Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Voorts maken wij uG4771 bekendG1107, broedersG80, de genadeG5485 van GodG2316, die inG1722 de GemeentenG1577 van MacedonieG3109 gegevenG1325 is.
Voorts maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedonie gegeven is.
KJV
Moreover,2
brethren,4
we do1
➔ you
to wit
of the grace6
of God8
bestowed10
on11
the churches13
of Macedonia;15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
DatG3754 in veleG4183 beproevingG1382 der verdrukkingG2347 de overvloedG4050 hunner blijdschapG5479, enG2532 hunG846 zeer diepeG2596 armoedeG4432 overvloedigG4052 geweest is totG1519 den rijkdomG4149 hunner goeddadigheidG572.
Dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap, en hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid.
KJV
How that1
in2
a great3
trial4
of affliction5
the abundance7
of their10
joy9
and11
their16
deep14
poverty13
abounded17
unto18
the riches20
of their23
liberality.22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantG3754 zij zijn naarG2596 vermogenG1411 (ik betuigG3140 het), ja, boven vermogenG1411 gewilligG830 geweest;
Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest;
KJV
For1
to2
their power,3
I bear record,4
yea, and5
beyond6
their power7
they were willing of themselves;8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Ons metG3326 veleG4183 vermaningG3874 biddendeG1189, dat wij wilden aannemenG1209 de gaveG5485 enG2532 de gemeenschapG2842 dezer bedieningG1248, die voor de heiligenG40 geschiedt.
Ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening, die voor de heiligen geschiedt.
KJV
Praying4
us
with1
much2
intreaty3
that we
would receive17
the gift,7
and8
take upon us the fellowship10
of the ministering12
to14
the saints.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En zij deden nietG3756 alleen, gelijk wij gehooptG1679 hadden, maarG235 gavenG1325 zichzelvenG1438 eerstG4412 aan den HeereG2962 enG2532 daarna aan ons, doorG1223 den wilG2307 van GodG2316.
En zij deden niet alleen, gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelven eerst aan den Heere en daarna aan ons, door den wil van God.
KJV
And1
this they did, not2
as3
we hoped,4
but5
first8
gave7
their own selves6
to the Lord,10
and11
unto us
by13
the will14
of God.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Alzo dat wij TitusG5103 vermaandenG3870, dat, gelijk hij te voren begonnen had, hij ookG2532 alzoG3779 nog dezeG3778 gaveG5485 bij uG4771 voleindenG2005 zou.
Alzo dat wij Titus vermaanden, dat, gelijk hij te voren begonnen had, hij ook alzo nog deze gave bij u voleinden zou.
Ook in dit vers
tevoren begonnenG4278
KJV
Insomuch1
that we
desired3
Titus,5
that6
as7
he had begun,8
so9
he would11
➔ also10
finish
in12
you
the same
grace16
also.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zo dan, gelijk gij inG1722 allesG3956 overvloedigG4052 zijt, in geloofG4102, enG2532 in woordG3056, enG2532 in kennisG1108, enG2532 in alle naarstigheidG4710, enG2532 inG1722 uw liefdeG26 tot ons, ziet, dat gij ookG2532 inG1722 dezeG3778 gaveG5485 overvloedigG4052 zijt.
Zo dan, gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid, en in uw liefde tot ons, ziet, dat gij ook in deze gave overvloedig zijt.
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
Therefore,1
as2
ye abound5
in3
every4
thing, in faith,6
and7
utterance,8
and9
knowledge,10
and11
in all12
diligence,13
and14
in your
love20
to18
us,
see that21
ye abound27
in23
this
grace26
also.22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Ik zegG3004 dit nietG3756 als gebiedendeG2596, maarG235 als doorG1223 de naarstigheidG4710 van anderen ookG2532 de oprechtheidG1103 uwer liefdeG26 beproevendeG1381.
Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid uwer liefde beproevende.
KJV
I speak4
not1
by2
commandment,3
but5
by occasion6
of the forwardness9
of others,8
and10
to prove16
the sincerity15
of your13
love.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Want gij weet de genadeG5485 van onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547, dat Hij omG1223 uwentwil is armG4433 geworden, daar Hij rijk was, opdatG2443 gijG4771 door Zijn armoedeG4432 zoudt rijk worden.
Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.
Ook in dit vers
rijkG4145
rijkG4147
KJV
For2
ye know1
the grace4
of our
Lord6
Jesus8
Christ,9
that,10
though he was
rich,14
yet for11
➔ your
sakes
he became poor,13
that16
ye
through his19
poverty20
might be rich.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En ik zegG1325 inG1722 dezenG5129 mijn meningG1106; wantG1063 dit is uG4771 oorbaarG4851, als die nietG3756 alleen het doenG4160, maarG235 ookG2532 het willenG2309 vanG575 over een jaarG4070 te voren hebt begonnen.
En ik zeg in dezen mijn mening; want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen, maar ook het willen van over een jaar te voren hebt begonnen.
Ook in dit vers
tevoren begonnenG4278
KJV
And1
herein3
I give5
my advice:2
for7
this
is expedient9
for you,
who10
have begun before,19
not11
only12
to do,14
but15
also16
to be forward18
a year21
ago.20
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Maar nu voleindigtG2005 ookG2532 het doenG4160; opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheidG4288 des gemoeds om te willenG2309, er ookG2532 alzoG3779 zij het voleindigenG2005 uitG1537 hetgeen gij hebtG2192.
Maar nu voleindigt ook het doen; opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzo zij het voleindigen uit hetgeen gij hebt.
KJV
Now1
therefore3
perform6
the doing5
of it; that7
as8
there was a readiness10
to will,12
so13
there may be a performance16
also14
out of17
that which ye have.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WantG1063 indien te vorenG4295 de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemandG5100 aangenaamG2144 naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft.
Want indien te voren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft.
Ook in dit vers
volvaardigheid gemoedsG4288
KJV
For2
if there1
be first5
a willing mind,4
it is accepted10
according to6
that7
a man9
hath,8
and not11
according to that12
he hath14
not.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WantG1063 dit zeg ik nietG3756, opdatG2443 anderen zouden verlichtingG425 hebben, enG1161 gijG4771 verdrukkingG2347;
Want dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukking;
KJV
For2
I mean not1
that3
other men4
be eased,5
and7
ye
burdened:8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Maar opdat uitG1537 gelijkheidG2471, in dezen tegenwoordigenG3568 tijdG2540, uw overvloedG4051 zij omG1519 hun gebrekG5303 te vervullen; opdatG2443 ookG2532 hun overvloedG4051 zij om uw gebrekG5303 te vervullen, opdat er gelijkheidG2471 wordeG1096.
Maar opdat uit gelijkheid, in dezen tegenwoordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde.
Ook in dit vers
[vervullen]G3704
KJV
But
by
an equality,13
that now
at
this time
your
abundance5
may be a supply for7
their4
want,10
that1
their
abundance
also2
may be6
a supply for
your
want:
that11
there may be12
equality:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Gelijk geschrevenG1125 is: Die veelG4183 verzameld had, had nietG3756 over; enG2532 die weinig verzameld had, had nietG3756 te weinig.
Gelijk geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig.
Ook in dit vers
weinigG1641
weinigG3641
KJV
As1
it is written,2
He that had gathered3
much5
had7
➔ nothing6
over;
and8
he that had gathered4
little11
had13
➔ no12
lack.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
DochG1161 GodeG2316 zijG846 dankG5485, Die dezelfde naarstigheidG4710 voor uG4771 inG1722 het hartG2588 van TitusG5103 gegevenG1325 heeft;
Doch Gode zij dank, Die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft;
KJV
But2
thanks1
be to God,4
which3
put6
the same8
earnest care9
into12
the heart14
of Titus15
for10
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
DatG3754 hij de vermaningG3874 heeft aangenomenG1209, enG1161 zeer naarstigG4707 zijnde, gewilligG830 totG4314 uG4771 gereisdG1831 is.
Dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde, gewillig tot u gereisd is.
KJV
For1
indeed3
he accepted5
the exhortation;4
but7
being8
more forward,
of his own accord9
he went10
unto11
you.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
EnG1161 wij hebben ook met hemG846 gezondenG4842 den broederG80, dieG3739 lofG1868 heeft inG1722 het EvangelieG2098 door alG3956 de GemeentenG1577;
En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft in het Evangelie door al de Gemeenten;
KJV
And2
we have sent1
with3
him4
the brother,6
whose7
praise9
is in10
the gospel12
throughout13
all14
the churches;16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En dat nietG3756 alleen, maar hijG846 is ookG2532 vanG5259 de GemeentenG1577 verkorenG5500, om met ons te reizenG4898 met deze gaveG5485, dieG3778 vanG5259 ons bediendG1247 wordt totG4314 de heerlijkheidG1391 des HeerenG2962 Zelven, en de volvaardigheidG4288 uws gemoedsG4288;
En dat niet alleen, maar hij is ook van de Gemeenten verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren Zelven, en de volvaardigheid uws gemoeds;
KJV
And3
not1
that only,2
but4
who was6
➔ also5
chosen
of7
the churches9
to travel10
with us
with12
this
grace,14
which8
is administered17
by18
us
to20
the glory25
of the same22
Lord,24
and26
declaration of your
ready mind:27
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Dit verhoedendeG4724, datG3778 ons niemandG3361 moge lasterenG3469 inG1722 dezenG5026 overvloedG100, dieG3778 vanG5259 ons wordt bediendG1247;
Dit verhoedende, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed, die van ons wordt bediend;
KJV
Avoiding1
this,
that no3
man4
should blame6
us
in7
this
abundance9
which8
is administered12
by13
us:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Als die bezorgenG4306, hetgeen eerlijkG2570 is, nietG3756 alleen voor den HeereG2962, maarG235 ookG2532 voor de mensenG444.
Als die bezorgen, hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere, maar ook voor de mensen.
KJV
Providing1
for honest things,2
not3
only4
in the sight5
of the Lord,6
but7
also8
in the sight9
of men.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Wij hebben ook met henG846 gezondenG4842 onzen broederG80, welken wij in veleG4183 dingen dikmaalsG4178 beproefdG1381 hebben, dat hij naarstigG4705 isG1510; en nu veelG4183 naarstigerG4707, door het groot vertrouwenG4006, dat hij heeft totG1519 ulieden.
Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikmaals beproefd hebben, dat hij naarstig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen, dat hij heeft tot ulieden.
KJV
And2
we have sent1
with them3
our
brother,5
whom7
we have8
➔ oftentimes11
proved
diligent12
in9
many things,10
but15
now14
much16
more diligent,
upon the great19
confidence18
which4
I have in21
you.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Hetzij dan Titus, hij is mijnG1699 metgezelG2844 enG2532 medearbeiderG4904 bij uG4771; hetzij onze broedersG80, zij zijn afgezantenG652 der GemeentenG1577, en een eerG1391 van ChristusG5547.
Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der Gemeenten, en een eer van Christus.
KJV
Whether1
any do enquire of2
Titus,3
he is my5
partner4
and6
fellowhelper9
concerning7
you:
or10
our
brethren11
be enquired of, they are the messengers13
of the churches,14
and the glory15
of Christ.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
BewijstG1731 danG3767 aanG1519 henG846 de bewijzingG1732 uwer liefdeG26, enG2532 van onzen roemG2746 van uG4771, ookG2532 voor het aangezichtG4383 der GemeentenG1577.
Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde, en van onzen roem van u, ook voor het aangezicht der Gemeenten.
KJV
Wherefore2
shew ye14
to12
them,13
and7
before16
the churches,19
the proof3
of your
love,5
and15
of our
boasting9
on10
➔ your
behalf.
de genade Gods,
Dat is, de weldadigheid door de genade Gods, die hunne harten bewogen heeft om zo milde handreiking te doen aan de armen te Jeruzalem, gelijk vs.2 verklaart.
Hertaald:
de genade Gods,
Dat is: de weldadigheid door de genade van God, die hun harten bewogen heeft om zo mild hulp te bieden aan de armen in Jeruzalem, zoals vers 2 verklaart.
in de gemeenten van
Of, door.
Hertaald:
in de gemeenten van
Of: door.
de overvloed hunner
Namelijk spruitende uit het geloof in Christus, niettegenstaande alle verdrukking. Zie Rom. 5:3 .
Hertaald:
de overvloed hunner
Namelijk vreugde die voortkomt uit het geloof in Christus, ondanks alle verdrukking. Zie Rom. 5:3.
hunne zeer diepe armoede
Dat is, hoewel zij door de grote verdrukkingen tot de uiterste armoede schenen gekomen te zijn, nochtans zijn zij overvloedig geweest in het geven.
Hertaald:
hunne zeer diepe armoede
Dat is: hoewel zij door de grote verdrukkingen tot de uiterste armoede leken gekomen te zijn, waren zij toch overvloedig in het geven.
tot den rijkdom hunner
Dat is, tot overvloedige mildheid, gelijk vs.4 uitwijst.
Hertaald:
tot den rijkdom hunner
Dat is: tot overvloedige mildheid, zoals vers 4 aanwijst.
goeddadigheid
Of, eenvoudigheid, oprechtheid, in het geven.
Hertaald:
goeddadigheid
Of: eenvoudigheid, oprechtheid in het geven.
vermaning
Of, vertroosting.
Hertaald:
vermaning
Of: troost.
aannemen
Dat is, op ons nemen.
Hertaald:
aannemen
Dat is: op ons nemen.
de gave en
Gr. de genade, dat is de goedwillige gave.
Hertaald:
de gave en
Grieks: de genade, dat is: de goedwillige gave.
de gemeenschap dezer
Dat is, de zorg om die inzameling wel te bestellen en ter rechter plaats te doen komen, als een teken van hunne gemeenschap met dezelve.
Hertaald:
de gemeenschap dezer
Dat is: de zorg om die inzameling goed te regelen en op de juiste plaats te laten aankomen, als een teken van hun gemeenschap daarmee.
de heiligen geschiedt ;
Namelijk te Jeruzalem. Zie 1 Kor. 16:3-4 ; Rom. 15:26 .
Hertaald:
de heiligen geschiedt ;
Namelijk in Jeruzalem. Zie 1 Kor. 16:3-4; Rom. 15:26.
niet alleen
Dat is, deden meer dan wij gehoopt of verwacht hadden.
Hertaald:
niet alleen
Dat is: zij deden meer dan wij gehoopt of verwacht hadden.
gaven zichzelven
Namelijk nog vlijtiger en overvloediger.
Hertaald:
gaven zichzelven
Namelijk nog nauwgezetter en overvloediger.
begonnen had,
Namelijk ulieden tot alle geestelijke deugden te verwekken, gelijk in vs.8 verklaard wordt.
Hertaald:
begonnen had,
Namelijk u tot alle geestelijke deugden aan te sporen, zoals in vers 8 verklaard wordt.
deze gave bij u
Gr. genade; dat is, deze gift der weldadigheid, gelijk vs.1, 7, 19.
Hertaald:
deze gave bij u
Grieks: genade; dat is: deze gave van weldadigheid, zoals in vers 1, 7 en 19.
voleindigen zou
Dat is, tot een goed einde zou brengen.
Hertaald:
voleindigen zou
Dat is: tot een goed einde zou brengen.
als gebiedende,
Gr. naar bevel.
Hertaald:
als gebiedende,
Grieks: naar bevel.
door de naarstigheid
Dat is, door het voorbeeld der naarstigheid en milddadigheid van de gemeenten in Macedonië.
Hertaald:
door de naarstigheid
Dat is: door het voorbeeld van de inzet en de mildheid van de gemeenten in Macedonië.
is arm geworden
Namelijk toen Hij zichzelven heeft vernietigd, de gedaante eens dienstknechts aannemende; Fil. 2:5 , enz.
Hertaald:
is arm geworden
Namelijk toen Hij Zichzelf ontledigd heeft en de gestalte van een dienstknecht aannam; Filipp. 2:5, enzovoort.
daar Hij rijk was,
Namelijk een heer van alle dingen. Zie Hebr. 1:2 .
Hertaald:
daar Hij rijk was,
Namelijk een Heer over alle dingen. Zie Hebr. 1:2.
rijk worden
Dat is, al zijn geestelijke en hemelse goederen deelachtig worden; 1 Kor. 1:30 .
Hertaald:
rijk worden
Dat is: aan al Zijn geestelijke en hemelse goederen deel krijgen; 1 Kor. 1:30.
ik zeg in dezen
Gr. ik geef; gelijk 1 Kor. 7:25 .
Hertaald:
ik zeg in dezen
Grieks: ik geef; zoals in 1 Kor. 7:25.
het willen van over
Dat is, het doen met vlijtigheid en gewilligheid. Want dat is meer dan alleen willen, of alleen doen.
Hertaald:
het willen van over
Dat is: het doen met inzet en bereidwilligheid. Want dat is meer dan alleen willen, of alleen doen.
uit hetgeen dat gij hebt
Dat is, naar de mate van hetgeen dat gij hebt.
Hertaald:
uit hetgeen dat gij hebt
Dat is: naar de mate van wat u hebt.
aangenaam naar hetgeen
Namelijk Gode, in het uitdelen van zijne gaven. Zie Marc. 12:43 ; 2 Kor. 9:7 .
Hertaald:
aangenaam naar hetgeen
Namelijk aangenaam voor God, in het uitdelen van Zijn gaven. Zie Mark. 12:43; 2 Kor. 9:7.
verdrukking;
Dat is, opdat anderen overvloed door uwe gaven zouden verkrijgen, en gij gebrek hebben, of u te zeer benauwen.
Hertaald:
verdrukking;
Dat is: niet zo dat anderen door uw gaven overvloed zouden krijgen en u gebrek zou hebben of in te grote nood zou komen.
opdat ook hun overvloed
Namelijk wanneer gij in den tijd der vervolging, of anderszins, hunne hulp ook zoudt mogen van node hebben. Anderen nemen het van den overvloed der geestelijke gaven, welke die van Jeruzalem den heidenen te vlijtiger en te bekwamer zouden mededelen, wanneer zij om den tijdelijken leeftocht zich niet zouden moeten bekommeren.
Hertaald:
opdat ook hun overvloed
Namelijk wanneer u in een tijd van vervolging of anderszins ook hun hulp nodig zou hebben. Anderen vatten het op van de overvloed van geestelijke gaven, die de gelovigen van Jeruzalem des te toegewijder en beter aan de heidenen zouden meedelen wanneer zij zich niet om hun dagelijkse onderhoud zouden hoeven bekommeren.
opdat er gelijkheid worde
Namelijk in het geven of ontvangen naar den nood en overvloed van een ieder. Of, opdat het ene lid niet te zeer overvloeie, en het andere niet te benauwd zij; hetwelk met vs.15 wel zowel overeen komt.
Hertaald:
opdat er gelijkheid worde
Namelijk in het geven of ontvangen, naar de nood en de overvloed van ieder. Of: opdat het ene lid niet te veel overvloed heeft en het andere niet in te grote nood is; dat komt ook goed overeen met vers 15.
geschreven is
Namelijk Ex. 16:18 , in het verzamelen van het manna. Want die veel verzameld hadden, namen daaruit maar elk een gomer tot hun leeftocht, die weinig, vervulden dien gomer uit hetgeen van anderen verzameld was, dat iemand meer tehuis bracht bedierf en ging verloren.
Hertaald:
geschreven is
Namelijk in Ex. 16:18, bij het verzamelen van het manna. Want zij die veel verzameld hadden, namen daaruit ieder maar één gomer als voedsel; en zij die weinig hadden, vulden die gomer uit wat door anderen verzameld was. Wat iemand meer naar huis bracht, bedierf en ging verloren.
dezelfde naarstigheid
Dat is, deze zorgvuldigheid om u ook hiertoe te vermanen en bewegen, gelijk vs.17 verklaart.
Hertaald:
dezelfde naarstigheid
Dat is: deze zorgvuldigheid om u ook hiertoe aan te sporen en te bewegen, zoals vers 17 verklaart.
gereisd is
Gr. uitgegaan.
Hertaald:
gereisd is
Grieks: uitgegaan.
den broeder, die lof heeft
Deze menen vele oude leraars dat Lukas zou geweest zijn, die het Evangelie van Christus beschreven heeft; maar alzo hier niet van het Evangelie te beschrijven, maar van het te prediken gesproken wordt, zo is dat onzeker; gelijk ook dat het Barnabas zou zijn.
Hertaald:
den broeder, die lof heeft
Veel oude leraars menen dat dit Lukas geweest zou zijn, die het Evangelie van Christus beschreven heeft. Maar hier wordt niet gesproken over het beschrijven van het Evangelie, maar over het prediken ervan, dus dat is onzeker; net zoals het onzeker is dat het Barnabas zou zijn.
van de gemeenten verkoren
Het Griekse woord betekent eigenlijk ene verkiezing, die met opsteking of uitreiking der handen geschiedt; alzo dat Paulus niet alleen zelf deze hiertoe had verordineerd, maar ook de gemeenten van Macedonië. Zie van die woord ook Hand. 14:23 .
Hertaald:
van de gemeenten verkoren
Het Griekse woord betekent eigenlijk een verkiezing die met het opsteken of uitstrekken van de handen gebeurt. Zo had niet alleen Paulus zelf hem hiervoor aangesteld, maar ook de gemeenten van Macedonië. Zie over dat woord ook Hand. 14:23.
met deze gave,
Dat is, weldaad, gift, weldadige handreiking, gelijk meermalen tevoren.
Hertaald:
met deze gave,
Dat is: weldaad, gave, milde hulp, zoals al meermalen hiervoor.
de volvaardigheid uws
Dat is, tot een bewijs van uw goedwilligheid en milddadigheid.
Hertaald:
de volvaardigheid uws
Dat is: tot een bewijs van uw bereidwilligheid en mildheid.
Dit verhoedende, dat ons
Namelijk door het bijvoegen van anderen, die dezen last nevens ons hebben aangenomen, gelijk vs.22 verklaart.
Hertaald:
Dit verhoedende, dat ons
Namelijk door anderen erbij te voegen, die deze opdracht samen met ons hebben aangenomen, zoals vers 22 verklaart.
lasteren in dezen
Of, berispen, met kwaad achterdenken bezwaren, zo wij zodanige overvloedige aalmoezen alleen hadden overgebracht, hetwelk van de valse apostelen en andere vijanden des Evangelies, lichtelijk had kunnen geschieden.
Hertaald:
lasteren in dezen
Of: berispen, met kwade verdenking belasten, als wij zulke overvloedige aalmoezen alleen zouden hebben overgebracht. Dat had door de valse apostelen en andere vijanden van het Evangelie gemakkelijk kunnen gebeuren.
onzen broeder, welken wij
Deze menen sommigen dat Apollos geweest zou zijn. Doch is ook onzeker.
Hertaald:
onzen broeder, welken wij
Sommigen menen dat dit Apollos geweest zou zijn. Maar ook dat is onzeker.
dat hij heeft
Of, dat wij hebben.
Hertaald:
dat hij heeft
Of: dat wij hebben.
Titus, hij is
Gr. van Titus, dat is, wil men weten wie Titus is.
Hertaald:
Titus, hij is
Grieks: van Titus, dat is: wil men weten wie Titus is.
onze broeders, zij zijn
Namelijk die van de gemeenten van Macedonië nevens Titus hiertoe zijn verkoren, waarvan hij gesproken had vs.18, 22.
Hertaald:
onze broeders, zij zijn
Namelijk zij die uit de gemeenten van Macedonië samen met Titus hiervoor gekozen zijn, over wie hij gesproken had in vers 18 en 22.
afgezanten der gemeenten,
Gr. Apostelen; gelijk dit woord ook voor allerlei leraars en gezanten somwijlen genomen wordt. Zie Rom. 16:7 .
Hertaald:
afgezanten der gemeenten,
Grieks: apostelen; zoals dit woord soms ook voor allerlei leraars en gezanten gebruikt wordt. Zie Rom. 16:7.
ene eer van Christus
Gr. ene heerlijkheid van Christus; dat is, zulke personen, waardoor de eer van Christus zonderling wordt bevorderd.
Hertaald:
ene eer van Christus
Grieks: een heerlijkheid van Christus; dat is: zulke personen door wie de eer van Christus in het bijzonder bevorderd wordt.
voor het aangezicht der gemeente
Dat is, gelijk die tot getuigen van deze uwe liefde en weldadigheid zult hebben al de gemeenten, die daarvan kennis zullen krijgen.
Hertaald:
voor het aangezicht der gemeente
Dat is: omdat u al de gemeenten die hiervan zullen horen tot getuigen van deze liefde en weldadigheid van u zult hebben. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een niet-Joodse (Griekse) medewerker en 'broeder' van Paulus, die een belangrijke rol speelde bij het overbrengen van berichten tussen Paulus en de gemeente te Korinthe en bij het inzamelen van de gave voor de heiligen te Jeruzalem (2 Kor. 2:13; 7:6-16; 8:6, 16-23). Later kreeg hij zelf een brief van Paulus en werd hij op Kreta achtergelaten om de gemeente daar te ordenen (Titus 1:5). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Paulus roemt de gemeenten van Macedonië, die te midden van beproeving en diepe armoede "boven vermogen gewillig" waren om te geven (2 Kor. 8:2-3), en legt het uiteindelijke motief bloot: "gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden" (2 Kor. 8:9). Het gaat niet om de grootte van de gave maar om de gezindheid: "indien te voren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft" (2 Kor. 8:12). In hoofdstuk 9 volgt het landbouwbeeld: "die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien" (2 Kor. 9:6), en de regel: "een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief" (2 Kor. 9:7), met de toezegging dat God alle genade overvloedig zal doen zijn tot elk goed werk (2 Kor. 9:8). Bijbelse betekenis: Christelijk geven is geen wettische verplichting naar een vast percentage, maar een vrucht van het Evangelie zelf. Wie beseft wat de vrijwillige, zelfvernederende armoede van Christus hem gebracht heeft, geeft niet uit dwang maar uit dankbare blijdschap. Het is de gezindheid en niet het bedrag dat God aanziet. Typologie: Diezelfde blijdschap bij het vrijwillig geven kenmerkte Israël bij de gaven voor de tempel: "En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven; want zij gaven met een volkomen hart den HEERE vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap" (1 Kron. 29:9). 2 Kor. 8:2-3,9,12; 2 Kor. 9:6-8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Paulus is bezig met iets heel praktisch: een inzameling voor de arme gemeente in Jeruzalem. Hij prijst de gemeenten van Macedonië, die in diepe armoede overvloedig gegeven hebben. En dan legt hij er één zin naast. Om een collecte te motiveren wijst hij op de armoede van Christus — en zegt in één zin wie Hij was en wat Hij werd. Gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden. De kanttekening werkt de drie delen uit. Rijk zijn betekent hier: een Heer over alle dingen. Arm worden ziet op het ogenblik waarop Hij Zichzelf ontledigd heeft en de gestalte van een dienstknecht aannam, met verwijzing naar Filippenzen 2. En rijk worden verklaart zij als: aan al Zijn geestelijke en hemelse goederen deel krijgen. Het opmerkelijke is de aanleiding. Paulus schrijft dit niet in een leerstellig hoofdstuk maar midden in een geldinzameling. De diepste zin over de vernedering van Christus staat in een brief over een collecte. Daarmee is meteen gezegd hoe zulke leer bedoeld is: niet om te bewonderen maar om ernaar te leven. Hij vraagt de Korinthiërs dan ook niet om te geven tot zij arm zijn, maar noemt een eenvoudige maatstaf uit Exodus 16: die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig. Wie de ruil van 2 Korinthe 5 gelezen heeft, herkent hem hier terug in andere woorden. Daar werd Hij zonde gemaakt opdat wij rechtvaardigheid Gods zouden worden. Hier wordt Hij arm opdat wij rijk zouden worden. Twee keer dezelfde beweging: Hij neemt wat van ons is, en geeft wat van Hem is. In het Nieuwe Testament: Filippenzen 2:5-8; 2 Korinthe 5:21; Efeze 1:7; Lukas 9:58
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Want u kent de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij omwille van u arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede rijk… De bomen van de HEERE worden verzadigd, de ceders van de Libanon, die Hij geplant heeft. (Psalm 104:16) Lees verder 2 Korinthe 8:1—7. De reizigers vertellen ons dat… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Want u kent de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij omwille van u arm is geworden… 2 Korinthe 8:9… Zo dan, gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid, en in uw liefde tot ons, ziet, dat… Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid uwer liefde beproevende. Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus,… Voorts maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedonie gegeven is. Dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap, en… En zij deden niet alleen, gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelf eerst aan de Heere en daarna aan ons, door de wil van God. 2 Korinthe 8:5 Er… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
2 Korinthe 8
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Arm geworden, terwijl Hij rijk was — 8:1-15
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Zijn armoede, onze rijkdom
De bomen van de HEERE worden verzadigd
Omwille van u arm geworden
Overvloedig zijn in deze gave
Toegewijde Medewerkers
Geef Hem wat Hem toebehoort
Zich bij de Kerk voegen


2 Korinthe 8
2 Korinthe 8:1-2
KruisverwijzingenHandelingen 16:9→1 Thessalonicenzen 4:10→Kolossenzen 1:29→Handelingen 11:23→Jakobus 2:5→2 Korinthe 9:2→2 Korinthe 11:9→2 Korinthe 9:4→— Voorts maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedonie gegeven is. Dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap, en hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid.
Het is goed de ene christen door het voorbeeld van de andere aan te sporen. Paulus wekt hen te Korinthe op door het voorbeeld van de gemeenten in Macedonië, ongetwijfeld vooral van de gemeente te Filippi. Hij zegt dat zij in grote verdrukking waren, en zeer arm, maar toch zo vervuld waren van Gods genade, dat hun zeer diepe armoede “overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid”, want wat zij gaven, werd naar verhouding groter juist doordat zij zo arm waren.
2 Korinthe 8:3
KruisverwijzingenExodus 35:29→Exodus 35:21→1 Korinthe 16:2→1 Kronieken 29:5→Exodus 35:5→1 Kronieken 29:9→Filemon 1:14→2 Korinthe 8:11→— Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest;
Zonder enige drang, zonder zelfs maar een wenk — geheel uit eigen beweging.
2 Korinthe 8:4
KruisverwijzingenHandelingen 24:17→1 Korinthe 16:3→2 Korinthe 9:1→Romeinen 15:25→Hebreeën 6:10→2 Korinthe 9:12→1 Korinthe 16:1→1 Timotheüs 5:10→— Ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening, die voor de heiligen geschiedt.
“De gemeenschap dezer bediening” — want dat gezegende woord ‘koinonia’, gemeenschap, wordt niet alleen toegepast op het Avondmaal en dergelijke gemeenschap. Het geldt ook voor de gemeenschap met arme heiligen: gemeenschap met hen door in hun noden te voorzien. Paulus zegt dat de gemeenten van Macedonië er bij hem op aandrongen dat hij hun geld zou aannemen en het naar Jeruzalem zou brengen en uitdelen. Hij lijkt hier zeer terughoudend in geweest te zijn, maar zij drongen erop aan.
2 Korinthe 8:5
Kruisverwijzingen2 Kronieken 30:8→2 Korinthe 4:5→1 Samuël 1:28→Romeinen 6:13→Jesaja 44:3→2 Korinthe 5:14→1 Korinthe 6:19→2 Kronieken 30:12→— En zij deden niet alleen, gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelven eerst aan den Heere en daarna aan ons, door den wil van God.
Dat wil zeggen: naar onze verwachting.
2 Korinthe 8:6-7
Kruisverwijzingen2 Korinthe 12:18→2 Korinthe 9:8→1 Korinthe 1:5→2 Korinthe 8:16→2 Korinthe 8:4→2 Korinthe 8:19→2 Petrus 1:5→Romeinen 15:14→— Alzo dat wij Titus vermaanden, dat, gelijk hij te voren begonnen had, hij ook alzo nog deze gave bij u voleinden zou. Zo dan, gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid, en in uw liefde tot ons, ziet, dat gij ook in deze gave overvloedig zijt.
Zij gaven zichzelf eerst aan God. Daarna vroegen zij aan Paulus het aan te nemen, opdat hij het voor God kon gebruiken bij de uitdeling van de christelijke liefdadigheid onder de arme heiligen te Jeruzalem. Deze gemeente te Korinthe was een beroemde gemeente, met meer begaafde mannen dan andere gemeenten. Zij hadden zelfs niet één man als voorganger, omdat zij zo overvloedig waren aan broeders die konden stichten. Hij dringt er bij hen op aan dat zij, zoals zij in alles vooraan stonden, ook niet achter zouden blijven in hun vrijgevigheid.
2 Korinthe 8:8-9
KruisverwijzingenMattheüs 20:28→Filippenzen 2:6→Romeinen 5:8→Romeinen 8:32→1 Korinthe 7:6→Johannes 1:14→Efeze 3:8→1 Korinthe 15:47→— Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid uwer liefde beproevende. Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.
Ik wil het u niet als een wet opleggen. Ik wil dat het van uw kant vrijwillig is. Wat een aangrijpend argument voegt Paulus daaraan toe! Hoe had hij een beter kunnen vinden? Help uw broeders te Jeruzalem die in nood zijn, ook al zou die hulp u pijn doen. U kent immers de genade van onze Heere Jezus Christus: wat Hij deed, en wat Hij gaf, opdat u rijk zou worden.
2 Korinthe 8:10
Kruisverwijzingen1 Korinthe 7:25→2 Korinthe 9:2→Hebreeën 13:16→1 Timotheüs 6:18→Spreuken 19:17→1 Korinthe 7:40→2 Korinthe 8:8→Jakobus 2:15→— En ik zeg in dezen mijn mening; want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen, maar ook het willen van over een jaar te voren hebt begonnen.
Zij waren vorig jaar begonnen — misschien niet precies een jaar geleden, maar enkele maanden eerder in het voorgaande jaar — de zaak te bespreken en beloften te doen. Zij behoorden tot de eersten die het werk op zich namen, maar hadden het nog niet uitgevoerd.
2 Korinthe 8:11
Kruisverwijzingen2 Korinthe 9:2→— Maar nu voleindigt ook het doen; opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzo zij het voleindigen uit hetgeen gij hebt.
Zij hadden geen voorganger, ziet u, en wat ieders zaak is, is niemands zaak, en zo werd de bijdrage niet uitgevoerd. In het algemeen is de gemeente te Korinthe zowat de slechtste van het Nieuwe Testament, en dat juist om deze reden: dat zij geen enkel toezicht had. Zij was het toonbeeld van sommige broeders die wij ook heden onder ons hebben. Zij halen dit aan als een voorbeeld, terwijl het hier juist als een baken staat, en een zeer uitstekend baken ook, om ons hiervoor te waarschuwen. Alles liep door elkaar, hoe goed de mensen ook waren. Omdat zij geen orde en geen tucht hadden, kwam er niets van de grond, en zij vermoeiden het leven van de apostel daarmee. God wil dat de dingen betamelijk en ordelijk gebeuren, en Hij geeft Zijn gemeenten voorgangers naar Zijn hart. Doet Hij dat, dan is de gemeente in staat haar verlangens en werkzaamheden met iets van praktisch gezond verstand uit te voeren. Maar hier hadden zij een jaar geleden, maanden geleden, de zaak besproken en een belofte gedaan, en nu moet hij hun zeggen: volbrengt dan nu ook het doen ervan. Zij hadden geen diakenen die naar hen omzagen, durf ik te zeggen.
2 Korinthe 8:12-14
Kruisverwijzingen2 Korinthe 9:12→2 Korinthe 9:7→Lukas 16:10→Markus 12:42→Lukas 21:1→Handelingen 4:34→Exodus 35:5→Exodus 35:29→— Want indien te voren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft. Want dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukking; Maar opdat uit gelijkheid, in dezen tegenwoordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde.
Alleen in de christelijke Kerk zullen wij ooit vrijheid, gelijkheid en broederschap ten volle verwerkelijkt vinden. Daar, door het leven van Christus in Zijn volk, zal dat werkelijkheid worden. De apostel onderbouwt deze gedachte. Bengel heeft haar prachtig verwoord toen hij zei dat wij van onze overvloed behoren te bedienen tot troost van anderen, en van ons welzijn tot de noden van anderen. Zo behoren wij, om een evenwicht te bewaren, zodat, wanneer de een gebrek lijdt en de ander overvloed heeft, er gelijkheid ontstaat.
2 Korinthe 8:15-17
KruisverwijzingenExodus 16:18→Openbaring 17:17→2 Korinthe 8:6→Lukas 22:35→2 Korinthe 7:7→Jeremia 32:40→Ezra 7:27→Kolossenzen 3:17→— Gelijk geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig. Doch Gode zij dank, Die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft; Dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde, gewillig tot u gereisd is.
Ofwel: hij gaat naar u toe, want hij bracht deze brief zelf naar hen.
2 Korinthe 8:18
Kruisverwijzingen2 Korinthe 12:18→1 Korinthe 7:17→2 Korinthe 8:22→Romeinen 16:4→2 Korinthe 8:19→2 Korinthe 2:12→— En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft in het Evangelie door al de Gemeenten;
En wat voor broeder was dat? Niemand weet het. En een broeder die lof heeft in alle gemeenten, mag er best tevreden mee zijn dat zijn naam vergeten wordt. Ach, het zou een lieflijke zaak zijn lof te hebben in alle gemeenten, anoniem, zodat het geheel tot God zou opklimmen. Het kan Lukas geweest zijn. Waarschijnlijk was hij het. Het kan ook Lukas niet geweest zijn. Waarschijnlijk was hij het niet. Wij weten niet wie het was. Maar het doet er niet toe. Wat maakt het uit? Zoals de heer Whitefield placht te zeggen: laat mijn naam vergaan, maar laat Christus’ Naam voor eeuwig voortbestaan.
2 Korinthe 8:19-20
Kruisverwijzingen1 Korinthe 16:3→2 Korinthe 4:15→1 Petrus 4:10→2 Korinthe 9:8→2 Korinthe 9:12→Handelingen 6:3→Filippenzen 4:18→Handelingen 15:25→— En dat niet alleen, maar hij is ook van de Gemeenten verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren Zelven, en de volvaardigheid uws gemoeds; Dit verhoedende, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed, die van ons wordt bediend;
Ofwel: met deze gave. Hij had andere broeders bij zich, opdat niemand ook maar zou kunnen suggereren dat Paulus daarvan profiteerde. En, ach, bij het uitdelen van het geld van de Heere past het ons uiterst zorgvuldig te zijn.
2 Korinthe 8:21
KruisverwijzingenRomeinen 12:17→Filippenzen 4:8→Romeinen 14:18→1 Petrus 2:12→1 Thessalonicenzen 5:22→1 Timotheüs 5:14→Titus 2:5→2 Korinthe 2:17→— Als die bezorgen, hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere, maar ook voor de mensen.
Opdat de zaak zo helder en doorzichtig zou zijn, dat, terwijl God wist dat Paulus eerlijk was, ook ieder ander het zou weten, want anderen waren met hem verbonden.
2 Korinthe 8:22-23
KruisverwijzingenFilippenzen 2:25→Filemon 1:17→2 Korinthe 8:6→Filippenzen 2:20→1 Thessalonicenzen 2:2→Lukas 5:10→2 Korinthe 12:18→3 Johannes 1:8→— Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikmaals beproefd hebben, dat hij naarstig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen, dat hij heeft tot ulieden. Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der Gemeenten, en een eer van Christus.
Hoe schoon is het Paulus zijn broeders zo te horen prijzen — zeer eenvoudige, alledaagse personen in vergelijking met hemzelf, maar hij bewondert Gods genade in hen. Hoe geheel anders dan de algemene geest van geringschatting die men zelfs onder christenen vindt, bang iemand te prijzen uit vrees dat hij bovenmate verheven zou worden. Dat mag u aan de duivel overlaten; hij zal er wel voor zorgen dat zij niet bovenmate verheven worden, maar u hoeft daar niet zo nauwgezet over te zijn. Vaak is het beste wat men voor Gods dienstknecht kan doen, hem aan te moedigen. Al weet u het misschien niet, hij mag vele neerslachtigheden hebben, zware inspanning en ernstige zorg, en veel waken, die hem terneer kunnen drukken. Paulus spreekt goed over de broederschap; laten wij trachten hetzelfde te doen. Maar hoe noemt hij deze eenvoudige mannen die met hem meegaan om dit geld uit te delen? Noemt hij hen de heerlijkheid van Christus? Ja; Christus is de heerlijkheid van God, en Zijn volk is de heerlijkheid van Christus. Hij wordt verheerlijkt wanneer Hij door hen verheerlijkt wordt. Zij zijn de vrucht van de arbeid van Zijn ziel, en in die zin zijn zij Zijn heerlijkheid.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
b. Vers 1-24KruisverwijzingenMattheüs 20:28→Filippenzen 2:6→Romeinen 5:8→Handelingen 24:17→Romeinen 8:32→2 Korinthe 12:18→2 Korinthe 9:8→1 Korinthe 7:6→
— Voorts maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedonie gegeven is. Dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap, en hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid. Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest; Ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening, die voor de heiligen geschiedt. En zij deden niet alleen, gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelven eerst aan den Heere en daarna aan ons, door den wil van God. Alzo dat wij Titus vermaanden, dat, gelijk hij te voren begonnen had, hij ook alzo nog deze gave bij u voleinden zou. Zo dan, gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid, en in uw liefde tot ons, ziet, dat gij ook in deze gave overvloedig zijt. Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid uwer liefde beproevende. Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden. En ik zeg in dezen mijn mening; want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen, maar ook het willen van over een jaar te voren hebt begonnen.
Dat het vertrouwen van de apostel op de Corinthiërs, waarvan hij zo-even gesproken heeft (Hoofdstuk 7: 16) weer geheel hersteld is, bewijst hij hun nu daardoor, dat hij hun ook nu een zaak op het hart drukt, die hem bijzonder ter harte gaat. De zaak had bij hen geen goede voortgang in lange tijd gehad. Het is de opbrengst voor de arme Christenen te Jeruzalem, waarvan hij reeds in de vorige brief (1 Kor. 16: 1 vv.) melding maakte en tot welke verzameling ook zijn afgezondenen, Timotheus en Titus, het hunne hadden gedaan maar wat nog steeds niet in verblijdende mate gelukt was. Tot hun aansporing stelt hij hun ten eerste voor de bijzonder grote milddadigheid van de Macedonische gemeenten in verhouding van hun vermogen. Onder die gemeenten vertoefde hij toen (vs. 1-6). Hij stelt hun het arm worden van Christus voor, door wiens armoede wij rijk zijn geworden, om lust tot die zaak bij hen op te wekken en geeft nog een gehele rij van gezichtspunten aan, die van groot belang zijn. Onder deze vinden wij ook een woord over de gelijkheid in het Christelijk communisme, dat juist voor onze tijd van bijzondere betekenis is (vs. 7-24). Nadat Paulus de grondstellingen ontwikkeld heeft, volgens welke hij de collecte wenst beoordeeld en volvoerd te zien, gaat hij nader over de uitvoering spreken, wijst de mannen aan, aan wie het is opgedragen en beveelt de Corinthiërs aan, deze toch te ontvangen op een wijze, van de zaak waardig, die zij dienen. (vs. 16-24).
Voorts, om nu tot uw opwekking tot een andere zaak over te gaan, maken wij u bekend, broeders, de genade van God, betoond aan mij en mijn medehelpers in het ons aanbevolen werk en wel een genade, die in de gemeenten van Macedonië, te Filippi, Thessalonica en Berea (Hand. 16: 12-17: 12 20: 1 vv.), gegeven is en zich in eens zeer heerlijke uitkomst heeft geopenbaard (Rom. 15: 26 v.).
Dit grote zegen betoonde zich vooral daarin, dat in vele beproevingen van de verdrukking, die zij moesten lijden, de overvloed van hun blijdschap, over het bezitten van de zaligheid, die hen in Christus ten deel was geworden, duidelijk zichtbaar was. En verder is gezien, dat hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot de rijkdom van hun goeddadigheid, of eenvoudigheid. Zij hebben ondanks eigen behoefte een gemoed geopenbaard zonder zelfzucht, omdat zij gene andere gedachte hadden dan hoe zij de anderen te hulp zouden komen (Rom. 12: 8. Kol. 3: 22).
De Apostel begint met de Corinthiërs het voorbeeld voor te houden van de Christenen in Macedonië, die onder de ongunstigste omstandigheden zich zeer mild hadden betoond (vgl. over hun verdrukkingen Hand. 16 en 17 v. : 2: 14 v. v. Fil. 1: 23 v.). Ondanks dat lijden was een bijzondere vreugde in hen, omdat zij zich bewust waren in het Evangelie hemelse schatten verkregen te hebben en deze vreugde drong hen tot rijkere mededeling van stoffelijke goederen.
De vreugde als men zich bewust is, van God genade te hebben ontvangen, wekt de begeerte in ons om graag al het onze uit te delen aan hen, die van de Heere zijn (1 Joh. 4: 20); en die aalmoes is de juiste, die voortkomt uit een hart, dat volgeladen van de mildheid van God, weer begeert zich uit te storten voor God en de broederen.
De Macedonische Christenen achtten bij al hun armoede zich rijk genoeg om aalmoezen te geven, omdat zij met het juiste oog op de nood van de Jeruzalemse Christenen zagen, die ook arm waren. Zij zagen niet terzijde uit naar de behoeften van de volgende dag. “Wees niet bezorgd”, zo was het bij hen en hun kinderlijk bidden tot God in alle dingen (Fil. 4: 6) konden zij ook kruiden met dankzegging, dat zij heden nog iets over hadden, dat zij aan hun arme broeders konden mededelen.
Die in druk de geringe troost, die tijdelijke goederen geven, ondervonden heeft, die in velerlei omstandigheden de hulp van God heeft ervaren, zoals die van kanten komt, waarvan men het niet vermoedde, die is er geenszins op uit, om door bij elkaar houden van zijn vermogen zich een vastheid te maken, maar stort in eenvoudigheid de gaven over anderen uit en berust in Gods wonderbaar bestuur. Eigen nood, bezwaarlijke tijden worden vaak als voorwendsel gebruikt, dat men nalatig is in het uitoefenen van de liefde, maar het woord van God verandert het en maakt daaruit juist een drangreden.
Goeddadigheid is de gezindheid van het gemoed, dat vrij is van zelfzucht. Zij heeft geen andere gedachte dan om goed te doen en daarom, waar het te doen is om in enig opzicht wel te doen, is zij hetzelfde als toewijding (Jak. 1: 5). Dat de Apostel juist die naam kiest voor de deugd, die de uitnemendste Christenen bij gelegenheid van de collecte betoonden, daartoe zal hem de omstandigheid hebben geleid, dat de Achaïsche Christenen juist allerlei nevengedachten hadden, die een goed volbrengen van het op zichzelf zo eenvoudige werk verhinderden en die hun eigenlijke oorzaak hadden in gebrek aan die eenvoudigheid en goeddadigheid, die zichzelf uit het oog verliest en alleen over de zaak zelf denkt.
Want zij zijn naar vermogen, (ik betuig het) ja boven vermogen gewillig geweest, zodat zij niet eerst vermaand en gedrongen hoefden te worden.
a) Ons met vele vermaning biddend (vgl. Hand. 16: 15), toen wij het weigerden aan te nemen als teveel, dat wij wilden aannemen de gave van de liefde (1 Kor. 16: 3) en de gemeenschap van deze bediening, die voor de heiligen geschiedt (Hand. 11: 29. Rom. 15: 26).
2 Kor. 9: 1.
En zij deden niet alleen, zoals wij gehoopt hadden, zij gaven niet een beetje, zoals wij dat gemeend hadden, naar de weinige krachten hun verleend, maar zij gaven zichzelf eerst aan de Heere met alles wat zij hadden; zij stelden ook hetgeen zij voor eigen behoefte nodig hadden ter Zijner beschikking en gaven zich daarna aan ons, zij reikten ons alles over, wat zij konden, door de wil van God, die hen daartoe dreef.
Zodat wij Titus vermaanden, dat hij zich meteen naar Achaje zou begeven, omdat het niet nodig was hier in Macedonië verder te verzamelen, dat, zoals hij tevoren toen hij onder u was (Hoofdstuk 7: 7) begonnen had collecte te houden, hij ook zo nog deze inzameling van de gave (vs. 4) bij u voleinden zou, die nu naast andere aangelegenheden tot een goed einde zou brengen.
Men zal de Apostel wel mogen geloven, dat zich de Macedonische gemeenten met de bede, om aan de ondersteuning voor Jeruzalem deel te nemen, tot de Apostel hebben gewend, als hij op haar armoede lettende haar vrijstelde van hetgeen zij volgens vs. 4 begeerden. Men moet echter niet denken, dat dit nu pas zou zijn gebeurd, maar toen hij in Corinthiërs de eerste stoot had gegeven tot het houden van een collecte zullen ook deze gemeenten aan de ondersteuning hebben willen deelnemen, die, evenals vroeger in Galatië (1 Kor. 16: 1), zo ook nu uit Achaje aan de moedergemeente moest komen. Toen nu de Apostel tot de Macedonische gemeente kwam (Hoofdstuk 2: 13. Hand. 20: 1), was hij verwonderd over de grote gave, die hij reeds gereed vond liggen (vgl. 1 Kor. 16: 2). Zo zijn het dan twee zaken, die hij in hen heeft te roemen, als hij de Corinthiërs ten voorbeeld voorhoudt, niet alleen dat zij naar vermogen, ja boven vermogen, maar ook dat zij uit eigen beweging hadden deelgenomen aan hetgeen hij te Corinthiërs had aanbevolen. Dit voorbeeld was voor de Corinthiërs beschamend. De Christenen te Corinthiërs bevonden zich niet, zoals die in Macedonië, in de toestand, dat zij zich onder verdrukkingen staande moesten houden en bittere armoede lijden; maar zij waren er op uit om met de ongelovigen goede zaken te doen en zich in geldelijke zaken voor schade te behoeden; daarvoor ontbrak het hun nu ook aan hetgeen de Apostel in de gemeenten van Macedonië roemt en in het bijzonder zullen zij wel hebben erkend, dat zij bij zoveel gunstigere geldelijke toestand niet mochten roemen op goeddadigheid, zoals die bij hun geloofsgenoten in Macedonië was.
Naar vermogen geven is reeds zeldzaam, omdat de juistheid in het waarderen van wat in het vermogen is, zeldzaam is. Boven vermogen geven is nog zeldzamer, even zeldzaam als de liefde, die niet het hare zoekend, zichzelf ontbering oplegt en van het nodige opoffert.
In bijzondere omstandigheden kan de Christelijke liefde eisen de aalmoezen zo te geven, dat wijzelf behoefte lijden. Heeft u ook weinig of niets over, maar ziet u dat de behoefte van de naaste nog groter is dan uw eigen, dat u ook eerder en gemakkelijker dan hij kunt worden geholpen, dan bent u verschuldigd hem meteen te helpen.
Zo dan overtreft nu ook u mijn verwachting, die ik bij dit zenden van Titus jegens u heb, zoals u in alles wat tot de ware Christelijke staat behoort, overvloedig bent, in geloof (Hoofdstuk 1: 24) en in woord of bekwaamheid in het spreken en in kennis (vgl. Hoofdstuk 11: 16) en in alle naarstigheid tot beoefening van het praktisch Christendom en in uw liefde tot ons (Hoofdstuk 7: 7), zie, dat u ook in deze gave (vs. 5 en 6) overvloedig bent.
Ik zeg dit, wat ik zo-even van u vroeg, niet in een gesteldheid van het hart als was ik gebiedend om zo mijn apostolisch gezag te doen gelden, maar als door de naarstigheid van anderen, waarvan ik u zo- even heb meegedeeld (vs. 1), in de beoefening van de liefde tot de Heere en Zijn gemeenten, ook de oprechtheid van uw liefde beproevend; ik wil u in de gelegenheid stellen daarvan bewijzen te geven.
En op het aanwezig zijn van zodanige liefde ook bij u mag ik toch wel rekenen; want u weet de genade van onze Heere Jezus Christus, die Hij geopenbaard heeft in Zijn zelfverloochenende liefde, a) dat Hij, die heerlijkheid had bij de Vader eer de wereld was (Joh. 17: 5), omwille van u arm is geworden. Hij heeft, omdat Hij rijk was, bij Zijn menswording Zich ontledigd van Zijn goddelijke heerlijkheid (Fil. 2: 6 vv.) en dit opdat u door Zijn armoede, waarin Hij alles heeft volbracht wat tot zaligheid van de wereld nodig was, rijk zou worden in het bezitten van al de geestelijke zegen in hemelse goederen, die u ten deel is geworden (Efeze 1: 3. 1 Kor. 3: 22).
Luk. 9: 58.
De hoogste drang tot opoffering en mededelen ligt voor de Christenen in de ontlediging, in het arm geworden zijn van de Zoon van God omwille van ons, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden. Wij waren zo arm als bedelaars, wat betreft de geestelijke goederen en onbekwaam om ons uit die armoede op te heffen. Hij leefde in het bezit van de volheid van de goederen als de Zalige en Heerlijke in Gods gelijkheid. Van deze volheid nu heeft Hij geheel en al afstand gedaan, Hij is in onze armoede, in de toestand van het niets bezitten van het zondige schepsel ingetreden, zodat Hij in elk ogenblik van Zijn aardse bestaan, biddend, zoekend, aankloppend, van de Vader door de Geest, die Hem was gegeven, alles wat Hij behoefde, licht, kracht, moed, troost, verkwikking enz. ontving, in voortdurende afhankelijkheid. Dit was heilzaam voor ons, omdat Hij ieder ogenblik zich gewillig daarin overgaf. Door zo’n zelfopoffering heeft Hij het bezit van de geestelijke goederen, die verloren waren gegaan, doordat wij niet afhankelijk wilden zijn, weer willen verwerven en als Hij op deze weg van volkomen verloochening van hetgeen Hem oorspronkelijk toebehoorde, het weer bezitten als iets verdiends had verkregen, is Zijn rijkdom voor ons aanwezig, dat die ons eigendom wordt. Wat ons deze onwaardig maakte en deed verliezen, is door het werk van Jezus als ons Hoofd weer voor allen goed gemaakt. En die met oprechte verwerping van het gehele gedrag, dat die onwaardigheid heeft teweeggebracht, zich aan deze Jezus vertrouwend overgeeft, die hem het verlorene weer heeft gegeven, die komt dat werkelijk ten goede. Maar hij, die hiervan verzekerd is, en de grootheid van de liefde van de Zoon van God, die Zich voor hem, de doemwaardige zondaar, heeft opgeofferd en de grootheid van de goederen, die hij aan Hem te danken heeft, bedenkt, die wordt gewillig tot elke zelfopoffering voor de Heere. De vreugde over de grote zaligheid maakt Zijn hart wijd open om mee te delen, opdat hij de Heere, die Zich zo voor hem en voor velen heeft overgegeven, verkwikt in degenen, van wie Hij wil dat ze als Zijn broeders worden aangemerkt. Dan is hem niets te veel, hij kan niet genoeg doen en hij houdt het voor genade, als hij het mag doen. Hij laat zich niet lang bidden, maar biedt zichzelf daartoe aan en verre er van om angstig te berekenen, is hij, waar de nood het eist, bereid, ook boven vermogen te geven en zelfs af te nemen van hetgeen anders voor eigen behoefte wordt gehouden.
Onze toestand door de val buiten het verbond van de genade maakte het voor de zondaar even onmogelijk met God in gemeenschap te zijn, als het voor Belial is om met Christus samen te stemmen. Opdat echter de gemeenschap tot stand zou komen, was het nodig dat de rijke Losser Zijn bezittingen aan Zijn arme betrekkingen meedeelde; dat de rechtvaardige Heiland aan Zijn zondige broeders Zijn eigen volmaaktheid schonk, opdat wij, armen en schuldigen uit Zijn volheid genade voor genade zouden ontvangen. Door zo te geven en te ontvangen, daalde de een uit de hoogte en de ander verrees uit de diepte en zo waren zij in staat elkaar in ware en hartelijke gemeenschap te ontmoeten. De armoede moet, eer zij het wagen kan gemeenschap te houden, door Hem verrijkt worden, in wie oneindige schatten verborgen zijn en de schuld moet in medegedeelde en toegerekende gerechtigheid uitgedelgd wezen, eer de ziel met de volkomen reinheid gemeenschap kan houden, Jezus moet Zijn volk met Zijn eigen klederen bekleden, eer Hij hen in het paleis van Zijn heerlijkheid kan binnen laten; en Hij moet hen met Zijn eigen bloed rein wassen, anders zijn zij te zeer bevlekt voor de omhelzing van Zijn gemeenschap.
Rijkdom en armoede, telkens komt die schrille tegenstelling in allerlei vormen ons tegen en geen sterveling zeker, die zich in het bezit van de eerste verblijdt en vrijwillig de ontbering van de laatste in ernst voor zich zou verkiezen. Maar wie schetst ons dan de genade van de Heere Jezus Christus, waarop de Apostel de Corinthiërs wijst, om hen te wekken tot milde liefdebetoning; en wie peilt de volle zin van Zijn woord, waarin het Kerst-Evangelie als in één hoofdsom kan worden samengevat. Aan de éne kant wijst het op de Christus in Zijn oorspronkelijke rijkdom en Zijn vrijwillige armoede. Denkt u de wereld, die wij bewonen een ogenblik weg, de druppel hangt aan de emmer, het stofje aan de weegschaal nog niet, maar in de beginne was het Woord, dat bij God en zelf God was, geprezen in eeuwigheid. In de Zoon aanschouwt de Vader Zichzelf; Zijn kennis is Gods kennis Zijn macht Gods macht, Zijn rijkdom Gods rijkdom. Als Zich deze Hoogheerlijke zal openbaren op dit stipje van Zijn eigen schepping, waar zouden wij wel bij voorkeur Hem zoeken, in wat luister Hem bij voorkeur ons denken. Zeker allerminst in Bethlehem in de stal, in de kribbe en toch dat alles is nog slechts de aanvang van een vernedering, waarvan de weg langs allerlei trappen eindelijk afdaalt tot het kruis, tot de dood, tot het graf. Maar die vernedering, zij is geen lot slechts, maar daad van Zijn liefde; alleen omwille van ons, uit niets dan genade, kiest de Godmens voor Zichzelf, wat ieder kind van de mensen zeker als het hoogste toppunt van onheil zou afwijzen. En nu ten gevolge van die zelfvernedering, mogen wij aan de andere kant van de Christen gewagen in zijn oorspronkelijke armoede en zijn onschatbare rijkdom. Hoe arm wij oorspronkelijk zijn, als mensen niet slechts, maar als zondaars vooral gescheiden van de rijke volzalige God – wie heeft het nooit met schaamte en smart bij de enkele blik op zichzelf en in het ronde ontwaard? Maar God lof, de genade herstelt wat door de zonde teloor ging en het wonderwoord: “als niets hebbend en nochtans alles bezittend”, het wordt in gemeenschap met Christus straks de ervaring van elke gelovige. Immers, Hij aanvaardt onze armoede slechts daarom, opdat Hij Zijn rijkdom met de armsten zou delen en komt niet opdat Hij allereerst iets voor Zichzelf ontvangen, maar integendeel opdat Hij ons alles zou brengen. Door die armoede vereert Hij ons, want reeds Zijn verschijning in de mensheid strekt om haar op te heffen uit de diepte, waarin zij lag neergezonken. Door de armoede behoudt Hij ons, want met het kleed van Zijn volkomen gerechtigheid, dekt Hij onze geestelijke naaktheid en onreinheid voor God. Door die armoede trekt Hij ons, want juist Zijn kribbe en Zijn kruis hebben voor het heilbegerig hart een onweerstaanbaar vermogen, zoals zelfs geen Thabor, geen Olijfberg van heerlijkheid heeft. Door deze weergaloze zelfvernedering toch heeft Hij, zoals het zo schoon in het Formulier van het Nachtmaal is uitgedrukt, “de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegeningen vervullen zou. ” Nog eens, “zo lief heeft God de wereld gehad!”
En ik zeg, omdat volgens vs. 8 in de besproken zaak, de collecte geen sprake kan zijn van een gebod van mijn kant, in mijn mening (1 Kor. 7: 25); want dit, dat ik u met mijn raad terzijde sta, is u oorbaar, als die niet alleen het doen met het beginnen van de inzameling, maar ook het willen van over een jaar tevoren, reeds in het vorig jaar, toen ik in de zomer 56 na Christus met Titus op mijn tussenreis, van Efeze ondernomen, bij u was 1Co 1: 3, heeft begonnen. Toen kon in de Macedonische gemeenten nog van geen willen sprake zijn, doordat deze de zaak pas in de laatste tijd door mij ter sprake is gebracht (Hoofdstuk 9: 2).
Maar nu, nadat de gemeenten in Macedonië u zelfs met het doen zijn voorgekomen (vs. 2 vv,) voleindigt ook het doen, dat u reeds voor een jaar begonnen bent, door ijverig in te halen wat nog aan de inzameling ontbreekt, opdat, zoals er geweest is de volvaardigheid van het gemoed om te willen, er ook al zou zij het voleindigen uit hetgeen u heeft, naarmate van uw bezitting, want wat u tot hiertoe heeft gedaan (vs. 10), (de som van hetgeen u heeft opgebracht, staat nog ver beneden hetgeen u kan doen (Mark. 12: 44).
Een opbrengst boven uw vermogen, zoals dat bij de gemeenten in Macedonië heeft plaats gehad (vs. 4) wordt niet van u geëist: a) want als te voren de volvaardigheid van het gemoed daar is om te geven, zoals die gewilligheid zonder twijfel bij u bestaat, nadat u een jaar geleden reeds met het willen begonnen bent (vs. 10) b), zo is iemand, als hij nu tot het doen overgaat, aangenaam bij God, als hij nu overgaat tot het geven naar hetgeen hij heeft; tot dat welgevallig zijn aan God behoort echter niet, dat hij geeft naar hetgeen hij niet heeft, dat hij boven zijn vermogen weldoet (Hoofdstuk 9: 7).
Mark. 12: 43. Luk. 21: 3 b) Spr. 3: 28. 1 Petrus 4: 10.
Als wij nu spreken van een volbrengen (vs. 11), moet ik daarop aandringen, dat uw geven, zoals ik vroeger heb gezegd, geschiedt naar de maatstaf van uw bezitten. Ik wil hiermee u niet bezwaren, want dat zeg ik niet, ik eis niet zoveel voor de heiligen te Jeruzalem, opdat anderen, namelijk de heiligen te Jeruzalem, voor wie ik nu bij mijn gemeenten onder de heidenen collecteer, verlichting zouden hebben en u verdrukking. Het is niet, dat wij hun een gemakkelijk leven zouden willen bezorgen en u voor hen zouden willen laten arbeiden, of u door bijzondere uitgaven in moeilijkheid zouden willen brengen, wij wensenalleen die ondersteuning, opdat er enige evenredigheid in het dragen van lasten zij.
Het kan toch niet de wil van God jegens de gelovigen zijn, dat de één overvloed heeft, de ander gebrek, maar Hij wil dat de een de ander helpt. Daarom houden wij een inzameling, opdat uit gelijkheid, in deze tegenwoordige tijd, nu die gemeente in gebrek is, uw overvloed zij, om hun gebrek te vervullen. Die liefdebetoning moet wederkerig zijn en als ooit de omgekeerde verhouding mocht plaats grijpen, dat zij, de Christenen uit de Joden, zich in slechte omstandigheden mochten bevinden, terwijl de Christenen uit de heidenen in nood zijn, zo moet wederkerig hulp worden verleend, opdat ook hun overvloed dan zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid wordt; de één toch moet altijd de lasten van de anderen dragen zoals dat overeenkomstig de wil van God is.
Het moet ook in deze zijn zoals in Ex. 16: 18 geschreven is bij het bericht over het inzamelen van het manna: “Die veel verzameld had, had niet over en die weinig verzameld had had niet te weinig, maar dan elk werd door Gods leiding zoveel gegeven, als hij voor zich en zijn huisgenoten nodig had.
In deze tijd is het de Nieuw Testamentische gemeente in het heilige land, die gebrek lijdt; maar, zo geeft Paulus te kennen, er zal een tijd komen, wat omgekeerd dat deel, dat op het gebied van de wereld van de volken leeft, bijstand van deze zal ontvangen. Zo toch moet zijn woord worden opgevat, omdat hij niet de een maal gebrek en overvloed kan bedoelen aan hetgeen tot het lichamelijke leven en de andere keer aan hetgeen tot het geestelijke leven nodig is (vgl. Rom. 15: 27) en ook, omdat hij niet schrijven zou “in deze tegenwoordige tijd”, als hij niet aan een toekomst dacht, in welke het tegengestelde van deze tegenwoordige staat van zaken niet misschien mogelijk zou kunnen plaats hebben, maar werkelijk zal plaats hebben. Als datgene plaats heeft, waarvan hij in Hoofdstuk 3: 16 heeft gesproken, als Israël zich tot de Heere bekeerd zal hebben, dan zal er in het heilige land een gemeente van de Heere zijn, die zich in grotere voorspoed verheugt dan de heidense Christenen, die in de moeilijke tijd zijn, waarvan in 2 Thessalonicenzen. 2: 3 (in plaats van op deze plaats zou beter op Openbaring 11: 13 gewezen kunnen worden) gesproken wordt. Dan zal in zoverre een gelijkheid worden teweeg gebracht, dat het gedeelte van de Christenen, dat nu ontvangt, het gevende deel en dat wat nu geeft, het ontvangende zal zijn.
De lasteraars, die Paulus het bevoordelen van sommigen ten laste legden (Hoofdstuk 7: 2) zullen ook zeker wel zijn trouwe zorg voor Jeruzalem hebben verdacht gemaakt en de Corinthiërs hebben opgezet: u bedelt hij arm, om anderen de zakken te vullen. Daartegen schrijft hij (vs. 13): “dat is niet, opdat anderen verlichting zouden hebben en u verdrukking”. Nee, dat wil onze Heere Jezus Christus niet, merkt Luther hierbij op, dat ik met mijn goed mijzelf tot een bedelaar en de bedelaar tot een heer maak; maar ik moet medelijden hebben met zijn nood en hem helpen, zoveel ik kan, opdat de arme met mij eet en ik met de arme. “Uit gelijkheid” dat is de bedoeling van Paulus: hier zijn de wederdopers op losgestormd met hun verkeerdheid onder de naam van gelijkheid en ook heden ten dage noemen de vijanden van Gods orde en regeling, volgens welke er altijd rijken in armen op aarde zullen zijn, hun woeste gelijkmakerij met namen, die zij uit de bijbel en van de kerk stelen. De communistische en socialistische staat heeft niets gemeens met de gemeenschap der heiligen; waar die tot stand kwam was het werk van de liefde ten einde.
Liefde deelt mee, maar neemt ook niet te veel.
Zonder revolutie brengt de liefde vrijheid en gelijkheid teweeg een gemeenschap van goederen in de Geest.
Hoe goed zou het zijn, wanneer ieder zijn goederen wilde aanzien en behandelen als manna, meer als gave van God dan als vrucht van zijn arbeid, meer tot nooddruft dan tot genot, meer tot gebruik, dan om schatten te vergaderen!
Maar Gode zij dank, die dezelfde naarstigheid, die ik in mij heb, voor u in het hart van Titus gegeven heeft, die ik met deze brief tot u zend, om de zaak van de collecte ten uitvoer te leggen.
Dat hij, die naar zijn bescheidenheid niet zelfstandig daarin wil handelen, maar eerst een dringen van mijn kant verwachtte, de vermaning van mij, om dat werk op zich te nemen (vs. 6) heeft aangenomen. En zeernaarstig zijnde om die zaak te doen, heeft hij die dadelijk aanvaard, zodat hij gewillig tot u gereisd is, zoals u bij het ontvangen van deze brief duidelijk is.
De gedachte van de apostel bij deze woorden is deze: Titus bood zich wel niet aan, maar liet de vermaning tot zich komen en gaf daaraan gevolg. Eigenlijk had hij die niet nodig, omdat het zijn eigen vrije wil was, die zaak op zich te nemen.
Het is zeer liefelijk, wanneer de opdracht van de kerkelijke overheden zo wordt volvoerd als Titus deze opdracht van de apostel ten uitvoer bracht, namelijk met een hart, dat de aandrang in zichzelf vindt, die door God is gegeven en toch graag zich richt naar de regel, volgens welken de een aanmaant of oplegt en de ander volgt, beide die vermaant en die volgt in gehoorzaamheid aan God.
De woorden: “hij is gewillig tot u gereisd” schrijft de apostel, zich plaatsend op het standpunt van hen, die de brief ontvingen (vgl. Hand. 15: 27; 23: 30). Titus bracht die zonder twijfel zelf naar Corinthiërs over.
En wij hebben ook met hem gezonden de broeder Trofimus de Efeziër (Hand. 20: 4; 21: 29. 2 Tim. 4: 20. vgl. bij Hand. 19: 20), die lof heeft in het evangelie door al de gemeenten, dat hij veel tot bevordering van haar bedraagt.
En dat niet alleen beveelt hem aan, dat hij voor zichzelf een ijverig bewonderaar is van het rijk van God, maar hij is ook door de gemeenten in Azië verkoren, om met ons te reizen met deze gave (1 Kor. 16: 4. Rom. 15: 25 v.), die door ons bediend wordt tot de heerlijkheid van de Heere zelf en de volvaardigheid van uw gemoed.
Onder die reisgenoot van Titus verstonden Origenes, Hieronymus en andere oudere uitleggers, om de woorden: “die lof heeft in het evangelie door al de gemeenten”, dat zij verklaarden van de schrijver van een evangelie, Lukas. Vandaar is het onderschrift van deze brief zo veranderd, dat behalve Titus ook Lukas als overbrenger wordt genoemd. Die opvatting is echter verkeerd, omdat aan de ene kant het evangelie van Lukas toen nog niet bestond en aan de andere kant Lukas zelf in zo’n positie was, dat hij zeker niet meer een metgezel van Titus kon zijn. Om de laatste reden kan ook niet met Chrysostomus aan Barnabas worden gedacht. Volgens vs. 19 zijn wij meer beperkt tot de kring van de zeven mannen in Hand. 20: 4 genoemd, van welke om verschillende redenen de vijf eersten wegvallen, zodat alleen hier en in vs. 22 v. kan worden gedacht aan de beide anderen, Tychicus en Trofimus, beide uit Azië en deze zouden dan in het onderschrift in plaats van de daar genoemden Lukas moeten komen. Omdat het gezegde in vs. 22 zonder twijfel op Tychicus doelt, moet in vs. 18 aan Trofimus worden gedacht.
De apostel heeft het niet voor zijn roeping gehouden deze broeder te zenden zonder medewerking van de gemeenten. Zoals zij de gevers waren, zo moesten zij een werkzaam aandeel nemen aan de besteding en bezorging, dat door de keuze van een afgezondene plaats had. Hoe die keuze geschiedde weten wij niet, toch blijkt uit de aard van de zaak, dat als geen eenstemmige acclamaties volgden, de minderheid zich naar de meerderheid heeft gevoegd. Het heeft een grote schijn van geestelijkheid dergelijke zaken als werelds en juristisch te verachten en uit de kerk te bannen, maar de Schrift weet van zo’n trotse geestelijkheid niets, die zich verheft boven de uiterlijke orde, nodig voor de welstand van de kerk op aarde een geestelijkheid, meestal, om in plaats van de liefde, waarin de een zich graag aan de anderen onderwerpt een tirannie in te voeren, die het levende lichaam van de kerk verlaagt tot een machine, door enkele personen bestuurd.
Dit verhoedend, dat ons niemand mag lasteren in deze overvloed, die door ons wordt bediend. Terwijl wij met Titus nog een broeder zenden en wel tevens als afgevaardigde van de gemeente, waarbij dan nog een tweede komt (vs. 22), willen wij voorkomen, dat iemand ons zou beschuldigen van oneerlijkheid of ontrouw, die lastering te eerder zou kunnen ontstaan nu die opbrengst zo rijkelijk uitvalt.
Wij willen ons voor zo’n naam wachten, als die bezorgen hetgeen eerlijk is, volgens de grondstelling in Rom. 12: 17 uitgesproken, niet alleen voor de Heere, bij wie wij ook buiten dat bekend zijn (Hoofdstuk 5: 11), maar ook voor de mensen, opdat wij niemand aanleiding geven onze handeling te lasteren (Hoofdstuk 6: 3).
Een dienaar van Christus moet ook in de ogen van de mensen rein en zonder gebreken bevonden worden; hij moet daarom alles voorkomen wat tot lastering zou kunnen aanleiding geven.
Die tevreden met de getuigenis van zijn geweten zijn goede naam niet in acht neemt, is wreed jegens zijn naasten.
Het goede geweten, dat wij hebben, geeft ons nog geen recht onverschillig te zijn over het oordeel van de mensen. De regel van de apostel (1 Thessalonicenzen. 5: 22) is, dat wij ook elke schijn van het kwaad moeten mijden. Het verwaarlozen van dat voorschrift brengt niet alleen vaak zonder noodzakelijkheid de goede zaak in verdenking, die ook verstandige gemoederen op het dwaalspoor kan brengen, maar zij wordt gemakkelijk voor hem, die al te veel op zijn goed geweten bouwt een valstrik, die hem doet afwijken van het juiste pad van de christelijke zelfverloochening. Een goed geweten voor God te bewaren is een zaak van het geloof (1 Tim. 1: 19), maar ook de goede naam niet gering te achten, die integendeel met nauwgezetheid te bewaren is een eis van de christelijke ootmoed, waaraan zelfs een Paulus zich niet onttrekt.
Hetzij dan Titus, hij is in het werk, dat ik doe, mijn metgezel en medearbeider bij u (Hoofdstuk 1: 2 en “Ac 19: 20; hetzij onze broeders Tychicus en Trofimus (vs. 22 en 18), zij zijn afgezanten, afgevaardigden van de gemeenten en een eer van Christus, mensen, die Christus eer aandoen door hun wandel en hun werk, zodat u alle drie met die achting zult behandelen die aan hun waardigheid en verdienste toekomt.
Bewijst dan aan hen, aan deze broeders, de bewijzing van uw liefde en van onze roem van u. Betoon dat het goede, dat wij van u hebben gezegd (Hoofdstuk 7: 14; 9: 3) waarheid is geweest, ook voor het aangezicht van de gemeenten, doordat u een bijdrage schenkt tot de collecte, waarvan toch de gemeenten, waarmee de inzamelaars nader in aanraking zouden komen, bericht zullen ontvangen.
Er wordt hier gesproken van een vrijwillig voldoen aan de bepalingen, welke die drie zullen maken, om de inzameling ten einde te brengen. Omdat dit nu iets was, dat aan gemeenten, die enig deel aan de inzameling zouden nemen, ter kennis zou komen, was het geheel op zijn plaats, dat de apostel de lezers er niet alleen op wees, met wie zij te doen zouden hebben, maar ook daarop, dat voor de overige Christenen hun gedrag niet verborgen zou blijven.
Het is Paulus bepaald te doen om de gemeente te Corinthiërs mee te doen delen in de pinkstergave, die hij onder geleide van die zeven broeders (Hand. 20: 4) van het veld van de heidenen als een oogst naar Jeruzalem wenste te brengen Ac 20: 6. Deze collecte toch was voor hem meer dan een ondersteunen van de armen; hij zag daarin een feitelijk belijden van de Christenen, dat zij van één gezindheid en van één geloof waren. Daarom had hij er een welbehagen in, dat broeders uit Azië in Macedonië en Achaje dienden bij het verzamelen van de gelden en ook daardoor de gemeenten, die van elkaar waren verwijderd, in persoonlijke aanraking met elkaar kwamen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel