1655 enG2532 een getrouwG4103 HogepriesterG749 zou zijn, in de dingen, die bijG4314 GodG2316 te doen waren, omG1519 de zondenG266 des volksG2992 te verzoenenG2433.
Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.
KJV
Wherefore1
in3
all things4
it behoved him2
to be made like7
unto his brethren,6
that8
he might be10
a merciful9
and11
faithful12
high priest13
in things pertaining to15
God,17
to18
make reconciliation for20
the sins22
of the people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
WantG1063 inG1722 hetgeen Hij ZelfG846, verzochtG3985 zijnde, geledenG3958 heeft, kanG1410 Hij dengenen, die verzochtG3985 worden, te hulpG997 komen.
Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.
KJV
For3
in1
that2
he4
himself5
hath suffered
being tempted,6
he is able7
to succour10
them that are tempted.
moeten wij ons te meer houden
Dat is, daar wij nu bewezen hebben hoe voortreffelijk de persoon van Christus is, van wien wij spreken.
Hertaald:
moeten wij ons te meer houden
Dat is: omdat wij nu bewezen hebben hoe voortreffelijk de Persoon van Christus is over Wie wij spreken.
doorvloeien
Dit wordt door sommigen verstaan van het woord, hetwelk wij gehoord hebben, en moeten zorg dragen dat het in ons niet doorvloeit, zoals in vergetelijke toehoorders pleegt te geschieden. Door anderen wordt het verstaan van de personen zelf, die gezegd worden door te vloeien, wanneer zij als water, dat doorvloeit, vergaan of verloren gaan. Zie 2 Sam. 14:14; Ps. 58:8.
Hertaald:
doorvloeien
Dit wordt door sommigen verstaan van het Woord dat wij gehoord hebben: dat wij zorg moeten dragen dat het niet door ons heen wegvloeit, zoals bij vergeetachtige hoorders gewoonlijk gebeurt. Door anderen wordt het verstaan van de personen zelf, van wie gezegd wordt dat zij wegvloeien wanneer zij als water dat wegvloeit vergaan of verloren gaan. Zie 2 Sam. 14:14; Ps. 58:8.
door de engelen gesproken,
Waardoor verstaan worden al de openbaringen, die God in het Oude Testament aan de profeten door de engelen heeft gedaan, en bijzonder ook het geven der wet, die wel van God zelf, maar toch door den dienst der engelen gegeven is, gelijk Stefanus getuigt, Hand. 7:53, en Paulus, Gal. 3:19.
Hertaald:
door de engelen gesproken,
Daaronder worden al de openbaringen verstaan die God in het Oude Testament door de engelen aan de profeten gedaan heeft, en in het bijzonder ook het geven van de wet. Die is wel door God Zelf gegeven, maar toch door de dienst van de engelen, zoals Stefanus betuigt, Hand. 7:53, en Paulus, Gal. 3:19.
rechtvaardige vergelding
Grieks rechtvaardige loonvergelding, namelijk der straffen, die daarom over hen zijn gekomen. Zie enige voorbeelden daarvan 1 Kor. 10:5, enz.
Hertaald:
rechtvaardige vergelding
Grieks: rechtvaardige loonvergelding, namelijk van de straffen die daarom over hen gekomen zijn. Zie enkele voorbeelden daarvan in 1 Kor. 10:5, enzovoort.
ontvlieden,
Namelijk de rechtvaardige vergelding der straffen.
Hertaald:
ontvlieden,
Namelijk de rechtvaardige vergelding van de straffen.
zo grote zaligheid
Dat is, zo klare en krachtige leer, die ons ter zaligheid roept; waardoor het Evangelie verstaan wordt, hetwelk ook een dienst des Geestes en des levens wordt genoemd, daar de wet een doodslaande letter is, waarvan zie de verklaring op 2 Kor. 3:6-7.
Hertaald:
zo grote zaligheid
Dat is: zo heldere en krachtige leer, die ons tot de zaligheid roept. Daarmee wordt het Evangelie bedoeld, dat ook een dienst van de Geest en van het leven genoemd wordt, terwijl de wet een dodende letter is; zie daarover de verklaring bij 2 Kor. 3:6-7.
begonnen zijnde
Grieks begin genomen hebbende gesproken te worden.
Hertaald:
begonnen zijnde
Grieks: een begin genomen hebbende om gesproken te worden.
de Heere, aan ons
Namelijk Jezus Christus, toen Hij in de dagen Zijns vleesches onder ons heeft gepredikt als een dienaar der besnijdenis.
Hertaald:
de Heere, aan ons
Namelijk Jezus Christus, toen Hij in de dagen van Zijn vlees onder ons gepredikt heeft als een dienaar van de besnijdenis.
bevestigd is geworden
Dat is, meer en meer versterkt.
Hertaald:
bevestigd is geworden
Dat is: meer en meer versterkt.
van degenen,
Hieruit willen sommigen besluiten dat Paulus dezen brief niet zou hebben geschreven, daar hij niet door mensen, maar van Christus zelf het Evangelie gehoord heeft, en tot een apostel is beroepen, 2 Kor. 12:4, enz.; Gal. 1:1, en Gal. 2:6. Doch dit is een zeer zwak bewijs, dewijl de apostelen, door een figuurlijke wijze van spreken, zichzelf dikwijls in de vermaningen insluiten, hoewel zij hun eigenlijk niet aangaan, gelijk in deze drie voorgaande verzen meermalen geschiedt. Zie ook een opmerkelijk voorbeeld 1 Kor. 10:8-9; 1 Petr. 4:3; daarenboven, hoewel Paulus de leer des Evangelies van niemand heeft geleerd dan van Christus, nochtans is hij daarin ook versterkt door Ananias, Hand. 9:17, en door onderlinge handeling met de andere apostelen, gelijk de andere apostelen ook door de handelingen met hem, gelijk hijzelf in het brede getuigt, Gal. 2:2, enz.
Hertaald:
van degenen,
Hieruit willen sommigen besluiten dat Paulus deze brief niet geschreven zou hebben, omdat hij het Evangelie niet door mensen, maar van Christus Zelf gehoord heeft en omdat hij door Hem tot apostel geroepen is, 2 Kor. 12:4, enzovoort; Gal. 1:1 en Gal. 2:6. Maar dat is een zeer zwak argument, omdat de apostelen zichzelf door een beeldende manier van spreken dikwijls in de aansporingen insluiten, hoewel die eigenlijk niet op hen betrekking hebben; dat gebeurt in deze drie voorgaande verzen meermalen. Zie ook een opmerkelijk voorbeeld in 1 Kor. 10:8-9; 1 Petr. 4:3. Bovendien heeft Paulus de leer van het Evangelie van niemand anders geleerd dan van Christus, maar hij is daarin toch ook versterkt door Ananias, Hand. 9:17, en door onderling overleg met de andere apostelen, zoals de andere apostelen ook door het overleg met hem, zoals hij zelf uitvoerig betuigt, Gal. 2:2, enzovoort.
medegetuigende
Namelijk met de apostelen en evangelisten, die ons het Evangelie hebben verkondigd. Zie Marc. 16:20.
Hertaald:
medegetuigende
Namelijk meegetuigend met de apostelen en evangelisten, die ons het Evangelie verkondigd hebben. Zie Mark. 16:20.
Want Hij heeft
Na het einde der tussengevoegde vermaning komt de apostel weder tot verklaring der leer. Want deze woorden sluiten aan bij het einde van het voorgaande hoofdstuk, waar hij gezegd had, dat God de Vader alles aan de voeten van Christus had onderworpen, en hij gaat alzo voort tot de verklaring van de nederheid en verhoging der mensheid van Christus.
Hertaald:
Want Hij heeft
Na het einde van de tussengevoegde aansporing komt de apostel weer terug op de verklaring van de leer. Want deze woorden sluiten aan bij het einde van het voorgaande hoofdstuk. Daar had hij gezegd dat God de Vader alles aan de voeten van Christus onderworpen had; en zo gaat hij voort met de verklaring van de vernedering en de verhoging van de mensheid van Christus.
de toekomende wereld,
Dat is, van wier toekomst of stand de profeten zoveel hebben gesproken, en waar David van spreekt in de aangetekende plaats, Psa 110, welke wereld toekomende wordt genoemd, ten opzichte van Gods beloften in het Oude Testament, en van de oprichting aller dingen, die door het zitten van Christus ter rechterhand Zijns Vaders, door de gehele wereld is begonnen, en ten uitersten dage zal voleindigd worden.
Hertaald:
de toekomende wereld,
Dat is: de wereld waarover de profeten zoveel gesproken hebben, en waarover David spreekt in de aangetekende plaats, Psalm 110. Die wereld wordt toekomende genoemd met het oog op Gods beloften in het Oude Testament, en ook op de wederoprichting van alle dingen. Die is door het zitten van Christus aan de rechterhand van Zijn Vader over de hele wereld begonnen en zij zal op de laatste dag voleindigd worden.
iemand heeft ergens betuigd,
Namelijk die genoeg bekend is, te weten de profeet David, in Psa 8.
Hertaald:
iemand heeft ergens betuigd,
Namelijk iemand die genoeg bekend is, te weten de profeet David, in Psalm 8.
Wat is de Mens,
Deze plaats; Ps. 8:5, menen sommigen dat hier maar door enige toepassing der woorden van den profeet David op Christus wordt geduid, hoewel zij door David in een anderen zin zouden gesproken zijn, gelijk dat dikwijls bij vele schrijvers geschiedt, en waar van een voorbeeld is Rom. 10:6, Rom. 10:18. Want hetgeen van een zaak of persoon gezegd is kan ook wel met waarheid van een ander bij vergelijking gezegd worden; veel meer dan kan zulks door de ingeving des Heiligen Geestes geschieden. Doch daar de apostel deze plaats, als van Christus gesproken, ook verhaalt, 1 Kor. 15:27; Ef. 1:22, en daaruit daar en ook hier een bewijs neemt van hetgeen hij van Christus wil leren, zo moet zij van David tot dien einde ook noodzakelijk zijn waartoe de apostel die voortbrengt. Want al is het dat David daar ten eersten aanzien schijnt te spreken van den mens en zijn waardigheid in het algemeen boven andere schepselen, nochtans terwijl de eerste mens deze waardigheid door zijne ongehoorzaamheid terstond heeft verloren, en derhalve geen recht daartoe van nature meer heeft; waarom ook veel schepselen zich aan zijn
Hertaald:
Wat is de Mens,
Sommigen menen dat deze plaats, Ps. 8:5, hier alleen door een toepassing van de woorden van de profeet David op Christus betrokken wordt, hoewel David die in een andere betekenis gesproken zou hebben. Dat gebeurt bij veel schrijvers dikwijls, en een voorbeeld daarvan is Rom. 10:6, Rom. 10:18. Want wat over een bepaalde zaak of persoon gezegd is, kan bij vergelijking ook wel met waarheid over een andere gezegd worden; en hoeveel te meer kan dat door de ingeving van de Heilige Geest gebeuren. Maar omdat de apostel deze plaats ook aanhaalt als over Christus gesproken, 1 Kor. 15:27; Ef. 1:22, en daaruit daar en ook hier een bewijs neemt van wat hij over Christus wil leren, moet zij door David ook noodzakelijk met dat doel gesproken zijn waartoe de apostel haar aanvoert. David lijkt daar op het eerste gezicht te spreken over de mens en zijn waardigheid in het algemeen boven de andere schepselen. Maar de eerste mens heeft die waardigheid door zijn ongehoorzaamheid meteen verloren, en hij heeft daar dus van nature geen recht meer op. Daarom hebben ook veel schepselen zich aan zijn gehoorzaamheid onttrokken; ja, zij zijn vijanden van hem geworden.
Wat is de Mens,
gehoorzaamheid hebben onttrokken, ja vijand van hem zijn geworden; zo heeft de profeet hoger gezien, namelijk op Christus en de wederoprichting der mensen in Christus, die een volkomene autoriteit en macht over alle schepselen groot en klein ontvangen heeft, zelfs over de engelen in den hemel en al het gedierte op aarde; Ef. 1:20-22; Fil. 2:9-10; waarom zelfs de engelen Hem, toen Hij hier in het vlees wandelde, hebben gediend, en de vissen in de zee en andere gedierte Hem als een volkomen Heere zijn onderworpen geweest, gelijk daarvan gedurig voorbeelden in het Evangelie voorkomen. Zie Matt. 8:31, en Matt. 21:2; Luc. 5:6; Joh. 21:6; welke waardigheid ook alle gelovigen in Christus nu weder deelachtig zijn geworden, 1 Kor. 3:22; Ef. 2:6, enz.
Hertaald:
Wat is de Mens,
Zo heeft de profeet hoger gezien, namelijk op Christus en op de wederoprichting van de mensen in Christus, Die een volkomen gezag en macht over alle schepselen, groot en klein, ontvangen heeft, zelfs over de engelen in de hemel en al het gedierte op de aarde; Ef. 1:20-22; Filipp. 2:9-10. Daarom hebben zelfs de engelen Hem gediend toen Hij hier in het vlees wandelde, en waren de vissen in de zee en andere dieren Hem als een volkomen Heere onderworpen, zoals daarvan telkens voorbeelden in het Evangelie voorkomen. Zie Matth. 8:31 en Matth. 21:2; Luk. 5:6; Joh. 21:6. Aan die waardigheid hebben nu ook alle gelovigen in Christus weer deel gekregen, 1 Kor. 3:22; Ef. 2:6, enzovoort.
gedenkt,
Dit woord gedenkt, gelijk ook het volgende bezoekt, of aanmerkt, ziet zowel op den staat der vernedering van Christus, waaruit Hij verhoogd is, als op den ellendigen staat des mensen, waarin hij door de zonde is gevallen, waarin hem God met Zijn ontfermende ogen als aangezien en tot een beteren staat genadig heeft voorgenomen te brengen, gelijk deze wijze van spreken zulks alom medebrengt. Zie Gen. 8:1, en Gen. 21:1; Ezech. 16:4, enz.
Hertaald:
gedenkt,
Dit woord gedenkt, en ook het volgende bezoekt of aanmerkt, ziet zowel op de staat van de vernedering van Christus, waaruit Hij verhoogd is, als op de ellendige staat van de mens waarin hij door de zonde gevallen is. Daarin heeft God hem met Zijn ontfermende ogen als het ware aangezien en Hij heeft genadig voorgenomen hem tot een betere staat te brengen, zoals deze manier van spreken telkens meebrengt. Zie Gen. 8:1 en Gen. 21:1; Ezech. 16:4, enzovoort.
een weinig minder gemaakt
Of een weinig tijds; gelijk ook vs.9, wat dit woord beide betekent. En dit wordt van den apostel op de gelovigen en vooral op Christus hun Hoofd geduid, omdat zij hier wel een weinig of een weinig tijds minder zijn dan de engelen, gelijk ook Christus is geweest in Zijn nederigen staat voor de ogen der mensen, maar dat zij door Christus den engelen zullen gelijk worden in de toekomende wereld, Matt. 22:30, en dat Christus, het Hoofd derzelve, ook naar Zijn mensheid, ver boven alle engelen na Zijne hemelvaart is verheven, gelijk de Schrift alom getuigt.
Hertaald:
een weinig minder gemaakt
Of: een korte tijd; zoals ook in vers 9, want dit woord betekent beide. De apostel betrekt dit op de gelovigen en vooral op Christus, hun Hoofd, omdat zij hier wel een weinig of een korte tijd minder zijn dan de engelen, zoals Christus dat in Zijn nederige staat ook geweest is voor de ogen van de mensen. Maar door Christus zullen zij in de toekomende wereld aan de engelen gelijk worden, Matth. 22:30; en Christus, hun Hoofd, is ook naar Zijn mensheid na Zijn hemelvaart verre boven alle engelen verhoogd, zoals de Schrift telkens betuigt.
niets uitgelaten,
Zelfs ook dan niet de engelen.
Hertaald:
niets uitgelaten,
Zelfs de engelen niet.
doch nu zien wij nog niet,
Met deze woorden bewijst de apostel, dat deze plaats eerst en vooral van Christus moet verstaan worden, daar in geen ander mens ter wereld dit tot nog toe in alles is vervuld.
Hertaald:
doch nu zien wij nog niet,
Met deze woorden bewijst de apostel dat deze plaats in de eerste plaats en vooral van Christus verstaan moet worden, omdat dit tot nu toe in geen enkel ander mens ter wereld in alles vervuld is.
Maar wij zien Jezus
Dat is, wij weten en geloven uit Gods Woord, en ervaren het in de regering Zijner gemeente, dat nu in Jezus Christus dit alles is vervuld, en dat het derhalve ook in Zijn leden te Zijner tijd, naar hunne mate, vervuld zal worden, zoals in vs.10 wordt uitgedrukt.
Hertaald:
Maar wij zien Jezus
Dat is: wij weten en geloven uit Gods Woord, en wij ervaren het in de regering van Zijn gemeente, dat dit alles nu in Jezus Christus vervuld is, en dat het daarom ook in Zijn leden te Zijner tijd naar hun mate vervuld zal worden, zoals in vers 10 uitgedrukt wordt.
vanwege het lijden des doods,
Dat is, omdat Hij den dood moest lijden, of door het lijden des doods. Zie Luc. 24:26.
Hertaald:
vanwege het lijden des doods,
Dat is: omdat Hij de dood moest lijden, of: door het lijden van de dood. Zie Luk. 24:26.
voor allen den dood
Namelijk zijn leden, of broeders, die hij zijner heerlijkheid zou deelachtig maken; gelijk Joh. 10:11; Rom. 8:33-34, enz.
Hertaald:
voor allen den dood
Namelijk voor al Zijn leden, of broeders, die Hij deel zou geven aan Zijn heerlijkheid; zoals in Joh. 10:11; Rom. 8:33-34, enzovoort.
smaken zou
Dat is, lijden, gelijk Christus zelf Zijn lijden bij een drinkbeker vergelijkt, Matt. 20:22, en Matt. 26:39. Zie dergelijke wijze van spreken Matt. 16:28; Marc. 9:1; Luc. 9:27; Joh. 8:52.
Hertaald:
smaken zou
Dat is: lijden. Zo vergelijkt Christus Zelf Zijn lijden met een beker, Matth. 20:22 en Matth. 26:39. Zie een dergelijke manier van spreken in Matth. 16:28; Mark. 9:1; Luk. 9:27; Joh. 8:52.
Hem,
Namelijk God den Vader; gelijk Rom. 11:36.
Hertaald:
Hem,
Namelijk God de Vader, zoals in Rom. 11:36.
kinderen
Grieks zonen; waarvan Christus de eerstgeborene wordt genoemd, wiens beeld de anderen moesten gelijkvormig worden; Rom. 8:29.
Hertaald:
kinderen
Grieks: zonen. Christus wordt de Eerstgeborene daarvan genoemd; aan Zijn beeld moesten de anderen gelijkvormig worden; Rom. 8:29.
tot de heerlijkheid
Dat is, tot de gemeenschap der heerlijkheid Zijns Zoons, waar hij in vs.9 van gesproken had.
Hertaald:
tot de heerlijkheid
Dat is: tot de gemeenschap aan de heerlijkheid van Zijn Zoon, waarover hij in vers 9 gesproken had.
den oversten Leidsman
Dat is, auteur of oorzaak en voorganger, gelijk hij hierna, Hebr. 5:9, en Hand. 3:15, hem noemt.
Hertaald:
den oversten Leidsman
Dat is: de Bewerker, of de Oorzaak en Voorganger, zoals hij Hem hierna in Hebr. 5:9 en in Hand. 3:15 noemt.
heiligen
Grieks teleiosai; hetwelk eigenlijk betekent volmaken, somwijlen heiligen, of, inwijden, welke betekenissen op Christus hier kunnen gepast worden. Hoewel het woord heiligen hier gehouden is, omdat Christus dit woord zo van zichzelf verklaart, Joh. 17:19, en vs.11 zulks ook medebrengt. En door dit woord heiligen wordt alhier verstaan, dat de Vader geordineerd heeft dat Christus door Zijn gehoorzaamheid tot den dood des kruises in Zijn heerlijkheid zou ingaan, en ons met Hem daartoe ook bekwaam maken.
Hertaald:
heiligen
Grieks: teleiōsai. Dat betekent eigenlijk volmaken, en soms heiligen of inwijden; deze betekenissen kunnen hier alle op Christus toegepast worden. Toch is het woord heiligen hier aangehouden, omdat Christus dit woord zo van Zichzelf verklaart, Joh. 17:19, en omdat vers 11 dat ook meebrengt. Met dit woord heiligen wordt hier bedoeld dat de Vader verordend heeft dat Christus door Zijn gehoorzaamheid tot de dood van het kruis in Zijn heerlijkheid zou ingaan, en dat Hij ons met Hem daartoe ook geschikt zou maken.
en Hij, Die heiligt,
Deze regel is genomen uit de wijze van heiligen in het Oude Testament, waar de hogepriester, en de anderen die hij heiligde, van eenzelfde natuur en oorsprong waren. Waar ook de eerstelingen waren van ééne natuur en oorsprong met de gehele massa, die daardoor geheiligd werden. Zie Rom. 11:16; Hebr. 5:1.
Hertaald:
en Hij, Die heiligt,
Deze regel is genomen uit de manier van heiligen in het Oude Testament, waar de hogepriester en de anderen die hij heiligde van dezelfde natuur en oorsprong waren. Ook de eerstelingen waren van één natuur en oorsprong met de hele massa, die daardoor geheiligd werd. Zie Rom. 11:16; Hebr. 5:1.
uit één;
Het Griekse woord Henos, dat is, een massa, kan òf een Vader, òf, een natuur, betekenen. Doch daar de engelen ook een algemenen Vader, namelijk God, hebben, met de gelovigen, en de apostel hier wil bewijzen, dat Christus met Zijn gelovigen ééne gemeenschap heeft, die Hij met de engelen niet heeft, zo moet het woord een hier noodwendig van de enigheid der natuur worden genomen, gelijk de eerstelingen en de gehele massa van ééne natuur waren.
Hertaald:
uit één;
Het Griekse woord henos, dat is: één, kan óf één Vader, óf één natuur betekenen. Maar omdat de engelen ook een gemeenschappelijke Vader met de gelovigen hebben, namelijk God, en omdat de apostel hier wil bewijzen dat Christus met Zijn gelovigen een gemeenschap heeft die Hij met de engelen niet heeft, moet het woord één hier noodzakelijk opgevat worden als de eenheid van de natuur, zoals de eerstelingen en de hele massa van één natuur waren.
Hij Zich
Namelijk de Zoon Gods, of de leidsman hunner zaligheid.
Hertaald:
Hij Zich
Namelijk de Zoon van God, of de Leidsman van hun zaligheid.
niet schaamt
Dat is, niet verontwaardigt, namelijk, hoewel hij zeer veel waardiger is dan zij zijn.
Hertaald:
niet schaamt
Dat is: het niet beneden Zich acht, namelijk hoewel Hij veel waardiger is dan zij zijn.
Zeggende
Namelijk in Psa 22, welke psalm een gedurig verhaal is van de geschiedenis van het lijden van Christus, gelijk die daarom altijd voor het vroegoffer, volgens het opschrift des psalms, tot een verklaring van de betekenende zaak dezer offerande, werd gezongen. En daarom worden bij de evangelisten, wanneer zij handelen van het lijden van Christus, meer plaatsen uit dezen psalm aangehaald, dan uit enig ander hoofdstuk des Ouden Testaments.
Hertaald:
Zeggende
Namelijk in Psalm 22. Die psalm is een doorlopend verhaal van de geschiedenis van het lijden van Christus; daarom werd hij volgens het opschrift van de psalm altijd voor het morgenoffer gezongen, als een verklaring van de zaak die door dat offer aangeduid werd. Daarom worden bij de evangelisten, wanneer zij over het lijden van Christus handelen, meer plaatsen uit deze psalm aangehaald dan uit enig ander hoofdstuk van het Oude Testament.
Ik zal Mijn betrouwen
Met deze plaats, genomen uit Ps. 18:3, bewijst de apostel, dat Christus enerlei bewegingen des gemoeds, en die enerlei natuur met de gelovigen deelachtig is.
Hertaald:
Ik zal Mijn betrouwen
Met deze plaats, genomen uit Ps. 18:3, bewijst de apostel dat Christus dezelfde bewegingen van het gemoed en dezelfde natuur als de gelovigen heeft.
En wederom
Zie daar, Deze plaats is genomen uit Jes. 8:18, waar Christus, de ware Emmanuel, den profeet aanspreekt, en in zijn lijden vertroost met zijn en aller kinderen Gods voorbeeld, die dergelijke zwarigheden altijd onderworpen zijn geweest, gelijk dat gehele hoofdstuk van het achtste vers af een profetie van Christus is.
Hertaald:
En wederom
Deze plaats is genomen uit Jes. 8:18, waar Christus, de ware Immanuel, de profeet aanspreekt en hem in zijn lijden troost met het voorbeeld van zichzelf en van alle kinderen van God, die altijd aan dergelijke moeilijkheden onderworpen geweest zijn; dat hele hoofdstuk is vanaf het achtste vers een profetie over Christus.
die Mij God gegeven heeft
Namelijk uit de wereld, om mijzelf voor hen te heiligen. Zie Joh. 17:6.
Hertaald:
die Mij God gegeven heeft
Namelijk gegeven uit de wereld, om Mijzelf voor hen te heiligen. Zie Joh. 17:6.
de kinderen
Namelijk waarvan Jesaja spreekt; dat is, de ware gelovigen, die uit God geboren en leden van Christus zijn.
Hertaald:
de kinderen
Namelijk de kinderen waarover Jesaja spreekt; dat is: de ware gelovigen, die uit God geboren en leden van Christus zijn.
des vleses en bloeds
Dat is, bestaan uit vlees en bloed; of, de zwakke menselijke natuur deelachtig zijn; gelijk 1 Kor. 15:50.
Hertaald:
des vleses en bloeds
Dat is: uit vlees en bloed bestaan; of: deel hebben aan de zwakke menselijke natuur, zoals in 1 Kor. 15:50.
derzelve deelachtig geworden,
Dat is, heeft deze in enigheid zijns persoons aangenomen, gelijk hij hierna spreekt vs.16 en Fil. 2:7.
Hertaald:
derzelve deelachtig geworden,
Dat is: Hij heeft die in de eenheid van Zijn Persoon aangenomen, zoals hij hierna zegt in vers 16 en in Filipp. 2:7.
te niet doen zou dengene,
Dat is, zijne macht of tirannie over de kinderen Gods verbreken en wegnemen.
Hertaald:
te niet doen zou dengene,
Dat is: zijn macht of tirannie over de kinderen van God verbreken en wegnemen.
het geweld des doods had,
Namelijk door de zonde, waar hij de mensen toe gebracht had, en waaronder hij die nog hield; om welke zonde de mens den vervloekten dood was onderworpen. Zie Rom. 5:12, en 1 Kor. 15:56.
Hertaald:
het geweld des doods had,
Namelijk door de zonde, waartoe hij de mensen gebracht had en waaronder hij hen nog hield; om die zonde was de mens aan de vervloekte dood onderworpen. Zie Rom. 5:12 en 1 Kor. 15:56.
den duivel;
Namelijk met al zijn engelen, gelijk Christus spreekt Matt. 25:41. Want onder dezen overste worden allen, die onder hem staan, begrepen.
Hertaald:
den duivel;
Namelijk met al zijn engelen, zoals Christus zegt in Matth. 25:41. Want onder deze vorst zijn allen begrepen die onder hem staan.
die met vreze des doods,
Dat is, van den eeuwigen en vervloekten dood, welke vrees alle zondige mensen noodwendig bevangt, totdat zij van hun verlossing verzekerd zijn. Zie Luc. 1:74.
Hertaald:
die met vreze des doods,
Dat is: met vrees voor de eeuwige en vervloekte dood. Die vrees bevangt alle zondige mensen noodzakelijk, totdat zij van hun verlossing verzekerd zijn. Zie Luk. 1:74.
der dienstbaarheid
Dat is der knechtelijke vrees, of den geest der dienstbaarheid; gelijk hij spreekt Rom. 8:15.
Hertaald:
der dienstbaarheid
Dat is: van de knechtelijke vrees, of van de geest van de dienstbaarheid, zoals hij zegt in Rom. 8:15.
Hij neemt de engelen
Dat is, de Schrift zegt nergens, dat Hij de engelen zou aannemen, maar wel het zaad van Abraham, Gen. 12:3, en Gen. 22:18; gelijk ook zulks inderdaad in Zijne menschwording is gebleken.
Hertaald:
Hij neemt de engelen
Dat is: de Schrift zegt nergens dat Hij de engelen zou aannemen, maar wel het zaad van Abraham, Gen. 12:3 en Gen. 22:18; zoals dat ook werkelijk in Zijn menswording gebleken is.
Hij neemt het zaad
Dat is, de menselijke natuur uit het zaad van Abraham. Want dat enigen het woord aannemen door helpen verklaren is ongerijmd, dewijl de goede engelen geen hulp van node hebben tot hun verlossing, daar zij niet hebben gezondigd.
Hertaald:
Hij neemt het zaad
Dat is: de menselijke natuur uit het zaad van Abraham. Want dat sommigen het woord aannemen verklaren als helpen, is ongerijmd, omdat de goede engelen geen hulp tot hun verlossing nodig hebben, aangezien zij niet gezondigd hebben.
in alles den broederen
Namelijk uitgenomen de zonde, gelijk de apostel daarbij voegt; Hebr. 4:15.
Hertaald:
in alles den broederen
Namelijk in alles, met uitzondering van de zonde, zoals de apostel daaraan toevoegt; Hebr. 4:15.
die bij God
Namelijk om den mens met God te verzoenen.
Hertaald:
die bij God
Namelijk om de mens met God te verzoenen.
verzocht zijnde,
Namelijk in den staat Zijner vernedering, met allerlei lijden en verdriet.
Hertaald:
verzocht zijnde,
Namelijk in de staat van Zijn vernedering, met allerlei lijden en verdriet.
kan Hij dengenen,
Namelijk te beter, alzo Hij deze ook ervaren heeft, en daarom met meer medelijden tegen hen ontstoken is.
Hertaald:
kan Hij dengenen,
Namelijk des te beter, omdat Hij die ook zelf ervaren heeft en daarom met meer medelijden voor hen ontstoken is. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe De brief heeft in het eerste hoofdstuk betoogd dat de Zoon hoger is dan de engelen. Nu komt de tegenhanger, en die is even zorgvuldig opgebouwd: Hij is voor een tijd lager geworden dan zij. De Zoon is niet ondanks Zijn hoogheid mens geworden, maar juist om ons te kunnen helpen moest Hij worden wat wij zijn. Het betoog begint bij Psalm 8, waar staat dat de mens een weinig minder gemaakt is dan de engelen en dat alles onder zijn voeten gezet is. En dan de eerlijke vaststelling: nu zien wij nog niet dat hem alle dingen onderworpen zijn. Waarop de omslag volgt: “Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods.” De weg loopt dus omlaag vóórdat hij omhoog gaat, en de reden staat erbij: opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou. Daarna komt het woord dat dit hoofdstuk zijn warmte geeft. Hij schaamt Zich niet hen broeders te noemen, en de brief bewijst dat met drie aanhalingen uit het Oude Testament — waaronder Psalm 22, de psalm van het kruis: “Ik zal Uw Naam Mijn broederen verkondigen.” En dan de kern: “Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden.” De kanttekening legt beide helften uit. Vlees en bloed deelachtig zijn betekent: deel hebben aan de zwakke menselijke natuur. En van Hem zegt zij: Hij heeft die in de eenheid van Zijn Persoon aangenomen. Het doel staat er dubbel bij. Opdat Hij door den dood tenietdoen zou dengene die het geweld des doods had, dat is den duivel. En: opdat Hij verlossen zou al degenen die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren. Niet alleen de dood zelf, maar ook de vrees ervoor die een mens jarenlang klein houdt. Het slot geeft de reden waarom dit móest: “Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn.” De kanttekening zet daar één grens bij die alles op zijn plaats houdt: in alles — met uitzondering van de zonde, zoals de apostel er verderop aan toevoegt. En de laatste zin is die van iemand die ervaring heeft: want in hetgeen Hij Zelf verzocht zijnde geleden heeft, kan Hij dengenen die verzocht worden te hulp komen. In het Nieuwe Testament: Psalm 8:5-7; Psalm 22:23; Hebreeën 4:15; Filippenzen 2:7-8
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Deze preek werd gepubliceerd op oudejaarsdag 1908, en werd uitgesproken door C.H. Spurgeon op donderdagavond 17 december 1874 in de Metropolitan Tabernacle, Newington. ...en allen te verlossen die… Om door de dood hem die de macht over de dood had – dat is de duivel – teniet te doen. Hebreeën 2:14 Oh kind van God, de… Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om veel kinderen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman van hun… Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad hem. Marc. 5:6 Luk. 15:20. "En als hij nog verre van hem was, zag hem zijn… Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen van hen die hier staan, die de dood niet zullen proeven voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in… Want waarlijk, Hij nam niet de natuur van een engel aan; maar Hij nam de natuur van het zaad van Abraham aan. Hebreeën 2:16, Engelse vertaling Verder lezen: 2… Sterke God. Jesaja 9:5 Verder lezen: Hebreeën 2:10-18 Groot is de verborgenheid der godzaligheid, want de zinsnede waaruit de tekst is genomen zegt: 'Want een Kind is ons geboren.'… Dit is Jezus’ buit In David zien wij een beeld van de Heere Jezus — zowel in zijn strijd als in zijn overwinning, ja, in duizend andere opzichten… Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulp komen. Hebreeën 2:18 Hoewel onze Heere dus verzoekingen moest lijden, leed… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" …om door de dood hem die de macht over de dood had – dat is de duivel – teniet te doen.… Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulp komen. Hebreeën 2:18 De eenvoudigste les, waarin het Evangelie ons onderwijst,… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Hij zelf heeft, verzocht zijnde, geleden. Hebreeën 2:18 Dit is een algemeen bekende waarheid, maar toch is zij als nectar voor het vermoeide… Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulp komen. Hebreeën 2:18 Misschien verkeert ge juist nu in grote moeite. Ge… Want in hetgeen Hijzelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulp komen. Hebreeën 2:18 De eenvoudigste les, waarin het Evangelie ons onderwijst, is… Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulp komen. Hebreeën 2:18 Als de Heere een goed werk in uw… Als je in Christus geen zaligheid vindt, dan zul je haar nergens vinden. Hoe verschrikkelijk zal het voor je zijn, als je de zaligheid zou verspelen, waarvoor Christus… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hebreeën 2
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
In alles den broederen gelijk geworden — 2:5-18
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Angst voor de dood - Oudejaarspreek
De dood verslagen
Volmaakt door lijden
Marc. 5:6 - Hij liep, en Hij liep
Een vreselijke waarschuwing
Mensen uitverkoren, gevallen engelen verworpen
Zijn naam, sterke God
1 Sam. 30:20 - Davids buit
Anderen vertroosten
Macht over de dood
Een les
Weerstand bieden aan zonde
Overdenking
Het medelijden van Christus met Zijn volk
Waarheid
Verschrikkelijk!


Hebreeën 2
Hebreeën 2:1
KruisverwijzingenHebreeën 1:1→2 Petrus 3:1→Lukas 8:15→2 Petrus 1:15→2 Petrus 1:12→Spreuken 7:1→Deuteronomium 32:46→Spreuken 2:1→— Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien.
Het is goed acht te geven op wat u nu hoort, maar het is ook belangrijk acht te geven op wat u gehoord hebt. Hoeveel hebben wij niet gehoord, maar vergeten! Hoeveel hebben wij gehoord, dat wij ons nog herinneren, maar niet beoefenen! Laten wij daarom luisteren naar de woorden van de apostel hier: “wij moeten ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien.” Het is alsof het ons door de vingers glipt, en wegvloeit met de stroom van de tijd, om meegevoerd te worden naar de oceaan van vergetelheid.
Hebreeën 2:2-3
KruisverwijzingenHandelingen 7:53→Lukas 1:2→Galaten 3:19→Hebreeën 10:28→Deuteronomium 27:26→Hebreeën 10:35→Deuteronomium 17:12→Hebreeën 11:26→— Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft; Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben;
Zie, broeders, de straf voor het overtreden van het woord dat door engelen gesproken werd, was de dood. Wat moet dan de straf zijn voor het verwaarlozen van de grote zaligheid, gewrocht door de goddelijke Verlosser Zelf? Wie geen ernstig acht geeft op het Evangelie, behandelt de Heere Jezus Christus met minachting, en zal daarvoor rekenschap moeten afleggen wanneer de Koning op de rechterstoel zal zitten. Speel dus niet met die zaligheid, die Christus zoveel gekost heeft, en die Hij u met bloedende handen aanbiedt. En als u er tot nu toe mee gespeeld hebt en het hebt laten glippen, moge u dan nu tot een beter besef gebracht worden. U hoeft niet de moeite te nemen het te verachten, of te weerstaan, of ertegen op te komen; u kunt verloren gaan, gewoon door het te verwaarlozen. Inderdaad, het grootste deel van hen die verloren gaan, gaat verloren doordat zij de grote zaligheid verwaarlozen.
Hebreeën 2:3-4
KruisverwijzingenLukas 1:2→1 Korinthe 12:4→Hebreeën 5:9→Hebreeën 12:25→Hebreeën 1:2→Efeze 1:5→Efeze 4:8→Handelingen 4:12→— Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben; God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijn wil.
Dit Evangelie van ons draagt het zegel van God; Hij heeft Zijn merkteken erop gezet, om de echtheid en het gezag ervan te bevestigen. De wondergaven van de Heilige Geest waren het zegel dat het Evangelie geen menselijke uitvinding was, maar werkelijk de boodschap van God. Gaven van genezing, gaven van talen, gaven van allerlei wonderen, waren Gods plechtige verklaring aan de mens: “dit is het Evangelie; dit is Mijn Evangelie, dat Ik u zend; verwerp het daarom niet.”
Hebreeën 2:5
KruisverwijzingenHebreeën 6:5→Openbaring 11:15→2 Petrus 3:13→— Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken.
Wij hebben geen engelen als predikers; wij spreken wel eens van “de serafische leraar,” maar geen seraf is ooit een prediker van het Evangelie van Gods genade geweest; die eer is voorbehouden aan een lagere orde van wezens.
Hebreeën 2:6-8
KruisverwijzingenPsalmen 144:3→Psalmen 8:4→Job 7:17→Psalmen 8:5→Psalmen 8:6→1 Korinthe 15:27→Hebreeën 4:4→Job 25:6→— Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt! Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen; Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn;
God spreekt tot de mensen door mensen. Hij heeft hen gemaakt tot de uitverkoren werktuigen van Zijn wonderlijke werken van genade op aarde. O, wat een plechtige zaak is het, een prediker van het eeuwige Evangelie te zijn! Het is een ambt zo hoog, dat een engel het zou kunnen begeren, maar zo verantwoordelijk, dat zelfs een engel zou beven het op zich te nemen. Broeders, bid voor hen die prediken, niet slechts tot enkelen, maar tot velen van onze medemensen, opdat wij in Gods hand tot zegen mogen zijn voor onze hoorders.
Hebreeën 2:8-9
KruisverwijzingenFilippenzen 2:7→Handelingen 2:33→Johannes 3:16→Psalmen 8:6→1 Korinthe 15:27→Johannes 12:32→Johannes 8:52→Johannes 13:3→— Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn; Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou.
De mens heerst nu nog niet over de wereld. Wilde dieren trotseren hem. Stormen overwinnen hem. Er zijn duizend dingen die zich op dit ogenblik niet aan zijn heerschappij onderwerpen.
Hebreeën 2:9
KruisverwijzingenFilippenzen 2:7→Handelingen 2:33→Johannes 3:16→Johannes 12:32→Johannes 8:52→Romeinen 8:3→Mattheüs 16:28→Handelingen 3:13→— Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou.
Zo wordt de mens weer teruggebracht naar de plaats waar hij oorspronkelijk stond, wat deze heerschappij betreft.
Hebreeën 2:10
KruisverwijzingenLukas 24:26→Romeinen 11:36→Hebreeën 6:20→Handelingen 5:31→Lukas 24:46→Hebreeën 12:2→Hebreeën 7:28→Hebreeën 5:8→— Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.
Christus is het Hoofd over alle dingen. Is het dan niet wonderlijk, dat Hij niet volmaakt kon worden voor dit werk van regeren, of voor het werk van zaligmaken, dan alleen door lijden? Hij daalde neer om te overwinnen. Niet omdat er zonde in Hem was, maar opdat Hij een meelevende Heerser over Zijn volk zou zijn, moest Hij lijden ondergaan zoals dat van Zijn onderdanen. Opdat Hij een machtig Zaligmaker zou zijn, moest Hij Zelf met zwakheid omgeven zijn, opdat Hij “medelijden zou kunnen hebben met de onwetenden en dwalenden.” Broeders en zusters, verwacht u volmaakt te worden zonder lijden? Dat zal bij u nooit zo zijn. De weg van smart, en die weg alleen, leidt naar het land waar geen smart meer is. Wij zullen nooit geschikt zijn voor het hemelse Kanaän, tenzij wij eerst door de woestijn trekken. Er is in ons iets dat dit nodig maakt, en zo moet het dan ook zijn.
Hebreeën 2:11
KruisverwijzingenHebreeën 10:10→Johannes 20:17→Hebreeën 13:12→Mattheüs 25:40→Hebreeën 10:14→Mattheüs 28:10→Lukas 9:26→Handelingen 17:28→— Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen.
O, deze gezegende nederbuiging van Christus! Wij schamen ons vaak voor onszelf; helaas, wij zijn soms zo laag dat wij ons voor Hem schamen; maar Hij schaamt Zich nooit om ons broeders te noemen.
Hebreeën 2:12
KruisverwijzingenPsalmen 22:22→Psalmen 111:1→Psalmen 40:10→Psalmen 22:25→Johannes 18:20→— Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der Gemeente zal Ik U lofzingen.
Christus, het middelpunt van de hemelse reien, is ook het middelpunt van alle scharen van ware zangers die hier beneden nog zijn.
Hebreeën 2:13
KruisverwijzingenJesaja 8:17→Jesaja 12:2→Johannes 10:29→Psalmen 18:2→Psalmen 36:7→Genesis 48:9→Genesis 33:5→Mattheüs 27:43→— En wederom: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.
Dit is onze Heere Jezus Christus, Die Zijn vertrouwen op de Vader stelt, overwinnend door het geloof, evenals wij dat doen. O, wat een wonderlijke eenheid is er hier tussen Christus en Zijn volk! Terecht mag de apostel zeggen dat “Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, allen uit een zijn.”
Hebreeën 2:13-14
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 1:10→Johannes 1:14→Jesaja 8:17→Kolossenzen 2:15→Romeinen 8:3→Hosea 13:14→Jesaja 12:2→Jesaja 25:8→— En wederom: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft. Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;
Wij weten wat het is deelgenoten te zijn van vlees en bloed; wij zouden vaak willen dat het niet zo was. Het is het vlees dat ons neertrekt; het is het vlees dat ons duizend smarten brengt. Ik heb een bekeerde ziel, maar een onbekeerd lichaam. Christus heeft mijn ziel genezen, maar Hij heeft mijn lichaam grotendeels nog in gebondenheid gelaten, en daarom moet het nog lijden; maar de Heere zal ook dat verlossen. De verlossing van het lichaam is de aanneming tot kinderen, en die komt op de dag van de opstanding. Maar bedenk: Christus, Die deelgenoot was van de eeuwige Godheid, verwaardigde Zich deelgenoot te worden van vlees en bloed. De Godheid verbonden met stof; de Oneindige een zuigeling; de Eeuwige bereid om te sterven, en werkelijk stervend! O, wonderlijk geheimenis, deze vereniging van Godheid met mensheid in de Persoon van Christus Jezus onze Heere! Waarom werd Hij deelgenoot van vlees en bloed, en stierf Hij aan het kruis?
Hebreeën 2:14
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 1:10→Johannes 1:14→Kolossenzen 2:15→Romeinen 8:3→Hosea 13:14→Jesaja 25:8→1 Korinthe 15:50→Johannes 12:31→— Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;
Opdat Hij, door te sterven, Satans macht zou omverwerpen voor allen die op Hem vertrouwen.
Hebreeën 2:15-18
KruisverwijzingenRomeinen 8:15→Hebreeën 5:2→2 Timotheüs 1:7→1 Korinthe 15:50→Psalmen 55:4→Hebreeën 4:14→Job 33:21→2 Korinthe 1:10→— En verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren. Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan. Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.
Ere zij Zijn heilige Naam, tot in alle eeuwigheid! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
B. Vers 1-18KruisverwijzingenHebreeën 1:1→Lukas 24:26→Handelingen 7:53→Psalmen 144:3→Lukas 1:2→Psalmen 8:4→2 Petrus 3:1→Lukas 8:15→
— Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien. Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft; Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben; God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijn wil. Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken. Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt! Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen; Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn; Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou. Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.
De christenen te Jeruzalem meenden aan het oudtestamentisch godswoord trouw te moeten blijven, daar het hun van de hemelen was gegeven, zoals door de dienst van de engelen, die bij de openbaarmaking was gegeven, zo vast gewaarborgd was. Bij deze zaak grijpt de schrijver hen nu aan, nadat de verhevenheid van Christus boven de engelen hun uit de Schrift is aangewezen. Hij doet dit om hen te doen weten dat, als zij de afval van dat godswoord reeds als een strafbare zonde beschouwden, zij zich aan een nog zwaardere verantwoording zouden blootstellen, als zij aan de zaligheid, hun in het Nieuwe Testament aangeboden, de rug wilden toekeren. Deze toch was hun eerst door de Heere zelf gepredikt en door Zijn apostelen was zij vervolgens tot hen gekomen. Door tekenen en wonderen en velerlei krachten en gaven van de Geest had God de woorden van het apostolisch getuigenis bevestigd (vs. 1-4). Zij mogen nu echter niet daartegen aanvoeren: ja, als de zaligheid van het Nieuwe Verbond zoveel heerlijker moest zijn dan het woord van God in het Oude Testament, dan hadden veeleer bij de verkondiging daarvan hemelse woorden moeten worden gebruikt, maar niet een Mensenzoon, die beneden de engelen was vernederd en diens menselijke getuigen. Om deze tegenspraak, die hij volgens de hele gesteldheid van de harten van de leden met reden vreest, geheel te weerleggen of te voorkomen, leidt de schrijver hen tot het juist begrip van Gods raadsbesluit tot zaligheid van het menselijk geslacht, dat alleen ten uitvoer kon worden gebracht door de Mensenzoon, die beneden de engelen was vernederd en tenslotte zelfs aan de dood overgegeven (vs. 5-15). Vervolgens zegt hij hun nog in het bijzonder dat deze Zoon van de mensen juist voor hun volk, voor het zaad van Abraham, nog in bijzondere zin één van hun gelijken en een Hogepriester geworden is die hen volkomen helpen kan (vs. 16-18).
Daarom, omdat volgens de zojuist aangehaalde bewijsplaatsen uit de Schrift Christus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond, zo hoog verheven is boven de engelen, de middelaars van het Oude Verbond, moeten wij, die nu tot het Nieuwe Verbond behoren, nadat wij tevoren leden van het Oude geweest zijn, ons des te meer houden aan hetgeen door ons in deze dagen van het Nieuwe Testament (vs. 2) gehoord is. Daaraan moeten wij ons vasthouden en er ons niet van laten afkeren, opdat wij nooit afdrijven, als door een stroom voortgesleept worden, zoals zeker zou plaatshebben, indien wij het wilden loslaten.
Het begrip van het evangelie, dat Lukas graag omschrijft (alleen in Hand. 15: 7 en 20: 24 gebruikt hij het woord) wordt hier uitgedrukt door “hetgeen door ons gehoord is”, omdat het hier niet aankomt op de inhoud, maar op de vorm boven alle andere wijzen van openbaring. Het evangelie zou overgave eisen en verdienen, op welke wijze het ook was uitgedrukt en vernomen. De alles overtreffende wijze, waarop het openbaar is geworden, brengt de noodzaak mee die in de zaak ligt opgesloten en waarvan de inachtneming plicht is, dat wij des te meer onze aandacht erop moeten vestigen en ons hart erop moeten zetten.
Het “te meer” wijst een maat aan die onder andere omstandigheden, namelijk als Hij door wie God in deze laatste dagen tot ons heeft gesproken, niet was wat Hij is, niet zo groot zou zijn, een bijzondere grote mate van achtslaan op het gehoorde.
De wereld denkt dat zij in haar voortgang het godswoord ten onder zal brengen; maar nee, de gerechtigheid van God als bergen gegrondvest blijft staan, alles blijft volgens Zijn woord, alleen de arme mens gaat daaraan voorbij en al de daarin aangeboden zaligheid.
Want indien a) het woord, door de engelen gesproken, het woord van het Oude Testament in de wet van Mozes (“Ex 19: 25” en “De 32: 2, vast is geweest, het karakter van een onverbreekbare goddelijke instelling had en b) alle overtreding, elke handeling tegen dat woord en alle ongehoorzaamheid in het geen gevolg geven aan zijn voorschriften rechtvaardige vergelding, straf, in overeenstemming met de misdaad, ontvangen heeft,
Hand. 7: 53 Gal. 3: 19 b) Gen. 19: 17, 26 Deut. 27: 26
a) hoe zullen wij het oordeel van de verdoemenis (1 Thessalonicenzen. 5: 3) ontvluchten, indien wij op zo’n grote zaligheid, als die in het woord van het Nieuwe Testament, in het evangelie van Jezus Christus ons wordt aangeboden (2 Petrus 1: 13 Hand. 13: 26 geen acht slaan (hoofdstuk 10: 29) 12: 25)? En die zaligheid is groot, b) die, begonnen verkondigd te worden door de Heere (Hand. 10: 36v.) aan ons in rechtstreekse voortgang en dus met alle zekerheid en vastheid, en bevestigd is aan ons die Hem gehoord hebben, die uit Zijn eigen mond hebben vernomen wat de Heere heeft gepredikt (Luk. 1: 2).
Hebr. 12: 25 b) MATTHEUS. 4: 17 Mark. 1: 14
De geschiedkundig geopenbaarde wet wordt genoemd: “het woord door de engelen gesproken” zonder in tegenspraak te zijn met het getuigenis van het Oude Testament, dat God het heeft gesproken. Evengoed als men alle geschiedkundige openbaring van God van Zichzelf, waarvan de mens bewust werd, kende als een door de dienst van zijn geesten als middelen teweeggebracht, evengoed wist men ook dat Israël zijn Wet van God maar door engelen verkregen had. Zij kwam van God en niet uit menselijk willen en denken, maar zo dat God op de wijze waarop Hij tot de mensen kwam, verborgen en tegelijk openbaar was, omdat zij tot hem kwam door gebeurtenissen die tot het leven van de geschapen wereld behoorden.
Mozes heeft de wet niet gemaakt maar ontvangen, doch de stem die de tien woorden sprak, de vingers die ze schreef, konden niet rechtstreeks als van God worden voorgesteld, deze uiterlijke wijze van openbaring zijn door de medewerking van hogere schepselen teweeggebracht.
Op de Sinaï sprak wel de HEERE, maar Zijn rede was door bemiddeling van engelen hoorbaar geworden. Hij sprak dus slechts indirect, niet rechtstreeks, zoals in het Nieuwe Verbond want de mens Jezus is in Zijn persoon geen ander dan de eeuwige Zoon, doch de engelen, van wie de HEERE Zich bediende, waren in hun persoon anderen dan de HEERE zelf.
Met de waardigheid van de Middelaar van het Nieuwe Testament en met de grootheid van de door Hem in het evangelie aangeboden zaligheid staat in overeenstemming de zware verantwoordelijkheid van de hoorders van het evangelie en de zekerheid van het verloren gaan van hen, die het verachten.
Het kind is meer verschuldigd dan de knecht.
Aan wie veel gegeven is, van die zal ook veel geëist worden. In het Nieuwe Testament is het licht van de openbaring veel helderder en heerlijker dan het in het Oude Testament bij de belofte en de voorbeelden geweest is. Bedenkt gij, die in de laatste dagen leeft, welke verplichting dat op u legt!
Wij dingen niets af van de waarde van de wet, aan Israël gegeven. Zij was van God afkomstig en Hem waardig. Haar geboden waren wijs, heilig en goed en zij was volkomen berekend naar de behoeften van het volk. Maar ach, hoe veelvuldig waren haar inzettingen! Wat een brandoffers en zoenoffers en dankoffers, wat een wassingen en reinigingen werden door haar voorgeschreven! Zij legde een juk op de schouders dat, naar de verklaring van Petrus zelf, door niemand was te dragen. En hoe streng was zij! Zij sprak als tot dienstknechten. Zij eiste gehoorzaamheid, volkomen gehoorzaamheid aan haar geboden, en hoewel zij de kiem in zich bevatte van de mildere bedeling waaronder wij leven, hoewel zij God ook als genadig en barmhartig en groot van goedertierenheid deed kennen en voor sommige overtredingen offers vergunde, waardoor haar verzoening afgebeeld en verzekerd werd, zodat het beschuldigend geweten zonder het gevoel van schuld te verliezen echter gerustgesteld werd en die naar het grote offer heen wezen, dat eens gebracht zou worden voor de zonden van de wereld, toch predikte zij God meestal als de vlekkeloos Heilige en onkreukbaar Rechtvaardige en stelde Hem voor als een wreker van de ongerechtigheid van de mensen. Wie deinst niet terug als hij een berg ziet roken? Wie schrikt en beeft niet als hij zich de ontzettende tekenen voor de geest haalt, waaronder de wet van de HEERE werd afgekondigd? Wie de berg naderde, moest een gewisse dood sterven, ja zo vreselijk was het gezicht, dat de vertrouweling van de Heere, dat Mozes zelf beefde.
Stellen wij nu hier tegenover het evangelie, of de bedeling van het Nieuwe Verbond, waaronder wij leven, dan voelen wij dat onze schrijver met het hoogste recht spreekt van de zaligheid die aan ons is verkondigd; maar dan straalt ons tevens al de kracht van zijn gewichtige vraag in de ogen. God zij dank! Wij zijn niet gekomen tot de tastbare berg en het brandende vuur en de duisternis en het onweer en tot het geklank van de bazuin en de stem van de woorden, die zij die ze hoorden baden, dat het woord tot hen niet meer zou gesproken worden. Wij zijn gekomen tot de berg Sion en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem en de vele duizenden engelen en tot de Middelaar van het Nieuwe Testament Jezus en het bloed van de besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. Op Horebs top vertoonde Zich God in al Zijn grootheid en majesteit; maar op Golgotha zien wij Hem, ja ook in Zijn heiligheid, maar bovenal in Zijn weergaloze liefde. Van Horebs top ontzei Hij Israël de toegang tot Zich en niemand dan Mozes kon tot Hem naderen; maar op Golgotha nodigt de Vader van alle genade ons tot Zich, al zijn wij nog zo ver van Hem afgeweken. Van Horebs top eiste Hij de stipte volbrenging van Zijn bevelen, onder de vreselijkste bedreigingen; maar op Golgotha wordt ons genade en vergeving, volkomen vergeving van al onze zonden verkondigd en de ene eis die Hij doet aan ons is dat wij geloven, opdat wij, vervuld van Zijn liefde, tot dankbare wederliefde geroepen worden en niet als slaven, maar als kinderen, niet uit vrees, maar gewillig, ijverig zijn in alle goede werken. Maar is het ongehoorzame kind niet nog strafwaardiger, naarmate het meer blijken van de tedere liefde van de vader heeft ontvangen? Is een volk dat opstaat tegen de koning, die het met vaderlijke welwillendheid regeert, niet schuldiger dan wanneer het gebukt gaat onder een ijzeren scepter? Indien dan zij die het juk van de wet moesten dragen, niet zijn ontkomen, hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij op zo’n grote zaligheid geen acht slaan, als die aan ons is verkondigd? Hierbij komt dat het woord van de wet slechts door Engelen is gesproken, maar het evangelie door de Heere is verkondigd. Engelen en de Heere staan hier tegenover elkaar en hoe oneindig ver munt Hij boven hen uit: Herinneren wij ons slechts wat de schrijver in het vurige hoofdstuk van Hem en van de engelen getuigt! Maar indien zij nu niet zijn ontkomen die het woord, door engelen gesproken, veronachtzaamden, hoe zouden wij dan ontkomen, als wij geen acht namen op de zaligheid die door de Heere is verkondigd! Onze schuld zou dan nog veel groter zijn; want een groter gezant kon God niet zenden, dan Zijn eigen Zoon en meer liefde kon Hij ons niet bewijzen, dan Hem voor ons over te geven.
God getuigt bovendien mede door oorgetuigen van de tot ons gekomen zaligheid omtrent het betrouwbare van hetgeen daarin wordt verkondigd (Hand. 13: 26; 16: 17; 28: 28, door tekenen en wonderen en velerlei krachten (Rom. 15: 19 Mark. 16: 20 Hand. 4: 30; 5: 12vv.) en het toedelen van de Heilige Geest in allerlei gaven, die Hij verleende naar Zijn wil (1 Kor. 12: 8vv.). Waarom wij zoveel te minder zullen ontkomen, onstraffelijk zullen worden bevonden, als wij ons niet laten gezeggen door hetgeen wij horen, ligt deels in de inhoud daarvan, deels en in de eerste plaats in de wijze waarop het tot ons is gekomen.
In hoeverre het in de inhoud ligt, is eerst aangegeven door “zo’n grote zaligheid” en vervolgens in de bijzin nader uiteengezet “die, begonnen zijnde enz. ” De redding (zaligheid) zegt de schrijver en wat voor een redding die de inhoud uitmaakt van het nu uitgegane woord van God, is volgens de eerste bekendmaking door de Heere, gegeven aan hen die ze Hem hebben horen meedelen, op een wijze die alle onzekerheid uitsluit. Aan het feit dat de zaligheid, waarvan nu voor ons wordt gesproken, eerst door de Heere bekend is geworden, denkt hij nu als in een tussenzin, om er daarna de nadruk op te leggen dat en hoe het door degenen die het Hem hebben horen bekend maken, aan ons is doorgegeven. Ditmaal is het woord van God ons zo nabij gekomen: eerst door de Heere verkondigd, die op aarde gewandeld en als mens tot mensen gesproken heeft, is het vervolgens door degenen die Hem gehoord hebben, aan anderen openbaar gemaakt. Hoe geheel anders dan wanneer het door engelen bekend was gemaakt, zodat het voor degenen die het hoorden als een woord uit een vreemde wereld was! Aan de andere kant is “aan ons bevestigd” de zaligheid die de inhoud van het woord van God is, het is ons bekend geworden op een wijze die alle twijfel buitensluit en de waarheid waarborgt, doordat God getuigenis gaf aan de verkondiging van hen die het uit de mond van de Heere hadden vernomen, om te getuigen dat het waarheid was, door tekenen en wonderen en velerlei krachten en het toedelen van de Heilige Geest van de een of andere aard naar Zijn wil, maar altijd door hetgeen midden onder ons geschiedde. Zo op menselijke wijze nabij dus en toch zo op goddelijke wijze gewaarborgd is de bekendmaking van deze zaligheid tot ons gekomen, terwijl de overbrenging van de wet er een was die tegelijk boven het menselijke en beneden het goddelijke stond.
Zoals in vs. 3 staat “aan ons bevestigd is door degenen die Hem gehoord hebben” kon de apostel Paulus, die er anders zo’n grote nadruk op legt dat hij zijn evangelie niet minder rechtstreeks dan de Palestijnse apostelen van Jezus had, niet schrijven. Hij had, als hij zijn eigen apostolaat op de achtergrond had willen laten treden (Judas 1: 17v.) moeten schrijven “aan u” om niet in tegenspraak met zichzelf te komen. Zoals de woorden hier gelezen worden, zijn het woorden van een leerling van de apostelen aan een door apostelen gestichte gemeente.
Om goede redenen heeft God bij die wijze van verkondiging (vs. 3v.), niet weer zoals bij de openbaring van de wet van het Oude Testament (vs. 2), waaraan gij zo’n grote betekenis hecht, gebruik gemaakt van engelen als werktuigen. Want Hij heeft de toekomende wereld niet aan de engelen onderworpen, waarin een nieuwe orde van zaken heerst (hoofdstuk 1: 2), waarvan wij in het verband van onze uiteenzettingen (vs. 3 hoofdstuk 1: 12) spreken, zodat nu juist de engelen als de hoofdpersonen bij deze nieuwe vestiging als middelpersonen hadden moeten dienen.
In vs. 3v. had de schrijver, beginnend bij de Heere zelf de voortgang van de nieuwtestamentische prediking overzien. Daar zijn het mensen, Zijn discipelen, die terwijl God door wonderen en wonderbare gaven medegetuigt, de zaligheid verder verbreiden. Evenals het is uitgegaan van de Heere, die boven engelen verheven was, die God en mens in één persoon is, zo is het uit Zijn mond door mensen, die met bovennatuurlijke gaven waren toegerust, tot de gemeente van deze tijd gekomen. “Want, ” zo gaat de schrijver nu voort, “Hij heeft de toekomende wereld niet aan de engelen onderworpen. ” Wat hier de tegenstelling is, is duidelijk “maar aan de mensen” en wel om die Ene die als Heer aan het hoofd van de zaligheid staat. Hier is echter bedoeld de nieuwe verloste wereld in onderscheiding van de oude geschapen wereld, die ten gevolge van de zonde een prooi van vergankelijkheid, van dood geworden is. Deze nieuwe wereld heet “de toekomende, ” ook van nieuwtestamentisch standpunt; want hoewel de krachten van de toekomende wereld (hoofdstuk 6: 5), waartoe de eerder genoemde wonderen en wondergaven behoren, die de getuigenis van de apostelen bekrachtigden, reeds tot de tegenwoordige tijd behoren, is toch voor ons de stad van de toekomst (hoofdstuk 13: 14) nog een zaak van verlangen en hoewel vanaf de openbaring van Christus de oude wereld volgens het recht van haar bestaan afgedaan en afgelopen is, bestaat zij toch nog als de uiterlijke schaal van de in haar verborgen, nieuwe wereld, die niet zal komen voordat alles heel zal geworden zijn, voor de nieuwe wereld en de nieuwe aarde (2 Petrus 3: 13) zullen zijn geschapen. Deze nieuwe, heerlijke, verloste wereld noemt de schrijver met de woorden “waarvan wij spreken. ” Hij spreekt dus van zichzelf in het meervoud, evenals in hoofdstuk 5: 11; 6: 9, 11; 13: 18 terugziend op het vorige hoofdstuk en vooruitziende op hetgeen hij verder wil zeggen, als het hoofdonderwerp van zijn brief.
Om te begrijpen wat hem tot dit woord leidt, moeten wij eraan denken dat onze brief geschreven is aan christenen, die zich juist door het feit dat zij in de eerste plaats aan het door de engelen en dus vast geworden woord gehoorzaam wilden zijn, lieten verleiden tot geringschatting van de nieuwtestamentische zaligheid (vs. 2v.). Nu moest hij de lezers er opmerkzaam op maken dat de geringschatting van Christus en van de door Hem en Zijn apostelen verkondigde zaligheid, ook als die met het acht geven op het door de engelen gesproken woord door terugkering tot het Jodendom wordt verbonden, niet ongestraft kon blijven. Immers was volgens het uitgesproken welbehagen van God de toekomende wereld niet aan de engelen maar aan Christus (of nauwkeuriger aan de door Christus geheiligde mens (vs. 11) onderworpen, zodat de christenen Christus als hun Heere moesten eren en aan Hem en het woord van Zijn apostelen moesten gehoor geven. De schrijver spreekt toch het tweede, positieve deel van de gedachte, die hij met de woorden: “Hij heeft de toekomende wereld niet aan de engelen onderworpen” heeft voorgesteld, niet met zijn eigen woorden uit, maar wijst in vs. 7 in plaats daarvan op een woord van de profetie.
Niet aan de engelen heeft Hij de toekomende wereld onderworpen, maar iemand heeft ergens (en gij zult wel weten welke tekst ik bedoel, namelijk Ps. 8: 5-7, zoals u ook niet onbekend kan zijn wie de schrijver van deze Psalm is) verklaard met het oog op Hem aan wie die toekomende wereld onderworpen is: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, tot zo’n verlossing juist Hem verkiest? Of, om Hem van wie hier gesproken wordt ook in het bijzonder aan te wijzen, de mensenzoon, dat Gij hem bezoekt met het doel om hem zozeer te verheerlijken?
Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, opdat iets groots van hem zou worden en Gij hebt hem gesteld over de werken van Uw handen:
Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin dat Hij Hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten dat Hem niet onderworpen zij. Doch nu zien wij nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn;
Maar wij zien Jezus, die Zichzelf zo dikwijls Zoon van de mensen heeft genoemd (“Uit 16: 16, a) met heerlijkheid en eer gekroond, die zoals die onmiddellijk ervoor staande uitdrukking zegt, een weinig minder dan de engelen geworden was, doordat Hij Zichzelf zo diep onder hen vernederd heeft (Fil. 2: 6vv.). En die verhoging is geschied vanwege het lijden tot in de dood (Fil. 2: 8v.), dat Hem was opgelegd, opdat Hij door de genade van God (Rom. 5: 8 Gal. 2: 21) voor allen, voor elk van de in vs. 15 genoemden, de dood smaken zou (2 Kor. 5: 14; 1 Joh. 2: 2 Joh. 8: 52).
Hand. 2: 33
Want (om dit “door de genade van God” nader op te helderen) het betaamde Hem, om wie alle dingen zijn en door wie alle dingen zijn, namelijk God (Rom. 11: 36; 1 Kor. 8: 6, dat Hij door hetgeen Hij naar Zijn raad wilde doen en ook werkelijk gedaan heeft, om vele kinderen tot de heerlijkheid te leiden, de overste Leidsman van hun zaligheid in Zijn eigenschap als Overste en Heiland (hoofdstuk 12: 2 Hand. 5: 31) door lijden innerlijk en uiterlijk zou heiligen (hoofdstuk 5: 8v.).
De mens staat daar te midden van Gods schepping als een onttroond Koning met aanspraak op het rijk en met de belofte het eenmaal weer te zullen ontvangen. Wat nu op de mens in het algemeen betrekking heeft, maar ten opzichte van hem nog niet vervuld is, dat vindt nu reeds zijn toepassing op Jezus, de stamvader van het verloste mensengeslacht, die juist daarom “de Mensenzoon” heet (vs. 6 MATTHEUS. 8: 20). Hij is een korte tijd onder de engelen vernederd geweest, van wie Hij de Schepper en Heer was. Maar met des te grotere eer en heerlijkheid is hij daarna gekroond. Zijn vernedering tot onder de engelen had plaats, opdat Hij de dood zou ondergaan, opdat Hij, in volkomen gehoorzaamheid jegens God tot aan het einde trouw, zich aan God voor de mensen zou kunnen opofferen. En daarom kreeg Hij de oorspronkelijk voor mensen bestemde heerlijkheid, die Hij tevens verhoogde. En dit alles geschiedde door Gods genadige beschikking, opdat door Zijn dood allen verlost en met Hem verhoogd mochten worden. Verre vandaar dus dat er in Jezus’ sterven een reden tot aanstoot en ergernis zou zijn gelegen, strekte het veeleer in de hoogste mate tot verheerlijking van God. Want God wilde de heerlijkheid van Zijn Zoon aan het hele menselijk geslacht meedelen, wilde grote scharen verheffen tot dezelfde heerlijkheid, waartoe Jezus door Zijn bloedig lijden en sterven geklommen was. Daarom is niet bij toeval de Zoon van God na bitter lijden gestorven. Het sterven had plaats volgens het raadsbesluit van Hem, die alle dingen geschapen heeft en die ze geschapen en ook weer hersteld heeft voor Zich en tot Zijn eeuwige heerlijkheid heeft geleid; in Hem heeft de lange reeks van Zijn gelovige volgelingen reeds overwonnen en de heerlijkheid verworven (vgl. hoofdstuk 10: 14 Rom. 8: 30). Daarom heet hij de Leidsman van hun zaligheid, hun heil, de wegbaner, die de baan gebroken heeft en door Zijn overwinning de overwinning voor de Zijnen mogelijk heeft gemaakt.
Overste Leidsman ter zaligheid wordt Jezus genoemd als degene die het heil of de zaligheid voor het hele menselijk geslacht verworven heeft en van wie die nu op hen uitgaat, als bewerker en bezitter van de zaligheid; aan het hoofd van de mensheid geplaatst, gaat Hij voor hen uit en leidt Hij ze tot hetzelfde doel. God nu heeft, zo zegt de schrijver, deze, die een voorganger van de zaligheid zou zijn en wilde zijn, door lijden gebracht tot het doel, waar Hij aangekomen, volkomen is, wat Hij als bewerker van de zaligheid zijn moet en zijn wil. Hem zo door lijden volkomen te maken, te heiligen, dat werd geëist door Zijn verhouding tot de heilbehoevende mensheid aan de ene kant en tot Hem, die met de verworven zaligheid aan haar hoofd zou staan, aan de andere kant. Het was een werk van vrije genade, waarin God dus noch door een buiten Hemzelf liggende noodzaak, noch door een buiten Hemzelf gelegen toeval bepaald werd, maar waarin Hij Zichzelf bepaalde overeenkomstig Zijn eigen wezen. De schrijver slaat daarmee alles terneer wat tot een zich ergeren aan het kruis van Christus zou kunnen aanleiding geven. Wat in het werk van onze zaligheid voor God betamelijk was, daarover heeft niemand een oordeel dan Hij alleen, die het einde en het begin van alles is.
Intussen is de heiliging van de Heiland door lijden toch ook geen vraag voor ons, die volstrekt zonder antwoord blijft. En het antwoord waarom er geen andere voor God aanvaardbare weg was dan deze, ligt aangeduid in de woorden: “vele kinderen tot de heerlijkheid leidend. ” Om de mensen in gemeenschap van de heerlijkheid met de Zoon te plaatsen, moest Hij deze brengen in gemeenschap van het lijden met de mens, opdat daaruit zaligheid en heerlijkheid als een gemeenschappelijk goed te voorschijn zou treden. Om de mensheid uit de diepte van het lijden, waarin zij zo ver is van haar bestemming, tot de hoogte van haar bestemming te verheffen, moest Hij Zijn Zoon door deze diepte van het lijden heen tot heerlijkheid omhoog leiden, zodat Hij nu door Hem, de door menselijk lijden geheiligde, de mensen tot heerlijke kinderen van God kan maken.
De christelijke gemeente te Jeruzalem was toen tot het ogenblik van beslissing gekomen; het was de vraag of zij in staat was om Christus’ wil het hoogste over te geven wat van een Hebreeër kon worden geëist, elk en ieder verband met de heilige tempel en zijn godsdienst, alle verband met het volk van Israël. Israël naar het vlees maakte zich juist toen gereed om het Messiasrijk op de weg van het vlees te voorschijn te roepen en met geweld de heerschappij van Rome af te werpen. Gloeiende voorspellingen van valse profeten en zeloten omtrent de nabij zijnde verheerlijking van het uitverkoren volk rakelden het vuur op. Daarentegen hadden de christenen, zoals de vervolging van Nero bewees, die spoedig daarna uitbrak, overal in het Romeinse rijk het zwaarste te vrezen, terwijl hun hoop op de spoedige volmaking van hun heil en de zegevierende aankomst van hun hemelse Heer niet vervuld werd. Wat de Doper eens de vraag aan Christus in de mond legde: “Zijt Gij degene die komen zou of verwachten wij een andere? ” dat deed velen in de gemeente die vraag nogmaals opwerpen. Ook zij, de gemeente te Jeruzalem, was als door een gevangenis omsloten door het volk, dat om een vleselijk Messiasrijk worstelde en wat anders hadden zij tegenover de zichtbare heerlijkheid, die aan het volk door de valse profeten beloofd werd, te stellen dan onzichtbare goederen? Als Paulus zegt dat voor de Joden Christus, de Gekruisigde, een ergernis was (1 Kor. 1: 23), dan bestond nu het grootste gevaar dat dit ook bij een aanzienlijk deel van de christelijke gemeente waarheid zou worden.
Bij alle verschil over de fijnere trekken in dit compacte en gedachtenrijk vers, komen toch bijna alle schriftuitleggers daarin met onze kanttekenaren overeen dat hier onder dit woord “heiligen” verstaan wordt dat de vader geëist heeft dat Christus door Zijn gehoorzaamheid tot de dood aan het kruis toe in zijn heerlijkheid zou ingaan. De samenhang met wat voorafgaat en volgt, wijst hierop. De term waardoor “heiligen” in de grondtaal staat uitgedrukt, wijst hier duidelijk op, want letterlijk betekent ze: “voleinden. ” En wat alle andere interpretaties uitsluit, men voelt reeds bij oppervlakkige lezing dat het “heiligen door lijden” niet kan opgevat worden in de gangbare zin, waar niet de zondaar, maar de hogepriester van zondaren, Hij, die “onschuldig, heilig, onbevlekt, afgescheiden van de zondaren” is, als voorwerp van de heiliging wordt voorgesteld. Ondervragen we de kundige en gelovige leek, die zuiver de mening van de gemeente weergeeft, welke zin in de strijd van het leven, bij smart en rouw, bij ontnuchtering en teleurstelling, bij verwonding van het hart en foltering van de ziel, kortom bij heel de brede reeks van kruistekenen, die het lijden ons in lijf en ziel drukt, aan het “door lijden geheiligd” pleegt gehecht te worden, dan kunnen we het zwevende begrip van deze uitdrukking veilig tussen drie lijnen begrenzen: losmaking van de wereld, breking met boezemzonde, leerschool van berusting en geduld. Het lijden, zo oordeelt men, rooft van de schijnheerlijkheid van de wereld haar ons betoverende glans. Als oordeel van God door onze gewetens gaand, brandt het op de bodem van onze zielen het onkruid van het vlees weg. Uiteindelijk, door ons onder druk te zetten in de nood, door onze machteloosheid in vaste gestalte voor de blik van onze geest te tonen en door weg te nemen elke staf en steun waarop we tot dusver leunden, leert het ons tegenstand te laten varen en neigt het ons tot de wil en raad van onze God. Tegen deze zienswijze nu komen we op, deels omdat ze ons onwaar, deels omdat ze ons te geesteloos en oppervlakkig lijkt. Onwaar, want losmaking van de wereld mist elke zedelijke geloofswaarde, als door de smart haar aantrekkelijkheid voor mij wegviel. Niet bij de grijsaard, voor wie de wereld haar magnetische kracht verloor, maar voor de jongeling, die ze trekt met duizenden koorden, kan breking met die wereld een daad van het geloof zijn. Maar evenzeer geesteloos en oppervlakkig, want het oordeel van het geweten moet tot de wortel doordringen of schiet in uitroeiing van het onkruid tekort; en wat men meestal de door lijden gewerkte zachtheid van zielsstemming, het stille duldend en onderwerpend berusten noemt, is voor verreweg het grootste deel zelfbedrog en gaat als zodanig om buiten het christelijk geloof. Zie voor die zelfmisleiding het droef bewijs in het opgloeien van het vuur van drift in zelfzucht, zodra de lijder in zijn kleine wereld gedwarsboomd wordt en, zichzelf vergetend, uit zijn Jobs rol valt; en oordeel over het christelijk karakter van het duldend berusten, als men buiten het christelijke erf, aan de oevers van de Ganges, een lijdzaam dragen bespeurt dat zeer ver deze hoog geroemde “overgave aan hoger wil” overtreft. De eer van God is niet dat Hij oordelend triomfeert over iemand wiens moed en veerkracht en wilsvolheid en persoonlijk bewustzijn door de afmatting van het lijden uitgeput en ontzenuwd werd, maar integendeel, dat Hij door zijn oordelen juist die moed verhoogt, die veerkracht verdubbelt, die wilsvolheid opwekt en dat persoonlijk bewustzijn spieren geeft, door de lijder langs de weg van nood en dood in te leiden in Zijn goddelijke rijkdom. Een ingaan door lijden tot heerlijkheid moet dat “heiligen” dus voor de Christus zowel als de voor de christen zijn, zoals niet Buddha of Mohammed, maar de Christus van de schriften ons ten Leidsman ook op de lijdensweg zal zijn. Een dubbele omstandigheid noopt ons daarbij gezag toe te kennen aan het elfde en twaalfde hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën eerste wordt ons in dat schriftdeel uitdrukkelijk verklaard hoe we de uitdrukking “overste Leidsman” moeten verstaan; en bovendien, er is geen hoofdstuk in de Schrift, waarin de bedoeling van Gods kastijdingen zo met opzet en met zo’n uitvoerigheid behandeld wordt. Vatten we nu deze beide hoofdstukken in haar innerlijke eenheid samen, vragen we wat het verloop en de samenhang van beiden is en wat de Schrift in deze prachtige openbaring wil zeggen, dan moet natuurlijk achtereenvolgens op de “wolk van getuigen, ” op de “overste Leidsman” en op de “zonen” gelet worden. Eerst treedt de wolk van getuigen voor ons op, als dragers van Gods openbaring en wordt van hen gezegd “dat zij de belofte niet verkregen hebben, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden. ” Dan worden we op de Zoon van God gewezen, die, inhoud en volheid van deze belofte, ze in de weg van smart en dood vervuld heeft. En daarna pas worden de gelovigen zelf als zonen toegesproken, die door Gods oordeel en gerichten tot beërving van die belofte worden geleid. Die “belofte van God” is dus de hoofdgedachte, die elk van de drie delen bezielt. Het is God almachtig die in de drang van Zijn ontfermende genade brengen wil wat Hij beloofd heeft, namelijk Zijn leven in de dood van de zondaars. De verwerkelijking van die genade doorloopt nu drie stadiën. Om die belofte waarheid te maken, moet zij eerst geopenbaard, dan vervuld, daarna toegeëigend worden. Geopenbaard is zij door de wolk van getuigen, vervuld in de overste Leidsman, toegeëigend in hen, tot wie de Schrift als tot zonen spreekt en dat wel in elk van die stadiën door een weg van bedruktheid, van vervolging en leed. Zal de Heere Zijn belofte openbaren kunnen aan de mannen van God in het Oude Verbond, dan moeten zij eerst door Hem vatbaar worden gemaakt om in te gaan in de zielstoestand, die de aanneming van deze belofte eist. Zij moeten daartoe “dolen in de woestijn en op de bergen en in de holen en spelonken van de aarde. ” Zij moeten daartoe al wat hun lief is, prijsgeven, van de vreugde, die hun voorgesteld was, afzien, door storm op storm omringd, door nood op nood vervolgd en bedreigd worden, en uiteindelijk tot in de hoek zonder uitweg gedrongen worden, om door de ervaring van Gods trouw als enig levenssap van hun ziel, bereid te worden voor de oneindig rijke belofte, waarmee God bij Zichzelf heeft voorgenomen het leven in te brengen in onze dood. De Heere brengt dan over hen een beperkte nood van het aardse leven. Die nood verdiept Hij in hun zielsleven tot een besef van de peilloze eeuwige nood. En waar nu die druk van de nood zich in een roepen om genade oplost, daalt het licht van de Geest van de Hoge neer, kiest God hun fel bewogen hart tot instrument van Zijn Heilige Geest en trekt Hij hen op in een helderheid van alles omvattende beschouwing, die hen de schittering van Gods heilige belofte zichtbaar maakt en woorden op hun lippen legt die zeer ver uitgaan boven alles wat eigen inzicht hen kan doen verstaan. Wij hoeven slechts aan de eerste van de Patriarchen, aan Samuëls moeder en aan de koninklijke psalmist te herinneren, om elk kennen van de Schrift te overtuigen hoe de verdieping van hun eigen smart steeds hand aan hand gaat met de volle openbaring die hun wordt toevertrouwd. Geldt het dus allereerst van de “wolk van getuigen” dat zij door lijden geheiligd is, dan kan, dan mag dit niet in andere zin verstaan worden, dan dat zij door lijden in die diepten van de nood zijn geworpen, waarin voor de ziel pas de vatbaarheid geboren wordt om de heerlijke belofte van Gods genade te verstaan. Is langs die weg de belofte geopenbaard en voorbereid, langs geen andere weg is zij in Christus vervult. Hij “de overste Leidsman en Voleinder van het geloof heeft voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis gedragen en de schande veracht en is nu, als gevolg daarvan, gezeten aan de rechterhand van God. ” Natuurlijk, van de Zoon van God als het eeuwige Woord is hier geen sprake. In die zin had het woord “geloof” recht noch reden. Voor de Zoon van God is de “heerlijkheid” geen toekomstige schat, waartoe Hij ingaat, maar eeuwig bezit. Voor de hogepriester geldt dus het Schriftwoord, waarop wij wezen; voor Hem, die mens werd en inging in ons vlees en bloed; voor Hem, die, hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft. En dan was er in Christus niet slechts geloof, maar kan er geen geloof in ons zijn, tenzij het aan het Zijne ontleend is. Dan is Hij niet als bezitter van het eeuwige tot ons gekomen, maar heeft Hij dat eeuwige omwille van ons afgelegd, om het nu ons ten goede te verwerven langs die weg, waarop het door ons moet worden gezocht. Zoals wij het zouden moeten grijpen, zo heeft Hij het voor ons gegrepen. Op de plek waar wij stonden met ons leeg hart, ging Hij staan in onze plaats, om het van daaruit voor ons te verwerven. En wat is nu die weg, waarlangs de christen uitgaat om de volheid van de Godsbelofte, d. i. de eeuwige heerlijkheid te grijpen? Immers geen andere dan die reeds in de wolk van de getuigen was afgeschaduwd, de weg van lijden en nood. Hij brengt verlossing, Hij is de Verlossing zelf, maar om het te kunnen zijn, moet Hij zelf eerst ervaren wat het is uit de nood tot Hem te roepen die alleen verlossen kan. Hij brengt opstanding, Hij is de opstanding zelf; maar opnieuw, om het te kunnen zijn, moet Hij Zichzelf eerst in de dood werpen om de kracht van het eeuwige leven te grijpen, die in het allesdoordringend en aangrijpend en alle macht verre te bovengaand feit van verrijzen en opstanding ligt. Is het zó nu bij de wolk van getuigen, zó bij de overste Leidsman, dan spreekt het vanzelf, dat het “door lijden geheiligd” ook bij de “zonen” geen andere betekenis kan hebben en pas werkelijkheid wordt, als het hen op de verse weg van het leven met die beiden vereent.
Die beiden, de overste Leidsman tot de zaligheid, zoals ik Jezus hier noemde en de kinderen, die tot heerlijkheid moesten geleid worden, horen bij elkaar. Want Hij die heiligt, namelijk Christus (hoofdstuk 9: 13v. Joh. 17: 19) en zij die door Hem (hoofdstuk 10: 10, 14; 13: 12) geheiligd worden, a) zijn allen uit één, namelijk uit God, de Vader (Joh. 20: 17). Daarom, vanwege hun afkomst van één en dezelfde God en Vader, schaamt Hij die heiligt Zich niet hen broeders te noemen (Joh. 20: 17 MATTHEUS. 12: 49; 28: 16), hoewel Hij naar Zijn eigenlijk wezen of Zijn goddelijke natuur (hoofdstuk 1: 2v.) zo oneindig ver verheven is boven degenen die geheiligd worden.
Hand. 17: 26
Niettegenstaande de eenheid en overeenkomst van natuur, die er is tussen Christus en ons, is er echter ten aanzien van de personen een onbegrijpelijk onderscheid tussen hen en ons, zodat het een wonderbare vernedering in Hem is ons broeders te noemen; en hoewel Hij ons broeders noemt, past het ons echter hem Heere te noemen; en Hem als zodanig te aanbidden, te verheerlijken, te eren, te dienen en te gehoorzamen.
En Hij zegt in Ps. 22: 23 : a) Ik zal, o God, Uw naam aan Mijn broeders verkondigen; in het midden van de gemeente zal Ik U lofzingen.
Ps. 18: 3
En opnieuw zegt Hij in Jes. 8: 17, volgens de Griekse vertaling: Ik zal Mijn vertrouwen op Hem, op God, stellen, Mij daarmee aan de andere leden van de gemeente, die dat moeten doen, als Mijn broeders volkomen gelijkstellend. En nogmaals in de dadelijk daarachter staande uitspraak (Jes. 8: 18): “Ziehier Ik en de kinderen, die God Mij, Mijn Vader en hun Vader, gegeven heeft (Joh. 6: 39; 17: 6), opdat Ik hen als broeders zou liefhebben en uit hen een zalige gemeente voor de toekomst zou vormen.
In de uitdrukking “en Hij die heiligt en zij die geheiligd worden” in vs. 11 betekent het “heiligen” hier niet de heiliging in bijzondere zin, zoals dit als een gevolg van het geloof in de verzoening en als zodanig van de rechtvaardiging hierdoor is. Evenmin is het echter de rechtvaardiging als zodanig, maar de uitdrukking geeft hier te kennen de gehele omkering van de verhouding tot God, die bij de leden van het nieuwe verbond ontstaat, in tegenstelling tot de verhouding van de natuurlijke mens tot God.
Door de tegenstelling “die heiligt” en “die geheiligd worden” is de verhouding tussen Jezus en ons in de grond aangewezen, daar alles wat van Hem en ons in tegenstelling gezegd kan worden, erop uitkomt dat wij behoren tot de wereld zoals die is, de van God vervreemde wereld, waaraan Hij ons ontrukt, om ons te verplaatsen in dat goddelijk wezen, dat tegenover de wereld algenoegzaam in Zichzelf is; want het eigenlijke begrip van heilig is dat van afgezonderd zijn.
Bij de woorden “zijn allen uit één” moet niet aan God als Schepper, maar aan de geestelijke verhouding tot Hem als Vader worden gedacht. Daarin staan wij doordat Christus, als degene die heiligt, ons uit de staat van de verdrukking van het van God vervreemde leven in het verband van een eigen zijn aan God als het volkomen reine en volmaakte Wezen heeft geplaatst en als hen die geheiligd worden daarin ook bewaart. Evenals nu wij “uit God” zijn (Joh. 8: 47; 1 Joh. 4: 6 kan dezelfde uitdrukking ook van Jezus worden gebruikt, omdat hier sprake is van de geschiedkundige verhouding van de Heiland tot God.
Om aan te tonen dat Hij die heiligt, Zichzelf beschouwt als broeder van degenen die geheiligd worden, Zich zo voelt en dat uitspreekt, had de schrijver zich kunnen beroepen op uitspraken van de Verschenene, zoals die in de Evangeliën worden gevonden. Hij voegt echter, omdat hij ook daarin de vervulling van het Oude Testament en van het geopenbaarde goddelijk raadsbesluit wil aanwijzen, woorden van het Oude Testament bij elkaar, die hij opvat als uitspraken van het toekomstige.
De eerste van die uitspraken heeft betrekking op de tijd vóór de menswording en drukt de gewilligheid en de bedoeling van de Heere uit om door middel van de menswording het raadsbesluit van God tot zaligheid aan de mensen te verkondigen en voor hen te volvoeren. In de tweede is dan te kennen gegeven hoe de mens geworden Zoon van God tot het standpunt van de mens is afgedaald; in de derde hoe de verloste mensen door Christus tot Zijn standpunt verheven zijn.
en door verdelging van de zonde, die de prikkel van de dood is (1 Kor. 15: 56), al degenen verlossen zou, die in hun vroegere toestand (Rom. 5: 12) gedurende hun hele leven door angst voor de dood aan de dienstbaarheid onderworpen waren, gedoemd waren tot slavernij, in plaats van de kinderen te worden die zij moesten zijn (Luk. 1: 74v. Rom. 8: 15vv.).
De kinderen, die volgens de slotwoorden van vs. 13 God, de Heere, aan de Heiland heeft gegeven, worden zo niet genoemd ten opzichte van de menselijke natuur, die zij uit de moederschoot hebben meegebracht, maar ten gevolge van het leven dat uit God is geboren en hun door Hem, de Heiland indirect is toegedeeld. Het zijn geestelijke kinderen, die met Hem als zodanig eenheid van gelijke goddelijke oorsprong bezitten. Maar zij dragen hun geestelijk leven in het aarden vat van de menselijke natuur. Deze gedachte is het, waaruit de schrijver verder het gevolg trekt dat Jezus, om de Heiland van heilbehoevenden, de Heiligende voor mensen te worden, niet slechts in zo’n geestelijke gemeenschap van een uit God geworden leven, maar ook in de natuurlijke gemeenschap van een gelijk lichamelijk leven tot hen moest komen. Met het woord “opdat” laat hij de mededeling van het dubbele doel volgen, dat niet zonder zo’n menswording kon worden bereikt en dat de Heiland wilde bereiken, toen Hij onze gelijke werd. Hij moest en wilde als medelid van ons geslacht door middel van de dood aan de dood, die grootste tegenspraak tegen de grootheid van de mensen, in Ps. 8 toegekend, zijn macht over ons ontnemen, doordat hij 1) de oorzaak van de dood, de macht van de vorst van de dood en 2) de werking van de dood, de vrees voor de dood, wegnam. De hoofdreden van de verlossende dood van Christus was dus de ontworsteling van de macht van de dood, die zich in de duivel concentreerde: “opdat Hij door de dood teniet zou doen degene die het geweld van de dood had, dat is de duivel”. De duivel wordt hier zo genoemd, omdat zijn heerschappij de oorzaak is die achter alle sterven ligt. Hij heeft de macht van de dood niet rechtstreeks, maar indirect door de zonde, die door hem op de mensheid is overgebracht en daar wordt onderhouden en waardoor Hij de mensen overlevert aan het oordeel van God, dat de dood ten gevolge heeft. Wat nu de Heiland door Zijn eigen ingaan in de dood heeft teweeggebracht, dat is het macht ontnemen aan de vorst van de dood, een overwinning die in haar volle betekenis pas openbaar wordt aan het slot van de geschiedenis van de zaligheid. Het eerste gevolg is dat de dood zelf, hoewel nog niet vernietigd, voortaan onder de grote macht van de Overwinnaar van de dood staat, waarmee dan bij allen, die daarvan deelgenoten willen worden, ook het tweede doel wordt bereikt; de staat van dienstbaarheid wordt namelijk weggenomen, waaraan men ten prooi wordt als men de dood moet vrezen en wel in het gehele leven moet vrezen, zodat het leven in zijn verloop de angst voor de dood tot een onafscheidbare geleider heeft en daarom een leven zonder kracht en zonder ware vreugde moet zijn.
Met wat een grote angst men meermalen onder de wet de dood heeft beschouwd, is uit vele getuigenissen van het Oude Testament af te leiden Job 7: 9. Intussen deed het woord van de belofte hun zeker zoveel dienst als een licht schijnend in een duistere plaats (2 Petrus 1: 19): toch was de toestand vooral een dienstbaarheid uit angst voor de dood. Dat diende aan de ene kant om de mensen tot het geloof in het evangelie voor te bereiden en aan de zonde enige afbreuk te doen; maar aan de andere kant was het toch gebrekkig en was er verlossing nodig.
Daarom nam Christus de sterfelijke menselijke natuur aan, opdat Hij sterven zou, opdat Zijn dood hem, die de macht over de dood had, de macht ontnemen mocht en hen die onderworpen waren aan de angst voor de dood, bevrijden zou uit hun staat van slavernij. De duivel wordt hier genoemd “die de macht over de dood heeft, ” want door de verlokking van de duivel is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood. Dit woord heeft daarom dezelfde betekenis als Joh. 8: 44 “de moordenaar vanaf het begin. ” “Dood” staat hier eveneens in zijn volle diepe bijbelse betekenis, die niet alleen het lichamelijk sterven aanduidt, maar ook het verderf van lichaam en ziel door de zonde (vgl. Rom. 1: 32; 5: 12). De duivel is dus de oorzaak van het lichamelijk en geestelijk, van het tijdelijk en eeuwig verderf voor de mensen. In hem heeft het in het oneindige gesplitste rijk van het kwaad eenheid, samenhang en leiding. Door zijn verlokking voert hij de mensen ten verderve. Ten gevolge van deze verlokking van de duivel verkeren alle mensen hun leven lang in angst voor de dood, in angst voor de verdoemenis, die hen eenmaal, vroeger of later, uiterlijk en innerlijk met de vreselijkste gevolgen bereikt. Daarmee is niet gezegd dat alle mensen deze angst werkelijk in haar volle omvang voelen, maar zij moeten haar noodzakelijk voelen, wanneer zij hun geweten niet bedwelmen door valse voorstellingen van God, door de lust van het vlees en van de wereld en haar voortdurende verstrooiingen. Maar juist daaruit blijkt dat zij voortdurend in slavernij leven. “Wie er behagen in schept slechts de ijdelheid en nietigheid van het vermaak van de mensen aan te tonen, die kent weliswaar een deel van hun ellende, want het is een grote ellende in zo nietige en verachtelijke dingen vermaak te vinden, maar hij kent de grond niet van deze ellende, tot zolang zij niet van hun natuurlijke ellende genezen zijn, waardoor zij de aanblik van zichzelf niet kunnen verdragen. Dat is de reden waarom de mensen het gedruis en de verstrooiing van de wereld zozeer liefhebben, waarom de gevangenis een zo geduchte straf is en er zo weinigen zijn die de eenzaamheid kunnen verdragen. ” Uit angst voor tijdelijk en eeuwig verderf staan de mensen dus als slaven in de dienst van hem, die de macht over de dood heeft. Hem heeft Christus door de dood de macht ontnomen. Door Zijn zoendood heeft Hij, de onschuldige, de straf van de schuldigen gedragen en hen daarmee uit de handen van de duivel gered, aan wie zij als zondaars toebehoorden, d. i. als mensen die aan het gericht van God overgeleverd en door God uitgestoten waren. Dat is de leer van de Kerkvaders, bijv. van Augustinus (Serm. 130. Ben.): “Wij zijn in de macht van de vorst van deze wereld geraakt, die Adam verleid en tot zijn knecht gemaakt heeft en ons als zijn erfelijke slaven in bezit had. Maar de Verlosser kwam en de verleider werd overwonnen. En wat deed de Verlosser met hem, die ons gevangen had? Tot ons losgeld stelde Hij hem de valstrik van Zijn kruis en hield hem Zijn bloed voor tot een losprijs. Daarom nu, omdat hij het bloed vergoot van Hem, die hem niets schuldig was, moest hij de schuldenaars vrij geven, omdat hij het bloed van de Zondeloze vergoot, moest hij van de zondaars afzien. Want de Heiland vergoot Zijn bloed om onze zonden uit te delgen en zo werd dat waaraan de duivel ons vasthield door het bloed van de Heiland uitgedelgd. De zonden waren de tekenen van zijn gevangenen. Daar kwam de Heiland en bond de sterke (MATTHEUS. 12: 29) met de banden van Zijn lijden. Hij drong zijn huis, de harten waarin hij woonde binnen en nam hem zijn huisraad af. ” En (Serm. 263): “de duivel, die de macht over de dood had, schiep behagen in de dood en wat hem behaagde, dat hield de Heere hem voor. Zo werd Zijn kruis een valstrik voor de duivel. ” Door het bloed van het kruis heeft Hij dus de schuld van de zonde uitgedelgd, die de mensen als knechten onder de macht van de duivel hield en heeft Hij de vrije toegang tot God geopend. Door Zijn dood heeft Hij tevens de oude mens in ons de doodsteek gegeven. Door deze overwinning van het innerlijk verderf heeft Hij dan ook het uiterlijke stoffelijk kwaad en de tijdelijke dood in zegen en heil voor ons veranderd, zodat zelfs het sterven voor ons winst wordt.
De bevrijding van de angst voor de dood heeft niet plaats door een nieuwe leer van onsterfelijkheid, ten gevolge waarvan de voorstellingen omtrent gindse zijde van het graf veranderen, maar door in een andere verhouding te plaatsen, waarin de prikkel van de dood, het verwondende bewustzijn van schuld verdwenen is.
Kind van God, luister toe, de dood heeft zijn prikkel verloren, omdat het geweld van de duivel teniet is gedaan. Vrees daarom de dood niet meer. Smeek genade van God, de Heilige Geest, om door een innige kennis en een vast geloof in de dood van uw Verlosser bekrachtigd te worden tegen het vreselijke uur. Wanneer gij dicht bij het kruis van Golgotha leeft, zult gij met blijdschap aan de dood denken en hem met innige vreugde begroeten kunnen, wanneer hij komt. Het is zoet in de Heere te sterven, het is een verbondszegen in de Heere Jezus te ontslapen. De dood maakt een einde aan de verwijdering van het vaderland, het is een terugkeren uit de ballingschap, een huiswaarts gaan naar de vele woningen, waar zij die Mij liefhebben, reeds wonen. De afstand tussen de verheerlijkte geesten in de hemel en de strijdende heiligen op aarde schijnt groot, maar het is niet alzo. Wij zijn niet ver van huis een ogenblik zal ons daarheen voeren. De zeilen zijn uitgespannen en de ziel dobbert op de diepe wateren. Hoelang zal haar reis duren? Hoeveel vermoeiende stormen zullen tegen de zeilen aanwaaien, voordat zij de haven van de vrede zal ingestevend zijn. Hoelang zal deze ziel op de golven geslingerd worden vóór zij die zee bereikt, die geen storm kent. Hoor het antwoord: Inwonend in het lichaam zijn wij uitwonenden van de Heere. Zie dat schip is juist uitgezeild, maar het is de haven reeds binnengelopen. De zeilen werden niet uitgespannen of het was in het vaderland. Zoals bij dat scheepje vanouds, op het meer van Galilea, had een storm het heen en weer geslingerd; maar Jezus sprak: “Zwijg, wees stil” en ogenblikkelijk landde het veilig aan. Denk niet dat er een lang tijdperk is tussen het uur van de dood en de eeuwige heerlijkheid. Zodra de ogen zich op aarde sluiten, openen zij zich in de hemel. De vurige paarden zijn geen ogenblik onderweg. Wat voor reden is er dus voor u, gij kind van God, om bang te zijn voor de dood, terwijl gij ziet dat door de dood van uw Heere zijn smart en prikkel zijn teniet gedaan? En nu is de dood slechts een ladder van Jakob, waarvan de onderkant in het donkere graf staat, maar de top tot in de eeuwige heerlijkheid rijkt.
Als Hij nu door dat gedood worden naar het vlees (1 Petrus 3: 18) een korte tijd onder de engelen vernederd is, kan ons dat niet bevreemden als iets wat de overste Leidsman tot de zaligheid niet passen zou, zodat wij ons daaraan zouden moeten ergeren. Want werkelijk, Hij neemt de engelen niet aan. Nergens in de Schrift is er sprake van dat Hij hen tot Zijn eigendom zou willen maken (Joh. 1: 11) en als het zo was, dan zou het in de Schrift wel niet worden gemist; maar Hij neemt het zaad van Abraham aan (Jes. 41: 8v.) om aan dit volk, dat Hij vanaf het begin tot Zijn bijzonder volk heeft verkoren, Zijn verlossingswerk te volbrengen (Joh. 1: 11 Rom. 15: 8).
Wij lezen van twee grote omwentelingen in de geschiedenis van het heelal: van de opstand van de engelen en de opstand van de mensen. Uit oneindig wijze en liefderijke bedoelingen had God die beide beraamd en liet Hij ze beide plaatshebben, opdat Hij uit het kwade het goede zou voortbrengen. De eerste viel in de hemel zelf voor. Hoogmoed was de zonde, waardoor de engelen vielen; daarom wordt zij het oordeel van de duivelen genoemd. Zij hebben hun heerschappij niet bewaard, maar hebben hun eigene woonplaats verlaten. God heeft hen niet gespaard, maar hen in de hel neergeworpen, overgegeven aan de ketenen van de duisternis om tot het oordeel bewaard te worden. De volgende opstand vond op aarde plaats. De satan kwam met zijn verzoeking en de mens viel hij geloofde de duivel meer dan God en kwam zo onder de vloek: “Gij zult de dood sterven. ” Deze beide geslachten kwamen onder dezelfde toorn onder hetzelfde oordeel beiden werden veroordeeld tot hetzelfde eeuwige vuur. Maar de nooit volprezen Zoon van God besloot van alle eeuwigheid voor zondaren te sterven. Doch voor wie van beiden zal Hij nu de dood ondergaan? Wellicht zouden de engelen in de hemel wensen dat Hij stierf voor hen, die eens hun broeders waren. De natuur van de engelen was verhevener dan die van de mensen. De mensen waren dieper in de zonde verzonken dan de gevallen engelen. Zal Hij niet voor de engelen sterven? Welaan, ziet hier het antwoord: Werkelijk, Hij neemt de engelen niet aan; maar Hij neemt het zaad van Abraham aan. Hier is een vrijmachtige genade, die het ene geslacht voorbijgaat, om het andere aan te nemen. Laat ons de vrijmachtige genade van Jezus bewonderen en aanbidden.
Hij wilde de Zijnen werkelijk redden en uit hun gevangenis bevrijden (Jer. 31: 32); a) daarom moest Hij de broeders in alles, in alle delen, gelijk worden en wel behalve die van het menselijk geslacht in het algemeen nog die uit het Joodse volk in het bijzonder (Rom. 9: 3 en 5 Gal. 4: 17 MATTHEUS. 1: 1vv.), opdat Hij een barmhartig en een trouw Hogepriester zou zijn, vol gevoel voor hun lijden dat Hij persoonlijk had gevoeld en trouw Zijn ambt zou vervullen zonder enige tekortkoming of enig gebrek (hoofdstuk 3: 2 en 5). Zo moest Hij zijn in de dingen die bij God te doen waren, om de zonden van het volk te verzoenen; dit toch was het doel van het hogepriesterschap, dat Gods genade beschikbaar maakte (hoofdstuk 13: 12 Joh. 11: 50-52 Hand. 2: 39; 13: 46).
Filippenzen 2: 7
Want door hetgeen of op grond van hetgeen Hij zelf in zijn verzoekingen (hoofdstuk 4: 15) geleden heeft, kan Hij degenen die door het lijden, dat over hen komt (Luk. 22: 28 Hand. 20: 19), verzocht worden, te hulp komen. Hij weet dan niet alleen hoe zij zich in hun toestand voelen (hoofdstuk 5: 7v.), maar Hij weet ook de middelen en wegen voor hen te openen om niet in de verzoeking te bezwijken.
Als in vers 16 van “aannemen” sprake is, doelt dat niet op een aannemen van de natuur van engelen of mensen, maar op een aannemen tot eigendom, zoals de tijdgenoot en helper van Calvijn, Sebastiaan Castellio (eigenlijk Chatillon overl. 1563) het eerst heeft aangetoond. De nieuwe verklaring meent verder dat de uitdrukking “het zaad Abrahams” meer algemeen moet worden opgevat, zodat het hetzelfde zou betekenen als het menselijk geslacht. Integendeel, de schrijver, die zich wendt tot christenen uit de Joden heeft zich eerst op zekere afstand van hen gehouden, maar komt nu dichterbij en werkt toe naar de aanspraak in hoofdstuk 3: 1 “heilige broeders”. Hierin noemt hij hen “broeders” als christenen, maar “heilige” vooral als christenen van de Jeruzalemse moedergemeente (in 1 Thessalonicenzen. 5: 27 is het “heilig” allerwaarschijnlijkst een bijvoeging van de kopieerders) (1 Kor. 16: 1 Rom. 15: 26v. “Phm 1: 7. En evenals deze eigenaardige aanspraak, die nergens anders in een apostolische brief voorkomt, bereidt hij ook de eigenaardige naam van Christus, die alleen in onze brief voorkomt, de naam “apostel en hogepriester” voor. Het eerste is de Heere alleen voor het volk Israël, waaronder Hij persoonlijk is verschenen en het evangelie verkondigt heeft (vs. 3 MATTHEUS. 15: 24 Hand. 3: 26; 10: 36 het tweede is Hij alleen voor dat volk waarbij een priesterschap bestond, door God zelf ingesteld en in Gods werkelijke dienst, niet in die van de afgoden of van de duivelen (1 Kor. 10: 20), een priesterschap, waarvan hij de ideale taak inderdaad kan vervullen. De schrijver denkt dus nu niet meer alleen, zoals in vs. 5-15 aan de mensen in het algemeen, voor wie de Heiland Mensenzoon is, die hen tot de heerlijkheid leidt, die voor het menselijk geslacht bestemd is, maar hij spreekt over de Heiland van Israël. Daarom noemt Hij dit volk met de erenaam, die in de belofte, Jes. 41: 8vv. voorkomt: “zaad Abrahams” en hij bedoelt het “neemt aan” in de zin van het aannemen, daar aan het volk van Zijn eigendom door de Heere beloofd. Dit aannemen kon nu niet anders plaatshebben dan door een gelijk worden aan Zijn broeders. Hij moest hun natuur aannemen in alle delen, hetgeen hier minder doelt op het aannemen van de menselijke natuur dan op het aannemen van de Joodse nationaliteit, minder op het medelijden van de dood, waaronder alle mensen als dienstknechten gevangen zijn, dan op het intreden in de hele staat van lijden en van ellende, waarin Zijn volk was, door hun oversten misleid, door vreemde overwinnaars onderdrukt, zuchtend onder de vloek van hun zonden. Terwijl Hij nu in de laatste zin de trouwe Hogepriester voor God geworden is, die de zonde van het volk verzoend heeft, kan Hij in het eerste opzicht, als Hij die zelf is overgeleverd aan de Joodse oversten en door hen aan de heidense heersers tot de smadelijke kruisdood, een medelijdend Hogepriester zijn om hen te helpen die in hun tegenwoordige toestand van diezelfde vijanden ook veel te lijden hebben en, zoals Hij vroeger zelf, door de beproevingen moeten heengaan, hetgeen in Ps. 42: 10v. wordt uitgedrukt: “Ik zeg tot God, Mijn steenrots, waarom vergeet Gij mij? Waarvoor ga ik in het zwart vanwege de onderdrukking van de vijand? Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn tegenstanders, als zij de hele dag tot mij zeggen: Waar is uw God? ” Dat ik de schrijver op deze wijze juist versta, kan het “te hulp komen” bevestigen, waarmee de uiteenzetting wordt besloten en dat ook in Jes. 41: 10 gevonden wordt met de verklarende toevoeging: “Ik ondersteun u met de rechterhand van Mijn gerechtigheid”. Ook in hoofdstuk 13: 12 staat bij de uitdrukking “volk” slechts Israël voor het oog van de schrijver, evenals voor de evangelist in Joh. 11: 51v. ; maar zoals deze dadelijk het particularisme weer opheft, zo heeft ook onze schrijver zijn universalisme reeds eerder is vs. 1 bekend gemaakt en hij doet het later nog meer door de gelijkstelling van Jezus met Melchizedek.
Al de gelovigen zijn een verzocht volk. Elke dag heeft voor hen zijn verzoekingen, iedere tijd is voor hen een tijd van nood. De onbekeerden worden niet zwaar verzocht; zij zijn niet in de moeite als de andere mensen en worden met anderen niet geplaagd. Zij voelen een verzoeking in hun hart opkomen, de macht van de satan kennen zij niet. Vóór zijn bekering gelooft de mens evenmin in de duivel als Hij in Christus gelooft. Maar zodra Hij tot Christus komt, wordt Hij een verzochte ziel, arm en nooddruftig, “water zoekend en hij vindt het niet. ” Hij wordt door God verzocht. God verzocht Abraham niet tot de zonde, want God kan niet verzocht worden door het kwade en Hij zelf verzoekt niemand. God beproeft wel altijd Zijn kinderen. Nooit schenkt Hij het geloof zonder Zijn kinderen in een toestand te brengen, waardoor dat geloof op de proef gesteld zal worden. Soms verheft Hij hen boven anderen om te beproeven of zij hoogmoedig worden en hun God vergeten zullen, een andere keer vernedert Hij hen om te zien of zij in opstand komen tegen God. Zalig is de man die verzoeking verdraagt. Soms brengt Hij hen in grote moeilijkheden en dan bestaat de beproeving erin of zij in Hem alleen geloven of op vlees en bloed hun vertrouwen stellen zullen. De wereld verzoekt de kinderen van God. Zij bespiedt hun struikelingen. Zij ziet niets liever dan dat een kind van God tot zonde vervalt. De gedachte dat alle mensen even slecht zijn, wiegt hun geweten in slaap. Zij fronsen hun voorhoofd en glimlachen. Hun eigen hart is een bron van verzoeking. Soms zegt het tot hen: Wat voor kwaad steekt daarin? Het is een kleine zonde: of, ik zal slechts deze ene keer zondigen en dan nooit weer! Of, ik zal mij daarna bekeren en behouden worden. De satan schiet zijn vurige pijlen op hen af, hij schrikt hen terug van Christus, leidt hen af als zij bidden, vervult hun geest met godslasteringen en hitst de wereld tegen hen op. Ja, mijn gelovige vrienden, gij zijt een verdrukt volk. Gij zijt altijd arm en hulpbehoevend. En God wil dat dit zo is, opdat gij steeds opnieuw tot Christus de toevlucht zoudt nemen. Sommigen mogen zeggen: de gelovigen zijn niet gelukkiger om hun geloof: ach! ziet tot wie zij mogen heengaan. Zij hebben een barmhartige en trouwe Hogepriester. Hij is verzocht en heeft geleden, opdat Hij degenen die verzocht worden, te hulp zou kunnen komen. De Hogepriester van het Oude Verbond offerde niet alleen het offer op het altaar zijn werk was niet af als het lam door de vlammen verteerd was. Hij moest een vader zijn voor Israël. Hij droeg al hun namen gegraveerd op zijn hart, hij ging in binnen het voorhangsel en bad voor zijn volk. Daarna kwam hij weer naar buiten en zegende hen, zeggende: “De Heere zegene u en Hij behoede u. De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten (Num. 6: 24-26). Niet anders is het met de Heere Jezus. Zijn werk was op Golgotha niet geheel volbracht. Hij, die gestorven is voor onze zonden, leeft om voor ons te bidden, om ons in elke tijd van nood te hulp te komen. Nog is Hij mens aan de rechterhand van God. Nog is Hij God en daarom, in zijn goddelijke hoedanigheid, is Hij heden hier evenzeer tegenwoordig als één van ons allen. Hij kent al uw zorgen, beproevingen en bezwaren; Hij hoort elke halfgesmoorde zucht en verstaat die met Zijn menselijk hart aan de rechterhand van God. Zijn menselijk hart is gisteren en heden hetzelfde en tot in alle eeuwigheid, het pleit voor u, denkt aan u, beraamt verlossing voor u.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel