Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Daarom dewijl wij dezeG3778 bedieningG1248 hebbenG2192, naar de barmhartigheidG1653, dieG3778 ons geschied is, zo vertragenG1573 wij nietG3756;
Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zo vertragen wij niet;
KJV
Therefore seeing1
we have3
this
ministry,5
as7
we have received mercy,8
we faint10
not;9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
MaarG235 wij hebben verworpenG550 de bedekselenG2927 der schandeG152, nietG3361 wandelendeG4043 inG1722 arglistigheidG3834, noch het WoordG3056 GodsG2316 vervalsendeG1389, maarG235 door openbaringG5321 der waarheidG225 onszelvenG1438 aangenaamG4921 makende bijG4314 alleG3956 gewetensG4893 der mensenG444, in de tegenwoordigheidG1799 GodsG2316.
Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.
KJV
But1
have renounced2
the hidden things4
of dishonesty,6
not7
walking8
in9
craftiness,10
nor11
handling12
➔ the word14
of God16
deceitfully;
but17
by manifestation19
of the truth21
commending22
ourselves23
to24
every25
man's27
conscience26
in the sight28
of God.30
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
DochG1161 indien ookG2532 ons EvangelieG2098 bedektG2572 is, zo is het bedektG2572 inG1722 degenen, die verlorenG622 gaan;
Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan;
KJV
But2
if
our
gospel7
be
hid,5
it is
hid13
to9
them that are lost:11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
In dewelke de godG2316 dezer eeuwG165 de zinnenG3540 verblindG5186 heeft, namelijk der ongelovigenG571, opdat henG846 nietG3361 bestraleG826 de verlichtingG5462 van het EvangelieG2098 der heerlijkheidG1391 van ChristusG5547, Die het BeeldG1504 GodsG2316 isG1510.
In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is.
KJV
In1
whom2
the god4
of this
world6
hath blinded8
the minds10
of them which believe not,12
lest13
the light19
of the glorious23
gospel21
of Christ,25
who26
is
the image28
of God,30
should shine16
unto them.17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantG1063 wij predikenG2784 nietG3756 onszelvenG1438, maar ChristusG5547 JezusG2424, den HeereG2962; enG1161 onszelvenG1438, dat wij uw dienaarsG1401 zijn omG1223 Jezus'G2424 wil.
Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus' wil.
KJV
For2
we preach4
not1
ourselves,3
but5
Christ6
Jesus7
the Lord;8
and10
ourselves9
your
servants11
for13
➔ Jesus'14
sake.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
WantG3754 GodG2316, Die gezegdG2036 heeft, dat het lichtG5457 uitG1537 de duisternisG4655 zou schijnenG2989, is Degene, DieG3739 inG1722 onze hartenG2588 geschenenG2989 heeft, om te geven verlichtingG5462 der kennisG1108 der heerlijkheidG1391 GodsG2316 inG1722 het aangezichtG4383 van JezusG2424 ChristusG5547.
Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
For1
God,3
who2
commanded
the light8
to shine9
out of6
darkness,7
hath shined11
in12
our
hearts,14
to16
give the light17
of the knowledge19
of the glory21
of God23
in24
the face25
of Jesus26
Christ.27
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
MaarG1161 wij hebbenG2192 dezenG5126 schatG2344 inG1722 aardenG3749 vatenG4632, opdatG2443 de uitnemendheidG5236 der krachtG1411 zijG1510 van GodG2316, en nietG3361 uitG1537 ons;
Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons;
KJV
But2
we have1
this
treasure4
in6
earthen7
vessels,8
that9
the excellency11
of the power13
may be
of God,16
and17
not18
of19
us.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Als die inG1722 allesG3956 verdruktG2346 worden, dochG235 nietG3756 benauwdG4729; twijfelmoedigG639, dochG235 nietG3756 mismoedigG1820;
Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig;
KJV
We are troubled3
on1
every side,2
yet4
not5
distressed;6
we are perplexed,7
but8
not9
in despair;10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
VervolgdG1377, dochG235 nietG3756 daarin verlatenG1459; nedergeworpenG2598, dochG235 nietG3756 verdorvenG622;
Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven;
KJV
Persecuted,1
but2
not3
forsaken;4
cast down,5
but6
not7
destroyed;8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
AltijdG3842 de dodingG3500 van den HeereG2962 JezusG2424 inG1722 het lichaamG4983 omdragendeG4064, opdatG2443 ookG2532 het levenG2222 van JezusG2424 inG1722 ons lichaamG4983 zou geopenbaardG5319 worden.
Altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.
KJV
Always1
bearing about10
in7
the body9
the dying3
of the Lord5
Jesus,6
that11
the life14
also12
of Jesus16
might be made manifest21
in17
our
body.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantG1063 wij, die leven, worden altijdG104 in den doodG2288 overgegevenG3860 om JezusG2424' wilG2443; opdat ookG2532 het leven van JezusG2424 in ons sterfelijkG2349 vleesG4561 zou geopenbaardG5319 worden.
Want wij, die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus' wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.
Ook in dit vers
levenG2198
levenG2222
KJV
For we
which4
live5
are8
➔ alway1
delivered
unto6
death7
for9
➔ Jesus'10
sake,
that11
the life14
also12
of Jesus16
might be made manifest17
in18
our
mortal20
flesh.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Zo dan, de doodG2288 werktG1754 wel in ons, maarG1161 het levenG2222 inG1722 ulieden.
Zo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden.
KJV
So1
then3
death4
worketh7
in5
us,
but9
life10
in11
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Dewijl wij nuG1161 denzelfdenG846 GeestG4151 des geloofsG4102 hebben, gelijk er geschrevenG1125 is: Ik heb geloofdG4100, daarom heb ik gesprokenG2980; zo gelovenG4100 wij ookG2532, daarom sprekenG2980 wij ook;
Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook;
KJV
We having1
the same4
spirit5
of faith,7
according as8
it is written,10
I believed,11
and therefore12
have I spoken;13
we
also14
believe,16
and18
therefore17
speak;19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
WetendeG1492, datG3754 Hij, Die den HeereG2962 JezusG2424 opgewektG1453 heeft, ookG2532 ons doorG1223 JezusG2424 zal opwekkenG1453, enG2532 met ulieden daar zal stellenG3936.
Wetende, dat Hij, Die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met ulieden daar zal stellen.
KJV
Knowing1
that2
he which raised up4
the Lord6
Jesus7
shall raise up12
us
also8
by10
Jesus,11
and13
shall present14
us with15
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
WantG1063 alG3956 deze dingen zijn om uwentwil, opdatG2443 de vermenigvuldigdeG4121 genadeG5485, doorG1223 de dankzeggingG2169 van velenG4119, overvloedigG4052 worde ter heerlijkheidG1391 GodsG2316.
Want al deze dingen zijn om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig worde ter heerlijkheid Gods.
KJV
For2
all things3
are for4
➔ your
sakes,10
that6
the abundant9
grace8
might15
➔ through
the thanksgiving14
of many
redound
to16
the glory18
of God.20
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Daarom vertragenG1573 wij nietG3756; maarG235 hoewelG1499 onze uitwendigeG1854 mensG444 verdorvenG1311 wordt, zoG1487 wordt nochtans de inwendigeG2081 vernieuwdG341 van dagG2250 tot dagG2250.
Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.
KJV
For which cause1
we faint3
not;2
but4
though
our
outward8
man10
perish,11
yet12
the inward14
man is renewed15
day16
by6
day.18
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
WantG1063 onze lichteG1645 verdrukkingG2347, die zeer haast voorbijG3910 gaat, werktG2716 ons een gans zeer uitnemendG1519 eeuwigG166 gewichtG922 der heerlijkheidG1391;
Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid;
KJV
For2
our
light4
affliction,6
which1
is but for a moment,3
worketh15
for us
a far8
more exceeding10
and eternal12
weight13
of glory;14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Dewijl wij nietG3361 aanmerkenG4648 de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men nietG3361 ziet; wantG1063 de dingen, die men ziet, zijn tijdelijkG4340, maar de dingen, die men nietG3361 ziet, zijn eeuwigG166.
Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.
KJV
While2
➔ we
look
➔ not1
at
the things which are seen,5
but6
at the things which are9
➔ not8
seen:12
for11
the things which are seen17
are temporal;13
but15
the things which are
➔ not16
seen
are eternal.18
deze bediening
Namelijk niet der letter, noch des doods, maar des geestes en levens, waarvan in het voorgaande hoofdstuk, 2 Kor. 3:6 , enz. gesproken is.
Hertaald:
deze bediening
Namelijk niet de dienst van de letter en van de dood, maar van de Geest en van het leven, waarover in het voorgaande hoofdstuk gesproken is, 2 Kor. 3:6, enzovoort.
vertragen wij niet
Of, bezwijken, of blijven niet in gebreke; namelijk niettegenstaande al de zwarigheden, die ons in deze bediening overkomen, gelijk blijkt uit vs.10. Zie van dit woord ook Luc. 18:1 .
Hertaald:
vertragen wij niet
Of: bezwijken wij niet, of: blijven wij niet in gebreke; namelijk ondanks alle moeilijkheden die ons in deze dienst overkomen, zoals blijkt uit vers 10. Zie over dit woord ook Luk. 18:1.
verworpen
Gr. opgezegd, of afgezegd.
Hertaald:
verworpen
Grieks: opgezegd, of afgezegd.
de bedekselen der
Of, de bedekte schandelijkheden; waardoor hij verstaat de uitvluchten, oppronkingen en bedriegerijen der valse apostelen, die hunne predikingen naar de menselijke wijsheid wilden voegen, of naar de genegenheden der mensen, om die te behagen en hun eigen gemak en eer onderwijl met zulke bemantelingen te bevorderen, gelijk de volgende woorden verklaren.
Hertaald:
de bedekselen der
Of: de verborgen schandelijkheden. Hiermee bedoelt hij de uitvluchten, de opsmuk en de bedriegerijen van de valse apostelen. Zij wilden hun prediking aanpassen aan de menselijke wijsheid of aan de voorkeuren van de mensen, om die te behagen, en zo met dergelijke bedekkingen hun eigen gemak en eer bevorderen, zoals de volgende woorden verklaren.
aangenaam makende
Gr. recommanderende; namelijk dat wij daarin eenvoudig handelen.
Hertaald:
aangenaam makende
Grieks: aanbevelend; namelijk dat wij daarin eenvoudig handelen.
bij alle conscientiën der mensen
Namelijk die oprecht en met verstand oordelen.
Hertaald:
bij alle conscientiën der mensen
Namelijk zij die oprecht en met inzicht oordelen.
bedekt is, zo
Dat is, duister en vreemd schijnende is.
Hertaald:
bedekt is, zo
Dat is: als het duister en vreemd lijkt.
de God dezer eeuw
Dat is, de Satan, die door een rechtvaardig oordeel Gods over de ongelovige mensen zulke heerschappij verkrijgt, alsof hij een god van hen ware, en dien zij als hunnen god dienen. Zie Joh. 12:31 ; Ef. 2:2 , en Ef. 6:12 .
Hertaald:
de God dezer eeuw
Dat is: de satan, die door een rechtvaardig oordeel van God over de ongelovige mensen zulk een heerschappij krijgt, alsof hij een god van hen was, en die zij als hun god dienen. Zie Joh. 12:31; Ef. 2:2 en Ef. 6:12.
bestrale de verlichting
Of, schijne, lichte.
Hertaald:
bestrale de verlichting
Of: schijne, lichte.
het beeld Gods is
Namelijk niet alleen ten aanzien van Zijn goddelijke natuur, zijnde het eeuwige Woord en de wijsheid des Vaders, maar ook ten aanzien dat hij is God geopenbaard in het vlees, door wien Gods heerlijkheid, rechtvaardigheid, genade, wijsheid en macht ons in het Evangelie als in een spiegel worden uitgedrukt. Zie Kol. 1:15 ; Hebr. 1:3 .
Hertaald:
het beeld Gods is
Namelijk niet alleen met het oog op Zijn goddelijke natuur, waarin Hij het eeuwige Woord en de wijsheid van de Vader is, maar ook omdat Hij God is, geopenbaard in het vlees. Door Hem worden Gods heerlijkheid, rechtvaardigheid, genade, wijsheid en macht ons in het Evangelie als in een spiegel voorgesteld. Zie Kol. 1:15; Hebr. 1:3.
gezegd heeft
Dat is, bevolen heeft, namelijk in het begin der schepping, wanneer de duisternis de aarde bedekte; Gen. 1:3 .
Hertaald:
gezegd heeft
Dat is: bevolen heeft, namelijk in het begin van de schepping, toen de duisternis de aarde bedekte; Gen. 1:3.
in onze harten
Namelijk die ook duister en onwetend van nature waren. Hij spreekt hier inzonderheid van de apostelen, door wie dit licht daarna moest verbreid worden onder alle volken.
Hertaald:
in onze harten
Namelijk in onze harten, die van nature ook duister en onwetend waren. Hij spreekt hier in het bijzonder over de apostelen, door wie dit licht daarna onder alle volken verbreid moest worden.
geschenen heeft
Namelijk door Zijn Heiligen Geest.
Hertaald:
geschenen heeft
Namelijk door Zijn Heilige Geest.
in het aangezicht van
Dat is, de heerlijkheid Gods, die in het aanschijn van Mozes blonk en van hem werd bedekt, schijnt nu veel heerlijker in het aanschijn van Christus, en wordt van ons niet bedekt, maar ongedekt voorgesteld voor allen, om dezelven daardoor te verlichten.
Hertaald:
in het aangezicht van
Dat is: de heerlijkheid van God, die op het aangezicht van Mozes blonk en door hem bedekt werd, schijnt nu veel heerlijker op het aangezicht van Christus. Zij wordt door ons niet bedekt, maar onbedekt aan allen voorgehouden, om hen daardoor te verlichten.
schat
Namelijk van de kennis der heerlijkheid Gods in het aanschijn van Christus.
Hertaald:
schat
Namelijk de schat van de kennis van Gods heerlijkheid op het aangezicht van Christus.
aarden vaten, opdat
Dat is, wij zijn zwakke, verachte en tedere instrumenten in het midden van alle vervolgingen.
Hertaald:
aarden vaten, opdat
Dat is: wij zijn zwakke, verachte en breekbare werktuigen te midden van alle vervolgingen.
der kracht
Namelijk van dit Woord des Evangelies.
Hertaald:
der kracht
Namelijk van dit Woord van het Evangelie.
zij Godes,
Dat is, Gode alleen toegeschreven mag worden, gelijk die alleen uit God is en niet uit ons. Zie 2 Kor. 3:5-6 .
Hertaald:
zij Godes,
Dat is: alleen aan God toegeschreven mag worden, omdat zij alleen uit God is en niet uit ons. Zie 2 Kor. 3:5-6.
benauwd;
Namelijk alzo dat er geen uitkomst is. Anderszins wordt deze benauwing ook van de gelovige gezegd; Rom. 8:35 ; 2 Kor. 6:4 .
Hertaald:
benauwd;
Namelijk zo dat er geen uitkomst is. In andere zin wordt deze benauwing ook van de gelovige gezegd; Rom. 8:35; 2 Kor. 6:4.
de doding des
Dat is, het gevaar des doods om Christus' wil. Of, de vervolgingen en benauwdheden tot den dood toe, om Christus' wil en naar het voorbeeld van Christus, en die Christus ook rekent Zichzelven te geschieden, Hand. 9:4 , gelijk in vs.12 wordt verklaard.
Hertaald:
de doding des
Dat is: het gevaar van de dood om Christus' wil. Of: de vervolgingen en benauwdheden tot de dood toe, om Christus' wil en naar het voorbeeld van Christus, en die Christus ook rekent alsof zij Hemzelf overkomen, Hand. 9:4, zoals in vers 12 verklaard wordt.
het leven van Jezus
Dat is, de levendmakende kracht van Christus en Zijns Geestes, die zich in onze bediening alhier openbaart en hiernamaals tot onze verlossing ten volle zal openbaren, gelijk ook vs.12 verklaart. Zie Rom. 8:10-11 .
Hertaald:
het leven van Jezus
Dat is: de levendmakende kracht van Christus en van Zijn Geest, die zich hier in onze dienst openbaart en hierna tot onze verlossing ten volle zal openbaren, zoals ook vers 12 verklaart. Zie Rom. 8:10-11.
de dood werkt
Dat is, het gevaar des doods hangt ons gedurig boven het hoofd en werkt in ons door de kracht van Christus tot meerderen ijver tot naarstige uitvoering van onze bediening.
Hertaald:
de dood werkt
Dat is: het gevaar van de dood hangt ons voortdurend boven het hoofd en werkt in ons, door de kracht van Christus, een grotere ijver om onze dienst nauwgezet uit te voeren.
het leven in
Dat is, maar gij wordt door onzen dienst en al onze verdrukkingen en doodsgevaren in het leven des Geestes meer en meer versterkt, alzo dat zelfs al deze benauwdheden, die ons overvallen, u ten goede komen en tot het leven gedijden.
Hertaald:
het leven in
Dat is: maar u wordt door onze dienst en door al onze verdrukkingen en doodsgevaren meer en meer versterkt in het leven van de Geest. Zo komen zelfs al deze benauwdheden die ons overvallen u ten goede en dienen zij tot het leven.
denzelfden geest
Dat is, hetzelfde geloof door denzelfden Geest, die alle gelovigen, zo des Ouden als des Nieuwen Testaments, deelachtig zijn; 1 Petr. 1:11 .
Hertaald:
denzelfden geest
Dat is: hetzelfde geloof door dezelfde Geest, waaraan alle gelovigen deel hebben, zowel die van het Oude als die van het Nieuwe Testament; 1 Petr. 1:11.
Ik heb geloofd,
Dit spreekt David Ps. 116:10 , wanneer hij, in vele zwarigheden zijnde, zijn vertrouwen van zijne verlossing heeft betuigd, of wanneer hij, in vele zwarigheden zijnde, het betrouwen, dat hij op God ook in het toekomende had, voor een iegelijk heeft beleden.
Hertaald:
Ik heb geloofd,
Dit spreekt David in Ps. 116:10. Hij deed dat toen hij in veel moeilijkheden was en zijn vertrouwen op zijn verlossing betuigde, of toen hij in veel moeilijkheden voor ieder beleed dat hij ook voor de toekomst op God vertrouwde.
spreken wij ook;
Dat is, belijden en prediken voor een ieder hetgeen wij geloven.
Hertaald:
spreken wij ook;
Dat is: wij belijden en prediken voor ieder wat wij geloven.
en met ulieden daar
Namelijk ten uitersten dage, wanneer Christus zal verschijnen op Zijn rechterstoel; Ef. 5:27 .
Hertaald:
en met ulieden daar
Namelijk op de laatste dag, wanneer Christus zal verschijnen op Zijn rechterstoel; Ef. 5:27.
al deze dingen zijn
Namelijk die ik verhaald heb van de gevaren des doods over ons en van de wonderlijke verlossingen, die God daarop geeft.
Hertaald:
al deze dingen zijn
Namelijk de dingen die ik verteld heb over de doodsgevaren die ons overkomen en over de wonderlijke verlossingen die God daarop geeft.
de vermenigvuldigde
Namelijk die Hij bewijst in onze wonderbaarlijke verlossingen tot uwe vertroosting en stichting, en tot verbreiding van Gods eer, door uwe dankzeggingen voor ons.
Hertaald:
de vermenigvuldigde
Namelijk de genade die Hij bewijst in onze wonderlijke verlossingen, tot uw troost en opbouw, en tot verbreiding van Gods eer door uw dankzeggingen voor ons.
uitwendige mens
Gr. de mens buiten; dat is ons lichaam, met onze lichamelijke sterkte, gezondheid en uitwendigen welstand.
Hertaald:
uitwendige mens
Grieks: de mens buiten; dat is: ons lichaam, met onze lichamelijke kracht, gezondheid en uiterlijke welstand.
de inwendige vernieuwd
Gr. de mens binnen; dat is de ziel, door Gods Geest vernieuwd zijnde, wordt dagelijks in het midden van deze zwarigheden meer en meer vernieuwd en gesterkt.
Hertaald:
de inwendige vernieuwd
Grieks: de mens binnen; dat is: de ziel. Door Gods Geest vernieuwd, wordt zij te midden van deze moeilijkheden dagelijks meer en meer vernieuwd en gesterkt.
lichte verdrukking,
Gr. het licht, of de lichtigheid onzer verdrukking. Dit zegt de apostel niet, omdat de verdrukking in zichzelve licht is, maar omdat de Heere haar, door de versterking en troost Zijns Geestes, ons licht maakt. Zie Rom. 5:3 , en Rom. 8:37 .
Hertaald:
lichte verdrukking,
Grieks: het lichte, of de lichtheid van onze verdrukking. Dit zegt de apostel niet omdat de verdrukking in zichzelf licht is, maar omdat de Heere haar door de versterking en de troost van Zijn Geest voor ons licht maakt. Zie Rom. 5:3 en Rom. 8:37.
die zeer haast
Namelijk gelijk ons leven niet lang is. Want na dit leven worden alle tranen van onze ogen gewist; Openb. 7:16-17 .
Hertaald:
die zeer haast
Namelijk omdat ons leven niet lang is. Want na dit leven worden alle tranen van onze ogen gewist; Openb. 7:16-17.
werkt ons een gans
Dat is, brengt voort, niet uit enige verdienste, maar uit enkel genade, om Christus' wil; Rom. 8:17-18 . Gr. een eeuwig gewicht der heerlijkheid, naar uitnemendheid tot uitnemendheid.
Hertaald:
werkt ons een gans
Dat is: brengt voort, niet uit enige verdienste, maar uit louter genade, om Christus' wil; Rom. 8:17-18. Grieks: een eeuwig gewicht van heerlijkheid, van uitnemendheid tot uitnemendheid.
aanmerken
Namelijk als op een wit waarnaar wij trachten, gelijk het Griekse woord eigenlijk medebrengt.
Hertaald:
aanmerken
Namelijk als op een doel waarnaar wij streven, zoals het Griekse woord eigenlijk inhoudt.
die men ziet,
Dat is, de wereldse eer of oneer, gemakken en ongemakken dezes levens, die wij dagelijks voor onze ogen zien.
Hertaald:
die men ziet,
Dat is: de wereldse eer of oneer, het gemak en het ongemak van dit leven, die wij dagelijks voor onze ogen zien.
die men niet ziet;
Namelijk door de ogen des lichaams, dat is, de geestelijke en hemelse heerlijkheid en vreugde, die beloofd is, en die wij geloven en hopen, waarvan hij breder handelt in 2Co 5 . Zie Hebr. 11:1 .
Hertaald:
die men niet ziet;
Namelijk met de ogen van het lichaam. Dat is: de geestelijke en hemelse heerlijkheid en vreugde die beloofd is, en die wij geloven en hopen, waarover hij uitvoeriger spreekt in 2 Kor. 5. Zie Hebr. 11:1. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Nadat Paulus beschreven heeft hoe God, Die het licht uit de duisternis deed schijnen, ook in de harten van de gelovigen geschenen heeft "om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus" (2 Kor. 4:6), voegt hij toe: "wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons" (2 Kor. 4:7). Ondanks verdrukking van alle kanten verliest hij de moed niet, want "hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag" (2 Kor. 4:16); de lichte, voorbijgaande verdrukking werkt "een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid" (2 Kor. 4:17), voor wie niet aanmerkt "de dingen, die men ziet" maar "de dingen, die men niet ziet" (2 Kor. 4:18). Bijbelse betekenis: De zwakheid en broosheid van de dienstknecht — een gewoon, breekbaar aarden vat, zoals in het Oosten voor huishoudelijk gebruik — is met opzet zo, opdat niemand de kracht van het Evangelie aan de prediker zelf zou toeschrijven. Gods kracht komt juist te voorschijn in en door menselijke zwakheid, niet ondanks haar (een lijn die in hoofdstuk 12 nog scherper wordt getrokken, zie Doorn in het vlees). Typologie: Ditzelfde beeld — een breekbaar, aards vat waaruit licht te voorschijn komt zodra het breekt — beleeft Gideons leger: "Alzo kwam Gideon, en honderd mannen, die met hem waren, in het uiterste des legers, in het begin van de middelste nachtwaak, als zij maar even de wachters gesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken, die in hun hand waren, in stukken" (Richt. 7:19). Pas wanneer de kruiken breken, komt het licht van de fakkelen zichtbaar: "en zij hielden met de linkerhand de fakkelen, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van den HEERE, en van Gideon!" (Richt. 7:20). 2 Kor. 4:6-7,16-18 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De Engel des HEEREN niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Paulus heeft in het vorige hoofdstuk geschreven over Mozes, die een deksel op zijn aangezicht legde omdat de glans erop verdween. Nu trekt hij dat door naar wat er in het Evangelie te zien is, en waar. De heerlijkheid van God is te zien, en er wordt bij gezegd waar: in een gezicht. Het gedeelte begint met een verklaring waarom niet iedereen ziet. Het Evangelie is niet duister; het is bedekt in wie verloren gaat. De kanttekening zegt van wie hier de god dezer eeuw genoemd wordt: de satan, die door een rechtvaardig oordeel Gods zulke heerschappij over ongelovige mensen krijgt dat hij als hun god is. En wat zij dan niet zien, wordt in één woordgroep gezegd: de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, “Die het Beeld Gods is.” De kanttekening werkt dat naar twee kanten uit. Het geldt Zijn Goddelijke natuur, als het eeuwige Woord. En het geldt Hem als God geopenbaard in het vlees, door Wie Gods heerlijkheid, genade, wijsheid en macht ons in het Evangelie als in een spiegel worden voorgesteld. Dan komt het vers waar deze post om draait, en het is één zin met twee helften die eeuwen uit elkaar liggen: “Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus.” De eerste helft gaat terug naar de derde zin van de Bijbel: “En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.” Er was toen niets om mee te beginnen; het licht kwam er doordat Hij sprak. De tweede helft zegt dat Dezelfde dat nog eens gedaan heeft, en waar: in harten die van nature even donker waren. En het licht dat er dan valt, valt ergens op — op een aangezicht. Daar raakt dit hoofdstuk aan de lange lijn van de verschijningen. Door heel het Oude Testament heen was de vraag of God gezien kon worden. Mozes vroeg erom en kreeg te horen dat geen mens Hem zien kan en leven. Hij kreeg wel iets: toen hij van de berg kwam glinsterde het vel van zijn aangezicht, zó dat het volk niet durfde naderen, en hij deed er een deksel over. Dat is het beeld waarmee Paulus in het vorige hoofdstuk werkte, en hier is het antwoord. Het licht van Gods heerlijkheid is niet minder geworden, maar het staat nu in een menselijk gezicht dat men aan kon kijken. Wie Hem gezien had, hoefde niet weg te kijken. En dan het vers erna, dat de zaak op zijn plaats zet: wij hebben deze schat in aarden vaten. Het licht is niet van de dragers. Een aarden kruik is goedkoop en breekt, en juist daarom ziet men dat de uitnemendheid der kracht van God is en niet uit ons. In het Nieuwe Testament: Genesis 1:3; Exodus 33:20; Exodus 34:29-30; 2 Korintiers 3:13; Kolossenzen 1:15; Johannes 1:18 Hoever dit reikt: Dat Paulus met het aangezicht van Christus op Zijn menselijke natuur doelt, blijkt uit de tegenstelling met het aangezicht van Mozes in het vorige hoofdstuk. Hoe dat zien zich verhoudt tot het woord dat niemand ooit God gezien heeft, wordt hier niet uitgelegd. De kanttekening verstaat het schijnen in de harten als een werk van de Heilige Geest.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas De dingen die men niet ziet … 2 Korinthe 4:18 Tijdens je pelgrimsreis is het het beste om je blik vooruit te richten. Voor jou ligt de kroon,… Wij worden vervolgd, maar niet verlaten. 2 Korinthe 4:9 Vervolging zal altijd je liefde voor Jezus op de proef stellen. Maar juist daarin ligt iets kostbaars verborgen: als… En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zei Hij tegen hen: Hebt u hier iets te eten? (Lukas 24:41) Lees verder 2 Korinthe 4:1—6.… Leg dan af alle slechtheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij. En verlang vurig, als pasgeboren kinderen, naar de zuivere melk van het Woord, opdat u daardoor… Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook; Wetende, dat… Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid; 2 Korintiers 4:17 We denken dat we het moeilijk… Dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" De dingen die men niet ziet… 2 Korinthe 4 vers 18 Tijdens onze pelgrimsreis als christen is het meestal goed om… Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet: want de dingen, die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen, die… Dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die… In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft 2 Korinthe 4:4 Mensen blind maken is een afschuwelijke praktijk, te akelig om er iets over te zeggen. Behalve… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
2 Korinthe 4
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
In het aangezicht van Jezus Christus — 4:3-7
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
De onzichtbare beloning
Blijmoedig ondanks vervolging
Te mooi om waar te zijn?
Wees oprecht
Trofeeën van Christus
De drager van de Banier
Gevoelig
Dingen die men niet ziet
Ijdelheden en waarheden
Gefundeerd
Verblind door satan


2 Korinthe 4
2 Korinthe 4:1
Kruisverwijzingen2 Thessalonicenzen 3:13→Galaten 6:9→2 Korinthe 4:16→1 Korinthe 7:25→Openbaring 2:3→Efeze 3:13→2 Korinthe 3:6→1 Timotheüs 1:13→— Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zo vertragen wij niet;
Streng was de arbeid van de apostelen. Maar zij voelden dat hun werk zo allesoverheersend, zo goddelijk was, dat zij er niet moe van mochten worden, al waren zij er ongetwijfeld dikwijls moe van.
2 Korinthe 4:2
Kruisverwijzingen2 Korinthe 2:17→2 Korinthe 5:11→1 Korinthe 4:5→1 Thessalonicenzen 2:3→Romeinen 6:21→2 Korinthe 11:13→Efeze 5:12→2 Korinthe 7:14→— Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.
Het behoort niet tot de taak van Christus’ dienaren de waarheid die Hij hun heeft toevertrouwd te wijzigen. Zij mogen er geen nieuwe betekenissen in leggen die God nooit bedoeld heeft, zodat het levensbloed van het Evangelie wegvloeit en het dood en nutteloos achterblijft. Het is zowel onze plicht als ons voorrecht haar te verkondigen precies zoals wij haar aantreffen. Wij moeten haar in zo eenvoudig mogelijke taal verkondigen, opdat ieder mag begrijpen wat Gods leer werkelijk inhoudt.
2 Korinthe 4:3
Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:18→2 Korinthe 3:14→1 Timotheüs 1:11→2 Thessalonicenzen 2:9→2 Korinthe 4:4→Romeinen 2:16→Mattheüs 11:25→1 Thessalonicenzen 1:5→— Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan;
Het was niet verborgen onder fraaie taal en welsprekende versieringen van de kant van de apostelen. Er was een veel verschrikkelijker hindernis in de weg voor de toegang ervan tot de harten van sommigen die het hoorden.
2 Korinthe 4:4-7
KruisverwijzingenJohannes 12:40→Jesaja 60:2→2 Korinthe 5:1→2 Korinthe 4:6→2 Petrus 1:19→2 Korinthe 3:5→2 Korinthe 3:14→Jesaja 6:10→— In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is. Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus' wil. Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons;
Er is niets bijzonders aan ons; wij zijn in onszelf arme, broze, breekbare schepselen, als aarden vaten zonder bijzondere waarde. Toch betreuren wij dat niet, want daar is een goede reden voor.
2 Korinthe 4:7-10
Kruisverwijzingen2 Korinthe 5:1→2 Korinthe 3:5→Efeze 2:8→2 Korinthe 7:5→Klaagliederen 4:2→Romeinen 6:5→Psalmen 56:2→Romeinen 8:35→— Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons; Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig; Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven; Altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.
Wie een gemakkelijk leven wil, moet geen dienaar van het Evangelie worden. Is hij vastbesloten het getrouw, volledig, eenvoudig, recht uit zijn hart te prediken, dan zal hij zich vaak in zulke omstandigheden bevinden als de apostel in deze verzen beschrijft.
2 Korinthe 4:11
KruisverwijzingenRomeinen 8:36→Psalmen 44:22→2 Korinthe 5:4→1 Korinthe 15:53→Romeinen 8:11→Psalmen 141:7→1 Korinthe 15:31→1 Korinthe 15:49→— Want wij, die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus' wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.
De apostelen stonden altijd vooraan, waar de kogels het dichtst en het dodelijkst vlogen; daar stonden zij, de officieren van het leger van Christus. Paulus verheugde zich dat hij zichzelf zo tot niets kon maken, opdat Christus het grote Alles-in-allen zou zijn.
2 Korinthe 4:12
Kruisverwijzingen2 Korinthe 13:9→1 Korinthe 4:10→1 Johannes 3:16→Filippenzen 2:30→Filippenzen 2:17→Handelingen 20:24→2 Korinthe 12:15→— Zo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden.
Zolang Paulus het middel kon zijn tot de zaligheid van de zielen van mensen, gaf hij er niet om wat er van hemzelf werd. Al zou het zijn dood betekenen, Hij rekende het voor niets, als het hun het leven maar zou brengen.
2 Korinthe 4:13-14
KruisverwijzingenPsalmen 116:10→1 Thessalonicenzen 4:14→2 Korinthe 3:12→1 Korinthe 12:9→Judas 1:24→Efeze 5:27→2 Petrus 1:1→Kolossenzen 1:22→— Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook; Wetende, dat Hij, Die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met ulieden daar zal stellen.
Let op de zekerheid van de apostolische prediking en het apostolische schrijven. Er is hier geen ‘als’, geen aarzeling, geen twijfel. De apostelen wisten wat zij geloofden, en wisten waarom zij het geloofden, en zij spraken met de klank van overtuiging; niemand werd door hun aarzeling tot twijfel gebracht.
2 Korinthe 4:15-16
KruisverwijzingenJesaja 40:31→Kolossenzen 3:10→2 Korinthe 4:1→Romeinen 7:22→Romeinen 12:2→Romeinen 8:28→2 Korinthe 1:11→2 Korinthe 9:11→— Want al deze dingen zijn om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig worde ter heerlijkheid Gods. Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.
Paulus had eerder gezegd dat zij niet vertraagden, en nu herhaalt hij dat. Al was zijn bediening genoeg om hem neer te drukken en in het stof te vellen, hij vertraagde toch niet.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Daarom omdat wij deze bediening hebben, die in vs. 7-11 is beschreven, naar de barmhartigheid, die ons geschied is in onze roeping, om predikers van het Evangelie te zijn (1 Kor. 15: 9. Efeze. 3: 8. 1 Tim. 1: 12 vv., zo vertragen wij niet alles te doen om getrouw bevonden te worden. Wij doen wat ons ambt ons oplegt en laten het niet ontbreken aan een wandel, de apostel waardig.
Maar wij hebben verworpen de bedeksels van de schande. Wij versmaden alle vleierij en verkeerde middelen, om onszelf ingang te verschaffen, niet wandelend inarglistigheid, zoals dat indringers en valse leraars doen, die het verstaan, om allen alles te zijn en van alles alles te maken (1 Thess. 2: 5). Noch ook prediken wij, het woord van God vervalsend, zoals zij het goddelijke met het menselijke dooreenmengen, het Evangelische met het Judaïstische (Hoofdstuk 2: 17). Wij zijn van die geest en wandel niet, maar wij gaan tot de mensen door openbaring van de waarheid, in vrijmoedige verkondiging van het Evangelie (Hoofdstuk 3: 12), onszelf a) aangenaam makend bij alle geweten van de mensen in de tegenwoordigheid van God (1 Thess. 2: 2 vv.).
2 Kor. 6: 4.
Paulus komt nu van de heerlijkheid van het Evangelie en de bediening daarvan op zichzelf, de dienaar van dat Evangelie en op de manier, waarop hij het bedient en die daarmee overeenstemt; hij komt dus terug op zijn zelfverdediging en de aanbeveling.
Met het woord “daarom” in vs. 1 wordt gezegd, waarom een bedienaar van het ambt, in het vorige hoofdstuk beschreven, niet moe kan worden; de heerlijkheid ervan laat het niet toe. In het daarop volgende vers, waar de apostel de manier van zijn ambtsbediening tegenover het gedrag van anderen nader karakteriseert, is de periode in het Grieks zo gebouwd, dat als hoofdzin vooraan staat: “Wij hebben verworpen de bedekselen van de schande”, terwijl door de beide participia wordt gezegd op welke manier men dergelijke schande kon bedrijven, die de apostel verwerpt; door het derde participium stelt hij zijn eigen gedrag daar tegenover. In de hoofdzin zegt Paulus: “wij hebben verworpen enz. “, niet alsof dat eerst zou zijn geschied, nadat hij daarin een tijd had geleefd, men verwerpt ook een zaak, als men die dadelijk afwijst en deze is hier de bedoeling. Bij “bedekselen van de schande” moeten wij niet aan verkeerdheden denken van die aard, zoals die in Rom. 1: 27; 13: 13 genoemd, maar aan zo’n bedienen van het ambt, dat dit het daglicht moet schuwen, dat men er zich over moest schamen. Er volgen dadelijk voorbeelden van zo’n gedrag in de beide zinnen: “niet wandelend in arglistigheid”, d. i. wij dringen ons niet op listige manier in, noch hebben bij onze ambtsbediening eergierige en winstbedoelende plannen, “noch het woord vervalsend. ” Van dat alles zegt Paulus, hebben wij ons onthouden en wij bevelen ons nu aan en maken ons aangenaam door openbaring van de waarheid bij alle gewetens van de mensen, in de tegenwoordigheid van God. Anderen (Paulus’ tegenstanders, Hoofdstuk 2: 17; 11: 3 vv. 2. 17) hebben vele kunsten nodig om zich aan te bevelen; wij gebruiken tot onze aanbeveling geen enkel middel, wij maken de waarheid openbaar; en met deze bekendmaking van de waarheid en de prediking van het Evangelie bevelen wij ons aan ieder menselijk geweten aan; wij vleien de mensen niet in hun begeerlijkheden, wij nemen hun onreine bewegingen niet in onze dienst, maar proberen hun geweten wakker te maken. Als Paulus nog daarbij voegt: “in de tegenwoordigheid van God”, dan is dat hier, zoals in Hoofdstuk 2: 17, een beroep op de reinheid en de waarheid van zijn gehele gedrag, waarbij hij God steeds voor ogen heeft en weet, dat hij door Hem wordt gezien en nauwkeurig nagegaan.
De prediking van Christus wendt zich tot het geweten van alle mensen, er aanspraak op makend om erkend te worden voor hetgeen het is: goddelijke waarheid. In het geweten van ieder mens is sterker of zwakker een weten van hetgeen God eist en verbiedt (vgl. Nederl. Geloofsbelijdenis Art. 14 zie NGBEL 14). Daardoor vindt de openbaring van de waarheid door het Evangelie in ieder geweten een getuige voor zich, waartoe het spreekt, zodat het ja zegt op de verkondiging van de waarheid en waar zo’n ja wordt geweigerd, volgt het gericht van God over hen, die de leugen liefhebben in het onuitwisbaar hun ingebrande weten van de boosheid van hun ongeloof.
Is er ook een zedelijk verstaan bij andere mensen, zodat men zich op de indruk kan beroepen, die men maakt, toch is al het menselijke bedrieglijk. Daarom beroept Paulus zich op God zelf als de getuige van zijn oprechte gezindheid en handelwijze.
Maar als ook ons Evangelie, het Evangelie, zoals wij het verkondigen, vrij gemaakt van de grenzen van de wet, bedekt is, hetgeen zeker in zeker opzicht het geval is, zo is het bedekt in degenen, in de kring van hen (Hoofdstuk 2: 15), die verloren gaan (1 Kor. 1: 18. 2 Thess. 2: 10).
Waarin de god van deze eeuw, de duivel (Joh. 12: 31; 14: 30), die zich overal de ware God, de Schepper en Verlosser in de weg stelt, a) de zinnen verblind heeft, die zij aan zijn inwerking hebben overgegeven (Hand. 26: 18), namelijk, van de ongelovigen, opdat hen niet bestraalt de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, het licht, dat ook in de staat van Zijn vernedering overal doordringt (Joh. 1: 14) en zich in de staat van Zijn verhoging zo duidelijk openbaart, het licht van Christus, b) die het beeld van God is (1 Kol. 1: 15. Hebr. 1: 3). En door de verduistering van de satan is nu dat licht zo goed als niet aanwezig.
Jes. 6: 10. b) Filipp. 2: 6.
Tegen hetgeen Paulus zo-even van zich en zijn medehelpers beweerde: “wij maken onszelf aangenaam door openbaring van de waarheid bij alle gewetens van de mensen, in de tegenwoordigheid van God” kon worden gezegd: en toch is uw Evangelie bedekt (de uitdrukking lag nog vers in de herinnering uit Hoofdstuk 3: 14) en wordt door zovelen niet als waarheid erkend! Daarom gaat de apostel voort: of is het ook dat dit zo is, zoals dat moet worden toegegeven, zo betrof dat toch alleen degenen, die verloren gaan, die de duivel verblind heeft en kon dus die bewering niet omverstoten. Het is het zoeken en werken van de duivel om de gezindheid van de ongelovigen voor het licht van het Evangelie te verblinden en dit karakteristiek werk heeft hij reeds volvoerd in degenen, die verloren gaan; in hun zielen is zijn duivelse arbeid, om de zintuigen te verblinden, gelukt.
Het woord “ongelovigen” is een ander woord voor “die verloren gaan” en stelt, terwijl hun verblinding aan de satan wordt toegeschreven, op de voorgrond dat het ongeloof hun schuld is, als een tegenstreven tegen het geestelijke en goddelijke.
Paulus noemt de satan “de vorst van deze wereld”, omdat de goddeloze wereld hem als afgod vereert, hem blindelings volgt, zich zo aan hem overgeeft, als was hij de waarachtige levende God. Door deze verblinding zien zij het licht niet, ofschoon het Evangelie de heerlijkheid van Christus verkondigt en Christus het evenbeeld van God zelf is; niet, zoals Mozes en de profeten, zijn ten dele door Hem verlichte boden. Christus is voor ons inzonderheid Gods evenbeeld, omdat Hij ons God geheel en al openbaart, niets duisters in Hem overlaat, wat Hij ons niet toonde, zodat wie Hem ziet, de Vader ziet.
Ik heb het nooit kunnen geloven, dat de duivel heer en vorst van deze wereld zou zijn, totdat ik het nu vrij wel heb ervaren, dat het ook een artikel van het geloof is: “vorst van de wereld, god van deze tijd. ” Het wordt wel niet geloofd door de mensenkinderen en ik geloof het ook maar zwak; want een ieder heeft in zijn manier van handelen een behagen en allen hopen, dat de duivel aan de andere kant van de zee is en een god, die wij in onze macht hebben. Maar omwille van de uitverkorenen, die zalig zullen worden, moeten wij leven, prediken, schrijven, alles doen en lijden. Als men onder de duivels en de valse broeders aanzit, zou het beter zijn geweest, niet gepredikt, geschreven, gedaan te hebben, maar snel gestorven en begraven te zijn. Zij keren toch alle dingen om en lasteren ze en zij verwekken ergernis en schade daarmee, zoals de duivel ze leidt.
De god van deze wereld bedriegt de ongelovigen ten opzichte van de waarachtige, eeuwige God, die Zijn onzichtbaar wezen eeuwig heeft aanschouwd en tot heil en leven heeft doen zichtbaar worden in Christus Jezus, Zijn lieve Zoon.
Dat de apostel er bijvoegt: “die het beeld van God is”, geschiedt aan de ene kant om te herinneren, hoe groot de heerlijkheid is van de Heiland van de wereld en aan de andere kant om te doen zien, waartoe de satan diegenen maakt, die hij verblindt.
Daarentegen zal allen ons geenszins de schuld mogen geven, als ons Evangelie voor enigen bedekt is, dat zij niet tot erkentenis komen van de heerlijkheid van Christus door de prediking daarvan, evenals zochten wij door dat Evangelie alleen onszelf heerschappij te bezorgen en niet allen zichonder de zodanigen wilden buigen. Want wij prediken niet onszelf; wij proberen niet onze eigen wijsheid ingang te doen vinden, om ons zo te maken tot heersers over uw geloof (Hoofdstuk 1: 24. 1 Kor. 2: 4 v., maar wij prediken Christus Jezus als de Heere, wie u, krachtens de verlossing door Hem teweeggebracht, uitsluitend als eigendom toebehoort (Hand. 20: 28); en van onszelf zeggen wij alleen, dat wij uw dienaars zijn om Jezus wil. Wij willen niet anders zijn dan dienaren van Christus, tot wie wij u door onze dienst willen leiden en aan wie wij u willen verbinden, opdat Hem het loon niet ontbreekt, voor de arbeid in de verlossing volbracht (Hoofdstuk 11: 2. 1Kor. 1: 13).
Uitdrukkelijk zijn wij geroepen Jezus Christus op deze manier te prediken en voor zodanige prediking ons, omwille van Hen, tot dienstknechten te stellen. Want God, a) die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, zoals in Gen. 1: 3 te lezen staat, is ook degene, die in onze harten geschenen heeft, toen Hij Zijn Zoon openbaarde (Gal. 1: 16). Hij heeft dit niet gedaan, opdat wij dat voor onszelf zouden behouden, maar integendeel ons ook in de prediking van het Evangelie aan anderen zouden meedelen. Hij heeft het gedaan om door ons, die Hij tot apostelen en predikers heeft gesteld, te geven verlichting van de kennis van de heerlijkheid van God, zoals die te zien is gegeven in het aangezicht van Jezus Christus, het evenbeeld van de onzichtbaren van God (vs. 4).
2 Petr. 1: 19.
“Ons evangelie”, zo heeft Paulus in vs. 3 zijn verkondiging genoemd en dit Evangelie heeft hij in vs. 4 voorgesteld als “het Evangelie van de heerlijkheid van Christus”. Dat hij nu met recht zijn Evangelie, dat door hem gepredikt werd, zo mag noemen, bevestigt hij in het zesde vers, omdat hij er zich op beroept, dat hij niet zichzelf, maar Christus als de Heere verkondigde, niet voor zich aanspraak maakte op macht, aanzien, invloed, maar dat alles alleen voor Christus. Voor zichzelf en zijn medearbeiders wilde hij niets betekenen, dan dat zij knechten waren van de gemeente van Jezus, tot haar dienst geroepen, terwijl zij zich bereidwillig en graag tot die dienst gaven en wel om Jezus wil, met dat doel, dat deze geheel en alleen hun Heer zou worden, zoals Hij dat wilde zijn. Daartoe, zegt de apostel verder in vs. 6 heeft God ze bekwaam gemaakt door een daad van Zijn scheppende genade.
Paulus stelt de wedergeboren in parallel met de schepping (vgl. Jes. 42: 5 vv.) als hij schrijft: “God, die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is degene, die in onze harten geschenen heeft (bij de eerste bekering,) om te geven verlichting van de kennis d. i. Hij heeft ons bekwaam gemaakt om tot verlichting van anderen te arbeiden (vgl. Efeze. 5: 8).
De verheven beschrijving van de ware God volgens Zijn prerogatief als Schepper, is hier te treffender tegenover de voorafgaande vermelding van de aanmatigende god van deze wereld (vs. 4), zoals dan ook de oorsprong van het licht en de goede en grote God een grote tegenstelling vormt tegen de verduisterende macht van de valse god.
Toen zei God: “er zij licht! ” en er was licht, nu heeft Hij het niet gezegd, maar Hij is zelf ons licht geworden.
Een oude naam van God, die Hij door Zijn eerste werk heeft verkregen en die Hij nog door vele dergelijke betoningen in het grote en het kleine bevestigt, is, dat Hij het licht uit de duisternis te voorschijn roept; en zo wordt Hij vooral bevonden bij de openbaring van Zijn Zoon door het Evangelie in de harten van de mensen. Bij Zijn wandelen in de wereld heeft men in Zijn persoon en aangezicht tezamen gehad, wat ertoe kon leiden om God recht te kennen, Hem van harte Vader te noemen, Hem met alle macht te vertrouwen. De apostelen hebben, wat zij zagen, zo vast verzekerd, opdat hun prediking en hun schriftelijk getuigen hetzelfde zou aanbrengen, wat voor hen de persoonlijke aanblik had uitgewerkt.
De heerlijkheid van God is de rijkdom van de goddelijke goedheid en barmhartigheid en het geheim van Zijn wonderbare wijsheid, dat openbaar is geworden in het raadsbesluit van onze verlossing; en deze heerlijkheid schittert in het aangezicht van Jezus Christus; want in Christus heeft zich de ondoorgrondelijke barmhartigheid van God jegens ons geopenbaard en door Christus is de aanbiddelijke raad van de goddelijke wijsheid vervuld en tot stand gebracht.
b. Vers 7Kruisverwijzingen2 Korinthe 5:1→2 Korinthe 3:5→Efeze 2:8→Klaagliederen 4:2→Kolossenzen 2:3→1 Korinthe 1:28→Efeze 1:19→Kolossenzen 1:27→
— Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons;
-Hoofdstuk 5:10
Met hetgeen in de vorige afdeling is geschilderd en in vele opzichten is aangewezen, namelijk, de heerlijkheid van het apostolische en in het algemeen Nieuw-Testamentische ambt, staat wel de uitwendige openbaring en het tijdelijk lot van zijn bedienaars in schijnbare tegenspraak. Het is echter een tegenspraak, waardoor de kracht van het ambt zelf niet wordt verhinderd, integendeel blinkt uit het breekbare van vaten van die bediening de inwendige heerlijkheid van het te helderder uit en door alle moeilijkheden heen laat zij zelf tot een eeuwige heerlijkheid, die elke maat overtreft, waarbij zij die smarten slechts voor tijdelijk en licht, zelfs voor niets houden (vs. 7-18). Van de heerlijkheid, waartoe juist onder smart de inwendige mens van dag tot dag vernieuwd wordt, kan nu zelfs het verdorven van de uitwendige mens, de dienaren van Christus niet beroven. Zeker zouden zij wel wensen niet door ontkleding, maar door overkleding tot heerlijkheid te komen. Welke nu ook de weg is, door de Heere voor hen bestemd, in elk geval is hun zoeken de Heere welbehagelijk te zijn, bij wie zij begeren thuis te zijn en voor wiens rechterstoel eens elk openbaar moet worden, om uit Zijn hand te ontvangen, wat elk volgens zijn arbeid in zijn leven verdiend heeft (Hoofdstuk 5: 1-10).
Maar, om nu over te gaan van het inwendige tot het uitwendige, wij hebben deze schat, die ons, volgens het in vs. 6 gezegde, geschonken is, in aarden, in lemen, zeer broze en onaanzienlijke vaten, opdat deuitnemendheid van de kracht, die zich in ons werk openbaart (Hoofdstuk 2: 14 vv.), zij van God en welke blijkt van God te zijn uitgegaan en niet uit ons.
Met het woordje “maar” gaat de apostel over het contrast voor te stellen tussen de heerlijkheid van het apostolische ambt en de zwakheid en de druk van degenen, die het bedienen. Dat de tegenstanders Paulus verwijtingen zouden hebben gedaan over zijn lichamelijke zwakheid en over de vervolgingen, die hij leed, als getuigenissen tegen het ware apostelschap, is een gedachte van sommigen, die niet kan worden aangenomen. Zo’n verwijt zou niet hem alleen, maar de apostolische leraars in het algemeen hebben moeten treffen en is ook daarom onwaarschijnlijk, omdat er in de volgende afdeling geen spoor van te vinden is. Toch is zeker ook deze afdeling niet zonder indirecte polemiek; want Paulus had volgens de eigenaardigheid van zijn apostelschap veel meer verdragen en geleden dan de vijandige Judaïstische leraars en daarom lag in de verhouding van zijn moeiten tot zijn werk een geheel bijzondere heilige triomf voor hem over zijn vijanden (vgl. Hoofdstuk 11: 23 vv.).
Zo’n schat is volgens vs 6 het licht, dat de apostelen geschonken is, opdat zij het laten schijnen, die is de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Christus, die in hen schijnt en van hen uitstraalt. Men zou verwachten dat deze kostbare schat om zijn gewicht en zijn betekenis een vat zou hebben daarmee overeenkomstig: het tegendeel, zegt de apostel, is het geval. Wij hebben die in aarden, van aarde gemaakte en gemakkelijk te breken vaten. Hiermee is gedoeld op het zwakke lichaam, dat veel te lijden heeft en steeds in gevaar is om gebroken te worden (Hoofdstuk 5: 1. 1 Kor. 15: 47 In zo’n vat dragen de apostelen die schat, opdat met zekerheid bekend wordt, dat de buitengewone werkingen, die van het Evangelie uitgaan, dat zij prediken, haar oorsprong niet uit hen hebben, maar in God, die beide, de Heer en de inhoud van het Evangelie is (Hoofdstuk 12: 9 v. 1 Kor. 2: 1 vv.). Het werkwoord “zij” in de zin “opdat de uitnemendheid van de kracht van God is en niet uit ons” met de nadrukkelijke nevenzin: “bewezen wordt, openbaar wordt”, komt eveneens voor in Rom. 3: 26 “opdat Hij rechtvaardig zij. “
Liet God het Evangelie prediken door engelen of door mensen, die reeds in de staat van de heerlijkheid waren overgebracht, zo zou men licht op zodanige werktuigen vallen en de kracht aan zodanige heerlijke personen toeschrijven; nu dit echter door ons, zwakke mensen geschiedt, blijft de eer aan God alleen.
Wij worden door onze vijanden vervolgd, maar niet daarin, temidden van de vervolging, verlaten door God, dat Hij ons in hun handen zou overgeven (Hoofdstuk 11: 32 v.). Wij worden wel neergeworpen, als wij door de handen van onze vervolgers vallen, maar niet verdorven, zodat wij ons niet zouden kunnen opheffen (Hand. 14: 19 v.)
Om uiteen te zetten wat het zegt om het doel in de woorden: “opdat de uitnemendheid van de kracht van God is en niet uit ons” uitgedrukt, die schat van de kennis van Christus welke ter verlichting van de wereld bestemd is, in aarden vaten te hebben, verbindt de apostel met het “wij hebben” in vs. 7 vier zinnen. Deze geven aan de ene kant te kennen, waartoe het bij de bedienaars van het apostelschap komt, omdat zij in de zwakheid van de menselijke natuur leven en aan de andere kant, waartoe het bij hen niet komt, omdat God in hen zo krachtig werkzaam is.
De predikers van het Evangelie hebben overal verdrukking en op allerlei manieren; want de god van deze wereld is een aartsvijand van het Evangelie en wil de boden daarvan uit zijn gebied dringen. Zij voelen ook met een bedroefde ziel het verdrukken van de vijand, want zij zijn niet, zoals de hemelse boden van de Heere Zebaoth, toegerust met verpletterende bazuinen, zij dragen de schat van hun boodschap in aarden vaten, daarom zien wij hoe overal doornen en heggen hun weg versperren en hun de voeten wonden. Paulus’ loop van Jeruzalem naar Corinthiërs en van Corinthiërs naar Rome is daarvan een getuigenis. Maar wij worden niet benauwd, zegt hij tot eer van de buitengewone kracht van God. Wel komen er angstige uren, waarin ook een Paulus niet weet waarheen (Hoofdstuk 6: 4; 12: 10), maar geen benauwdheid kan de dienaren van God zo beangstigen, dat zij geen kracht zouden hebben om te spreken (Ps. 18: 20): “Hij voerde mij uit in de ruimte. Hij rukte mij uit. ” Evenals een vlam, die zich niet laat benauwen, zegt Balduin, dringt het Evangelie door en ook in banden beangstigen zij zich niet, die met Paulus het ervoor houden, dat Gods woord niet gebonden is (2 Tim. 2: 9). “Wij worden twijfelachtig; ” de apostel verzwijgt dat niet (vgl. Hoofdstuk 1: 8); want daar hij in het aarden vat de schat van het apostelschap had, was gevaar op gevaar zijn lot (Hoofdstuk 11: 26) en de twijfelachtige vraag: “Wat zal het worden? ” was zijn ziel niet onbekend. Toen hij snood door Athene afgewezen, in de grote wereldstad Corinthiërs kwam, toen hij te Jeruzalem door de Romeinse krijgslieden aan de handen van de Joden werd ontrukt en vervolgens het een vierde jaar na het andere in de gevangenis te Cesearea stil moest zitten, of toen hij in de storm en in de nacht wegvoer en alle hoop op behoud verdwenen was (Hand. 18: 1; 21: 27-26: 32; 17: 20), – toen was het hem bang, maar – “wij zijn niet mismoedig”, de kracht van God maakt aan het vrezen en twijfelmoedig zijn een einde, zodat het niet tot bezwijken en wanhopen komt. Hetzij door leven of door dood, door toezenden van wonderbare hulp of door versterking in geduld, zeker zal God het lijden van Zijn heiligen keren tot prijs van de schat, die zij midden in het lijden hebben. Zo’n zekerheid drijft het bezwijken buiten (Fil. 1: 20). Nadat het achtste vers ons zo in Paulus verdrukt, maar niet benauwd, twijfelmoedig en toch niet mismoedig hart een blik heeft laten slaan, spreekt vs. 9 ervan, wat een uiterlijk de lijdende belijders van Christus aan de wereld tonen. Alle Christenen moeten vervolging lijden (2 Tim. 3: 12) en dit moet de leraars in de eerste plaats treffen; want het licht, dat hun schat en hun leven is, is gehaat door hen, die de duisternis liefhebben en omdat het Evangelielicht schittert, niet als de verschrikkelijke bliksem, maar als de lieve vriendelijke zon, die het toelaat dat de nacht, de vijandin van de dag haar verdrijft, zo mag en kan het niet anders zijn, of de kerk heeft tegenover haar vijanden in deze wereld alleen het recht tot het lijden van de vervolging. Is zij echter niet geborgen achter wereldse wapenen en niet geroepen om wapenen te voeren van vleselijke macht, toch wordt zij niet verlaten door God. Eén werd voor ons verlaten, opdat wij zouden kunnen roemen: wij worden niet verlaten. Als God het wil doen, dan kan Hij aan de vervolging een einde stellen en de woedende booswicht terughouden door de bescherming van de overheid, evenals de vervolgingsgeschiedenis van Paulus en van de gehele kerk spreekt van deze manier van goddelijke bijstand en van verlossing van de Opperheerser. Maar ook waar gevangenis en verbanning, door van goed en eer, vuur en zwaard onophoudelijk werkzaam zijn, blijft toch de troost van de Christen bestaan: wij worden niet verlaten! En evenals de kerk, die een verlaten weduwe is voor mensenogen (Jes. 54: 4) strijdt zonder verlaten te zijn, omdat de Heere bij haar is, zo is ook in het verdragen haar overwinning: Wij worden neergeworpen, maar niet verdorven; de poorten van de hel zullen ons niet overweldigen (MATTHEUS. 16: 18). De vervolgers kunnen ons, wil Paulus zeggen, ter aarde werpen; want wij dragen de edele schat in aarden vaten; maar verderven en vernietigen kunnen zij ons niet (Micha 7: 8. Joh. 16: 20). Zij, die het lijden van deze wereld verdragen in geloof aan Jezus, komen niet om, want zij gaan tot de Heere; en die nog wandelen in het donkere dal, komen niet om; want de Heere is hun licht.
Wij reizen voort, a) altijd de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdragend, omdat wij overal zijn blootgesteld aan een even gewelddadig vernietigen van het leven, als onze Heere Jezus heeft moeten ondervinden (1 Kor. 15: 31. Fil. 3: 10), opdat ook het leven van Jezus in hetgeen Hij door ons doet Ac 1: 1, in ons lichaam zou geopenbaard worden.
Rom. 8: 17. Gal. 6: 17. 2 Tim. 2: 11, 12. 1 Petrus 4: 13.
a) Want, om u de zo-even gebezigde uitdrukking: “altijd de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdragend”, nader te verklaren en u duidelijk te maken wat ik wil zeggen, wij, die leven, wij, die nog op aarde zijn, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus wil (Rom. 8: 36), b) opdat ook het leven van Jezus, die nu in de hemel verheerlijkt is, in ons sterfelijk vlees geopenbaard zou worden, tot wondervolle betoning, hoe machtig dat leven is.
Ps. 44: 23. MATTHEUS. 5: 11. 1 Kor. 4: 9. b) 1 Kor. 15: 49. Kol. 3: 4.
Zo dan, om nog te zeggen, wie het een en wie het andere van die beide, die hier tweemalen worden genoemd, aangaat, de dood werkt wel in ons, de apostelen, maar het leven in jullie en de gemeenten, die wij door onze arbeid stichten en opbouwen.
In dezelfde zin, waarin in Hoofdstuk 1: 5 wordt gezegd: “zoals het lijden van Christus overvloedig is in ons”, wordt hier in vs. 10 gezegd: “altijd de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdragend. ” Het bestendig doodsgevaar, waarmee de apostel zijn ambt uitoefent (Hoofdstuk 11: 23), is een voortdurend sterven. Hij noemt het de doding van de Heere Jezus, omdat het de voortzetting is en de herhaling van hetgeen zijn Heer heeft geleden, omdat het voorgaan van de lijdende en stervende Jezus in Hem navolging en afbeelding heeft. Wij dragen die doding in ons lichaam om, zegt hij, dat is, het vergezelt ons op al onze tochten en reizen. Overal zit datzelfde gevaar ons op de hielen, overal vervolgt ons de dood – waar wij ook zijn, het sterven van Jezus is bij ons. De apostel zegt: “in ons lichaam dragen wij deze doding om; want het lichaam is het broze vat, waarin de schat van God is gelegd. ” (vs. 7). Maar in datzelfde vat openbaart zich ook het leven van de Heere Jezus, namelijk in de krachtige werkingen, die in dat gebrekkige vat en daardoor ten gevolge van de daarin gelegde schat voortdurend zich openbaren en betonen. Het is het werkelijke leven van Jezus, dat in het lichaam van de apostel, zonder door de zwakheid ervan gehinderd te worden, zich bijzonder krachtig betoont. Opdat nu de betoning van het leven van Jezus in hem echt in het oog valt en openbaar wordt, stelt hij in zijn gehele leven een beeld voor van Hem, die aan de dood is overgegeven. Het sterven van de Heere wordt in hem herhaald, maar ook de overwinning van het leven van Christus en de zegepralen, die hij ondanks zijn zwakheid onafgebroken behaalt in de vruchten van zijn bediening. Het volgende elfde vers herhaalt daarop verklarende wat het tiende vers heeft uitgesproken. Met de woorden: “want wij, die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus’ wil”, wordt gezegd, in hoeverre de apostelen het sterven van de Heere Jezus in hun lichaam omdragen. Zij ondergaan wel de dood niet zo, dat zij werkelijk hun leven verliezen (vs. 9), maar bestendig zien zij zich aan de dood overgegeven, zodat zij zich steeds bewegen in de tegenstelling van zich te zien als levenden, die een prooi van de dood zijn geworden, als voortdurend de dood overgegeven, maar om altijd nog te leven. Hun overkomt dit om Jezus’ wil, anders was het niet de doding van de Heere Jezus, die zij in hun lichaam omdragen. Terwijl zo de eerste helft van vs. 10 haar volledige verklaring verkrijgt, wordt de tweede helft van het vers bijna woordelijk herhaald in de woorden: “opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees geopenbaard zou worden. ” Alleen wordt in plaats van “in ons lichaam”, hier gezet “in ons sterfelijk vlees. ” Dit geschiedt om van het te nadrukkelijker de kracht te kennen te geven, die dit zwakke vat tot voorwerp en werktuig van haar overwinningen neemt. Want het leven, dat zich in de zwakheid van hen, van de apostelen openbaart, is inderdaad het eigen leven van de verhoogde Middelaar en de openbaring van dit leven is de zegen over het ambt, die de apostelen geschonken wordt (vgl. Hoofdstuk 2: 14 vv.). Van vs. 12 nu komt de eerste zin met de beide eerste in vs. 10 en 11, de tweede met de tweede helft van deze verzen overeen: “de dood werkt wel in ons”, of heeft kracht op ons, oefent zijn werkzaamheid aan ons uit, hij is bezig en werkzaam ons aan te vallen; “maar het leven in jullie”, namelijk het leven van Christus, dat zich door ons, in ons zwak lichaam aan u met kracht betoont, het leven, dat u door het woord van onze prediking van de geestelijke dood opwekt en in de gemeenschap van Zijn leven verplaatst. Voor deze prijs wil de apostel graag het sterven van Jezus in zijn lichaam dragen, als maar het leven van Jezus onder deze zwakheid hun tot zegen wordt (2 Tim. 2: 10). De wending van de zin is verrassend en geheel geschikt, op de Corinthiërs indruk te maken, die in staat waren om uit eigen ervaring de waarheid te bevestigen van hetgeen hij zei.
Merk nog op, hoe Paulus in vs. 10 en 11 alleen de naam “Jezus” en wel herhaalde malen noemt! Als die het leven en sterven van de Heere in zijn lichaam omdraagt, heeft hij de concrete menselijke openbaring, Jezus, in het innigste gevoel van gemeenschap voor zijn ogen en in zijn hart. Ook de verhoogde is en blijft voor hem de Heere “Jezus.”
Omdat wij nu dezelfde Geest van het geloof hebben, die zich uitspreekt bij de godzalige mannen van het Oude Verbond, zoals er geschreven is in Ps. 116: 10 “Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken”, zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook. Wij handelen evenals zij, in het ene zowel als in het ander opzicht; wij geloven niet slechts zoals zij, maar spreken ook van hetgeen wij geloven.
Wij doen dat, a) wetend dat Hij, die de Heere Jezus opgewekt heeft (Hand. 3: 15. 1 Thessalonicenzen. 1: 10. 1 Petrus 1: 21 ook ons door Jezus zal opwekken en met jullie heilig en onstraffelijk (Hoofdstuk 5: 10. Kol. 1: 22) daar zal stellen voor Zijn rechterstoel en ons met u in de eeuwige heerlijkheid zal inleiden (2 Tim. 4: 8. 1 Thessalonicenzen. 2: 19).
Rom. 8: 11. 1 Kor. 6: 14.
Maar, zo zou men kunnen vragen, is dat niet een delen, dat voor de apostel zeer droevig is, dat hij voor zijn deel de dood zou verkrijgen, wiens heerschappij hij ziet in alles, wat hem overkomt, terwijl het leven, alhoewel het zich in zijn lichamelijk aanzijn openbaart, toch aan de kant valt van hen, voor wie hij arbeidt, terwijl zodanige openbaring van het leven juist geschiedt tot dat einde, opdat het in hen zijn uitwerking doet? Wat nut het hem, dat het leven van Jezus hem tot uitoefening van zijn beroep onder alle wederwaardigheden in die staat plaatst en daardoor niet alleen aan hen, voor wie hij het bedient, openbaar wordt, maar ook in hen werkzaam wordt, als hij zelf voor zijn persoon alleen de wederwaardigheden krijgt te lijden, die zijn beroep meebrengt?
In het aardse leven rekent de apostel volstrekt op geen beloning. Hij spreekt naar de geest van het geloof, die in David was (Ps. 116: 10), daarom, omdat hij gelooft en wacht op de eenmaal te wachten opstanding. Hier gedurig in lijden en gevaar, is hij verzekerd, dat hij toch, al is het ook eerst ginds, van de dood zal worden verlost en daar zal het loon van zijn overgave en toewijding van het te groter zijn, omdat hij ook hen naast zich zien zal, tot wier heil hij geleden heeft. (V.).
Want al deze dingen, die over onze moeite en onze uitreddingen, van ons geloven en ons spreken gezegd zijn (vs. 7-14), zijn omwille van u, om u te bevestigen in het bezitten van de zaligheid en voor te bereiden voor de volmaking daarvan (1 Kor. 3: 11). Zij zijn opdat de vermenigvuldigde, de wondergrote genade, die aan ons is bewezen, door de dankzegging van velen, die door onze dienst tot het bezitten van de zaligheid zijn gekomen, overvloedig wordt ter heerlijkheid van God. Het loflied toch zal te voller zijn naarmate het koor groter is van degenen, waardoor het wordt gezongen.
Evenals reeds in vs. 12 noemt Paulus als de vrucht van zijn strijd en zijn moeitevol werken, de Corinthiërs. Hij krijgt daartoe aanleiding door het “met jullie” aan het slot van het vorige vers, waardoor hij het hoogste doel van zijn leven en zijn sterven, namelijk om tot Christus te komen, als zo een voorstelt, dat alleen waarde heeft voor hem, als hij het met zijn geliefden in Christus kan bereiken. Hieruit moet de verbinding van ons vers met het vorige door “want” worden verklaard.
De apostel hoopt niet zonder de Corinthiërs aan het grote doel van zijn strijd te komen. Hij kan zich zo’n scheiding niet denken. Hij zegt: dat alles geschiedt omwille van u, namelijk alles, waarvan in dit hoofdstuk sprake was, zowel de genade, hem bewezen met het doel om de kennis van de zaligheid te verbreiden (vs. 6), als de moeilijkheden, waaronder zij hun ambt bedienen (vs. 7-9), zowel hun dagelijks sterven als de openbaring van het leven van de Heere in hun lichaam ten behoeve van de opbouw en de ontwikkeling van de gemeente (vs. 10-13) en het prediken van het geloof (vs. 13). Als vrucht wordt nog genoemd de dank, die dat alles opwekt. De woorden van de grondtekst kunnen ook aldus worden opgevat: opdat de genade, vermeerderd om de dankzegging van meerderen, overvloedig wordt ter heerlijkheid van God. De genade, hier bedoeld, is die, die aan de apostelen is geschonken ter bediening van hun ambt (vs. 7-13. Hoofdstuk 1: 11). Voor deze genade danken velen, die zij ten zegen wordt, die de zegen van de apostolische arbeid ervaren en genieten. Deze is de dankzegging van de velen, waarvan de apostel spreekt, terwijl hij opzettelijk deze uitdrukking kiest in plaats van “velen”, of om de overeenkomst van de klank van de woorden (vermeerderd – meerderen), of om te kennen te geven (vgl. Hoofdstuk 2: 6), dat niet alle leden van de gemeente te Corinthiërs zich met deze dank verenigen en alleen het meerderdeel dit doet. Om deze dank, met het oog op deze, wordt de genade vermeerderd, die de apostel heeft ondervonden; zij wordt altijd rijker en groter, maar het einddoel daarvan is, dat zij overvloeiend wordt, zich bovenmate rijkelijk uitstorte in de lof van God, zodat Gods eer daardoor wordt verhoogd en om zodanige genade, die zich aan de apostelen openbaart, hoog geprezen wordt.
Daarom, omdat wij weten wat in vs. 14 is gezegd, vertragen wij niet; wij verliezen niet de moed, noch de lust, om op ons te nemen wat in vs. 8 vv. is gezegd; maar hoewel onze uitwendige mens, zoals dit werkelijk het geval is, verdorven wordt, dagelijks lijdt onder de moeite en de verdrukking, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag, om rijp te worden voor een geheel nieuw en oneindig heerlijker aanzijn.
Het begin van het vers heeft overeenkomst met vs. 1 Daar, zowel als hier, staat: “daarom vertragen wij niet”. Daar wijst het “daarom” op de heerlijkheid van de bediening, die de apostel is opgedragen; dit daarentegen op de kracht van God, die zich aan de bedienaars van het ambt betoont, temidden van de werkzaamheid, die zo vele bezwaren en moeiten en lijden oplevert. Hierop beroept de apostel zichzelf dadelijk: het moge zijn, zegt hij, dat onze uitwendige mens wordt verdorven, ten gronde gericht wordt, zoals dat onder de last van voortdurende moeilijkheden en lijden niet anders kan, zo wordt toch de inwendige vernieuwd van dag tot dag. De vernieuwing van deze neemt met gelijke tred toe als het afnemen en verdorven worden van de anderen, evenals dit is ook de vernieuwing een werk, dat onafgebroken en voortdurend plaats heeft. De uitdrukking “inwendige mens” komt ook in Efeze 3: 16 voor en Rom. 7: 22, maar de uitdrukking “uitwendige mens” alleen hier. Het eerste is de kern van de persoonlijkheid, het geestelijk middelpunt van de mens, waarvan elke beweging uitgaat, die zijn karakter, zijn waarachtig persoonlijk bestaan voor God bepaalt. Deze inwendige mens is niet gebleven buiten aanraking van de zonde, maar hij is het, waarbij de Heere het werk van de vernieuwing en wedergeboorte begint, totdat het van dezen uit de gehelen mens heeft doordrongen en in de opstanding en volmaking zijn uitwendige gedaante ook aan de herstelde inwendige gelijkvormig is geworden. De “inwendige mens” is daarom niet gelijk aan de “nieuwe mens” (Efeze 4: 24. Kol. 3: 10), want deze is de nieuwe levenskracht in de mens, door de wedergehoorte teweeg gebracht, die het eerst zich aan de inwendige mens werkzaam betoont. Daarom is het reeds een vrucht van de wedergeboorte, als de inwendige mens lust heeft in de wet van God (Rom. 7: 22). Van de inwendige mens uitgaande gaat nu dit werk van de vernieuwing in voortdurende groei voort en daarom kan de apostel zeggen, dat zijn inwendige mens van dag tot dag vernieuwd wordt. De uitwendige mens nu is de mens naar zijn tijdelijk, uiterlijk en stoffelijk bestaan, dus wel niet geheel en alleen het lichaam, maar toch in het bijzonder met het oog op zijn lichamelijk zijn, de mens, zoals hij voor de buitenwereld er uitziet, optreedt, zich gedraagt en is. De uitwendige mens is dus niet hetzelfde als de “oude mens”, de mens, zoals hij als zondig schepsel is, dat aan de dood is overgegeven, dat zal ophouden te bestaan; maar het is het broze, tijdelijke omkleedsel van en de vorm van voorstelling voor de inwendige mens, die wordt verbroken om plaats te maken voor een vorm, meer in overeenstemming met de herkregen staat van de inwendige mens. Daarom komt ook de apostel het verdorven worden van de uitwendige mens niet voor als een nadeel, omdat de groei van de inwendige daardoor wordt bevorderd.
Het tegengestelde van moe worden is nieuw worden (Jes. 40: 31). Moge de uitwendige mens onder het dagelijks lijden niet slechts moe, maar zelfs verdorven worden, de inwendige wordt niet moe, maar wordt dagelijks vernieuwd. Zeker vervult ook de Heilige Geest, die in de inwendige mens werkzaam is, ook de uitwendige mens; toch blijft deze uitwendige mens in zijn openbaring in deze tijd en met de wet in zijn leden (Rom. 7: 23) een aarden vat, meer een bezwarende tent en een moeilijk omkleedsel, dan een geschikt middel voor de inwendige mens om zich te vertonen. Het aarden vat moet worden verbroken, opdat het opstaat in een nieuwe vorm, meer in overeenstemming met de vernieuwde inwendige mens. Daarom ziet Paulus op de vernietiging van zijn uitwendige mens, waartoe het lijden het bracht, met gerustheid en tevredenheid en zonder verdriet, omdat hij er zeker van is, dat de vernieuwing van de inwendige mens, die uit de kracht van de heerlijke rijkdom van God (Efeze. 3: 16) van dag tot dag hem toekomt en krachtiger wordt, gekroond zal worden, wanneer eindelijk ook in het uitwendige het beeld van de heerlijkheid van de Heere (Hoofdstuk 3: 18) zich openbaart.
a) Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid een wondergrote, onberekenbare grootheid van zaligheid, die dan ons deel zal zijn, als het rijk van God tot zijn voltooiing komt (Rom. 8: 17 vv.).
Ps. 30: 6. MATTHEUS. 5: 12. 1 Joh. 3: 2.
Omdat wij niet aanmerken, niet voor het doel van ons streven houden, de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet, dat ook onophoudelijk van onze kant moet plaats hebben, zal werkelijk onze smart zodanige heerlijkheid aanbrengen. Want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk en zo kan zeker door het zien op deze geen eeuwige heerlijkheid daaruit voortkomen, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig en zullen snel zich openbaren in hun kracht en pracht, als Christus, die ons leven is, openbaar zal worden (Kol. 3: 4).
Onze smart is tijdelijk, een wolkje voor de zon, dat snel voorbij trekt, zoals Cyprianus zegt; men moet hier bedenken dat de Geest spreekt; want het verstand kan het niet geloven dat de aanvechting kort is en maar een ogenblik, maar het houdt die voor eindeloos, omdat het alleen aan de ondervinding van het ogenblik hangt, het ziet niets, het hoort niets, het denkt aan niets, het verstaat niets dan alleen de smart en het kwaad, die tegenwoordig zijn. Daarom is het een geestelijke oefening, dat men alle schrikbeelden, die men ziet, laat varen en het hart gewent aan hetgeen men ziet, d. i. dat men zich gelovig vasthoudt aan het woord.
Onze verdrukking is licht, zij is dat, omdat zij de mens alleen uitwendig treft en van de mens komt; zij is niets bij de toorn van God; maar de zaligheid is het genieten van Gods genade.
De verdrukking is zwaar, want de uitwendige mens bezwijkt eronder; en toch is het lijden van deze tijd licht, want de inwendige mens groeit daaruit op van dag tot dag met nieuwe kracht. En het einde? De verdrukking eindigt in heerlijkheid. Voor hetgeen tijdelijk is wordt iets eeuwigs, voor hetgeen licht is, iets belangrijks ingeruild. God houdt een weegschaal in de hand, waarvan de ene schaal tijd, de andere eeuwigheid heet. In de een wordt de verdrukking afgewogen, in de andere de heerlijkheid en zie, de ook verkregen heerlijkheid, die aan hen, die met Christus lijden zal geopenbaard worden, is zo groots en heerlijk, dat haar gewicht tegen de smart verre opweegt (Rom. 8: 18). Evenals Lazarus de vertroosting in Abrahams schoot in grote mate vond voor zijn vroegere ellende, zo bijzonder groot is in de ogen van Paulus de heerlijkheid verheven boven tijdelijke verdrukking. Toch is de verdrukking niet zonder gewicht of zonder waarde, want zij werkt eeuwige heerlijkheid.
De reinigende kracht van het lijden, die het vlees beperkt, wekt en bevordert de heiligmaking van ziel en lichaam, die, om met Bengel te spreken, de verborgen heerlijkheid is, zoals de heerlijkheid de geopenbaarde heiligheid is. Toch beperkt Paulus met recht de hele heerlijke zin van het bovenmate grote gewicht van het lijden tot de gelovigen, die niet op het zichtbare maar op het onzichtbare het oog vestigen.
Het onzichtbare is hier niet dat, wat naar zijn aard niet kan worden gezien (Kol. 1: 15. 1 Tim. 1: 17, maar wat nu nog niet kan worden gezien, totdat het op zijn tijd te voorschijn treedt (1 Tim. 6: 15. 1 Joh. 3: 2. Ook in de volgende zin: “de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig”, hebben de woorden “zichtbaar” en “onzichtbaar” dezelfde betekenis en wordt alleen de vergankelijkheid van de tegenwoordige, nu in het oog vallende gedaante van de dingen geplaatst tegenover de eeuwige duur van die heerlijkheid, waarin de vernieuwde schepping daarna zal schitteren.
U zegt in uw angst: “Och Heere! hoe lang! ” maar het is niet lang, dat schijnt het slechts door uw zwakheid.
Licht, licht is het kruis: u zegt: nee! het is zwaar! Hef de ogen op naar de heerlijkheid: zegt u het nog?
Naar de grondregel in het rijk van God: “door lijden tot heerlijkheid; van het kruis naar de kroon” is het zo beschikt dat droefenis de weg tot verheerlijking baant en dat men onder het lijden de voorsmaak verlangt van de krachten van de toekomende wereld, waarvoor men zonder dit te gronde gaan van de uitwendige mens niet vatbaar zijn zou. De keuze is ons gedurig, ja met elk ogenblik voorgesteld, te grijpen en te jagen naar het tijdelijke of naar het eeuwige, naar de korte vreugde en het lange leed, of naar de korte en lichte droefenis en het eeuwige goed van de onuitsprekelijke heerlijkheid. (V.).
Het is meestal goed op onze Christelijke pelgrimsreis voorwaarts te zien. Voorwaarts ligt de kroon en verderop is het doel. Hetzij het de hoop, de vreugde, de vertroosting of de vermeerdering van onze liefde geldt, de toekomst moet toch het grote voorwerp voor het oog van het geloof zijn. Als wij in de toekomst schouwen, zien wij de zonde uitgeworpen, het lichaam van de zonde en van de dood teniet gedaan, de ziel volmaakt en geschikt om deel te hebben in de erfenis van de heiligen in het licht. Nog verder ziende, kan het verlichte oog van de gelovigen zichzelf reeds aan de andere kant van de doodsrivier zien, de donkere stroom doorwaad en de heuvelen van het licht bereikt hebbend, waarop de hemelse stad gebouwd staat; hij ziet zichzelf de paarlen poorten binnengaan, begroet als meer dan overwinnaar, door de hand van Christus gekroond, door de armen van de Heere Jezus omvat, met Hem verheerlijkt, terwijl het hem “gegeven is met Hem te zitten in Zijn troon zoals als Hij overwonnen heeft en is gezeten met de Vader in Zijn troon. ” De gedachte aan deze toekomst is wel in staat de duisternis van het verleden en de donkerheid van het heden te verlichten. De vreugde van de hemel zal zeker de smarten van de aarde vergoeden. Dat mijn vrees verdwijnt! deze wereld is slechts een span breed en u zult die weldra zijn doorgegaan. Zwijg, elke twijfel, de dood is niets dan een smalle stroom en u zult die snel doorwaad hebben. Hoe kort is de tijd – en de eeuwigheid, hoe lang! Hoe kort is de dood – en hoe eindeloos de onsterfelijkheid! Mij dunkt ik eet nu reeds van Eskol’s druiventrossen en ik drink uit de bornput, die binnen de poort is. De weg is zó kort! weldra zal ik daar zijn.
Als mij ‘s werelds rampen treffen, Leed mij het hart aan stukken rijt, Mag ‘k mijn ziel ten hemel heffen, In de Heer mijn God verblijd. Door het geloof kan ‘k moedig wezen, Onder alle smart en kruis: ‘k Weet, na al mijn pijn en vrezen, Weldra ben ‘k voor eeuwig thuis.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel