Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
IkG1473 betuigG1263 danG3767 voor GodG2316 enG2532 den HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547, Die de levendenG2198 enG2532 dodenG3498 oordelenG2919 zal in Zijn verschijningG2015 enG2532 in Zijn KoninkrijkG932:
Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk:
KJV
I3
charge1
thee therefore2
before4
God,6
and7
the Lord9
Jesus10
Christ,11
who5
shall13
judge14
the quick15
and16
the dead17
at18
his21
appearing20
and22
his25
kingdom;24
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
PredikG2784 het woordG3056; houdG2186 aan tijdelijkG2122, ontijdelijkG171; wederlegG1651, bestrafG2008, vermaanG3870 inG1722 alleG3956 lankmoedigheidG3115 enG2532 leerG1322.
Predik het woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.
KJV
Preach1
the word;3
be instant4
in season,5
out of season;6
reprove,7
rebuke,8
exhort9
with10
all11
longsuffering12
and13
doctrine.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantG1063 er zal een tijdG2540 zijnG1510, wanneer zij de gezondeG5198 leerG1319 nietG3756 zullen verdragenG430; maarG235 kittelachtigG2833 zijnde van gehoorG189, zullen zij zichzelvenG1438 leraarsG1320 opgaderenG2002, naarG2596 hun eigenG2398 begeerlijkhedenG1939;
Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden;
KJV
For2
the time3
will come
when4
they will9
➔ not8
endure
sound6
doctrine;7
but10
after11
their own15
lusts13
shall they heap17
to themselves16
teachers,18
having itching19
ears;21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En zullen hun gehoorG189 vanG575 de waarheidG225 afwendenG654, en zullen zich keren totG1909 fabelenG3454.
En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen.
KJV
And1
they shall turn away3
their ears7
from2
the truth,5
and10
shall be turned13
unto9
fables.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
MaarG1161 gijG4771, wees wakkerG3525 inG1722 allesG3956, lijd verdrukkingenG2553; doeG4160 het werkG2041 van een evangelistG2099, maakG4675, dat men van uw dienstG1248 ten volle verzekerdG4135 zij.
Maar gij, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.
KJV
But2
watch3
thou1
in4
all things,5
endure afflictions,6
do8
the work7
of an evangelist,9
make full proof13
of thy
ministry.11
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
WantG1063 ikG1473 word nu tot een drankofferG4689 geofferd, enG2532 de tijdG2540 mijner ontbindingG359 is aanstaandeG2186.
Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande.
KJV
For2
I1
am4
➔ now3
ready to be offered,
and5
the time7
of my9
departure10
is at hand.11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Ik heb den goedenG2570 strijdG73 gestredenG75, ik heb den loopG1408 geeindigdG5055, ik heb het geloofG4102 behoudenG5083;
Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geeindigd, ik heb het geloof behouden;
KJV
I have fought5
a good4
fight,2
I have finished8
my course,7
I have kept11
the faith:10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Voorts is mij weggelegdG606 de kroonG4735 der rechtvaardigheidG1343, welkeG3739 mijG1473 de HeereG2962, de rechtvaardigeG1342 RechterG2923, inG1722 dien dagG2250 geven zal; en nietG3756 alleen mijG1473, maar ookG2532 allenG3956, die Zijn verschijningG2015 liefgehadG25 hebben.
Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.
KJV
Henceforth
there is laid up2
for me
a crown7
of righteousness,6
which8
the Lord,12
the righteous18
judge,19
shall give9
me
at13
that14
day:16
and22
not20
to me
only,21
but24
unto all them26
also25
that love28
his31
appearing.30
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
BenaarstigG4704 u haastelijkG5030 totG4314 mijG1473 te komenG2064.
Benaarstig u haastelijk tot mij te komen.
KJV
Do thy diligence1
to come2
shortly5
unto3
me:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantG1063 DemasG1214 heeft mijG1473 verlatenG1459, hebbende de tegenwoordigeG3568 wereldG165 liefgekregenG25, enG2532 is naar ThessalonicaG2332 gereisdG4198; KrescensG2913 naarG1519 GalatieG1053, TitusG5103 naarG1519 DalmatieG1149.
Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatie, Titus naar Dalmatie.
KJV
For2
Demas1
hath forsaken4
me, having loved5
this present7
world,8
and9
is departed10
unto11
Thessalonica;12
Crescens13
to14
Galatia,15
Titus16
unto17
Dalmatia.18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
LukasG3065 isG1510 alleen metG3326 mijG1473. Neem MarkusG3138 mede, en brengG71 hem metG3326 u; wantG1063 hij isG1510 mijG1473 zeer nutG2173 totG1519 den dienstG1248.
Lukas is alleen met mij. Neem Markus mede, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot den dienst.
KJV
Only3
Luke1
is
with4
me.
Take7
Mark,6
and bring him8
with9
thee:10
for12
he is
profitable14
to me
for15
the ministry.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
MaarG1161 TychikusG5190 heb ik naarG1519 EfezeG2181 gezondenG649.
Maar Tychikus heb ik naar Efeze gezonden.
KJV
And2
Tychicus1
have I sent3
to4
Ephesus.5
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
BrengG5342 den reismantelG5341 medeG3739, dien ik te TroasG5174 bijG1722 KarpusG2591 gelatenG620 heb, als gij komtG2064, enG2532 de boekenG975, inzonderheidG3122 de perkamentenG3200.
Breng den reismantel mede, dien ik te Troas bij Karpus gelaten heb, als gij komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten.
KJV
The cloke6
that7
I left8
at9
Troas10
with11
Carpus,12
when thou comest,13
bring14
with thee, and15
the books,17
but especially18
the parchments.20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
AlexanderG223, de kopersmidG5471, heeft mijG1473 veelG4183 kwaadsG2556 betoondG1731; de HeereG2962 vergeldeG591 hemG846 naarG2596 zijn werkenG2041.
Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heere vergelde hem naar zijn werken.
KJV
Alexander1
the coppersmith3
did7
me
much4
evil:6
the Lord11
reward8
him9
according to12
his15
works:14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Van welkenG3739 wachtG5442 gij u ookG2532, wantG1063 hij heeft onze woordenG3056 zeer tegengestaanG436.
Van welken wacht gij u ook, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan.
KJV
Of whom1
be4
➔ thou3
ware
also;2
for6
he hath7
➔ greatly5
withstood
our9
words.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
InG1722 mijn eersteG4413 verantwoordingG627 is niemandG3762 bij mijG1473 geweest, maarG235 zij hebben mijG1473 allenG3956 verlatenG1459. Het worde hunG846 nietG3361 toegerekendG3049.
In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend.
KJV
At1
my
first3
answer5
no man6
stood8
with me,
but9
all10
men forsook12
me:
I pray God that it may15
➔ not13
be laid
to their charge.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
MaarG1161 de HeereG2962 heeft mijG1473 bijgestaanG3936, en heeft mij bekrachtigdG1743; opdatG2443 men doorG1223 mij ten volle zou verzekerd zijn van de predikingG2782, en alleG3956 heidenenG1484 dezelve zouden horenG191. En ik ben uitG1537 de muilG4750 des leeuwsG3023 verlostG4506.
Maar de Heere heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen dezelve zouden horen. En ik ben uit de muil des leeuws verlost.
Ook in dit vers
volle verzekerdG4135
KJV
Notwithstanding2
the Lord3
stood5
with me,
and6
strengthened7
me;
that9
by10
me
the preaching13
might be fully known,14
and15
that all17
the Gentiles19
might hear:16
and20
I was delivered21
out of22
the mouth23
of the lion.24
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En de HeereG2962 zal mijG1473 verlossenG4506 vanG575 alleG3956 boosG4190 werkG2041, enG2532 bewarenG4982 totG1519 Zijn hemelsG2032 KoninkrijkG932; Denwelken zijG846 de heerlijkheidG1391 inG1519 alle eeuwigheidG165. AmenG281.
En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
KJV
And1
the Lord5
shall deliver2
me
from6
every7
evil9
work,8
and10
will preserve11
me unto12
his15
heavenly17
kingdom:14
to whom18
be glory20
for21
ever23
and ever.25
Amen.26
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
GroetG782 PriskaG4251 enG2532 AquilaG207, enG2532 het huisG3624 van OnesiforusG3683.
Groet Priska en Aquila, en het huis van Onesiforus.
KJV
Salute1
Prisca2
and3
Aquila,4
and5
the household8
of Onesiphorus.7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
ErastusG2037 is te KorintheG2882 geblevenG3306; enG1161 TrofimusG5161 heb ik te MileteG3399 krankG770 gelatenG620.
Erastus is te Korinthe gebleven; en Trofimus heb ik te Milete krank gelaten.
KJV
Erastus1
abode2
at3
Corinth:4
but6
Trophimus5
have I left7
at8
Miletum9
sick.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
BenaarstigG4704 u, om voor den winterG5494 te komenG2064. UG4771 groetG782 EubulusG2103, enG2532 PudensG4227, enG2532 LinusG3044, enG2532 KlaudiaG2803, enG2532 alG3956 de broedersG80.
Benaarstig u, om voor den winter te komen. U groet Eubulus, en Pudens, en Linus, en Klaudia, en al de broeders.
KJV
Do thy diligence1
to come4
before2
winter.3
Eubulus7
greeteth5
thee,
and8
Pudens,9
and10
Linus,11
and12
Claudia,13
and14
all17
the brethren.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
De HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 zij metG3326 uw geestG4151. De genadeG5485 zij metG3326 ulieden. AmenG281.
De Heere Jezus Christus zij met uw geest. De genade zij met ulieden. Amen.
KJV
The Lord2
Jesus3
Christ4
be with5
thy
spirit.7
Grace10
be with11
you.
Amen.13
[fn]
De gemerkte woorden tussen haken zijn het onderschrift bij deze brief. De Textus Receptus zet dat aan het slot van dertien brieven van Paulus en van de Hebreeënbrief: een aantekening van de overlevering over afzender, plaats en bezorger. Het is geen woord van de brief zelf, de oudste handschriften hebben het niet, en de Statenvertaling neemt het in het vers niet op.
betuig dan voor God
Dat is, ik bid, vermaan u om Gods wil, of ik bezweer u voor God, dat is, ik neem God tot getuige, dat ik u ernstig vermaan. Zie dergelijke 1 Tim. 5:21.
Hertaald:
betuig dan voor God
Dat is: ik bid en spoor u om Gods wil aan; of: ik bezweer u voor God, dat is: ik neem God tot Getuige dat ik u ernstig aanspoor. Zie iets dergelijks in 1 Tim. 5:21.
de levenden en
Dat is, die in het leven zullen bevonden worden als Christus zal komen ten oordeel. Zie 1 Kor. 15:51; 1 Thess. 4:16-17.
Hertaald:
de levenden en
Dat is: zij die in het leven bevonden zullen worden wanneer Christus ten oordeel zal komen. Zie 1 Kor. 15:51; 1 Thess. 4:16-17.
doden
Dat is, die tevoren zullen gestorven zijn en weder opgewekt; Joh. 5:28-29; Openb. 20:12.
Hertaald:
doden
Dat is: zij die eerder gestorven zullen zijn en weer opgewekt worden; Joh. 5:28-29; Openb. 20:12.
oordelen zal
Hij stelt hem voor het laatste oordeel, opdat hij en wij allen, daardoor opgewekt mogen worden tot getrouwheid in onze bediening, als die daarvan dan rekenschap zullen moeten geven. Zie 2 Kor. 5:10-11.
Hertaald:
oordelen zal
Hij stelt hem het laatste oordeel voor ogen, opdat hij en wij allen daardoor opgewekt worden tot trouw in onze dienst, omdat wij daarvan dan rekenschap zullen moeten geven. Zie 2 Kor. 5:10-11.
in Zijn verschijning
Namelijk in de wolken, met Zijne engelen en met de heerlijkheid Zijns Vaders om te oordelen.
Hertaald:
in Zijn verschijning
Namelijk Zijn verschijning in de wolken, met Zijn engelen en met de heerlijkheid van Zijn Vader, om te oordelen.
in Zijn Koninkrijk
Namelijk der heerlijkheid.
Hertaald:
in Zijn Koninkrijk
Namelijk Zijn Koninkrijk van de heerlijkheid.
Predik
Dit woord betekent eigenlijk met luider stem, gelijk de uitroepers, iets verkondigen. Zie Jes. 40:9.
Hertaald:
Predik
Dit woord betekent eigenlijk iets met luide stem verkondigen, zoals de omroepers doen. Zie Jes. 40:9.
het woord;
Namelijk des Evangelies.
Hertaald:
het woord;
Namelijk het woord van het Evangelie.
houd aan
Grieks sta aan; namelijk met gedurig leren en vermanen.
Hertaald:
houd aan
Grieks: sta erop; namelijk met voortdurend leren en aansporen.
tijdelijk,
Dat is, wanneer daartoe goede gelegenheid is, zonder die te verzuimen; Spr. 25:11.
Hertaald:
tijdelijk,
Dat is: wanneer daar een goede gelegenheid voor is, zonder die te verzuimen; Spr. 25:11.
ontijdelijk;
Daarmede wil Paulus niet zeggen, dat Timotheüs en andere predikers onbeleefdheid zouden gebruiken, maar dat zij gedurig en ijverig moeten aanhouden, zonder enigen tijd of gelegenheid te verzuimen, hoewel het, òf hun zelf zo wel niet te pas komt, òf somtijds ook de toehoorders zouden menen, dat het hun niet wel gelegen is de vermaningen te horen.
Hertaald:
ontijdelijk;
Daarmee wil Paulus niet zeggen dat Timotheüs en andere predikers onbehoorlijk te werk zouden gaan, maar dat zij voortdurend en ijverig moeten aanhouden, zonder enige tijd of gelegenheid te verzuimen — ook al komt het hun zelf niet zo goed uit, of al zouden de hoorders soms menen dat het hun niet goed gelegen komt de aansporingen te horen.
wederleg,
Namelijk de dwalingen dergenen, die de waarheid nog niet weten of niet toestaan.
Hertaald:
wederleg,
Namelijk de dwalingen weerleggen van hen die de waarheid nog niet kennen of niet toegeven.
bestraf,
Namelijk degenen die kwaad en ongeregeld van leven zijn.
Hertaald:
bestraf,
Namelijk hen bestraffen die kwaad en ongeregeld van leven zijn.
vermaan
Namelijk tot oefening van alle christelijke deugden. Of vertroost; namelijk alle zwakke en bedroefde mensen.
Hertaald:
vermaan
Namelijk aansporen tot het beoefenen van alle christelijke deugden. Of: troost, namelijk alle zwakke en bedroefde mensen.
in alle lankmoedigheid
Dat is, zonder hevigheid of bitterheid, verdragende geduldig der mensen onverstand en onbescheidenheid. Zie Gal. 6:1; 2 Tim. 2:24.
Hertaald:
in alle lankmoedigheid
Dat is: zonder hevigheid of bitterheid, en het onverstand en de onbezonnenheid van de mensen geduldig verdragend. Zie Gal. 6:1; 2 Tim. 2:24.
leer
Dat is, zo, dat de hoofdstukken der leer altijd klaar en duidelijk voorgedragen worden.
Hertaald:
leer
Dat is: zo, dat de hoofdpunten van de leer altijd helder en duidelijk voorgedragen worden.
de gezonde leer niet
Namelijk des heiligen Evangelies. Zie 2 Tim. 1:13.
Hertaald:
de gezonde leer niet
Namelijk de gezonde leer van het heilige Evangelie. Zie 2 Tim. 1:13.
verdragen; maar
Dat is, niet alleen niet aannemen, maar ook niet willen toestaan dat deze hun voorgedragen wordt.
Hertaald:
verdragen; maar
Dat is: die niet alleen niet aannemen, maar zelfs niet willen toestaan dat die hun voorgehouden wordt.
kittelachtig zijnde
Dat is, hebbende een hart en oren, die jeuken naar wat nieuws en vreemds.
Hertaald:
kittelachtig zijnde
Dat is: een hart en oren hebbend die jeuken naar iets nieuws en vreemds.
opgaderen,
Of ophopen; dat is, den een voor en de ander na opwerpen en verkiezen, die hun wat nieuws leren.
Hertaald:
opgaderen,
Of: ophopen; dat is: de een na de ander naar voren halen en kiezen, namelijk zij die hun iets nieuws leren.
naar hun eigen begeerlijkheden;
Dat is, die ene leer voordragen met hunne kwade lusten overeenkomende.
Hertaald:
naar hun eigen begeerlijkheden;
Dat is: leraars die een leer voordragen die met hun kwade lusten overeenkomt.
hun gehoor
Dat is, niet willen horen.
Hertaald:
hun gehoor
Dat is: niet willen horen.
van de waarheid afwenden,
Dat is, van de zuivere en waarachtige leer des Evangelies.
Hertaald:
van de waarheid afwenden,
Dat is: van de zuivere en waarachtige leer van het Evangelie.
fabelen
Zie van deze fabelen 1 Tim. 1:4, en 1 Tim. 4:7; Tit. 1:14; 2 Petr. 1:16.
Hertaald:
fabelen
Zie over deze fabels 1 Tim. 1:4 en 1 Tim. 4:7; Tit. 1:14; 2 Petr. 1:16.
wakker in alles,
Of, nuchter; namelijk niet alleen naar het lichaam, maar naar de ziel voornamelijk.
Hertaald:
wakker in alles,
Of: nuchter; namelijk niet alleen naar het lichaam, maar vooral naar de ziel.
lijd verdrukkingen;
Grieks lijd het kwaad; gelijk 2 Tim. 2:3, 2 Tim. 2:9.
Hertaald:
lijd verdrukkingen;
Grieks: lijd het kwaad, zoals in 2 Tim. 2:3, 2 Tim. 2:9.
van een evangelist,
Dat is, van een getrouw leraar des heiligen Evangelies. Zie van het ambt van een evangelist Hand. 21:8; Ef. 4:11.
Hertaald:
van een evangelist,
Dat is: van een trouwe leraar van het heilige Evangelie. Zie over het ambt van een evangelist Hand. 21:8; Ef. 4:11.
ten volle verzekerd zij
Dat is, gedraag u in uwen dienst met zodanige naarstigheid en getrouwheid, dat een ieder mag zien en verzekerd zijn, dat gij een oprecht leraar zijt, die alle delen zijns ambts wel bedient en volvoert, en daardoor in de waarheid meer en meer versterkt worde; zie vs.17.
Hertaald:
ten volle verzekerd zij
Dat is: gedraag u in uw dienst met zulke nauwgezetheid en trouw dat ieder mag zien en ervan verzekerd mag zijn dat u een oprecht leraar bent, die alle onderdelen van zijn ambt goed uitoefent en volbrengt, en dat men daardoor meer en meer in de waarheid versterkt wordt; zie vers 17.
word nu
Dat is, zal nu haast geofferd of gedood worden. Dit wist de apostel, òf uit een bijzondere openbaring, òf door aanmerking van de gelegenheid en omstandigheden zijner zaken. Zie dergelijke 2 Petr. 1:14.
Hertaald:
word nu
Dat is: zal nu binnenkort geofferd of gedood worden. Dat wist de apostel óf uit een bijzondere openbaring, óf doordat hij op de omstandigheden van zijn zaak lette. Zie iets dergelijks in 2 Petr. 1:14.
tot een drankoffer
Zie hiervan de aantekeningen op Fil. 2:17.
Hertaald:
tot een drankoffer
Zie hierover de aantekeningen bij Filipp. 2:17.
ontbinding is aanstaande
Of, loslating, verhuizing. Zo noemt hij zijnen dood, gelijk ook Fil. 1:23. Zie de aantekeningen aldaar.
Hertaald:
ontbinding is aanstaande
Of: losmaking, verhuizing. Zo noemt hij zijn dood, zoals ook in Filipp. 1:23. Zie de aantekeningen daar.
den goeden strijd gestreden,
De apostel vergelijkt den loop van zijn dienst en leven bij een strijd of kamp, die eertijds ingesteld werd met lopen, worstelen en anderszins, om daardoor een prijs of kroon te behalen. Zie van deze gelijkenis 1 Kor. 9:24-25; 2 Tim. 2:5.
Hertaald:
den goeden strijd gestreden,
De apostel vergelijkt de loop van zijn dienst en zijn leven met een strijd of wedstrijd, die vroeger gehouden werd met hardlopen, worstelen en dergelijke, om daarmee een prijs of een krans te winnen. Zie over deze vergelijking 1 Kor. 9:24-25; 2 Tim. 2:5.
geëindigd
Namelijk daar ik nu tot het uiterste en einde mijns levens gekomen ben.
Hertaald:
geëindigd
Namelijk omdat ik nu bij het uiterste en het einde van mijn leven gekomen ben.
het geloof behouden;
Daardoor wordt verstaan het zaligmakend geloof en de trouw, die hij Christus in het bedienen des apostelschaps beloofd had.
Hertaald:
het geloof behouden;
Daaronder wordt het zaligmakende geloof verstaan, en ook de trouw die hij Christus in het uitoefenen van het apostelschap beloofd had.
de kroon der rechtvaardigheid,
Dat is, het eeuwige leven, waarmee de rechtvaardige, of gerechtvaardigde, gelijk als met een prijs, naar Gods genadige belofte, gekroond wordt; een gelijkenis, genomen van de strijders of kampvechters, die tot prijs een kroon ontvingen, als zij wettig gestreden hadden; zie 1 Kor. 9:25; 2 Tim. 2:5; Jak. 1:12; Openb. 2:10, en Openb. 3:11.
Hertaald:
de kroon der rechtvaardigheid,
Dat is: het eeuwige leven, waarmee de rechtvaardige of de gerechtvaardigde als met een prijs gekroond wordt, naar de genadige belofte van God. Dit is een vergelijking, genomen van de strijders of kampvechters, die als prijs een krans ontvingen wanneer zij naar de regels gestreden hadden; zie 1 Kor. 9:25; 2 Tim. 2:5; Jak. 1:12; Openb. 2:10 en Openb. 3:11.
in dien dag
Namelijk mijner ontbinding, en ten volle in den dag des laatsten oordeels, gelijk 1 Kor. 1:8; 2 Kor. 1:14; 2 Tim. 1:12, 2 Tim. 1:18.
Hertaald:
in dien dag
Namelijk op de dag van mijn heengaan, en ten volle op de dag van het laatste oordeel, zoals in 1 Kor. 1:8; 2 Kor. 1:14; 2 Tim. 1:12, 2 Tim. 1:18.
geven zal; en niet
Grieks wedergeven; namelijk tot een genadige vergelding.
Hertaald:
geven zal; en niet
Grieks: teruggeven; namelijk als een genadige vergelding.
Zijn verschijning
Zie vs.1.
Hertaald:
Zijn verschijning
Zie vers 1.
liefgehad hebben
Dat is, die bewust zijnde van hun oprechtheid, naar deze verlangd hebben, met verzekering en vertrouwen, dat zij dan niet veroordeeld zullen worden, maar de kroon des levens zullen ontvangen.
Hertaald:
liefgehad hebben
Dat is: zij die, zich bewust van hun oprechtheid, daarnaar verlangd hebben, met de zekerheid en het vertrouwen dat zij dan niet veroordeeld zullen worden, maar de kroon van het leven zullen ontvangen.
haastelijk tot mij te komen
Dat is, nog voor den winter, vs.21.
Hertaald:
haastelijk tot mij te komen
Dat is: nog voor de winter, vers 21.
heeft mij verlaten,
Dat is, van hier vertrokken, scheidende uit den dienst, dien hij hier met mij deed in het prediken. Zie Filem. 1:24.
Hertaald:
heeft mij verlaten,
Dat is: van hier vertrokken, en zo weggegaan uit de dienst die hij hier samen met mij in het prediken deed. Zie Filem. 1:24.
wereld liefgekregen,
Grieks eeuw; dat is, het gemak dezes levens zoekende, om arbeid en gevaar te ontgaan, of om zijn tijdelijke zaken te verzorgen; waaruit dan niet volgt, dat hij ganselijk van het geloof zou afgevallen zijn.
Hertaald:
wereld liefgekregen,
Grieks: eeuw; dat is: het gemak van dit leven zoekend, om arbeid en gevaar te ontlopen of om zijn tijdelijke zaken te verzorgen. Daaruit volgt dus niet dat hij helemaal van het geloof afgevallen zou zijn.
Dalmátië
Dit landschap is een deel van Illyricum, grenzende oostwaarts aan Macedonië, en west-en zuidwaarts aan de Adriatische zee.
Hertaald:
Dalmátië
Dit gebied is een deel van Illyrië, dat in het oosten aan Macedonië grenst en in het westen en zuiden aan de Adriatische Zee.
Lukas is alleen met mij
Zie van hem Kol. 4:14, en Filem. 1:24.
Hertaald:
Lukas is alleen met mij
Zie over hem Kol. 4:14 en Filem. 1:24.
Markus mede,
Deze was een neef van Barnabas, Kol. 4:10, genaamd Johannes en toegenaamd Markus, Hand. 12:12, Hand. 12:25, en Hand. 15:39. Zie ook van hem Filem. 1:24; 1 Petr. 5:13.
Hertaald:
Markus mede,
Deze was een neef van Barnabas, Kol. 4:10; hij heette Johannes en had de bijnaam Markus, Hand. 12:12, Hand. 12:25 en Hand. 15:39. Zie ook over hem Filem. 1:24; 1 Petr. 5:13.
tot den dienst
Namelijk des Evangelies, en niet zozeer om mij in het bijzonder te dienen.
Hertaald:
tot den dienst
Namelijk de dienst van het Evangelie, en niet zozeer om mij persoonlijk te dienen.
Tychicus
Zie van hem Hand. 20:4; Ef. 6:21; Kol. 4:7; Tit. 3:12.
Hertaald:
Tychicus
Zie over hem Hand. 20:4; Ef. 6:21; Kol. 4:7; Tit. 3:12.
naar Efeze gezonden
Namelijk om die kerk in uwe plaats te verzorgen.
Hertaald:
naar Efeze gezonden
Namelijk om die gemeente in uw plaats te verzorgen.
Breng den reismantel
Grieks phelonen. Lat. penulam; welke een mantel was, om in het reizen te gebruiken tegen regen en koude. Sommigen verstaan daardoor een koffertje, om boeken in te leggen.
Hertaald:
Breng den reismantel
Grieks: felonèn; Latijn: paenula. Dat was een mantel die men op reis gebruikte tegen regen en koude. Sommigen verstaan daaronder een koffertje om boeken in te leggen.
de boeken, inzonderheid
Namelijk der heilige Schrift, of andere, handelende van Gods woord.
Hertaald:
de boeken, inzonderheid
Namelijk de boeken van de Heilige Schrift, of andere boeken die over Gods Woord handelen.
de perkamenten
Grieks membranas; een Latijns woord, betekenende enige dunne vellen van beesten, toebereid om op te schrijven, bij ons genoemd perkamenten, omdat zij eerst in de stad Pergamos zijn gevonden en bereid.
Hertaald:
de perkamenten
Grieks: membranas, een Latijns woord dat dunne vellen van dierenhuid aanduidt die bewerkt zijn om erop te schrijven; bij ons perkament genoemd, omdat het eerst in de stad Pergamus gevonden en bereid is.
Alexander,
Van dezen, zie 1 Tim. 1:20.
Hertaald:
Alexander,
Over hem, zie 1 Tim. 1:20.
de kopersmid, heeft mij
Of, koperslager.
Hertaald:
de kopersmid, heeft mij
Of: koperslager.
veel kwaads betoond;
Namelijk met lasteren en de gezonde leer tegen te staan, gelijk verklaard wordt vs.15.
Hertaald:
veel kwaads betoond;
Namelijk door te lasteren en de gezonde leer tegen te staan, zoals in vers 15 verklaard wordt.
de Heere vergelde
Dit is geen vervloeking uit een wraakgierig hart voortgekomen, tegen de leer van Christus, Matt. 5:44, en ook van Paulus zelf, Rom. 12:14, maar ook profetische dreiging uit een Goddelijken ijver tot Gods eer en ingeven des Heiligen Geestes, van de straf die hem genakende was, daar hij zich betoonde gans onbekeerlijk en verhard te zijn. Zie dergelijke Neh. 4:4, enz.; Ps. 5:11.
Hertaald:
de Heere vergelde
Dit is geen vervloeking die uit een wraakzuchtig hart voortkomt, tegen de leer van Christus, Matth. 5:44, en tegen die van Paulus zelf, Rom. 12:14. Het is een profetische dreiging, uit een goddelijke ijver voor Gods eer en door de ingeving van de Heilige Geest, over de straf die hem naderde, omdat hij zich volkomen onbekeerlijk en verhard betoonde. Zie iets dergelijks in Neh. 4:4, enzovoort; Ps. 5:11.
Van welken wacht gij
Namelijk dat hij u ook dergelijk kwaad niet doe, of de gemeente geen schade doe.
Hertaald:
Van welken wacht gij
Namelijk wacht u ervoor dat hij ook u zulk kwaad doet, of dat hij de gemeente schade doet.
eerste verantwoording
Namelijk gedaan voor den Keizer Nero.
Hertaald:
eerste verantwoording
Namelijk mijn eerste verantwoording, gedaan voor de keizer Nero.
niemand
Namelijk van mijn medehelpers in den dienst des Woords, of die mij plachten te volgen en vergezellen. Het schijnt dat hij Lukas uitzondert, vs.11. Indien Petrus toen te Rome zou geweest zijn, gelijk voorgegeven wordt, zo zou dat een grote schande voor hem geweest zijn, hetwelk niet gelofelijk is.
Hertaald:
niemand
Namelijk niemand van mijn medehelpers in de dienst van het Woord, of van hen die mij plachten te volgen en te begeleiden. Het lijkt erop dat hij Lukas uitzondert, vers 11. Als Petrus toen in Rome geweest zou zijn, zoals beweerd wordt, dan zou dat een grote schande voor hem geweest zijn, en dat is niet aannemelijk.
bij mij geweest,
Namelijk om mij met raad, voorspraak, getuigenis, of anderszins te helpen.
Hertaald:
bij mij geweest,
Namelijk om mij met raad, voorspraak, getuigenis of anderszins te helpen.
verlaten
Dat is, alleen gelaten, niet vergezeld.
Hertaald:
verlaten
Dat is: alleen gelaten, niet begeleid.
Het worde hun niet toegerekend
Dewijl zij dit uit zwakheid en vrees des gevaars gedaan hadden, zo bidt hij God voor hen, daar hij tevoren tegen den moedwilligen en verstokten Alexander gebeden heeft, vs.14; zie dergelijke Luc. 23:34; Hand. 7:60.
Hertaald:
Het worde hun niet toegerekend
Omdat zij dit uit zwakheid en uit vrees voor het gevaar gedaan hadden, bidt hij God voor hen, terwijl hij eerder tegen de moedwillige en verstokte Alexander gebeden heeft, vers 14; zie iets dergelijks in Luk. 23:34; Hand. 7:60.
bijgestaan, en
Namelijk met de genade zijns Geestes, gelijk hij beloofd heeft, Luc. 21:14-15. Of, heeft gestaan bij mij, gelijk Hand. 27:23, en mij vertroost en versterkt.
Hertaald:
bijgestaan, en
Namelijk bijgestaan met de genade van Zijn Geest, zoals Hij beloofd heeft, Luk. 21:14-15. Of: Hij heeft bij mij gestaan, zoals in Hand. 27:23, en mij getroost en versterkt.
heeft mij bekrachtigd;
Namelijk met wijsheid, voorzichtigheid en kloekmoedigheid.
Hertaald:
heeft mij bekrachtigd;
Namelijk met wijsheid, voorzichtigheid en moed.
opdat men door mij
Of, opdat door mij de prediking vervuld zou worden. Zie vs.5.
Hertaald:
opdat men door mij
Of: opdat de prediking door mij vervuld zou worden. Zie vers 5.
alle heidenen dezelve
Dat is, opdat ik nog tijd en gelegenheid zou hebben om het Evangelie onder de heidenen, wier apostel ik ben, Rom. 11:13, verder te verbreiden.
Hertaald:
alle heidenen dezelve
Dat is: opdat ik nog tijd en gelegenheid zou hebben om het Evangelie verder te verbreiden onder de heidenen, van wie ik de apostel ben, Rom. 11:13.
uit de muil des leeuws verlost
Dat is, uit een groot en tegenwoordig gevaar des doods, gelijk daarin zijn degenen, die reeds in den muil en de kaken van een wreden leeuw zijn geraakt, Ps. 22:22, en Ps. 58:7. Anderen verstaan door den leeuw den keizer Nero, die om zijn wreedheid zo wordt genoemd, gelijk doorgaans de tirannen en vijanden der Kerk, Ps. 35:17, en Ps. 91:13; Spr. 28:15; Jer. 2:15, en Jer. 4:7. Zo noemt Christus den koning Herodes om zijn loosheid een vos; Luc. 13:32.
Hertaald:
uit de muil des leeuws verlost
Dat is: uit een groot en dreigend levensgevaar, zoals dat is voor mensen die al in de muil en de kaken van een wreed leeuw geraakt zijn, Ps. 22:22 en Ps. 58:7. Anderen verstaan onder de leeuw de keizer Nero, die vanwege zijn wreedheid zo genoemd wordt, zoals telkens de tirannen en vijanden van de kerk, Ps. 35:17 en Ps. 91:13; Spr. 28:15; Jer. 2:15 en Jer. 4:7. Zo noemt Christus koning Herodes vanwege zijn sluwheid een vos; Luk. 13:32.
zal mij verlossen
Dat is, ik ben daarvan verzekerd uit Zijne beloften; Ps. 34:20, en Ps. 41:3, en Ps. 55:23.
Hertaald:
zal mij verlossen
Dat is: daarvan ben ik verzekerd uit Zijn beloften; Ps. 34:20 en Ps. 41:3, en Ps. 55:23.
van alle boos werk,
Dat is, van verzaking of krenking der waarheid en vertwijfeling aan zijn hulp.
Hertaald:
van alle boos werk,
Dat is: van het verzaken of aantasten van de waarheid en van het twijfelen aan Zijn hulp.
tot Zijn hemels Koninkrijk;
Dat is, totdat hij het eindelijk zal geven.
Hertaald:
tot Zijn hemels Koninkrijk;
Dat is: totdat Hij het uiteindelijk zal geven.
in alle eeuwigheid
Grieks in eeuwigheden der eeuwigheden.
Hertaald:
in alle eeuwigheid
Grieks: in eeuwigheden der eeuwigheden.
Priska en Aquila,
Zie van dezen, Hand. 18:2; Rom. 16:3.
Hertaald:
Priska en Aquila,
Zie over hen Hand. 18:2; Rom. 16:3.
Onesiforus
Zie van dezen, 2 Tim. 1:16.
Hertaald:
Onesiforus
Zie over hem 2 Tim. 1:16.
Erastus is te Korinthe
Zie van hem, Hand. 19:22; Rom. 16:23.
Hertaald:
Erastus is te Korinthe
Zie over hem Hand. 19:22; Rom. 16:23.
Trófimus
Zie van hem, Hand. 20:4, en Hand. 21:29.
Hertaald:
Trófimus
Zie over hem Hand. 20:4 en Hand. 21:29.
te Miléte
Zie van deze stad, Hand. 20:15, Hand. 20:17.
Hertaald:
te Miléte
Zie over deze stad Hand. 20:15, Hand. 20:17.
met uwen geest
Dat is, geve u zijne genade, voornamelijk naar de ziel.
Hertaald:
met uwen geest
Dat is: geve u Zijn genade, vooral naar de ziel.
ulieden
Dat is, niet alleen met u Timotheüs, maar ook met alle gelovigen te Efeze.
Hertaald:
ulieden
Dat is: niet alleen met u, Timotheüs, maar ook met alle gelovigen in Efeze. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een gelovige die Paulus dikwijls verkwikt heeft en die hem, toen hij in Rome was, ijverig heeft opgezocht en gevonden zonder zich van zijn gevangenschap te schamen (2 Tim. 1:16-18; 4:19). Een medewerker van Paulus die naar Galatië gereisd was (2 Tim. 4:10). Een gelovige te Troas, bij wie Paulus een reismantel en boeken had achtergelaten (2 Tim. 4:13). Een gelovige te Rome die met Paulus meegroet (2 Tim. 4:21). Een gelovige te Rome die met Paulus meegroet (2 Tim. 4:21). Een gelovige te Rome die met Paulus meegroet (2 Tim. 4:21); door latere overlevering wel genoemd als een van de eerste voorgangers van de gemeente te Rome, al is dat niet met zekerheid uit de Schrift af te leiden. Een gelovige te Rome die met Paulus meegroet (2 Tim. 4:21). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Een Romeinse provincie aan de oostkust van de Adriatische Zee, in het huidige Kroatië/Montenegro. Geschiedenis: In zijn laatste, aangrijpende brief, kort voor zijn marteldood geschreven, vermeldt Paulus dat Demas hem, "hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen", verlaten heeft en naar Thessalonica (reeds bestaand) vertrokken is, terwijl Titus naar Dalmatië ging (2 Tim. 4:9-10) — vermoedelijk, in tegenstelling tot Demas, in voortgezette dienst van het Evangelie. Reeds eerder, in zijn brief aan de Romeinen, had Paulus geschreven dat hij het Evangelie "van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyricum toe" volbracht had (Rom. 15:19) — hetzelfde gebied, onder zijn oudere, bredere naam. Bijbelse betekenis: Het contrast tussen Demas, die de wereld liefkreeg en Paulus verliet, en de overige medewerkers die trouw in de dienst van het Evangelie bleven, is een aangrijpende, tijdloze waarschuwing tegen het gevaar van wereldgelijkvormigheid, juist ook onder hen die eerder trouw dienden. Recente inzichten: Overeenkomend met de kuststreek van het huidige Kroatië en Montenegro. Rom. 15:19; 2 Tim. 4:9-10 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Wetend dat zijn einde nabij is — "ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande" (2 Tim. 4:6) — blikt Paulus terug zonder spijt of angst: "Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden" (2 Tim. 4:7). Het vooruitzicht is even standvastig als de terugblik: "voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben" (2 Tim. 4:8). Bijbelse betekenis: De drie werkwoorden — gestreden, geëindigd, behouden — vatten een heel leven van dienst samen zonder enige zelfroem over eigen verdienste. De kroon wordt niet verdiend maar door de rechtvaardige Rechter gegeven, en wel aan allen die Zijn verschijning hebben liefgehad en niet aan Paulus alleen. Zijn kalmte tegenover de dood komt niet uit stoïcijnse onverschilligheid, maar uit de zekerheid van wat hem wacht. Typologie: Paulus gebruikt hetzelfde wedloopbeeld al eerder: "een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles" — zij om een verderfelijke kroon, wij om een onverderfelijke (1 Kor. 9:25-26), en elders spreekt hij van dezelfde vrijmoedige verwachting van de dood: "begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste" (Fil. 1:23). 2 Tim. 4:6-8; 1 Kor. 9:25-26; Fil. 1:23 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Profeet, priester en koning niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe ambt Dit is het laatste dat Paulus geschreven heeft. Hij zit gevangen, weet dat het afloopt, en geeft zijn jongste medewerker de opdracht door. Er staat geen woord in over zijn eigen omstandigheden voordat de opdracht gegeven is. Voor een rechtbank die er nog niet is, wordt een prediker beëdigd. **De plechtigheid.** “Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk.” Dat is de vorm van een eed. Timotheüs wordt niet aangemoedigd maar beëdigd, en de rechter voor wie dat gebeurt is Degene Die komen zal. **De opdracht.** Twee woorden: “Predik het woord.” En dan wat dat inhoudt: houd aan tijdelijk, ontijdelijk — dus of het uitkomt of niet. Dat is de kern van dit ambt in het hele register. Een profeet bedenkt niets; hij krijgt woorden in de mond gelegd. Ezechiël moest de rol eerst opeten. De wachter roept wat hij ziet, en zijn hele waarde ligt erin dat hij het van een ander heeft. **Waarom het niet vanzelf gaat.** Er komt een tijd dat men de gezonde leer niet verdraagt en zichzelf leraars bijeenhaalt naar eigen begeerten. Het woord dat de Statenvertaling gebruikt is treffend: kittelachtig van gehoor. De verleiding voor de prediker is dus niet in de eerste plaats luiheid, maar de wens om te bevallen. **En dan pas over zichzelf.** “Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande.” Een drankoffer werd bij het brandoffer uitgegoten en verdween in de grond; het was er alleen om over het echte offer heen te gaan. Zo ziet hij zijn eigen einde. **De drie zinnen.** “Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geeindigd, ik heb het geloof behouden.” Geen van de drie gaat over uitkomst; alle drie gaan over volhouden. **Het slot.** “Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal.” De kanttekening merkt op dat het woord *geven* in het Grieks eigenlijk *weergeven* is — een genadige vergelding. En zij zegt erbij dat de kroon niet voor hem alleen is, maar voor allen die Zijn verschijning liefgehad hebben. De man die begon met een eed voor de Rechter, eindigt bij diezelfde Rechter met een kroon. In het Nieuwe Testament: Ezechiël 3:17; Jeremia 1:9; Deuteronomium 18:18; Numeri 15:5; 1 Korinthiers 9:25; 2 Timotheüs 2:5 Hoever dit reikt: De kroon der rechtvaardigheid verklaart de kanttekening als het eeuwige leven, naar Gods genadige belofte gegeven — het beeld komt van de kampvechter die een krans ontving. Wanneer die dag is, wordt in tweeën gelegd: bij zijn sterven, en ten volle op de laatste dag.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Bij Spurgeons begrafenis kwamen duizenden mensen afscheid nemen van de geliefde predikant. Zijn leven herinnerde mensen eraan om naar Jezus te kijken en na te denken over de… Maar de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij kracht gegeven... 2 Timotheüs 4:17 Dit verhaal gaat over twee andere mannen die de Metropolitan Tabernacle bezochten en slaven… Trofimus heb ik in Milete ziek achtergelaten. 2 Timotheüs 4:20 Het komt tegenwoordig vaak voor dat een ziekte hard en wreed wordt toegeschreven aan een tekortkoming in iemands… Toen het etenstijd was, zei Boaz tegen haar: Kom er hier bij en eet van het brood en doop uw stukje brood in de zure wijn. Zo zat… Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot zaligheid. (Romeinen 10:10) Lees verder 2 Timotheüs 4:9—18. Mijn lieve broeders, wat denk… Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Verder is voor mij weggelegd de krans van de rechtvaardigheid… 2 Timotheüs 4:8 Twijfelende ziel! Misschien heb je al vaak gezegd:… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
2 Timotheüs 4
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Predik het woord — 4:1-8
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
De begrafenis
Blijf volhouden!
Zonde en ziekte
Etenstijd in het korenveld
Geloven met het hart
Toegerekende gerechtigheid
Krans der rechtvaardigheid


2 Timotheüs 4
2 Timotheüs 4:1-2
KruisverwijzingenHandelingen 10:42→Titus 2:15→1 Timotheüs 5:21→1 Timotheüs 5:20→Titus 1:13→1 Timotheüs 4:13→2 Timotheüs 4:8→Mattheüs 16:27→— Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk: Predik het woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.
Wij mogen zulke sterke taal niet gebruiken, tenzij daar voldoende reden voor is. Wij mogen niet te heet zijn over koude zaken, maar zelfs dat is beter dan koud te zijn over zaken die hitte vereisen. Toen Johannes Calvijn Genève wilde verlaten om elders zijn studie te voltooien, wist die man Gods, Farel, hoe noodzakelijk het voor de Gemeente was dat Calvijn in Genève bleef. Hij bezwoer hem voor God dat hij niet mocht gaan. Hij hoopte dat er een vloek op al zijn studies zou rusten, als hij omwille daarvan zou verzaken wat hij als zijn plicht beschouwde. Zo mogen ook wij, net als de apostel, voor de Rechter van levenden en doden, mensen bezweren hun werk en roeping niet te verzaken.
2 Timotheüs 4:2
KruisverwijzingenTitus 2:15→1 Timotheüs 5:20→Titus 1:13→1 Timotheüs 4:13→Openbaring 3:19→Kolossenzen 1:28→Handelingen 20:7→Handelingen 20:18→— Predik het woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.
Het Griekse woord betekent: “sta ervoor.” Zoals iemand die vastbesloten is zijn werk af te maken, er recht voor gaat staan. Sta voor uw werk, en zet er uw hele kracht in, er bovenop staand. “Tijdelijk, ontijdelijk,” want het Evangelie is een vrucht die het hele jaar door in het seizoen is. Soms zijn juist die “ontijdige” preken, gehouden ‘s avonds of op een ongewoon uur, van meer nut geweest dan de gewone diensten van Gods huis. Meneer Grimshaw reed van dorp tot dorp door de meest verlaten streken van Yorkshire. Waar hij ook tien of twaalf mensen tegenkwam, preekte hij hun te paard, soms wel vierentwintig preken in één week. Dat was ontijdig instaan, evengoed als tijdig. Zo behoren Gods Timotheüsjes te zijn, en eigenlijk wij allen.
2 Timotheüs 4:3-4
Kruisverwijzingen1 Timotheüs 1:4→2 Petrus 2:1→2 Timotheüs 3:1→Jeremia 6:16→1 Timotheüs 1:10→1 Timotheüs 4:1→1 Korinthe 2:1→Micha 2:11→— Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden; En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen.
Wanneer mensen geen goede predikers hebben, hebben zij er zeker heel veel. De volken met de slechtste priesters hebben ze altijd bij zwermen. Laten wij daarom dankbaar zijn als God ons een gloeiende en ijverige dienaar zendt. Zelfs zij die het een last achten een dienaar te hebben, zouden meer belast zijn als zij geen goede hadden. Maar hoe kwaad is het, wanneer mensen jeukende oren krijgen, wanneer zij voortdurend gekitteld willen worden, wanneer zij mooie dingen willen, een fraaie, pretentieuze verstandelijkheid. In elke gemeente kan goed gedaan worden, behalve in een gemeente met jeukende oren. Moge God ons daarvan verlossen. Wanneer een mens de waarheid niet wil geloven, zal hij binnenkort een gretig gelovige van leugens zijn. Niemand is zo goedgelovig als de scepticus. Er is geen ongerijmdheid zo grof, of een ongelovige zal er al gauw toe gebracht worden haar aan te nemen, hoewel hij de waarheid van God verwerpt.
2 Timotheüs 4:5-6
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 1:8→2 Timotheüs 2:3→Filippenzen 1:23→Filippenzen 2:17→Kolossenzen 4:17→Handelingen 21:8→1 Thessalonicenzen 5:6→2 Timotheüs 3:10→— Maar gij, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij. Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande.
Hoe zorgeloos spreekt hij erover! Het is slechts een heengaan, ook al zou Cesars zwaard zijn hoofd van zijn lichaam scheiden. De dood is voor de gelovige werkelijk geen verschrikkelijk iets. “Ga op,” zei God tegen Mozes, en de profeet ging op, en God nam zijn ziel tot Zich, en hij was gezegend. Zo zegt God ook: “Kom op,” tegen de christen, en de christen gaat op, eerst naar zijn kamer, en dan van zijn kamer naar het paradijs. Het is mooi te zien hoe Paulus hier over zijn dood spreekt. Naar onze vertaling noemt hij het een offerande. Nu waagt Paulus het niet zichzelf een offerande te noemen; Christus is zijn offerande. Christus is, om zo te zeggen, het offer op het altaar. Hij vergelijkt zichzelf slechts met die kleine hoeveelheid wijn en olie die als aanvulling werd uitgegoten. Dat was niet noodzakelijk tot volmaking, maar toegestaan bij het volbrengen van een gelofte, of toegelaten bij een vrijwillig offer. Paulus is vastbesloten zijn dankbaarheid aan Christus, het grote offer, te tonen. Hij is bereid dat zijn bloed als een drankoffer wordt uitgegoten op het altaar waar zijn Heere en Meester het grote brandoffer was.
2 Timotheüs 4:7-8
KruisverwijzingenJakobus 1:12→1 Timotheüs 6:12→Handelingen 20:24→Kolossenzen 1:5→2 Timotheüs 1:12→Filippenzen 3:13→Hebreeën 12:1→Spreuken 23:23→— Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geeindigd, ik heb het geloof behouden; Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.
Dit blijkt een onderscheidend kenmerk te zijn van een waar kind van God: hij heeft de verschijning van Christus lief. Nu zijn er sommige belijders die nooit aan de wederkomst denken. Het geeft hun niet de minste blijdschap te geloven dat Jezus, de Koning, zal komen om Zijn volk op te nemen tot hun eeuwige woning. Waarlijk, zij vergissen zich en hebben het zeker mis, want was dit niet juist de vertroosting die Christus Zijn discipelen gaf: “En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.” Ik vertrouw, geliefde vrienden, dat wij behoren tot hen die Zijn verschijning liefhebben. Zijn wij dat, dan is het een zekere profetie dat wij “de kroon der rechtvaardigheid” zullen ontvangen.
2 Timotheüs 4:9-10
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 1:15→Handelingen 16:6→Filemon 1:24→2 Timotheüs 1:4→1 Johannes 5:4→2 Timotheüs 4:16→Handelingen 17:1→Lukas 14:26→— Benaarstig u haastelijk tot mij te komen. Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatie, Titus naar Dalmatie.
Demas was ooit bijna een martelaar; hij stond op de rand van het lijden, maar nu ziet u hem terugkeren naar de wereld. Hij is niet tevreden om met Paulus in de kerker te liggen en weg te kwijnen, maar zoekt liever zijn eigen gemak. Helaas, Demas, hoe hebt u uzelf voor altijd te schande gemaakt. Ieder die deze plaats leest, werpt nog een steen op de hoop die het gedenkteken is van iemand met een lafhartige geest, die van Paulus wegvluchtte in gevaar.
2 Timotheüs 4:11
KruisverwijzingenHandelingen 12:12→Filemon 1:24→Kolossenzen 4:10→Handelingen 15:39→2 Timotheüs 1:15→Handelingen 12:25→Kolossenzen 4:14→1 Petrus 5:13→— Lukas is alleen met mij. Neem Markus mede, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot den dienst.
Dat is een van de mooiste verzen van de Bijbel. U zult zich herinneren dat de apostel Paulus juist met Barnabas twistte over deze Markus. Johannes Markus wilde namelijk niet naar Bithynië gaan om het Woord te prediken, maar verliet Paulus en Barnabas. Daarom wilde Paulus Markus niet meer bij zich hebben, omdat hij zich in de dag van de beproeving had omgekeerd. Maar nu Paulus op het punt staat te sterven, wil hij met iedereen in volledige vrede zijn. Hij heeft de arme Johannes Markus zijn vroegere zwakheid geheel vergeven; hij ziet genade in hem. Daarom is hij bang dat Johannes Markus nog enige vrees zou kunnen hebben voor de toorn van de apostel. Daarom voegt hij deze zeer vriendelijke passage toe, zonder enige verwijzing naar het verleden te laten blijken. Hij geeft hem juist deze grote lof: “hij is mij zeer nut tot den dienst.”
2 Timotheüs 4:13
KruisverwijzingenHandelingen 16:8→1 Korinthe 4:11→2 Korinthe 11:27→Handelingen 20:5→Handelingen 16:11→— Breng den reismantel mede, dien ik te Troas bij Karpus gelaten heb, als gij komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten.
Zelfs een apostel moet lezen. Hij is geïnspireerd, en toch heeft hij boeken nodig. Hij had de Heere gezien, en toch had hij boeken nodig. De apostel zegt tegen Timotheüs, en zo zegt hij tegen elke christelijke leider, dat deze zich aan het lezen moet wijden. Wie nooit leest, zal nooit gelezen worden; wie nooit aanhaalt, zal nooit aangehaald worden; wie de gedachten van andere breinen niet wil gebruiken, bewijst dat hij zelf geen brein heeft. Wat waar is voor leiders in de bediening, is waar voor alle christenen. Wij moeten lezen. Wij moeten zoveel mogelijk gedegen theologische werken en verklaringen van de Bijbel bestuderen. Wij zijn ervan overtuigd dat de beste besteding van vrije tijd is: lezen of bidden. Wij mogen veel onderricht ontvangen uit boeken, dat wij later als een waar wapen kunnen gebruiken in de dienst van onze Heere en Meester.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Ik a) betuig dan en vermaan u onder plechtige verzekering (Hoofdstuk 2: 14. 1 Tim. 5: 21) voor God en de Heere Jezus Christus, die de levenden en doden oordelen zal en dus ook over u het oordeel zal vellen, hetzij dat u, als Hij komt, nog in leven bent of reeds ontslapen bent (Hand. 10: 42. 2 Thessalonicenzen. 1: 10. 1 Petrus 4: 5 in Zijn verschijning (1 Tim. 6: 14) en in Zijn koninkrijk, dat toekomstig is, dat u uw plicht getrouw betracht. Dan toch zal de vraag zijn, of u zult kunnen bestaan voor Hem, de Zoon des mensen (Luk. 21: 36) en een oordeel van Hem zult mogen vernemen, dat ons tot deelgenoten van zijn heerlijkheid verklaart (MATTHEUS. 25: 34).
Rom. 1: 9; 9: 1. 2 Kor. 1: 23; 11: 31.
Voor God en Christus iets betuigen, is zoveel als God en Christus tot getuigen nemen. In het voor ons liggende geval moet hij, die vermaand wordt, zich deze vermaning voor deze Getuige laten zeggen, deze als een voor Hem gehoorde opnemen. Hierdoor verkrijgt het “ik betuig voor God enz. ” de betekenis van een bezwering. De apostel bezweert Timotheus nog in het bijzonder bij de verschijning van Jezus Christus, omdat het dan de vraag zal zijn, of hij voor Hem, de Rechter zal hun bestaan en hij bezweert hem bij de Koninklijke heerschappij, die dan begint, omdat het er dan op aankomt Zijn heerlijkheid ook deelachtig te zijn.
Ook de meest welwillenden hebben nodig tegen de zwakheid van het vlees en de verzoekingen van hun tijd zo aangevuurd te worden, als de apostel het hier met Timotheus doet. Die dat niet nodig meent te hebben, die is reeds op een glibberig pad. Met het oog op de eeuwigheid, inzonderheid op de dag van Jezus Christus, moet men zijn trage handen vaak oprichten en zijn moede knieën sterken. De Heere Jezus te behagen en in Zijn dag te kunnen bestaan, moet de grond zijn, waarop wij ons dagelijks vernieuwen; dit verhoedt dat werkzaamheid geen terloops doen, geduld geen luiheid, begeerte om vooruit te komen geen voortjagen wordt: het licht van die dag houdt alles binnen de juiste grenzen en regels.
Predik het woord van het Evangelie in zijn hele omvang, zonder enig deel er van terug te houden of op de achtergrond te plaatsen (Hand. 17: 11), houd aan met dat prediken en handhaaf dat woord tijdelijk, ontijdelijk, of de tijd daartoe u geschikt voorkomt of niet; weerleg met nadruk degenen, die overtuigd moeten worden van hun ongelijk; bestraf in de naam van de Heere (Judas 1: 9) degenen, die zich tegen het woord van de waarheid verzetten, vermaan in alle lankmoedigheid en leer, zodat u niet ongeduldig wordt, als u vaak hetzelfde moet zeggen en niet op dictatorische manier eist, maar over de reden van uw eis onderrichting geeft.
In dit vers is een grote rijkdom van pastoraal-wijsheid neergelegd. Daarmee moet echter Hoofdstuk 3: 16 worden vergeleken. Voor alle dingen moet namelijk de geestelijke, die het Woord van God moet verkondigen, zichzelf stellen onder de tucht van dit Woord. Hij moet zich daardoor tot meerdere kennis laten onderwijzen, in zijn wandel zich laten leiden, in zijn hart zich laten vertroosten en versterken, opdat hij zo in de gerechtigheid wordt opgevoed. Door het gehele ambtelijke leven van de geestelijke moet dit putten uit de bron van het Goddelijke Woord voortgaan. Alleen als hij dit doet zal hij bekwaam zijn om zijn ambt goed waar te nemen. Steeds moet hij voor zijn gedachten houden, dat de Heere, die hij dient, van Zijn knechten rekenschap eist. Dat bewustzijn van zijn verantwoordelijkheid moet hem dringen, om evenals een heraut het Woord, het ene eeuwige Woord te verkondigen en niet te wachten, totdat naar zijn mening alles voor die verkondiging gunstig staat. De Heere heeft hem bevolen te prediken, daarom predikt hij, of het de juiste of niet de juiste tijd is. Maar zonder wijsheid moet dit prediken niet geschieden; men moet niet, zonder te onderscheiden zoals dit veelal geschiedt, aan allen hetzelfde zeggen. Hoe nu het prediken in bijzondere gevallen naar het eigenaardige van het object onderscheiden moet zijn, zeggen de woorden: “weerleg, bestraf, vermaan. ” Nu is de verkondiging een overtuigen, een weerleggen, dan een berispen en dreigen, dan weer een opbeuren en vertroosten.
Het vermanen moet niet plaats hebben in toorn, niet in zelfverheffing, maar vol medelijden, ook niet om een ogenblikkelijke opwelling van gevoel, maar om door de vaste grond van de leer een duurzame verandering teweeg te brengen.
Houd u aan geen bepaalde tijd, hetzij steeds tijd voor u, niet alleen in vrede, wanneer u niets te vrezen heeft, wanneer u in de kerk bent, maar ook onder gevaren, in gevangenissen, in ketens, wanneer u ter dood geleid wordt.
Predik het Woord. De grote taak van een leraar, waaraan hij al zijn gaven van lichaam en ziel moet toewijden, is de prediking van het Woord. Zwak en dwaas als zij schijnen moge, toch is die verkondiging het grote werk door God ons in de hand gegeven, waardoor zondaren gezaligd en heiligen voor de heerlijkheid bereid moeten worden. Het heeft God behaagd door de dwaasheid van de prediking zalig te maken die geloven. Aan deze prediking wijdde onze gezegende Meester Zijn gehele leven, nadat Hij als leraar was opgetreden. O! hoe heeft Hij deze roeping verheerlijkt door te prediken in de synagoge, in de tempel, aan Galileaës heldere waterspiegel of onder het blauwe luchtgewelf. Heeft Hij deze wereld niet ten kansel gewijd? Die prediking was de grote taak van Paulus en van al de apostelen, want zo luidde het bevel van onze Heere: Ga heen in de gehele wereld en predik het Evangelie. O, mijn broeders! dit is onze hoge roeping. Het is goed zieken te bezoeken, goed kinderen te onderwijzen en naakten te kleden. Het is goed onze kerkelijke vergaderingen bij te wonen. Het is nuttig boeken te schrijven en veel te lezen; maar de hoofdzaak is eigenlijk: Predik het Woord. De kansel is, zoals George Herbert zegt: “onze blijdschap en troon. ” Hij is onze wachttoren, van daar moeten wij het volk waarschuwen. Een zilveren bazuin is ons in de hand gegeven. Wee ons, als wij het Evangelie niet verkondigen. De inhoud Het Woord. Tevergeefs prediken wij, als wij het Woord niet verkondigen. U bent mijn getuigen. Deze was gezonden om van het licht te getuigen. Wij moeten niets spreken, dan hetgeen wij van God gezien en gehoord hebben. Het is geenszins de roeping van een leraars om plannen van menselijke wijsheid of geleerdheid te verklaren, of eigen denkbeelden voor te dragen maar alleen de feiten en de heerlijkheid van het Evangelie bekend te maken. Wij moeten prediken hetgeen in het Woord van God geschreven staat. Predik het Woord en vooral het noodzakelijkste eruit. Als u aan het ziekbed van een stervende stond en wist, dat hij slechts een half uur meer te leven had, wat zou zich dan tot hem zeggen? Zou zich hem een van de verborgenheden van de Schrift beginnen te verklaren, of hem de zedenleer van het Woord met ernst op het hart drukken? Zou zich hem zijn hulpeloze toestand niet onder het oog brengen, zowel door zijn zondige natuur als door zijn boze werken? Zou zich niet tot hem spreken over de liefde en de dood van de Heere Jezus? Zou zich hem niet bekend trachten te maken met de kracht van de Heilige Geest? Dit zijn de belangrijkste waarheden, die een mens moet aannemen, of hij zal verloren gaan. Dit moeten de voornaamste onderwerpen van onze prediking zijn. Moesten wij niet prediken zoals Jezus predikte, toen Hij naar Emmaus ging en beginnende van Mozes en al de profeten uitlegde in al de Schriften hetgeen van Hem geschreven was? Laat er veel van Christus voorkomen in onze prediking, zegt de voortreffelijke Elliot. Rowland Hill was gewoon te zeggen: Houd nooit een leerrede, waarin deze drie waarheden niet voorkomen: Verderf door de val, gerechtigheid door Christus en wedergeboorte door de Heilige Geest. Predik Christus tot overtuiging van zondaren, Christus tot vertroosting, Christus tot reinigmaking. Verre zij het van mij, dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus. Predik zoals het Woord. Ik zou met bescheidenheid aan alle leraars in overweging willen geven vanwaar het komt, dat wij niet meer in de geest van het Woord van God prediken? Is niet het Woord het zwaard van de Geest? Zou het onze grote taak niet zijn, het van de schede te ontdoen, het van alle roestvlekken te reinigen en zijn scherpte aan de gewetens van de mensen te beproeven. Zeker is het, dat onze vaderen op die manier predikten. Brown van Haddington was gewoon te prediken, alsof hij nooit een ander boek dan de Bijbel gelezen had. Het is de waarheid van God in haar onbedekte eenvoudigheid, die door de Geest het meest gezegend en bekrachtigd worden zal. Weerleg, bestraf, vermaan. De eerste werking van de Geest op het hart van de natuurlijke mens, is de wereld te overtuigen van zonde. Schoon Hij de Geest van de liefde is schoon Hij een duif tot Zijn zinnebeeld koos, schoon Hij vergeleken wordt bij de zachte wind en de liefelijke dauw toch is Zijn eerste werk te overtuigen van zonde. Als de predikers met dezelfde Geest vervuld zijn, zullen zij hun taak op dezelfde manier aanvangen. Het is Gods gewone handelwijze de mensen aan zichzelf te ontdekken en hen eraan te doen wanhopen, om de zaligheid door hun eigen gerechtigheid te verdienen, voordat Hij Christus aan hen openbaart. Zo ging het met de stokbewaarder. Zo geschiedde het met Paulus; drie dagen lang was hij blind. Een getrouw leraar moet zich op het volgen van die regel toeleggen. Braak u een braakland en zaai niet onder de doornen. De mensen moeten door de prediking van de wet tot de overtuiging van hun zonde en ellende gebracht worden, of wij zullen prediken als in de lucht slaande. O, mijn broeders, is dit onze prediking? Laat ons dit duidelijk ontwikkelen. De meesten van hen vrees ik, die al onze bijeenkomsten bijwonen, worden gemakkelijk met de stroom meegevoerd, in een reddeloze eeuwigheid, onbekeerd en onontwaakt als zij zijn. Broeders! in de eeuwigheid zullen zij er ons niet voor danken, als wij hier liefelijke dingen verkondigen dat wij hun de weg zo gemakkelijk maakten en riepen: Vrede, vrede, en daar is geen vrede. Nee, nu mogen zij ons daarom prijzen, in de eeuwigheid zullen zij onze vleierij vervloeken. O, dat wij en alle evangeliedienaren door de innerlijke bewegingen van Jezus Christus hen allen probeerden te behouden! Vermaan. Het woord, dat wij in de oorspronkelijke tekst vinden, betekent vertroosten, spreken, zoals de trooster spreekt. Dit is het tweede gedeelte van het werk van de Geest, de ziel tot Christus te brengen, haar een blijde boodschap te verkondigen. Dit is het moeilijkste gedeelte van ons Christelijk leraarsambt. Dit deed Johannes, toen hij zei: Zie het Lam van God. Zo zei Jesaja: Troost, troost. Zo gebood de Heere: Ga heen, predik het Evangelie alle creaturen. Het is waar, dit maakt de voeten van de evangelieboden liefelijk op de bergen. Zij mogen een volkomen, gewillige goddelijke Zaligmaker verkondigen. En hier wilde ik tevens doen opmerken, wat naar het mij voorkomt, een gebrek is in de prediking in ons geliefd Vaderland. De meeste predikers zijn gewoon Christus de mensen voor ogen te schilderen. Zij stellen het Evangelie bevattelijk en uitlokkend voor, maar zij dringen de mensen niet om in te gaan. Nu zegt God: Vermaan bid hen overreed de mensen; wijs hun niet alleen de geopende deur, maar dwing ze om in te gaan. Och, dat wij barmhartiger waren voor de aan ons toevertrouwde zielen, dat wij de hand op hen legden en wij hen tot de Heere Jezus brachten. De wijze. Met lankmoedigheid. Er is geen gave, die wij meer nodig hebben in het Christelijk leraarsambt dan deze. Daarvan is het hart van God voor zondaren vervuld; Hij is lankmoedig over ons, niet willend dat enigen verloren gaan. Daarvan is ook Jezus? hart vervuld. Met hoeveel tedere liefde roept Hij uit: Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik enz. Zo handelt ook de Heilige Geest, als Hij met hen twist: Hij zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, maar ach, hoe lang twist Hij met hen! Geliefde broeders, als Hij niet lang met ons getwist had, dan waren wij nu zoals Lots huisvrouw: gedenktekenen van de weerstane genade. Met dezelfde lankmoedigheid moeten ook de evangeliedienaars vervuld zijn. Meer dan anderen moeten zij gedreven worden door de liefde, die lankmoedig is en goedertieren. Vaak als wij met harde, weerspannige zondaren te doen hebben, komen wij in verzoeking om wanhopig van hun bekering af te zien, of wrevelig te worden en in toorn tegen hen te ontbranden, evenals de apostelen deden, toen zij vuur van de hemel wilden doen neerdalen. Maar, mijn broeders, van een anderen geest moeten wij zijn. De toorn van de mans werkt Gods gerechtigheid niet. Zullen wij slechts vervuld zijn van de Geest van Christus, dan zullen wij geduldig zijn jegens allen. Dan zullen wij hun toeroepen: Hoe menigmaal heb Ik enz. Met lering. Vele vrome mannen roepen: Vlucht, vlucht! zonder de zondaar duidelijk aan te tonen wat hij vluchten moet; en weer roepen zij: Kom, kom! zonder hun de weg tot vergiffenis en vrede duidelijk voor te stellen. Zulke predikers doen als iemand, die langs onze straten liep, roepende: brand, brand! zonder te zeggen waar de brand was. In de prediking van de apostelen zien zij altijd de eenvoudige, heldere voorstelling van de waarheid aan de dringende en treffende vermaning voorafgaan. En dit is ook altijd door de uitnemendste godgeleerden nagevolgd en met de beste uitslag bekroond. Het betaamt de leraar de cherub en de seraph in zijn prediking te verenigen, de engel van de kennis met de engel van de vurige ijvers. Als wij de zielen mensen te behouden, moeten wij haar de weg ten hemel duidelijk voorstellen, haar toeroepen: Ontvlucht de toekomende toorn. Mij dunkt, dat wij de zonde in de mens, zijn volstrekte verdorvenheid en de heerlijkheid van het Evangelie van Christus niet te duidelijk kunnen voorstellen; dat wij de mensen niet te dringend kunnen vermanen, om dit aan te nemen en de toorn te ontvluchten. O mochten alle leraars de diepe kennis van Edwards, de duidelijke voorstelling van Uwen en de krachtige drangredenen van Baxter in zich verenigen. Met aandrang. Als de woning van uw buurman in brand stond, zou zich dan niet luide om hulp roepen en al wat in uw kunnen was aanwenden om de vlammen te helpen blussen? Als een van onze vrienden gevaar liep van te verdrinken, zouden wij ons dan schamen al onze krachten aan te wenden om hem te redden? Maar helaas! de zielen van die ons omringen gaan het eeuwige vuur tegemoet; in de poel van het verderf zullen zij wegzinken. Zullen wij minder ernstig hun onverderfelijke zielen proberen te behouden, dan dat wij hun aardse leven zouden willen redden? Hoe wijdde de Heere daaraan al Zijn krachten; toen Hij nabij kwam en de stad zag, weende Hij over haar! Hoe ernstig streefde Paulus daarnaar: “Gedenk, dat ik jaren lang, nacht en dag, niet opgehouden heb een ieder met tranen te vermanen. ” Zo was ook George Withefield; die grote man predikte bijna nooit, zonder tot schreiens toe bewogen te worden. Mijn broeders, ook nu nog moeten wij met dezelfde aandrang prediken. De hel is even diep, even onblusbaar als ooit. De zielen van de onbekeerden zullen daartoe eens verwezen worden. Christus is even gewillig, de vergeving van zonden even zalig als ooit! Och, hoe zullen wij in de hemel ons over onze lauwheid verwonderen. Tijdig en ontijdig. Onze Heer ging het land door, immer goeddoende; het was Zijn voedsel en drank geworden. Dagelijks was Hij in de tempel. Zo moeten wij ook zijn. De satan werkt altijd. Hij staat niet op plichtplegingen, hij houdt zich niet aan sabbatdagen, of aan bepaalde uren. De dood is werkzaam. De mensen sterven terwijl wij slapen. Iedere minuut worden er ongeveer vijftig weggenomen, bijna elke seconde wordt er een ziel in een eeuwige onveranderlijke wereld overgebracht! De Geest van God is werkzaam. Geloofd zij God, dat Hij ons geboren heeft doen worden in een tijd, waarin de Geest grote beroering brengt onder de doodsbeenderen. Zullen de leraars dan traag zijn of omwegen maken? Och, dat wij door God gedoopt worden met de Heilige Geest en met vuur, dat wij allen als in vuurvlammen veranderd worden, om het Woord te prediken en de kerk van Christus tot onze laatste uur te helpen opbouwen.
Koop de tijd uit, die nog voorhanden is Eph 5: 16: want er zal een tijd zijn (1 Tim. 4: 1 vv.), wanneer zij de gezonde leer (Hoofdstuk 1: 13. 1 Tim. 6: 3) niet zullen verdragen, omdat die tegen hun begeerlijkheden strijdt; maar ketelachtig zijnde van gehoor, om iets nieuws, iets aangenaams, iets dat het vlees behaagt, te horen, zullen zij zichzelf tot hun eigen schade leraars opgaderen, de een na de anderen, naar hun eigen begeerlijkheden, opdat zij aan deze ongehinderd zullen kunnen voldoen.
De grond van hun afkerigheid zou daarin bestaan, dat zij ketelachtig waren van gehoor. Het Griekse woord legt eigenlijk jeukerig en schijnt ontleend te zijn aan een huidziekte, die jeukte, zodat het krabben wel enig vermaak geeft, maar tevens het kwaad veel erger maakt. Het gehoor van deze mensen was als door een huidziekte bedorven en jeukerig. Zij zouden een onverzadelijke begeerte hebben, niet naar wezenlijk Evangelie-voedsel, echt geschikt om hun geestelijke gezondheid te bevorderen, maar naar zulke voorstellen, die door hun nieuwigheid en door het zonderlinge, het verstand vermaken, het geweten in slaap wiegen en de begeerlijkheden van het vlees strelen. Daarom zouden zij dan ook een afkeer hebben en betonen van de beproefde leer van de waarheid, d. i. naar de godzaligheid is.
En zij zullen, omdat zij niet meer onaangenaam aangedaan willen worden, hun gehoor van de waarheid afwenden en zullen zich in de plaats daarvan keren (Tit. 1: 14) tot fabels (2 Petrus 1: 16).
Wat Timotheus onder alle omstandigheden voor zijn plicht moest houden, dat wordt hem hier in het bijzonder als een plicht voorgehouden, door de voorspelling van een tijd, waarin zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerlijkheden zich leraars zullen verzamelen. Men wil iets anders horen, dan de apostolische leer, door de leraars tot hiertoe voorgesteld en dan heeft de één lust in deze, de anderen in die leraar, die hem iets nieuws zegt.
Onder de “gezonde leer” moet de oorspronkelijke, de apostolische leer worden verstaan, die op de feiten van het heil is gegrond en tot godzaligheid leidt. Allen, die deze niet kunnen verdragen, geven daardoor een inwendige afkeer te kennen, die uit de heimelijke strijd van hun eigen gezindheid met de inhoud en de eisen van de gezonde leer voortkomt. Het natuurlijk gevolg van deze antipathie is, dat zij zich zodanige leraars opeen hopen een menigte van hen, die hun behagen. Hoewel de gedachte aan een last juist niet ligt uitgedrukt in het woord van de grondtekst (Luther vertaalde “zichzelf opladen, wordt toch daardoor het verachtelijke en verwerpelijke van hun gehele streven en drijven duidelijk genoeg te kennen gegeven; hun begeerlijkheden, die hen daarbij leiden, staan in directe tegenspraak met de eisen van Gods Woord, waaraan zij zich moesten onderwerpen en nu is het minder het groot getal van de op deze manier gekozen leraars, als wel de onophoudelijke afwisseling, waarin deze mensen behagen scheppen en waarnaar zij verlangen.
Het gevolg daarvan is, dat zij zich geheel van de waarheid, die de inhoud van de gezonde leer is, afwenden en zich tot fabels keren. Dat zijn in het algemeen opgesmukte geschiedenissen, of tot geschiedenissen verdichte ideeën, dus onhistorische verhalen, zij zijn in elk geval mensenwerk, in tegenstelling tot de ware leer, die God heeft gegeven.
Een van de grootste gerichten over de wereld is, dat zij zoveel tongen en pennen vindt, die haar en haar eigen begeerlijkheden terwille zijn, die zij dan of kan leren, of toch aan die schriften kan verbinden.
Maar u, wees wakker in alles, waak dat u niet in die strikken raakt, maar verzet u tegen die fabelzucht, die reeds begint te ontwaken (1 Tim. 1: 4; 4: 7 en tracht die met alle krachten te vernietigen Col 4: 17. Als er voor het ware Evangelie moet worden geleden, lijd dan gewillig verdrukkingen (“2Ti 2: 3” en 2Ti 1: 8. Doe het werk van een evangelist, van een prediker van de evangelische geschiedenis (Hand. 21: 8 en “Eph 4: 11; maak dat men van uw dienst in het ambt van apostolisch delegaat voor de gemeente te Efeze in zijn hele omvang, ten volle verzekerd zij.
Het is zeker, dat de uitleggers dwalen, die uit de woorden “doe het werk van een evangelist” het besluit trekken, dat het ambt Timotheus opgedragen, dat van een evangelist zal geweest zijn. Ieder apostel, ieder helper van de apostelen moest evangelist zijn, of liever, geen apostel of apostolisch helper kan geacht worden zonder het charisma, dat tot het werk van een evangelist behoorde, zoals dan ook de gave van de profetie, van de leer enz. (Rom. 12: 6 vv. 1 Kor. 12: 7 vv. bij hen moest zijn. Als nu Paulus Timotheus vermaant, juist die werkzaamheid van een evangelist ijverig te volbrengen, dan begrijpen wij dat volkomen tegenover de vrees van de apostel (vs. 4) “zij zullen zich keren tot fabels; ” want tegenover fabels helpt niets beter dan heldere, geschiedkundige getuigenissen. Wij moeten echter niet een in het bijzonder opgedragen dienst verwisselen met het ambt, dat hem was opgedragen, dat, zoals de eerste pastoraalbrief duidelijk genoeg aanwijst, geen minder was, dan de plaats van de apostel met al de apostolische werkzaamheden in te nemen.
Timotheus, een helper van de apostelen, dus niet slechts een evangelist zoals Filippus (Hand. 21: 8); hij moest dus deelnemen aan alles wat de apostel deed; hij moest dus 1) rondreizend het Evangelie prediken en in zo verre was hij als helper van de apostel ook evangelist, 2) moest hij deelnemen aan het kerkbestuur. Het een woord “doe het werk van een evangelist” heeft dus betrekking op de eerstgenoemde zijde van zijn beroepsbezigheid, die hier in verband met vs. 4 in het bijzonder op de voorgrond gesteld wordt; de volgende woorden: “maak dat men van uw dienst verzekerd is” zien op zijn roeping in het algemeen.
De verplichting om het geestelijk ambt in al zijn delen te vervullen, is vooral in uitgestrekte en talrijke gemeenten van zo grote omvang, dat zeker bij velen de vraag (2 Kor. 2: 16) oprijst: “wie is daartoe bekwaam? ” en het recht van het “non omnia possumus omnes” (niet ieder mens kan doen alles) moet ook op dit gebied worden erkend. Zoals de zaken nu staan, dat inderdaad van ieder alles wordt geëist, is het het best, om door nauwgezet zelfonderzoek te leren kennen, wat onze sterkere en wat onze zwakke kant is en ons dan, zonder enig deel van de dienst geheel te verzuimen, het meest te wijden aan dat deel, waartoe wij uit- en inwendig ons het meest geroepen gevoelen.
Ditmaal kan ik hier echter niet bijvoegen, zoals ik de vorige maal (1 Tim. 4: 13) deed, “totdat ik kom”; a) want ik word nu door hetgeen ik te lijden heb (2 Tim. 1: 8, 12) tot een drankoffer geofferd (Fil. 2: 17) en de tijd van mijn ontbinding (Fil. 1: 23) is aanstaande.
2 Petrus 1: 14
Ik heb, zoals de roeping van de navolger van Christus is (1 Tim. 6: 12 Hebr. 12: 1), de goede strijd gestreden, ik heb de loop tot het voorgehouden doel, het kleinood (Fil. 3: 14. 1 Kor. 9: 24) geëindigd, ik heb ondanks alle verleidingen tot ontrouw het geloof behouden (Hand. 20: 24 v. 1 Kor. 9: 26 v.
a) Voorts (vgl. Hebr. 10: 13) is voor mij weggelegd (Kol. 1: 5) de kroon van de rechtvaardigheid (Hoofdstuk 2: 22; 3: 16), die mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, nadat Hij door de onrechtvaardige aardse rechters in deze tegenwoordige tijd mijn opoffering heeft laten volbrengen, op die dag (Hoofdstuk 1: 12) geven zal en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning (1 Tim. 6: 14) liefgehad hebben (2 Thessalonicenzen. 1: 7 vv.).
1 Petrus 5: 4
Timotheus moet voor zijn taak houden om wat Paulus als apostel met zijn hulp heeft gedaan, nadat deze de wereld zal hebben verlaten, als diens opvolger te doen. Zo beschouwt het de apostel, als hij zijn vermaning in vs. 5 daardoor aandringt, dat hij reeds geofferd wordt en de tijd van zijn scheiden aanstaande is. Als hij dan voortgaat: “ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden”, dan is dat niet een roemen, dat in strijd is met de Christelijke ootmoed. Het is echter ook niet slechts een blij terugzien op zijn afgelegd leven, maar het is om Timotheus geschreven, om in hem de wens op te wekken, dat hij aan het einde van zijn leven ook zo zal kunnen spreken. De strijd, de Christen opgelegd, is echter hem; hij is aan het einde van de loopbaan gekomen, die hij doorlopen moest. Hij heeft het geloof behouden, in welks vasthouden het strijden en lopen bestaat, terwijl zijn apostolische roeping aan zijn leven als Christen die bijzondere vorm gaf, waarin hij zijn geloof tot het einde toe behouden moest. Na hetgeen nu achter hem ligt en aan het punt, waarbij hij nu is aangekomen, wacht hem de kroon van de gerechtigheid; hij noemt die zo, omdat hij, wie zij wordt toegekend, daardoor voor een rechtvaardige wordt erkend. Als een “rechtvaardig Rechter” zal de Heere de apostel, omdat hij het geloof behouden heeft, voor een rechtvaardige erkennen, deze overwinningsprijs voor zijn leven hem toekennen. De apostel wil echter het hier ten einde lopend deel van zijn brief, de aan Timotheus gerichte vermaning, niet besluiten met de uitdrukking van de hoop, waarvan hij voor zichzelf verzekerd is; hij voegt erbij: “en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning hebben liefgehad”, dezelfde hoop uitbreidend tot alle Christenen, die het in waarheid zijn. Hij stelt ze voor als degenen, die in deze tijd hebben verlangd naar de verschijning van de Heere. De aanleiding tot die naam ligt in de betekenis die dit voor Timotheus heeft; het vermaant hem niet het tijdelijke (Hoofdstuk 4: 10) en het aardse goed (1 Tim. 6: 11) lief te hebben, waarmee een verlangen naar de verschijning van de Heere niet overeenstemmen zou. De apostel schrijft al deze verzen, is het ook als een, die aan het einde van zijn loopbaan is gekomen, toch niet als een stervende, maar met het uitzicht op een tijd in gevangenschap, die hem niet ledig moet laten en op een rechtspraak, die hem, moet die ook met zijn doodvonnis eindigen, het grote doel stelt, om het Evangelie van Christus tegen zware aanklacht te verdedigen (vgl. Fil. 1: 17).
Twijfelende, zie! u heeft vaak gezegd: Ik vrees, dat ik nooit de hemel zal binnengaan. Vrees niet! Al Gods volk zal daar binnenkomen. Ik heb de juiste uitdrukking van een stervende man lief, die uitriep: Ik ben niet bevreesd om naar huis te gaan; ik heb alles voor mij weggezonden. Gods vinger is dan de klink van mijn deur en ik ben gereed om Hem te laten binnenkomen. “Maar”, zei een ander, “bent u niet bevreesd, uw erfenis te zullen missen? ” “Nee”, antwoordde hij, “nee, daar is een kroon in de hemel, die de engel Gabriël niet kan dragen, die zal op geen hoofd dan op het mijne passen. Daar is een troon in de hemel, die de apostel Paulus niet kon bezetten, hij werd voor mij gemaakt en ik zal daarin zitten. ” O Christen, wat een vrolijke gedachte! Uw erfdeel is zeker, daar blijft een rust over. ” Maar kan ik haar niet verliezen? Nee, zij staat vast. Als ik een kind van God ben, zal ik haar niet verliezen. Zij is mijn deel, zo zeker, alsof ik daar was. Ga met mij, gelovigen en zetten wij ons neer op de berg Nebo, om het beloofde land, ja het land Kanaän te bezien. Ziet u die kleine rivier van de dood in het zonlicht glinsteren en daar overheen de tin van de eeuwige stad? Merkt u die heerlijke streek en al haar vrolijke bewoners wel op? Weet dan, dat als u daarover heenvloog, u op elke van haar vele woningen geschreven zou zien: Deze blijft voor zo iemand open en wordt voor hem alleen bewaard. Hij zat opgenomen worden om voor eeuwig met God te wezen. Arme twijfelende ziel, zie, wat een schone erfenis; zij is de uwe. Als u gelooft in de Heere Jezus, als u berouw heeft over uw zonden, als uw hart vernieuwd is geworden; bent u een van ‘s Heren volk en wordt er een plaats voor u bewaard, een kroon voor u weggelegd, een harp voor u in het bijzonder gereed gemaakt. Niemand anders zal uw deel ontvangen, het wordt in de hemel voor u bewaard en binnenkort zult u het aanvaarden, want er zullen geen lege tronen in de heerlijkheid gevonden worden, wanneer al de uitverkorenen daarin verzameld zullen zijn.
De rechtvaardigmaking uit genade alleen, die aan het geloof gegeven wordt, strijdt niet met de beloning van onze werken, ja, het een sluit het ander in zich. Want zodra God ons in Zijn genade opneemt, worden Hem ook daardoor onze werken aangenaam, zodat Hij ze, al is Hij het niet schuldig en verplicht, ze een beloning waardig acht. Dit loon geeft Hij zeker niet, omdat wij van te voren gehoorzaamheid jegens Hem betoond hebben, dat ons dit moest vergolden worden, maar omdat Hij met dezelfde rijkdom van genade Zijn vroegere geschenken met nieuwe kroont. Aan een heerlijk kenteken leert Hij hier de gelovigen herkennen; zij zijn degenen, die Zijn verschijning liefhebben. Waar een levendig geloof is, daar laat het nooit de harten verkoelen, maar verwarmt ze tot de hoop van de toekomstige verrijzenis.
De zekerheid van de zaligheid is niet het voorrecht van enkelen, maar een gemeen goed van allen, die geloven. Dit blijkt, wanneer wij letten op de grond, waarop deze zekerheid steunt. Waarop steunde zij bij Paulus? Op zijn apostelschap? Op zijn aanstaande martelkroon? Op zijn vele verdrukkingen? Op zijn goede werken? Daarop, dat hij eerlang tot een plengoffer worden zou, dat Hij de goede strijd gestreden had, dat hij de loop voleindigd had? Ach! niettegenstaande dit alles zou hij, die geenszins zijn zondaars-ootmoed had verloren en zijn grote overtredingen nooit vergeten kon, niettegenstaande dit alles zou hij, die zich nog dagelijks vele zwakheden bewust was, niettegenstaande dit alles zou ook deze Paulus hebben moeten beven voor de rechtvaardige Rechter en Zijn ontzaglijke verschijning in die dag! Hij beeft niet voor die Rechter, niet voor Zijn verschijning; hij heeft die verschijning lief; hij verlangt ernaar; hij ziet ernaar uit met blijdschap; hij troost er zich mee in afwachting van het ogenblik, dat de onrechtvaardige aardse rechter hem voor zijn zetel dagen en tot een bloedige dood doemen zal. Hij weet, dat hij die heilige Rechter zien zal tot zaligheid, ja tot heerlijkheid; hij zal van Hem de kroon van de rechtvaardigheid ontvangen, die voor hem weggelegd is. En waarop grondt bij deze hoge verwachtingen? Hij heeft het geloof behouden; het geloof in een rechtvaardiging uit genade en niet uit de werken van de wet; niet om de goede strijd, de getrouwe, de Christelijke levensloop; het geloof in een zoenoffer, voor zijn zonden geslacht, van oneindig groter waarde dan het plengoffer, dat Hij zelf in Zijn bloedig uiteinde verstrekken zal; het geloof, dat hij in zijn Rechter, zijn Middelaar, Zijn Verzoener, zijn Voorspraak heeft en dat Hij, die hem heeft gerechtvaardigd, hem niet zal verdoemen, maar Zich met hem als een gerechtvaardigde, een met de kroon van de rechtvaardigheid gesierde voorstellen in die dag, Hem zelf tot heerlijkheid en eer! Is alleen Paulus uit genade gerechtvaardigd! Heeft Christus Zijn zoenoffer voor Paulus alleen gebracht? Is Hij de Middelaar, de Verzoener, de Voorspraak alleen van Paulus geworden? spreekt deze Paulus zelf hier alleen van zichzelf, of ook van anderen? Immers ook van anderen, immers van allen, die eenzelfde geloof, eenzelfde hoop als hij hebben op de Heere. Eist hij ook van anderen, dat zij in zijn roeping, zijn strijd, zijn hoop, zijn marteldood delen zullen, om te delen in de kroon van de rechtvaardigheid? Horen wij hier niet diezelfde apostel, die de rechtvaardiging door het geloof zonder de werken van de wet aan allen gepredikt heeft; die het heeft aangeprezen als een getrouw woord, alle aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken? Heeft die Paulus de zin beperkt, of heeft hij in al zijn onvoorwaardelijkheid de zin doen verstaan van die goddelijke woorden, die in de Zoon gelooft wordt niet veroordeeld; die in de Zoon gelooft komt niet in de verdoemenis; die in de Zoon gelooft heeft het eeuwige leven; die in de Zoon gelooft is uit de dood overgegaan in het leven? Heeft hij een ander geloof behouden of behoudt hem een ander geloof dan dit geloof in de Zoon? Zolang wij geloven in de leugen van onze harten, die de zaligheid enigszins als een loon van onze strijd, of loop, of lijden, of dood doet voorkomen, is daar geen plaats voor het geloof in Hem. Zolang wij iets hopen van onze goede werken, hebben wij alles te vrezen van onze zonden; zo blijven wij geslingerd tussen hoop en vrees. Pas als wij ons geheel vertrouwen alleen stellen op het werk van Christus, hebben wij niets meer te duchten; onze zaligheid is dan zo zeker als Zijn volmaaktheid. Verstaat u dat? Ach, dat u het leerde verstaan. Deze Paulus, die het zo goed verstond en daardoor zo gerust dood en eeuwigheid tegemoet zag, heeft zijn leven versleten, om het voor allen verstaanbaar te maken; en nog is het zo velen niet duidelijk. Uit genade wordt men zalig, door het geloof niet uit de werken; de zaligheid, zij is Gods gave, Gods gave in Christus. Die de genade als genade, de gave als gave aanneemt wordt zalig. Die gelooft is van zijn zaligheid zeker, want het geloof is het aannemen van de zaligheid. Niet: hoe heet u? of wat heeft u verricht? is de vraag; naar: Gelooft u? Wilt u al uw werken vergeten en uit genade zalig worden? Wilt u uw onkunde belijden en op de liefdemacht van Christus rekenen? Zo ja! dan is de zaligheid en zekerheid aan u. De zaligheid is de gelovige zeker, niet omdat hij degene is, die gelooft, maar omdat Christus Die is, die alle geloof waardig is. De zekerheid van de zaligheid is allen gelovigen eigen, omdat zij niets anders is dan het gemeen geloof in Christus: zij is hun gelijkelijk gemeen, omdat hun zaligheid niet in verband staat met onderscheid van deugden, werken, verdiensten, wegen, verdrukkingen, strijd; maar voor allen voortvloeit uit dezelfde genade van God, die Paulus en Onesimus, Paulus en allen, die geloven, Paulus en u en mij, als wij geloven, rechtvaardigt en de kroon van de rechtvaardigheid geeft “om niet door de verlossing, die in Jezus Christus is. ” De verzekering van de zaligheid is een deel, waartoe alle oprechte belijders van Christus geroepen zijn. Wij zagen haar door de leer van de dwalenden als een schadelijke en gruwelijke hoogmoed afgewezen; en op die grond moet haar afwijzen een ieder, die onbekend is met de aard van deze verzekering en de grond waarop zij, die niet voelt hoe het denkbeeld van geloof in niets dan enkel genade, alle denkbeeld van hoogmoed voor ‘s hands uitsluit; die niet bevroedt, wat een berg van hoogmoed er liggen kan achter een zedige vrees. Schijn bedriegt. Daar waren eens twee armen. De een waande dat hij die avond eten zou; de andere schudde bedenkelijk het hoofd en zei, “dat hij het wel hoopte, maar nog zo zeker niet durfde zeggen. ” Aan beiden was een maaltijd beloofd in de keuken van een rijke. De eerste had de rijke op zijn woord vertrouwd; waar was de hoogmoed? De laatste wantrouwde hem; waar was de nederigheid? Zeker het klinkt vrij wat nederiger te zeggen: wie ben ik, dat ik mij van de eeuwige zaligheid verzekerd zou durven houden? dan te vragen: God en eeuwigheid is van mij; maar als die onzekerheid misschien niet gepaard gaat met enige de minste bekommering over de zonde, of met enige ernstige vrees voor dood en oordeel, zou zij echt zo’n groot bewijs inhouden van zedige gedachten over eigen onwaardigheid en verwerpelijkheid? En waar deze zekerheid gevonden is op de weg van de allerdiepste verootmoediging, waardoor men heeft leren vragen en mogen ontvangen wat men inzag zelf niet te kunnen daarstellen of uitwerken, zou daar zo grote hoogmoed worden verondersteld? Is er echt zoveel hoogmoed in voor een weldaad en een weldoener uit te komen? Bewijst het altijd evenveel nederigheid een weldaad te weigeren, te ontveinzen? De kleingelovigheid, op zichzelf een zonde, staat meestal met enige andere zonde in verband. Menig bekommerd gelovige is ten slotte gebleken een meer of min hebzuchtig, meer of min geldgierig gelovige te zijn, wiens ziel nog veel meer aan het stof kleefde, dan hij, ondanks alle belijdenis van zonde, bij gebrek aan oprechte zelfbeproeving zich bewust was. Er was bij vele anderen een diep verborgen eerzucht, een heimelijke hoogheid, waaraan het hart nog niet geheel was verloochend, een kwade begeerte of gewoonte, waaraan men zich gaan liet, of waarover men klaagde zonder haar ernstig te bestrijden, een gevoel van innerlijke roeping tot een daad of taak, waartegen vlees en bloed zich nog verzette; er was iets dergelijks dat de vrijmoedigheid wegnam, de ogen deed neerslaan, het hoofd deed hangen; in plaats van bekommerd te zijn, was men niet bekommerd genoeg, in plaats van te ootmoedig te wezen, verootmoedigde men zich niet op alle punten en dat was het wat de zaligheid (die steeds met het diepst gevoel van zonde gepaard gaat, en eenzelvig is met het eenvoudig geloof) uit het hart weerde. Arglistig is het hart meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? Die man zal het kennen, die zijn troost gezocht hebbend bij het kruis van Christus, niet vreest het vlees te kruisigen met al de begeerlijkheden. Ook zal zijn troost helder en zeker zijn. Maar als wij uit deze hoofde geen enkel van de kleinmoedigen en bekommerden van de plicht van zelfonderzoek willen ontslaan, wij willen hen geenszins allen van een heimelijke nog voor henzelf zich verschuilende zonde beschuldigen. Konden wij hen slechts alleen overtuigen, dat hun kleinmoedigheid in zichzelf een zonde is; zo schandelijk als schadelijk. Geloof wordt geëist; elke mate van ongelovigheid is een mate van ongehoorzaamheid; elke mate van ongehoorzaamheid een mate van zonde. Christus heeft zich gegeven, geheel gegeven; alle gedeeltelijk aannemen is gedeeltelijk weigeren. Hij stelt Zijn eer in het geven; niet blijmoedig te ontvangen, is Hem Zijn eer te verzwijgen. Hier komt geen schroomvalligheid, geen bescheidenheid, geen voorzichtigheid te pas. Het geldt de eer, o zondaar, van de Zaligmaker, die voor uw zonden gestorven is. Het van de zaligheid verzekerd geloof zal pas echt een vruchtbaar geloof zijn. Als het geloof een kracht is tot alle lijdzaamheid en goede werken, de gelovigste zal de krachtigste wezen, als het leven van de Christens een leven van dankbaarheid is, diens dankbaarheid zal het grootst zijn, die met een volkomen blijdschap voor de hem gans zekere gave dankt. Meent u dat deze Paulus zo wakker in alles zou geweest zijn, zoveel verdrukkingen met zo’n grote kracht zou hebben geleden, zo overvloedig bevonden zou zijn in al zijn arbeid, en ons zo ten volle verzekerd hebben van zijn dienst, als hij het met name van Timotheus in de brief, die wij hebben opgeslagen, eist, als hij niet ten volle verzekerd geweest was van zijn eeuwig deel in de hemelen? Meent u dat hij de bloedige dood zo kalm, zo blijmoedig, zo juichend tegemoet zou zijn gegaan, als hij niet had kunnen weten: ik heb het geloof behouden; de kroon van de rechtvaardigheid, die de Heere, de rechtvaardige Rechter geven zal, is voor mij weggelegd en weer: de Heere zal mij bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk? Meent u niet dat ook u uw verdrukkingen, uw smarten, uw rampen beter zou kunnen verdragen en geduldig doorstaan, dat ook u uw tranen met blijde moed uit uw ogen zou kunnen wissen, als u hem dat kon nazeggen? Meent u niet, dat er ook in deze tijd meer kan worden uitgericht voor het koninkrijk van God, meer geijverd voor het heil van de zielen, meer overvloedige vrucht van de Christelijke liefde en zelfverloochening zou worden gezien, als er wat meer belijders van Christus gevonden werden in het volle, heldere bezit van een blijdschap, die niemand van hen zou kunnen wegnemen? Zou niet de verwachting van de toekomst van de Heere een zichtbare invloed hebben op het heilig leven en de waakzaamheid van de gemeente, als die gemeente meer uit degenen bestond, die haar met een gans rustig, gans verzekerd hart tegemoet zagen?
Dat is taal van het geloof, dat taal de grote geloofsheld Paulus waardig. Zij doet ons lezen in zijn ziel en dringt ons hem te bewonderen, met warme dank aan de Heer die hem had geroepen en tot zo’n geloofsheld gevormd. Hij ziet zijn naderende dood vooruit en voorspelt hem aan zijn geliefde Timotheus, niet met opgewonden, overspannen vreugde, niet met blijkbaar, onbetamend, hijgend verlangen om met de martelaarskroon te prijken, maar met zekere weemoed, bij de gedachte aan de wijze, waarop hij zal moeten sterven en tevens met die kalme zielsrust en die stille blijdschap, die het geloof in Jezus Christus wekt en bewaart in het hart; want hij stelt zijn aanstaande, bloedige dood onder het beeld van een plengoffer voor en tegelijk onder dat van een verhuizen, van een afreis naar zijn vaderland. Maar terwijl hij hierover denkt en schrijft, verdwijnt het zwaard van Nero, waardoor hij zal vallen, al meer en meer uit zijn ogen, zijn geloof wordt levendiger en zijn blijdschap groter. Hij werpt eerst een blik terug op zijn afgelegd leven. Hij denkt nu niet aan dat leven, dat hij buiten Christus en tegen Hem in de zonde had doorgebracht, maar aan het leven, dat hij in de dienst van zijn Heer, wiens genade zo overvloedig over hem was geweest, had gesleten en dat hij Timotheus ter navolging wil voorstellen. Hij zegt met innige zelfbewustheid in beeldspraak, aan de Griekse spelen ontleend: “Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd” en voegt er met eigenlijke woorden bij: “ik heb het geloof behouden. ” Ja, zo kon u naar waarheid, zonder zelfverheffing schrijven, edele Paulus, trouwe dienstknecht van Christus. De geschiedenis van uw leven getuigt ervan op elke bladzijde, sinds uw aanstelling tot apostel. Zij zet het zegel van de waarheid op uw verklaring.
II. Vs. 9-21.KruisverwijzingenPsalmen 22:21→Handelingen 12:12→Handelingen 7:60→1 Petrus 5:8→Handelingen 9:15→Daniël 6:22→Handelingen 20:4→1 Timotheüs 1:20→
— Benaarstig u haastelijk tot mij te komen. Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatie, Titus naar Dalmatie. Lukas is alleen met mij. Neem Markus mede, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot den dienst. Maar Tychikus heb ik naar Efeze gezonden. Breng den reismantel mede, dien ik te Troas bij Karpus gelaten heb, als gij komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten. Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heere vergelde hem naar zijn werken. Van welken wacht gij u ook, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan. In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend. Maar de Heere heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen dezelve zouden horen. En ik ben uit de muil des leeuws verlost. En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Nu volgt de tweede van de beide in de Inleidingen op Hoofdstuk 1: 3-7 genoemde partijen van het hoofddeel van de brief. Zij handelt daarover, dat Timotheus tot de apostel naar Rome mocht komen en wel zeer snel, voordat de winter aanbreekt en hem het reizen verhindert. Daarbij wordt dan deels aangegeven wat zo’n snelle komst van zijn helper voor hem noodzakelijk maakt, namelijk, dat hij nu van andere helpers beroofd is, die hij zo dringend nodig heeft, deels wordt hem gezegd, wie hij bij de afreis en wat hij voor de apostel meebrengen moet. Ook over Alexander, de kopersmid, die hem zoveel kwaad doet en door zijn machinatiën niet alleen de Joden te Jeruzalem heeft opgehitst om hem aan te vallen, maar ook aan het proces te Cesarea zo’n wending heeft gegeven, dat hem niets overbleef, dan om zich te beroepen op de keizer te Rome, doet de apostel nog besluiten dat het vroeger overgeven aan de Satan nu wordt tot een overgave aan het gericht van God en Timotheus wordt weerhouden om in enige aanraking met hem de komen. Bij de machinatiën van deze mens hebben ook wel zij tegen Paulus gezondigd, die hem hadden moeten bijstaan, in plaats van hem in de steek te laten; maar het moge hun niet worden toegerekend, want de Heere had hem bijgestaan en alles zo bestuurd als het overeenkomstig Zijn heilige raad en wil was en in allen dele het beste was.
Benaarstig u haastig tot mij te komen, omdat ik zeer verlangend ben (Hoofdstuk 1: 4) en uw hulp dringend behoef.
Het is geen uitnodiging, als Paulus schrijft: “benaarstig u haastig tot mij te komen. ” De apostel dringt met deze woorden niet bij Timotheus aan op het komen, maar om zich te benaarstigen, dat bij snel komt. Omdat hij nu vroeger nog niet tot komen heeft gedrongen, kan de vermaning, dat hij het erop moet toeleggen, dat hij snel komt, slechts op zijn eigen verklaring zien (die hij misschien door Onesiforus had laten doen Hoofdstuk 1: 16 vv.), dat hij bereid was naar Rome te gaan, als de apostel het begeerde (of toestond). De apostel nu heeft het hem in Hoofdstuk 1: 4 niet verzwegen, hoezeer hij naar hem verlangde, maar zijn vraag of hij moest komen, nog niet beantwoord. Meteen heeft hij aan zijn brief een wending gegeven, die die tot een vermaning maakte, om de hem gegeven roeping weer te aanvaarden; want alleen als Timotheus gedachtig aan zijn roeping is, niet als hij slechts uit persoonlijke gehechtheid (of vluchtende van de op zich genomen plicht) komt, is zijn komst de apostel welgevallig en naar wens (Hoofdstuk 1: 5). Terwijl nu Paulus hem schrijft, dat hij zonder vrees voor lijden moet zijn en hoe hij voor zijn roeping moet leven, laat hij hem vernemen, wat hij moet weten; voor het geval, dat hij de apostel niet meer onder de levenden mocht vinden (vgl. vs. 6 v.). Hij moge nog ter rechter tijd komen of niet, in ieder geval heeft hij in de brief een opdracht, die hij wel waardig zal achten om ernaar te leven.
Want Demas (verkorte naam voor Demetrius of Demarchus) heeft mij verlaten, mij in de steek gelaten, hebbende, zoals het ten minste nu met hem is (Mark. 10: 21), de tegenwoordige wereld lief gekregen en is in het belang van zijn tijdelijke aangelegenheden, naar Thessalonika gereisd, Crescens is ten behoeve van het zendingswerk naar Galatië (volgens andere lezing “Gallië gegaan, Titus naar Dalmatië, het zuidelijk deel van Illyrië, zodat ik lange tijd hun hulp moet missen.
Demas heeft zich laten leiden door aardse belangen, door de zorg voor tijdelijke aangelegenheden en zich laten bewegen om van de apostel te scheiden. Daarmee is echter niet een afvallen van het Christendom bedoeld, dat scherper en zeker duidelijker zou zijn uitgedrukt.
Demas heeft niet de apostolische leer verlaten, maar de persoon van de apostel. Ook hebben wij niet de minste noodzakelijkheid om daaraan te denken, dat Demas zou zijn begonnen, zich te schamen voor de banden van de apostel. Had toch de man zich, nadat Paulus twee jaren te Cesarea gezeten had, meteen naar Rome begeven, om hem daar zijn diensten aan te bieden, dan zullen de banden hem ook verder niet hebben afgeschrikt om bij hem te blijven, omdat toch geen verandering in de gevangenschap van de apostel was gekomen, deze integendeel met een vrijheid verbonden was, die de gunstigste verwachtingen voor zijn toekomst gaf. De enige reden was, dat Demas het tijdelijke liefhad, d. i. om de dienst van de zending zijn tijdelijke zaken niet buiten aanmerking wilde laten. Hij had bezittingen, aardse goederen te Thessalonika, die zijn tegenwoordigheid eisten, terwijl de apostel bij de geringe krachten, die hem ten dienste stonden, meende hem niet te kunnen missen. In Kol. 4: 14 Col Filemon 1: 24 is hij intussen weer bij de apostel. Waarschijnlijk heeft hij zijn aardse zaken geregeld en is hij vervolgens weer naar Rome teruggekeerd. Wat Crescens in Galatië en Titus in Dalmatië aangaat, wordt de mening, dat de apostel ze daarheen zou gezonden hebben, door de woorden van de grondtekst niet gesteund. Waarschijnlijk zijn zij uit eigen beweging, wellicht gedurende Paulus? gevangenschap te Cesarea, naar dat arbeidsveld gegaan en heeft de apostel daarvan op enige wijze bericht ontvangen. Nu deelt hij het Timotheus mee, opdat deze daaruit ziet, dat hij ook over Titus en Crescens niet te beschikken had.
Het is bijna traditioneel geworden, onder Galatië hier niet de bekende provincie in Klein-Azië Ac 16: 8 te verstaan, maar Gallië. Eusebius, Hieronymus, Epifanius en Theodoretus getuigen beslist voor Gallië. Nu zijn er twee steden, die voornamelijk op de prediking van Crescens aanspraak maken, namelijk Vienne en Maintz; zekerheid is natuurlijk hier niet te verkrijgen.
Demas was naar Thessalonika gereisd, mogelijk omdat deze stad zijn geboorteplaats was; het kan ook zijn, dat hij daarheen gegaan is om de gemeente te bezoeken en dat hij dit tot een voorwendsel gebruikt heeft, om Rome zonder merkelijke ergernis te verlaten. Hoe het zij, men oordeelt verschillend over het karakter van deze Demas. Sommigen beschouwen hem als een afvallige verlater van het Christendom en zijn belijdenis, anderen houden hem voor een tijdgelovige, die de waarheid van het Evangelie omhelsd, beleden en aangekleefd had zonder dat evenwel zijn hart wezenlijk verbeterd en van de liefde tot de wereld en haar begeerlijkheden gezuiverd was en die daarom nu, in een tijd van gevaar, de belangen van het Evangelie, uit vrees, lafhartig varen liet. Nog anderen denken gunstiger over hem, dat hij de Heere Jezus wel in waarheid lief gehad en zich uit zuivere beginselen beijverd zou hebben om Zijn Koninkrijk uit te breiden, maar dat zijn geloof en ijver, uit hoofde van zwakheid en vrees voor zijn leven, dermate bezweken zijn, dat hij de apostel in de hitte van de vervolging verlaten en zich naar Thessalonika begeven heeft, om voor zijn veiligheid te zorgen, zonder dat hij in de eigenlijke zin van Christus en het Evangelie is afgevallen. Wanneer de apostel spreekt van afvallige mensen, die de Heere Christus en het Evangelie verlaten hebben, drukt hij zich veel sterker uit. Hier zegt hij niet: Demas heeft de Heere Christus of het geloof verlaten, maar eenvoudig: hij heeft mij verlaten, dat is, zoals wij zouden zeggen, hij heeft mij in de nood laten zitten. Dit gedrag was zeker zeer te laken, maar sluit toch nog niet in een volstrekte afval van Christus en het Evangelie. Daarenboven hetgeen de apostel hier van Demas verklaart, schijnt hij ook te zeggen van al de Christenen, wat het wezen van de zaak betreft; deze laaghartigheid was ook ontstaan uit zwakheid, uit vrees voor het leven, maar evenwel zij hadden daarom het geloof niet volstrekt verzaakt, of Christus geheel laten varen. Het is waar, Demas had de tegenwoordige wereld lief gekregen en Johannes zegt: als iemand de wereld lief heeft, de liefde van de Vader is in hem niet. Maar de uitdrukking, die Paulus gebruikt, is geheel onderscheiden van die, die wij bij Johannes ontmoeten, naardien de benaming van de tegenwoordige wereld, die hier bij Paulus voorkomt, in de Heilige Schriften niets anders betekent dan dit tegenwoordige leven, de rust en genoegens van dit leven en vooral het lichamelijk leven zelf. Demas had deze tegenwoordige wereld lief gekregen; bemerkend, dat hij zich, wanneer hij te Rome bleef, aan gevaar van gevangenis en de marteldood zelf blootstelde, omdat hij, voor een evangelieprediker bekend was, had hem de liefde voor het tegenwoordige leven zodanig overmeesterd, dat hij Rome verliet om het gevaar te ontlopen en naar Thessalonika reisde, om in veiligheid te wezen. Het lafhartig gedrag van Demas was daarom alleszins te misprijzen, maar het levert niet genoeg grond op om hem als een afvallige te brandmerken.
Niet ten onrechte heeft men de tweede brief van Timotheus het testament van Paulus genoemd. Korte tijd voor zijn marteldood neergeschreven, is hij een onschatbaar getuigenis van zijn volstandig geloof en zijn levende hoop. Dubbele waarde verkrijgen uit dit oogpunt verschillende bepalingen en mededelingen van betrekkelijk ondergeschikte betekenis, in dit laatste hoofdstuk te vinden; ook omdat zij ons geheel verplaatsen in de wisselende kring, die hem kort voor zijn heengaan omgaf. Vurig verlangt hij Timotheus nog voor zijn sterven te zien en die wens dringt hij aan door een kort bericht aangaande zekere Demas, dat niet weinig te denken geeft. Vroeger had hij deze bij herhaling onder zijn mede-arbeiders vermeld, maar nu is het op kennelijk weemoedige toon: Demas heeft ons verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld lief gekregen en is naar Thessalonika gereisd. Kennelijk moet dit laatste met het voorafgaande in verband worden gebracht en draagt dus deze reis een ander karakter dan die van Crescens naar Galatië en van Titus naar Dalmatië, hier in een adem vermeld. Waren deze laatste tochten met goedvinden van de apostel voor de zaak van de Heere geschied, niet zo die van Demas, waarbij eigen willekeur en wereldliefde in het spel was gekomen. Was het de eer, het genot, het goed van de tegenwoordige wereld vroeger door hem verzaakt, waardoor hij zich aangetrokken voelde? Althans, toen hij tussen de gemeenschap met de banden van Paulus en de vrijheid van de wereld te kiezen had, heeft hij niet angstvallig geaarzeld; meer dan naar de kerker van Rome, voelde hij zich naar het genot of gewin van Thessalonika heengetrokken. Hij heeft niet gevraagd, of het trouw, of het Christelijk was van zo’n gevangene, op zo’n ogenblik weg te trekken; hij is alleszins te rade gegaan met vlees en bloed en verdwijnt hij ook voorgoed uit het oog in Thessalonika’s woelige straten, er is reden van vrezen, dat zijn scheiding van Paulus ook een innerlijke, wellicht zelfs uiterlijke afval van een geloof geweest en geworden is, dat immers, meer dan iets anders, zelfverloochening en kruisiging van het vlees van zijn belijders verlangt. Meer dan eenmaal is dit bericht aangaande Demas misbruikt, om de troosteloze leer van de afval van de heilige met schriftuurlijke gronden te staven. Immers, de vraag laat zich nauwelijks afwijzen, of de man, wie deze weinig eervolle getuigenis geldt, wel immer een oprecht gelovige en echt bekeerde geweest is. Maar toch blijkt ook hier, “hetgeen van te voren geschreven is, is tot onze lering geschreven” en als een gezonken schip blijft de naam van Demas voor alle volgende eeuwen een waarschuwende baken op de zee van het Christelijk leven. Zijn voorbeeld predikt ons op treurige manier de macht van de zelfzucht ook in zulke, die zich Jezus discipelen noemen. Ach, het valt niet moeilijk van de broederlijke liefde op stichtelijke toon te spreken, te schrijven, te zingen, maar als de nood aan de man komt, als er omwille van de broeders iets moet worden verzaakt en gewaagd; als het dierbaar Ik het, in een woord, te Rome niet goed meer heeft, dan snelt de geest en het oog, straks ook de voet en het hart over de zee naar het uitlokkende Thessalonika heen en het “een ieder is zichzelf de naaste” is niet maar alleen in de ziel van Demas tegenover Paulus te lezen geweest. Hoe groot is toch het gevaar van de wereldliefde, ook voor zulke, van wie wij zouden menen, dat zij reeds op weg waren een schat in de hemel te hebben! Het aantrekkelijk Thessalonika zet zijn valstrikken uit, tot zelfs in de schaduwen van de kerker van een apostel te Rome; een welmenend hart is daarom nog niet ongevoelig voor de prikkels van grover of fijner zinnelijkheid; en ook in wat het hart in zijn heiligste ogenblikken verzaakt heeft en afgezworen, schuilt nog zo menig verborgen magneet. Ach, wat zijn we nog weinig geborgen, als wij alleen bijna, maar nog niet geheel van Christus geworden zijn; hoe blijkt het ook hier: men kan een tijdlang met Paulus en Lukas en Aristarchus meegaan, zonder dat het daarom het juiste nog is. Welgelukzalig is hij, die gedurig vreest, een dwaas, die op zijn hart vertrouwt; het staat ook hier als tussen de regels geschreven. Wenden wij van Demas op Paulus het oog; het lijden van het geloofs treed ook hier weer in een van zijn eigenaardige vormen ons tegen. Een lijdend gemoed voelt aan gemeenschap behoefte en ondervindt die soms het minst in zijn donkerste levensuren. Verwonder u niet, vriend van de Heere, als u uit het diepst van een gebroken hart met de oude dichter moet zuchten: Wend U tot mij en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. Eenzaam en ellendig, een dubbel lijden; maar menigeen draagt het met u. Paulus heeft het voor u gekend en ook dat behoort tot de weg, die door de diepte naar boven leidt. Zo is de wereld; zo zijn de mensen zalig, die een betere arm dan van vlees tot hun steun hebben gevonden. Ja, dat is de slotsom ook hier; als bij tegenstelling treedt hier de trouw van de Heere in verhoogde glans voor ons oog. Zij hebben mij allen verlaten, maar de Heere heeft mij bijgestaan, zo luidt straks de geloofsroem van Paulus. Jezus gaat niet heen; Jezus is nooit meer nabij, dan waar de Demassen door hun afwezigheid blinken. Hij heeft de tegenwoordige wereld overwonnen en die Hem trouw blijft, zal in zijn zegepraal delen. (VAN OOSTERZEE).
a) Maar Tychicus, die voor mij had kunnen doen, waarvoor ik nu de dienst van Markus begeer, heb ik naar Efeze gezonden, niet alleen om dit schrijven, voor u bestemd, over te brengen, maar ook een brief aan de Efeziërs zelf te bezorgen (Efeze 6: 21 v.) en bij deze gedurende de tijd van uw afwezigheid uw plaats te vervullen (Kol. 4: 9).
Hand. 20: 4
Breng de reismantel of “brieventas mee, die ik te Troas bij Carpus gelaten heb, toen ik drie jaar geleden op mijn reis naar Jeruzalem de weg van Troas tot Assus te voet aflegde Ac 20: 13. Breng die mee als u op uw reis die stad aandoet en tot mij komt en breng ook mee de boeken, inzonderheid de perkamenten, de rollen, die nog kostbaarder zijn dan de gewone, op papyrus geschreven boeken.
Als de apostel schrijft: “Tychicus heb ik naar Efeze gezonden”, dat met de voorafgaande zin samenhangt, dan ziet men tot welke dienst hij Markus bij zich wenst te hebben. Men ziet ook, omdat in elk geval een geruime tijd verliep, voordat Markus mee naar Rome kon komen, dat de apostel Tychicus niet zo snel van Efeze terug wachtte en hij hem dus had laten gaan met een doel, dat een langer afzijn nodig maakte. Behoort dan de zin: “Tychicus heb ik naar Efeze gezonden” met hetgeen onmiddellijk voorafgaat als verklaring bij elkaar, dan breekt hij het verband van de beide aanwijzingen niet af, waarvan de ene aan Timotheus opdraagt wie hij, de andere daarentegen wat hij moet medebrengen. Zijn weg zal hem over Troas leiden; van daar moest hij meebrengen, wat de apostel bij een zekere Carpus heeft achtergelaten, zijn goed verwarmende mantel van stevige stof en zijn boeken vooral, als hij ze niet alle kon meenemen, de perkamenten rollen. De mantel kon hij, als het ruwere jaargetijde kwam, goed gebruiken; en boeken, die hij op reis meegevoerd had, moesten hem zeker ook in zijn gevangenschap, die hem met het verkeer naar buiten afsneed, dienstbaar zijn voor de werkzaamheid, die hij kon verrichten.
Een man als Paulus, die wenste ontbonden te worden en bij Christus te zijn, vraagt nochtans naar de verwarmende mantel; een man als Paulus, die wist de Heilige Geest te hebben, stelt nochtans belang en veel belang in zijn boeken, die hem kunnen onderrichten. Niemand acht zich boven Paulus verheven!
De brieventas gewoonlijk vertaald: de reismantel in overeenstemming met vele anderen. Maar deze betekenis van het woord is ver van uitgemaakt te zijn, dat Paulus die te Troas had laten liggen. Of zou Paulus behalve zijn gewone mantel, nog wel zo’n mantel gehad hebben? Ja, als hij zo een te Rome nodig kon hebben, had hij zich die niet beter daar kunnen afschaffen, dan Timotheus op een reis van Troas naar Rome daarmee te bezwaren? Er wordt hier zonder twijfel gesproken van dingen, die aan een vertrouwd persoon in bewaring waren gegeven en slechts door een vertrouwd persoon overgebracht konden worden. Nu kan het ongewone Griekse woord zowel en misschien vrij beter en waarschijnlijker, een omslag betekenen, waarin men brieven, papieren, ook boeken bewaarde. En is het niet waarschijnlijk, dat Paulus een verzameling van papieren had, bijvoorbeeld briefwisseling van Heiden-Christenen, afschriften van brieven aan heiden-gemeenten, die hij niet graag mee naar Jeruzalem wilde nemen, wetend welke lagen hem daar door de Joden gelegd zouden worden? De boeken, zo op Egyptisch papier als op perkament geschreven, kunnen zeer wel Griekse schrijvers geweest zijn; en wanneer men dit een en ander te Jeruzalem bij hem vond, had men er gemakkelijk gebruik van kunnen maken, om zijn hele afval van het Jodendom te bewijzen en de Palestijnse Joden-Christenen hadden er zich aan kunnen ergeren. Toen hij dus de reis deed, uit Griekenland naar Jeruzalem en op die reis te Troas was gekomen, liet hij daar die papieren en boeken bij Carpus in vertrouwde bewaring en wilde nu, dat Timotheus ze bij hem te Rome zou brengen, opdat hij er beschikking over zou kunnen maken. (V. D. PALM).
Alexander, de kopersmid Ac 19: 34, heeft mij veel kwaads betoond; de Heere vergelde hem naar zijn werken. Nadat de vroegere tuchtmiddelen (1 Tim. 1: 20) geen verandering hebben teweeg gebracht, maar hem slechts verstokter en boosaardiger gemaakt heeft, moet ik hem wel aan het oordeel van God overgeven (“Ac 19: 40” en “25: 8).
Alleen als wij aannemen, dat de hier genoemde Alexander een en dezelfde persoon is als die, van wie Paulus in 1 Tim. 1: 20 zegt, dat hij hem de satan ter kastijding heeft overgegeven, is het te verklaren, dat de apostel, nadat hij zich niet heeft laten terugbrengen, maar intussen slechts te meer kwaad gedaan heeft, hem nu aan God ten oordeel overgeeft met het woord: “De Heere vergelde hem naar zijn werken. ” Alle andere pogingen van de uitleggers om hem te bewaren voor het verwijt, dat hij zijn eigen woord in Rom. 12: 19 zou hebben overtreden, missen hun doel, als onze plaats hier niet met die vorige in verband wordt gebracht. De toedracht van de zaak moet zo worden opgevat, dat Paulus het gedrag van Alexander, die zich over de tucht, waaronder Hij geplaatst werd, heeft heengezet op de manier van Farao, gezien heeft, dat hij in de lucht geschermd had 2Ti 2: 18, omdat Alexander zijn hart verhardde (Ex. 8: 15) en met fanatieke haat zijn geestelijke verzorger ter dood toe vervolgde. Paulus bezigt nu de autoriteit van zijn apostolisch ambt voordat hij Timotheus voor enige tijd van Efeze roept en besluit nu, als wij ons van het spraakgebruik bij de Joodse ban, bij Joh. 9: 23 aangeduid, mogen bedienen, de hoogste graad daarvan, de Sjammata, over hem (1 Kor. 16: 22 Gal. 1: 8 v.). Daarmee verklaart de apostel zich geheel los van hem, evenals de Heere van Judas, toen Hij tot hem zei (Joh. 13: 27): “wat u doet doe het haastig” en hij wil, dat ook Timotheus zich voor hem wacht als voor een, op wie het anathema rust en geen pogingen meer doe tot zijn bekering. Hij is er toch een, die de zonde tegen de Heilige Geest heeft bedreven (MATTHEUS. 12: 31 v). Ook v. Hofmann ziet zich genoodzaakt de hier bedoelde Alexander voor dezelfde persoon te houden als die in Hand. 19: 33 Met welk recht men het voor “de dwaaste uitvinding” verklaart, dat dezelfde Demetrius in Efeze zou hebben opgehitst en het tumult tegen Paulus zou hebben verwekt en die uitvinding volstrekt belachelijk noemt, als deze zelfde Alexander een van het geloof afgevallene en een en dezelfde persoon als de in 1 Tim. 1: 20 genoemde moet zijn, blijft voor ons onbegrijpelijk. Wij hebben in de Handelingen van de Apostelen de voorstelling gegeven van de gehele toedracht, waarbij wel niemand de indruk van dwaasheid en belachelijkheid zal ontvangen.
Reeds uit Paulus woorden laat het zich opmaken, dat, wat deze Alexander hem had aangedaan, niets anders was dan zijn tegenstand tegen de reine leer; want had hij de apostel persoonlijk beledigd, dan zou deze dit zeker met kalmte verdragen hebben. Maar waar Gods waarheid wordt aangetast, daar ontbrandt dit heilig gemoed in tegenzin, zoals het betaamt, dat in alle leden van Christus het woord vervuld wordt: de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd. Tegen hem spreekt hij daarom een sterke verwensing uit, terwijl voor degenen, die hem verlaten hebben, een voorbidding geschiedt. Deze toch waren uit vrees en zwakheid gevallen; daarom wenst hij dat de Heere hun moge vergeven; anderen hebben met zelfbewuste boosaardigheid zich tegen de Heere verzet en tegen de erkende waarheid gestreden. Maar wie de apostel wil navolgen, die bedenkt wel deze drie punten: ten eerste dat hij nooit uit eigenliefde zich tegen anderen verheft, ten andere, dat hij in de ijver voor Gods eer nooit eigen gevoeligheid mengt, die steeds een omkering van zaken teweegbrengt en ten slotte dat hij wel toeziet tegen wie hij eigenlijk zo spreekt, namelijk tegen geheel verstokten, opdat hem niet Christus antwoord in Luk. 9: 55 tegemoet gevoerd wordt. Gods strafgericht moet ons eerst openbaar geworden zijn, voordat wij zulke verwensing uitspreken en Zijn Geest moet steeds onze ijver beteugelen.
Hoed u zich ook voor hem: meen niet, dat u zich nog verder met hem zou moeten inlaten en trachten hem nog op betere wegen te leiden. Reeds genoeg is aan hem beproefd, maar op zijn bekering is geen hoop; want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan en reeds de zonde tot de dood bedreven, waarvoor men niet meer bidden moet (1 Joh. 5: 16).
In mijn eerste verantwoording, die ik het vorige jaar voor de landvoogd Festus te Cesarea moest afleggen, is niemand van de Christelijke broeders, die toch daar hadden kunnen zijn, om ten mijn behoeve te getuigen, bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten; allen hebben zij mij aan mijn lot overgelaten. Het wordt hun niet toegerekend Ac 25: 8.
“Het wordt hun niet toegerekend”, voegt de apostel erbij in het bewustzijn aan de ene kant, dat hier een wezenlijke zonde bedreven was, die vergeving behoefde, aan de andere zijde, dat hier geen opzettelijke boosheid, als bij Alexander, in het spel was geweest. Ook in dit zachtmoedig oordeel openbaart Paulus het beeld van zijn Meester (Matth. 26: 41), die hij eveneens hierin gelijk wordt, dat hij dan het begin van zijn weg ter dood (Kol. 1: 24 Joh. 16: 32) door zijn vrienden zich verlaten ziet en zich toch niet alleen bevindt.
Maar de Heere Christus heeft mij bijgestaan met Zijn Geest (MATTHEUS. 10: 19 v.) en heeft mij bekrachtigd, dat ik ten volle de tegenwoordigheid van mijn geest in het beslissend ogenblik behield en op de keizer appelleerde, opdat men, omdat het nu tot mijn overbrengingnaar Rome kwam, door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, opdat mijn prediking tot de bestemde volle mate (Hand. 19: 21; 23: 11) zou worden gebracht en alle heidenen die zouden horen, doordat zij in het centrum van hun wereldrijk werd vernomen. En ik ben ten gevolge van die bijstand en tot dat zo-even genoemd doel uit de muil van de leeuw verlost. Het fanatisme van de Joden probeert mij met alle macht te vernietigen (Ps. 22: 22), maar de Heere heeft gewaakt, dat het zover niet gekomen is Ac 25: 11.
En de Heere zal, ook als het met mij tot sterven komt (vs. 6), het voor mij geen nacht laten worden voordat de dag ten einde is (Jes. 38: 12), maar Hij zal mij verlossen van alle boos werk, dat hier beneden menselijke boosheid mij aandoet en bewaren tot Zijn hemels koninkrijk. Hij zal mij daarheen overbrengen, waar geen kwelling mij meer zal kunnen genaken (Wijsh. 3: 1 en daarentegen een eeuwige kroon mij wacht (vs. 7 en “Ac 25: 11). De Heere zij daarvoor geprezen, die de heerlijkheid is in alle eeuwigheid (1 Petr. 4: 11. 2 Petr. 3: 18 Amen.
Het “de Heere zal mij verlossen van alle boos werk” moet worden verklaard van een redding, waarvan verder kan worden gezegd: “en bewaren tot Zijn hemels koninkrijk”, terwijl het eerste gedeelte zegt waaraan en het tweede waarheen hij zich verzekerd houdt gered te zullen worden. Met het eerste kan hij dus niet willen zeggen, dat hem voortaan geen kwaad treffen zal, ook niet, dat hij door de dood van alle kwaad verlost zal worden, maar nog minder, dat hij zal worden bewaard kwaad te doen, maar in al het kwaad, dat hem zou kunnen worden aangedaan, zal de Heere hem helpen, dat hij niet bezwijkt. Hij zal het doorstaan en zo doorstaan, dat hij door de dood uit de wereld, waarin vijandige machten heersen, in het hemelse rijk van de Heere zal overgaan.
Evenals de plaats Fil. 1: 23, zo toont ook die, die hier volgt, dat de apostel voor de gelovigen dadelijk na de dood een volle levensgemeenschap met Christus, een zijn bij Hem verwacht, zodat het leven in het vlees als een relatief gescheiden zijn door hem wordt beschouwd. Ondanks dat blijft echter de dag van de toekomst van de Heere de dag van de eigenlijke beslissing (Hoofdstuk 1: 12; 4: 8 en moet de Christen steeds deze dag verwachten.
Groet a) Prisca en Aquila, die zich toch weer te Efeze ophouden Ac 18: 2 en het huis van Onesiforus, van wie ik in Hoofdstuk 1: 16 vv. sprak.
Rom. 16: 3
Erastus (Hand. 19: 22 Rom. 16: 23) is te Corinthiërs gebleven, in plaats van naar Rome te komen, zoals ik verwacht had; en Trofimus, die u anders als mijn helper kent (2 Kor. 8: 18), heb ik op de reis hierheen Ac 27: 3 te Milete ziek achtergelaten.
Nadat de apostel in vs. 19 zijn groet besteld had aan degenen, die hem te Efeze het liefst waren (vgl. Hoofdstuk 1: 15), volgt in vs. 20 een toevoegsel aan vs. 10-12, zoals vs. 21 een dringende herhaling van vs. 9 is. Zonder twijfel is de hier genoemde Erastus dezelfde als die in Hand. 19: 22 genoemd is, die vroeger in gemeenschap met Timotheus de apostel had gediend.
“Erastus”, zegt Paulus, “is te Corinthiërs gebleven; ” hij zegt niet “achtergebleven”, maar alleen, dat hij te Corinthiërs gebleven is, die plaats niet verlaten heeft. Dienvolgens was die stad zijn verblijfplaats; hij is er niet met de apostel heengekomen, om hem dan niet verder te vergezellen. Omdat nu Paulus, toen hij te Corinthiërs aan de gemeente te Rome schreef, de groet overbracht van Erastus, de rentmeester van de stad, ligt het voor de hand te geloven, dat hij hier dezelfde bedoelt.
Ambtsplichten konden een rentmeester even gemakkelijk naar Rome als naar Efeze voeren, zoals het laatste wel vroeger het geval was geweest; en wellicht had Erastus de apostel zijn komst doen verwachten, maar hij had zich te Rome niet laten zien.
Misschien had hij zijn ambt reeds neergelegd, of was hij om zijn Christelijke belijdenis afgezet, zodat hij gemakkelijker de apostel te Rome had kunnen gaan dienen.
Benaarstig u om voor de winter te komen, opdat niet, als deze invalt en de scheepvaart voor een geruime tijd ophoudt, uw reis onuitvoerbaar is.
In vs. 9 heeft de apostel Timotheus gedrongen om snel te komen; nu drukt hij erop, dat hij erop bedacht moet zijn om te komen voor het invallen van de winter, die dus niet ver meer verwijderd moet zijn, opdat zijn reis door het afbreken van de scheepvaart niet verhinderd wordt.
Nemen wij aan, dat Timotheus bij zijn reis de kortste weg over Troas, Thessalonika, de grote weg (via Egnati a) tot Dyrrhachium en vandaar over Sipontum en Corfinium, naar Rome koos, dan hoefde hij juist niet snel te reizen, om op zijn laatst na een maand te Rome te zijn. Heeft nu Paulus even zoveel tijd gerekend voor de bezorging van zijn brief en stellen wij het begin van de winter gelijktijdig met het begin van het sluiten van de zee (11 November), dan moet de apostel in het midden of op het einde van augustus de brief hebben geschreven.
C. Nadat Paulus reeds vroeger (vs. 19) aan Timotheus groeten heeft opgedragen, die hij moet overbrengen, laat hij nu zodanige groeten volgen, die hij van de gemeente te Rome aan hem heeft over te brengen, deels van enigen, die hij met name noemt, omdat zij zelf er hem wel zeker om hadden gevraagd, deels van alle broeders te samen, die hem nog niet persoonlijk kennen. Daarop volgt tenslotte de zegenwens in een eigenaardige vorm.
21b. U groet Eubulus en Pudens en Linus en Claudia en al de broeders hier te Rome.
De drie laatste namen Pudens, Linus en Claudia zijn Latijnse en wijzen op Rome.
Linus is waarschijnlijk dezelfde, die door de kerkvaders als de eerste bisschop van Rome genoemd wordt.
Uit deze plaats heeft de latere sage hem op de stoel te Rome geplaatst als eerste opvolger van Petrus. Volgens Eusebius zou hij gedurende twaalf jaren, tot in het tweede jaar van de regering van Titus (80 na Christus) aan het hoofd van de gemeente te Rome hebben gestaan.
De Heere Jezus Christus zij met uw geest (Filemon 1: 25 Gal. 6: 18). De genade zij met jullie (Fil. 4: 23 Tit. 3: 15). Amen.
Deze zegenwens is in zijn soort eigenaardig; aan het slot van de eerste brief aan de Corinthiërs staat evenals hier een dubbele zegenwens, die daar echter anders luidt.
Met het eerste lid van de zegenwens zien wij hoe oud het “en met uw geest” in de kerkelijke liturgie is.
In de tweede helft geldt de groet niet alleen Timotheus, maar ook degenen, bij wie hij is. Dat de gemeente bedoeld is laat zich niet denken, eer zijn die bedoeld, die volgens vs. 19, moesten gegroet worden.
Het is niet gezegd van wie de apostel zich tot het schrijven van de brief bediend heeft. Misschien was het Tychicus, de overbrenger van de brief, voor wie de inhoud toch zo belangrijk was, omdat hij in de plaats van Timotheus moest treden, als deze naar Rome kwam (vs. 12).
De tweede zendbrief aan Timotheus, die de eerste verkoren opziener van de gemeente van de Efeziers was, is geschreven uit Rome, toen Paulus de tweede reis voor de keizer Nero gesteld was (deze laatste tijdsbepaling berust op een verkeerde opvatting van Hoofdstuk 4: 16 vv. 2Ti en wordt dus liever geheel weggelaten).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel