Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
WantG1063 de wetG3551, hebbendeG2192 een schaduwG4639 der toekomendeG3195 goederenG18, nietG3756 het beeldG1504 zelfG846 der zakenG4229, kanG1410 met dezelfde offerandenG2378, dieG3739 zij alle jarenG1763 geduriglijkG1519 opofferenG4374, nimmermeerG3763 heiligenG5048 degenen, die daar toegaanG4334.
Want de wet, hebbende een schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan.
KJV
For2
the law5
having3
a shadow1
of good things8
to come,7
and not9
the very10
image12
of the things,14
can26
never25
with those18
sacrifices19
which20
they offered21
year by year15
continually22
make29
the comers thereunto28
perfect.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
AnderszinsG1893 zouden zij opgehoudenG3973 hebben, geofferdG4374 te worden, omdat degenen, die den dienstG3000 pleegden, geenG3756 gewetenG4893 meer zouden hebben der zondenG266, eenmaalG530 gereinigdG2508 geweest zijnde;
Anderszins zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat degenen, die den dienst pleegden, geen geweten meer zouden hebben der zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde;
KJV
For then1
would they3
not2
have ceased4
to be offered?5
because6
that the worshippers14
once15
purged16
should have had9
no8
more10
conscience11
of sins.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
MaarG235 nu geschiedt inG1722 dezelveG846 alle jarenG1763 weder gedachtenisG364 der zondenG266.
Maar nu geschiedt in dezelve alle jaren weder gedachtenis der zonden.
KJV
But1
in2
those3
sacrifices there is a remembrance again4
made of sins5
every6
year.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantG1063 het is onmogelijkG102, dat het bloedG129 van stierenG5022 enG2532 bokkenG5131 de zondenG266 wegnemeG851.
Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.
KJV
For2
it is not possible1
that the blood3
of bulls4
and5
of goats6
should take away7
sins.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Daarom, komendeG1525 inG1519 de wereldG2889, zegtG3004 Hij: SlachtofferG2378 en offerandeG4376 hebt Gij nietG3756 gewildG2309, maarG1161 Gij hebt MijG1473 het lichaamG4983 toebereidG2675;
Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid;
KJV
Wherefore1
when he cometh2
into3
the world,5
he saith,6
Sacrifice7
and8
offering9
thou wouldest11
not,10
but13
a body12
hast thou prepared14
me:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
BrandofferenG3646 enG2532 offer voor de zondeG266 hebben U nietG3756 behaagdG2106.
Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd.
KJV
In burnt offerings1
and2
sacrifices for3
sin4
thou hast had6
no5
pleasure.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Toen sprakG2036 Ik: ZieG2400, Ik komG2240 (inG1722 het begin des boeksG975 is vanG4012 MijG1473 geschrevenG1125), om Uw wilG2307 te doenG4160, o GodG2316!
Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God!
KJV
Then1
said I,
Lo,
I come4
(in5
the volume6
of the book7
it is written8
of9
me,)
to do12
thy
will,16
O God.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Als Hij te vorenG511 gezegdG3004 had: SlachtofferG2378, enG2532 offerandeG4376, enG2532 brandoffersG3646, enG2532 offer voor de zondeG266 hebt Gij nietG3756 gewildG2309, noch hebben U behaagdG2106 (dewelke naarG2596 de wetG3551 geofferd worden);
Als Hij te voren gezegd had: Slachtoffer, en offerande, en brandoffers, en offer voor de zonde hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagd (dewelke naar de wet geofferd worden);
KJV
Above1
when he said,2
Sacrifice4
and5
offering6
and7
burnt offerings8
and9
offering for10
sin11
thou wouldest13
not,12
neither14
hadst pleasure15
therein; which16
are offered20
by17
the law;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Toen sprakG2046 Hij: ZieG2400, Ik komG2240, om Uw wilG2307 te doenG4160, o GodG2316! Hij neemt het eersteG4413 wegG337, om het tweedeG1208 te stellenG2476.
Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen.
KJV
Then1
said he,2
Lo,
I come4
to do6
thy
will,10
O God.8
He taketh away12
the first,14
that15
he may establish18
the second.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
InG1722 welkenG3739 wilG2307 wij geheiligdG37 zijnG1510, door de offerandeG4376 des lichaamsG4983 van JezusG2424 ChristusG5547, eenmaalG2178 geschied.
In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied.
KJV
By1
the which2
will3
we are
sanctified4
through10
the offering12
of the body14
of Jesus16
Christ17
once
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En een iegelijk priesterG2409 stondG2476 wel alle dagenG2250 dienendeG3008, enG2532 dezelfde slachtofferenG2378 dikmaalsG4178 offerendeG4374, die de zondenG266 nimmermeerG3763 kunnen wegnemenG4014;
En een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen;
KJV
And1
every2
priest4
standeth5
daily6
ministering8
and9
offering13
oftentimes12
the same11
sacrifices,14
which15
can17
never16
take away18
sins:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
MaarG1161 Deze, eenG1520 slachtofferG2378 voor de zondenG266 geofferdG4374 hebbende, is in eeuwigheidG1336 gezetenG2523 aanG1519 de rechterG1188 hand GodsG2316;
Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter hand Gods;
KJV
But2
this man,1
after he had offered6
one
sacrifice7
for4
sins5
for8
ever,10
sat down11
on12
the right hand13
of God;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Voorts verwachtendeG1551, totdat Zijn vijandenG2190 gesteldG5087 worden tot een voetbankG5286 Zijner voetenG4228.
Voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten.
KJV
From henceforth
expecting3
till4
his8
enemies7
be made5
his12
footstool.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
WantG1063 met eenG1520 offerandeG4376 heeft Hij inG1519 eeuwigheidG1336 volmaaktG5048 degenen, die geheiligdG37 worden.
Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.
KJV
For2
by one
offering3
he hath perfected4
for5
ever7
them that are sanctified.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En de HeiligeG40 GeestG4151 getuigtG3140 het ons ookG2532;
En de Heilige Geest getuigt het ons ook;
KJV
Whereof2
the Holy8
Ghost6
also4
is a witness1
to us:
for10
after9
that he had said before,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Want nadatG3326 HijG846 te voren gezegd had: DitG3778 is het verbondG1242, dat Ik met hen maken zal na die dagenG2250, zegtG3004 de HeereG2962: Ik zal Mijn wettenG3551 gevenG1325 in hunG846 hartenG2588, enG2532 Ik zal die inschrijvenG1924 in hunG846 verstandenG1271;
Want nadat Hij te voren gezegd had: Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden;
Ook in dit vers
totG4314
KJV
This1
is the covenant3
that4
I will make5
with6
them7
after8
those11
days,10
saith12
the Lord,13
I will put14
my
laws15
into17
their19
hearts,18
and20
in21
their24
minds23
will I write25
them;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En hun zondenG266 enG2532 hun ongerechtighedenG458 zal Ik geenszinsG3364 meer gedenkenG3415.
En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken.
KJV
And1
their4
sins3
and5
iniquities7
will I remember
no
more.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Waar nuG1161 vergevingG859 derzelve is, daar is geen offerandeG4376 meer voor de zondeG266.
Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde.
KJV
Now2
where1
remission3
of these
is, there is no more5
offering6
for7
sin.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Dewijl wij danG3767, broedersG80, vrijmoedigheidG3954 hebbenG2192, omG1519 in te gaan in het heiligdomG39 doorG1722 het bloedG129 van JezusG2424,
Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,
KJV
Having1
therefore,2
brethren,3
boldness4
to5
enter7
into the holiest
by10
the blood12
of Jesus,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Op een versenG4372 enG2532 levendenG2198 wegG3598, welkenG3739 HijG846 ons ingewijdG1457 heeft door het voorhangselG2665, dat isG1510, door Zijn vleesG4561;
Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees;
KJV
By a new5
and6
living7
way,4
which1
he hath consecrated2
for us,
through8
the veil,10
that is to say,
his15
flesh;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
EnG2532 dewijl wij hebben een grotenG3173 PriesterG2409 overG1909 het huisG3624 GodsG2316;
En dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods;
KJV
And1
having an high3
priest2
over4
the house6
of God;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Zo laat ons toegaanG4334 met een waarachtigG228 hartG2588, inG1722 volle verzekerdheidG4136 des geloofsG4102, onze hartenG2588 gereinigdG4472 zijnde vanG575 het kwaadG4190 gewetenG4893, enG2532 het lichaamG4983 gewassenG3068 zijnde met reinG2513 waterG5204.
Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.
KJV
Let us draw near1
with2
a true3
heart4
in5
full assurance6
of faith,7
having8
our hearts10
sprinkled
from11
an evil13
conscience,12
and14
our bodies17
washed15
with pure19
water.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Laat ons de onwankelbareG186 belijdenisG3671 der hoopG1680 vast houdenG2722; (wantG1063 Die het beloofdG1861 heeft, is getrouwG4103);
Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw);
KJV
Let us hold fast1
the profession3
of our faith5
without wavering;6
(for8
he is faithful7
that promised;)
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En laat ons op elkanderG240 acht nemenG2657, totG1519 opscherpingG3948 der liefdeG26 enG2532 der goedeG2570 werkenG2041;
En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken;
KJV
And1
let us consider2
one another3
to4
provoke5
unto love6
and7
to good8
works:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En laat ons onze onderlinge bijeenkomstG1997 nietG3361 nalatenG1459, gelijk sommigenG5100 de gewoonteG1485 hebben, maarG235 elkander vermanenG3870; enG2532 dat zoveelG5118 te meer, als gij ziet, dat de dagG2250 nadertG1448.
En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.
KJV
Not1
forsaking2
the assembling4
of ourselves5
together,
as6
the manner7
of some8
is; but9
exhorting10
one another: and11
so much12
the more,13
as14
ye see15
the day18
approaching.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
WantG1063 zo wij willensG1596 zondigenG264, nadatG3326 wij de kennisG1922 der waarheidG225 ontvangenG2983 hebben, zo blijftG620 er geen slachtofferG2378 meer overG4012 voor de zondenG266;
Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden;
KJV
For2
if we
sin3
wilfully1
after5
that we have received7
the knowledge9
of the truth,11
there remaineth15
no more12
sacrifice16
for13
sins,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
MaarG1161 een schrikkelijkeG5398 verwachtingG1561 des oordeelsG2920, en hitteG2205 des vuursG4442, dat de tegenstandersG5227 zal verslindenG2068.
Maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden.
KJV
But2
a certain3
fearful1
looking for4
of judgment5
and6
fiery7
indignation,8
which shall10
devour9
the adversaries.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Als iemandG5100 de wetG3551 van MozesG3475 heeft te niet gedaan, die sterftG599 zonder barmhartigheidG3628, onder tweeG1417 ofG2228 drieG5140 getuigenG3144;
Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;
KJV
He2
that despised1
Moses'4
law3
died12
without5
mercy6
under7
two8
or9
three10
witnesses:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
HoeveelG4214 te zwaarderG5501 strafG5098, meentG1380 gij, zal hij waardig geachtG515 worden, die den ZoonG5207 van GodG2316 vertredenG2662 heeft, enG2532 het bloedG129 des testamentsG1242 onreinG2839 geachtG2233 heeft, waardoorG3739 hij geheiligdG37 was, enG2532 den GeestG4151 der genadeG5485 smaadheid heeft aangedaan?
Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan?
Ook in dit vers
smaadheid aangedaanG1796
KJV
Of how much1
sorer3
punishment,5
suppose ye,2
shall he be thought worthy,4
who6
hath trodden under foot11
the Son8
of God,10
and12
hath counted18
the blood14
of the covenant,16
wherewith20
he was sanctified,21
an unholy thing,17
and22
hath done despite27
unto the Spirit24
of grace?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
WantG1063 wij kennenG1492 HemG846, Die gezegdG2036 heeft: Mijn is de wraakG1557, IkG1473 zal het vergeldenG467, spreektG3004 de HeereG2962. EnG2532 wederomG3825: De HeereG2962 zal Zijn volkG2992 oordelenG2919.
Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Mijn is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere zal Zijn volk oordelen.
KJV
For2
we know1
him that hath said,
Vengeance6
belongeth unto me,
I5
will recompense,8
saith4
the Lord.10
And11
again,12
The Lord13
shall judge14
his17
people.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
VreselijkG5398 is het te vallenG1706 inG1519 de handenG5495 des levendenG2198 GodsG2316.
Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods.
KJV
It is a fearful thing1
to fall3
into4
the hands5
of the living7
God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
DochG1161 gedenktG363 de vorigeG4386 dagenG2250, inG1722 dewelke, nadat gij verlichtG5461 zijt geweest, gij veelG4183 strijdG119 des lijdensG3804 hebt verdragenG5278.
Doch gedenkt de vorige dagen, in dewelke, nadat gij verlicht zijt geweest, gij veel strijd des lijdens hebt verdragen.
KJV
But2
call to remembrance1
the former4
days,5
in6
which,7
after ye were illuminated,8
ye endured11
a great9
fight10
of afflictions;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Ten deleG5124, als gij door smaadhedenG3680 en verdrukkingenG2347 een schouwspelG2301 geworden zijt; en ten deleG5124, als gij gemeenschapG2844 gehad hebt met degenen, dieG3778 alzoG3779 behandeldG390 werdenG1096.
Ten dele, als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt; en ten dele, als gij gemeenschap gehad hebt met degenen, die alzo behandeld werden.
KJV
Partly,2
whilst ye were made a gazingstock7
both4
by reproaches3
and5
afflictions;6
and9
partly,
whilst ye became14
companions10
of them that were13
so12
used.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
WantG1063 gij hebt ook over mijn bandenG1199 medelijdenG4834 gehad, enG2532 de rovingG724 uwer goederenG5224 met blijdschapG5479 aangenomenG4327, wetendeG1097, dat gij hebtG2192 inG1722 uzelven een beterG2909 enG2532 blijvendG3306 goedG5223 inG1722 de hemelenG3772.
Want gij hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen.
KJV
For1
ye had compassion6
of me in my
bonds,4
and7
took15
joyfully13
the spoiling9
of your
goods,
knowing16
in18
yourselves19
that ye have17
in22
heaven23
a better20
and24
an enduring25
substance.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
WerptG577 danG3767 uw vrijmoedigheidG3954 nietG3361 wegG577, welke een groteG3173 vergeldingG3405 des loons heeftG2192.
Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft.
KJV
Cast2
not1
away
therefore3
your
confidence,5
which7
hath8
great10
recompence of reward.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
WantG1063 gij hebt lijdzaamheidG5281 van nodeG5532, opdatG2443 gij, den wilG2307 van GodG2316 gedaanG4160 hebbende, de beloftenisG1860 moogt wegdragenG2865;
Want gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen;
KJV
For2
ye have3
need4
of patience,1
that,5
after ye have done10
the will7
of God,9
ye might receive11
the promise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
WantG1063: Nog een zeer weinigG3397 tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, enG2532 nietG3756 vertoevenG5549.
Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.
Ook in dit vers
komenG2064
komenG2240
[tijds]G3745
KJV
For2
yet1
a little
while,4
and he that shall come7
will come,8
and9
will11
not10
tarry.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
MaarG1161 de rechtvaardigeG1342 zal uitG1537 het geloofG4102 levenG2198; en zoG1437 iemand zich onttrektG5288, Mijn zielG5590 heeft inG1722 hemG846 geenG3756 behagenG2106.
Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.
KJV
Now2
the just3
shall live6
by4
faith:5
but7
if8
any man draw back,9
my
soul13
shall have11
no10
pleasure
in15
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
Maar wij zijnG1510 nietG3756 van degenen, die zich onttrekkenG5289 ten verderveG684, maar van degenen, die gelovenG4102 totG1519 behoudingG4047 der zielG5590.
Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen, die geloven tot behouding der ziel.
KJV
But2
we
are
not3
of them who draw back5
unto6
perdition;7
but8
of them that believe9
to10
the saving11
of the soul.
de wet, hebbende
Namelijk der ceremoniën onder het Oude Testament.
Hertaald:
de wet, hebbende
Namelijk de wet van de ceremoniën onder het Oude Testament.
een schaduw
Dat is, een ruw ontwerp, gelijk de schilders plegen een beeld, dat zij daarna willen volmaken, eerst met enige lijnen en schaduwen in het ruw af te tekenen of ontwerpen.
Hertaald:
een schaduw
Dat is: een ruwe schets, zoals de schilders een beeld dat zij daarna willen voltooien eerst met enkele lijnen en schaduwen ruw plegen af te tekenen of te ontwerpen.
der toekomende goederen,
Dat is, der geestelijke en hemelse zaken, die ons in het Nieuwe Testament zouden verworven en medegedeeld worden, dat is, van Christus zelf en Zijn weldaden.
Hertaald:
der toekomende goederen,
Dat is: van de geestelijke en hemelse zaken die ons in het Nieuwe Testament verworven en meegedeeld zouden worden, dat is: van Christus Zelf en Zijn weldaden.
het beeld zelf der zaken,
Sommigen verstaan hierdoor de volmaakte wijze van den uitwendigen godsdienst, die God door Christus in het Nieuwe Testament zou instellen, die van de instellingen van het Oude Testament verschilden gelijk een schaduw of eerste ontwerp van het volmaakte beeld eniger zaak; gelijk die daarom ook de eerste beginselen of elementen van A B C der wereld worden genaamd; Gal. 4:3, Gal. 4:9. Doch terwijl de apostel nergens in dit en in het voorgaande hoofdstuk enige tegenstelling maakt tussen den uitwendigen godsdienst van het Oude en het Nieuwe Testament, maar alleen tussen de schaduwen van het Oude Testament en Christus zelf met Zijn offerande en weldaden, die Hij ons verworven heeft, zo wordt door anderen door deze woorden het beeld zelf bekwamer de betekenende zaak zelf, of het evenbeeld verstaan, waarnaar deze schaduwen zijn voorgesteld, gelijk wij worden gezegd geschapen te zijn naar Gods beeld of evenbeeld; welken zin het bijgevoegde woord het beeld zelf der zaken, ook vereist; dat is, de zaken zelf in haar volle beeltenis of gedaan, gelijk zij moesten en zouen zijn.
Hertaald:
het beeld zelf der zaken,
Sommigen verstaan hieronder de volmaakte wijze van de uiterlijke godsdienst die God door Christus in het Nieuwe Testament zou instellen. Die verschilde van de instellingen van het Oude Testament zoals een schaduw of een eerste ontwerp verschilt van het volmaakte beeld van een zaak; daarom worden die ook de eerste beginselen of het abc van de wereld genoemd, Gal. 4:3, Gal. 4:9. Maar de apostel maakt in dit en in het voorgaande hoofdstuk nergens een tegenstelling tussen de uiterlijke godsdienst van het Oude en die van het Nieuwe Testament. Hij stelt alleen de schaduwen van het Oude Testament tegenover Christus Zelf met Zijn offer en de weldaden die Hij voor ons verworven heeft. Daarom wordt met deze woorden het beeld zelf door anderen beter de aangeduide zaak zelf, of het evenbeeld, verstaan waarnaar deze schaduwen voorgesteld zijn, zoals van ons gezegd wordt dat wij naar Gods beeld of evenbeeld geschapen zijn. Die betekenis vraagt ook de toevoeging het beeld zelf van de zaken, dat is: de zaken zelf in hun volle beeltenis of gedaante, zoals zij moesten en zouden zijn.
dezelfde offeranden,
Dat is, van enerlei soort, of van eenzelfden aard en natuur.
Hertaald:
dezelfde offeranden,
Dat is: van eenzelfde soort, of van eenzelfde aard en natuur.
geduriglijk opofferen,
Grieks in gedurigheid, of eeuwigheid; dat is, zonder nalaten, zolang dit priesterdom en deze wet moest duren.
Hertaald:
geduriglijk opofferen,
Grieks: in voortduring, of eeuwigheid; dat is: zonder ophouden, zolang dit priesterschap en deze wet moesten duren.
heiligen degenen,
Of, volmaken; namelijk naar de conscientie, door het wegnemen der zonde en de schuld der zonde, gelijk hiervoor verklaard wordt, Hebr. 9:9.
Hertaald:
heiligen degenen,
Of: volmaken; namelijk naar het geweten, door de zonde en de schuld van de zonde weg te nemen, zoals hiervoor verklaard wordt bij Hebr. 9:9.
daar toegaan
Of, tot God gaan; namelijk met hun offeranden.
Hertaald:
daar toegaan
Of: tot God gaan, namelijk met hun offers.
Anderszins zouden zij
Anderen lezen: Zouden zij anderszins niet opgehouden hebben? vragenderwijze, doch de zin komt overeen.
Hertaald:
Anderszins zouden zij
Anderen lezen bij wijze van vraag: zouden zij anders niet opgehouden hebben? Maar de betekenis komt overeen.
geen geweten meer
Dat is, niet meer van zonden bewust zijn; of geen wroeging der conscientie over de zonden zouden hebben; en zouden zich aan geen schuld der zonden meer schuldig kennen, dewijl zij eenmaal daarvan zouden gereinigd of verlost zijn.
Hertaald:
geen geweten meer
Dat is: zich niet meer bewust zijn van zonden; of geen wroeging van het geweten over de zonden hebben en zich niet meer schuldig weten aan de schuld van de zonden, omdat zij daarvan eenmaal gereinigd of verlost zouden zijn.
weder gedachtenis der zonden
Namelijk niet alleen van de zonden, die dat jaar geschied waren, maar van al de zonden, die tevoren begaan waren. Zie Lev. 16:21.
Hertaald:
weder gedachtenis der zonden
Namelijk niet alleen van de zonden die dat jaar gebeurd waren, maar van al de zonden die eerder begaan waren. Zie Lev. 16:21.
de zonden wegneme
Namelijk door Zijn eigen waardigheid en kracht, daar dat maar een lichamelijke en vergankelijke zaak is, daar de zonde een geestelijk kwaad is, en in de ziel, die onsterflijk is, vooral hare plaats heeft.
Hertaald:
de zonden wegneme
Namelijk door zijn eigen waardigheid en kracht. Want dat is maar een lichamelijke en vergankelijke zaak, terwijl de zonde een geestelijk kwaad is dat vooral in de ziel, die onsterfelijk is, zijn plaats heeft.
Daarom,
Namelijk Christus de hogepriester der toekomende goederen, in wiens naam David in dezen psalm spreekt, en van wiens komst hij profeteert, gelijk Paulus hier betuigt en de zaak zelf uitwijst.
Hertaald:
Daarom,
Namelijk Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, in Wiens naam David in deze psalm spreekt en over Wiens komst hij profeteert, zoals Paulus hier betuigt en zoals de zaak zelf uitwijst.
komende in de wereld,
Namelijk wanneer Hij de menselijke natuur aannam en in een persoon met zich verenigde, gelijk hiervoor Hebr. 1:6, en Hebr. 9:11.
Hertaald:
komende in de wereld,
Namelijk toen Hij de menselijke natuur aannam en in één Persoon met Zich verenigde, zoals hiervoor in Hebr. 1:6 en Hebr. 9:11.
hebt Gij niet gewild,
Namelijk om die aan te nemen tot een verzoening en voldoening voor de zonde, gelijk de Joden zich inbeelden; anderszins heeft ze God ook gewild om gebruikt te worden voor de gelovigen van het Oude Testament als voorbeelden en sacramentele tekenen, die hen op de toekomende voldoening der offerande van Christus wezen; maar dat ook niet langer dan tot de offerande zelf nu zou volbracht zijn, wanneer deze schaduwen moesten ophouden, gelijk in deze en andere plaatsen wordt bewezen.
Hertaald:
hebt Gij niet gewild,
Namelijk niet gewild om die aan te nemen tot een verzoening en voldoening voor de zonde, zoals de Joden zich inbeelden. Overigens heeft God die ook wel gewild, om door de gelovigen van het Oude Testament gebruikt te worden als voorbeelden en sacramentele tekenen die hen op de toekomende voldoening van het offer van Christus wezen; maar dat niet langer dan tot het offer zelf volbracht zou zijn, wanneer deze schaduwen moesten ophouden, zoals op deze en andere plaatsen bewezen wordt.
het lichaam toebereid;
De Hebreeuwse tekst Ps. 40:7, zegt: Gij hebt mij de oren doorboord. Doch de apostel volgt hier de Griekse overzetting, gelijk meest in dezen brief, dewijl dezelfde zin in beiden is begrepen. Want de woorden: Gij hebt mij de oren doorboord, betekenen dat Christus nu mens wordende, zichzelf tot een gewilligen dienstknecht van Zijn Vader overgeeft, om Hem tot den dood van het kruis te gehoorzamen. Het is een gelijkenis genomen van de dienstknechten der Hebreën, die nadat zij zes jaren hun heren hadden gediend, het zevende jaar uit den dienst van hun heren niet wilden scheiden, maar tot den dood daarin blijven; tot een getuigenis waarvan de oren hun aan den post der deur werden doorboord, gelijk te zien is Ex. 21:6. Zo dan ook wordt God de Vader hier gezegd, Christus het lichaam toebereid te hebben; omdat Christus de menselijke natuur uit het vlees en bloed der maagd Maria van Zijn Vader, door de kracht van den Heiligen Geest ontvangen hebbende, deze hier overgeeft tot den dienst Zijns Vaders, om Hem gewillig in alles te gehoorzamen, zelfs tot den dood toe, om te zijn een Zoenoffer voor onze zonden. Het is dan zoveel of Hij zeide: Gij hebt mij een lichaam gegeven, dat in uw dienst tot den dood toe gewillig en bereid is.
Hertaald:
het lichaam toebereid;
De Hebreeuwse tekst van Ps. 40:7 zegt: U hebt Mij de oren doorboord. Maar de apostel volgt hier de Griekse vertaling, zoals meestal in deze brief, omdat in beide dezelfde betekenis begrepen is. Want de woorden U hebt Mij de oren doorboord betekenen dat Christus, nu Hij mens werd, Zichzelf overgeeft als een gewillige dienstknecht van Zijn Vader, om Hem tot de dood van het kruis te gehoorzamen. Het is een vergelijking, genomen van de dienstknechten van de Hebreeën die, nadat zij zes jaar hun heren gediend hadden, in het zevende jaar niet uit de dienst van hun heren wilden gaan, maar daarin tot de dood wilden blijven; tot een getuigenis daarvan werden hun de oren aan de deurpost doorboord, zoals te zien is in Ex. 21:6. Zo wordt hier ook van God de Vader gezegd dat Hij Christus het lichaam toebereid heeft. Want Christus heeft de menselijke natuur uit het vlees en bloed van de maagd Maria van Zijn Vader ontvangen door de kracht van de Heilige Geest, en Hij geeft die hier over tot de dienst van Zijn Vader, om Hem in alles gewillig te gehoorzamen, zelfs tot de dood toe, om een zoenoffer voor onze zonden te zijn. Het is dus zoveel als wanneer Hij zei: U hebt Mij een lichaam gegeven dat in Uw dienst tot de dood toe gewillig en bereid is.
het begin des boeks is van Mij geschreven),
Grieks in het hoofd, of in de rol des boeks, namelijk uwer wet. Want het wetboek placht bij de ouden in een rol geschreven te worden, gelijk bij ons de landkaarten, en gelijk de Joden nog hebben in hunne synagogen. Nu zijn er vele plaatsen in het boek der wet, die van Christus' komst getuigen, ook zelfs in het begin des boeks, wanneer God het zaad der vrouw beloofd heeft, dat den satan den kop zou vertreden, Gen. 3:15.
Hertaald:
het begin des boeks is van Mij geschreven),
Grieks: in het hoofd, of in de rol van het boek, namelijk van Uw wet. Want het wetboek werd bij de ouden gewoonlijk in een rol geschreven, zoals bij ons de landkaarten en zoals de Joden nog in hun synagogen hebben. Nu zijn er veel plaatsen in het boek van de wet die van de komst van Christus getuigen, zelfs al aan het begin van het boek, toen God het zaad van de vrouw beloofd heeft dat de satan de kop zou verpletteren, Gen. 3:15.
om Uw wil te doen,
Dat is, om u gehoorzaam te zijn tot den dood des kruises, tot verzoening aller gelovigen.
Hertaald:
om Uw wil te doen,
Dat is: om U gehoorzaam te zijn tot de dood van het kruis, tot verzoening van alle gelovigen.
Hij neemt het eerste weg,
Namelijk allerlei soorten van zoenoffers, die in het Oude Testament gebracht werden.
Hertaald:
Hij neemt het eerste weg,
Namelijk allerlei soorten zoenoffers die in het Oude Testament gebracht werden.
om het tweede te stellen
Namelijk zijn gehoorzaamheid onder den wil van Zijn Vader.
Hertaald:
om het tweede te stellen
Namelijk Zijn gehoorzaamheid onder de wil van Zijn Vader.
In welken wil
Dat is, door de gehoorzaamheid van welken wil; gelijk Rom. 5:19.
Hertaald:
In welken wil
Dat is: door de gehoorzaamheid van die wil, zoals in Rom. 5:19.
wij geheiligd zijn,
Dat is, alles hebben wat tot onze volkomene heiligmaking, namelijk vergeving der zonden, vernieuwing des Geestes en eeuwige zaligheid nodig is.
Hertaald:
wij geheiligd zijn,
Dat is: alles hebben wat tot onze volkomen heiligmaking nodig is, namelijk vergeving van de zonden, vernieuwing door de Geest en de eeuwige zaligheid.
door de offerande
Dat is, welke wil van God daarin ook bestond, dat Christus Zijn lichaam tot een zoenofferande voor onze zonden aan het kruis zou overgeven; Fil. 2:8.
Hertaald:
door de offerande
Dat is: die wil van God bestond ook daarin dat Christus Zijn lichaam aan het kruis tot een zoenoffer voor onze zonden zou overgeven; Filipp. 2:8.
dezelfde slachtofferen
Dat is, van eenzelfde soort en natuur.
Hertaald:
dezelfde slachtofferen
Dat is: van eenzelfde soort en natuur.
geofferd hebbende,
Namelijk aan het hout des kruises.
Hertaald:
geofferd hebbende,
Namelijk aan het hout van het kruis.
in eeuwigheid gezeten
Dit woord in eeuwigheid, wordt van enigen gevoegd bij het woord geofferd hebbende, doch de eerste samenvoeging is de beste.
Hertaald:
in eeuwigheid gezeten
Dit woord in eeuwigheid wordt door sommigen bij het woord geofferd hebbende gevoegd, maar de eerste samenvoeging is de beste.
Voorts verwachtende,
Dat is, in dit Zijn koninkrijk en priesterlijk ambt, gelijk Hij het nu bedient, als Middelaar zo lang volhardende, en de uitvoering daarvan gedurig betrachtende, totdat door Zijn tussenkomst en Zijns Vaders macht al de vijanden onzer zaligheid, en ten laatste ook de dood, zullen teniet gedaan zijn, wanneer Hij dezen vorm van regering zal afleggen, en blijven met den Vader, en den Heiligen Geest alles in allen. Zie 1 Kor. 15:24 enz.
Hertaald:
Voorts verwachtende,
Dat is: in dit Koninkrijk en priesterlijk ambt van Hem, zoals Hij dat nu bedient, volhardt Hij zo lang als Middelaar en behartigt Hij voortdurend de uitvoering daarvan, totdat door Zijn tussenkomst en door de macht van Zijn Vader al de vijanden van onze zaligheid en ten laatste ook de dood tenietgedaan zullen zijn. Dan zal Hij deze vorm van regering afleggen en met de Vader en de Heilige Geest alles in allen blijven. Zie 1 Kor. 15:24, enzovoort.
degenen,
Dat is, die door Zijn Geest en woord in Hem geloven en wedergeboren worden. En wordt hiermede een bepaling gemaakt van degenen, die door Christus' offerande volmaakt worden. Want hoewel Zijn offerande in zichzelf genoegzaam is voor alle mensen, nochtans volmaakt zij niemand dan die door Hem geheiligd worden.
Hertaald:
degenen,
Dat is: zij die door Zijn Geest en Woord in Hem geloven en wedergeboren worden. Hiermee wordt een bepaling gemaakt van hen die door het offer van Christus volmaakt worden. Want hoewel Zijn offer in zichzelf voldoende is voor alle mensen, volmaakt het toch niemand dan zij die door Hem geheiligd worden.
de Heilige Geest
Namelijk in Zijn woord en bijzonder in het formulier van het nieuwe verbond, Jer. 31:1, dat Hij met ons heeft gemaakt. Waaruit dan blijkt, dat de Heilige Geest de ware God is, en een onderscheiden persoon in het Goddelijk wezen.
Hertaald:
de Heilige Geest
Namelijk in Zijn Woord en in het bijzonder in de formulering van het nieuwe verbond, Jer. 31:1, dat Hij met ons gesloten heeft. Daaruit blijkt dus dat de Heilige Geest de ware God is en een onderscheiden Persoon in het goddelijke wezen.
getuigt het ons ook
Namelijk hetgeen hij in vs.14 heeft gezegd. Want hoewel in het formulier van het nieuwe testament, Jer. 31:1, geen gewag wordt gemaakt van offerande, nochtans dewijl volkomen vergeving der zonden daar beloofd wordt, en de apostel tot hiertoe had bewezen, dat de dood des testamentmakers daartussen moest komen, opdat het nieuwe testament vast zou zijn, en hij zulks ook bewezen had uit Psa 40, zo besluit hij dan onwedersprekelijk, dat dit door deze enige offerande in het Nieuwe Verbond moest teweeg gebracht worden. Alzo leert ons dan hier de apostel de Schrift met zichzelf vergelijken, om vaste besluiten in zaken des geloofs te maken.
Hertaald:
getuigt het ons ook
Namelijk wat hij in vers 14 gezegd heeft. Want hoewel in de formulering van het nieuwe testament, Jer. 31:1, geen gewag gemaakt wordt van een offer, wordt daar toch een volkomen vergeving van de zonden beloofd. En omdat de apostel tot hier bewezen had dat de dood van de testamentmaker daartussen moest komen om het nieuwe testament vast te maken, en omdat hij dat ook uit Psalm 40 bewezen had, besluit hij onweerlegbaar dat dit in het Nieuwe Verbond door dit enige offer tot stand gebracht moest worden. Zo leert de apostel ons hier de Schrift met zichzelf te vergelijken om vaste conclusies in geloofszaken te maken.
zegt de Heere
Dat is, zo zegt de Heere. Welke woorden hier kunnen genomen worden voor Paulus' woorden, hoewel dergelijke bij den profeet ook staan. Anderszins zou in het begin van vs.17 iets ontbreken, om het besluit van Paulus te vervullen, namelijl zo zegt hij, of dergelijke, hetwelk ook enige boeken voor vs.17 hebben gesteld, omda zij deze woorden, zegt de Heere, voor de woorden van den profeet hebben genomen.
Hertaald:
zegt de Heere
Dat is: zo zegt de Heere. Deze woorden kunnen hier opgevat worden als woorden van Paulus, hoewel dergelijke woorden ook bij de profeet staan. Anders zou er aan het begin van vers 17 iets ontbreken om de conclusie van Paulus te voltooien, namelijk zo zegt hij of iets dergelijks; dat hebben enkele handschriften ook voor vers 17 gezet, omdat zij deze woorden zegt de Heere voor woorden van de profeet gehouden hebben.
geen offerande meer
Namelijk der verzoening; maar alleen offeranden der dankbaarheid, die in het Nieuwe Testament van ons worden geëist. Zie Rom. 12:1; Hebr. 13:15; 1 Petr. 2:5.
Hertaald:
geen offerande meer
Namelijk geen verzoeningsoffer meer; maar alleen offers van de dankbaarheid, die in het Nieuwe Testament van ons geëist worden. Zie Rom. 12:1; Hebr. 13:15; 1 Petr. 2:5.
Dewijl wij dan,
Hier begint de apostel het tweede deel van dezen brief; namelijk de vermaningen van den schuldigen plicht der gelovigen. En vermaant hen in het overige deel van dit hoofdstuk tot vrijmoedigheid in het geloof, tot standvastigheid in de belijdenis en tot lijdzaamheid in de verdrukking.
Hertaald:
Dewijl wij dan,
Hier begint de apostel het tweede deel van deze brief, namelijk de aansporingen tot de verschuldigde plicht van de gelovigen. In het overige deel van dit hoofdstuk spoort hij hen aan tot vrijmoedigheid in het geloof, tot standvastigheid in de belijdenis en tot volharding in de verdrukking.
in te gaan
Grieks tot den ingang des heiligdoms; dat is, om door geloof, hoop en gebeden regelrecht tot God te gaan in den hemel; Rom. 5:2; Ef. 3:12.
Hertaald:
in te gaan
Grieks: tot de ingang van het heiligdom; dat is: om door geloof, hoop en gebeden rechtstreeks tot God in de hemel te gaan; Rom. 5:2; Ef. 3:12.
versen en
Het Griekse woord betekent eigenlijk dat vers is geslacht; hetwelk hier op de offerande van Christus ziet, die vers geslacht was en allen tijd in volle kracht blijft.
Hertaald:
versen en
Het Griekse woord betekent eigenlijk: wat vers geslacht is. Dat ziet hier op het offer van Christus, dat vers geslacht was en dat alle tijd in volle kracht blijft.
levenden
Dat is, levendmakenden, gelijk Joh. 6:51, want Christus' dood is ons leven.
Hertaald:
levenden
Dat is: levendmakende, zoals in Joh. 6:51. Want de dood van Christus is ons leven.
weg,
Zo noemt hij Christus voor ons geofferd, omdat wij door Hem en Zijn verdiensten tot God toegang hebben. Zie Joh. 14:6.
Hertaald:
weg,
Zo noemt hij Christus, Die voor ons geofferd is, omdat wij door Hem en door Zijn verdiensten toegang tot God hebben. Zie Joh. 14:6.
ingewijd heeft
Of, nieuw voorbereid, of voorgesteld heeft. Zie Hebr. 9:18.
Hertaald:
ingewijd heeft
Of: nieuw bereid of voorgesteld heeft. Zie Hebr. 9:18.
Zijn vlees;
Dat is, Zijn menselijke natuur, waardoor Zijn Goddelijke natuur bedekt werd, gelijk door het voorhangsel de ark des Verbonds en de genadestoel, met het gehele heilige der heiligen.
Hertaald:
Zijn vlees;
Dat is: Zijn menselijke natuur, waardoor Zijn goddelijke natuur bedekt werd, zoals door het voorhangsel de ark van het verbond en het verzoendeksel met het hele heilige der heiligen bedekt werden.
over het huis Gods;
Dat is, de ganse gemeente Gods. Zie hiervoor Hebr. 3:6.
Hertaald:
over het huis Gods;
Dat is: de hele gemeente van God. Zie hiervoor Hebr. 3:6.
waarachtig hart,
Dat is, ongeveinsd, oprecht gemoed.
Hertaald:
waarachtig hart,
Dat is: een ongeveinsd, oprecht gemoed.
[onze] harten
Dat is, onze zielen of gedachten, wil en genegenheden.
Hertaald:
[onze] harten
Dat is: onze zielen, of onze gedachten, wil en neigingen.
gereinigd zijnde
Grieks besprengd; dat is, met besprenging van het bloed van Christus gereinigd en bevrijd zijnde van de kwade conscientie. Zie hiervoor Hebr. 9:14.
Hertaald:
gereinigd zijnde
Grieks: besprenkeld; dat is: door de besprenkeling met het bloed van Christus gereinigd en van het kwade geweten bevrijd. Zie hiervoor Hebr. 9:14.
het lichaam gewassen
Dat is, onze uitwendige daden of werken, die door het lichaam geschieden.
Hertaald:
het lichaam gewassen
Dat is: onze uiterlijke daden of werken, die door het lichaam gebeuren.
met rein water
Dat is, door de werking van den Geest van Christus, die door rein water doorgaans wordt aangeduid. Zie Ezech. 36:25; 1 Joh. 5:6.
Hertaald:
met rein water
Dat is: door de werking van de Geest van Christus, Die telkens met rein water aangeduid wordt. Zie Ezech. 36:25; 1 Joh. 5:6.
der hoop
Namelijk die in ons is; 1 Petr. 3:15.
Hertaald:
der hoop
Namelijk de hoop die in ons is; 1 Petr. 3:15.
[vast-]houden;
Dat is, standvastig behouden, zonder daar af te wijken, of ons daarvan te laten afleiden.
Hertaald:
[vast-]houden;
Dat is: standvastig behouden, zonder daarvan af te wijken of ons daarvan te laten afleiden.
is getrouw);
Namelijk in het volbrengen van hetgeen hij beloofd heeft.
Hertaald:
is getrouw);
Namelijk in het volbrengen van wat Hij beloofd heeft.
elkander acht nemen,
Of, elkander waarnemen.
Hertaald:
elkander acht nemen,
Of: op elkaar letten.
bijeenkomst niet nalaten,
Namelijk in de Christelijke vergaderingen, die tot gehoor van Gods woord, algemene gebeden, en gebruik der heilige sacramenten aangericht zijn. Zie Hand. 2:42, en Hand. 20:7; 1 Kor. 11:20, enz.
Hertaald:
bijeenkomst niet nalaten,
Namelijk de christelijke bijeenkomsten, die gehouden worden om Gods Woord te horen, voor de algemene gebeden en voor het gebruik van de heilige sacramenten. Zie Hand. 2:42 en Hand. 20:7; 1 Kor. 11:20, enzovoort.
de gewoonte hebben,
Namelijk die van de waarheid afvallen, of uit vrees der Joden, of ook door nalatigheid, of uit een groot gevoelen van zichzelf, of uit andere oorzaken hierin vertragen. Zie Matt. 18:20.
Hertaald:
de gewoonte hebben,
Namelijk zij die van de waarheid afvallen, of die hierin verslappen uit vrees voor de Joden, of door nalatigheid, of uit een hoge dunk van zichzelf, of om andere oorzaken. Zie Matth. 18:20.
willens zondigen,
Dat is, moedwillig afvallen van dit geloof, hetwelk de apostel hier heeft beschreven, gelijk hierna vs.29 deze zonde breder wordt verklaard, die de apostel ook hiervoor, Hebr. 6:6, een afvallen heeft genoemd. Hij spreekt dan hier niet van allerlei zonde of afval, maar van die zonde, die Christus noemt de zonde of lastering tegen den Heiligen Geest, Matt. 12:32, en van de zonde tot den dood, waar Johannes van spreekt, 1 Joh. 5:16, gelijk blijkt uit de volgende eigenschappen, die hierna vermeld worden.
Hertaald:
willens zondigen,
Dat is: moedwillig afvallen van dit geloof dat de apostel hier beschreven heeft, zoals hierna in vers 29 deze zonde uitvoeriger verklaard wordt; hiervoor in Hebr. 6:6 heeft de apostel die ook een afvallen genoemd. Hij spreekt hier dus niet over allerlei zonde of afval, maar over die zonde die Christus de zonde of de lastering tegen de Heilige Geest noemt, Matth. 12:32, en over de zonde tot de dood waarover Johannes spreekt, 1 Joh. 5:16, zoals blijkt uit de eigenschappen die hierna genoemd worden.
geen slachtoffer meer over
Namelijk dewijl zodanigen het enige slachtoffer van het Nieuwe Testament, namelijk van den Heere Jezus en Zijn verdienste moedwillig verwerpen en verachten. En schijnt hier ook de apostel te zien op de plaats Num. 15:30-31, daar ook zelfs naar de wet geen offerande tot verzoening wordt toegelaten voor degenen, die met opgeheven hand zondigden, en den Heere versmaadden, maar zonder genade uit het volk moesten uitgeroeid worden.
Hertaald:
geen slachtoffer meer over
Namelijk omdat zulke mensen het enige slachtoffer van het Nieuwe Testament, namelijk de Heere Jezus en Zijn verdienste, moedwillig verwerpen en verachten. De apostel lijkt hier ook te zien op de plaats Num. 15:30-31, waar zelfs naar de wet geen offer tot verzoening toegelaten wordt voor hen die met opgeheven hand zondigden en de Heere versmaadden; die moesten zonder genade uit het volk uitgeroeid worden.
de tegenstanders
Dat is, de vijanden van Gods waarheid en vervolgers van deze.
Hertaald:
de tegenstanders
Dat is: de vijanden van Gods waarheid en de vervolgers daarvan.
te niet gedaan,
Dat is, verworpen, verlaten, verloochend, of daarvan afvallig is geworden, gelijk Deut. 13:5-7, en Deut. 17:2, wordt verklaard. Want hoewel er meer moedwillige zonden waren, die met den dood werden gestraft, nochtans zo ziet de apostel inzonderheid op deze zonde van den moedwilligen afval, gelijk het Griekse woord athetein, dat is, afzetten of teniet doen, en de vergelijking van vs.29 medebrengt.
Hertaald:
te niet gedaan,
Dat is: verworpen, verlaten, verloochend, of daarvan afvallig geworden is, zoals in Deut. 13:5-7 en Deut. 17:2 verklaard wordt. Want hoewel er meer moedwillige zonden waren die met de dood gestraft werden, ziet de apostel toch in het bijzonder op deze zonde van de moedwillige afval, zoals het Griekse woord athetein, dat is: afzetten of tenietdoen, en de vergelijking van vers 29 meebrengen.
vertreden heeft,
Dat is, moedwillig veracht en verworpen heeft. Want hetgeen men vertreedt, pleegt men met verachting en verwerping zo te behandelen.
Hertaald:
vertreden heeft,
Dat is: moedwillig veracht en verworpen heeft. Want wat men met de voeten treedt, behandelt men gewoonlijk zo, met verachting en verwerping.
het bloed des testaments
Dat is, het bloed van Jezus Christus, door hetwelk het Nieuwe Testament is bevestigd; Matt. 26:28.
Hertaald:
het bloed des testaments
Dat is: het bloed van Jezus Christus, waardoor het Nieuwe Testament bevestigd is; Matth. 26:28.
onrein geacht heeft,
Grieks gemeen; dat is, profaan, onheilig, Marc. 7:2; Hand. 10:14. Want hetgeen men verwerpt of verzaakt, dat houdt men voor onrein of onheilig in zaken van den godsdienst.
Hertaald:
onrein geacht heeft,
Grieks: gemeen; dat is: profaan, onheilig, Mark. 7:2; Hand. 10:14. Want wat men verwerpt of verzaakt, houdt men in zaken van de godsdienst voor onrein of onheilig.
geheiligd was,
Namelijk uitwendig, ten aanzien van zijn voorgaande belijdenis, aangaande het gehoor van het Goddelijke woord, gebruik der heilige Sacramenten en afscheiding van andere gemene mensen, namelijk Joden en heidenen. Hoewel de zodanige de ware wedergeboorte niet deelachtig was, gelijk Johannes getuigt, 1 Joh. 2:19, en gelijk zulke, 2 Petr. 2:22, evenwel nog honden en zeugen worden genoemd, al worden zij reeds van hun uitwendig slijk gewassen en de onreinheid van afgoderij en andere onheiligheden hadden verlaten.
Hertaald:
geheiligd was,
Namelijk uiterlijk geheiligd, met het oog op zijn eerdere belijdenis: het horen van het goddelijke Woord, het gebruik van de heilige sacramenten en de afzondering van andere gewone mensen, namelijk Joden en heidenen. Toch had zo iemand geen deel aan de ware wedergeboorte, zoals Johannes betuigt, 1 Joh. 2:19; en zulke mensen worden in 2 Petr. 2:22 nog steeds honden en zeugen genoemd, ook al zijn zij van hun uiterlijke slijk gewassen en hebben zij de onreinheid van de afgodendienst en van andere onheiligheden verlaten.
den Geest der genade
Dat is, den Heiligen Geest, die in hen enigen smaak van Gods genade begon te werken, waarover zij zich ook enen tijd verblijdden. Zie hiervan breder Hebr. 6:5.
Hertaald:
den Geest der genade
Dat is: de Heilige Geest, Die in hen enige smaak van Gods genade begon te werken, waarover zij zich ook een tijd verheugden. Zie hierover uitvoeriger Hebr. 6:5.
Die gezegd heeft
Namelijk Deut. 32:35-36 waar de Heere belooft, dat Hij Zijn volk zal wreken over hunne vijanden, en oordelen, dat is, richten en beschermen tegen alle vervolgers en verdrukkers. En hier valt op te merken, dat de apostel de woorden der Griekse overzetters naar den Hebreeuwsen tekst verandert en verbetert.
Hertaald:
Die gezegd heeft
Namelijk in Deut. 32:35-36, waar de Heere belooft dat Hij Zijn volk zal wreken over hun vijanden en dat Hij zal oordelen, dat is: richten en beschermen tegen alle vervolgers en verdrukkers. Hier valt op te merken dat de apostel de woorden van de Griekse vertalers naar de Hebreeuwse tekst verandert en verbetert.
te vallen in de handen
Namelijk als Hij wraak doet over Zijn vijanden. Anderszins is het beter te vallen in de handen van God dan der mensen, als Hij de Zijnen genadig tuchtigt; 2 Sam. 24:14.
Hertaald:
te vallen in de handen
Namelijk wanneer Hij wraak doet over Zijn vijanden. Overigens is het beter in de handen van God te vallen dan in die van de mensen, wanneer Hij de Zijnen genadig tuchtigt; 2 Sam. 24:14.
nadat gij verlicht zijt geweest,
Namelijk eerst, toen gij gelovig geworden zijt, en door den doop de gemeente van Christus zijt ingelijfd. Hoeveel te meer dan, wil hij zeggen, moet gij standvastig zijn en tegen alle verdrukkingen gewapend, nadat gij nu Christus lang hebt beleden en Hem gediend.
Hertaald:
nadat gij verlicht zijt geweest,
Namelijk verlicht toen u voor het eerst gelovig geworden bent en door de doop in de gemeente van Christus ingelijfd bent. Hoeveel te meer, wil hij zeggen, moet u dan standvastig zijn en tegen alle verdrukkingen gewapend, nu u Christus al lang beleden en gediend hebt.
een schouwspel geworden zijt;
Dit kan genomen worden òf eigenlijk, dewijl de Christenen dikwijls in de schouwspelen voor de beesten werden geworpen, 1 Kor. 15:32, òf bij gelijkenis, omdat zij in het openbaar in de synagogen en rechthuizen schandelijk ten toon werden gesteld en kwalijk behandeld, gelijk Christus voorzegt, Luc. 12:11, en Luc. 21:12, en Paulus van zich en andere apostelen spreekt, 1 Kor. 4:9.
Hertaald:
een schouwspel geworden zijt;
Dit kan óf in eigenlijke zin opgevat worden, omdat de christenen dikwijls in de schouwspelen voor de beesten geworpen werden, 1 Kor. 15:32, óf bij wijze van vergelijking, omdat zij in het openbaar in de synagogen en de rechtszalen schandelijk tentoongesteld en slecht behandeld werden, zoals Christus voorzegt, Luk. 12:11 en Luk. 21:12, en zoals Paulus over zichzelf en de andere apostelen spreekt, 1 Kor. 4:9.
gemeenschap gehad hebt
Dat is, medelijden gehad hebt, en alle broederlijke hulp bewezen hebt.
Hertaald:
gemeenschap gehad hebt
Dat is: medelijden gehad hebt en alle broederlijke hulp bewezen hebt.
over mijn banden medelijden gehad,
Namelijk wanneer ik te Jeruzalem overvallen en gevangen ben, en genoodzaakt ben geweest mij op den keizer te beroepen, om het geweld der Joden te ontgaan, toen zonder twijfel de gelovige Joden groot mededogen met Paulus hebben gehad en hem alle hulp bewezen. Zie Hand. 21:33.
Hertaald:
over mijn banden medelijden gehad,
Namelijk toen ik in Jeruzalem overvallen en gevangengenomen ben en gedwongen was mij op de keizer te beroepen om het geweld van de Joden te ontgaan. Toen hebben de gelovige Joden zonder twijfel groot medelijden met Paulus gehad en hem alle hulp bewezen. Zie Hand. 21:33.
met blijdschap aangenomen,
Namelijk naar de vermaning en belofte van Christus, Matt. 5:11-12, en naar het voorbeeld der apostelen; Hand. 5:41. Zie ook 1 Thess. 2:14.
Hertaald:
met blijdschap aangenomen,
Namelijk naar de aansporing en de belofte van Christus, Matth. 5:11-12, en naar het voorbeeld van de apostelen; Hand. 5:41. Zie ook 1 Thess. 2:14.
in uzelven
Dat is, in de hoop die in u is.
Hertaald:
in uzelven
Dat is: in de hoop die in u is.
uw vrijmoedigheid niet weg,
Dat is, uw vrijmoedige belijdenis, spruitende uit de vrijmoedigheid van het geloof en van de hoop op God, gelijk hiervoor vs.23 uitgedrukt staat. Of uw vertrouwen.
Hertaald:
uw vrijmoedigheid niet weg,
Dat is: uw vrijmoedige belijdenis, die voortkomt uit de vrijmoedigheid van het geloof en van de hoop op God, zoals hiervoor in vers 23 uitgedrukt staat. Of: uw vertrouwen.
vergelding des loons heeft
Namelijk uit genade en om Christus' wil. Zie Rom. 11:35; Kol. 3:24; Hebr. 13:21.
Hertaald:
vergelding des loons heeft
Namelijk uit genade en om Christus' wil. Zie Rom. 11:35; Kol. 3:24; Hebr. 13:21.
lijdzaamheid van node,
Dat is standvastigheid en lijdzame verwachting der vervulling van Gods belofte, gelijk het bewijs, dat de apostel hier uit de plaats van Habakuk haalt, medebrengt.
Hertaald:
lijdzaamheid van node,
Dat is: standvastigheid en geduldige verwachting van de vervulling van Gods belofte, zoals het bewijs meebrengt dat de apostel hier uit de plaats van Habakuk haalt.
de beloftenis moogt wegdragen;
Dat is, beloofde zaak of erfenis. Zie Gal. 3:22.
Hertaald:
de beloftenis moogt wegdragen;
Dat is: de beloofde zaak of erfenis. Zie Gal. 3:22.
Nog een zeer weinig [tijds
Namelijk is er overig. Deze woorden zijn genomen uit Hab. 2:3; Hag. 2:7, die de apostel niet van woord tot woord bijbrengt, maar vermeldt den zin daarvan en past ze tot zijn voornemen.
Hertaald:
Nog een zeer weinig [tijds
Namelijk is er nog over. Deze woorden zijn genomen uit Hab. 2:3; Hagg. 2:7. De apostel haalt die niet woord voor woord aan, maar hij geeft de betekenis daarvan weer en past ze toe op zijn onderwerp.
Hij, Die te komen staat,
Namelijk de Messias, Christus.
Hertaald:
Hij, Die te komen staat,
Namelijk de Messias, Christus.
zal uit het geloof leven;
Zie nader van deze overzetting Rom. 1:17.
Hertaald:
zal uit het geloof leven;
Zie over deze vertaling nader Rom. 1:17.
zo [iemand] zich onttrekt,
Namelijk van dit geloof en lijdzame verwachting, door afval of verloochening van Christus en Zijn waarheid.
Hertaald:
zo [iemand] zich onttrekt,
Namelijk zich onttrekt aan dit geloof en aan deze geduldige verwachting, door afval of verloochening van Christus en Zijn waarheid.
Maar wij zijn niet
Hiermede verzacht de apostel het voorgaande dreigement, namelijk dat hij zulk gevoelen van hen niet heeft, hoewel hij zo spreekt, gelijk hij ook in dergelijke waarschuwing hiervoren, Hebr. 6:9, heeft gedaan.
Hertaald:
Maar wij zijn niet
Hiermee verzacht de apostel de voorgaande dreiging, namelijk dat hij zulk een gedachte over hen niet heeft, hoewel hij zo spreekt; zo heeft hij ook gedaan bij een dergelijke waarschuwing hiervoor, Hebr. 6:9.
van degenen,
Grieks der onttrekking.
Hertaald:
van degenen,
Grieks: van de onttrekking.
van degenen, die geloven
Grieks des geloofs.
Hertaald:
van degenen, die geloven
Grieks: van het geloof.
behouding
Of, verkrijging, verwerving.
Hertaald:
behouding
Of: verkrijging, verwerving.
der ziel
Dat is, van de zaligheid der ziel; gelijk Christus ook spreekt Matt. 10:39.
Hertaald:
der ziel
Dat is: van de zaligheid van de ziel, zoals Christus ook spreekt in Matth. 10:39. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe De schrijver komt tot de kern van zijn betoog, en hij doet dat met een opmerking over meubilair — of liever, over het ontbreken daarvan. In heel de tabernakel stond geen stoel, want het werk was nooit af; Christus is gezeten. De wet, schrijft hij, had een schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken. Een schaduw laat de vorm zien maar niet de zaak. Het bewijs is de herhaling. Als die offers de aanbidders eenmaal volmaakt hadden, zouden zij opgehouden hebben geofferd te worden. Maar zij hielden niet op, jaar na jaar — en juist daarin is een gedachtenis der zonden, elk jaar opnieuw. Het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt. Dan komt het beeld dat blijft hangen: een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen. Zij stónden. In de tabernakel was geen stoel voor de priester, want zijn werk was nooit klaar. Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods. De kanttekening merkt op dat het offeren aan het hout van het kruis geschiedde. Hij ging zitten. Dat is het gebaar van iemand die klaar is — hetzelfde als het woord aan het kruis: het is volbracht. En dan de zin die alles samenvat: met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden. De schrijver haalt daarbij het nieuwe verbond van Jeremia aan, en let vooral op het slot (Hebreeën 10:17): en hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. Waar vergeving van die is, daar is geen offerande meer voor de zonde. Daarop volgt de toepassing, en die is niet vrijblijvend: laat ons dan toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs — door een nieuwe en levende weg, dien Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees. In het Nieuwe Testament: Johannes 19:30; Kolossenzen 2:14; Hebreeën 1:3; Efeze 3:12
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas De preek benadrukt dat Gods barmhartigheid in Christus groot is, maar waarschuwt tegelijk ernstig voor het oordeel over onboetvaardige zondaars. Spurgeon betoogt dat de leer van Gods toorn,… Aan hun zonden en hun wetteloze daden zal Ik beslist niet meer denken. Hebreeën 10:17 In Gods vergeving zit zoveel kracht en werkelijkheid, iets wat je nooit zult… Met één offer heeft Hij hen die geheiligd worden, tot in eeuwigheid volmaakt. Hebreeën 10:14 Als God jou tot een nieuw schepsel heeft gemaakt – het grootste werk… Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is. Hebreeën 10:25 Goed, het vorige verhaal ging over een man die wel kon horen,… En aan hun zonden en hun wetteloze daden zal Ik beslist niet meer denken. Waar er nu vergeving voor is, is er geen offer voor de zonde meer… Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen. Hebr. 10:9 Gods weg is het, om te gaan van goed tot beter. Dit verwekt toenemende verwondering en dankbaarheid.… Houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde? En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar (Lukas 13:7—8). Lees verder Hebreeën 10:26—31.… Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer als u de grote dag ziet… Maar vermaan elkaar elke dag, zolang men van een heden kan spreken, opdat niemand van u verhard zal worden door de verleiding van de zonde. (Hebreeën 3:13) Lees verder… En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken. Hebreeën 10:24 We hebben Jezus lief als we gevorderd zijn in het leven der… Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs. Hebreeën 10:22 Terecht wordt er wel gezegd: ‘Niets is gemakkelijker dan te twijfelen. Een mens… Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw); En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der… En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf de geest. En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven naar beneden. Matt. 27:50,51. Dewijl… En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. Hebreeën 10:17 Volgens dit genadige verbond behandelt de Heere Zijn volk alsof jij en ik nooit gezondigd… Wetende, dat gij hebt in uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen. Hebr. 10:34 Dit is juist. Ons bezit hier is zeer onbestendig; er ligt geen vastigheid… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hebreeën 10
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De priester die ging zitten — 10:1-25
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
De toekomstige straf, een beangstigend vooruitzicht
Onze zonden zijn vergeten
Gods doorgaande werk
De man die niet kon horen
Waar nu vergeving voor is
Hebr. 10:9 - Het eerste en het tweede
Nog de tijd van genade
Kom samen
Bemoedig en vermaan
Tot opscherping der liefde
Zelf de Bijbel lezen
Samenkomen
Het gescheurde voorhangsel
Absoluut vergeten
Een beter en blijvend goed


Hebreeën 10
Hebreeën 10:1-2
KruisverwijzingenHebreeën 8:5→Hebreeën 9:11→Kolossenzen 2:17→Jesaja 44:22→Jesaja 43:25→Psalmen 103:12→Micha 7:19→Hebreeën 7:18→— Want de wet, hebbende een schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan. Anderszins zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat degenen, die den dienst pleegden, geen geweten meer zouden hebben der zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde;
Dit slaat op de oude ceremoniële wet van Mozes, waaronder de Joden zo lang leefden. Zij moesten jaar na jaar dezelfde soort offers blijven brengen, omdat het verzoeningswerk nooit volmaakt gedaan werd. De mensen werden er niet door gereinigd of zalig gemaakt, dus moest het proces voortdurend herhaald worden. Was er een lam nodig om elke morgen en avond geofferd te worden, en een grote verzoendag die elk jaar gehouden moest worden? Dan bewijst dat, dat er nog zonde overbleef die niet was weggenomen. Het was zonde waarvoor de aanbidders telkens weer moesten terugkomen, met nieuwe offers voor hun nieuwe zonden. Het betoog van de apostel is onweerlegbaar.
Hebreeën 10:3-4
KruisverwijzingenHebreeën 9:7→Hebreeën 10:11→Leviticus 16:6→Exodus 30:10→Hebreeën 9:9→Micha 6:6→Romeinen 11:27→Leviticus 16:34→— Maar nu geschiedt in dezelve alle jaren weder gedachtenis der zonden. Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.
Uw gezond verstand zegt u dat het onmogelijk is dat het bloed van stieren en bokken de zonden kan wegnemen. Al zouden er stromen van zulk bloed voortdurend vloeien, welke kracht zou daarin liggen om de morele smet van schuld en overtreding tegen God weg te nemen?
Hebreeën 10:5-7
KruisverwijzingenPsalmen 40:6→Hebreeën 1:6→Psalmen 40:7→Jesaja 1:11→Galaten 4:4→Hebreeën 10:7→Hebreeën 10:10→Lukas 1:35→— Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid; Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd. Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God!
Die wil was nog niet gedaan, hoewel er talloze offers gebracht waren. Maar Christus kwam werkelijk om die wil te doen, door Zichzelf te offeren als het enige aanvaardbare offer.
Hebreeën 10:8-9
KruisverwijzingenHebreeën 10:5→Hebreeën 10:7→Markus 12:33→Hebreeën 9:11→Hebreeën 7:18→Hebreeën 8:7→Hebreeën 12:27→— Als Hij te voren gezegd had: Slachtoffer, en offerande, en brandoffers, en offer voor de zonde hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagd (dewelke naar de wet geofferd worden); Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen.
Er kwam een einde aan de voorbeelden en schaduwen van de ceremoniële wet, opdat de werkelijke zaak door Christus ingevoerd kon worden. Denk toch nooit, geliefde vrienden, dat de oude Joodse ceremoniële wet zou blijven voortbestaan, en zich zou vermengen met de christelijke bedeling. Ach nee! Zoals de schaduwen van de nacht wijken wanneer de zon opgaat, zo verging het alle voorbeelden en schaduwen van de oude wet. Zoals de lantaarns in de straat gedoofd worden wanneer het daglicht terugkeert, zo verdwenen zij toen het grote Tegenbeeld verscheen.
Hebreeën 10:10-12
KruisverwijzingenHebreeën 1:3→Hebreeën 10:14→Hebreeën 13:12→Hebreeën 7:27→Hebreeën 9:12→Hebreeën 10:12→Hebreeën 9:28→Hebreeën 10:4→— In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied. En een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen; Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter hand Gods;
O, wat een gezegende leer is dit: dat het ene offer van Christus gedaan heeft, wat de tienduizenden offers onder de oude wet nooit konden volbrengen! Al het werk van de mens is slechts het spinnen van een gerechtigheid die even snel weer losraakt als zij gesponnen is. Maar Christus heeft het naadloze en vlekkeloze kleed van Zijn gerechtigheid voltooid, dat eeuwig zal duren. Door Zijn ene offer heeft Hij een einde gemaakt aan al de vruchteloze arbeid van de eeuwen. Nu hebben allen van ons die in Hem geloofd hebben, al de weldaden van Zijn volmaakte werk. Nadat Hij Zijn grote taak volbracht had, “zette Hij Zich neder aan de rechterhand Gods.”
Hebreeën 10:13-14
KruisverwijzingenHebreeën 10:1→Hebreeën 1:13→Romeinen 15:16→Hebreeën 7:25→1 Korinthe 15:25→Psalmen 110:1→Lukas 20:43→Judas 1:1→— Voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten. Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.
“Verwachtende.” Wij verwachten iets beters dan wij tot nu toe gezien hebben. Wij zijn behouden in hope. Wij verwachten wat nog geopenbaard moet worden; en ook ons Verbondshoofd verwacht. Dit is het tijdperk van de verwachting. Wij zijn nog niet gekomen tot de volheid van de zegen die de onze is in Christus Jezus. Gods genade is op dit ogenblik nog maar in de knop; de volgroeide bloem moet nog gezien worden. Christus verwacht; Zijn heiligen verwachten; heel de schepping verwacht.
Hebreeën 10:15-17
KruisverwijzingenHebreeën 8:8→Jeremia 31:33→Romeinen 11:27→Hebreeën 3:7→Hebreeën 8:12→Jeremia 31:34→Openbaring 2:7→Openbaring 2:17→— En de Heilige Geest getuigt het ons ook; Want nadat Hij te voren gezegd had: Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden; En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken.
O, wat een gezegend verbond is dit! De dood van Christus heeft een genadeverbond gevestigd waarin geen gebrek is, en geen mogelijkheid tot falen, want de ene voorwaarde van het verbond is door Christus vervuld. Nu staat het als een verbond van “zal” en “wil” van Gods kant, waar Hij nooit op terug zal komen. Het is niet: “als zij dit doen, en als zij dat doen, zal Ik het andere doen”; maar het is helemaal “Ik zal.” “Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden; en hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken.”
Hebreeën 10:18
KruisverwijzingenHebreeën 10:14→Hebreeën 10:2→— Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde.
Er is geen offer voor de zonde meer nodig, want het verzoeningswerk is volledig gedaan, en voor altijd gedaan. Is de zonde van allen die in Jezus geloven, weggedaan, welke behoefte is er dan nog aan enig verder offer daarvoor? De verzoening is volkomen; laten wij ons er daarom in verblijden, en God ervoor loven.
Hebreeën 10:19-22
KruisverwijzingenEzechiël 36:25→Hebreeën 7:19→1 Korinthe 6:11→Efeze 5:26→2 Korinthe 7:1→1 Petrus 1:2→Hebreeën 12:24→1 Petrus 3:21→— Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees; En dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods; Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.
De plaats van de christen is die van de dichtst denkbare nabijheid tot God, want “het heiligdom” is het heilige der heiligen. Dat is het binnenste gedeelte van de tabernakel. Daarvoor moest de hogepriester door de buitenste voorhof gaan, en door de voorhof van de priesters, en dan door het prachtige voorhangsel dat het verzoendeksel verborg. Bij de dood van Christus scheurde dat voorhangsel van boven tot beneden, zodat er nu niets meer is dat ons weerhoudt van het verzoendeksel. Wij hebben daarom vrijmoedigheid en vrijheid op die weg, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus. Waar de hogepriester zelf maar eenmaal per jaar mocht komen, mogen wij nu te allen tijde komen. Het voorhangsel is niet slechts een tijd lang opgetild en dan weer neergelaten; het is niet opgerold voor toekomstig gebruik; het is in tweeën gescheurd, tenietgedaan. Sinds Jezus gestorven is, is er geen scheiding meer tussen de gelovige en zijn God, behalve door zo’n voorhangsel als ons eigen ongeloof zou willen ophangen.
Hebreeën 10:23
Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:9→Hebreeën 3:6→1 Korinthe 10:13→1 Thessalonicenzen 5:24→Hebreeën 11:11→Jakobus 1:6→Hebreeën 4:14→Titus 1:2→— Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw);
Houd het niet alleen vast, maar houd het onwankelbaar vast. Laat er bij ons nooit twijfel over bestaan. God geve dat wij een onbevraagd, onwankelbaar geloof mogen hebben! Onze belijdenis vasthouden lijkt al genoeg; maar haar onwankelbaar vasthouden is nog beter, en zo behoren wij te doen.
Hebreeën 10:24
Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 5:11→Hebreeën 13:1→1 Johannes 3:18→Galaten 5:13→Kolossenzen 3:16→1 Timotheüs 6:18→Titus 3:8→Hebreeën 6:10→— En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken;
Ik vrees dat er sommigen zijn die op elkaar acht geven om te prikkelen in een heel andere geest dan deze. Zij kijken uit naar een gevoelige plek waar een wond het meest gevoeld zal worden. Zij letten op de zwakheid van de gestalte van een broeder, en spelen daar dan mee, of maken er grapjes over. Dat alles is kwaad; laten wij het daarom vermijden. Laten wij liever de goede eigenschappen van onze broeders zoeken, en die overwegen, opdat wij hen later kunnen helpen bij die bijzondere goede werken waarvoor zij het meest geschikt zijn.
Hebreeën 10:25
KruisverwijzingenHandelingen 2:42→Hebreeën 3:13→Mattheüs 18:20→1 Thessalonicenzen 5:11→Hebreeën 10:24→1 Thessalonicenzen 4:18→1 Korinthe 5:4→Handelingen 20:7→— En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.
Er zijn er die zelfs misbruik maken van wat een grote zegen zou moeten zijn, namelijk de drukpers en de gedrukte preek. Zij blijven thuis om een preek te lezen, omdat dat, naar zij zeggen, beter is dan uit te gaan om er een te horen. Welnu, lieve vriend, al zou ik niets kunnen horen, dan zou ik toch nog deel uitmaken van de samenkomst die vergaderd is voor de aanbidding van God. Het is een slecht voorbeeld voor een belijdend christen om zich te onttrekken aan de samenkomst van Christus’ vrienden.
Hebreeën 10:26-27
Kruisverwijzingen2 Petrus 2:20→1 Johannes 5:16→Johannes 9:41→Hebreeën 6:4→Lukas 12:47→Mattheüs 12:43→Johannes 13:17→2 Thessalonicenzen 2:10→— Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; Maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden.
Dit is een ernstige tekst, met een zeer verschrikkelijke waarheid erin. Stel dat wij, na wedergeboren en tot kinderen van God gemaakt te zijn, moedwillig en opzettelijk de Zaligmaker zouden loslaten. Zouden wij geheel afvallen tot de wereld, dan zou er voor ons geen hoop meer zijn. Wat is dan onze hoop? Wel, dat wij nooit zullen toegelaten worden dat te doen. De genade van God zal ons zo bewaren, dat wij, al mogen wij vallen zoals Petrus, niet zullen afvallen zoals Judas.
Hebreeën 10:28-29
KruisverwijzingenHebreeën 2:2→Hebreeën 2:3→Hebreeën 6:6→Hebreeën 9:13→Hebreeën 13:20→Efeze 4:30→Mattheüs 18:16→Johannes 8:17→— Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen; Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan?
Want afval van Christus zou op dit alles neerkomen; en was dat mogelijk, welke genade zou er dan nog overblijven?
Hebreeën 10:30-31
KruisverwijzingenDeuteronomium 32:35→Romeinen 12:19→Psalmen 135:14→Nahum 1:2→Psalmen 50:4→Hebreeën 12:29→Jesaja 33:14→Mattheüs 10:28→— Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Mijn is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere zal Zijn volk oordelen. Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods.
O belijders, neem deze boodschap ter harte! Laat ieder van ons haar ter harte nemen: “De Heere zal Zijn volk oordelen.” Gods vuur is in Sion, en Zijn oven in Jeruzalem.
Hebreeën 10:32-33
KruisverwijzingenHebreeën 6:4→1 Korinthe 4:9→Filippenzen 4:14→1 Thessalonicenzen 2:14→Filippenzen 1:29→Galaten 3:3→Filippenzen 3:16→Openbaring 3:3→— Doch gedenkt de vorige dagen, in dewelke, nadat gij verlicht zijt geweest, gij veel strijd des lijdens hebt verdragen. Ten dele, als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt; en ten dele, als gij gemeenschap gehad hebt met degenen, die alzo behandeld werden.
De apostel verwacht niet dat een van hen ooit zal teruggaan naar waar zij vandaan kwamen; hij is ervan overtuigd dat zij zullen volharden, zelfs tot het einde toe. De waarschuwing die hij geeft, is juist een krachtig middel tegen afval. Nu komt de vermaning: “gedenkt de vorige dagen.” Sommigen van u kunnen zich de tijd herinneren dat u zich bij de gemeente voegde, toen u voor Christus’ wil door het vuur moest gaan. Toen, in uw eerste christelijke leven, vreesde u niets en niemand, zolang u God kon verheerlijken.
Hebreeën 10:34-35
KruisverwijzingenGalaten 6:8→Hebreeën 3:6→Hebreeën 11:26→1 Petrus 1:4→Hebreeën 4:14→1 Korinthe 15:58→Mattheüs 5:12→Hebreeën 2:2→— Want gij hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen. Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft.
Wees als de dappere Spartaan die zijn schild nooit zou verliezen, maar die thuis zou komen ermee, of erop. “Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg.” U vertrouwde op God in die vroege dagen, en niets scheen u toen te ontmoedigen. Werp uw vrijmoedigheid niet weg. Voeg er liever meer aan toe. Laat er geen gedachte zijn om terug te gaan, maar mag er veeleer een duidelijke vooruitgang zijn!
Hebreeën 10:36
KruisverwijzingenLukas 21:19→Hebreeën 12:1→Hebreeën 6:15→Hebreeën 9:15→Hebreeën 13:21→1 Johannes 2:17→Romeinen 15:4→Mattheüs 10:22→— Want gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen;
Er moet eerst de vervulling van Gods wil zijn, en dan zal de beloning daarna komen. God zal Zijn volk hun volle loon nog niet geven. Geduld dan, broeder; geduld, zuster. Zaterdagavond zal op een dag komen; uw weektaak zal dan voorbij zijn, en u zult meer dan beloond worden voor alles wat u voor uw Heere gedaan hebt.
Hebreeën 10:37-38
KruisverwijzingenHabakuk 2:3→Romeinen 1:17→Galaten 3:11→Jesaja 26:20→Openbaring 22:20→Hebreeën 6:4→Lukas 18:8→Habakuk 2:4→— Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven. Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.
De terugtrekkers, de louter belijders, zeggen verlicht te zijn geweest, en hebben in zekere mate de zoetheid van de godsdienst geproefd. Maar zij hebben Christus nooit in hun diepste hart ontvangen: dat zijn de mensen in wie God geen welbehagen heeft.
Hebreeën 10:39
KruisverwijzingenPsalmen 44:18→2 Petrus 3:7→Spreuken 14:14→Johannes 17:12→1 Thessalonicenzen 5:9→Lukas 11:26→Markus 16:16→Hebreeën 11:1→— Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen, die geloven tot behouding der ziel.
Moge dat waar zijn van ieder van ons, om onzes Heeren Jezus Christus’ wil! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Zo’n eenmalig offer als Christus, de Middelaar van het Nieuwe Testament gebracht heeft, kon er ook ten tijde van het Oude Testament nog niet zijn. Want daar de wet, die in het Oude Testament de godsdienst regelt, slecht een schaduw van de toekomende goederen heeft en niet het beeld, het wezen zelf van de zaken (hoofdstuk 8: 5 Kol. 2: 17), is zij daartoe ongeschikt. Zij kan toch met dezelfde offers (hoofdstuk 9: 25 b), die zij, de priesters, zoals de voorschriften luiden, elk jaar weer op de grote Verzoendag offeren, nooit degenen heiligen die daar toetreden. Zij, die door middel van het offer de genade en gemeenschap van God trachten te verkrijgen, kunnen nooit als vrucht van hun offer verkrijgen wat zij nodig hebben en wensen (hoofdstuk 7: 19; 9: 9).
De wet dus is niet het oorspronkelijke, maar het afgeleide; de wet is de schaduw van het beeld of de schets van de werkelijkheid. De zaken door de wet afgebeeld hebben haar wezen en werkelijkheid buiten haar. Als dit nu zo is, kan de wet nooit degenen volmaken die daar toetreden, d. i. die volgens haar instellingen en naar de wijze door haar bepaald tot God naderen. Immers zij naderen niet tot God zelf, maar tot een symbool, een afschaduwing van God. Zij ontvangen dus ook de Heilige Geest niet; zij doen iets waardoor slechts werd aangeduid hoe de mens tot God moet naderen, namelijk door een Middelaar, maar tevens dat die Middelaar nog niet gevonden is.
Anders zouden zij, als de offers eenmaal gebracht waren, opgehouden hebben geofferd te worden, omdat degenen die de dienst pleegden (hoofdstuk 9: 9), geen geweten, geen beschuldiging, geen overtuiging meer zouden hebben van de zonden, na eenmaal gereinigd te zijn. Zij zouden dan volkomen vrede voor hun gemoed hebben gehad.
Maar nu is dat het geval niet en werd elk jaar weer opnieuw geofferd en zo de zonden in gedachtenis gebracht, waardoor juist het tegendeel wordt teweeggebracht van het geheiligd, van het volkomen gemaakt worden.
Dit ligt ook geheel in de aard van de zaak: a) want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken (hoofdstuk 9: 13) de zonden zou wegnemen, zoals dat reeds in Ps. 50: 3 is gezegd.
Lev. 16: 14 Num. 19: 4
Als de schrijver hier en in vs. 11 zo bepaald mogelijk uitspreekt dat het bloed van stieren en bokken de zonden niet kan wegnemen en in hoofdstuk 9: 9 en 13 dat daardoor geen reiniging van het geweten maar alleen een lichamelijke reinheid kon worden verkregen, dan schijnt hij daardoor in tegenspraak te komen zowel met de mozaïsche wetgeving, die zeker aan de rite van gebrachte offers van dieren werkelijke vergeving van de zonden toezegt (Lev. 17: 11) alsook met de blijde zekerheid van daardoor gewaarborgde zondevergeving bij de psalmdichters. De tegenspraak wordt echter weggenomen, als men onderscheid maakt tussen dat wat de oudtestamentische offerdienst voor de schrijver was in verband met het offer van Christus, dat vol leven was en door het Oude Testament voor afgebeeld en hetgeen het is in zichzelf en buiten dat verband.
Evenals Paulus de wet, als men er naast Christus enige waarde aan toekent, in haar machteloosheid voorstelt zoals zij buiten verband met de belofte zou zijn, evenzo vinden wij in de brief aan de Hebreeën een terechtwijzing van degenen die de offers naar de wet niet wilden laten varen, nadat zij toch Christus hadden; daarom beschouwt en beoordeelt de schrijver deze offers buiten hun verband met het offer van Christus.
Het offerbloed van de dieren, op het altaar gebracht, is wel een middel door God gegeven tot verzoening van de zielen van de mensen, maar bij het onevenredige tussen middel en doel, zoals dat voor de hand ligt, slechts tijdelijk toegestaan. Het offer van het dier, aan de ene zijde ontoereikend, aan de andere toch voorgeschreven, was een heen wijzing naar een ander, dat het voorafschaduwde en dat het eigenlijke doel van Gods genadig welbehagen was.
Met de zekerheid van de door Christus werkelijk volbrachte en door God waarlijk erkende verzoening, ontstaat een hele omkering van het zedelijk godsdienstige bewustzijn in het geweten van de mens. Dit heeft niet meer als inhoud de zonde en de vrees voor de rechtmatige straf in het gevoel van de niet uitgedelgde schuld, maar de verzoening ten gevolge van de vergeving, die door genade op grond van de verzoening is geschied. De verzoenden hebben zeker, omdat zij nog in de staat van de volmaking leven, de voortdurende toe-eigening van de offerdood van Jezus Christus en de werkingen daarvan nodig; maar omdat zij eens voor altijd geplaatst zijn in de nieuwe verhouding van zaligheid en vrede met God, hebben wij niet de voortdurende herhaling van dat offer nodig. Juist de herhaling van het zoenoffer toont aan dat het uitwerkt wat het aanduidt, dat het dus het ware zoenoffer niet is, zoals ook het offeren van dieren van de niet-christelijke godsdiensten wel de behoefte aanwees, maar ontoereikende verzoeningsmiddelen zijn, onvoldoende tot bevrediging. Geheel onverenigbaar met hetgeen de Schrift leert, is dus de idee van het misoffer als de onbloedige herhaling van het bloedige offer aan het kruis.
Het ligt in de aard van de zaak. Het bloed van stieren en van bokken is evenmin in staat voor de ziel van de mens verzoenend te werken bij God, als de mens zelf kracht te geven tot verlossing. Ligt toch betekenis van de offering van het bloed in de overgave van de ziel aan God, de ziel van het dier kan evenmin een nieuwe mensheid voor God in het leven roepen als aan de oude mensheid de kracht van de vernieuwing geven. Het een en ander nu wordt vereist. Hij die door de eeuwige Geest Zichzelf aan God heeft geofferd, heeft door dit offer een heilige mensheid aan God voorgesteld: de menselijke natuur is voor het eerst in Hem heilig en welbehaaglijk voor God geworden en heeft recht gekregen voor Hem te bestaan. Maar daardoor ook en om dit recht en om de wijze waarop dit recht verworven is, namelijk door een onverbrekelijk verband met hen die dat recht niet bezitten, met de zondaren, kan die heilige mensheid veranderen en is de kracht van de verzoening tevens een kracht van wedergeboorte. De rechtvaardigmaking wordt tot heiligmaking en openbaart zich daarin.
Daarom, omdat het onmogelijk was voor de offerdienst van het Oude Testament, is de “komende in de wereld”, de Messias (de letterlijke vertaling is overal “de komende”; waar wij in de evangeliën lezen “die komen zou”, is het de gewone Messiaanse naam) geopenbaard. En om nu volgens Zijn roeping Zijn verlossersambt op Zich te nemen zegt Hij, om een ander verzoenmiddel in de plaats te stellen van het bloed van stieren en bokken (Ps. 40: 7-9): “slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild (1 Sam. 15: 22 Ps. 50: 7vv. ; 51: 18), maar Gij hebt Mij een lichaam toebereid en dat kan Ik U als offer tot uitdelging van de menselijke zonde (1 Petrus 2: 24) aanbieden.
Brandoffers en zondoffers hebben U niet behaagd. ” (Jes. 1: 11 Jer. 6: 20 Amos 5: 21v. Mich. 6: 6vv.).
Toen sprak Ik: “Zie, Ik kom (in het begin van het Boek, van de Heilige Schrijft, is van Mij geschreven dat Ik het middel en het hoofdpunt van het woord ben) om Uw wil te doen, o God Ps 40: 8.
In zijn rechtvaardig ongenoegen over de zonde kon God de zondaar verdelgen; in Zijn goddelijke lankmoedigheid heeft Hij hem echter offers en zoenoffers gegeven, waardoor de zondaar, bij de slachting en het bloedvergieten, zich tot de dood schuldig moest verklaren, maar nog een toegang tot de reddende gerechtigheid en genade van Zijn God aannemen. Gedurende de tijd dat God door zulke gaven geduld bleef houden tot de tijd van de lankmoedigheid, sprak de Zoon in de schoot van de Vader van Zijn komst, van Zijn middelaarsambt, van Zijn Hem toebereid lichaam, van Zijn tot volkomen gehoorzaamheid geneigd hart. Het spreken van de Zoon is uit drang van Christus’ Geest door de heilige mannen van God ook te boek gesteld en zo is langzamerhand de hele Schrift van het Oude Testament als het ware de schriftelijke obligatie geworden van de komende, waarin zelfs een blik wordt geslagen op het kruis, tot Hij wist dat alles volbracht was.
De idee zelf, die in de aangehaalde tekst is uitgedrukt, namelijk de gedachte dat het gewillig volbrengen van Gods welbehagen in de plaats moest treden van het oudtestamentische offeren, is de brug tussen de persoon van de dichter en de Messias en leidt tot het doel van de psalmwoorden. In de oudtestamentische tijd toch had die idee slechts in zeer beperkte zin betekenis, zij wees reeds verder dan het Oude Testament, ja zij had daarin eigenlijk volstrekt geen recht. De dichter kon zich tot deze slechts verheffen, als hij zich tevens ook verhief boven het zuiver oudtestamentisch standpunt. Maar zo was ook alleen een onvolkomen verwezenlijking van deze wezenlijk nieuwtestamentische idee in het leven van de oudtestamentische vormen mogelijk, niet alleen om het gebrekkige van de vervulling van Gods welbehagen, dat altijd bestond, maar ook omdat de wil van God, die zij moesten volbrengen, volstrekt niet zag op de verzoening van de zonden, zodat de vervulling daarvan de plaats van het aanbieden van offers niet kon innemen. Die gedachte is pas gerealiseerd doordat Christus, door Zijn eigen lichaam ten offer te geven, de waarachtige raad van God volbracht en daarmee aan alle oudtestamentische offeranden een einde maakte.
Toen Hij tevoren, in de eerder aangehaalde tekst zei: “Slachtoffers en offergaven, brandoffers en zondoffers hebt Gij niet gewild en hebben U niet behaagd (hoewel deze vier soorten van offers, waaronder alle andere begrepen zijn, naar de wet geofferd worden), ” heeft Hij daardoor te kennen gegeven dat zij voor God niet konden voldoen tot herstel van de ware verhouding tot de mens.”
Daarna sprak Hij, om tegenover het onvoldoende het voldoende te stellen (vs. 6 en 7): “Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God. ” Hij neemt dus, zoals duidelijk blijkt, het eerste, het offer, weg om het tweede, het doen van Gods wil, te laten gelden als de weg om ons te heiligen.
Krachtens die wil, daar Hij het volbrengen op Zich heeft genomen en tot werkelijkheid heeft gebracht, zijn wij geheiligd. Dit is eens voor altijd gebeurd, om nu ook aan te voeren wat Hij in de nazin als het Hem verleende middel van het brengen van een waar offer voorstelt, door het offer van het lichaam van Jezus Christus, dat Hij door Zijn dood aan het hout van het kruis heeft gebracht (Efez. 5: 2).
De wil van God, waarin wij geheiligd zijn, is niet de wil en gehoorzaamheid van Christus, maar het raadsbesluit van Gods liefde, dat moet beschouwd worden als genomen in eeuwigheid, dat in de tijd door de overgave van Christus is volbracht en in de Heilige Schrift gevonden wordt als een geopenbaard verlossingsplan.
Evenals het in Gods raadsbesluit gegrond is dat Christus de hogepriesterlijke vertegenwoordiger van de zondige mensheid is (hoofdstuk 5: 1vv.), zo heeft ook de zonden verzoenende kracht van Zijn zelfopoffering haar grond in de wil van God. De wil van God, waarom en waardoor alles geschiedt (hoofdstuk 2: 10), heeft bepaald dat de verzoening van de zonden door Christus volbracht zou worden, terwijl Hij Hogepriester wordt en als zodanig zelf het offer brengt. God heeft namelijk in Zijn genade het vaste, onveranderlijke raadsbesluit (hoofdstuk 6: 17) genomen om aan het zaad van Abraham een eeuwige erfenis te schenken, waartoe ook de goederen behoren van reinheid, van verzoening en vergeving van zonden; en Hij heeft dit raadsbesluit bekend gemaakt in de Messiaanse beloften van het Oude Testament, die Hij met een eed heeft bekrachtigd (vs. 16vv. ; 8: 8vv.). Maar ook de aard en wijze waarop de beloofde reiniging en vergeving van de zonden voor Abrahams zaad moest worden teweeggebracht, was door de wil van God tevoren bepaald en in het Oude Testament aangekondigd; het was de wil van God dat de Messias dit deed door Zijn lichaam ten offer te brengen. Zo heeft dus de kracht van Christus’ zelfovergave haar grond in de wil van God, of, daar deze wil een besluit is dat uitgaat van de genade van God, in Gods genade gegrond. Daarom zegt de schrijver dat Christus “door de genade van God” voor allen de dood gesmaakt heeft (hoofdstuk 2: 9), d. i. dat Gods genade grond en oorzaak ervan is dat Christus tot heil van de mensheid gestorven is. Als dientengevolge de zondenverzoenende kracht van de zelfopoffering van Christus haar laatste grond heeft in Gods genadige wil, dan heeft die verder aan de zijde van Christus deze voorwaarde dat Hij in vrijwillige gehoorzaamheid en in vrije ontfermende liefde (hoofdstuk 2: 17; 4: 15; 5: 2 deze genadige wil van God volbracht. Dit vrijwillig verrichten van Gods welbehagen geeft aan het offer van Christus haar zedelijk religieuze waarde, haar waarde in de ogen van God: een offerdood door gedwongen noodzaak opgelegd, vrijwillig geleden, zou God niet hebben kunnen behagen; het genadig welbehagen van God zou daardoor niet zijn volbracht, want zo’n offerdood zou geen wezenlijk offer zijn geweest. Alleen doordat Christus met het besluit van Zijn eigen wil om dat genadig welbehagen van God door overgave van Zichzelf te volbrengen in de wereld kwam, dit in volkomen gehoorzaamheid en in trouwe, barmhartige liefde vasthield en tenslotte volvoerde, werd Zijn offerdood het middel waardoor de verzoening van de zonde tot stand werd gebracht.
Dat de oudtestamentische offers geen werkelijke verzoening konden aanbrengen, was in vs. 2 afgeleid uit het feit van hun herhaling. Immers, God zou iets dwaas hebben gewild als Hij had bevolen een offer te herhalen dat reeds voor de eerste maal de schuld van de mensheid of van Israël weggenomen had. In vs. 4 werd dat, namelijk het onvoldoende karakter van de oudtestamentische offers om werkelijk de zonde te verzoenen, uit het wezen zelf afgeleid. Het bloed van redeloze dieren is niet in staat zedelijke schulden weg te nemen. Hier ontbreekt het een zowel als het ander dat tot een ware plaatsbekleding nodig is. Een offer dat werkelijk de straf van de schuld van een ander op zich kan nemen, moet eerst hetzelfde lijden kunnen dragen dat de schuldige had moeten treffen, dus niet slechts een lichamelijke smart of lichamelijke dood, maar een innerlijk lijden van de met een ziel begaafde mens. Ten tweede moet een waar offer, nadat dit het lijden plaatsbekledend heeft ondergaan, het plaats bekledende weer kunnen opheffen, d. i. zich in innerlijke eenheid kunnen plaatsen met diegene van wie het de plaats bekleed heeft. Zo wordt ons immers de verdienste van Christus toegeëigend, dat wij, hoewel wij als andere, onderscheiden personen naast Hem stonden toen
Hij leed, zodat Hij zonder ons toedoen en zonder onze medewerking voor ons heeft voldaan, toch nu niet naast Hem blijven staan, maar door Zijn Geest van Zijn kant en door het geloof van onze kant tot leden van Hem worden, aan wie nu in werkelijkheid alles toebehoort wat het Zijne is.
En verder stond wel iedere priester elke dag, zo dikwijls het zijn beurt was (Luk. 1: 8v.), in het heiligdom om te dienen (Deut. 10: 8 Richt. 20: 28) en telkens dezelfde slachtoffers te offeren, die de zonden nooit kunnen wegnemen van degenen, voor wie Hij ze bracht;
Maar deze is, na één slachtoffer voor de zonden geofferd te hebben, a) in eeuwigheid in koninklijke majesteit gezeten aan de rechterhand van God.
Ps. 110: 1 Hand. 2: 34; 1 Kor. 15: 35 Hebr. 1: 13
De priester van het Oude Verbond staat, beschroomd en angstvallig, wakend en dienend, om zich, zodra de dienst verricht is, uit het heiligdom te verwijderen, waarin hij geen vertrouwelijke blik durft slaan; Christus blijft in het allerheiligste vertrouwelijk gezeten aan de rechterhand van de Majesteit, met gerustheid en zaligheid, na het volbrachte werk, in afwachting van de laatste vrucht daarvan.
Hij wacht verder af, nadat Hij door Zijn werk op aarde aan de wereldgeschiedenis de wending tot het einde heeft gegeven (hoofdstuk 9: 26), totdat, overeenkomstig hetgeen God Hem in Ps. 110: 1 beloofd heeft, Zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor Zijn voeten (hoofdstuk 2: 8 Hand. 3: 21).
Verder offeren is nu voor Hem niet meer nodig, want met één offerande heeft Hij, zoals reeds in hoofdstuk 7: 27; 9: 12, 28 is, in eeuwigheid hen volmaakt, die geheiligd worden (hoofdstuk 2: 11).
De schrijver neemt alle priesters en hogepriesters samen, alsof zij één persoon, één man waren. Daar is nu de priester van het Oude Verbond: wat doet hij? Hij staat, door God geplaatst, als een soldaat op zijn post in de tempel. Dag aan dag offert hij en altijd weer dezelfde offers; hij bidt en steeds weer dezelfde gebeden; altijd verricht hij weer dezelfde gebruiken; maar dat waarnaar men in alle godsdiensten zoekt en streeft, een ware gemeenschap met God, het komt nooit in het Oude Verbond tot stand. Tegenover de priester die in de tempel staat, hebben wij de Heiland, die als Koning aan de rechterhand van God verhoogd is. Hij spant Zich niet meer in om evenals de priesters ons de zaligheid te verwerven; dat is reeds gebeurd; door één offer, dat voor alle eeuwigheid geldt, heeft Hij reeds allen die geheiligd worden, tot het doel geleid. Als Hij nu ook bij de Vader voor ons bidt en onze plaats bekleedt, dan is dat toch geen nieuw offer; dat is net zo’n natuurlijk gevolg als dat het vanzelf spreekt dat de zon licht geeft als zij eenmaal is opgegaan.
De priester van het Oude Verbond staat, bevreesd en bescheiden de wacht waarnemend en dienend, om zich, zodra de dienst is beëindigd uit het heiligdom te verwijderen, waarin hij geen vrije, vertrouwelijke blik mocht slaan: Christus blijft in het allerheilige vertrouwelijk zitten aan de rechterhand van de majesteit om in rust en zaligheid na het volbrachte werk het loon daarvan af te wachten.
Het wachten van de priesterkoning, die aan de rechterhand van God is gezeten, op de gehele onderwerping van al Zijn vijanden sluit niet de gedachte in aan persoonlijke werkeloosheid tot de tijd van Zijn wederkomst, maar drukt in tegenstelling tot het werk van de dienende priesters, die het doel niet bereiken, de verheven rust uit van de Middelaar, die in ieder opzicht tot het doel van de heiliging is gekomen, een Middelaar die, na verwezenlijking van de idee van verzoening, in de type van de aäronitische priester aangekondigd, alleen en wel voor eeuwig de plaats inneemt die in de type van Melchizedek, de priesterkoning, is voorzegd, een plaats vrij van diensten en rijk in erkenning, eer en geschiktheid tot het uitdelen van zegen.
Daarom kan Zijn werkzaamheid in de hemel koninklijk en heersend zijn en niet meer priesterlijk dienend en is Hij Hogepriester, niet naar de ordening van Aäron, niet om nog eens bloed tot verzoening te offeren, maar naar de ordening van Melchizedek, dat is om het huis, het koninkrijk te besturen, namelijk, omdat in dat ene offer de kracht van de volmaking ligt voor degenen die geheiligd worden. Het ene offer is eenmaal gebracht, maar niet alsof zij een daad van het verleden was, die nu door andere daden haar werking doet over- en opgaan. Nee, die daad is eeuwig; wat van haar uitgaat is niet opheffing van het mindere door het meerdere, maar een openbaring van de kracht aan de ene daad, die altijd groter blijft dan al wat zij uitwerkt. Die kracht bestaat nu in de heiligmaking. Het offer van Christus heeft een heiligende kracht die tot volmaaktheid leidt, zodat al wat de heiligheid weerstreeft, de zonde, volkomen overwonnen en de gehele mens heilig wordt. Dat dit geheiligd worden van de kant van de mensen een gestadig zich toe-eigenen en toepassen van dat offer vereist, ligt in de aard van de zaak. Hoe zou toch heiliging kunnen geschieden op een passieve manier, buiten de wil om van de geheiligden? Maar die wil openbaart en oefent zich in die toe-eigening van het offer van Jezus Christus. Het medium is dus altijd het geloof, waardoor men zich niet met de geofferde maar levende, de Hogepriester van onze belijdenis, in die leefgemeenschap bevindt, waardoor Hij in ons werkt en wij deel krijgen aan de kracht van Zijn eeuwige leven. Het offer dus van Jezus Christus, als de eeuwige toewijding van Hem, de Hogepriester, zoals Hij verenigd is met het volk, waarvan Hij de priester is, is de kracht van de volmaking voor hen die geheiligd worden.
En de Heilige Geest, door wie de hele Schrift is ingegeven (2 Petrus 1: 21; 2 Tim. 3: 16 ons ook, dat Christus door Zijn
offer, eenmaal geschied, voor eeuwig volmaakt heeft, zodat een ander offer niet meer nodig is.
Want, nadat Hij, God de Heere, in de tekst van de profeet Jeremia, in hoofdstuk 8: 8vv. aangehaald, tevoren gezegd had: a) “Dit is het verbond dat Ik met hen, met het huis van Israël maken zal na die dagen, ” zegt de Heere verder, om aan te wijzen waarin het wezen van het Nieuwe Testament zal bestaan: “Ik zal Mijn wetten geven in hun harten en Ik zal die in hun verstand schrijven (hoofdstuk 8: 10).”
Jer. 31: 31-34 Rom. 11: 27
“En, ” zo zegt Hij tenslotte en hierop komt het ons vooral aan: “hun zonden en ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken (hoofdstuk 8: 12)”.
De schrijver stelt het woord van de Schrift, waarvan hij het getuigenis aanvoert, voor als een werk van de Heilige Geest; toch haalt hij het vrij aan, doch ook deze vrijheid ten opzichte van de letter van de Schrift is een werk van de Heilige Geest (vgl. vs. 38 en “Ex 20: 6” en “De 5: 12.
Waar nu vergeving van deze ongerechtigheid is, daar is geen zondoffer meer, alsof zo’n offer nog verder tot verzoening nodig zou zijn.
De mening van de lezers is dat zij de oudtestamentische offerdienst voortdurend tot verzoening van zonden nodig hadden en hun dwaling is ook dat Christus, als Zijn hogepriesterlijk werk dat van de oudtestamentische hogepriesters moest vervangen, Zichzelf herhaaldelijk ten offer zou moeten brengen. Beide ideeën heeft de schrijver grondig en volledig weerlegd; hij mocht hopen dat hij de Hebreeën ervan overtuigd had dat het offer van Christus, eenmaal geschied, de godsdienstige behoefte die ten grondslag lag aan hun gerechtigheid aan de offerdienst, niet alleen even goed bevredigde als de herhaalde Levitische offeranden, maar dat het integendeel die behoefte alleen werkelijk kon bevredigen, terwijl de herhaalde Levitische offeranden zonder uitwerking waren en door het betere offer overbodig geworden.
D. Ves 19-39
Reeds eerder (hoofdstuk 2: 1vv. ; 4: 1vv.) verbond de schrijver aan zijn leerzame uiteenzettingen telkens een dringende vermaning voor de lezers naar de behoefte van hun geloofsstaat, zoals die in zwakheid was en door gevaar voor afval bedreigd werd. Op dezelfde wijze doet hij na dit zo uitvoerig derde onderricht, waarin hij de voorrang van Christus’ hogepriesterschap boven het Levitische heeft aangewezen en Zijn hogepriesterlijke dienst heeft voorgesteld als iets waardoor een volkomen verzoening is teweeggebracht, een nieuw verbond is opgericht en het allerheilige van de hemel is ontsloten, maar waardoor ook het Oude Testament met de offerdienst naar de wet is opgeheven. Hij vermaant de Hebreeën tot een trouw gebruik maken van de zaligheid in Christus’ zelfopoffering aangeboden (vs. 19-25), waarschuwt hen op diep treffende wijze voor afval van het christelijk geloof (vs. 26-31), herinnert hen aan de tijd van hun eerste liefde (vs. 32-34) en sluit af, lettend op een oudtestamentisch profetisch woord, met de aansporing om in het geloof te volharden tot aan de wederkomst van Christus, die voor de deur staat (vs. 35-39).
Omdat wij dan, broeders, volgens de woorden in hoofdstuk 5: 1-10: 18, vrijmoedigheid hebben a) om in te gaan in het heiligdom, d. i. het allerheilige van de hemel en zo God rechtstreeks te naderen om gemeenschap met Hem te hebben en van Hem te bidden wat wij willen (Efez. 3: 12), door het bloed van Jezus, waardoor Hij ons genade bij God en vergeving van zonden heeft aangebracht, laat ons dit niet gering achten.
Joh. 10: 9; 14: 6
Wij mogen toch gaan op een nieuwe en levende weg, die wij onder het Oude Verbond nog niet konden bewandelen of slechts in dode werken trachtten te bewandelen (hoofdstuk 9: 6vv., 13v.), een weg die Hij ons ingewijd heeft door wegneming van het voorhangsel, dat is door Zijn vlees, dat eerst moest worden geofferd (MATTHEUS. 27: 50v. Kol. 1: 22);
Vers of nieuw, niet alleen omdat hij pas nu geopend is, daar hij tevoren onbekend was, maar ook omdat die weg niet veroudert, niet door een andere vervangen wordt. Hij blijft, ook in het verloop van de eeuwen, de nieuwe weg die niets van zijn frisheid verliest. Alle andere wegen verwelken. Iedere toegang tot God die in praktijken en ceremoniën bestaat en door instellingen gehandhaafd wordt, ondervindt de invloed van deze wereld. Aan praktijken en ceremoniën raakt men gewend en de instellingen verouderen, maar het bloed van Christus behoudt zijn kracht, omdat het de openbaring is van de eeuwig levende en levendmakende Geest. Daarom wordt deze weg ook een levende genoemd. De weg bestaat in het leven dat hij die hem gaat, ondervindt. Wie door het bloed van Christus tot God gaat, ervaart de kracht van dat bloed door het leven dat aan hem gegeven wordt. Hij is niet passief in het betreden van deze weg. Het betreden daarvan is integendeel de volledige ontwikkeling en openbaring van alle krachten die hij van Christus ontvangen heeft. Het geloof is een leven, een eeuwig leven. De vrijmoedigheid dus, waarmee hij tot God gaat, is niet afhankelijk van de tegenspoed van het leven, noch zelfs van de belemmeringen die hij in eigen geloofsleven ondervindt. Alle stormen, uiterlijke en innerlijke, verbreken de tedere last niet, blussen de vonk niet. Altijd heft zich de last weer bloeiend en groenend naar boven, altijd schiet de vonk weer nieuwe vlammen. Maar hoe loopt deze weg? Wat is zijn richting? Van het zichtbare naar het onzichtbare. Het bloed van Christus is op zichtbare wijze uitgestort in de dood. De dood van de Heere behoort tot het gebied van de zintuiglijk waarneembare zaken, tot het gebied van de lagere werkelijkheid. Hoe dat bloed begin wordt van een nieuwe, niet meer aan de dood onderworpen leven, behoort niet meer tot het gebied van de stoffelijke, maar alleen tot dat van de geestelijke ervaring. De opstanding en verheerlijking van de Heere behoort niet tot het gebied van de lagere werkelijkheid van de geschiedenis in de dagelijkse zin van het woord. De Geest alleen getuigt de waarachtigheid daarvan. De weg gaat dus door het vlees van Christus heen. Dat vlees van Christus is als het voorhangsel, dat het heilige der heiligen verborg. Het voorhangsel moet neervallen, zal het heilige der heiligen zich aan de blik ontsluiten. Christus moet sterven en onzichtbaar worden, opdat de gemeente Hem als de Zoon van God zou erkennen en de volheid van Zijn leven deelachtig worden. Daarom heeft de gemeente terecht Zijn opstanding, maar ook Zijn hemelvaart tot een onderwerp van haar feestviering gemaakt. Het aardse moet in Hem teniet gedaan worden, opdat Hij als de hemelse, de nieuwe mens, die de Heer is uit de hemel, erkend, aanbeden en gevolgd zou worden. Wij kunnen Hem echter niet als de hemelse volgen, als wij Hem niet tevoren als de aardse gekend hebben. Evenals de Christus verminkt wordt, de nieuwe en levende weg gewelddadig gesloten door hen die zich met de aardse tevreden stellen, Hem als de gestorvene beschouwen en van geen opstanding en hemelvaart willen weten, evenzeer doen zij het die de aardse verachten en alleen de hemelse willen, dat is, die over het hogepriesterlijk werk en de koninklijke heerschappij van Christus grote dingen verkondigen, de eeuwige godheid van de Zoon met vuur handhaven, maar die niet weten wat zij aan die Jezus van Nazareth hebben, met Zijn wonderen, leringen en smarten. De aardse Jezus hebben wij nodig om tot de hemelse te komen; zo alleen heeft Hij ons in de nieuwe en levende weg ingewijd.
en omdat wij een grote Priester over het huis van God hebben, een die ons als Zijn huis (hoofdstuk 3: 6) priesterlijk bij God vertegenwoordigt en ons de hemelse goederen toedeelt (hoofdstuk 3: 1vv. ; 7: 24v.).
Laat ons dan toetreden tot de troon van de genade (hoofdstuk 4: 16) met een oprecht hart, zodat het ons volle ernst is met het verkrijgen van de zaligheid, in volle verzekerdheid van het geloof, waarzonder wij zeker niet zouden mogen naderen (Jak. 1: 5vv.), met een hart dat door datzelfde bloed (vs. 19; 1 Petrus 1: 2 gereinigd is (hoofdstuk 9: 14) en bevrijd is van het kwaad geweten over de vroegere overtredingen (hoofdstuk 9: 14v.) en met een lichaam dat door de doop die wij ontvangen (Efeze. 5: 26; 1 Petrus 3: 21; 1 Joh. 5: 6) met rein water, zodat ook ons leven in dit lichaam geheiligd is.
Ezechiël. 36: 25
Laten wij, nadat wij door onze bekering tot Christus reeds voor dit leven die genade hebben ontvangen (hoofdstuk 6: 4v.), de onwankelbare belijdenis van de hoop voor de toekomst die ons wacht (hoofdstuk 6: 11), vasthouden. Dat wij ons noch door aanlokkelijke schijnbeelden, noch door honende tegenspraak, noch door het donkere van het heden in twijfel laten brengen omtrent de toekomstige heerlijkheid (hoofdst. 3: 6 en 14 b) ; want Hij die het beloofd heeft, wat die hoop ons doet tegemoet zien, is getrouw (hoofdstuk 4: 14-16; 6: 18vv. ; 1 Kor. 1: 9; 1 Thessalonicenzen. 5: 24).
Hoe kunstig, zij het meer of minder bewust volgens een vooraf gemaakt plan, de samenstelling van het geheel is, blijkt uit het feit dat de schrijver, als hij afgerond heeft wat hij in hoofdstuk 5: 1 is begonnen, de vermaningen weer op dezelfde wijze begint als hij die (bij de overgang van het tweede naar het derde deel) in hoofdstuk 4: 14vv. afgesloten heeft. De vermaningen: “laat ons deze belijdenis vasthouden” en “laat ons dan met vrijmoedigheid toetreden tot de troon van de genade” worden hier herhaald in de woorden: “laat ons toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het geloof”, en “laat ons de onwankelbare belijdenis vasthouden”, hetgeen evenals daar gemotiveerd wordt door het “omdat wij dan hebben”; alleen klinkt zowel de vermaning zelf als het motiveren daarvan hier als echo van de voorafgegane lange rijke uiteenzetting veel voller.
De schrijver heeft het hier eerst over het naderen tot God, waarover hij in hoofdstuk 4: 14vv. pas in de tweede plaats handelde. Hij noemt echter aanstonds de twee objectieve voorwaarden ervan, namelijk dat wij in het Nieuwe Verbond een blij vertrouwen hebben op de door Hem geopende toegang tot het hemels heiligdom en op Hem die daarover gesteld is en daar regeert. Vervolgens houdt hij ons de subjectieve eisen voor, de gezindheden waarmee het naderen tot God moet plaatshebben. Er wordt namelijk vereist dat wij met een waarachtig hart, d. i. met een hart dat rein, oprecht, zonder bijbedoelingen op God gericht en van alle Hem onaangename geheime nevengedachten en nevenbedoelingen vrij is en met blijde volle verzekerdheid van het geloof tot God gaan. Tenslotte wijst hij op de subjectieve geschiktheid om te naderen, die aan de ene zijde voorwaarde is tot het aanwezig zijn van de geëiste gezindheid en aan de andere zijde deze tot voorwaarde heeft. De harten van de christenen zijn met het bloed van Christus besproeid en daardoor verlost van het kwaad geweten en hun lichamen zijn door het reine en reinigende water van de doop op geestelijke wijze van alle smet rein gewassen. Daarom kunnen wij, door met een waarachtig hart en met vol geloof de geopende toegang tot het allerheilige en de bemiddeling van de grote Priester in het huis van God ons ten nutte te maken, tot God naderen. Onloochenbaar kent de schrijver hiermee de gelovigen van het Nieuwe Verbond een priesterlijk karakter en priesterlijke voorrechten toe; want als van hen gezegd wordt dat hun de toegang tot het hemelse heiligdom openstaat en dat zij tot de God naderen, die daar Zijn troon heeft, dan is hun daarin een voorrecht toegekend dat volgens de voorafschaduwende oudtestamentische bedeling alleen de hogepriester toekwam. En als van de subjectieve geschiktheid van de christenen om tot God te naderen zo wordt gesproken dat zij worden voorgesteld als mensen van wie het “hart gereinigd is” en het “lichaam gewassen is met rein water”, dan wijzen deze uitdrukkingen op de wijding, waardoor de priesters volgens Ex. 29: 21; 40: 12v. ; 30: 19v. hun dienst in het heiligdom werden bekwaam gemaakt.
Doordat het bloed van Christus is vergoten, zegt de schrijver in vs. 19v., hebben wij in en met dat bloed in die richting waar het tot God, in de woonplaats van God binnengaat (om nu reeds tot Hem te gaan en eens tot Hem binnen te komen), blij vertrouwen dat wij de toegang niet gesloten vinden. Jezus toch heeft, doordat Hij Zijn bloed vergoot, die toegang als voorganger geopend. De schrijver noemt dit een inwijden van een nieuwe en levende weg, omdat zo’n weg korte tijd daarvoor nog niet voorhanden was en omdat hij die hem betreedt, wordt gedragen waarheen hij wil; hij gebruikt deze woorden om de tegenstelling aan te geven tot de gesloten toegang van het wettelijk heiligdom en om te vermanen dat men die niet ongebruikt zou laten, die weg die ons pas gegeven is, vroeger niet bestond en door eigen kracht tot God brengt wie daarop vertrouwt. Ook hier was een voorhangsel tussen onze Hogepriester, die tot God ging en de plaats van God, namelijk Zijn vlees, (het menselijk lichamelijke, dat lijden en sterven kan, zoals Hij dat, om ons in alles gelijk te zijn en voor ons de dood te kunnen smaken, had aangenomen; hoofdstuk 2: 14vv. ; 5: 7v.). De hogepriester naar de wet nu hoefde alleen het voorhangsel opzij te schuiven dat het allerheilige afscheidde, maar Jezus moest Zijn vlees, namelijk Zijn leven in het vlees overgeven (Efez. 2: 14) om tot God te komen, van wie Hij gescheiden bleef zolang Hij in de aangenomen menselijke natuur leefde.
De schrijver zegt dat de voor ons geopende weg tot het allerheilige door het voorhangsel heenlijdt, d. i. door het vlees van Christus. Hij geeft hiermee te kennen dat geen andere weg daarheen bestaat en dat niemand in het hemels heiligdom kan komen, tenzij hij langs die door Christus door dit voorhangsel heen gebaande weg wil gaan. Zonder beeld gesproken: men moet eerst Christus’ offerdood aannemen, voordat men tot God kan naderen; de weg tot de troon van God leidt over Golgotha, waar het lichaam van Christus verbroken is, want alleen daar is een ingang tot het hemelse heiligdom.
Wij hebben niet alleen de ingang in het hemelse heiligdom, maar wij hebben daar een Hogepriester over het huis van God. Het heiligdom, het allerheilige, waartoe wij als Christus toegang hebben, is niet leeg zoals sedert de Babylonische ballingschap het allerheilige van de Joodse tempel leeg was 2Ki 25: 17; wij hebben daar Jezus, die als priester voor ons bidt, als Koning aan de rechterhand van God gezeten is totdat alle vijanden tot een voetbank voor Zijn voeten zijn geworden. Dit moet ons aan de ene zijde ertoe dringen om met blij vertrouwen tot God te naderen als een eigen priestervolk van de Heere en aan de andere zijde vast te houden aan de belijdenis van de hoop. “Een riet laat zich buigen en wordt gebogen door elke wind” (MATTHEUS. 11: 7), maar de belijdenis van onze hoop mag zich niet door wind en onweer heen en weer laten slingeren; wij moeten met blije moed voor de hele wereld belijden wat wij hopen, omdat Hij die het beloofd heeft, trouw is.
In deze tekst is “de belijdenis van de hoop” in het bijzonder dit, dat de christen, alhoewel uit de Joodse theocratie en de tempel buiten gestoten en ontdaan van alle vleselijke hoop dat de Messias aards geluk zou geven, de zekere hoop heeft om het koninkrijk te beërven.
En laat ons op elkaar acht slaan, dat de een voor de ander christelijke zorg heeft, dat niet iemand achter blijft (hoofdstuk 4: 1), om aan te vuren tot liefde en goede werken.
En laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet verzuimen, niet van onze christelijke godsdienstoefeningen (Hand. 2: 42, 44) wegblijven (2 Tim. 4: 16), zoals sommigen de gewoonte hebben. Zij maken zich schuldig aan een verkoeling die tot gehele afval leidt, maar laat ons die godsdienstige samenkomsten ijverigbezoeken en elkaar vermanen om vast te houden aan de belijdenis van de hoop (vs. 23) en de beoefening van de broederliefde in goede werken (vs. 24). En laat ons dat wederkerig vermanen (hoofdstuk 3: 13) des te meer doen, als gij uit de tekenen van de tijd (1 Petrus 4: 16v.) ziet dat de dag van de toekomst van Christus (vs. 37 MATTHEUS. 26: 64; 1 Kor. 3: 13) toch zal het nodig zijn dat wij mensen blijken te zijn die zijn verschijning liefhebben en op Hem wachten (hoofdstuk 9: 28; 2 Tim. 4: 8).
Hoe schoon vormt zich hier de keten van vermaningen tot één van de drie schakels naar de Paulinische trias van het christelijk leven (1 Kor. 13: 13: 1 Thessalonicenzen. 1: 3; 5: 8 Kol. 1: 4v.). Op de vermaning om toe te treden tot God (vs. 22) volgt de vermaning om de onwankelbare belijdenis van de hoop vast te houden (vs. 23) en daarop volgt nu (vs. 24) de vermaning om ijverig te zijn in de liefde. Ook deze vermaning staat nog in verband met het “omdat wij dan hebben” in vs. 19-21 Met het “broeders! ” heeft de schrijver zich daar na de lange uiteenzetting weer direct tot zijn lezers gewend. Voor hen allen staat op gelijke wijze de toegang open tot het heiligdom van het leven; zij allen zijn deelgenoten van het grote, door de grote Priester bestuurde leger; zo moeten zij zich dan als gelijk bevoorrechte huisgenoten broederlijk jegens elkaar gedragen. De woorden “laat ons op elkaar acht slaan” dringen in tegenstelling tot zelfzuchtige onverschilligheid aan op wederkerig zorgen als hoofdvoorwaarde van alle gemeenschap en de bepaling van het doel “om aan te vuren tot liefde en goede werken, ” geeft aan deze belangstelling, die de een voor de anderen moet voelen, de richting die de enige waardige van de christelijke gemeenschap is.
In het eerste onderdeel van de vermaning (vs. 22) heeft de schrijver gezegd hoe de christen zich jegens God, in het tweede (vs. 23) hoe hij zich tegenover de wereld buiten hem moest gedragen; hij zegt nu in het derde deel (vs. 24v.) hoe hij zich jegens de broeders, jegens de gemeente moet houden.
Er is een verkeerd acht geven op elkaar, dat uit zelfzucht en hoogmoed voortkomt en door de apostel in Gal. 6: 4 wordt verboden. Maar er is ook een goed acht geven op elkaar, dat uit liefde voortkomt en slechts opscherping in liefde en goede werken wil teweegbrengen; dit wordt in vs. 24 door de schrijver aanbevolen. Bij deze algemene plicht komt in vs. 25 nog de bijzondere, om het bezoeken van de christelijke samenkomsten niet na te laten, zoals vele van de lezers dat uit mensenvrees hadden gedaan. Tegenover dat wegblijven wordt het elkaar “vermanen” voorgesteld en als bijzonder motief daartoe het zichtbaar naderen van de dag van de Heere aangevoerd.
De tekenen, die volgens de profetie van Christus aan Zijn dag zullen voorafgaan (MATTHEUS. 24: 5vv. Luk. 21: 8vv.) waren toch reeds gedeeltelijk aanwezig en deels in aantocht. Hierbij moet men denken aan de ellende, die onmiddellijk voor de Joodse oorlog over het Joodse volk is gekomen, aan de oproeren en volksopstanden (vgl. Deel VI Aant. II d. 2 en “Zec 11: 10 en misschien ook aan de lauwten en de dwaalleer in de christelijke gemeenten (MATTHEUS. 24: 12). Uit hoofdstuk 3: 9 schijnt zelfs te volgen dat de schrijver zich voorstelde dat de tijd van het openlijk optreden van Christus tot Zijn wederkomst, overeenkomstig de tocht van de Israëlieten door de woestijn, 40 jaar zou duren en die tijd zou zeker, toen hij de brief schreef, reeds zeer nabij zijn geweest.
Het is zo nodig dat wij dit doen om onze zaligheid niet voor altijd te verliezen, a) want als wij opzettelijk zondigen, nadat wij verlichting van de Heilige Geest (vs. 32; 6: 4 en dus de kennis van de waarheid (1 Tim. 2: 4) ontvangen hebben en van die waarheid afvallen (hoofdstuk 3: 12; 6: 6; 2 Petrus 2: 4), dat blijft er geen offer meer over voor de zonden. Na zo’n verlaten van Christus en van het door Hem gebrachte offer (vs. 29), is er niets meer dat de vergeving zou kunnen aanbrengen.
Num. 15: 30 MATTHEUS. 12: 31; 2 Petrus 2: 20; 1 Joh. 5: 16
Er blijft alleen maar voor dit aardse leven een verschrikkelijke verwachting van het oordeel over en als ons einde de hitte van het vuur (hoofdstuk 12: 29), dat door God gezonden de tegenstanders van Christus (vs. 13) zal verslinden (Jes. 26: 11 Zef. 1: 18; 3: 8).
De belangrijke beweegreden tot het opvolgen van de vermaningen hiervoor uitgesproken, ligt in de gedachte van het grote gevaar om van Christus af te vallen en in het vreselijke van de gevolgen daarvan.
Aan zo’n gevaar stelde men zich bloot, wie uit mensenvrees van de samenkomsten van de christenen wegbleef of door enige verloochening van de waarheid zich de mogelijkheid kocht om aan de tempeldienst te kunnen deelnemen. Wie nu, nadat hij de waarheid heeft leren kennen, toch zulke zonden begaat, dus tegen beter weten en geweten in en die dus het enige offer van Christus versmaadt, voor hem bestaat dan geen tweede zoenoffer meer waardoor hij zou kunnen worden gereinigd van de schuld van deze nieuwe en overmeesterende zonde.
Wie de kennis van de waarheid heeft ontvangen en dan een weg gaat die hem elders heen voert, die weet wat hij doet en doet wat hij wil: hij wil de waarheid, die hij erkend heeft voor hetgeen zij is, desalniettemin de rug toekeren (in deze zin moet dus het “moedwillig zondigen” opgevat worden en niet, zoals vaak gebeurd is, op iedere zonde met voorbedachte rade gepleegd, worden toegepast, vgl. hoofdstuk 6: 6). Op de weg die zo iemand bewandelt, kan hij geen zoenoffer meer verwachten dat hem tot vergeving van de zonde zou kunnen zijn. In plaats van een uitzicht op een ander offer dat hem ook verzoening zou aanbrengen voor de zonde, die hij beging doordat hij het zoenoffer van Christus weer opgaf nadat hij het had leren kennen, is er voor hem op zijn weg alleen een verschrikkelijke verwachting van een oordeel en een vuur dat de tegenstanders zal verslinden.
Dat woord (verschrikkelijke verwachting van het oordeel) zegt wat de afgevallenen van Christus reeds nu als vrucht van hun afval ondervinden; het andere (hitte van het vuur dat de tegenstanders zal verslinden) wat zij er eens voor zullen inoogsten.
De grootheid van het onverbiddelijk gericht dat zal treffen wie van een begenadigde van Christus Zijn vijand is geworden, wordt hierop in vs. 28v. opgehelderd door het onverbiddelijk gericht dat het misdadig verbreken van de wet van Mozes ten gevolge heeft.
Wie de wet van Mozes door schending van het verbond van God (Deut. 17: 2-17) heeft teniet gedaan en andere goden dienen gaat, die sterft zonder barmhartigheid (Deut. 13: 6vv. ; 12vv.) a) op het getuigenis van twee of drie personen.
Num. 35: 30 Deut. 19: 15 MATTHEUS. 18: 16 Joh. 8: 17; 2 Kor. 13: 1
Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal hij verdienen, die de Zoon van God vertreden heeft, zoals Judas de verrader dat zelf heeft gedaan (Joh. 13: 18) en het bloed van het Testament, het bloed waardoor het Nieuwe Verbond is opgericht (hoofdstuk 9: 15 MATTHEUS. 26: 28), onrein geacht heeft, waardoor hij toch, zoals hij meende bij zijn overgang tot het christendom (vs. 10) geheiligd was, aan God was gewijd (hoofdstuk 6: 6) en de geest van de genade die toen over hem kwam (Zach. 12: 10), smaadheid heeft aangedaan, zodat men die lasteren kon alsof die een geest van dwaling en niet van waarheid was (1 Joh. 4: 6)?
Met afval van de HEERE tot vreemde goden als uiterste graad van verbreking van de mozaïsche wet, wordt vergeleken de afval van Christus tot het Christus-vijandige Jodendom, waarvan de god ook niet meer de ware is, omdat Hij niet als de God en Vader van Jezus Christus erkend wordt. Als nu reeds aan de oudtestamentische afvalligen met onverbiddelijke strengheid de doodstraf werd voltrokken, hoeveel ergere dingen staan dan niet te wachten naar de maat van de rijkere volheid van openbaring en genade, voor hen die van het Nieuwe Testament afvallen! Met het “meent gij” laat de schrijver aan zijn lezers over om uit de verhouding van beide Testamenten de gevolgtrekking te maken van de opklimming van het mindere tot het zwaardere (vgl. hoofdst. 2: 2; 12: 25). Vervolgens stelt hij de afvallige van het Nieuwe Testament nader voor naar de werkelijke toestand van zijn ontzettende zonde. Zijn veel grotere zonde is 1) zonde tegen de persoon van de Middelaar van het Nieuwe Testament: hij treedt de Zoon van God met voeten. De Middelaar wordt Zoon van God genoemd, want juist in Zijn eeuwig Zoonschap bestaat Zijn verhevenheid boven de Middelaar van de wet, boven profeten en engelen. Het met voeten treden of “vertreden” is niet alleen zoveel als van zich stoten als een onbruikbare zaak, waarover men heenloopt zonder zich in acht te nemen (Matth. 5: 13 Luk. 8: 5), maar de ergste verachting over iets tonen (Matth. 7: 6) en dat is een uitdagen van de straffende gerechtigheid door verlaging van het hoogste (vgl. het Franse “écrasez l’infame. Het is 2) zonde tegen het verbondsoffer van het Nieuwe Testament: “hij acht het bloed onrein, waardoor hij geheiligd was. ” Is reeds het bloed van het verbondsoffer en vooral van het zoenoffer (Num. 6: 20), het bloed van dieren, heilig, hoe veel te meer dan het bloed van de besprenging van ons ene volmaakte offer, dat krachtens de eeuwige Geest tot onze verzoening vergoten is, het bloed van het Nieuwe Testament (hoofdst. 9: 20 Luk. 22: 20) dat ons in volkomen gemeenschap met God stelt en tot het verkrijgen van de eeuwige erfenis bekwaam gemaakt heeft. Als men nu, door terug te gaan tot het Jodendom, dit bloed gelijkstelt met het bloed van een gewoon mens en wel van een verblinde, naar recht en billijkheid terdoodgebrachte, wat een tarten van die straffende gerechtigheid door versmaden van het allerheiligste en nog daarenboven door de schandelijkste ondank! Als ondankbaarheid brandmerken de woorden “waardoor hij geheiligd was” die afval. Dat spreekt toch van iets dat men zelf ondervonden heeft, van een ervaring van de kracht van het bloed van Christus. Dat hier van een afval sprake is die één is met de lastering van de Heilige Geest, of deze in zich sluit, blijkt uit het feit dat deze zonde aller zonden 3) als zonde tegen de Geest van de genade wordt voorgesteld. Alle genadegaven van het Nieuwe Testament zijn samengevat in de “Geest van de genade”, want de Geest is het die ons die toe-eigent. Sterkere tegenstellingen dan “smaadheid aandoen” en “genade” kunnen er niet bestaan. Die overmoedig te smaden is zoveel als het werk van Gods genade, dat men aan zich heeft ervaren, als leugen en bedrog lasteren, een voorstellen van de waarheid zelf als leugen, dat de straf van God niet zal ontgaan.
Als de wet teniet werd gedaan, lag daarin slechts op verborgen wijze een vertreden van de wetgever. De wet toch is niet de volmaakte uitdrukking van Zijn wezen. Nooit kan de letter de Geest volkomen vertegenwoordigen. Waar God zich niet meer in de wet, maar in de Zoon openbaart, daar is Zijn wezen volkomen geopenbaard. Wie dus opzettelijk zondigt, nadat de Zoon hem geopenbaard is, doet niet alleen de wet teniet, maar hij vertreedt de Zoon, d. i. hij werpt Hem verachtelijk weg, vervolgt zijn eigenen weg van de zonde, als het ware over het lichaam van de Zoon heen, leeft alsof er geen Zoon gegeven, geen heilsweg geopend was. Het afschuwelijke nu van deze handelingen komt des te meer uit, als wij erop letten waartoe de Zoon gegeven is. Hij is niet gekomen om te oordelen, maar om te verlossen. De wet van Mozes stelde dierenbloed, dat geen goddelijke kracht had, tot verzoening van de overtredingen. Doch de waarheid van deze offerande is het bloed van de Zoon van God. Dit bloed reinigt van alle ongerechtigheden, omdat het in de dood het leven behoudt en geeft en door het leven de dood overwint. Wie aan de kracht van dit bloed twijfelt, d. i. wie de verzoening in dit bloed gegeven als niet geschied beschouwt en dit nu doet hij die opzettelijk zondigt, na door dit bloed geheiligd te zijn die ziet geen onderscheid tussen het bloed van Christus, de Zoon van God en dat van stieren en bokken en beschouwt het eerste als even onrein of liever algemeen, onkrachtig en onwerkzaam als het laatste.
Zeker, deze straf zal geen andere zijn dan de som van alle straffen van God, de eeuwige verdoemenis en het uitstoten uit Zijn volk door een neerstoten naar de plaats waar geween is en tandengeknars (Matth. 25: 11); want wij kennen Hem die gezegd heeft (Deut. 32: 35): “Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden” spreekt de Heere (vgl. Rom. 12: 19). En opnieuw (Deut. 32: 36): “De Heere zal Zijn volk oordelen. ” (Ps. 135: 14).
De Heere zal Zijn volk oordelen. Dat is, zij die waarlijk Zijn volk zijn, zijn uitverkorenen, Zijn verlosten en geroepenen; deze oordeelt Hij door hen op een vaderlijke wijze te kastijden, opdat zij niet met de waarheid mogen verloren gaan, door hen te regeren en te beschermen, door hun zaak te bevorderen en voor te staan en hen te wreken aan hun vijanden; anders zal het gaan met hen die alleen Zijn volk zijn door belijdenis; op deze zal Hij schrijven een Lo-ammi, Hij onderscheidt hen van Zijn eigen volk en oordeelt tussen hen en Zijn volk en zal hen veroordelen, noch zal hun belijdenis hen behoeden van Zijn grimmigheid en wraak.
Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God (vgl. Sir. 2: 21vv. en 2 Sam. 24: 14).
Als de schrijver voortgaat: “want wij kennen Hem, die zegt enz. “, dan wil hij niet alleen uit het geschreven woord van God bevestigen dat de straf niet zal uitblijven; want er staat niet: wij weten dat of wat Hij gezegd heeft, wat het betekent dat hij gezegd heeft, maar wij kennen Hem, die gezegd heeft en achter de aangehaalde plaatsen volgt dan de zin: vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God”. De bedoeling is: wij kennen Hem, die dat gezegd heeft, als de levende God, die een vreselijk wreker is. Hoe zware straf hem zal treffen, die in de handen van deze wreker valt, moet vervolgens vs. 30 te bedenken geven, zoals ook in vs. 29 niet alleen wordt gezegd dat hij, maar ook hoe verschrikkelijk hij zal worden gestraft. Beide teksten nu zijn ontleend aan het boek van Mozes. De eerste wordt geheel zoals hier, meer gelijk aan de grondtekst dan de vertaling, maar toch ook aan deze ongelijk, door Paulus in Rom. 12: 19 aangehaald (het woord was waarschijnlijk in deze vorm een stereotyp bestanddeel van de kerkelijke taal geworden). De tweede zegt, evenals bij Mozes en in de herhaling van Psalm 135 en het “oordelen, ” dat de Heere Zijn volk zal laten ervaren dat Hij recht doet tegenover hen die zich aan hem bezondigd hebben, zodat in verband daarmee de slotzin betekent dat hij die zondigt tegen Gods gemeente, in de handen zal vallen van de levende God, die Zijn macht niet ongebruikt zal laten.
Wat het vallen in de handen van de levende God aangaat, komt het erop aan wie degene is die in deze handen valt; of hij ootmoedig en gewillig zich buigt onder de kastijdende hand van God of tegen zijn wil als vijand en tegenstander van God onder deze wordt gebracht.
Let hier op de gegeven beschrijving van God, Hij is de levende God; Hij wordt zo genoemd zowel bij wijze van tegenstelling tegen alle dode en stomme afgoden als ook wat betreft Zijn levendige macht en sterkte, waardoor Hij in staat is om de zonde van de mensen te wreken; en insgelijks om de eeuwige duur van Zijn wezen aan te duiden. Het gevolg en de vrucht van alle zonde in het algemeen en van afval in het bijzonder is in Gods handen te vallen. Er wordt van drieërlei hand van God in de Heilige Schrift gesproken: Zijn beschermende, Zijn bestraffende en Zijn wrekende hand. Het is veilig en troostrijk te vallen in Gods beschermende en bewarende hand; het is nuttig en een weldaad, hoewel niet aangenaam en prettig te vallen in Gods kastijdende en bestraffende hand; maar te vallen in Zijn toornige hand, Zijn wrekende hand, dat is vreselijk en verschrikkelijk; of te vallen onder het vonnis van Zijn toorn in dit leven of onder de volle en uiteindelijke uitvoering van die toorn in het toekomende leven. De ontzaggelijkheid en vreselijkheid van die toorn, het is een verschrikkelijk ding dat geen tong kan uitspreken, noch het hart kan begrijpen. Wie kent de sterkte van uw toorn? Ps. 90: 11
Wat een ernstige waarschuwing! De schrijver had in dezelfde geest reeds eerder gesproken; maar hij kan niet nalaten het nogmaals te doen. De vrees dat misschien sommigen van het christendom afvallig zouden worden, tegen God zich bezondigen en zichzelf diep rampzalig maken, dringt hem ertoe; want het geluk van allen lag hem na aan het hart. Zo diep als hij overtuigd was van de ontfermende liefde en de onbegrensde genade van God jegens de berouwhebbende en zich bekerende zondaar, even diep was hij overtuigd van Gods vlekkeloze heiligheid en onkreukbare rechtvaardigheid jegens de hardnekkige overtreder van Zijn geboden. Zoals hij die liefde en genade in al haar grootheid en trouw had geroemd, zo predikt hij ook met luide stem deze heiligheid en rechtvaardigheid. Zo min als de gelovige aan zijn zaligheid mocht twijfelen, evenmin mocht de ongelovige die de Heere verliet, zich met zijn zaligheid vleien. Hij spreekt en dit moeten wij wel in het oog houden, van mensen die de kennis van de waarheid ontvangen hebben, aan wie het evangelie van de zaligheid is verkondigd, die het hebben aangenomen, die door het bloed van het Nieuwe Verbond zijn geheiligd, op en in wie de Geest van de genade heeft gewerkt, maar die echter van Christus en het christendom weer afvallen, de Zoon van God als met voeten vertreden, het bloed van het Nieuwe Verbond onrein achten, de Geest van de genade smaadheid aandoen, tegen beter weten in zondigen en hierin tot het einde volharden; en hij toont zijn lezers zo krachtig mogelijk wat een verschrikkelijk lot zulke mensen staat te wachten. Geen offer blijft er meer over voor hun zonden, maar de ergste straf zal hun deel zijn.
Maar denk aan de dagen van weleer, toen gij, na verlicht te zijn, nadat gij tot erkentenis van de waarheid (vs. 26) zijt gekomen en tot Christus bekeerd zijt (hoofdstuk 6: 4v.), veel strijd en lijden hebt verdragen (Luk. 6: 22v.).
Hetzij als gij door smaadheden, die gij om de naam van Christus hebt geleden en door verdrukkingen, die men u door lijfstraffen en beroving van goederen heeft aangedaan, een schouwspel geworden zijt (1 Kor. 4: 9 Hand. 12: 1vv.); hetzij als gij meeleed met degenen die zo behandeld werden (1 Kor. 12: 26 MATTHEUS. 25: 35vv.).
Want gij hebt ook met mijn boeien, (volgens de lezing die zonder twijfel de oorspronkelijke en beste is, staat in de grondtekst “met de gebondenen, ” de gevangenen (hoofdstuk 13: 3 Hand. 9: 2, 21; 22: 5) medelijden gehad. Gij hebt dat getoond door bezoek en toespraak en ondersteuning tot verzachting van de nood en de door van uw goederen, als men u geldstraffen oplegde of u uw bezitting ontnam, hebt gij met blijdschap (Kol. 1: 11) aanvaard, omdat gij wist dat gij een schat hebt in uzelf, die geen menselijke macht u kan ontrukken, een beter en blijvend goed in de hemelen, want voor u wordt de onvergankelijke en onbevlekte en onverwelkelijke erfenis bewaard (1 Petrus 1: 4 MATTHEUS. 19: 29).
Evenals in hoofdstuk 6: 9vv. keert de schrijver ook hier van de grootste ernst van de bedreiging terug tot vriendelijke waardering. Hij doet het daar zo dat hij zich, terwijl hij betere dingen van hen verwacht, op Gods gerechtigheid verlaat, die hun werkdadige liefde jegens de belijders van Zijn naam niet zal vergeten. Hij doet het hier op een manier dat hij henzelf dringt te denken aan de tijd dat zij zich na hun bekering aan al de moeilijkheden, die die ten gevolge had, met een blijdschap hebben onderworpen, die zij toch nu niet zullen wegwerpen in plaats van op het loon ervan te wachten.
Het feit dat nog vóór het begin van de Joodse oorlog van de oversten van de Joden een zware stelselmatige vervolging tegen de christenen van Palestina uitging, staat volkomen vast, al was er ook geen ander getuigenis voor dan de brief aan de Hebreeën. Maar er zijn daaromtrent nadere berichten en wel in het volkomen geloofwaardige bericht van Josephus aan het begin van het laatste boek van zijn archeologie 1Ch 25: 7. Festus, de procurator “Uit 2: 20 stierf na nauwelijks twee jaar zijn ambt in de provincie te hebben bekleed in het begin van het jaar 62 n. Chr. (Deel 6. Aanh. II d. 2). Nero, zo verhaalt Josephus, zond op het bericht van diens dood Albinus als stadhouder naar Judea; maar de hogepriester Ananus de Jongere (Annas II), die een bij uitstek vermetel karakter had en bij de sadduceese partij hoorde, die zich boven alle Judeeërs door een wreed gericht onderscheidde, greep de gelegenheid van het interregnum aan, terwijl Albinus nog op weg was en verzamelde een sanhedrin van rechters. Hij bracht enigen voor hen met de aanklacht van wetsovertreding en gaf ze (nadat het sanhedrin het doodvonnis had uitgesproken) aan de straf van de steniging over. Doch juist de meest onpartijdige mannen van de stad, zij die tevens zelf nauwgezet waren in het waarnemen van de wet, keurden dit ten sterkste af; zij zonden aan koning Agrippa II heimelijk het verzoek dat hij Ananus schriftelijk tot ophouden zou aanmanen. Ook trokken enigen Albinus tegemoet, terwijl hij van Alexandrië daarheen reisde en stelden hem voor dat hij Ananus niet zou toelaten, zonder zijn toestemming, zo’n gericht te houden (Joh. 18: 31). De stadhouder zond daarop aan Ananus een brief vol ontevredenheid, waarin hij dreigde van hem rekenschap te zullen eisen. De koning Agrippa (aan wie het recht tot aanstellen en afzetten van de hogepriester toekwam) zette hem af, nadat hij drie maanden het hogepriesterschap had waargenomen. Dit is het bericht van Josephus, doch zonder vermelding van Jakobus onder de terdoodgebrachten (Aanh. II: b, 3). Zo zijn dan zonder twijfel toen (de schrijver verwijst waarschijnlijk naar die periode met de woorden “denkt aan de dagen van weleer enz.) enigen als martelaars gevallen; maar daarmee was het lijden van de christenen niet beëindigd. Het sanhedrin kon verder geen doodstraffen meer volbrengen; doch terwijl het recht over leven en dood ontnomen was, bleef nog de geestelijke macht over. De hoge raad kon zonder door de Romeinse stadhouders bemoeilijkt te worden, maatregelen nemen en die onder de volgende hogepriesters handhaven, die voor de christenen van Palestina zeer smartelijk, ja zeker voor velen van hen een vreselijke slag waren. Zij konden de toegang tot de tempel en zijn godsdienst weigeren en hun opleggen om of Christus te lasteren of als uitgestotenen en vervloekten alle gemeenschap met het “heilige volk van God” te mijden en aan deze maatregel kon, al was het niet door de doodstraf, toch door andere verdrukkingen van allerlei aard nadruk worden bijgezet.
Werpt dan gij, die tevoren zoveel standvastigheid in het geloof hebt getoond, uw vrijmoedigheid niet weg, die een ruime vergelding staat te wachten, daar het beter en blijvend goed in de hemel, waarvoor gij het ontroven van de aardse goederen met vreugde hebt gedragen, u zeker ten deel zal vallen.
a) Want gij hebt, als dat werkelijk zal geschieden, volharding nodig, opdat gij door de wil van God te doen, hetgeen een trouw volharden tot het einde van u eist, (hoofdst. 13: 21 MATTHEUS. 24: 13), de belofte, de beloofde eeuwige erfenis (hoofdstuk 9: 15) mag wegdragen.
Luk. 21: 19
Maar ons geduld zal niet al te lang op de proef worden gesteld. a) Want “nog een zeer korte tijd” zo wordt bij de profeet gezegd (Jes. 26: 10v. Habakuk. 2: 3) “en Hij die komt, zal er zijn en niet meer dralen” en dit zullen wij zeker vervuld zien (Matth. 26: 64 Openbaring 6: 15vv.).
Hagg. 2: 7; 1 Petrus 1: 6; 5: 10
“Maar, ” zo wordt vervolgens in Habakuk. 2: 4 gezegd, “de rechtvaardige zal uit geloof leven” (Rom. 1: 17 Gal. 3: 11) en verder zegt de Heere op deze plaats, om die op vrije wijze naar onze behoefte toe te passen Heb 10: 17, “als iemand zich onttrekt, mijn ziel heeft in hem geen behagen, maar Ik zal hem aan het welverdiende verderf prijs geven.
Zonder twijfel wilde de schrijver met hetgeen hij in vs. 37v. heeft gezegd erop wijzen dat het gericht over Jeruzalem naderde, waaruit alleen het geloof kon redden. Hij spreekt deze gedachte uit met de woorden waarmee eens de profeet Habakuk van het toenmalig gericht door de Chaldeeën gesproken had, zodat hij deze woorden niet zozeer citeert, maar op een analoog geval toepast. De woorden bij de profeet had reeds de Griekse vertaling van de Septuaginta zo opgevat dat in plaats van trotseren, bevreesdheid werd vertaald en in plaats van “zijn ziel” “mijn ziel”, waardoor een heel andere zin wordt verkregen. Maar juist zo was de gedachte voor het doel van de schrijver dubbel gepast en daar hij de tekst niet tot een bewijsvoering aanvoert, maar zich alleen van de woorden bedient om tot het hart van zijn lezers te spreken, kon hij zeker zonder bedenking de voor hen geldende Septuaginta volgen.
Door de uitdrukking “zich onttrekken” wordt de afval op bijzondere wijze voorgesteld; hiermee wordt namelijk het passieve van het ongeloof getekend. Het ongeloof, waarin het wezen ligt van de afval, bestaat veel minder in enige daad of reeks van daden, dan in een afwezigheid van daden, in een niet meer werken, niet meer streven naar het doel ons voorgesteld. Het is een zich onttrekken aan zijn bestemming, een loslaten van de levende God, een zich overgeven aan de stroom van de wereld. Wie zo God loslaat en daardoor goddeloos wordt, die kan ook Gods hulp en bijstand niet meer verwachten; zoals hij geen behagen heeft in God, zo heeft God geen behagen in hem. Mijn ziele, zegt de Heer, heeft in hem geen behagen. Daarom ondervindt hij ook niet het welbehagen van God, kent Zijn vrede en de zaligheid van Zijn gemeenschap niet. Hij keert zo van lieverlee terug onder de toorn en het oordeel van God en het laatste van die mens is erger dan het eerste.
Maar wij, broeders, (vs. 19) behoren niet tot degenen die zich onttrekken ten verderve, maar tot degenen die geloven tot behoud van hun ziel (Tob. 2: 17v. 1 Thessalonicenzen. 5: 6vv. en “Heb 12: 24).
Zoals de schrijver nu reeds twee maal (vs. 32vv. 6: 9vv.) van sombere klacht en bedreiging tot lof en hoop is overgegaan om de verschrikten te bemoedigen en de wankelenden te bevestigen, zo versterkt hij ook hier, nadat hij met de woorden “als iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen” op profetische toon weer een vermaning tot de lezers gericht heeft, als een wijs zielverzorger hun zacht christelijk gevoel, door zichzelf met hen te verenigen en gemeenschappelijk met hen aan het gevaar het hoofd te bieden.
Het gevoel van hetgeen men zelf is, dat hem vervult en dat hij ook in zijn lezers wil opwekken, is geen ander dan dit, dat de gelovigen in Christus mensen zijn tot wie in de hierbij behorende, maar zeker meestal niet goed begrepen tekst Jes. 66: 1-12 de woorden van vs. 5 en 6 gericht zijn: “Hoort het woord van de Heere, gij die voor Zijn woord beeft, enz.”
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel